Bol& Teelt

![]()

Onkruidbestrijding met laserprecisie
De cijfers liegen er niet om: in 2025 daalde de milieubelastingpunten van gewasbescherming bij onze klanten met maar liefst 31%. Dat is geen toeval. Het is het resultaat van jarenlang onderzoek, structurele monitoring en adviseurs die dichtbij de praktijk staan. Een prestatie om trots op te zijn, samen met u.
Tegelijkertijd neemt de druk van buitenaf toe. De Omgevingswet geeft gemeenten en provincies steeds meer instrumenten om de teeltpraktijk te beïnvloeden. Mijn advies: wacht niet af. Zorg dat u aan tafel zit wanneer omgevingsvisies en -plannen worden opgesteld. Wie niet meepraat, wordt overstemd.
In deze editie leest u over innovaties zoals de TORwiedrobot en EthylBloc, maar ook over praktische handvatten om grip te houden op uw bedrijfsvoering. Ik wens u veel leesplezier.
Dennis Meijaard Directeur Business Unit Bloembollen



4
Yorick van Leeuwen van CNB

12
De inzet van EthylBloc
06 Samen in de coöperatie
Omgevingswet zet druk op teeltpraktijk
09 Teeltuitdaging
Knolcyperus
10 Expertisecentrum Bloembollenteelt

8
Op pad met Arjen Bakker

16
Verlagen milieubelasting van gewasbescherming
14 Techniek en toekomst TOR-wiedrobot
18 Een team van specialisten Maak kennis met Marieke van Meene
19 Product, veiligheid en innovatie
Colofon: Bol&Teelt is een uitgave van Agrifirm-GMN Redactie Marieke van Meene, Agrifirm-GMN Tekstbijdragen Jonne van der Hulst, Arjen Bakker, Stendert Schilder, Arjo van den Berg, Marco Jonkman, Sander Admiraal, Lambert Polinder, Marieke van Meene, Dennis Meijaard, Thijs Wester, Tim Kreukniet, Yorick van Leeuwen Interviews Shirley van der Linden, Hennie van de Kar, Marieke van Meene Ontwerp en opmaak Menno Verheij, Reach Brand Storytellers Fotografie Shirley van der Linden, Paula van der Post, Lex Broersen, Jonne van der Hulst, Henk Ritter, Marieke van Meene, Istockphoto Drukwerk Damen Drukkers.
Yorick van Leeuwen, teeltadviseur bij CNB
CNB, de Coöperatieve Nederlandse Bloembollencentrale, is toonaangevend op het gebied van aan- en verkoopbemiddeling van bloembollen en gespecialiseerd in het koelen, prepareren en conditioneren ervan. Met ruim 125 jaar ervaring en het predicaat ‘Koninklijk’ op zak is CNB allesbehalve een onbekende in de sector. We spraken met teeltadviseur Yorick van Leeuwen van CNB en Marco Jonkman, Accountmanager Bloembollen bij Agrifirm-GMN, over bewaarmethoden en behandelingen voor tulpen en lelies die de kwaliteit en houdbaarheid bevorderen.
I“In Lisse is ons hoofdkantoor gevestigd”, vertelt Yorick. “Dit is het hart van onze bemiddeling tussen kopende en verkopende partijen van diverse bloemen plantgewassen. Daarnaast hebben we in Bovenkarspel een vestiging waar onze klanten terecht kunnen voor het behandelen en bewaren van lelies en tulpen. Hier beschikken we over ruim 120 bewaarcellen en een totaaloppervlakte van 5,5 hectare om het hele proces van verpakken, ontsmetten, prepareren en bewaren uit te voeren.” Voor de beste broei- en teeltresultaten biedt CNB diverse bewaarmethoden, zoals ULObewaring en de gepatenteerde UltraMistbewaring. Yorick: “De manier van bewaren is essentieel voor de houdbaarheid en kwaliteit van het product, maar ook de bolbehandeling speelt hierin een belangrijke rol. Zo passen wij bijvoorbeeld CATT (Controlled Atmosphere Temperature Treatment) toe, waarmee tulpengalmijt met slechts één behandeling kan worden bestreden. Met name ULO-bewaring en CATT-behandelingen vereisen strikte protocollen en veiligheidsmaatregelen. Daar zijn wij volledig op ingericht.”
UltraMist-bewaring
Bij deze bewaringsmethode wordt

gebruikgemaakt van een zeer fijne waternevel, de zogeheten ultramist, om de luchtvochtigheid in de bewaarcel uiterst nauwkeurig te regelen. Zo worden de bollen gelijkmatig bevochtigd zonder dat ze te nat worden. “Hiermee voorkom je uitdroging”, zegt Yorick. “Het voordeel voor (ijs)tulpen is dat deze niet langer per pallet hoeven te worden ingeseald om de juiste vochtbalans te behouden. Ook hoeven de bollen minder diep te worden ingevroren en zorgt de gelijkmatigere temperatuurverdeling in de cel ervoor dat de tulpen ook gelijkmatiger in de kas of op het veld in bloei komen. Voor de lelies geldt dat bewaring zonder finpeat mogelijk is, zonder dat de bollen uitdrogen. Een bijkomend voordeel is dat we hierdoor tussen de 20 en 30% meer bollen in een leliekrat kunnen bewaren, wat een mooie kostenbesparing oplevert.”

ULO-bewaring
ULO staat voor ‘Ultra Low Oxygen’. Het is een bewaarmethode waarbij de bollen in gasdichte cellen worden bewaard en de hoeveelheid zuurstof in die cellen wordt teruggebracht tot onder de 1%. Yorick licht toe: “Dit zorgt ervoor dat bolreserves minder worden aangesproken, waardoor je het product dus langer kunt bewaren en wat bij broei ten goede komt aan de steelkwaliteit. Vooral bij lelies zie je hierin grote verschillen vergeleken met reguliere bewaarvormen. Deze bollen kun je aanzienlijk langer bewaren en de kwaliteit is significant beter. Zo zal de steel een betere knopbezetting hebben. Je kunt rekenen op minimaal één knop extra.” Marco vult aan: “Ook zie je dat ULO-bewaarde producten wat langzamer groeien. Dit heeft vooral een voordeel bij export naar warme landen, wat met leliebollen vaak gebeurt. Wanneer een plant door de warme omstandigheden te snel boven de grond komt, is deze

kwetsbaar. Door de trage start van ULObewaarde bollen ontwikkelt de lelie eerst een sterk wortelstelsel, waardoor deze beter water en voedingsstoffen op kan nemen en daarmee weerbaarder is tegen stress, zoals hitte of droogte.”
CATT-behandeling tegen tulpengalmijt
Sommige tulpentelers zullen opgelucht ademhalen, want er is een tijdelijke vrijstelling afgekondigd voor het gebruik van het middel Movento in de tulpenteelt. “Het mag nog één seizoen worden toegepast, maar het is beter om vooruit te kijken naar andere oplossingen voor het galmijtprobleem”, zegt Marco. “Dat is zeker waar”, bevestigt Yorick. “Gelukkig zijn er al andere manieren om tulpengalmijt te bestrijden. Zo voeren wij CATT-behandelingen uit waarmee in één keer zowel de larven als de eitjes worden gedood. Dit in tegenstelling tot een ULO-
behandeling, waarbij een herhaling na 10 dagen nodig is om ook de eitjes aan te pakken. Bij een CATT-behandeling worden de tulpenbollen 48 uur aaneengesloten in een gasdichte cel geplaatst. Eerst wordt het zuurstofgehalte in de cel verlaagd door stikstofgas in te blazen. Deze stikstof wordt uit de buitenlucht onttrokken en door compressoren met koolstoffilters gezuiverd tot bijna pure stikstof. Hierdoor daalt het zuurstofniveau van de gebruikelijke 20,9% naar ongeveer 4%. Daarna wordt CO2 afkomstig uit biovergisting toegevoegd, waardoor het zuurstofgehalte verder zakt tot onder de 1% en het CO2-gehalte stijgt tot ongeveer 75%. Hierdoor zullen uiteindelijk de larven én de eitjes afsterven.”
Ethyleenschade voorkomen
Bij CATT-behandelingen is waargenomen dat, na het sluiten van de deuren en het terugbrengen van het zuurstofgehalte, de ethyleenwaarde toeneemt.
Yorick vertelt: “Ethyleenschade in je product wil je natuurlijk voorkomen, want dat kan zomaar 10% van je steelgewicht kosten en onder meer zorgen voor bloemverdroging of verklistering. Daarom passen wij het gasvormige middel EthylBloc toe tijdens onze CATT-behandelingen. Na een paar uur brengen we EthylBloc in de cel, zodat het daadwerkelijk in de cel behouden blijft en niet met het verversen van de lucht verdwijnt. Door dit middel toe te passen, worden de ethyleenreceptoren in de bollen tijdelijk als het ware uitgeschakeld, waardoor ethyleenschade wordt voorkomen en de kwaliteit behouden blijft. Het is weliswaar maar een kort proces, maar in korte tijd kan een hoge ethyleenpiek behoorlijk wat schade aanrichten. Toepassing van EthylBloc is wat mij betreft dan ook zowel bij een CATT- als een ULO-behandeling onmisbaar.”
Doe je niet mee in het gesprek, dan wordt er over je beslist

Lambert Polinder woont op de Veluwe, vlak bij Natura 2000-gebieden. Hij geniet ervan, maar weet als omgevingsjurist bij Agrifirm Exlan als geen ander welke uitdagingen hieraan voor telers verbonden zijn. En dit is nog maar één van de vraagstukken die in de praktijk de nodige kopzorgen opleveren. In dit artikel neemt hij u mee langs twee belangrijke thema’s die direct raken aan de Omgevingswet en geeft hij advies over hoe u hier als teler het beste mee om kunt gaan.
Thema 1: regulering via het omgevingsplan
Op grond van de Omgevingswet, die in januari 2024 in werking is getreden, moeten gemeenten en provincies uiterlijk in 2030 een omgevingsvisie en omgevingsplan hebben opgesteld. Lambert licht toe: “In de omgevingsvisie worden de beleidsdoelen en de ambities opgenomen, terwijl in het omgevingsplan de daadwerkelijke regels worden vastgelegd om deze doelen te realiseren. Per gebied wordt bepaald hoe met de gronden moet worden omgegaan en welke activiteiten wel en niet zijn toegestaan. Je ziet dat de gemeentelijke en provinciale politiek in dit kader bepaalde zaken kritisch onder de loep neemt. Denk bijvoorbeeld aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, een thema
dat ook regelmatig door milieuactivisten wordt aangehaald. Door de Omgevingswet hebben gemeenten en provincies nu een krachtig instrument om hierop te acteren. Dit kan leiden tot scherpere lokale eisen, aanvullend op het landelijke en Europese beleid. Het gaat daarbij niet zozeer om een verbod op een bepaald middel, maar om de mogelijkheid om te besluiten dat specifieke gronden niet gebruikt mogen worden voor een bepaalde teelt, of dat er geen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden toegepast. Dat is een zorgelijke ontwikkeling.”
Advies aan de teler
Bij het opstellen van omgevingsvisies en -plannen is een participatietraject een vast onderdeel van de procedure. “Dit geeft stakeholders de gelegenheid
om mee te praten over hoe precies invulling aan deze visies en plannen moet worden gegeven. Een uitnodiging hiervoor wordt vaak gepubliceerd op een overheidswebsite. Het is raadzaam om dit zelf actief in de gaten te houden”, legt Lambert uit. Hij vervolgt: “Je ziet dat milieuactivisten in participatieprocessen vaak goed vertegenwoordigd zijn. Als je op zo’n moment niet aan tafel zit, worden beslissingen voor en over jou genomen. Zorg dus dat je op de hoogte bent van wat er in jouw gemeente en provincie speelt en laat je stem horen. Wil je dit liever niet zelf doen, benader dan bijvoorbeeld een belangenorganisatie of laat je door iemand anders vertegenwoordigen. Zorg er in ieder geval voor dat je als teler gezien en gehoord wordt. Anders kan het zomaar gebeuren dat je wordt verrast door een

omgevingsplan waarin staat dat je geen sierteelt meer mag uitoefenen.”
Thema 2: handhaving op grond van natuurwetgeving
Binnen de Omgevingswet blijven gebiedsbescherming en de stikstofproblematiek actueel. De habitatrichtlijn is gericht op het waarborgen van de biodiversiteit in de Europese Unie en verplicht alle lidstaten om hiervoor beschermde zones aan te wijzen, beter bekend als Natura 2000-gebieden. “De habitatrichtlijn houdt in dat overheden geen activiteiten mogen toestaan waarvan zij niet met zekerheid kunnen aantonen dat deze geen negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebieden”, zegt Lambert. “Kijk je naar de kaart van Nederland, dan zie je een lappendeken van deze gebieden. Vrijwel nergens in Nederland ben je er meer dan 25 kilometer van verwijderd. Daardoor heeft ongeveer heel ons land te maken met stikstofregelgeving, omdat is

bepaald dat effecten zich tot 25 kilometer afstand kunnen voordoen. Voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zitten we nog midden in de discussie. Er is nog geen betrouwbare methode waarmee je kunt aantonen dat het gewasbeschermingsmiddel op jouw perceel niet in een Natura 2000-gebied terechtkomt, of dat de concentraties die daar eventueel wel belanden niet schadelijk zijn. Dit terwijl het voorzorgsbeginsel van kracht is: wanneer onzeker is wat de gevolgen van een activiteit zijn voor een Natura 2000-gebied maar er wel aanwijzingen zijn voor mogelijke negatieve effecten, is nader onderzoek nodig. Blijft ook na dat onderzoek het bewijs uit, dan moet worden aangenomen dat een natuurvergunning vereist is.”
Advies aan de teler
Als je als teler verstrikt raakt in dergelijke handhavingsprocedures, zijn dat vaak kostbare trajecten.
“Het is daarom verstandig om een goede rechtsbijstandverzekering af te sluiten, zodat je de juiste stappen kunt ondernemen”, zegt Lambert. “Schakel daarnaast een juridisch adviseur in die gespecialiseerd is in natuurbeschermingsrecht. Die kan je begeleiden in het proces en samen met jou een zienswijze opstellen en indienen. Wellicht ten overvloede, maar zorg er uiteraard in de basis voor dat je werkt volgens de geldende regels en richtlijnen, zodat het niet naleven ervan je nooit kan worden tegengeworpen.”
Heeft u een vraag of conflict dat raakt aan het omgevingsrecht en wilt u advies? Neem contact op met de afdeling Juridisch Advies van Agrifirm Exlan via 088 - 488 29 29 of juridischadvies@agrifirm.com.
Over Arjen Bakker
Arjen Bakker werkt al zo’n acht jaar als specialist bloembollen bij Agrifirm-GMN. Hij is gespecialiseerd in tulp en broeierij. Daarnaast is Arjen verantwoordelijk voor het onderzoek naar tulpengalmijt en ULO. Met zijn praktijkervaring en onderzoekskennis helpt hij telers om problemen beter te herkennen en gericht aan te pakken. “Juist de combinatie van teeltkennis, onderzoek en inzicht in het bedrijf maakt dat ik telers echt verder kan helpen.”

Meekijken in het veld, sparren met ondernemers en leren van wat de praktijk laat zien. Tijdens een dag op pad met Arjen Bakker wordt duidelijk waar zijn kracht ligt. Hij staat met beide benen in het veld en heeft een groot team aan specialisten achter zich. Zijn uitgangspunt is steeds hetzelfde: wat werkt hier en wat past bij dit bedrijf.
WWe starten de dag bij Fleureco, een tulpen en pioenenteler en broeier waar Arjen al jaren als adviseur betrokken is. Die langdurige samenwerking is merkbaar. Gesprekken gaan snel de diepte in en raken zowel teelttechnische als strategische keuzes. “Ik vind het belangrijk om breder mee te denken,” zegt Arjen. “Niet alleen over de teelt, maar ook over waar een bedrijf naartoe wil.”
Bij een net geplant perceel met lelies licht Arjen toe dat goede keuzes beginnen bij inzicht in bodem en perceelgeschiedenis.
Later wijst hij op subtiele signalen in een pioenenveld die kunnen duiden op slawortelboorder. “Veel schade ontstaat onder de grond en wordt pas laat zichtbaar. Door goed te kijken en op tijd te signaleren, kun je problemen vaak vóór zijn.”
Onderzoek vormt een belangrijk verlengstuk van de praktijk. Arjen is verantwoordelijk voor het onderzoek naar tulpengalmijt en ULO. “ULO werkt. De uitdaging zit in de optimale toepassing.” Praktijkervaring en onderzoek versterken elkaar hierbij continu.
Wat Arjen typeert, is zijn betrokkenheid bij telers. Met zijn ondernemerservaring en achtergrond in bedrijfseconomie kijkt hij verder dan de teelt. “Soms gaat advies ook over keuzes voor de toekomst.” Dat maakt hem niet alleen adviseur, maar ook sparringpartner.
Aan het eind van de dag stappen we weer in de auto. Voor Arjen zit de energie in samen zoeken naar oplossingen. Met klanten en collega’s. Dat is waar zijn werk waarde krijgt.
Knolcyperus behoort tot één van de teeltuitdagingen binnen de bollenteelt. Het onkruid vermeerdert zich extreem snel en kan, eenmaal aanwezig, jarenlang invloed hebben op het teeltplan. Eén knolletje kan tientallen nieuwe knolletjes vormen en zich uitbreiden tot honderden planten. Wordt knolcyperus op een perceel vastgesteld, dan registreert de NAK dit en kan er voor onbepaalde tijd een teeltverbod komen. Dat maakt het probleem niet alleen agronomisch, maar ook bedrijfseconomisch groot.
Waarom knolcyperus zo hardnekkig is
Het gevaar schuilt vooral in de combinatie van snelle vermeerdering en de kracht van het ondergrondse netwerk. De witte stolonen groeien door totdat ze nieuwe knolletjes vormen, die op hun beurt direct weer uitlopen. Een klein plekje kan zich zo in één seizoen uitbreiden over meerdere vierkante meters. Daarbij is knolcyperus lastig volledig te verwijderen. Blijft er ook maar een stukje achter, dan start het proces opnieuw. Vooral in teelten waarin vanaf de zomer veel gewas op het land staat, is een effectieve bestrijding extra ingewikkeld.
Het herkennen van knolcyperus is daarom essentieel. De plant heeft bladeren die vanuit één punt omhoogkomen, een glad blad zonder haakjes, een zilverkleurige onderzijde en een licht roze voet. De knolletjes zijn klein en lijken qua formaat op een gladioolkraal. Dat onderscheid is van belang omdat knolcyperus soms wordt verward met zeebies, een onkruid dat wél lijkt maar géén quarantaine-status heeft. De grootste verschillen zitten in de zilverkleurige bladonderkant en de witte wortelstolonen: dat zijn typisch kenmerken voor knolcyperus.
Hoe verspreiding ontstaat
In de praktijk zien we dat verspreiding

vaak onbedoeld gebeurt. Grond aan banden, machines en materieel is een veelvoorkomende bron. Ook slootmaaisel uitrijden, aangevoerde grond die niet op het perceel van herkomst terugkeert of uitgangsmateriaal uit risicogebieden zorgen voor extra risico’s. Een kleine besmetting kan zo ongemerkt uitgroeien tot een probleem dat handmatig niet meer te beheersen is.
Aanpakken voordat het uit de hand loopt
Preventie blijft de meest effectieve maatregel. Regelmatig percelen controleren tussen mei en november, verdachte plekken markeren en machines reinigen bij perceelwisseling helpt om besmetting te voorkomen. Ook duidelijke
afspraken met grondverhuurders en nauwkeurige selectie van uitgangsmateriaal zijn belangrijk. Wanneer een besmetting klein is, kan handmatig uitsteken nog effectief zijn. Daarbij is het nodig om ruim om de plant heen te werken, zodat de volledige wortelstok wordt verwijderd. Bij grotere plekken wordt de aanpak snel complexer. Afgraven kan dan nodig zijn, maar brengt hoge kosten en logistiek met zich mee. Een volledig effectief middelenpakket is er niet, al lopen er onderzoeken naar nieuwe technieken zoals biologische behandeling. Knolcyperus laat zich niet eenvoudig wegzetten. Maar met alertheid, snelle herkenning en tijdige actie blijft de schade wel te beperken.

In de vorige editie spraken we met Peter Klaver van het Expertisecentrum Bloembollenteelt over actuele onderzoeksthema’s en het belang van praktijkgerichte proeven. Om meer inzicht te krijgen in de inhoud, opzet en voortgang van deze onderzoeken bezochten we samen met projectleider Thijs Wester de proefvelden. In dit artikel vertelt hij over de proeven naar virusoverdracht, Botrytis, biostimulanten, onkruidbeheersing en stikstofefficiëntie.
Virusproef
Terwijl we door de proefvelden in Breezand lopen, waar de bloemen vrolijk kleuren in het zonlicht, vertelt Thijs dat het beperken van virusoverdracht in de praktijk steeds lastiger wordt en daarom een belangrijk onderzoeksthema is. Hij licht toe: “We weten dat minerale olie goed werkt tegen de overdracht van non-persistente virussen. Helaas zijn tulpen hier erg gevoelig voor. Daarom voeren we op onze proefvelden proeven uit met alternatieve oliën. Daarbij kijken we onder andere naar de omstandigheden, het toepassingsmoment en de gewasveiligheid. Vaak worden dit soort proeven gedaan met een ras en gewas dat extra gevoelig is voor virus. Wanneer zo’n ras echter positief reageert op minerale olie, is het lastig om de resultaten één op één te vertalen naar de praktijk, waar andere rassen of gewassen mogelijk niet of min-
der goed tegen deze olie kunnen. Daarom hebben we op onze proefvelden meerdere cultivars geplant waarop we diverse oliën testen. We hopen zo de verschillen duidelijk zichtbaar te maken en een passende oplossing te vinden voor de beperking van virusoverdracht in de tulpenteelt.”
In het participatieonderzoek naar virusbeheersing worden producten en toepassingsmethoden van diverse fabrikanten getest, evenals de pilot van de luizenvluchtvoorspellingsmodule. “We zien dat het middelenpakket in de toekomst steeds kleiner wordt en dat ook het aantal toepassingsmomenten van toegestane middelen verder zal afnemen”, zegt Thijs. “Gelukkig zitten fabrikanten en ontwikkelaars niet stil en worden er nieuwe, duurzame middelen en methoden ontwikkeld. Deze leggen zij vaak bij ons in onderzoek voor onafhankelijke analyse en vergelijking. Om betrouwbare conclusies te kunnen trekken, is het belangrijk om proeven meerjarig uit te voeren. De laatste jaren zien we dat bepaalde gewasversterkende producten een licht positief effect hebben op de weerbaarheid van de plant tegen virussen. Ook toetsen we de luizenmonitor: een voorspellingsmodule dat op basis van actuele en historische meteorologische data de verwachte luizenvlucht voorspelt. Bij een lage luizendruk kan mogelijk worden volstaan met alleen de toepassing van biostimulanten, waardoor het gebruik van bijvoorbeeld pyrethroïden, oftewel synthetische insecticiden, kan worden gereduceerd. Zo
kun je gerichter sturen op de inzet van de juiste middelen op het juiste moment.”
Vuurproef
Met maar liefst 24 objecten is de vuurproef behoorlijk omvangrijk. Hierin worden onder meer gewasversterkers, biostimulanten en de digitale Botrytis-voorspellingsmodule getest. “In de vuurproef ligt de focus op producten en spuitschema’s”, vertelt Thijs. “Waar dit vroeger hoofdzakelijk bestond uit het testen van allerlei fungiciden, zie je dat we ons nu steeds meer richten op biostimulanten, gewasversterkers en bladmeststoffen met een gewasversterkende eigenschap. Hierbij hanteren we bestaande schema’s, schema’s die waarschijnlijk in de toekomst de standaard zullen worden en schema’s met nieuwe producten. Zo kunnen we de effectiviteit per toepassing goed vergelijken. Om de proef wat meer onder druk te zetten, hebben we bewust

een infectie aangebracht met besmet plantmateriaal van vorig jaar. Er zijn momenteel lichte symptomen van vuur zichtbaar, maar duidelijke verschillen tussen behandelingen zijn er nog niet. Dat komt mogelijk ook doordat op dit moment (ten tijde van schrijven) de infectiekans volgens de Botrytis-voorspellingsmodule laag is, een bevinding die past bij de huidige temperatuur en overige weersomstandigheden.”
Onkruidbestrijding
Achterin het veld liggen de proeven naar onkruidbeheersing. Interessant hierbij is de toepassing van mulch als alternatieve manier van onkruidbestrijding. Thijs vertelt hierover: “Mulch is een type houtvezel. Na het planten van de bloembollen brengen we dit als een dikke laag aan op het veld. Dit voorkomt dat er licht bij komt, waardoor onkruiden niet gaan kiemen. Momenteel testen we twee soorten mulch, waarbij de ene soort betere resultaten vertoont dan de andere; zelfs zonder aanvullende chemische onkruidbestrijding. We testen deze methode namelijk zowel met als zonder het gebruik van bodemherbiciden. Ook leggen we altijd een bed aan waar geen bollen worden geplant, waarop we vervolgens dezelfde behandeling toepassen als op het bed met bloembollen. Het effect van de onkruidbehandeling wordt dan nog beter zichtbaar.”

Met het oog op de strengere stikstofnormen onderzoekt het Expertisecentrum Bloembollenteelt hoe gewassen efficiënter met stikstof kunnen omgaan en of bepaalde producten daarbij kunnen helpen. Het blijkt een complex vraagstuk. Thijs legt uit: “Volgens de oude norm bedroeg de stikstofgift 190 kilo zuivere stikstof per hectare. Tegenwoordig is dat teruggebracht naar 152. Wanneer je geen stikstof toedient aan het gewas, zie je dit direct terug in de opbrengst. Bij een lagere gift van 110 kilo blijven de verschillen daarentegen beperkt, zo bleek vorig jaar uit onze proef waarin we 160 N met 110 N vergeleken. Dit maakt het moeilijker om het effect van aanvullende producten goed te meten. Toch zijn er zeker een aantal veelbelovende producten en noviteiten te noemen, zoals producten op basis van micro-organismen als een Bacillus: een stikstofbindende bacterie in meststoffen. Deze bacteriën binden stikstof uit de lucht en stellen die via de bodem beschikbaar aan de plant, waardoor minder externe stikstoftoevoer nodig is. Ook gaan we het effect onderzoeken van verschillende stikstofbehandelingen op een fijnere bolmaat en kijken we wat er gebeurt als we deze bollen het jaar erna opnieuw planten en behandelen. Mogelijk worden de verschillen dan groter.”
Arjen Bakker, teeltspecialist bij Agrifirm-GMN, praat ons in dit artikel bij over bescherming tegen ethyleenschade bij de bewaring van tulpen. Op het Expertisecentrum in Breezand is onderzocht hoe het proces met de inzet van EthylBloc kan worden geoptimaliseerd. Zoals aangekondigd in de vorige Bol & Teelt delen we in deze editie de uitkomsten.
EEthyleen is een planthormoon dat wordt geproduceerd door de bol en door de fusariumschimmel. De tulp is een van de gewassen met de hoogste ethyleenproductie. Daarom wordt bij het bewaren van tulpenbollen zoveel lucht ververst. Bij een fusariumaantasting stijgt de ethyleenproductie sterk.
Blootstelling aan hogere concentraties ethyleen kan verschillende gevolgen hebben. Denk aan hogere gevoeligheid voor fusarium, hogere verklistering van het plantgoed en beperking van de broeikwaliteit (bloemverdroging, lichtere tulpen). De productie van ethyleen en de gevoeligheid ervoor verschillen veel per cultivar.
ULO-onderzoek Agrifirm-GMN in samenwerking met Besseling Group
Vijf jaar geleden startte Agrifirm-GMN het onderzoek naar alternatieve bestrijdingsmethodieken voor galmijt. De focus lag eerst op de inzet van contactmiddelen. Deze middelen hebben echter nadelen in het gebruik en zijn beperkt in hun effectiviteit. Zodoende dat Agrifirm-GMN een ULO-onderzoek opstartte in samenwerking met Besseling Group. ULO staat voor Ultra Low Oxygen-condities, ofwel het zuurstofgehalte is dan zeer laag. Bij een ULO-behandeling wordt het zuurstofniveau in de bewaarruimte sterk verlaagd. Ook is er niet of nauwelijks ventilatie.
Metingen naar ethyleen bij ULO-onderzoek
In het ULO-onderzoek van Agrifirm-GMN en Besseling Group lag de focus eerst op effectiviteit. Omdat ULO effectief is, verschoof vrij snel na de start van het onderzoek de focus naar de veiligheid
voor de bol. Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar mogelijke nadelige effecten, waaronder ULO- toepassingen tijdens de bloemaanleg.
Tot dusver zijn de uitkomsten positief en is er vertrouwen in de veiligheid. Wat wel een aandachtspunt bleek, was ethyleen. Tijdens ULO wordt er immers niet geventileerd. Via gaschromatografie, een zeer exacte manier van ethyleen meten, hebben we kunnen vaststellen dat er ook bij een laag zuurstofniveau ethyleen wordt geproduceerd.
Bevindingen tijdens de proeven
In de proeven zien we dat het ethyleenniveau in zes uur tijd kan oplopen tot 1000 PPB (Parts Per Billion ofwel deeltjes per miljard) en in twaalf uur tot boven de 2000 PPB. De schadedrempel van bollen is 100 PPB. Maar wanneer er schade ontstaat, is lang niet zeker. Hoe lang bollen blootgesteld kunnen worden, hangt dus af van concentratie, blootstellingsduur, cultivar en de periode van de bewaring. Vanuit de praktijkervaring zien we dat ook tijdens de ULO-behandelingen de concentraties vaak snel oplopen in de cellen tot
boven 1000 PPB. Wel degelijk reden om de bloembollen hiertegen te beschermen.
Afbreken van ethyleen met inzet van EthylBloc in plaats van scrubbers
Ethyleen kan worden afgebroken met een ethyleenscrubber. Hierbij wordt de lucht door een apparaat gezogen die de lucht kortstondig verhit tot 250 graden Celsius. Het ethyleenmolecuul valt dan uit elkaar. Nadeel van de scrubbers is de beperkte capaciteit en kostprijs.
Het alternatief is de inzet van EthylBloc. EthylBloc wordt al jaren ingezet bij de bewaring van tulpen als er minder wordt geventileerd, zoals op warme dagen in augustus. EthylBloc is een toegelaten gewasbeschermingsmiddel met als werkzame stof 1MCP. De werkzame stof, 1MCP, beschermt de bollen tegen ethyleenschade. Het product is veilig in gebruik en het biedt een 100% bescherming tegen ethyleenschade.
Agrifirm-GMN werkt al decennia met dit product voor klanten die in augustus of september bij heel warme dagen de ventilatie van de cel omlaag willen brengen.


EthylBloc brengen we in een gasdichte cel in de lucht. Het 1MCP molecuul blokkeert de receptor in de bol zodat het ethyleenmolecuul zich daar niet meer kan vestigen. De bol is dan voor een periode van twee weken 100% beschermd. Daarna neemt dit beschermingsniveau langzaam af doordat er nieuwe receptoren groeien in de bol.
EthylBloc wordt in de cel gebracht door pilletjes in een vloeistof te deponeren waardoor het product verdampt. Het voordeel van de EthylBloc-toepassing tijdens ULO is dat de cel niet hoeft te worden afgeplakt, want deze is al gasdicht. Het nadeel is dat je op dat moment niet in de cel kunt komen. Hiervoor hebben we een oplossing bedacht met

Onbehandeld
een dispenser. Op het moment dat de cel op 1 procent zuurstof is, wordt er bijna geen stikstof meer geïnjecteerd. Dat is het moment dat via de dispenser de EthylBloc wordt geactiveerd. Dit is in 2025 toegepast op de bedrijven die over ULO- faciliteiten beschikten. Ook CNB heeft EthylBloc ingezet tijdens de CATT behandelingen.
De noodzaak voor de bescherming tegen ethyleenschade zien we in de praktijk. Als er geen EthylBloc is toegepast, worden de tulpen lichter en hebben ze meer sprot. Of er echt schadelijke effecten zijn aan het plantgoed, kunnen we pas beoordelen na de oogst. Het hangt af van de ethyleenproductie en de gevoeligheid ervoor. Maar één ding is zeker: met EthylBloc blijft de kwaliteit van de bollen gewaarborgd.

Behandeld met EthylBloc
In 2010 richtten Tim Kreukniet en Mohamed Boussama de startup Trabotyx op, met als doel het handmatig wieden van onkruid in de biologische teelt te automatiseren. In de afgelopen zes jaar zijn grote stappen gezet: van de ontwikkeling van een mechanisch werkende robot tot de realisatie van de TOR, de autonome laserwiedrobot. Met deze geavanceerde lasertechnologie wordt onkruid snel en nauwkeurig bestreden zonder de bodem te beroeren. Dit maakt de TOR ook aantrekkelijk voor de reguliere teelt, waar het gebruik van chemische middelen onder druk staat.
Trabotyx
Vorig jaar heeft Trabotyx de volledige overstap gemaakt van mechanische techniek naar lasertechnologie. Met de introductie van de TORlaserrobot is een volledig nieuwe tool toegevoegd aan het spectrum van onkruidbestrijdingsmethoden. Tim Kreukniet vertelt: “Mohamed komt uit een boerenfamilie in Tunesië, waar men vanwege een tekort aan arbeidskrachten graag wilde kijken naar automatisering. Zelf heb ik jarenlang gewerkt op het gebied van duurzaamheid binnen de wereld van elektrisch vervoer, maar ik wilde graag verder kijken dan alleen CO2-reductie. Vanuit deze gedachte besloten we onze krachten te bundelen en Trabotyx op te richten. In 2025 hebben we de switch gemaakt naar laserwieden met de TOR. Sindsdien is het snel gegaan, Roeland van Oers is er als operationeel directeur bijgekomen en we zijn gegroeid naar 15 mensen. Met een camera en laser is er nog heel veel ruimte voor verdere verfijning en ontwikkeling. We zien dat er in de markt
veel interesse is. De eerste acht TOR’s zijn inmiddels verkocht. Drie daarvan worden ingezet in de lelie- en pioenenteelt. Voor teelten zoals tulpen, hyacinten, dahlia’s en zantedeschia’s gaan we dit seizoen de benodigde data verzamelen, zodat de TOR volgend jaar ook daar ingezet kan worden.”
Door cameratechniek, kunstmatige intelligentie en laserprecisie te combineren, kan de TOR-wiedrobot onkruid op een autonome en chemievrije manier bestrijden. Tim legt uit hoe dit precies werkt: “De TOR rijdt autonoom over het veld met behulp van RTKGPS (Real-Time Kinematic) en gebruikt camera’s om continu beelden van het gewas te maken. Door het trainen van deze beelden herkent de wiedrobot het verschil tussen het gewas en het onkruid, zelfs wanneer deze vlak naast elkaar groeien. De software bepaalt razendsnel waar het onkruid zich bevindt, hoe groot het is en waar de laser het moet raken. Vervolgens schiet de TOR een blauwe laserbundel in het hart van het onkruid, het groeipunt. Dit gebeurt met millimeterprecisie, zonder dat de grond of het gewas wordt aangetast, dit in tegenstelling tot mechanische en chemische onkruidbestrijding. Door het chlorofylprofiel van het onkruid op deze manier tot boven de 60 graden te verhitten, wordt de fotosynthese stopgezet en sterft het onkruid af.”
Kleine onkruiden hoeven maar heel kort te worden gelaserd, zo’n 50 milliseconden. Bij iets grotere onkruiden is een langere lasertijd nodig. “Pas bij onkruiden die groter zijn dan 3 à 4 centimeter wordt laseren inefficiënt”, vertelt Tim. Hij vervolgt: “We onderzoeken ook of we de laserduur kunnen

afstemmen op het type onkruid. Soorten als zwarte nachtschade, melde, knopkruid en herderstasje reageren snel en hebben dus weinig nodig. Bij bijvoorbeeld papegaaienkruid en wortelonkruiden is langer laseren noodzakelijk voor een succesvolle bestrijding.” Voor een optimaal resultaat adviseert Trabotyx om de TOR zo vroeg mogelijk in de teelt in te zetten, wanneer onkruiden nog klein zijn. Je kunt met de TOR wieden tot het gewas 20 centimeter hoog is. Daarna belemmert het gewas het zicht van de camera’s, waardoor onkruiden niet meer gedetecteerd kunnen worden. “Een bijkomend voordeel is het relatief lage gewicht van de TOR”, zegt Tim. “Hierdoor kan hij ook na minder gunstige weersomstandigheden sneller het veld op en laat hij minder sporen achter. Bovendien werkt de TOR volledig
autonoom, waardoor inzet tot 24 uur per dag in principe mogelijk is.”
Blik
Met de lasertechniek staat Trabotyx nog maar aan het begin van een veelbelovende ontwikkeling. “Het is een nieuwe methode voor onkruidbestrijding die we continu blijven verbeteren en optimaliseren. Hierin zien we nog volop kansen”, zegt Tim. “De TOR legt momenteel maximaal 500 meter per uur af. Ons doel is om deze capaciteit binnen twee jaar te verdubbelen. Dat kan op verschillende manieren: door camera’s met een hogere resolutie te gebruiken, waardoor we nog preciezer en sneller kunnen laseren, of door de robot uit te rusten met een krachtigere laser. Op beide mogelijkheden zetten we in. Telers en loonwerkers die nu al investeren in
de TOR, profiteren overigens gewoon mee van toekomstige verbeteringen. Alle updates en upgrades worden hen tegen kostprijs aangeboden, zodat ze altijd gegarandeerd zijn van de nieuwste hardware en software.”
Met het oog op een veranderend landschap, waarin op het gebied van duurzaamheid, milieu en klimaat steeds meer van de teler wordt gevraagd, benadrukt Tim het belang van innovatie. “Het is belangrijk om vooruit te kijken en voorbereid te zijn op de toekomst. Door samen te werken aan een integrale aanpak op het gebied van onkruidbestrijding, waarin bestaande middelen en methodes én nieuwe technieken zoals de TOR samenkomen, zetten we een belangrijke stap richting een toekomstbestendige, duurzame bollenteelt.”

De belangrijkste voordelen van onkruidbestrijding met de TOR op een rij:
• Geen gebruik van chemie, dus een oplossing voor het krimpende middelenpakket
• Millimeterprecisie
• Werkt autonoom
• Geen gewas- en bodemschade
• 24/7 inzetbaar
Agrifirm-GMN heeft in 2025 weer een stap vooruitgezet in het verlagen van de milieubelasting van gewasbescherming. Uit onze metingen blijkt dat de totale milieubelastingpunten bij onze klanten in 2025 met 31% is gedaald ten opzichte van 2024. Die daling is het directe gevolg van een bewuste koers waarin we verder kijken dan middelen en effectiviteit alleen. We brengen de milieubelasting van onze gewasbeschermingsaanpak structureel in kaart en sturen op verbeteringen die zijn gebaseerd op meerjarig onderzoek en praktijkervaring.
Bewuste keuze voor inzicht in milieu-impact
In Nederland wordt de impact van gewasbeschermingsmiddelen vooral beoordeeld met de CLM- Milieumeetlat. Die laat zien hoe belastend afzonderlijke stoffen zijn voor bodem, water en biodiversiteit. Voor ons was dat niet volledig genoeg. Daarom hebben we enkele jaren geleden gekozen om de totale milieu-impact systematisch te meten. Zo weten we niet alleen welke stoffen zwaar wegen, maar vooral hoe het geheel uitpakt in de praktijk. Die keuze levert scherpere inzichten op. Door continu te meten zien we welke combinaties van middelen, toepassingsmomenten en technieken daadwerkelijk tot lagere milieubelasting leiden. De inzichten die we opdoen in de proefvelden worden direct vertaald naar de praktijk. Hierdoor kunnen we telers adviezen geven die aansluiten op hun teeltsituatie én op de noodzaak om de milieu-impact verder te verlagen.
31% minder milieubelasting in één jaar
De daling van 31% is de grootste stap die we tot nu toe hebben gezet. Het resultaat komt voort uit een consequente werkwijze: eerst toetsen in de proeven, daarna toepassen in de praktijk en alleen maatregelen doorvoeren die zowel milieukundig als economisch verantwoord zijn. Door die aanpak worden verbeteringen sneller zichtbaar in het veld en merken telers direct wat de stappen opleveren. De reductie bevestigt dat een
aanpak die stuurt op data, innovatie en praktijkervaring daadwerkelijk effect heeft.
Structurele daling zichtbaar in meerjarige data
De resultaten van 2025 staan niet op zichzelf. Uit onze meerjarige metingen blijkt dat de milieubelasting al meerdere jaren een dalende lijn laat zien. Doordat we jaar op jaar met dezelfde methode meten, ontstaat een helder en betrouwbaar trendbeeld. Dat maakt zichtbaar welke maatregelen daadwerkelijk effect hebben én welke vervolgstappen logisch zijn. De reductie van 31% in 2025 t.o.v. 2024 is daarin een duidelijke versnelling, maar geen eindpunt, het bevestigt dat onze aanpak werkt en richting geeft voor verdere verbeteringen.
Meerjarige proeven als fundament
De verlaging van de milieubelasting is het resultaat van een reeks proeven die we de afgelopen jaren hebben uitgevoerd. In die proeven kijken we niet naar één factor, maar naar het totale plaatje: middelenkeuze, toepassingsmoment, effect op het bestrijden van ziekten en plagen en de economische opbrengst voor de teler. De inzichten uit deze proeven worden meteen gedeeld met onze adviseurs. Zij vertalen de resultaten naar praktisch advies, zodat telers er direct mee verder kunnen.
De noodzaak om de milieubelasting te verlagen wordt ieder jaar groter. De eisen nemen toe, de speelruimte wordt
kleiner en telers merken dat steeds meer maatregelen direct invloed hebben op hun bedrijfsvoering. De druk om de impact omlaag te brengen groeit daardoor snel. Tegelijk moet elke stap die we zetten ook economisch verantwoord blijven. Precies die balans – lagere milieubelasting én een haalbare teelt –vormt de basis van onze aanpak.
Jaar op jaar vooruitgang
De cijfers laten zien dat structurele verbetering mogelijk is. De reductie over 2025 staat niet op zichzelf. Het past in een lijn van dalende milieubelasting die we al langer zien. Door consequent te meten en dezelfde methodiek te gebruiken, ontstaat een helder en betrouwbaar trendbeeld. Die aanpak geeft niet alleen zekerheid, maar ook richting voor de komende jaren. We blijven sturen op verdere verlaging van de milieu-impact en bouwen stap voor stap voort op de resultaten die we nu zien. De reductie van 31% in 2025 is daarbij een duidelijke stap vooruit, maar zeker niet het eindpunt.
Nieuwe technieken: beschermingsmodellen en data gedreven advies Naast de bestaande proefopzetten werken we aan technieken die het advies nog nauwkeuriger maken. Een goed voorbeeld zijn de gewasaanpakken die op dit moment in pilot zijn bij een twintigtal bedrijven. Deze modellen helpen bij het bepalen van het juiste moment en het juiste product bij
“Door jarenlang onderzoek te combineren met structurele datamonitoring kunnen we steeds sneller en gerichter stappen zetten in het verlagen van de milieubelastingpunten. De 31% reductie van afgelopen jaar onderstreept dat deze aanpak resultaat oplevert en dat innovatie en praktijk elkaar blijven versterken.” Dennis Meijaard.

vuur, virus en besmetting, waardoor met data nauwkeuriger gewerkt kan worden. Daarnaast onderzoeken we hoe AI-toepassingen ons kunnen helpen om gegevens slimmer te analyseren en patronen eerder te signaleren. Het doel daarvan is om onze adviseurs te ondersteunen met extra inzichten die de kwaliteit van het advies versterken. Door meer en beter geïnterpreteerde data
beschikbaar te hebben kunnen we het advies nog nauwkeuriger afstemmen op de situatie in het veld. Dat ondersteunt de verdere verschuiving naar middelen met een lager milieu-impact.
Vooruitblik
De 31% reductie laat zien dat onze aanpak effect heeft. De combinatie van meerjarige proeven, structurele
monitoring en praktijkgerichte advisering vormt een solide basis. We blijven investeren in onderzoek, nieuwe technieken en data gedreven kennis. Daarmee zetten we de komende jaren nieuwe stappen richting een teeltwijze die het gewas optimaal beschermt en economisch verantwoord blijft, terwijl de milieu-impact steeds verder afneemt.
Advies en begeleiding is in de eerste plaats mensenwerk. Met gepassioneerde medewerkers werken we voortdurend aan onze dienstverlening. Marieke van Meene is sinds kort marketingcommunicatiemedewerker bij Agrifirm-GMN.
Onlangs is Marieke gestart bij Agrifirm-GMN als marketingcommunicatiemedewerker. De bloembollensector is voor haar nieuw terrein. Eerder werkte ze in de reisbranche, bij verschillende e-commercebedrijven en was ze 11 jaar zelfstandig ondernemer in de e-commerce. Die brede ervaring neemt zij mee in haar huidige rol. “Alles wat ik in andere sectoren heb geleerd, gebruik ik nu dagelijks in mijn werk.” Haar functie is breed en afwisselend en past goed bij haar manier van werken.
Marieke heeft veel contact met collega’s van verschillende afdelingen en trekt graag samen op. “Het geeft me energie als ik iemand echt verder kan helpen.” Ook kan ze haar creativiteit goed kwijt, onder andere in dit magazine en bij de organisatie van klantdagen. Ze zorgt ervoor dat alles soepel verloopt, er interessante sprekers zijn en bezoekers met nieuwe kennis naar huis gaan.
Het contact met telers en exporteurs geeft haar een goed beeld van wat er leeft in de sector en waar Agrifirm-GMN waarde kan toevoegen. “De sector is nieuw voor mij, maar de dynamiek past goed bij me.” Juist die afwisseling maakt dat zij zich hier op haar plek voelt.
Agrifirm-GMN is de specialist in de bloembollenteelt met een groot aantal teeltadviseurs en (gewas)specialisten. Op de website www.agrifirmgmn.nl/over-ons/onze-adviseurs/ maakt u kennis met hen.

Nieuwe stappen in onderzoek naar Zantedeschia’s
Binnen de teelt van zantedeschia’s zijn er uitdagingen waar telers en adviseurs al jaren grip op proberen te krijgen. Vooral enkelstalligheid en onverklaarbare uitval in de broeierij zijn hardnekkig. Vanuit die behoefte ontstond eind 2022 de studiegroep Calla Next Gen. Deze groep bestaat uit elf jonge callatelers die gezamenlijk onderzoek doen naar de grootste knelpunten in deze relatief jonge teelt.
Eén partij knollen, elf telers, veel verschillen
De opzet is eenvoudig en tegelijk krachtig. Alle deelnemers startten de afgelopen drie seizoenen met één partij plantgoed, verdeeld in elf gelijke delen. Elke teler teelde zijn deel op het eigen perceel. Tijdens het seizoen analyseerden we vier keer de groei en de inhoud van de knollen. Doordat het uitgangsmateriaal gelijk is, laten de verschillen tussen percelen en teeltomstandigheden zich scherper zien. Na het rooien werd de partij gesplitst: één deel werd bewaard door de teler en één deel werd centraal gedroogd en bewaard. Met dataloggers hielden we continu temperatuur en luchtvochtigheid bij. Omdat juist in deze fase veel variatie ontstaat, helpt deze werkwijze om de invloed van de bewaring beter te begrijpen.

Daarna volgde de broeierij, waar alle partijen onder identieke omstandigheden werden afgebroeid. Ook hier is alles gemeten en vastgelegd. Door alle data van teelt, bewaring en broei te combineren, ontstaat een steeds duidelijker beeld van welke factoren het eindresultaat bepalen. De verzamelde data laat inmiddels herkenbare patronen zien. De komende periode staat in het teken van verifiëren: kloppen de verbanden die we zien ook in nieuwe seizoenen en onder andere omstandigheden? Daarvoor is meer onderzoek nodig.

Sinds vorig jaar sluit Next Gen aan bij de Calla-coalitie, een vakbreed initiatief waarin telers, broeiers en exporteurs samenwerken aan dezelfde vraagstukken. Dankzij deze samenwerking kan het onderzoek opschalen. Komend jaar monitoren we niet twee maar drie cultivars tegelijk, zodat er sneller meer vergelijkbare gegevens beschikbaar komen.
Breed onderzoek voor het calla vak
Naast het Next Gen onderzoek loopt er binnen Agrifirm-GMN al langer breed onderzoek voor het calla vak. We kijken daarbij niet alleen naar teelt en broei, maar ook naar vermeerdering, vitaliteit, bewaring, bemesting en gezondheid. Nieuwe producten en toepassingen worden gescreend en waar mogelijk in de praktijk getest. Resultaten laten we niet alleen terugkomen in data, maar ook zichtbaar in bakken. Zo kunnen klanten zelf zien wat verschillende keuzes doen met groei, uniformiteit en kwaliteit. Dat onderzoek loopt door en blijft een belangrijk onderdeel van onze ondersteuning van callatelers.
Stap voor stap naar meer grip
Het doel van Next Gen blijft helder: meer voorspelbaarheid in teelt en broei, minder uitval en een stabielere kwaliteit. Door variabelen uit te sluiten en met vaste meetmomenten te werken, krijgen we steeds beter zicht op wat er gebeurt. De bundeling van ervaringen van jonge telers geeft daarbij nieuwe inzichten voor deze teelt. Met de inzet van jonge ondernemers en de begeleiding van de adviseurs van Agrifirm-GMN groeit de kennis over zantedeschia’s elk jaar. De samenwerking met de Calla-coalitie versterkt dat verder. Zo bouwen we samen aan een professionelere teelt en meer zekerheid voor de broeierij.

Botanische naam: Paeonia lactiflora
Familie: Paeoniaceae
Oorspronkelijke afkomst: Azië, Zuid-Europa en Noord-Amerika
De pioenroos is een vaste plant die al lange tijd wordt geteeld in gematigde klimaten. De plant is bekend om zijn grote bloemen die variëren van enkel tot gevuld. De kleuren lopen uiteen van geel, wit en roze tot rood. In het voorjaar ontwikkelen zich stevige stelen met fris blad, waarna de knoppen zich in korte tijd openen. De pioen heeft een koele winterrust nodig. Deze periode stimuleert nieuwe scheuten en zorgt voor een betrouwbare bloei in het voorjaar. Veel teeltsystemen maken gebruik van wortelstokken die langzaam uitgroeien tot sterke planten met meerdere bloemstelen. Dankzij de rijke bloei en natuurlijke uitstraling heeft de pioen een vaste plaats in de bloemensector. De bloem staat symbool voor liefde en voorspoed. In boeketten wordt de pioen gewaardeerd om geur, volume en zachtheid, waardoor hij elk voorjaar opnieuw bijzonder geliefd is.