Skip to main content

Bescherming van het ongeboren kind tegenover het zelfbeschikkingsrecht van de moeder

Page 1

ARTIKEL | INFORMATIERECHT

MOET DE BESCHERMING VAN HET ONGEBOREN KIND IN BEPAALDE SITUATIES PREVALEREN BOVEN HET ZELFBESCHIKKINGSRECHT VAN DE MOEDER? OP GROND VAN DE WET OP DE GENEESKUNDIGE BEHANDELINGSOVEREENKOMST (HIERNA: WGBO) KAN EEN ZWANGERE VROUW, INDIEN ZIJ EEN WILSBEKWAME PATIËNT IS, EEN MEDISCHE BEHANDELING TE ALLEN TIJDE WEIGEREN. DE REDEN VOOR HET WEIGEREN VAN EEN BEHANDELING IS NIET VAN BELANG. DOOR AILEEN HOWARD

20

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 4 2022


ARTIKEL | INFORMATIERECHT

Dit is in overeenstemming met het rapport van de Gezondheidsraad ‘Het ongeboren kind als patiënt’, van 1990. In dit rapport is geformuleerd dat er geen sprake mag zijn van een ingreep waarbij alleen het ongeboren kind gebaat is. Er moet een afweging gemaakt worden tussen de voordelen en nadelen voor zowel het ongeboren kind als de vrouw. Hierbij wordt als belangrijke richtlijn meegenomen dat er altijd sprake moet zijn van de uitdrukkelijke toestemming van de zwangere vrouw voor de ingreep. Zonder deze toestemming is een ingreep niet aanvaardbaar.1 DE HEDENDAAGSE STANDPUNTEN Hoe wordt hier tegenwoordig over gedacht? We zijn nu meer dan 30 jaar verder en er is veel in de technologie veranderd. Door technologische ontwikkelingen is er tegenwoordig veel meer mogelijk op het gebied van foetale chirurgie. De opvattingen van tegenwoordig lijken niet helemaal meer in lijn te staan met de WGBO en het rapport van de Gezondheidsraad van 1990. Al in 2008 heeft de Minister van Volksgezondheid het standpunt ingenomen dat, als het weigeren van de patiënt negatieve gevolgen heeft voor een derde (in dit geval het ongeboren kind) de hulpverlener ervoor kan kiezen om deze beslissing te doorbreken. Deze doorbreking kan via de jeugdzorg of de kinderbescherming. Hierbij wordt wel altijd het zelfbeschikkingsrecht van een wilsbekwame patiënt in het achterhoofd gehouden, maar er is mogelijkheid voor een afweging tussen dit zelfbeschikkingsrecht en de negatieve gevolgen voor het ongeboren kind.2 Dit botst met het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere vrouw om te weigeren. Door dit standpunt wordt het zelfbeschikkingsrecht, zoals opgenomen in artikel 7:450 Burgerlijk Wetboek, van de zwangere vrouw

EDITIE 4 2022 | ALIBI MAGAZINE

beperkt in het geval de hulpverlener van mening is dat er sprake is van negatieve gevolgen voor het ongeboren kind. Vergeleken met 30 jaar geleden zijn we van mening veranderd over dat de zwangere vrouw te allen tijde een behandeling kan weigeren. In de huidige stand van zaken wordt er nu ook een grote betekenis gehecht aan het meenemen van het belang van het ongeboren kind. Hierdoor wordt het mogelijk gemaakt om het belang van het ongeboren kind boven het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere vrouw te plaatsen, indien dit noodzakelijk wordt geacht. DE KONINKLIJKE NEDERLANDSE MAATSCHAPPIJ TOT BEVORDERING DER GENEESKUNST (KNMG) De KNMG gaat met deze huidige standpunten mee. De richtlijn van de KNMG voert aan dat als er sprake is van een spoedsituatie, de keuzemogelijkheden, en dus de autonomie van de zwangere vrouw over haar eigen lichaam, beperkt is of zelfs niet bestaat. Hierbij wordt in acht genomen dat niet alleen de medische belangen van de zwangere vrouw een rol spelen, maar ook die van het ongeboren kind. De spoedsituatie houdt in dat er sprake is van gevaar voor het leven van het ongeboren kind. Indien dit het geval is, mag de arts druk uitoefenen op de zwangere vrouw om een bepaalde behandeling te ondergaan.3 Het uitoefenen van druk betekent dat de arts of individuele instelling er alles aan heeft gedaan om de vrouw te informeren over de mogelijke gevolgen voor haar en haar baby als zij zich niet laat helpen en haar hiermee te overtuigen. De arts moet hierbij altijd rekening houden met de precieze wensen van de zwangere vrouw zelf. Indien de zwangere vrouw hierna nog blijft weigeren, heeft de arts of de individuele instelling de mogelijkheid om in een uiterste situatie dit te negeren. De arts maakt in dat geval

uit dat de belangen van het ongeboren kind zwaarder wegen dan de belangen van de zwangere vrouw. De zorgplicht van de arts komt in dit geval voorop te staan. Dit houdt in dat de arts er op dat moment alles aan doet, tegen de wil van de zwangere vrouw in, om schade of de dood bij het ongeboren kind te voorkomen.4 DE RECHTSPRAAK Zowel de bepaling van de KNMG als die van de minister komen enigszins overeen met een uitspraak uit 2018 van de Rechtbank Zeeland – West – Brabant.5 Hierbij ging het over de weigering van het ziekenhuis om een zwangere vrouw op een bepaalde manier te behandelen. De zwangere vrouw wilde een behandeling overeenkomstig de door haar gewenste wijze. Het ziekenhuis heeft deze gewenste behandeling van de zwangere vrouw geweigerd. Het weigeren was gebaseerd op bepaalde risicofactoren, dit hield het risico op complicaties tijdens de bevalling in. Zowel het kind als de zwangere vrouw liepen dus risico op schade. Daarom heeft het ziekenhuis besloten de gewenste behandeling van de zwangere vrouw te weigeren. Deze conclusie is getrokken aan de hand van artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek, waarbij de hulpverlener telkens goede geboortezorg in acht moet nemen. Dit betekent dat indien

BIO Aileen Howard

Masterstudent Informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam

21


ARTIKEL | INFORMATIERECHT

er sprake is van een hoog risicozwangerschap, de hulpverlener hierop moet anticiperen. In het arrest was hiervan sprake en is er gekozen om niet de wensen van de zwangere vrouw te volgen. De rechtbank heeft in haar uitspraak de autonomie van de arts belangrijk geacht. Waarbij de arts ingevolge artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek een zekere professionele autonomie heeft. De autonomie houdt in dat alleen dan sprake is van een onjuiste weigering indien ‘de weigering van de verlangde behandeling strijdig is met de medisch-professionele standaard en dat een redelijk handelend hulpverlener in redelijkheid niet tot die weigering had kunnen komen’.6 De arts of een instelling kan dus de wensen van een zwangere vrouw weigeren indien dit risico op complicaties tijdens de bevalling kan opleveren. Het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere vrouw wordt hierin beperkt, maar in een niet zodanige wijze dat dit onrechtmatig zou zijn. Het gaat

22

hier tenslotte om een arts die een bepaalde behandeling weigert indien hij of zij dit nodig acht. In het hierboven genoemde arrest ging het om een situatie waarin een arts weigerde een bepaalde behandeling uit te voeren. Maar hoe zit het in het geval een zwangere vrouw een bepaalde behandeling weigert, en de arts ervoor kiest om deze behandeling toch uit te voeren? Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de situatie waarin een arts een behandeling weigert, en deze daardoor niet plaatsvindt, en de situatie waarin een zwangere vrouw de behandeling weigert, maar deze toch plaatsvindt. HET WEIGEREN VAN EEN BEHANDELING DOOR DE ZWANGERE VROUW Artikel 1:2 Burgerlijk Wetboek is een belangrijk artikel. Dit artikel maakt uit dat een kind waarvan een vrouw zwanger is als reeds geboren wordt aangemerkt, als zijn belang dit

vordert. Het artikel beschermt de belangen van een verwekt kind dat nog niet geboren is. Naar aanleiding van een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam wordt met ‘belang’ medisch belang verstaan. Hierbij is er sprake van medisch belang indien het ingrijpen van levensbelang is voor het kind. Indien dat het geval is, is het treffen van maatregelen geoorloofd. In het arrest van de rechtbank Rotterdam is de voorlopige voogdij toegekend aan de Stichting Bureau Jeugdzorg. Deze voorlopige voogdij betekent dat er mogelijkheid is voor een gecontroleerde zwangerschap en begeleiding tijdens en na de bevalling. Omdat het hier ging om het levensbelang van het kind, was het treffen van maatregelen op grond van artikel 1:2 Burgerlijk Wetboek geoorloofd. Doordat de handelswijze van de zwangere vrouw haar ongeboren kind in levensgevaar brengt, heeft de rechter geoordeeld dat het belang van het kind het vordert, ‘zulks op de voet van

ALIBI MAGAZINE | EDITIE 4 2022


ARTIKEL | INFORMATIERECHT

artikel 1:2 Burgerlijk Wetboek’, tot een ontzetting uit het ouderlijk gezag.7 Wanneer een zwangere vrouw een bepaalde behandeling weigert maar een arts er toch voor kiest de behandeling uit te voeren, wordt er een afweging gemaakt tussen de belangen van het ongeboren kind en de zwangere vrouw. Hierbij wordt in acht genomen dat indien er sprake is van een zodanige handelwijze waardoor het ongeboren kind in levensgevaar is, er gekozen kan worden om het weigeren van de zwangere vrouw te negeren en toch een bepaalde behandeling uit te voeren. Het medische belang van het ongeboren kind vordert dit zodanig, dat dit kind als reeds geboren wordt aangemerkt onder artikel 1:2 Burgerlijk Wetboek. De bescherming van het ongeboren kind prevaleert hier boven het zelfbeschikkingsrecht van art. 7:450 Burgerlijk Wetboek van de zwangere vrouw. DE BELANGEN VAN HET ONGEBOREN KIND VERSUS HET ZELFBESCHIKKINGSRECHT VAN DE ZWANGERE VROUW Een mogelijke redenering kan zijn dat het ongeboren kind als deel van de zwangere vrouw valt aan te merken en daardoor onder haar zelfbeschikkingsrecht valt. Ondanks dit, heeft het ongeboren kind toch zekere rechten. Een zwangere vrouw mag bijvoorbeeld niet vrijwillig abortus plegen buiten de toegelaten periode. Dit in het belang van het ongeboren kind, die buiten de toegelaten periode al in zoverre mate is volgroeid dat abortus niet meer wenselijk wordt geacht.8 Daarnaast wordt er door de rechtspraak ook geacht dat het belang van het ongeboren kind boven dat van de zwangere vrouw staat indien het kind als reeds geboren kan worden aangemerkt onder artikel 1:2 Burgerlijk Wetboek. Hierin wordt het medische belang van het kind meegewogen. In bepaalde situaties, zoals bijvoorbeeld in het geval van abortus of in-

EDITIE 4 2022 | ALIBI MAGAZINE

dien het belang van het kind dit acht, prevaleert het belang van het kind dus boven het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere vrouw. Het is daarbij wel van belang dat het uitmaken van dit prevalerende belang boven het zelfbeschikkingsrecht van de moeder goed wordt doordacht. Zoals academisch docent H. Leenen dit mooi stelt, kan het niet betekenen dat het toekennen van hogere rechten aan het ongeboren kind, betekent dat de zwangere vrouw wordt onderworpen aan een vergaande sociale controle en tot een gebrekkige autonomie.9 Er ontstaat een spanningsveld tussen de belangen van het ongeboren kind en het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere vrouw. Wanneer is een situatie dusdanig ernstig dat er door een arts gekozen mag worden voor behandeling ondanks de weigering van de zwangere vrouw? Is een arts als professioneel zorgverlener als enige observator voldoende om dit te beslissen? Of is het van belang meerdere actoren mee te laten beslissen zodat er geen sprake kan zijn van een vergaande sociale controle op zwangere vrouwen? CONCLUSIE De meningen over het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere vrouw en het ongeboren kind zullen altijd verschillen. Medio 1990 werd er nog gesteld dat het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere vrouw, indien we spraken van een wilsbekwame patient, altijd voor ging, ook boven dat van het ongeboren kind. Vanaf 2008 is dit standpunt veranderd, en wordt er mede gekeken naar het belang van het ongeboren kind. Dit komt tevens door de technologische ontwikkelingen in de biotechnologie, waarvan voorheen nog geen sprake was. Er is tegenwoordig bijvoorbeeld veel meer mogelijk op het gebied van foetale chirurgie.

Door deze ontwikkelingen is het belang van het ongeboren kind belangrijker geworden. Er is meer mogelijk, waardoor dit belang meer gehonoreerd kan worden. Maar in hoeverre moeten we het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere vrouw hiermee inperken? Waarin er in een aantal arresten en rapporten is uitgemaakt dat dit in bepaalde situaties mogelijk is, is het moeilijk om een grens te trekken. En het trekken van een grens is nu juist cruciaal, omdat sociale controle op de zwangere vrouw niet gewenst is. Het trekken van een grens is voor de arts of individuele instelling ook van belang. De verantwoordelijkheid moet niet geheel op hen rusten. Het is niet wenselijk om van een arts of individuele instelling te verwachten dat zij te allen tijde kunnen beslissen wanneer zij het zelfbeschikkingsrecht van de zwangere vrouw moeten inperken.

1

2

3

4

5

6

7

8

9

Gezondheidsraad, Het ongeboren kind als patiënt, invasieve diagnostiek en behandeling van de foetus, advies uitgebracht aan Minister en Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, Den Haag: Gezondheidsraad juni 1990, no. 90/05. Aanhangsel Handelingen ll 2007/08, nr. 5: antwoorden op Kamervragen van Wilders en Agema over discriminatie van medisch specialisten. R. Kottenhagen, ‘Botsende rechten van moeder en ongeboren kind’, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2008, p. 493 – 495. R. Kottenhagen, ‘Botsende rechten van moeder en ongeboren kind’, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2008, p. 493 – 495. Rb. Zeeland-West-Brabant 23 maart 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:1745. Rb. Zeeland-West-Brabant 23 maart 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:1745. Rb. Rotterdam 9 mei 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AX2185. G. Popelier, ‘Het moeder-foetus konflikt’, Vlaams Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1995, p. 295 – 303. H. Leenen, Handboek gezondheidsrecht, dl 1, Samson Uitgeverij, Alphen a/d Rijn, 1998, pag. 76.

23


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Bescherming van het ongeboren kind tegenover het zelfbeschikkingsrecht van de moeder by ALIBImagazine - Issuu