S RA TI G
#6
Tips voor de Boekenweek
TWEESTR䤀D Boordevol interviews met onder anderen
ADRIAAN VAN DIS Een exclusief leesfragment uit het nieuwe boek van
HARUKI MURAKAMI
De langverwachte roman van Kazuo Ishiguro, winnaar Nobelpr椀s voor de Literatuur
KLARA EN DE ZON
editoriaal Hoe herken je een Echte Lezer? 1. Een Echte Lezer kijkt altijd in andermans boekenkast 2. Een Echte Lezer verdwijnt het liefst in een boek 3. Een Echte Lezer weet meer Wij hebben de afgelopen maanden meer dan ooit gelezen. Hoewel de coronacrisis veel van onze concentratie vergt, blijft lezen de ideale manier van escapisme. En ja, het cliché klopt: via boeken duik je in een andere wereld. Dat gunnen wij natuurlijk alle Echte Lezers en daarom bevat deze Boekenweekspecial veel leesfragmenten en tips, én lanceren we de 10-vragen-aanreeks. Heeft Adriaan van Dis bijvoorbeeld weleens ruzie met zijn redacteur (ja!) en welk boek laat Deniz Kuypers niet meer los? Lees exclusief een fragment uit het nieuwe boek van Jan Brokken, De tuinen van Buitenzorg, ontdek hoe je echt productief kunt (thuis)werken en laat je inspireren door onze Boekenweektips, waaronder de nieuwe roman van Kazuo Ishiguro. Bovenal: blijf vooral boeken lezen, juist nu. Ernest Hemingway had immers gelijk toen hij schreef: ‘Er is geen vriend zo loyaal als een boek.’ Team De Club van Echte Lezers
&
want een echte lezer heeft nooit genoeg boeken
maak kans op een boekenpakket ter waarde van € 100,-! Kun je niet genoeg krijgen van boeken en wil je op de hoogte blijven van het laatste nieuws, (win)acties en sneak previews? Meld je dan nu aan voor de nieuwsbrief van De Club van Echte Lezers en maak zo kans op een boekenpakket t.w.v. € 100,-. Aanmelden kan via atlascontact.nl/nieuwsbrief
De Club van Echte Lezers magazine verschijnt driemaal per jaar.
dit magazine wordt je aangeboden door uitgeverij atlas contact © 2021 alle auteurs en vertalers Omslagontwerp Loudmouth Omslagillustratie © Floor Rieder Ontwerp binnenwerk Wim ten Brinke De leesfragmenten in dit magazine zijn veelal ongecorrigeerde voorpublicaties.
4 KAZUO ISHIGURO KLARA EN DE ZON 9 weetjes over ...
12
12 JAN BROKKEN DE TUINEN VAN BUITENZORG Leesfragment
72
18 ADRIAAN VAN DIS KLIFI Interview 24 JONATHAN LICHTENSTEIN DE SCHADUW VAN BERLIJN Leesfragment Vertaald door Hanneke Bos
4 jan brokken De tuinen van Buitenzorg
18
Een wetenschappelijk fenomeen ontrafeld
HAWKING HAWKING
44 RIJKSMUSEUM SLAVERNIJ Leesfragment 53 BOEKENWEEKTIPS 54 REGGIE BAAY HET LIED VAN DE GODEN Leesfragment
CHARLES SEIFE
102
32 DENIZ KUYPERS DE ATLAS VAN OVERAL Interview + leesfragment
78 54
63 DE BESTE BOEKEN Voor meer focus en productiviteit
98
68 BABS GONS DOE HET TOCH MAAR Interview
44 ;88E ?<<ID8 M8E MFJJ
90
72 HARUKI MURAKAMI EERSTE PERSOON ENKELVOUD Leesfragment Vertaald door Elbrich Fennema
68
78 CHARLES SEIFE HAWKING HAWKING Leesfragment Vertaald door Joost Pollmann en Albert Witteveen
63 32
112 24
88 ANNE BROEKSMA VESPER Gedicht 90 DAAN HEERMA VAN VOSS DE BANGE MENS Leesfragment
?DC6I=6C A>8=I:CHI:>C
88
YZ hX]VYjl kVc WZga^_c C\m\e d\k [\ \i]\e`j mXe _\k B`e[\ikiXejgfik
98 VINCENT MERJENBERG DE GRIJZEN Interview 102 VONNE VAN DER MEER NAAR LILLEHAMMER Leesfragment 112 LEEN SCHAAP BRAND IN AMSTERDAM Leesfragment
Foto: © Jeff Cottenden
k a zuo ishiguro
Kazuo Ishiguro werd geboren in Japan en verhuisde op vijfjarige leeftijd naar Engeland. Hij is auteur van acht romans en één verhalenbundel. Zijn werk is in meer dan vijftig talen vertaald; van de romans De rest van de dag en Laat me nooit alleen zijn succesvolle, prijswinnende verfilmingen gemaakt. In 2017 werd Ishiguro’s oeuvre met de Nobelprijs voor de Literatuur bekroond.
4
kazuo ishiguro
klara en de zon Klara en de Zon in het kort: Klara is een zogenaamde Kunstmatige Vriendin met een uitstekend waarnemingsvermogen, die vanaf haar plek in de winkel nauwkeurig het gedrag beschouwt van de kinderen die binnenkomen om rond te neuzen met hun ouders. Klara blijft hopen dat een kind haar zal kiezen. Wanneer dat eindelijk gebeurt, en haar bestaan voorgoed lijkt te veranderen, krijgt ze bij haar vertrek naar haar nieuwe gezin de waarschuwing dat ze niet al te veel waarde moet hechten aan de beloften van mensen. Maar Klara houdt haar eigen ideeën erop na. Klara en de Zon is een adembenemend mooie roman die ons een blik gunt op onze veranderende wereld door de ogen van een onvergetelijke buitenstaander. Zoals vaker in zijn vindingrijke, verfijnde, aangrijpende oeuvre onderzoekt Ishiguro ook hier wat het betekent om écht van iemand te houden.
ontdek wat het betekent om écht van iemand te houden
Over eerder werk: ‘Hij weet je steeds weer te betoveren, op een kalme manier, zonder toeters en bellen.’ – nrc Handelsblad klara en de zon
5
9 weetjes over
kazuo ishiguro Wereldwijd kijken lezers reikhalzend uit naar de nieuwe roman van Ishiguro, Klara en de Zon. Maar wat weten we eigenlijk over deze Nobelprijswinnaar? Leer hem beter kennen met behulp van 9 weetjes.
1. Blockbuster
verbintenis met de wereld bloot,’ aldus het Nobelprijscomité.
De verfilming van De rest van de dag, The Remains of the Day (1993) met onder anderen Anthony Hopkins, Emma Thompson en Christopher Reeve, was voor maar liefst 8 Oscars genomineerd.
3. Literaire doorbraak De rest van de dag en Laat me nooit alleen zijn klassiekers die wereldwijd nog steeds gretig worden gelezen.
2. Nobelprijs voor de Literatuur 4. Internationaal succes Kazuo Ishiguro werd in 2017 verrast met de Nobelprijs voor de Literatuur. ‘In romans met een grote emotionele zeggingskracht legt Ishiguro onze wankele 6
kazuo ishiguro
De boeken van Ishiguro zijn in meer dan vijftig talen vertaald.
7. Inspiratiebron
Ishiguro’s werk kenmerkt zich door zijn veelvormigheid en de manier waarop hij een grote diversiteit aan genres onderzoekt in zijn romans. De rest van de dag is geschreven in de stijl van een negentiende-eeuwse Engelse roman, in Laat me nooit alleen verkent hij de grenzen van de sciencefiction, terwijl hij zich in Vergeten reus liet inspireren door fantasymotieven.
Zijn literaire inspiratiebron is Charlotte Brontë.
9 weetjes
5. Schrijfstijl
8. Wereldnieuws Als een Nobelprijswinnaar een nieuwe roman schrijft dan is dat wereldnieuws. Zodra de Engelse uitgever van Ishiguro een persbericht verstuurde over zijn nieuwe roman Klara and the Sun was het nieuws trending. 6. Ontstaan van een schrijver 9. Guilty pleasure Op jonge leeftijd wilde Ishiguro songwriter worden, geïnspireerd door zijn muzikale helden als Bob Dylan. Toen succes uitbleef, besloot hij op zijn vierentwintigste korte verhalen te gaan schrijven. Algauw werden ze gepubliceerd en de rest is geschiedenis.
Kazuo Ishiguro luistert graag naar rockmuziek.
Klara en de Zon van Kazuo Ishiguro verschijnt op 2 maart (vertaling Peter Bergsma) klara en de zon
7
‘Mokergoed! Als je Cliënt E. Busken gelezen hebt dan wil je het weer opnieuw lezen. Het personage Busken is een grumpy old man on speed. Fantastisch!’ – DWDD-BOEKENPANEL ‘Het is geweldig.’ ••••• – NRC ‘Een nieuw hoogtepunt in Brouwers’ oeuvre.’ ★★★★★ – DE STANDAARD ‘Gruwelijk mooie passages.’ ★★★★★ – HUMO
Mooie non-fictie boeken uit 2020 die je niet mag missen
Een handboek met vuistregels en praktische tips voor het inrichten van je huis, ongeacht je stijl en smaak en zonder dat je nieuwe spullen hoeft te kopen.’
‘Verbluffend boek.’
Radio 1 non-fictie boek van het jaar 2020
‘Alles zit erin: zijn intrigerende verlegenheid, zijn talent voor eenzaamheid, zijn intense liefde voor de politiek.’
– TROUW
– AD
– DE VOLKSKRANT
Foto: Š Leonardo Cendamo
jan brokken
Jan Brokken is schrijver van romans, reisverhalen en literaire non-ďŹ ctie. Ook internationaal verwierf hij faam met onder meer De blinde passagiers, Mijn kleine waanzin, Baltische zielen, In het huis van de dichter, De vergelding, De Kozakkentuin en De rechtvaardigen.
12
jan brokken
de tuinen van buitenzorg De tuinen van Buitenzorg in het kort: Toen de 23-jarige Olga en de twee jaar oudere Han in 1935 naar Nederlands-Indië verhuisden, was het alsof de ene na de andere wereld voor hen openging, in een bijna duizelingwekkend tempo. De eerste maanden brachten ze door op Java, later woonden ze in Makassar, waar Han onderzoek deed. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verwoestte de wereld waarin Olga en Han volledig waren opgegaan. In 1947 moesten ze terugkeren naar Nederland. Olga is de moeder van Jan Brokken vóór ze zijn moeder werd. Na het overlijden van zijn ouders overhandigde tante Nora hem de brieven en foto’s die haar zus Olga haar vanuit Buitenzorg en Makassar schreef. Teder, sensitief en tastend zoekt Brokken in die brieven naar de vrouw die gedurende haar leven altijd een onbekende voor hem was gebleven: ‘Mijn broers kenden mijn moeder uit Indië, ik niet. Mijn broers hadden mijn moeder geen moment uit het oog verloren in het jappenkamp, hadden op de stapelbedden boven haar gelegen in de hut van het repatriëringsschip. Ik kende haar alleen als de vrouw van de dominee in een oer-Hollands dorp.’ Haar verhaal verweeft Jan Brokken op ingenieuze wijze met beschouwingen over muziek, literatuur, cultuur en geschiedenis, zoals componist Leopold Godowsky die in de ban raakte van de gamelan, de taalgeleerden Adriani, Matthes, Cense die hele werelden ontdekten en de moeder van
een uiterst persoonlijk boek van een schrijver op de toppen van zijn kunnen
jan brokken De tuinen van Buitenzorg
Hella S. Haasse, die de bekendste concertpianist van Indië was. De tuinen van Buitenzorg is een juweel van een boek, van een schrijver op de toppen van zijn kunnen.
Over De rechtvaardigen: ‘Jan Brokken weet van iedere geschiedenis een diep menselijk verhaal te maken, dat is zijn talent en zijn kracht.’ – Geert Mak
de tuinen van buitenzorg
13
de tuinen van buitenzorg 1
Op een late zomermorgen hoor ik op de radio een pianostuk dat geschreven is door een componist van Poolse origine en de titel ‘De tuinen van Buitenzorg’ draagt. Een wonderbaarlijk mooi stuk van een minuut of vijf dat ik onmiddellijk associeer met het ruisen van palmen, een specifiek geluid dat, schreef mijn moeder ooit in een brief, aan harken doet denken, aan geduldig bladeren harken. Ik zet de radio harder en ben in één keer terug in de Kebun Raya Bogor, de majestueuze hortus botanicus van Bogor. Tot 1949, het jaar van de Indonesische onafhankelijkheid, heette het ’s Lands Plantentuin te Buitenzorg. Ik hoorde mijn ouders er verscheidene malen over praten, ofschoon met grote tussenpozen, om niet toe te geven aan het onmogelijke verlangen naar wat voorbij was. Aan het begin van hun veertienjarig verblijf in Indië brachten ze afwisselend vijf maanden in Batavia en zes weken in Buitenzorg door. Dankzij de ligging op driehonderd meter hoogte was Buitenzorg merkbaar koeler dan Batavia, ook al regende en onweerde het er erg vaak en voelde de lucht klam aan. De natuur was van een overweldigende pracht. Terwijl mijn vader ‘nastudeerde’ aan de Hogere Theologische School in Buitenzorg, wandelde mijn moeder – nu ja, de jonge vrouw die mijn moeder zou worden – alle dagen in de tuinen. Of speelde dicht bij ’s Lands Plantentuin haar eerste potjes badminton, een sport die toen net populair aan het worden was in Azië en door zowel vrou14
jan brokken
wen als mannen werd beoefend, al dan niet in gemengd dubbel, wat huiveringwekkend modern was in die jaren. Badminton wordt meestal binnen gespeeld vanwege de windgevoeligheid van de shuttle, maar in de nabijheid van zoveel palmen en bamboehagen in Buitenzorg deed mijn moeder het buiten. Olga was in 1935 een vrouw – ik zou bijna schrijven: een meisje – van drieëntwintig voor wie het leven plotseling vaart en diepgang begon te krijgen en voor wie de ene na de andere wereld openging, in een bijna duizelingwekkend tempo. Vierenveertig jaar later, toen ik op het punt stond naar Indonesië te vertrekken, vertelde ze me dat ze in de tuinen van Buitenzorg op slag verliefd was geraakt op de tropen, niet alleen gevoelsmatig maar ook zintuiglijk, door alle geuren. De omvang van de hortus botanicus was enorm, zevenentachtig hectare, en ’s Lands Plantentuin liep over in de paleistuin van de Gouverneur-Generaal, waardoor het geheel nog veel groter oogde. Wandelend langs vijvers, met waterlelies zo groot en fel van kleur dat ze als vuurwerk uit het water leken te schieten, begon ze iets van de uitzinnigheid van de tropen te begrijpen. Het rood van de bloemen was roder dan bloed. Van de soorten planten en bomen die ze passeerde, zag ze de meeste voor het eerst. Ik stel me voor dat ze onder een witte parasol liep en een hoed van gaas droeg met brede randen die haar zowel tegen de zon als tegen de muggen beschermde – haar huid was witter dan sneeuw en kon bijzonder slecht tegen een overmaat aan uv, iets wat
kleuterleidsters en de vierde ten slotte moest het doen met twee jaar huishoudschool. Opleiding, bewezen ze met zijn vieren, zegt ook niet alles; je kunt nooit voorspellen hoe het in je verdere leven loopt. De jongste zus, mijn tante Galina, die er qua opleiding het poverst van af was gekomen, zou als rijkste sterven, en mijn moeder als meest ontwikkelde. Naast Maleis leerde Olga Makassaars in woord en geschrift. Het laatste betekende dat ze zich het Brahmischrift moest eigen maken, iets wat haar uiteindelijk vijf jaar zou kosten maar grote voldoening gaf. Mijn vader, de intellectueel, kreeg het niet onder de knie. Brahmi is een abugida, een schriftsysteem waarin de belangrijkste tekens de medeklinkers zijn; ook het Arabisch kent dit schrift, dat van rechts naar links wordt geschreven. Vergeleken met het Makassaars vond Olga het Maleis een makkie – dat hanteert het Latijnse schrift. Door het Makassaars werd ze nieuwsgierig naar het Boeginees, dat weer een ander schrift heeft, het Lontara, dat dichter bij het Oud-Javaans en het Soendanees ligt dan bij het Makassaars. Het Boeginees, dat door zo’n anderhalf miljoen mensen in het zuidwesten van Celebes werd gesproken, kon Olga na jaren inspanning verstaan en langzaam spreken. Schrijven kon ze het niet en met lezen bleef ze moeite houden, maar ze kende de taal toch voldoende om in contact te kunnen treden met Boeginezen, een volk van vorsten, vissers, boeren en bovenal van roekeloze varensgasten die alle zeeën van Azië bevoeren op driemasters die sinds de 18de eeuw niet noemenswaardig waren veranderd. Ze volgde cursussen Duits en Engels, Indische cultuurgeschiedenis, Aziatische godsdiensten de tuinen van buitenzorg
15
leesfragment
ik van haar heb geërfd. Ze zal zich niettemin vaak voorovergebogen hebben om een naam te lezen en in haar hoofd te prenten. Niemand in de tropen kan louter in de schaduw leven. Vóór haar vertrek had ze in drie jaar tijd Maleis geleerd. Ze had zich in 1932 met mijn vader verloofd, en op dat moment stond al vast dat hun toekomst in Indië zou liggen. Ook wisten ze al geruime tijd wat hun eerste, voorlopige standplaats zou worden: Makassar, de hoofdstad van Celebes. Na hun verblijf op Java zouden ze er met een mailboot heen varen, een reis van drie dagen en nachten. Olga had een enorme achterstand aan kennis in te halen. Mijn grootvader was met alleen een zakje aarde en verder met helemaal niets uit Tsarskoje Selo naar Nederland gekomen en had onderdak gevonden bij een schoenmaker in Leiden, die hem het vak had geleerd. In het nabijgelegen Oegstgeest was hij schoenen gaan repareren, in een werkplaats die de gehele benedenverdieping van een woonhuis in beslag nam en die hij aanduidde als ‘mijn atelier’. Kort na zijn huwelijk met een niet onbemiddelde boerendochter uit Noord- Holland was hij een schoenenwinkel begonnen in de voornaamste winkelstraat van het dorp, maar het bestaan bleef een gevecht voor hem en hij vreesde ieder moment weer met lege handen te staan. Over zijn vier dochters had hij een salomonsoordeel geveld: de oudste mocht doorleren voor onderwijzeres, de tweede (mijn moeder) moest het doen met een diploma huishoudschool, maar mocht weer wel haar pianostudie afmaken waaraan ze op achtjarige leeftijd was begonnen, de derde kon naar de kweekschool voor
en een cursus ehbo voor de tropen. Ze nam ook nog eens orgelles zodat ze in de kerk van Makassar het gezang kon begeleiden, want ja, mijn ouders geloofden dat ze een beschavingsmissie hadden te vervullen in een uithoek van de Indische archipel. Ze deden het uit overtuiging; in hun bagage ging een hoop idealisme mee, ofschoon ze zich in Buitenzorg al een tikkeltje ongerust afvroegen hoe het allemaal zou uitpakken.
2 Olga leidde in Batavia en Buitenzorg ‘’t pensionleven’, zoals ze het in een van haar eerste brieven uit Indië noemde. Ze vond het even prettig als ik later het hotelleven. Het zorgde ervoor dat zij en mijn vader binnen enkele maanden wenden aan hun nieuwe bestaan, ver weg van hun geboortegrond. ‘Kom je nu in Indië aan en ga je direct in een eigen huis wonen, dan zit je daar als twee vergeten burgers,’ schreef ze aan haar zus. Ze zocht steeds de grootste tafel uit voor de middag- of de avondmaaltijd, zodat ze met zo veel mogelijk gasten in contact kon komen. In Buitenzorg logeerde ze in Huize Marianne. Ik zag de naam op een vergeelde foto. In hetzelfde pension trof ze een kennis uit Oegstgeest, Annie, die al een tijdje op Java verbleef en haar snel en gedecideerd wegwijs wilde maken in het Indische leven. De dagen daarop zag ze Annie regelmatig terug, tegen het einde van de week begon ze haar te mijden. ‘Ik vond haar in Oegstgeest al nooit zo erg sympathiek en in Indië is ze er niet op vooruitgegaan. De eerste dagen dat we hier waren had ze beslist een verkeerde invloed op me. Je bent daar als 16
jan brokken
nieuwkomer toch al zo vatbaar voor. Nu trek ik me er niets meer van aan wat ze zegt en troef haar soms af. Ze foetert en scheldt op iedereen, heeft een Indisch meisje in dienst dat ze niet aardig vindt en nu zijn volgens haar meteen alle Indo’s krengen. Zo ook met de Inlanders: die deugen niet en je moet voor ze oppassen. Ze verkondigt dingen waar ze absoluut niets van weet. Haar man ergert zich daar vreselijk aan en zegt: “Annie hou toch eens op met die onzin.” Voor ze goed en wel aan haar nieuwe leven begonnen is, is ze al verbitterd, en ze reageert haar frustraties af op de inheemsen.’ Liever vertoefde ze in het gezelschap van het echtpaar Buenk. ‘Hij, een dominee, maar niet zo’n echte – hij is ook nog jong, houdt radiopraatjes en wacht op een vaste aanstelling in Palembang, in het zuiden van Sumatra. Hij is aardig, maar haalt het niet bij zijn vrouw, een reuze type, erg geestig, ofschoon nooit ten koste van anderen, ad rem, beschaafd, ontwikkeld. Een echte dame, toch eenvoudig, helemaal niet gemaakt. Ze speelt bijzonder goed piano, durft zelfs Rachmaninov aan, zingt mooi zuiver, en vraagt me dikwijls: “Olga… hoe kom je toch aan die naam?” Maar direct daarop glimlacht ze me toe, alsof ze het wel begrijpt, en ik er verder niets over hoef te zeggen.’ Op een foto, in een album geplakt, zie ik mevrouw Buenk, haar naam staat er in witte inkt onder, in een Chrysler Plymouth zitten waarvan het vouwdak is geopend. Ze leunt met haar rechterarm op de rand van het portier, glimlacht een tikkeltje arrogant, in ieder geval zelfverzekerd. Veel haar, heel veel donker haar dat naar achteren is gekamd en in een knot samenkomt. Scherp gezicht, niet iemand die je tegen je moet
hebben, maar ongetwijfeld hartelijk en hulpvaardig als je haar sympathie hebt verworven. Toen Olga een paar maanden later op de boot naar Makassar stapte, vond ze het vooral spijtig dat ze afscheid moest nemen van Jacobine Buenk. ‘Die ene keer dat we samen quatremains op de piano speelden, dacht ik: goh, zo slecht doe ik het nou ook weer niet. Ze gaf me vertrouwen in mezelf.’
Dit boek is reeds verschenen
de tuinen van buitenzorg
17
leesfragment
Of Olga zich tijdens ’t pensionleven al overgaf aan het Indische ritueel van het middagdutje, weet ik niet. Tijdens mijn jeugd herinnerden twee verstokte gewoonten aan het Indische verleden van mijn ouders: de rijsttafel op zaterdagavond en het dagelijkse middagslaapje, tidur siang in het Maleis, direct na de lunch, nou ja, na de boterham met kaas en het glas melk. Mijn vader sliep tot precies halfvier en stapte dan onder de douche om zich te mandiën (van het Maleise mandi, zich baden); mijn moeder deed niet meer dan wat soezen en speelde zich om een uur of drie wakker achter de piano. Niet alleen mijn vriendjes maar iedereen die bij ons over de vloer kwam keek ervan op, want zelfs midden in de winter, bij bittere kou, sloegen mijn ouders geen middagdutje over, alsof ze nog altijd de klamme hitte of de onbarmhartige zon moesten ontvluchten. In een van haar brieven maakt Olga een toespeling op wat algauw een gewoonte moet zijn geworden: ze krijgt in de namid-
dag, ‘wanneer ik lekker fris ben’, dus waarschijnlijk: na het middagslaapje en het mandiën, conversatieles in het Maleis. Op verschillende in Buitenzorg genomen foto’s staat ze afgebeeld met haar leraar, een Javaan van een jaar of dertig in een smetteloos wit pak en een scherpe scheiding in de haren die al even onberispelijk zijn gekamd. Hij is een hoofd kleiner dan zij. Mijn vader moet dikwijls aan de lessen hebben deelgenomen; ik denk dat ze bij zijn nascholingscursus hoorden, bij zijn ‘nastuderen’, want hij staat op bijna iedere foto naast of schuin achter de leraar. ‘Ik maak niet verschrikkelijk veel fouten meer,’ schreef Olga aan haar zus, ‘maar ik moet de taal nog echt leren spreken. Het is nu een soort potjeslatijn wat ik bezig, onze leraar zegt dat het allemaal veel te stijf klinkt. We krijgen hier echt een spoedcursus, iedere namiddag, ook op zaterdag, moeten we twee uur lang converseren.’ En passant vertelde de leraar, Indratan Tabrani, over gebruiken en gewoonten ‘en op een middag stelde hij voor een wandeling door de Plantentuin te maken, zodat hij ons de namen van veelvoorkomende bomen, planten en bloemen kon leren’. Mijn vader was niet erg bevattelijk als het om natuur ging, die wilde alleen over rituelen en ceremonies horen, maar Olga keek er echt van op, ‘bij iedere boom, plant, hoort een verhaal of een legende’.
Illustratie: Š Floor Rieder
adriaan van dis
Adriaan van Dis is een veelzijdig, geĂŤngageerd schrijver, getuige romans als Indische duinen, De wandelaar en Tikkop. In 2015 ontving hij de Libris Literatuur Prijs voor Ik kom terug en de Constantijn Huygens-prijs voor zijn gehele oeuvre.
18
adriaan van dis
klifi KliFi in het kort:
ijzersterke nieuwe roman van adriaan van dis over de kracht van verhalen
De Oranjes zijn verjaagd, de republiek Nederland likt haar wonden na een orkaan en het volk schikt zich in een president die ontkennen tot kunst heeft verheven. Jákob Hemmelbahn, zoon van Hongaarse vluchtelingen, verbaast zich over de gelatenheid van zijn medeburgers. Geheel tegen zijn aard verzet hij zich en geeft hij een stem aan de slachtoffers van een lokale overstroming. KliFi is een bitter vrolijke vertelling over uit de pas lopen, over onze neiging tot aanpassen en veinzen, en over lastige vriendschappen.
Over Adriaan van Dis: ‘Zijn kracht ligt niet alleen in prachtig woordgebruik, maar ook in zijn manier van kijken, de kijk van een betrokken buitenstaander.’ – Constantijn Huygens-prijs 2015 klifi
19
10 vragen aan
adriaan van dis Adriaan van Dis heeft eigenlijk geen introductie nodig. Hij is bekend om zijn bekroonde boeken, optredens op de televisie en in februari verschijnt zijn nieuwe roman KLiFi. Van Dis werkt al veertig jaar met zijn redacteur Tilly Hermans: ‘We bekvechten, maar ze heeft altijd gelijk. Nou ja… Bijna altijd.’ 1. Met welke schrijver (dood of levend) zou je graag in gesprek willen gaan? Veel dode schrijvers zijn vertrouwde huisgenoten, ze wonen al jaren bij mij in. Slordig volk. Niemand houdt zich aan de anderhalve meter: de meeste staan schots en scheef op de boekenplank, een enkeling woelt zelfs onder mijn schedeldak. We kwekken wat af samen. Met één heb ik ’n wel heel bijzondere band gekregen: Anton Tsjechov. Hij is mijn lijfarts geworden. Een jaar of wat geleden sleepte hij mij door een sombere periode en schreef hij me driemaal daags één verhaal voor. Liefst zittend in te nemen. En waarachtig, na negen verhalen – waaronder het beroemde ‘De dame met het hondje’ – rukte een onzichtbare hand aan een donker gordijn en zag ik een kier licht. Ik stapte uit mijn zeurende zelf en werd een ander: de dame, haar minnaar… het hondje. Tsjechov is een meester in verplaatsingskunde. Hij neemt je mee naar werelden en mentali20
adriaan van dis
teiten die je niet kent. Waar je misschien bang voor bent. Hij laat je beseffen dat het leven absurd is en leert je het kwaad in de ogen te kijken. Loop je er voor weg, dan pakt hij je alsnog bij je lurven. Tsjechov schrijft niet over het blije en succesvolle leven – zoals het dikwijls op Facebook en Instagram wordt gevierd – nee, hij kijkt achter de lach en vervalste herinneringen en toont ons de kwetsbare mens. Zijn karakters vallen en staan weer op, slaan het stof van hun kleren, herstellen de scheuren en gaan voort… omdat er nu eenmaal niets anders op zit. Tsjechov maakte van alles wat hij als arts meemaakte een verhaal. Schrijven was voor hem een manier om het leven te ordenen. Een manier om de mens te begrijpen. Zonder te oordelen. En hij biedt ons twijfel, een groot goed in tijden van meningen. Of zoals hij Oom Wanja in het gelijknamige toneelstuk laat zeggen: ‘Doe mij maar onzekerheid dan is er tenminste nog hoop.’
2 Wat was in je jeugd jouw favoriete kinderboek?
3. Wat is de beste openingsscène in een roman? Over het algemeen laat ik me meer door stijl pakken dan door een plot. Soms komt dat prachtig samen, zoals in Gewassen vlees van Thomas Rosenboom, waar de lezer al op de eerste bladzijde een paar schaatsen krijgt ondergebonden en letterlijk het verhaal in zwiert. Je hoort het ijs kraken en na tien bladzijden heb je wintertenen. Een enkeling lukt het met één eerste zin, zoals Gerbrand Bakker in Boven is het stil: ‘Ik heb vader naar boven gedaan.’ Zes woorden en je weet meteen wat voor vlees je in de kuip hebt. En wie kent niet: ‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.’ Zo begint Tolstojs Anna Karenina.
4. Heb je wel eens ruzie met je redacteur? Nou en of. Ik ben een vreselijke driftkop. Ik heb het voorrecht al bijna veertig jaar met Tilly Hermans te mogen werken – ze is niet alleen mijn redacteur maar ook mijn uitgever. Ze scheldt gewoon terug. Tilly is streng. En dat eis ik ook van haar. Ik heb ook altijd spijt van mijn woede, want ze heeft altijd gelijk. Nou ja… Bijna altijd. 5. Op basis van wat voor criteria koop je een boek? Mondreclame is de beste reclame. Ik heb al sinds 1969 een abonnement op The (International) New York Times en daar staat elke dag één recensie in. Dat is net te behappen. Boekennummers leg ik altijd op het stapeltje ‘Goede Voornemens’. 6. Over welk boek raak je niet uitgepraat? Mijn dagboek. Ik praat ermee en het zwijgt als het graf. 7. Wat doe je als je helemaal vastloopt tijdens het schrijven? Een boterham met pindakaas smeren, voorzien van een dikke laag sambal. En dan met een brandende mond meteen klifi
21
10 vragen aan
Alleen op de wereld – van Hector Malot. Het lekkerste huilboek uit mijn jeugd. Eerst voorgelezen door mijn zusjes, later zelf gelezen. Wel twee, drie keer… En telkens opgetrokken met de kleine Remi die met de Italiaanse straatartiest Vitalis en zijn tableau de la troupe (drie honden en het aapje Joli-Coeur) door Frankrijk zwerft. O, de tranen om het sterven van het aapje in de winterkou. O, de gebalde vuisten om de gemene mensen, en het grote geluk dat Remi eigenlijk een heel rijke jongen is. Het mooiste Eind Goed Al Goed dat ik ooit las.
Er is geen recept. Er zijn ook meesterwerken die langzaam op gang komen – als een locomotief… maar eenmaal op stoom volgt de vervoering.
een andere scène schrijven. Maakt niet uit wat. Om de geest te vertreden. Ik schrijf heel graag losse scènes. Geen idee waar ze in passen. De prullenbak is een dankbare klant. Maar het gaat om de vingeroefening. Schrijven is ook een spier. If you don’t use it, you will lose it.
9. Wat was het moeilijkste moment tijdens het schrijven van je nieuwe roman?
KliFi gaat over zelfcensuur. Hoe buigzaam zijn we in donkere tijden? Wat kan je nog zeggen en wat niet? Hoe ga je om met de waarheid als er gelogen wordt over een klimaatramp? Het verhaal 8. Welk zelfbedachte personage laat je nooit speelt zich af in de nabije toekomst: de meer los? Oranjes hebben hun koffers gepakt, Nederland is een republiek. De kiezers verMeneer Java uit Familieziek. Maar dat is langen naar een correctie: orde in de sotoch je vader? Ja en nee. ciale media, orde in het Hij lijkt op mijn vader Schrijven is ook een spier. land. En wat doet dat maar hij is veranderd, met ons burgers? Is er If you don’t use it, gegroeid, gekleurd door nog ruimte voor afwijyou will lose it. de tijd. Meneer Java kende meningen en staat voor de migrant. Ik mensen die uit de pas kom hem nog dagelijks tegen. Het is een lopen?? Een akelige toekomst wordt geman met een gestold land in zijn hoofd; schetst en toch wou ik ook een vrolijk en hij leeft in twee werelden, heeft zijn stalyrisch boek schrijven – vol bittere hutus verloren en verwacht dat zijn kindemor en spot. Het is en blijft een heel geren alles goed zullen maken wat hem vecht: lichtvoetig over zware dingen door gedwongen verplaatsing is ontvalschrijven. len. Grote verwachtingen… maar lastig voor een kind om aan te voldoen. 10. Wat zou je zijn geworden als je geen schrijver was? Ik hou meneer Java levend en laat hem in allerlei gedaanten opnieuw geboren Toneelspeler. Altijd willen zijn. Schrijworden. Hij steekt ook de kop op in ven is luisteren naar het theater in mijn KliFi. hoofd. Dit boek is reeds verschenen
22
adriaan van dis
De internationale anti-racismebestseller die lezers confronteert, onderwijst en tot actie stimuleert
witte suprematie & ik
LAYLA F. SAAD
Hoe je privilege (h)erkent, racisme bestrijdt en de wereld verandert
‘Een onmisbaar boek voor witte mensen die iets willen doen tegen witte suprematie, maar niet weten waar te beginnen.’ – ROBIN DIANGELO, AUTEUR VAN WHITE FRAGILITY ‘In de strijd tegen racisme biedt dit boek verfrissende en uiterst waardevolle handvatten.’ – KIRKUS
jonathan lichtenstein
Jonathan Lichtenstein is toneelschrijver en doceert drama aan de Universiteit van Essex. Zijn toneelstukken zijn opgevoerd op het Edinburgh Festival en onder meer in Londen, Sydney, Chicago en New York. De schaduw van Berlijn is zijn eerste boek.
24
jonathan lichtenstein
de schaduw van berlijn De schaduw van Berlijn in het kort:
een aangrijpend memoir over een reis terug in de tijd
In 1939 ontsnapte Hans Lichtenstein met een van de Kindertransporten uit nazi-Duitsland naar Groot-Brittannië. Eenmaal in Engeland aangekomen beseft de dan twaalfjarige Hans dat hij er voortaan alleen voor zal staan en besluit hij te breken met zijn Duits-Joodse wortels. Opgroeiend op het naoorlogse platteland van Wales snapt Hans’ zoon Jonathan maar weinig van de nukken van zijn vader; over de oorlog wordt hardnekkig gezwegen in het gezin Lichten?DC6I=6C A>8=I:CHI:>C stein. Als Hans een 87-jarige man is, besluiten hij en Jonathan de reis opnieuw te maken, maar dan in omgekeerde richting. Tijdens hun reis naar Berlijn komt C\m\e d\k [\ \i]\e`j aan het licht hoezeer de moeizamXe _\k B`e[\ikiXejgfik me relatie tussen vader en zoon rechtstreeks verband houdt met het traumatische verleden. Eindelijk ontstaat er iets van een verstandhouding tussen de beide mannen – ze praten meer met elkaar dan leefde. De schaduw van Berlijn is een eerze ooit deden en Jonathan hoort, ziet en lijk en schokkend verslag van de poging begrijpt voor het eerst welke last zijn va- van een vader en zoon om uit de schader draagt, die als een van de weinigen duw van de geschiedenis te komen. van zijn Joodse familie de oorlog over-
YZ hX]VYjl kVc WZga^_c
de schaduw van berlijn
25
de schaduw van berlijn 1.1 Ik bel. Hij neemt op. Je wilt gaan? Ja.
Hij lacht.
Hij zwijgt. Er valt een lange stilte. Misschien slaap je wel beter als je gaat. Ik betwijfel het. Hoe gaat het? Wat? Met slapen? Hij zwijgt weer. Het moet toch gekmakend zijn. Wat? Als je niet kunt slapen. Ik heb nooit kunnen slapen. Misschien worden je nachtmerries wel minder als je gaat. Misschien worden mijn nachtmerries wel erger. Maar je wilt gaan? Ja. En dus regel ik het, de reis: de data, de veerboot, de tickets, de auto, de route, de paspoorten, het hotel. Later bel ik nog een keer. We gaan je oorspronkelijke reis in omgekeerde richting doen. In omgekeerde richting? We doen hem andersom. Andersom? We reizen van hier naar Berlijn. En dan 26
gaan we terug. Maar ik ben niet teruggegaan. Dat weet ik. Ik had een enkeltje.
jonathan lichtenstein
Ik wil kijken of ik de winkel van mijn vader kan terugvinden. Natuurlijk. En het graf van mijn vader. Ja. En het station? Het station ook. Dat was dat. De afspraak staat. Ik zal met hem meelopen over de trottoirs. Samen zullen we de lucht inademen van de stad met haar verleden dat doordeint in zijn dagelijks leven en de uithoeken van dat van zijn kinderen, met haar geschiedenis die in ons afvloeit, met haar goten die de regen en de rotzooi van de straten meevoeren, de papiertroep, de vergeelde sterren, het gebroken glas, de as, het graf van zijn vader. Het station. De winkel.
1.2 Ik wilde al jaren met mijn vader naar Berlijn om het spoor te volgen van het Kindertransport waarmee hij was ontkomen, maar gezien de broosheid van onze moeizame, afstandelijke relatie was het onmogelijk om zoiets te regelen. De gedachte dat we dagenen nachtenlang in elkaars nabijheid zouden verkeren sprak ons geen van beiden aan,
leesfragment
want we begrepen allebei dat zo’n onderneming de voorzichtige verstandhouding die recent tussen ons was ontstaan kapot kon maken. Bovendien wisten we allebei dat mijn vader tijdens zo’n reis onherroepelijk geconfronteerd zou worden met de donkere dingen die hij zijn leven lang diep had weggestopt. En we wisten ook dat als die donkere dingen aan het licht zouden komen, ze wellicht een verpletterende wanhoop zouden teweegbrengen – ‘een wanhoop’, zo had hij me meer dan eens toevertrouwd, ‘waarvan ik misschien nooit meer zal herstellen’. Desondanks had hij, toen hij al een oude man was en nadat een slopende ziekte zijn grillige gemoed wat had getemperd, ermee ingestemd de reis te maken en de confrontatie aan te gaan met de gebeurtenis die zijn
hele leven had beheerst. Hoewel ik het pas sinds kort besefte had die gebeurtenis ook het mijne beheerst – in de vorm van eindeloze, zich herhalende cycli van een duistere drang om alle mensen te mijden; incidentele gevallen van een intense, verzadigende vervoering; een neiging tot heftige, ontregelende woede; en een extreme productiviteit gevolgd door maanden van grauwe, ongedifferentieerde apathie en een naargeestigheid die bij tijd en wijle zo angstaanjagend was dat ik niet meer wilde leven. Aanvankelijk hadden we de datum van de terugreis zo uitgekozen dat deze zou samenvallen met de dag waarop mijn vader uit Berlijn was vertrokken, volgens hem zes weken voordat Groot-Brittannie Duitsland de oorlog had verklaard, met ‘een van de laatde schaduw van berlijn
27
ste Kindertransporten uit Berlijn’. Maar omdat hij die zomer ziek was prikten we in plaats daarvan het jubileum van Kristallnacht. De reden hiervoor was dat er een foto was opgedoken waarop de winkel van zijn vader stond, die tijdens die rampzalige nacht was vernield en geplunderd. Mijn vader wilde kijken of hij de locatie van de winkel kon terugvinden ‘om te zien wat ervan over is, als er al iets van over is’. Hij wilde ook naar het graf van zijn vader op de Joodse begraafplaats in Weisensee. Hij was nog nooit bij het graf van zijn vader geweest, zelfs niet als kind. Ze hadden hem van de begrafenis weggehouden; hij had pas vele jaren na de oorlog gehoord dat zijn vader zelf een einde aan zijn leven had gemaakt. Mijn vader kon zich er pas op mijn achttiende verjaardag toe zetten om mij te vertellen dat zijn vader zelfmoord had gepleegd. Hij kwam er die dag mee toen we samen door heuvels van Wales naar Cefnllys reden. Het nieuws kwam als een donderslag bij heldere hemel. Nu je achttien bent is er iets wat ik je moet vertellen. Wat? Mijn vader heeft zelfmoord gepleegd. Echt? Ik wil er niet over praten. Hoe? Hou je mond. Maar… Ik zei, hou je mond. En dus reden we door, mijn vader achter het stuur, zijn aandacht gericht op de slingerende weg. Hij gaf gas en de banden gierden en de auto helde gevaarlijk ver over terwijl hij de bochten met hoge snelheid nam en 28
jonathan lichtenstein
afsneed en over kattenogen hotste en alle vier de banden op het punt stonden hun grip te verliezen, midden in de heuvels van Wales.
1.3 Cae Hyfrydd was een donker huis en in de winter ijzig koud; dan waren de dunne ruiten ’s ochtends vanbinnen overdekt met een craquelepatroon van vorst, en ’s nachts waarden er soms vreemde geluiden rond. Het had een hoge trap, waar een bocht in zat, en een zolder. Het was onze nieuwe twee-onder-een-kapwoning in Pentrosfa, de Eigen Weg die vanaf Wellington Avenue steil omhoogliep. Pentrosfa was een straat die verschilde van alle andere straten die ik tot dusver had meegemaakt: hobbelig en pokdalig en breed. Hij was een en al ruimte, en als ik uit het raam van onze voorkamer keek leek de overkant ver weg. Wanneer de zoon van de Evanses zijn metallic-groene bsa-motorfiets uit de garage van zijn ouders aan de overzijde van de straat duwde en het gevaarte tot leven wekte door zich met zijn volle gewicht op de zilverkleurige kickstarter te werpen, leek hij een verschijning uit een exotisch land, een wereld van vrijstaande bungalows met gazons en geschoren heggen, van witte hekjes, van voordeuren met gebrandschilderd glas, een architectuur van bestendigheid en betrouwbaarheid. Pentrosfa was een Eigen Weg, een kreng van een weg met weerspannige hobbels en opstandige stenen. Het leek alsof hij was aangelegd met de boosaardige intentie elke voortgang te belemmeren in plaats van te bevorderen. Mijn vaders oplossing voor de verzameling oneffenheden was simpel. El-
Dan leek hij een fractie van een seconde op een hurkende geestverschijning, terwijl de as van kakkerlakken en kolen hem omhulde en zijn huid streelde en zijn longen binnendrong en langs de fijne, donkere haartjes warrelde die in patronen op zijn borst groeiden. Als het sneeuwde liep hij onverschrokken met zijn wapperende handdoek om zijn middel op blote voeten naar buiten. Vanaf onze achterdeur voerde een spoor van voetafdrukken door het onbeschreven wit, zijn langere tweede teen duidelijk afgetekend in elke prent. Zijn sporen beschreven kortstondig een route over het land, bakenden het af, markeerden de topografie naast de kriskras dooreenlopende prenten die de reizen van merels en lijsters en mussen verraadden – allemaal volmaakte afdrukken, tot ze weer onder de zacht neerdwarrelende sneeuw verdwenen. Het kostte vele jaren om de weg te effenen, en de reis van mijn vader voerde vanzelf verder terwijl hij de gaten vulde. Hij was begonnen bij de achterdeur en had na een paar jaar het weggetje achter ons huis gladgestreken. Daarna moest hij zijn terrein verleggen en zo rukte hij op naar het centrum van Pentrosfa, waar hij de weg stukje bij beetje herstelde, de gaten opvulde, de hobbels en scheuren effende, de reis vergemakkelijkte. De vereffening van de as. Hij was goed voor de weg en de weg aanvaardde zijn bijstand en was op zijn beurt goed voor hem.
1.4 Ik haal hem op bij zijn huis in Llandrindod, met de rivier de Ithon, en de Wye niet ver ervandaan, en de omliggende heuvels, en de de schaduw van berlijn
29
leesfragment
ke ochtend stopte hij as en sintels, het afval van ons kolenfornuis, in de treurige scheuren van de weg. Het was een ritueel. Eerst veegde hij de kakkerlakken die over onze keukenvloer van donkere leisteen renden op een stalen schop. Vervolgens opende hij het bovenste deurtje van ons kolengestookte fornuis en wierp ze in het donkerrode binnenste. Voor het zover was probeerden de kakkerlakken nog radeloos, maar zonder enig geluid omhoog te krabbelen over de kille stalen schacht van de schop. Ze spartelden met hun sprakeloze keratinepootjes in hun pogingen aan de vuurgloed te ontkomen. Ze raakten verward, ze raakten verstrikt en vervlochten terwijl ze schokkerig en panisch over de schacht omlaaggleden en nog verder, over het blad, maar hun inspanningen waren vergeefs. Hoewel er altijd wel een of twee van de schop vielen en wegrenden gleden de meeste ruggelings de hel in. Nadat hij ze had verbrand gooide mijn vader nog wat kolen uit de kolenkit op het vuur, deed het deurtje dicht en trok vervolgens de aslade uit het fornuis, die vol zat met de as van de kakkerlakken en de verbrande kolen die het fornuis ’s nachts aan de gang hadden gehouden. Hij droeg de as de weg op, slechts gekleed in een handdoek die hij als een sarong om zijn middel had gewikkeld. Die karige uitdossing was verplicht, ongeacht het weer; zon noch regen, zelfs niet een dik pak sneeuw, kon hem tegenhouden. Ging hij met een gat aan de slag, dan gebeurde het regelmatig dat een windvlaag een wolk van fijne as opjoeg, zodat hij even door een werveling van parelgrijze vlokjes werd omgeven wanneer hij zich bukte en geconcentreerd as in de scheuren stopte en die met zijn handen gladstreek.
gehuchten Llandegley, Llanyre, Pen-y-Bont en Disserth, waar de rivier vertraagt tot een donkere poel tegenover de kerk van St Cewydd. Hij zit gepakt en wel op zijn grote karmozijnrode koffer in de keuken op me te wachten. Hij heeft een gestreken lichtgrijs ruitjesoverhemd aan en een olijfgroene moleskin pantalon met een scherpe vouw in de broekspijpen. Mijn moeder Beryl begroet me en leest een lijst met zijn pillen op terwijl ze me intussen verschillende doosjes laat zien. ‘Deze zijn voor zijn ogen.’ Oké. ‘En deze voor zijn darmen.’ Goed. ‘En deze voor zijn bloeddruk.’ Oké. ‘De pillen voor zijn ogen zijn belangrijk. Als hij die niet inneemt kan zijn netvlies loslaten.’ O, echt? ‘Dus vergeet ze niet.’ Ik zal ze niet vergeten. ‘Ik wil niet dat zijn netvlies loslaat.’ Dat zou ik ook niet willen. ‘Vergeet je het echt niet? Want…’ Wat? ‘Ik weet nu eenmaal hoe je bent.’ Mijn vader roffelt met zijn vingers op de ronde keukentafel. Mijn zus Jane zit er ook. Ze buigt zich naar me toe. Ze zegt: ‘Ik heb geprobeerd iets voor de ziektekosten te regelen, maar ze wilden het niet doen.’ Hij is niet verzekerd? ‘Zijn bagage is verzekerd.’ 30
jonathan lichtenstein
Je hebt zijn bagage verzekerd? ‘Hij is al zo oud, het had een fortuin gekost; ze wilden het niet doen.’ Maar als er nou iets misgaat? Als het nou te zwaar is voor hem? ‘Er gaat niets mis.’ Niets mis? En als ik de pillen nou kwijtraak? ‘Je redt het wel.’ Maar als hij nou doodgaat? ‘Dan zul je gewoon met hem naar huis moeten rijden.’ Ik kom nooit door de douane als hij doodgaat. ‘Je verzint er vast wel iets op.’ Jane en mijn vader staan van tafel op om een rondje door de tuin te maken. Mijn moeder heeft een van haar theekopjes met bloemetjesglazuur vast. Ze pakt het kopje van de schotel en dan houdt ze haar hoofd een tikje scheef en zegt: ‘Soms ziet je vader er net uit alsof hij…’ Wat? ‘Dood is.’ Dood? ‘Dood.’ Echt? ‘Soms gaat hij slapen en loopt hij een beetje blauw aan en dan lijkt het net alsof hij dood is.’ Gaat het eigenlijk wel goed met hem? ‘Niet echt.’ Moet hij deze reis eigenlijk wel maken? ‘Niet echt.’ Waarom heb je niets gezegd? ‘Hij wil het zo graag.’ Weet je het zeker? ‘Hij wil kijken of hij de winkel terug kan vinden en ook het graf van zijn vader.’
En trouwens, op de terugweg ga ik zelf wel met de trein van Londen naar huis. Natuurlijk. En ik ga ook met de trein van Harwich naar Liverpool Street. Geen probleem. Bij voorkeur in mijn eentje. We stappen in de auto van mijn broer Simon. Die heb ik in een genereus gebaar gekregen. Het is een donkergroene Audi-stationcar van twaalf jaar oud, een van de beste in zijn klasse, zoals de meeste eigendommen van mijn broer. Hij heeft ruime, com-
fortabele stoelen en airconditioning. Simon heeft de motor laten ‘chiptunen’ om het vermogen op te voeren. Hij heeft speciale wielophanging laten installeren zodat de auto sneller bochten kan nemen en ‘strak spoort’. Het is verreweg de mooiste auto die ik ooit heb gehad, deze auto van Simon, en hij is ideaal voor de rit naar Berlijn. Ik open Google Maps op mijn telefoon. Mijn vingers scrollen door de kaart op het scherm langs onze aanstaande route. Eerst de weg naar Harwich, waar we de veerboot zullen nemen, dan over de Noordzee naar Hoek van Holland, dan de weg naar het noorden richting Amsterdam, vervolgens in een rechte lijn naar de Duitse grens en tot slot in oostelijke richting naar Berlijn. Ik laat mijn vader de route zien. Je reis in omgekeerde richting. Ja. Ja, dat is het. Mijn reis in omgekeerde richting. Ik hoor de adem in zijn keel stokken. Het geluid van de honden in zijn binnenste. Ze zijn wakker geworden. Ze hebben de zwakte van hun prooi geroken. Ze hebben lang moeten wachten op deze reis. Ze zitten hem op de hielen met hun hondengeleiders, hun staarten en hun donkere vachten. Er was een bloemenbel. Wat zei je? Een bloemenbel. Een wat? Een bel met de vorm van een bloem. Waar? Op het station. Dit boek verschijnt in april
de schaduw van berlijn
31
leesfragment
Mijn vader en ik verlaten het huis door de duifgrijze voordeur en lopen naar de auto. Hij heeft geen ziektekostenverzekering. Soms ziet hij er een beetje dood uit. Hij sleept een enorme koffer met volledige buitenlanddekking achter zich aan. ‘Ik draag mijn eigen spullen wel, daar heb ik jou niet bij nodig,’ antwoordt hij op mijn aanbod hem te helpen; zijn stem verheft zich boven het lawaai van de wieltjes van de koffer die over de grond schrapen. Zijn koffer is waarschijnlijk zo’n aankoop geweest die er in de winkel leuk en fleurig uitzag, maar nu hij hem over de weg achter zich aan sleept en vervolgens achter in de auto zet lijkt het ding belachelijk fel en bovenmaats. Dit is het begin van zijn terugreis. De koffer die hij zou moeten dragen is klein en bruin, met een touwtje om het handvat geknoopt. Er zou een wit label aan moeten zitten. Daar zou een nummer op moeten zijn geschreven met zwarte inkt. Ik loop naar de heg vlak bij ons, raap vijf stenen op, drie kleine en twee iets grotere, en stop ze in mijn zak.
Foto: Š Jelmer de Haas
de ni z kuype rs
Deniz Kuypers schreef de romans Dagen zonder Dulci (nominatie Academica Literatuurprijs 2014) en Het ruisen van de wereld (nominatie bng Bank Literatuurprijs 2014). Hij studeerde Engelse letterkunde aan de UvA en woont sinds 2002 in San Francisco.
32
deniz kuypers
de atlas van overal De atlas van overal in het kort:
het verhaal over ontheemding, over de neiging te vluchten en het verlangen om opnieuw te beginnen
De atlas van overal van Deniz Kuypers gaat over een man in het Turkije van de jaren zestig die zichzelf genoodzaakt ziet zijn schrijversdroom opzij te zetten en naar Nederland te komen. Zijn zoon Deniz wordt wél schrijver en verhuist naar Amerika. Als Deniz zelf kinderen krijgt, ontstaat de behoefte het verleden van zijn vader, die hij twintig jaar niet heeft gesproken, te onderzoeken. Zijn vragen leiden hem van Oost-Turkije naar Californië en uiteindelijk terug naar Nederland. Met De atlas van overal vertelt Deniz Kuypers een aangrijpend verhaal over ontheemding, het opgroeien tussen twee culturen, de rusteloosheid die daarbij hoort en de verhalen die ons verbinden – aan onze thuisgrond en aan elkaar. Over Dagen zonder Dulci: ‘Een originele roman, met een Nederlands oog voor kleine details, maar
een opzet in de traditie van grote Amerikaanse schrijvers. Deniz Kuypers is een auteur om in de gaten te houden.’ – Thomas Heerma van Voss de atlas van overal
33
10 vragen aan
deniz kuypers Met De atlas van overal schreef Deniz Kuypers een aangrijpend verhaal over ontheemding, het opgroeien tussen twee culturen en de verhalen die ons verbinden – aan onze thuisgrond en aan elkaar. Wat fascineert Kuypers en welk boek moet je volgens hem onmiddellijk lezen? Lees snel zijn ontboezemingen. 1. Met welke schrijver (dood of levend) zou je graag in gesprek willen gaan? Schrijvers zijn vaak best saai. Die bewaren hun beste eigenschappen voor op de pagina. Het zijn hun woorden en ideeën die me aanspreken, meer dan hun privéleven. Ik zou wel terug willen reizen in de tijd om Shakespeare te ontmoeten, en Homerus als die echt bestaan heeft. Maar laat ik realistisch blijven. Natalia Ginzburg. Alhoewel die ook dood is. Ik stel me haar voor als een stoere Italiaanse dame, die de ene na de andere sigaret rookt terwijl ik espresso’s achteroversla op een terras in Rome. La dolce vita! 2. Wat was in je jeugd jouw favoriete kinderboek? Het oneindige verhaal van Michael Ende. Ik heb een exemplaar dat mijn ouders me cadeau deden toen ik het al dertien keer had gelezen, omdat ik teleurgesteld was telkens als het bij de bibliotheek was uitgeleend. Als kind had ik natuurlijk lang niet zoveel boeken als nu. Ik kreeg 34
deniz kuypers
er jaarlijks misschien één of twee, voor mijn verjaardag of als ik er zelf voor spaarde. Een eigen boek, dus geen bibliotheekexemplaar, dat was rijkdom. Het oneindige verhaal is een boek over boeken. Hoe kun je daar als jonge lezer en ontluikende schrijver níét verknocht aan raken? Nu, bijna dertig jaar later, lees ik het voor aan mijn eigen kinderen. 3. Wat is de beste openingsscène in een roman? Dat de beste openingsscène al geschreven zou zijn vind ik een ietwat ontmoedigend idee. Een van mijn favorieten is het ijzingwekkende begin van The Haunting of Hill House van Shirley Jackson: ‘Silence lay steadily against the wood and stone of Hill House, and whatever walked there, walked alone.’ De bekeerlinge van Stefan Hertmans opent met een paar van de mooiste pagina’s uit de Nederlandse literatuur. Vaak is het niet een scène maar een stem die me het verhaal in sleurt, en die ik me achteraf beter herinner dan de plot. Zoals de verteller in
Reyes die zich specialiseert in natuurboeken en wiens smaak ik vertrouw. Soms schrijft een favoriete schrijver het voorwoord bij een boek dat ik niet ken. Ik hou bepaalde uitgevers in de gaten, zoals New York Review Books en natuurlijk mijn eigen uitgever (kamers antikamers van Niña Weijers was een van de beste boeken die ik vorig jaar las). Maar er gaat niets boven rondneuzen in een boekhandel. 6. Over welk boek raak je niet uitgepraat?
4. Heb je wel eens ruzie met je redacteur? Ik ben niet zo opdringerig wat boeken Nee, nooit. Ik zie mijn redacteur als een betreft. Het zijn mijn kinderen die het link naar de lezer. Zij op dat gebied moeten zorgt ervoor dat zaken Schrijvers zijn vaak best ontzien. Momenteel ledie duidelijk zijn in mijn zen we De heksen van saai. Die bewaren hun hoofd ook duidelijk zijn Roald Dahl, en ik heb beste eigenschappen voor voor de lezer. En leeseen rits andere favoriebaarheid is waar het uitten van vroeger klaarligop de pagina. eindelijk om gaat. Leesgen. Het beste boek dat baarheid betekent voor mij een mooie ik zelf in tijden las is Time Song van Julia schrijfstijl, originele ideeën of een goede Blackburn, die de dood van haar echtgeplot, het liefst een combinatie van alle noot probeert te bevatten door die te drie. plaatsen tegen de verdwijning van Doggerland, het stuk land dat Nederland en 5. Op basis van wat voor criteria koop je Engeland in prehistorische tijden aan eleen boek? kaar verbond. Blackburns kijk op de geschiedenis van de mensheid doet me beIk lees alles wat me aanspreekt, ongeseffen dat mijn problemen heel acht van genre. Manuscripten van colleonbeduidend en tegelijkertijd heel menga’s, aanraders, boeken die gerecenseerd selijk zijn. worden, waarbij het oordeel niet eens positief hoeft te zijn, zolang het mijn 7. Wat doe je als je helemaal vastloopt verbeelding maar prikkelt. Vaak leidt het tijdens het schrijven? ene boek op intuïtieve wijze naar het volgende. Er is een boekverkoper in Point Ik ren dagelijks en hoe clichématig het de atlas van overal
35
10 vragen aan
Jazz van Toni Morrison: ‘Sth, I know that woman.’ Of die in Our Spoons Came from Woolworths van Barbara Comyns: ‘I told Helen my story and she went home and cried.’ En dit juweeltje, het begin van Honderd jaar eenzaamheid van Gabriel García Márquez: ‘Vele jaren later, staande voor het vuurpeloton, moest kolonel Aureliano Buendía denken aan die lang vervlogen middag, toen zijn vader hem meenam om kennis te maken met het ijs.’
ook mag klinken, ik heb dan mijn beste ideeën. Hardlopen is een soort meditatie. Mijn gedachten bewegen mee met mijn lichaam. Vaak is dat ook het enige uurtje op een dag dat ik helemaal alleen ben: geen kinderen om me heen of honden die aan de deur krabben om uitgelaten te worden. Ik probeer mezelf niet te dwingen over lastige vragen na te denken. Als ik met iets bezig ben, pruttelt dat altijd wel in mijn achterhoofd, en ik vertrouw erop dat mijn onderbewustzijn de oplossing vanzelf aandraagt. Ik schrijf veel met de hand, waardoor ik het fysieke contact met het boek niet kwijtraak. Dit is een manier van schrijven die in de loop der jaren is ontstaan, waar ik nooit echt over heb nagedacht, maar die juist voelt. 8. Welke zelfbedachte personage laat je nooit meer los? De verteller in De atlas van overal is een versie van mezelf, dus dat is het meest voor de hand liggende antwoord. De hoofdfiguur in mijn vorige boek, Het ruisen van de wereld, is een loner die door onverwacht contact met de buitenwereld (een oud-leraar en ex-vriendin) in een reeks tragikomische situaties belandt. Dat boek voelt een beetje als het begin van een groter verhaal, maar ik heb geen concrete plannen voor een vervolg. Er zijn zoveel andere dingen die ik wil schrijven. 9. Wat was het moeilijkste moment tijdens het schrijven van je nieuwe roman? 36
deniz kuypers
Halverwege De atlas van overal gaat de hoofdfiguur op bezoek bij zijn vader, die hij bijna twintig jaar niet heeft gesproken. Vroeger hadden zij een moeizame relatie, maar nu is de hoofdfiguur zelf vader en wil hij begrijpen wat er tussen hen misging. Ik maakte in de zomer van 2019 dezelfde reis, van Amerika naar Nederland, om mijn vader te zien. Dat was pijnlijk en confronterend. Al heb ik een versie van die ontmoeting in mijn boek beschreven, ben ik er nog steeds niet helemaal klaar mee. Flarden van het gesprek dat ik met mijn vader voerde en beelden van ons afscheid aan het eind van de middag spoken door mijn hoofd. Ik vraag me eindeloos af of ik een goede vader en echtgenoot ben, en wat ik kan leren van wat er vroeger tussen mijn vader en mij is voorgevallen. 10. Wat zou je zijn geworden als je geen schrijver was? Ik heb van jongs af aan schrijver willen zijn. Ik groeide op in een huis vol boeken. Mijn ouders, mijn zus – iedereen las. Ik heb jarenlang muziek gemaakt en denk weleens dat als muzikant het contact met je publiek directer is. Als schrijver kun je lezingen geven, maar het publiek staat niet hardop mee te zingen. Gezien de populariteit én kwaliteit van tv-series tegenwoordig zou het me ook mooi lijken om scripts te schrijven. Maar dit is een droombaan waar ik nooit enige concrete stappen voor heb ondernomen.
de atlas van overal rusteloosheid
Mijn vroegste herinnering is paars. Ik lig
Op een dag kreeg mijn vader een brief van het consulaat: of hij voor de klas wilde staan. Dankbaar voor het aanbod verruilde hij Amsterdam voor een stad in het verre Twente waarvan hij nog nooit gehoord had. Mijn vader gaf les in het Turks: taal en geschiedenis, twee gebieden die je moest beheersen om in Turkije een rijbewijs te halen. ‘Dat was echt een systeem dat nergens op sloeg,’ zegt mijn moeder nu. Zij gaf les aan Turkse kinderen die Nederlands moesten leren om door te kunnen stromen naar de middelbare school. Het idee van gastarbeiders was dat ze uiteindelijk terug zouden keren naar hun geboorteland, maar veel Turken waren inmiddels zelf ondernemer geworden. In het ouderwets Hollandse straatbeeld van bakstenen huizen en kerken waren Turkse moskeeën, cafés, eettenten, krantenwinkels en supermarkten verschenen. Er ontstonden hechte Turkse gemeenschappen. Mijn vader sprak gebrekkig Nederlands, omdat hij niet de moeite nam de taal te leren van het land waar hij niet verwachtte te zullen blijven, maar ook omdat hij zich uitsluitend in Turkse kringen bewoog. Hij ging naar de Turkse kapper, kocht pide en witte geitenkaas en zwarte olijven bij de Turkse winkel, las de Turkse krant, keek Turkse films, ging naar het Turkse café, had louter Turkse kennissen en gaf in het Turks les. En hij was niet de enige voor wie dit gold. Zijn kennissen lieten hun gezinnen overkomen, de atlas van overal
37
leesfragment
in bed, het is middag, ik ben een jaar of drie. Niemand thuis. Mijn moeder is Suzan van school aan het halen. Ik huil, steeds harder, tot ik krijsend met mijn hielen op de muur naast het bed bonk. Paarse vormen drijven door mijn blikveld als wanneer het licht uitgaat en je opeens in het pikkedonker staart, wollige vormen die eindeloos metamorfoseren, als bij een lavalamp. Mijn moeder vindt het vreselijk dat ik dit nog weet, want zij was vroeger altijd thuis. Ze stopte met werken toen ze op haar vijfentwintigste zwanger werd van Suzan. Daarvoor was ze lerares geweest op de Hengelose Es-school, de basisschool waar ze mijn vader ontmoette. Hij kwam naar Nederland in de jaren zestig, toen de regering werknemers uit andere landen wierf om het personeelstekort op de groeiende arbeidsmarkt aan te vullen. Mijn vader laste auto-onderdelen en lijmde radioantennes in een fabriek in Amsterdam, waarvan hij later de naam niet meer wist en die ik nu niet kan achterhalen. Hij werkte bij de spoorwegen. Ook was hij een tijdje schoonmaker op Schiphol. In tegenstelling tot veel andere gastarbeiders was hij academisch opgeleid, hij was leraar geweest in Turkije en vond het werk dat hij in Nederland deed geestdodend. Naarmate er door het gezinsherenigingsbeleid meer jonge Turken naar Nederland kwamen, ontstond er behoefte aan Turkstalig onderwijs.
ze trouwden, kregen kinderen en kleinkinderen. Nederland was zo’n slecht land nog niet, maar mijn vader klampte zich vast aan het idee dat hij weer weg zou gaan. Nederlanders waren ‘koud’. Het regende te veel. Nederland had geen ‘keuken’ – al zou dat geen verschil hebben gemaakt, want hij weigerde iets anders te eten dan Turks, of beter gezegd: mijn moeders halfslachtige versie van Turkse maaltijden, die hij opsmukte met zoveel zout dat ze steeds weer riep: ‘Probeer het nou eerst!’ Nederlanders waren niet gastvrij. Nederlanders waren niet schoon. Nederlanders wisten zich niet te kleden. Ik heb geen idee in hoeverre hij dit echt geloofde, of dat het manieren waren om zich niet te hechten, om de droom levend te houden dat hij ooit zou terugkeren naar Turkije, waar alles beter was en waar hij dacht gelukkig te zijn geweest. Iedereen is een gevangene van zijn verbeelding en de verbeelding is op haar best een defecte machine. We herinneren ons het verleden beter dan het was en stellen ons de toekomst beter voor dan die zal zijn, en zo blijven we eeuwig verlangen. Later begreep ik dat mijn vader geobsedeerd was door geld. Hij waarschuwde er altijd voor dat Suzan en ik in een fabriek terecht zouden komen als we ons best niet deden op school. Dat was het ergste wat hij zich kon voorstellen. Hij lette op elke cent die hij uitgaf. Toen hij een keer een afschrift van de verzekeringsmaatschappij onder ogen kreeg voor een bezoek aan de huisarts, rekende hij met een rode pen uit hoeveel patiënten die man op een dag behandelde, wat zijn maandelijkse kosten waren en wat hij overhield. Toen onderstreepte hij het resultaat, timmerde met het notitieblok op tafel 38
deniz kuypers
en schreeuwde: ‘En dan moet ik leven van dat kleine beetje dat ik verdien!’ Mijn tweede herinnering, ik was al iets ouder. Er was ruzie. Gebrul en flitsende bewegingen, zo zie ik het voor me. Mijn moeder die langs me heen de woonkamer uit vlucht, mijn zus in haar armen geklemd, mijn vader achter haar aan. Ik zal een jaar of vier zijn geweest. Op mijn knieën op het tapijt dat mijn vader speciaal uit Turkije had meegenomen speelde ik met een Vikingschip van Playmobil. Ik schoof de boot om me heen, het complexe dessin van bloemen moest de woeste golven voorstellen. Ik had niet door waar mijn ouders over ruzieden, ik begreep hun woorden niet, maar hun snel luider wordende stemmen ronkten boven mijn hoofd als bommenwerpers. Ik verbeeldde me met alle macht dat ik me op dat Vikingschip op zee bevond. Een explosie. Mijn vader sprong op, mijn moeder greep mijn zus en racete de kamer uit, hij vloog achter haar aan, een hamer in zijn hand – waar kwam die vandaan? Alles ging sneller dan ik kon bevatten. Ik rende ook de gang in, zocht bescherming bij mijn moeder. Ik zag haar de deur van het toilet dichttrekken, ze sloot zich op met Suzan. Net op tijd. Mijn vader haalde uit met de hamer. Beukte op de deur. Ik stond pal naast hem, te bang om uit de weg te gaan. ‘Mama! Papa!’ Ik wist niet wie ik moest roepen, wie dit kon stopzetten. De hamer raakte de deurkruk, vonken vlogen om mijn oren. De slagen dreunden door het huis, door mijn hoofd, door mijn hele lichaam. Bam! Bam! Bam! Vanachter de deur smeekte mijn moeder hem te stoppen. Suzan krijste van angst. Mijn vader stopte niet, hun stemmen waren olie op het vuur, hij bleef maar op de deur
het rook heerlijk in zijn atelier, naar hout en lijm van de lijsten die hij zelf maakte, verf en terpentine, oude sigaren. Ik liet me met opzet afleiden. Was dat angst of ongelovigheid? Want wat voor man jaagt zijn vrouw na met een hamer? Wat voor man spuugt zijn dochter in het gezicht, die keer dat we op vakantie in Frankrijk naar Nederland probeerden te bellen en hij weigerde te accepteren dat hij de verkeerde landcode had en Suzan de juiste? Wat voor man noemt zijn kinderen ‘straatkinderen’ en briest dat hij niet kan wachten tot ze achttien zijn en hij ze het huis uit kan schoppen? Deze man, amper een meter zestig, met een wilde dos spierwit haar? Deze man, die stilletjes op zijn zolderkamertje dia’s op de muur projecteerde en overtrok met potlood want uit de losse pols schilderen was niet zijn sterkste kant? Onmogelijk. Misschien had mijn moeder gelijk, had ik alles verkeerd gezien en begrepen. Maar hoe ze dan aan die blauwe plek kwam, durfde ik niet te vragen. En over wat voor ‘vrouwtjes’ had mijn moeder het eigenlijk? ’s Nachts ging de telefoon weleens. Als mijn vader, die moeilijk kon slapen, iets wat ik van hem geërfd heb, in zijn vaste hoekje van de bank zijn vaste krant (de Hürriyet) zat te lezen, nam hij op. Maar als hij op zolder zat of toevallig in bed lag met de roes van een slaappil, bleef de telefoon eindeloos rinkelen. Een akelig geluid. Een telefoon die ’s nachts rinkelt, daar kan niets goeds van komen. Ik schrok wakker met een paniekerige strakheid in mijn borst. Tien, twintig, dertig keer ging het ding over, tot het eindelijk weer stil werd. Maar de rest van de nacht kon ik de slaap niet meer vatten. ‘De telefoonmaatschappij test ’s nachts de de atlas van overal
39
leesfragment
rammen. Als de handkruk het niet begaf, dan het hout wel. Ik stond stijf bevroren. Als ik mijn moeder hier nu naar vraag, zegt ze dat ik het me niet goed herinner. Mijn vader had toevallig een hamer bij zich, zijn hand schoot uit, ach, ze weet het niet meer. Suzan en ik hebben van jongs af aan het gevoel gehad dat mijn moeder hem beschermde, alles goedpraatte, zijn verwensingen en geweldsuitbarstingen verdraaide tot ze een normaal onderdeel van ons bestaan werden. Terwijl mijn moeder op haar beurt weer riep dat zij altijd tussen iedereen in stond: ‘Jullie komen allemaal bij mij met je problemen, maar wie helpt mij?’ Mijn zus, zo bleek. Twee jaar geleden, toen Suzan en ik samen op vakantie waren in IJsland, vertelde ze dat mijn moeder soms ’s avonds laat op de rand van haar bed kwam zitten praten. Over geldproblemen, over de ‘vrouwtjes’ van mijn vader, over dat ze weg wilde. Waar was ik? Op mijn kamer, in bed. Mijn vader zat beneden achter zijn eeuwige krantje, of op zolder in wat hij zijn ‘atelier’ noemde. Mijn moeder had niemand om mee te praten, mijn vader had iedereen bij haar weggejaagd, de neven en nichten met wie ze was opgegroeid, de vriendinnen van school, dus koos ze mijn zus, die pas een jaar of tien, twaalf was. Waarom zou mijn vader in vredesnaam ‘toevallig’ een hamer in handen hebben gehad? Ik zag hem nooit klussen. Maar zo makkelijk was het voor mijn moeder om voor hem te liegen. Slechts één keer, toen ik al veel ouder was, een tiener, en vroeg naar een blauwe plek op haar hals, zei ze onverbloemd: ‘Vraag maar aan je vader hoe ik daaraan kom.’ Onderweg naar zolder vervlogen mijn moed en boosheid. Mijn vader was een amateurfotograaf en -schilder en
lijnen, als iedereen slaapt,’ verklaarde mijn moeder. En ik geloofde haar. Nu ik vader ben besef ik pas hoe goedgelovig kinderen zijn. Dat is geen naïviteit. Dat is blind vertrouwen dat de wereld bestendig is, dat een vader of moeder precies kan uitleggen hoe iets zit, waarom bijvoorbeeld mos op het noordelijk halfrond aan de noordzijde van bomen groeit, waarom otters in hun pootjes klappen of waarom in het holst van de nacht de telefoon gaat. Waren het vrouwen die mijn vader belden? Dit was in de jaren tachtig en negentig, toen het internet en mobiele telefoons nog in opmars waren, en wij hadden thuis geen van beide. Dus als ‘vrouwtjes’ mijn vader te pakken wilden krijgen, moesten ze het ’s nachts proberen. Of was mijn moeder gewoon paranoïde, omdat ze mijn vader al met een andere vrouw deelde, namelijk zijn echtgenote die hij in Turkije had achtergelaten, met wie hij wettelijk nog getrouwd was en met wie hij zes kinderen had? Mijn moeder was onervaren wat de liefde betrof: mijn vader was haar eerste en enige. ‘Ik was op slag verliefd toen ik hem ontmoette,’ vertelde ze later. ‘Die bruine kop met een grote bos krullen. Ik had nog nooit van mijn leven zo’n knappe man gezien, behalve op televisie. Hij leek op Omar Sharif in Doctor Zhivago.’ Vond ze het niet erg dat hij al getrouwd was? ‘Verliefd worden, daar kun je niets aan doen. En ik was vrij naïef. Ik dacht: Turkije is ver van mijn bed, er zal wel gescheiden worden. Maar dat liep anders, en ondertussen waren Suzan en jij geboren. Je vader kon erg charmant zijn. Als hij een paar Turken om zich heen had hing hij de mooiste verhalen op. Hij was echt een prater. Het was 40
deniz kuypers
pas toen ik een beetje Turks leerde dat ik doorkreeg dat hij iedereen de les zat te lezen.’ Ze was vierentwintig toen ze hem ontmoette, zeventien jaar jonger dan hij. Als enig kind van een ongehuwde moeder was zij opgegroeid zonder vader, en hij vervulde die rol voor haar. Hij maakte indruk door alle boeken die hij had gelezen en zijn piekfijne kleren. Hij vertelde iedereen die het horen wilde hoe verlegen mijn moeder vroeger was, hoe ze haar mond niet kon opendoen zonder een rood hoofd te krijgen. Glunderend riep hij — en ik vertaal hier zijn halfbakken Nederlands — dat iedereen haar uitlachte op de Hengelose Es-school. ‘Ik heb een echte vrouw van haar gemaakt. Ik heb haar geleerd hoe je je haar doet, hoe je je kleedt, hoe je loopt.’ En mijn moeder, die een kop groter was dan hij, gaf hem geen klap op z’n smoel. Ze gaf hem gelijk. Toen ik op de kleuterschool zat, hebben we een tijdje in een ander huis gewoond. We zouden naar Turkije emigreren, en ter voorbereiding op ons vertrek hadden we ons eigen huis verhuurd. Maar uiteindelijk zijn we toch niet gegaan. Ik weet niet waarom. Ik weet nog maar weinig van mijn jeugd. Bepaalde indrukken zijn bewaard gebleven, geuren en smaken en de bijbehorende emoties: de verkalkte rokersnagels van mijn oma, de krulstaart van mijn rottweiler. Maar bijster weinig gebeurtenissen met een duidelijk afgebakend begin of einde. Het verleden is een kamer die ik op slot heb gedaan, een stad die ik heb verlaten. Sinds ik vier jaar geleden vader werd, vraag ik me echter steeds meer dingen af. Waarom ik bijvoorbeeld alle herrie die mijn kinderen schoppen en alles wat ze stukmaken lijd-
nam het verleden — de rusteloosheid die me verdreef — mij zou achterhalen. Het gevolg is dat ik me altijd ontheemd heb gevoeld. Ontheemd: van ‘ont-’ en ‘heem’ of ‘heim’, voor woonplaats, geboortegrond, thuis. Je thuis kwijt zijn. Wat ik vroeger niet doorhad, was dat dit ook voor mijn vader gold. Hij zei: ‘Ik voel me tussen twee werelden gevangen’, namelijk zijn gezin in Nederland en dat in Turkije. Alleen begreep ik niet waarom dat een kwelling was, tot mijn zus vlak voordat ik aan dit boek begon zei: ‘Omdat het twee halve levens waren. Heb je het zo weleens bekeken?’ Zeven jaar nadat ik geboren werd, stopte mijn vader met werken. De enige herinnering die ik van hem heb als een man die, net als de vaders van mijn klasgenootjes, ’s ochtends naar zijn werk ging en ’s middags thuiskwam, was van een grote leren schoudertas waaruit hij koekjes opdiepte die hij uit de lerarenkamer voor Suzan en mij had meegenomen. Op zijn tweeënvijftigste raakte hij overspannen en werd arbeidsongeschikt verklaard. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft ongeveer een derde van de Turkse gastarbeiders die in de jaren zestig naar Nederland kwamen een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Zij dachten in Nederland een paar jaar flink geld te sparen om dan weer terug te keren naar Turkije, maar de lage lonen en lange werkdagen vielen vies tegen, waardoor ze gedwongen waren langer te blijven en harder te werken dan verwacht. Nagenoeg alle kennissen van mijn vader hadden een uitkering. (Mijn vader noemde iedereen een ‘kennis’, hij had geen vrienden.) Toen ik hier een keer een opmerking de atlas van overal
41
leesfragment
zaam aanzie, terwijl ongehoorzaamheid me woest maakt. Ik bel mijn moeder om te vragen waarom we indertijd niet naar Turkije zijn verhuisd. ‘Nou, dat weet ik ook niet meer zo goed,’ zegt ze. ‘Ik wilde niet meer. Ik vond het eerst wel interessant om te gaan, maar toen ik later ging nadenken kwamen er toch wel problemen op in m’n hoofd waardoor ik liever niet ging.’ ‘Heb je daar ooit spijt van gehad?’ ‘Nee. Nooit.’ Mijn moeder is niet zo’n wat als?-filosoof. Haar motto is: ‘Jullie zijn mijn leven. Je vader, je zus en jij.’ Iets anders kan of wil ze zich niet voorstellen. Wat dat betreft lijk ik meer op mijn vader. Zodra ik oud genoeg was om te dromen, droomde ik ervan mijn ouderlijk huis te verlaten, en zodra ik oud genoeg was om te gaan, ging ik. Amsterdam. Florence. San Francisco. San Diego. Los Angeles. Denver. En uiteindelijk weer terug naar San Francisco, waar ik een vrouw heb, twee kinderen, twee honden, twee katten en meer boeken dan een rationeel mens ooit zou willen inpakken en verhuizen. (Let op: ik zei ‘rationeel’.) Het grote verschil met mijn vader is dat hij zich niet af hoeft te vragen: ‘Wat als…? Wat als ik niet naar Nederland was verhuisd maar in Turkije was gebleven?’, want hij heeft daar zijn leven nog. Hij heeft een tweede gezin waar hij jaarlijks een paar maanden mee doorbrengt. Een vrouw, kinderen, een flat in Istanbul en een flat in Şile, een badplaatsje aan de Zwarte Zee. Ik heb daarentegen telkens als ik verhuisde mijn oude leven verschroeid, al mijn spullen verkocht of weggegeven, en het contact met vrienden laten verwateren. Omdat ik bang was dat als ik geen rigoureuze maatregelen
over maakte tegen mijn moeder zei ze: ‘Met al die mensen is niets mis voor zover ik weet. Met je vader ook niet. Die had gewoon geen zin meer in werken. Dat had-ie zijn hele leven al gedaan.’ Hij kwam uit Giresun, een boerenstreek in het noordoosten van Turkije, aan de Zwarte Zee, waar hij op vierjarige leeftijd was begonnen met hazelnoten te plukken. Giresun is verantwoordelijk voor zo’n driekwart van de wereldwijde hazelnootproductie. Mijn vader was de oudste van zes kinderen, dus hij moest als eerste aan het werk, ook omdat zijn eigen vader wát graag zijn werk aan de kinderen overliet. Achtenveertig jaar later vond mijn vader het genoeg geweest en besloot de rest van zijn leven in een hoek van de bank door te brengen, waar hem alles aangereikt werd: zijn krant, zijn eindeloze sloot koffie (ik zag hem nooit een glas water drinken), zijn pantoffels, zijn pakjes shag, zijn ontbijt en zijn middageten. Alleen voor het avondeten moest hij opstaan, en om zich ergens rond het middaguur van zijn ochtendjas te ontdoen en gewone kleren aan te trekken, die mijn moeder vaak al op bed voor hem had klaargelegd. Meer was te veel gevraagd. In middeleeuws Londen, toen de pest de helft van de bevolking uitroeide, werden huizen waar iemand ziek was in quarantaine gedaan. Hele gezinnen werden samen opgesloten, tot iedereen dood was of de ziekte ergens anders haar heil had gezocht. Zo leefde ons gezin vroeger ook, benauwd dicht op elkaar. Er kwam zelden bezoek. De familie aan mijn moeders kant mocht mijn vader niet, om redenen die zich voor mijn geboorte hadden afgespeeld en dus aan mij voorbij waren gegaan. De enige mensen die 42
deniz kuypers
soms langskwamen waren kennissen van mijn vader, die hij in het Turkse café ontmoette waar hij doordeweeks ’s avonds en soms zondagmiddag voetbal keek, schreeuwerige kerels die veel rookten en kopjes loeihete thee dronken, die mijn moeder ze met een zuur gezicht voorzette. (Mijn moeder kon als geen ander een zuur gezicht trekken.) Soms wuifde mijn vader in de richting van Suzan en mij en maakte excuses voor waarom wij geen Turks verstonden en er zo humeurig bij zaten. ‘Yusuf kan niet begrijpen welke kinderen niet de taal van hun vader spreken,’ zei hij dan. Mijn zus en ik spraken geen Turks omdat hij het idee had gehad dat we het vanzelf zouden oppikken zodra we naar Turkije waren verhuisd. Toen we uiteindelijk niet gingen, gaf hij ons de schuld dat we alleen wat scheldwoorden kenden. Die waren immers het leukst om te leren. Turks klonk mij rauw in de oren, een taal die zo luid mogelijk gesproken leek te moeten worden. Mijn vader keek Turkse films waarin vrouwen geslagen en verkracht werden door mannen met donkere snorren, op een schelle televisiezender die niet goed doorkwam en die hij daarom extra hard zette, en die op een dag goddank uit ons basispakket verdween omdat hij er niet extra voor wilde betalen. Hij las Turkse kranten waaruit hij beroerd vertaalde stukken voorlas waarin kritiek geleverd werd op WestEuropa, en die vol stonden met gezondheidstips die hij ons dwong te volgen. Een tijdlang moesten we allemaal karnemelk drinken, geen Hollandse karnemelk maar ayran, yoghurt met zout aangelengd met water. Een andere keer kregen we een week lang bij het avondeten een salade van rauwe tomaat en ui met witte wijnazijn erover want
schaamde ik me voor mijn moeders gewilligheid om haar leven met zo iemand te delen. De enige poging die zij deed om zijn commentaren in te perken was door hem soms te vermanen: ‘De wereld is niet je klaslokaal.’ Maar het meest schaamde ik me nog voor mezelf, want ik was het voortbrengsel van deze mensen. Ons huis was klein, we zaten te dicht op elkaar om geheimen te hebben, en zonder geheimen kan een kind zich niet afscheiden van zijn ouders. Dit boek is reeds verschenen
de atlas van overal
43
leesfragment
dat zou helpen bij de spijsvertering. Als de telefoon ging wist ik dat het niet voor mij was. Geen van mijn klasgenoten had mijn nummer, ik nodigde niemand bij mij thuis uit, gaf geen verjaardagspartijtjes. Ik schaamde me voor mijn vaders slechte Nederlands, voor zijn rokershoest, voor zijn totale gebrek aan tafelmanieren en voor het ongevraagde commentaar dat hij links en rechts uitdeelde. Toen hij in de stad eens een nicht van mijn moeder tegenkwam die voor het eerst sinds haar recente scheiding naar de kapper was geweest, zei hij: ‘Je ziet eruit als een kerel met dat kapsel.’ Ook
rijksmuseum Slavernij in het kort:
Foto: © Fjodor Buis
Tijdens de koloniale slavernij zijn miljoenen mensen gereduceerd tot het bezit van een ander. Van slechts een deel van alle betrokkenen zijn hun levensverhalen te achterhalen. Het Rijksmuseum stelt in een tentoonstelling tien historische personen centraal, bekende en minder bekende. Met deze persoonlijke blik wil het museum de slavernij van gezichten voorzien en de universele, tijdloze relevantie van deze geschiedenis invoelbaar maken. Hoe moeten we ons het harde leven voorstellen van een man in slavernij op
een plantage in Brazilië in de zeventiende eeuw? Of het luxe leven van een Nederlandse slavenhandelaar in diezelfde tijd? Of dat van een vrouw die kans zag de plantage te ontvluchten? In deze rijkgeïllustreerde publicatie worden de levens van tien personen beschreven die deel uitmaakten van de Nederlandse koloniale slavernijgeschiedenis en die centraal staan in de tentoonstelling Slavernij in het Rijksmuseum. We maken onder anderen kennis met de Afrikaanse João Mina die op een suikerplantage in Brazilië werkte, met Jonas Witsen, eigenaar van een plantage in Suriname,
Samenstellers van de tentoonstelling en publicatie: Martine Gosselink, Stephanie Archangel, Maria Holtrop, Valika Smeulders, Lisa Lambrechts, Eveline Sint Nicolaas
44
rijksmuseum
slavernij Untung Surapati, die Maarten tot stilstand tien waargebeurde zich aan slavernij ontbrachten. Door hun verhalen uit ons worstelde en in Indoverhalen krijgt de geslavernijverleden nesiĂŤ een nationale held schiedenis reliĂŤf en krijwerd, en met de illustere Lohkay, gen we beter zicht op het systeem die een inspiratiebron was voor de menvan slavernij, de ervaring ervan, en hoe sen die het slavernijsysteem op Sint mensen toen dachten over vrijheid.
slavernij
45
slavernij Een meerstemmige tentoonstelling
Het Rijksmuseum is het nationale museum voor kunst en geschiedenis en beoogt een brede maatschappelijke relevantie te hebben, voor alle Nederlanders. Het Nederlandse koloniale verleden hoort daarbij, het behelst immers een lange periode waarin een belangrijk deel van het fundament van het hedendaagse Nederland is gelegd. Slavernij was een essentieel onderdeel van de koloniale periode, waardoor vele generaties in ondenkbaar onrecht hebben geleefd. Dit verleden is in de nationale geschiedenis lang onderbelicht geweest, ook in het Rijksmuseum. In februari 2017 maakte het Rijksmuseum bekend voor het eerst in zijn geschiedenis een tentoonstelling over slavernij te programmeren. Een tentoonstelling waarin de mensen die deel uitmaakten van die geschiedenis centraal worden gesteld, in plaats van een overzicht van de economische geschiedenis van slavernij met cijfers en jaartallen. Dat vereist een verdieping in een sociale geschiedenis die vanuit het museum nog maar weinig is bestudeerd, maar die daarbuiten voor velen een levend verleden is. Een levend verleden, dat bovendien niet direct is terug te vinden in de collectie van het Rijksmuseum. Een eerste belangrijke stap in het ontwikkelen van de tentoonstelling was het benaderen en bij elkaar brengen van mensen. Er werden nieuwe medewerkers met een relevante professionele en persoonlijke achter46
rijksmuseum
grond aangenomen, er werd een denktank samengesteld en er werd uitgebreid van gedachten gewisseld met nationale en internationale experts met verschillende specialismen binnen de geschiedenis van slavernij. Ook werden kunstenaars en andere creatieven betrokken en er werd contact gelegd met mogelijke bruikleengevers in binnen- en buitenland. Tegelijkertijd kwamen er ook veel e-mails binnen met reacties, suggesties en voorstellen voor samenwerking of bruiklenen. Het werd een intensief traject van vier jaar, waarbij mensen in veel hoedanigheden rondom uiteenlopende thema’s de dialoog aangingen. Elke afdeling van het museum werd betrokken, van directie tot beveiliging, personeelszaken en communicatie. De resulterende plannen voor de tentoonstelling werden intern besproken met medewerkers en extern met Vrienden van het Rijksmuseum en vele andere betrokkenen. Soms waren dat groepen die al erg op een lijn zaten, andere keren waren het groepen die niet eerder samen hadden nagedacht over hoe vorm te geven aan deze complexe, controversiële geschiedenis. Dat leverde een breed palet aan input en vragen op: ‘Kan slavernij in het transAtlantisch gebied vergeleken worden met slavernij in Azië?’; ‘Moet ik me als witte bezoeker schuldig voelen over de koloniale slavernij?’; ‘Kan het museum het verhaal van mijn voorouders in slavernij wel vertellen?’; ‘Is het Rijksmuseumgebouw wel geschikt om het verhaal van slavernij in te tonen?’ Het zijn vragen die niet eerder zo duidelijk aan de orde kwamen, vragen die
variëren van het in bezit hebben van een plantage of het bekleden van een bestuurlijke functie binnen de wic of voc door een geportretteerde, tot afgebeelde genotsmiddelen als koffie en tabak die in slavernij zijn geproduceerd, of het gebruik van de Zwarte mens als stijlfiguur in de toegepaste kunst. Het onderzoek maakt duidelijk dat de geschiedenis van slavernij onlosmakelijk verbonden is met onze nationale geschiedenis, in alle breedte en diversiteit. Slavernij vond niet alleen plaats ver weg aan de andere kant van de wereld, maar liet ook sporen na in Nederland. Het maakte niet alleen de elite wonend aan de grachten rijk, ook veel ambachtslieden verdienden er als toeleveranciers hun brood mee. Dat gebeurde in Holland en Zeeland, maar eveneens in andere provincies. En de geschiedenis van slavernij gaat verder dan de trans-Atlantische slavenhandel, ook bij objecten uit landen rondom de Indische oceaan bleken vele connecties aanwezig. Het onderzoek voor Rijksmuseum & Slavernij leverde een schat aan verhalen op, en tegelijkertijd legden de resultaten pijnlijk bloot dat het in die verhalen vooral draait om de slavenhouder en niet de tot slaaf gemaakte. De collectie van het Rijksmuseum is van oorsprong ook niet bijeengebracht om de verhalen van mensen in slavernij over te brengen, een groot deel van de verzameling is afkomstig van de rijke elite. Wel kunnen we de bezoeker wijzen op wat je niet ziet op een schilderij van een plantage, op het wrange contrast tussen idyllische weergave en harde werkelijkheid, of op de stereotiepe verbeelding en het ontbreken van echte gezichten van tot slaaf gemaakte mensen. Met die toegevoegde inzichten belichten we de verwevenheid van slavernij met onze naslavernij
47
leesfragment
pas relevant werden in het samenkomen van al deze partijen rondom deze tentoonstelling. Dat het onderwerp slavernij in de vaste presentatie van het Rijksmuseum in belangrijke mate ontbrak, werd lange tijd verklaard vanuit het idee dat er geen collectie beschikbaar was om het verhaal te vertellen. Maar klopt dat wel? Had het museum wel goed genoeg naar de collectie gekeken? Een treffend voorbeeld is de fraai uitgevoerde doos vervaardigd van schildpad en goud die stadhouder Willem iv in 1749 ontving van de West-Indische Compagnie (wic). Het was de luxe verpakking van een document waarin Willem iv als nieuwe stadhouder het opperbevel over de wic kreeg aangeboden. Lange tijd stond deze doos beschreven als een prachtig voorbeeld van de rococostijl, de favoriete kunststroming van de stadhouder. Er was echter geen aandacht voor wat er in die stijl was afgebeeld: de handel in ivoor, goud en mensen, noch voor de kaart met een deel van West-Afrika en belangrijke posten voor de mensenhandel zoals fort Elmina en het eiland Curaçao.1 Het onderwerp slavernij werd als het ware op een presenteerblaadje aangereikt, maar lange tijd niet opgemerkt. Vanuit de gedachte dat er in de verzamelingen misschien wel meer connecties met slavernij te vinden waren, is parallel aan het onderzoek voor de tentoonstelling ook de eigen collectie en vaste presentatie kritisch bekeken. Er bleken verrassend veel aanknopingspunten. Onder de titel Rijksmuseum & Slavernij zijn de resultaten van het onderzoek een jaar lang in de vaste opstelling terug te vinden, met extra tekstbordjes waarop de relatie van het object met slavernij wordt toegelicht. De gevonden connecties
tionale geschiedenis. Maar is die openheid over wat deze objecten niet laten zien voldoende om te werken aan een gevoel van verbinding voor bezoekers die nazaat zijn van tot slaaf gemaakten? Verbinding of herkenning is een belangrijk aspect van museumbezoek. Een inwoner van Wijk bij Duurstede herkent de afgebeelde molen uit zijn stad, een moeder is geraakt door een schilderij van een ziek kind. Dat gevoel van herkenning, je kunnen verhouden tot de getoonde objecten – en dus tot de geschiedenis – is belangrijk. Het prikkelt de nieuwsgierigheid en maakt een museumbezoek waardevol. Het is dan ook niet voor niets dat er de laatste tijd vaak groepsfoto’s worden gemaakt bij het schuttersstuk dat rechts van De Nachtwacht hangt. Het schilderij is onderdeel van de Black Heritage Amsterdam Tours, georganiseerd door Jennifer Tosch. Tijdens haar wandelingen door de stad neemt ze haar groepen mee naar het Rijksmuseum en wijst deze op een jongen van Afrikaanse afkomst, die naast de centrale persoon Roelof Bicker staat.2 De jongen is, net als de afgebeelde schutters, een mens van vlees en bloed. We weten zijn naam niet, maar hij moet hebben rondgelopen in het 17de-eeuwse Amsterdam. Jarenlang bleef hij door veel witte medewerkers en bezoekers onopgemerkt, totdat Jennifer Tosch hierin verandering bracht. Zij zag de jongen wel, en met haar vele mensen van kleur, die zichzelf misschien even herkennen in zijn beeltenis op de Eregalerij en hem daarom nu opnemen in hun groepsportret. Aan die herkenning willen we in het museum verder werken, zodat we een completer verhaal van Nederland vertellen, een verhaal waarin een breed nationaal publiek zichzelf terugziet, en dat 48
rijksmuseum
ook een internationaal publiek aanspreekt. Er is nog veel werk te doen, want het is duidelijk dat het vertellen van een gedeelde geschiedenis niet kan op basis van de bestaande collectie. Met de tentoonstelling Slavernij gaan we daarom een stap verder.
Een meerstemmig verhaal
Al
in een vroeg stadium besloot het museum om in de Slavernij-tentoonstelling mensen centraal te stellen: tien uiteenlopende levens van mensen in de tijd van slavernij. Mensen die zich op allerlei manieren verhielden tot het grotere systeem van macht en geld; die daar onderdeel van waren of eronder te lijden hadden. Mensen die zich ernaar moesten schikken, of ertegen in opstand durfden te komen. Slavenhouders en tot slaaf gemaakten in trans-Atlantisch verband, rondom de Indische Oceaan, en in Nederland. Om hun verhalen te vertellen, is het museum op zoek gegaan naar zoveel mogelijk verschillende bronnen. Bronnen die recht doen aan hun levens, die hun verhaal vertellen in plaats van over hen te vertellen. We zochten naar objecten buiten de context van slavernij, omdat de geschiedenis van mensen in slavernij niet pas begint op het moment dat zij tot slaaf werden gemaakt. Het 17de-eeuwse hoofddeksel uit Congo bijvoorbeeld, gevlochten van vezels van palm- en ananasblad, heeft betrekking op de hiërarchie binnen het machtige Congolese vorstenhuis. Ook zochten we naar objecten die iets vertellen over het vormen en behouden van een eigen cultuur binnen het systeem van slavernij, zoals een muziekinstrument dat werd gebruikt tijdens winti-rituelen op plantages in Suriname. Persoonlijke bezittingen van tot slaaf ge-
toonstelling te vertellen, is onder meer gebruik gemaakt van schriftelijke koloniale bronnen: een journaal bijgehouden op een slavenschip, ambtelijke stukken of gerechtelijke archieven. In deze koloniale stukken wordt soms letterlijk weergegeven wat er is gezegd door mensen in slavernij. Pater Schinck haalt de woorden van de gevangengenomen verzetsstrijder Tula op Curaçao aan. En in een van de verhoorverslagen die aan de Sociëteit van Suriname werden opgestuurd, lezen we de woorden die de gearresteerde Wally in 1707 uitsprak. Het lezen ervan geeft je als onderzoeker kippenvel, omdat je even heel dicht bij de mens in slavernij komt. Maar het blijven woorden die zijn uitgesproken en opgeschreven in een ongelijke machtsverhouding. In een systeem waarbinnen bezit en schrijven was verboden, was de geschiedenis zoals deze van generatie op generatie mondeling is overgebracht vanzelfsprekend van groot belang. Zingen is vertellen in de taal van de muziek.5 Overal ter wereld waar mensen in slavernij leefden, werd gezongen en gedanst: om iets te vieren of elkaar kracht te geven in verdrietige tijden, bij het stampen van de koffiebonen of het roeien van de tentboot, om uiting te geven aan frustraties, op te roepen tot verzet of om verhalen door te geven aan volgende generaties. Maar het zijn niet alleen liederen die ons dichter bij sommige van de tien personen brengen. Interviews met ouderen, opgenomen in de 20ste eeuw, stellen ons in staat terug te gaan tot de belevingswereld van mensen in slavernij. Wat brachten mensen die het systeem ontvluchtten over op hun kinderen, hoe verwoordden zij hun verhaal? En hoe kijken hun nakomelingen terug op deze geschiedenis? slavernij
49
leesfragment
maakten zijn er niet of nauwelijks. Mensen in slavernij mochten geen bezit hebben, en wat ze wellicht toch bezaten heeft de tand des tijds vaak niet doorstaan. Sommige objecten vertegenwoordigen daarom immaterieel erfgoed. Zo getuigen vijftig gedroogde planten in het herbarium van de botanicus Paul Hermann (1687) van de cruciale kennis die mensen hadden om te kunnen overleven in het bos. Ze zijn verzameld in de tijd van slavernij en maken het mogelijk om niet-tastbare kennis over de medicinale werking van planten en hun voedingswaarde te laten zien. Ook in geschreven bronnen zijn directe getuigenissen van tot slaaf gemaakte mensen zeldzaam. In de meeste koloniën was er een verbod op lezen en schrijven, en als mensen konden schrijven voordat ze in slavernij raakten, hadden ze vaak geen toegang tot papier en inkt, laat staan dat het verstandig was om gedachten aan het papier toe te vertrouwen. De egodocumenten die bekend zijn, zijn dan ook praktisch altijd geschreven door voormalig tot slaaf gemaakte mensen die terugkijken op hun leven in slavernij. Vaak zijn de teksten gepubliceerd in de context van de anti-slavernijbeweging in de Angelsaksische wereld.3 In de Nederlandse context kennen we de brieven van Boston Band, een man die onderhandelde tussen gevluchte tot slaaf gemaakten in het bos en het koloniale bewind in Suriname. Ze zijn bewaard gebleven in de Nederlandse vertaling, maar zijn eigen Engelse brieven zijn verloren gegaan.4 Een andere geschreven bron is het testament van Angela van Bengalen, een voormalig tot slaaf gemaakte vrouw, die in 1720 als welgestelde, vrije vrouw stierf in Kaapstad. Om de verhalen van de centrale personen in de ten-
‘Hoe voorkom je dat het te comfortabel blijft voor de bezoeker?’ vroeg iemand in de aanloop naar de tentoonstelling. Een terechte vraag, want hoe kun je in een museale omgeving een indruk geven van een systeem gebaseerd op bruut geweld, uitbuiting en angst? De bijzondere schenking van een meervoudig voetblok, gemaakt voor gebruik in de koloniën, maakt het mogelijk om iets te laten zien van het fysieke geweld.6 Op plantages werd zo’n tronco gebruikt voor het straffen van mensen in slavernij, of om hen te ketenen wanneer de slavenhouder bang was dat ze ’s nachts zouden vluchten. Tussen de houten balken konden ten minste vier mensen, liggend op de grond, met hun voeten worden vastgeklemd, waarbij hun bewegingsvrijheid nog verder werd ingeperkt door de zware ijzeren boeien. In de aanloop naar de tentoonstelling heeft het Rijksmuseum ook een kappa verworven, een gietijzeren kookketel zoals die op suikerplantages in Suriname werd gebruikt. De kappa biedt tegenwicht aan de lieflijk geschilderde landschappen van plantages in de collectie. Het werktuig vantot slaaf gemaakten op de plantages staat niet alleen voor de zware werkomstandigheden, maar ook voor het vakmanschap dat daaraan verbonden was. Slavenhouders waren vaak volledig afhankelijk van de kennis en ervaring van de mensen die in slavernij voor hen werkten. Letterlijk dicht bij de hand van de tot slaaf gemaakte mens komen we met het sirihkistje dat aan het eind van de 18de eeuw in Batavia is gemaakt. Zilversmid Hendrik Rennebaum zette er zijn merk op, maar het is aannemelijk dat Januarij van Bengalen het eigenlijke werk deed en ook een belangrijke bijdrage leverde aan het ontwerp. Met die wetenschap ko50
rijksmuseum
men we dichter bij Januarij als persoon en niet als tot slaaf gemaakte. Van miljoenen mensen in slavernij zullen we nooit hun naam weten, en nooit hun gezicht zien. Om recht te doen aan hun verhaal is hedendaagse kunst van de uit Benin afkomstige kunstenaar Romuald Hazoumè in de tentoonstelling opgenomen. Hazoumè brengt in zijn installatie La Bouche du Roi de ‘Middenpassage’ tot leven, de gedwongen overtocht van Afrika naar de Amerika’s. Hij reflecteert op die manier op archiefstukken uit die tijd, waarin mensen zijn gereduceerd tot handelswaar. De installatie, die een appèl doet op meerdere gewaarwordingen (gezicht, gehoor, reuk), biedt een krachtig tegenwicht aan de visuele macht van de koloniale objecten, en voegt bovendien nog een belangrijk element toe: de doorwerking van de koloniale relatie in het heden. Hazoumè brengt niet alleen de ervaring van hen die weggevoerd werden naar voren, maar ook die van de nazaten van de mensen die achterbleven in Afrika. In een tentoonstelling is visuele taal belangrijk, maar de taal waarin het verhaal wordt verteld is zeker zo belangrijk. Er is gekozen om van ‘tot slaaf gemaakte’ mannen, vrouwen of kinderen te spreken, en niet van ‘slaven’, tenzij het gaat om een citaat, of er duidelijk wordt geschreven vanuit het perspectief van de slavenhouder. Deze keuze is in lijn met de opzet van de tentoonstelling, waarbij mensen in slavernij niet gezien worden als een anonieme categorie handelswaar op een inventaris, maar als mensen. Mensen zijn veel meer dan hun huidskleur of etnische afkomst, maar bij het schrijven over koloniale slavernij, een systeem waarbinnen etniciteit een belangrijk instrument was, is het soms onvermijdelijk om termen
van architectuur binnen het slavernijsysteem: het verschil in ruimtelijkheid tussen ruimtes voor slavenhouders en tot slaaf gemaakte mensen. In de eerste zalen voelt de bezoeker de beklemming van een kerker of een scheepsruim en heeft het ontwerp een sturend karakter. In de latere zalen geven de ronde vormen juist meer gelegenheid om zelf een weg te zoeken, en dus een groter gevoel van vrijheid. Het gebruik van spiegels beïnvloedt wat de bezoeker wel of niet (meteen) ziet, waarmee verwezen wordt naar de onzichtbaarheid van slavernij in de beleving van mensen, zowel toen als nu. Aan de achterkant van de reflecterende wanden zijn de verhalen te vinden die we lange tijd niet hebben gehoord.
Tien verhalen, miljoenen levens
De tentoonstelling vertelt de verhalen van tien historische personen aan de hand van bovengenoemde uiteenlopende bronnen: objecten, archiefstukken en mondelinge bronnen. De objecten zijn afkomstig uit diverse collecties, zowel collecties verzameld om het verhaal van de gegoede burgerij en de Nederlandse ambachtsman te vertellen, als antropologische collecties die van oudsher meer gericht zijn op ‘de Ander’. De archiefstukken geven bij zorgvuldig lezen iets prijs van de keerzijde van het koloniale verhaal. En de mondelinge bronnen geven ons een inkijkje in wat er door mensen in slavernij werd besproken, en de levenslessen die zij hun nakomelingen meegaven. Bij elk verhaal dient zich een andere combinatie van bronnen aan, en zijn er andere zwaartepunten. Elk verhaal is uniek en is niet per se representatief voor een bepaalde groep. In de keuze van de tien personen is rekening slavernij
51
leesfragment
te gebruiken die gevoelig liggen, of in algemene bewoordingen te spreken wanneer het over mensen van vlees en bloed gaat. Indien het noodzakelijk is om de huidskleur van mensen te benoemen, geven we de voorkeur aan de term ‘wit’ waar in het verleden ‘blank’ werd gebruikt. Redenen voor deze wijziging zijn de associaties die van oudsher opgesloten liggen in de term ‘blank’. Die zijn niet neutraal, maar hebben altijd een positieve connotatie zoals ‘schoon’ en ‘goed’. De term ‘Zwart’ doet niet altijd recht aan de huidskleur van de individuele personen, maar wordt soms gebruikt om onderscheid te maken met ‘wit’. Door ‘Zwart’ met een hoofdletter te schrijven wanneer verwezen wordt naar etniciteit, cultuur, of het sociaal construct ‘ras’, onderkennen we het feit dat deze term mensen van Afrikaanse afkomst op de hele wereld met elkaar verbindt, ongeacht het verloren gaan van etniciteiten ten tijde van de koloniale slavernij. Tijdens een bijeenkomst over de tentoonstelling werd het Rijksmuseum een tempel van koloniale zelfoverschatting genoemd, en architect Afaina de Jong beschreef het gebouw als de fysieke representatie van de nationale identiteit. In een museum waar de koloniën in het beeldprogramma van het gebouw uitsluitend zijn gepresenteerd in het kader van zelfopoffering van het moederland, kun je geen tentoonstelling over slavernij maken zonder je rekenschap te geven van dat gebouw. Die rekenschap is dan ook terug te vinden in het tentoonstellingsontwerp van De Jong, onder meer in het aanbrengen van kleur op delen van de muren, terwijl andere delen bewust wit zijn gelaten als een verwijzing naar het Rijksmuseum als instituut. Het ontwerp refereert, door materialiteit en schaal, ook aan de rol
gehouden met een geografische spreiding en is gestreefd naar een zekere balans in geslacht. De tien historische personen nemen de bezoekers bovendien mee door de tijd en de thematiek: van het leven in slavernij of het profiteren hiervan, naar uiteenlopende verhalen van verzet en uiteindelijk vrijheid. Slavernij is geen afgesloten geschiedenis. Na de afschaffing volgde een lange weg naar meer gelijkheid in de samenleving en meer openheid over de doorwerking van de ongelijkheid uit het verleden. Nog altijd wordt er vanuit verschillende invalshoeken zeer verschillend teruggekeken op het verleden. Vanuit het streven recht te doen aan die vele stemmen, is gekozen om elk van de tien verhalen door middel van een audiotour te laten vertellen door mensen die zich nauw verbonden voelen met die specifieke persoon.7 Zo laten we zien dat de samenleving van nu is opgebouwd uit de nazaten van de mensen van toen. De achternaam van actrice Joy Delima verwijst net als de naam van Joao Mina naar het Afrikaanse slavenfort Elmina. Genealoge Annemieke van der Vegt is een nazaat van een Afrikaanse bediende in Nederland, zoals Paulus. En schrijver Reza Kartosen-Wong heeft door zijn deels Indonesische roots grote affiniteit met het verhaal van Surapati. Aan het eind van de tentoonstelling keert de bezoeker terug naar het hier en nu. Wat hebben de tien verhalen uit het verleden gebracht? Hebben we beter zicht gekregen op een systeem dat is bedacht, uitgevoerd, in stand gehouden en bevochten door mensen? Wat kun je zelf doen om het systeem te doorbreken? Wat is jouw plaats in de geschiedenis? Met die vragen in het achterhoofd wordt de bezoeker uitgenodigd om samen met het kunstenaarsduo Tirzo Mar52
rijksmuseum
tha en David Bade, en andere bezoekers, vorm te geven aan tien nieuwe ‘beelden’ van de tien personen uit de tentoonstelling. De levens van João, Wally, Oopjen, Paulus, de Van Bengalens, Surapati, Sapali, Tula, Dirk en Lohkay zijn slechts tien van de vele miljoenen levens uit 250 jaar Nederlandse koloniale geschiedenis. Met hun verhalen wil het museum een breder beeld van onze gezamenlijke voorouders presenteren, van de mensen die deel uitmaakten van het systeem, de mensen die eronder leden, en de mensen die het beëindigden. Hun levens stemmen tot nadenken: over verleden, heden en toekomst. noten 1 G. van der Ham, De geschiedenis van Nederland in 100 voorwerpen, Amsterdam 2013, pp. 213-216; G. van der Ham, Dof goud. Ghana en Nederland sinds 1593, Amsterdam/Nijmegen 2016, pp. 15-17. 2 E. Sint Nicolaas, Ketens en Banden. Suriname en Nederland sinds 1600, Amsterdam/Nijmegen 2018, p. 33. 3 M. Hulsman, Verhalen van vrijheid. Autobiografieën van slaven in transnationaal perspectief 1789-2013, Hilversum 2015. 4 F. Dragtenstein, Alles voor de vrede. De brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763, Amsterdam 2010. 5 F. Ferdinand, Toontaal. Sprekende Surinaamse liedjes van 1650-1950, Volendam 2018. 6 E. Sint Nicolaas, ‘Acquisition no. 1: Multiple pillory, used to shackle enslaved people’, The Rijksmuseum Bulletin 68 (2020) 3, pp. 274-275. 7 De audiotour is gemaakt in nauwe samenwerking met Jörgen Tjon A Fong.
Dit boek verschijnt samen met de opening van de gelijknamige tentoonstelling in het Rijksmuseum
boekenweektips tweestrijd marieke lucas rijneveld
pauline harmange
Mijn lieve gunsteling
Mannen, ik haat ze
Witte suprematie & ik De internationale anti-racismebestseller die lezers confronteert, onderwijst en tot actie stimuleert. ‘Een onmisbaar boek voor witte mensen die iets willen doen tegen witte suprematie, maar niet weten waar te beginnen.’ – Robin DiAngelo, auteur van White Fragility
Mannen, ik haat ze
layla f. saad
Pauline Harmange
‘Hier wordt een verhaal op eigenzinnige en overtuigende wijze verteld. Een literaire stem van internationale allure.’ ● ● ● ● ● – nrc Handelsblad
De Franse feministische sensatie. Dit bruisende pleidooi is onbeschroomd, controversieel en polemisch: een breekijzer in een maatschappelijk dePauline Harmange bat dat gevoerd móét worden. ‘Een essay dat de vinger op een zere wonde legt. In de traditie van Simone de Beauvoir maakt Harmange zich los van de groep mannen die haar identiteit willen bepalen. Ze legt uit wat iedereen eigenlijk al moet weten. Omdat het zo vanzelfsprekend is.’ – Saskia De Coster in De Standaard
adriaan van dis
KliFi De roman KliFi is een bitter vrolijke vertelling over uit de pas lopen, over onze neiging tot aanpassen en veinzen, en over lastige vriendschappen.
boekenweektips
53
Foto: Š Fjodor Buis
reg gie baay
Reggie Baay schrijft romans, non-ďŹ ctie en toneel. Zijn werk gaat vooral over het Nederlandse koloniale verleden en de impact ervan op de generaties van nu.
54
reggie baay
het lied van de goden Het lied van de goden in het kort: Het lied van de goden is het aangrijpende verhaal van de tot slaaf gemaakte Flora van Makassar, die in de 18e eeuw als jong meisje in Oost-Indië wordt geroofd en door een voc-koopman wordt meegenomen naar de Republiek. Door wanhoop, ontheemding en eenzaamheid gedreven wordt Flora steeds opstandiger en wordt ze zonder pardon op straat gezet en aan haar lot overgelaten. Dan volgt voor Flora een zwervend bestaan in een onbekende, gevaarlijke, witte wereld, dat eindigt in opsluiting in een Amsterdams tuchthuis. Parallel aan haar geschiedenis loopt die van de regent van het tuchthuis, Joachim van der Elst. Een man met een tomeloze ambitie. De wegen van Flora en Van der Elst kruisen elkaar op verschillende manieren. Flora vertrouwt de lijdensweg die ze heeft afgelegd aan het papier toe. Dit zal leiden tot de roemloze ondergang van Van der Elst. Het lied van de goden is op feiten gebaseerd en geeft een beeld van de nog relatief onbekende slavernij in de Oost en het tragische lot van de tot slaaf gemaakten die destijds legaal en illegaal werden meegenomen en in ons land aan hun einde kwamen.
een aangrijpende reis van een tot slaaf gemaakt meisje in oost-indië
Over Het kind met de Japanse ogen: ‘Een belangrijke bijdrage aan het proces van herinnering en duiding van de koloniale tijd.’ – Trouw
het lied van de goden
55
het lied van de goden xlvii
Woorden die niet beklijven (Amsterdam, 1756)
Ik bevond mij voor wat mijn lieve vrienden in Batavia de gevreesde ‘poeté-vergadering’ noemden, en hier werd over míj gesproken. Hier in Amsterdam! Terwijl ik hier niet behoorde te zijn! Weer hoorde ik het geroezemoes van een zaal vol luidruchtige nieuwsgierigen, maar ik vluchtte weer in mijn hoofd, omdat ik hier niet wilde zijn… En toen opeens drong het tot mijn schrik tot me door dat de gewichtige voorzitter-man van de poeté-vergadering zich opeens tot mij richtte. Of, zei hij op strenge toon van onder zijn witte pruik, ik tot slot nog wat zeggen wilde… In de ruimte viel alles stil. Alsof in één keer het geluid zich had teruggetrokken, zoals het water van de zee zich plots kan terugtrekken. Het enige wat in de zaal klonk was mijn onzekere kuch. Koortsachtig dacht ik na. Wilde ik wat zeggen? Moest ik wel wat zeggen? Maar wat dan? En toen, alsof er plots een geest in mij voer, begon ik te spreken. Luid, duidelijk en, na een lichte aarzeling bij de eerste woorden, met steeds minder schroom. Zelfverzekerd. Ik hoorde de welluidendheid van mijn eigen woorden. Ik hoorde de vastheid in mijn eigen kalme stem. Ik hoorde de lichte omfloersing die ik eerlijk gezegd nooit eerder had gehoord. Het gaf, leek het wel, dat wat ik zei nóg meer gewicht. Nóg meer zwaar56
reggie baay
te. Het vertelde nóg een verhaal boven op het verhaal dat mijn woorden al vertelden. Mijn geschiedenis van onrecht, van vernedering en van onbegrip; eerst in Wadjo en Batavia en daarna in dit land. En toen vertelde ik van mijn goede bedoelingen… En het leek wel alsof mijn woorden een bijzondere, ongekende uitwerking hadden op iedere aanwezige. Als ik een zin had beëindigd, hoorde ik in de korte stilte die viel telkens een ingehouden snik, een kort gedempt gesnotter of een onderdrukte blijk van ontzetting. Maar die uitwerking gold ook mijzelf. Want hoe langer ik sprak, hoe makkelijker de woorden tot mij kwamen, hoe welluidender ook hun klank en hoe gloedvoller ze vervolgens door mij werden uitgesproken. Ik ben, geachte toehoorders, niet als slavin geboren. Ooit was ik vrij. Zoals u; zoals een mens behóórt te zijn! En toen men mij mijn vrijheid ontnam, werd mij tegelijkertijd mijn waardigheid als mens ontnomen. En dat, geachte toehoorders, dat samen is het ergste wat men een ander kan aandoen. Dat recht over een ander heeft niemand! Ik wilde dus niet alleen mijn vrijheid herkrijgen, zoals mij, dacht ik, in alle oprechtheid was beloofd, maar ik wilde eigenlijk vooral, besef ik nu, mijn menselijke waardigheid terug. Mijn waardigheid die mij zo wreed was ontnomen en die mij vervolgens jarenlang werd onthouden. Want dat, geachte toehoorders, is wat ik vooral miste. Wil je als mens écht in vrijheid kunnen leven, dan zul je eerst je menselijke waardigheid moeten hervinden. Dit, geacht college en geachte
toehoorders vormt de rechtvaardiging voor mijn daden!
Vanuit een kleine uitsparing in de muur kon ik de buitenwereld zien, mijn lief. Daar was ik de goden eeuwig dankbaar voor. Het gaf me zoveel vreugde en troost om een glimp van de wereld buiten te kunnen zien, want het gaf me het gevoel dat ik nog lééfde! De pracht van kleur en vorm maakte me zo weer bewust van de schoonheid van het leven. Van hoe het behoort te zijn. Daarnaast zette het mijn voorstellingsvermogen in werking waardoor ik kon reizen door de tijd en naar andere oorden; weg uit de cel waarin ik in alle eenzaamheid zat opgesloten. Als ik mijn hoofd iets rechts van de uitsparing hield, kon ik helemaal links een boom zien die ze hier ‘linde’ noemen. Een boom waarvan de takken geheel omgeven zijn door hartvormige bladeren. Ik genoot van de beweging van die bladeren in de wind. En zelfs als het regende vormden ze een schouwspel dat me kon bekoren door de manier waarop ze dan zuchtten onder de zwaarte van de regendruppels. En soms was hun aanblik zelfs betoverend; wanneer de zon na een regenbui de druppels op de lindebladeren bescheen. Dan immers ontstond er een oogverblindende kleurenfonkeling. Er was in de cel waar ik in alle eenzaamheid opgesloten zat gelukkig nóg een troost, Ana’ku. Een heel grote troost… Daags na de geseling kreeg ik bezoek van dominee Koevoet en Jacob. Ze kwamen zich op de hoogte stellen van mijn gezondheid, het lied van de goden
57
leesfragment
Ik had gesproken en een zalige, verkwikkende lichtheid kwam over me. En wat erop volgde was weer die verbazingwekkende, ongekende stilte in die zaal vol poeté’s. Er klonk niet eens een ingehouden kuch of snik; geen kort gesnotter of blijk van ontzetting. En toen, Ana’ku, voelde ik voor het eerst sinds mijn bestaan als ata een moment van overwinning, een moment van victorie; van iets wat me nog niet eerder was overkomen. Iets wat ik voor onmogelijk had gehouden: ik had iets bereikt bij de witte man en vrouw! Maar tot mijn ontzetting, lieve Ana’ku, begon als op bevel opeens iedereen in de zaal weer luid te praten en rumoer te maken; te gebaren, te schreeuwen en te lachen alsof er niets was gebeurd! Alsof ik niet gesproken had! Alsof mijn woorden van een lichtheid waren geweest waardoor ze nooit hadden kunnen dalen, laat staan beklijven… Pas toen de voorzitter-man van de poetévergadering luid om stilte riep, nam het rumoer weer langzaam af. En terwijl er nog zachtjes gesproken en gelachen werd, begon de man met de pruik te spreken. Vele woorden, maar ik was verdoofd. Verdoofd van verdriet omdat míjn woorden kennelijk nooit bij de poeté’s zouden beklijven. Ik hoorde daarom niet dat er werd gezegd: ‘En daarom, Flora van Makassar, wordt u wegens godslastering, zware mishandeling, poging tot roof en landloperij veroordeeld tot de gesel ten getale van dertien slagen en vervolgens tot opsluiting in het Spinhuis alhier, voor de duur van drie jaren, waarvan de eerste dertig dagen in volledige eenzaamheid.’
Weer zwol het rumoer aan. Lachend en luidruchtig pratend verliet iedereen de zaal. En tussen al die poeté’s die de zaal verlieten zag ik plots meester Michiels. Hij lachte en sprak geanimeerd met de dikke poeté Van der Elst.
zorgden ervoor dat er een dokter kwam die me zalf tot verlichting gaf, maar bovenal zorgde Jacob ervoor dat ik hier een doel kreeg… Hij zei me dat hij het verhaal dat ik tijdens de poeté-vergadering had verteld niet alleen indrukwekkend vond, maar dat het ook belangrijk was voor de strijd. De strijd tegen slavenhandel en slavernij, verduidelijkte hij. Hij vroeg of hij mijn verhaal mocht optekenen. En toen, Ana’ku, kreeg ik dat idee… ‘Nee,’ zei ik. En beide mannen keken zeer teleurgesteld. ‘Nee,’ zei ik nogmaals, ‘zorg ervoor dat ik hier in deze cel over schrijfgerei en papier kan beschikken en dan zal ik mijn verhaal zélf opschrijven. Het gehéle verhaal!’ ‘Kunt u schrijven?’ klonk het verbaasd. ‘Jazeker. En als u mij verzekert dat u mijn verhaal vervolgens bij mijn dochter in Batavia zult bezorgen, geef ik u toestemming om een afschrift ervan te gebruiken voor de strijd.’ ‘Dat beloven wij u plechtig!’ zeiden de beide mannen in koor. Ik realiseerde me dat het hier weer een belofte van poeté’s betrof… Maar ik moest het wagen. Dit was immers mijn enige kans, Ana’ku, om u op de hoogte te stellen. Diezelfde dag nog, in de namiddag, kwam Geertje, de bewaakster, mijn cel binnen en overhandigde me een pak papier, inkt en twee schrijfveren. Ze had, zei ze, van de heren geld gekregen en zou telkens geld krijgen als ze de volgeschreven vellen daarna weer naar buiten zou smokkelen en aan hen zou overhandigen. ‘Ik sta dus aan uw kant,’ verzekerde ze me. En vanaf dat moment ben ik gaan schrijven, Ana’ku, vele vellen vol… Voor u. Opdat u eens zult lezen wie uw moeder was en hoe 58
reggie baay
haar leven is geweest. Maar misschien wel opdat u, als machtige vrouw van een eens zeer machtig man van de Compagnie, ervoor zou kunnen zorgen dat ik als vrije vrouw eindelijk terug zou kunnen keren! Naar huis. Naar waar ik thuishoor… Misschien, mijn lieve Ana’ku, is dit wel het laatste wat ik aan u schrijf. Aan u kán schrijven! Vandaag was de laatste dag van mijn eenzame opsluiting en werd ik naar een kamer gebracht waar de dikke poeté Van der Elst en de moeder van het huis me ondervroegen. Huh, deze poeté’s wilden weten of ik, zoals ze dat noemden, tot inkeer was gekomen. Of ik dus berouw had en mijn leven wilde beteren… Maar ik begreep volstrekt niet wat ze bedoelden en wat ze van me wilden. Toen de dikke Van der Elst mij beval om met hen te bidden om de poeté-Almachtige eer te bewijzen, verloor ik mijn beheersing. Die poeté-Almachtige! Die Almachtige die beweert dat de ene mens voorbestemd is de slaaf te zijn van de ander! Die Almachtige met wiens woorden de poeté’s rechtvaardigen dat ze andere mensen tot slaaf mogen maken! Ik kon niet anders dan de waarheid dienen, en zei vertoornd dat ik zo’n Almachtige veracht en zal blijven verachten. Of beter nog: dat zo’n onrechtvaardige Almachtige niet bestaat! Dat, Ana’ku, bracht de poeté’s buiten zinnen. Toen vervolgens die dikke poeté mij dat verwenste heilige boek van zijn Almachtige voorhield, werd het zwart voor mijn ogen. Zwarter dan de zwartste nacht. Alsof op dat moment mijn getergdheid over al het onbegrip en al het onrecht van al die voorgaande jaren zich samenbalden tot één krachtige uitbarsting. Wat ik nog weet is dat ik in mijn ontketende drift dat vervloekte poeté-boek vast-
gegeven dat ik zielsveel van u houd en dat ik eens naar u zal terugkeren. Jawel, dat verzeker ik u. Zoals het lied van de goden ons duidelijk maakt: is het niet in dit leven, dan is het wel in wat erop volgt…
xlviii (Amsterdam, 23 maart 1757) Heb erbarmen, mijn goede zoon,
Dit, Ana’ku, zijn de laatste ogenblikken waarin ik mij nog tot u kan wenden. Ik heb begrepen dat ik zo word gehaald om in het keldergewelf onder in het gebouw mijn straf te ondergaan, en wel omdat de dikke poeté mij zelfs geen daglicht meer gunt, en omdat het daar nóg kouder zal zijn. En dat terwijl hier het seizoen van de winter spoedig aanbreekt… Ik vrees dus dat ik het niet zal overleven, Ana’ku. Ik vrees dat de poeté’s, de ‘witten’, die mijn leven al vanaf het moment dat ik in slavernij kwam de onafwendbaarheid van de ondergang hebben gegeven, hun ‘werk’ gaan voltooien. Wit, zeggen ze hier, is de kleur van onschuld, van onbevlekt zijn. Van zuiverheid. Welnu, mijn kind, zoals alles wat de witten beweren is ook dit een onvervalste leugen! Wit is geen kleur. Wit is niets. Wit is slecht. Met wit wil ik dan ook niets meer te maken hebben. Nooit meer. Ook niet als ik dood ben. Ik sta er dan ook op dat het doodskleed dat men mij aandoet niet wit zal zijn, maar felgekleurd! Ik hoop dat u daarop zult toezien, Ana’ku! Ik hoor voetstappen naderen. Het moment is daar. Ik neem dus afscheid van u, maar niet nadat ik u nogmaals de verzekering heb
Uw vader is schier aan het eind van zijn Latijn, beste Godfried. Het is mij werkelijk zwaar te moede. En ik weet gewoonweg niet waar ik beginnen moet. Er is, sinds de laatste keer dat ik u schreef, immers zo ontzettend veel gebeurd. En zeker niet ten goede. Ik vrees dat u inmiddels ook al het een en ander ter ore is gekomen daar in Batavia. Dat kan bijna niet anders. Enfin, laat ik beginnen met de slavin van Michiels over wie ik u schreef. Het is alweer enige maanden geleden dat dit speelde. Zij was dus, mede door mijn pleidooi, veroordeeld tot het Spinhuis, waarvan de eerste dertig dagen in volledige afzondering. Welnu, op de laatste dag van haar afzondering ondervroeg ik haar samen met de moeder van het huis, mevrouw Finkenhaber. Een ondervraging, zoals gebruikelijk, om te peilen of de zondares tot inkeer was gekomen, berouw toonde, en dan met name waar het de godslastering betreft. U weet, uw vader als ware christen hecht daar zéér aan. Toen de zondares binnentrad, vreesde ik al met grote vreze. Daar zag ik immers geen schuldbewuste, onderdanige zwarte meid, maar een wicht dat brutaal haar ogen naar ons opsloeg. En ik verbeeld me zelfs dat ze het lied van de goden
59
leesfragment
greep, op de grond smeet en vertrapte… De dikke gilde als een getroffen zwijn tijdens de jacht en dreigde te stikken van woede. Toen hij zich weer enigszins hervond, schreeuwde hij dat ik een vreselijke straf verdiende: nogmaals eenzame opsluiting voor dertig dagen, in, zei hij, mijn volle naaktheid waarbij ik driemaal daags met koud water zou worden overgoten teneinde het ‘vuur van de duivel’ dat volgens hem in mij woedt, te doven…
spottend naar ons lachte… Bewust liet ik de moeder eerst aan het woord. Ze sprak over het schoonwassen van zonden, over loutering en over de heilzame werking van de afzondering, zodat een zondige ziel de kans krijgt voor eens voor altijd het leven te beteren… Maar dat alles, beste Godfried, leek bij deze zondige ziel aan dovemansoren gezegd. Ze lachte spottend om mevrouw Finkenhabers woorden en deed zelfs, verbeeldde ik me, met haar blik uit de hoogte. Stelt u zich dat eens voor: een zwarte slavin die uit de hoogte deed tegenover zoveel goedheid die haar door ons geschonken werd! Het deed mijn bloed koken. En toen, toen ik enigszins vanbinnen tot bedaren was gekomen, meende ik haar toch nog een kans te moeten bieden. Ik sprak van de goedheid van de Here God, van erbarmen en van vergeving, mits men berouw toont en men zijn leven daadwerkelijk wil beteren. Vervolgens reciteerde ik voor haar zielenheil de vergevingswoorden uit psalm 103: Barmhartig en genadig is de Here, lankmoedig en rijk aan goedertierenheid; niet altoos blijft Hij twisten, niet eeuwig zal Hij toornen. Zover het oosten is van het westen, zover doet Hij onze overtredingen van ons; gelijk zich een vader ontfermt over zijn kinderen, ontfermt Zich de Here over wie Hem vrezen. Maar in plaats van nu de Here te vrezen en met ons in gebed te willen gaan, begon die zwarte slavin tot verbijstering van de huismoeder en mijzelf te schamperen… Stel je dat eens voor, Godfried! Een zwarte meid die onze Here beschimpt en beschaamt! ‘Die Almachtige van jullie poeté’s,’ zei ze honend, ‘is geen Almachtige. Wat is dat 60
reggie baay
voor een God die in zijn boek beweert dat de ene mens altijd de slaaf van de andere moet zijn? Wat is dat voor een God die zegt dat de mensen van kleur kinderen zijn van Cham en daardoor vervloekt zijn en dus altijd de dienaren van jullie poeté’s zullen zijn?’ Ik was, beste Godfried, werkelijk met stomheid geslagen. Wilt u dat wel geloven? Het was ongehoord! Ik was volkomen verbijsterd. Het was werkelijk alsof ik door haar mond de Satan hoorde spreken! Zulke godslasterlijke woorden! Het maakte me bang. Doodsbang! En in mijn angst voor deze godslasterlijke taal hield ik het zwarte duivelsgebroed de Bijbel voor in een poging Satans woorden te bezweren. Maar wat er toen gebeurde… Wat er toen gebeurde, beste Godfried, tart elke beschrijving… In een oogwenk rukte het Satanskind de heilige Bijbel uit uw vaders handen en – ik durf het bijna niet op te schrijven – smeet het heilige woord Gods op de grond! Op de grond, beste Godfried, op de grond! Het heilige woord Gods! Maar dat was nog niet alles. De duivelsvloek was kennelijk nog niet geheel ten uitvoer gebracht, want het volgende ogenblik trapte het zwarte Satanskind met haar voet op het heilige woord, terwijl ze met haar duivelsstem schreeuwde dat ze onze Here God en zijn schrift veracht! Veracht! Beste Godfried! De Here en de Heilige Schrift! De heiligschennis, de godslastering, de blasfemie, de ontheiliging… Ik weet nog dat het zwart werd voor mijn ogen en ik bijkans het bewustzijn verloor. Zozeer werd ik overmand door mijn emoties. Ik kon op dat moment even geen woord uitbrengen, terwijl ik mijn hart zo tekeer voelde gaan, dat ik bang was dat het elk ogenblik uit mijn lijf
christelijke kruis! Dat kan ze alleen maar gestolen hebben, nietwaar? Het sieraad is dus ten bate van het huis in beslag genomen. Enfin, na meer dan een week naakte opsluiting en na driemaal daags overgoten te zijn met ijskoud water, toonde de zwarte duivelin nog geen enkel teken van berouw. Integendeel; ze bleek, zo vertelden de cipiers, telkens uitdagend een lied te zingen wanneer met koud water werd getracht het duivelsvuur in haar te doven. Een lied in onbegrijpelijk koeterwaals, wellicht de tale Satans! Het zorgde ervoor dat ons niets anders te doen stond dan de straf voort te zetten en haar in haar naaktheid te blijven overgieten met water, ondanks dat inmiddels de koude decembermaand was aangebroken. Haar Satanische vasthoudendheid is dit duivelsgebroed uiteindelijk fataal geworden, Godfried. Dat had deze zwarte slavin volledig aan zichzelf te danken. Ze wenste immers geen greintje berouw te tonen! Eerst begon ze te hoesten dat het een aard had. Vervolgens bleek ze ijlkoortsen te hebben, maar nog steeds geen berouw. Integendeel: telkens wanneer iemand haar ijskoude cel betrad, hief ze al hoestend en proestend dat Satanslied van haar aan. Tja, als je je zo blijft verzetten tegen de enige ware God, dan zal de dood je deel zijn, nietwaar? Pneumonie, stelde de arts later vast. Dit boek is reeds verschenen
het lied van de goden
61
leesfragment
kon barsten… En toen… eindelijk, na voor mijn gevoel vele ogenblikken, terwijl de duivelin mij brutaal aankeek met haar vurige, bloeddoorlopen ogen, kon ik iets uitbrengen. Ik schrok van mijn eigen stem, die door de emoties die mij zo hadden aangegrepen ongewoon zwaar en schor klonk… ‘Haal dat duivelsgebroed hier weg! Haal haar weg!’ Geschrokken stormden de cipiers naar binnen en grepen het zwarte mens vast. ‘En hierbij,’ riep ik met overslaande stem van emotie, ‘veroordeel ik u, duivelskind, voor de ergste vorm van godslastering en ontheiliging van de Heilige Schrift tot wederom dertig dagen eenzame opsluiting en wel in uw volle naaktheid, waarbij u dagelijks driemaal met koud water zult worden overgoten teneinde het vuur van de duivel dat in u woedt te doven! Ik heb gesproken.’ En aldus geschiedde, mijn beste Godfried. Maar het duivelsgebroed gaf geen krimp. Zie het bewijs dat de duivel in haar was gevaren. Er was overigens nog iets wat deze straf rechtvaardigde. Toen haar de kleren van het lijf werden gerukt, bleek deze zwarte slavin op haar lijf een kostbaar juweel te hebben verstopt. Een ketting met daaraan het heilige kruis bestaande uit een langwerpige robijn met twee schitterende diamanten… Nu vraag ik je; een slavin met zo’n kostbaar juweel, en dan ook nog eens het
Bekroond met de Boekenbon Literatuurprijs 2020 Zwarte schuur ‘Prachtige essays.’ – de Volkskrant
‘Zwarte schuur heeft alles in zich om een klassieker te worden.’ – de Volkskrant ‘Hier is een schrijver aan het werk die zich niet meer hoeft te bewijzen.’ – NRC Handelsblad ‘Een memorabel boek.’ – Trouw
de beste boeken voor meer focus en productiviteit d o or: femke bilderbeek en taïs vezo Stel je deze situatie voor: je zit ’s avonds op de bank, maar je kunt je niet echt ontspannen. Na een drukke werkdag heb je maar twee taken van je lange to-dolijst weg kunnen strepen, terwijl de rest maar blijft rondzoemen in je hoofd als een kolonie hysterische bijen in een bijenkorf. Misschien toch nog maar even achter je laptop kruipen na het eten? Of je hebt zo’n dag waarin je tussen de (video)vergaderingen door wanhopig probeert de stroom binnenkomende mail weg te werken, en ping ping ping, opeens staan er ook alweer twintig nieuwe berichten in de groepsapp van je werk. Herkenbaar? Het moderne werkende leven lijkt soms met ons aan de haal te gaan; daarom zijn veel mensen op zoek naar manieren om hier meer controle over te krijgen. Het goede nieuws is dat er veel verschillende boeken en methodes zijn die je meer inzicht kunnen verschaffen en praktische tips geven die zorgen voor meer focus en efficiëntie. Er is geen one size fits all: je moet zelf uitvinden wat voor jou zou kunnen werken. Voor wie door de bomen het bos niet meer ziet, hebben we twee experts bereid gevonden om een aantal aanraders te bespreken. We stellen ze aan je voor.
de beste boeken voor meer focus en productiviteit
63
boekentip 1
Echte lezer Taïs: ‘Ik heb een grote liefde voor boeken over focus, planningen en tijdmanagement. Volgens sommigen is het een obsessie, maar dat klinkt zo negatief. Ik houd simpelweg niet van tijdverspilling en ik ben gênant dól op schema’s. In de afgelopen jaren heb ik tientallen boeken gelezen over effectief werken, puur ter ontspanning. Als zelfbenoemde expert ervaar ik zelden stress. Kortom: efficiënt werken is zo gek nog niet.’ Echte lezer Femke: ‘Voor mijn werk bij Uitgeverij Business Contact heb ik heel veel boeken over persoonlijke ontwikkeling gelezen. Het is belangrijk om energie en tijd te blijven steken in jezelf, en boeken lenen zich hier erg goed voor. In tegenstelling tot Taïs ben ik van nature niet zo’n planner. Ik heb een grondige hekel aan methodes waar je de halve dag kwijt bent aan taken ordenen, systematiseren en kleuren in een bullet journal. Graag besteed ik mijn tijd aan andere zaken. Maar ik vind het wel belangrijk om grip te houden, om te voorkomen dat je gestuurd wordt door de prioriteiten van anderen.’ 64
martine vecht
Het abc van plannen, organiseren en optimaliseren Er zijn honderden boeken geschreven over efficiënt werken, waar moet je beginnen? Een perfecte start is Het abc van plannen, organiseren en optimaliseren. Het biedt een compact en overzichtelijk overzicht van de belangrijkste methodes, instrumenten en technieken om je persoonlijke effectiviteit te verbeteren. Taïs: Als diehard planner is dit boek voor mij een snoepwinkel. Maar het is juist ook een ideaal boek voor wie net begint met zich te verdiepen in doelgerichter werken. Of
femke bilderbeek en taïs vezo
voor wie productief en zonder stress wil werken, maar geen tijd heeft om er tig boeken over te lezen. Er is zoveel keuze aan methodes, dat je zelf moet kijken wat bij jou past. Zelf ben ik erg fan van de twee-minutenregel uit de Getting Things Done-methode om taken die je binnen twee minuten kunt afhandelen meteen uit te voeren. Een werkdag begint voor mij bij mijn werkmail. Als ik een mail binnen twee minuten kan beantwoorden dan doe ik dat meteen. Het liefst schrijf ik een korte mail, die ik na het versturen meteen kan deleten. Mijn doel is om iedere dag slechts twintig mails in mijn inbox te hebben. Dat gaat meestal goed, al heb ik tijdens het schrijven van dit artikel inmiddels zestig emails in mijn inbox staan waar ik nog iets mee moet doen. Work in progress… Femke: Martine Vecht is een heel ervaren organizer met een nuchtere instelling en veel kennis van zaken. Bij timemanagement is de verleiding groot om het extreem aan te willen pakken en een groots en meeslepend plan te maken. De kans is groot dat je dan al snel weer in oude gewoontes vervalt. Met dit boek in de hand kun je ook klein beginnen en je daarna verder verdiepen in datgene wat werkt. Zelf probeerde ik onlangs met succes de Pomodorotechniek uit voor meer focus. Je schrijft vier taken op waar je tegenaan hikt en die concentratie vereisen. Zet een wekker of timer op 25 minuten. Je werkt 25 minuten onafgebroken aan een taak, houdt dan 5 minuten pauze en begint dan aan de volgende taak. Je creëert je eigen deadlinegevoel,
maakt korte metten met je belemmerende perfectionisme en je productiviteit stijgt met sprongen! boekentip 2
cal newport
De tijdsblokplanner Met deze dagelijkse planner lukt het je iedere dag weer om je te concentreren op wat jij echt belangrijk vindt, in plaats van wat anderen belangrijk vinden. Je dag indelen in tijdsblokken is een methode die wordt gebruikt door een aantal van de effectiefste mensen ter wereld, van Elon Musk tot Bill Gates. Taïs: Hoewel ik veel van tijdsmanagement weet, verlies ik mezelf ook wel eens in de dage-
de beste boeken voor meer focus en productiviteit
65
lijkse hectiek. Dat gaat meestal geleidelijk en aan het eind van de dag voelt het alsof ik niets heb gedaan. Dan ontbreekt het overzicht waardoor ik met een ontevreden gevoel mijn pc uitzet. Met De tijdsblokplanner kan ik mijn werk heel gericht verdelen in tijdsblokken. Het is zeker geen to-dolijst, want daar doe je het boek geen recht mee. Ik verdeel mijn werk in taken zoals schrijven, mailbox bijwerken en vergaderingen. Vervolgens kan ik weer subcategoriën maken, maar ik probeer niet af te wijken van de blokken. Zo kan ik in de ochtend achter elkaar schrijven: van achtergrondartikelen tot een post op Instagram van De Club van Echte Lezers. Het zorgt ervoor dat ik gericht aan het werk ga en mijn focus behoud. Aan het eind van de dag heb ik een mooi schema van mijn werkzaamheden. Ik schaam me er niet eens voor dat ik alle taken na afloop voorzie van een krulletje. De tijdsblokplanner is ook een van de weinige boeken waar je ongegeneerd in mag schrijven. Al word ik er dan wel weer aan herinnerd dat mijn handschrift vaak onleesbaar is. Femke: Cal Newport werd bekend van zijn blog Study Hacks, waarin hij de term ‘diep werk’ introduceerde. Deze term resoneerde bij ontzettend veel mensen, zo ook bij mij. Hij laat, ook in het gelijknamige boek, zien dat we onze denkkracht nu helemaal niet optimaal benutten en onze omgeving daar niet op ingericht is. Het belang van geconcentreerd werken komt heel goed over, juist ook voor iemand die zich daar misschien van nature niet direct 66
in zou verdiepen. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want hoe breng je die kennis in de praktijk? Daarom kwam hij op veler verzoek met deze tijdbloksplanner als alternatief voor het maken van todolijstjes of veel ingewikkeldere systemen zoals Getting Things Done. De moeite waard om uit te proberen of dit wat voor jou is! Ik ga in ieder geval zeker een poging wagen. boekentip 3
claudia hammond
Rust. De psychologie van ontspannen en bijkomen in de moderne wereld. Een hogere productiviteit en efficiëntie op het werk is leuk en aardig, maar dat gaat natuurlijk alleen lukken als je ook de tijd
femke bilderbeek en taïs vezo
neemt om jezelf weer op te laden. In Rust bepleit psychologe Claudia Hammond beter om te gaan met ons welzijn. Hoe ontspannen we, kalmeren we onze geest en laden we ons lichaam op? Taïs: Toen ik zag dat Rust zou verschijnen heb ik nog net geen vreugdedansje gedaan. Wie heeft nou geen behoefte aan meer tijd voor zichzelf ? Het is verleidelijk om de hele dag met werk bezig te zijn. Collega’s hebben WhatsApp 24/7 helemaal omarmd en om 22.00 uur je werkmail ‘even’ checken is al doodnormaal. Heerlijk aan het boek Rust is dat het inzichten en handvatten biedt voor een betere balans in je leven. Ieder hoofdstuk beschrijft ontspanningsmethodes van wandelen tot de behoefte om alleen te zijn. Alles is wetenschappelijk onderbouwd en je hoeft niet alle tips uit het boek op te volgen. Rust toont aan dat er geen universele manier is om tot rust te komen. In het boek ontdek je welke methode goed bij je past gebaseerd op degelijk onderzoek.
Femke: Veel werknemers ervaren stress op het werk en burn-outs komen veelvuldig voor (ook bij jonge mensen). Daarom is dit een belangrijk boek om te noemen in het kader van productiviteit. Zeker in deze tijden van veel thuiswerken, waarin de grens tussen werk en privé nog moeilijker te trekken is. Voor je het weet sta je de hele dag ‘aan’. Ik denk dat iedereen wel wat hulp kan gebruiken bij het zoeken van rust en ontspanning, want het is iets waar we gewoon niet meer zo goed in zijn. We vinden onszelf al snel lui, en hechten veel waardering aan ‘druk’ zijn (ik ben druk, dus ik besta?). Dit boek is een must-read voor iedere workaholic. Hammond heeft veel onderzoek gedaan en ze kan soms verrassend uit de hoek komen: over tv-kijken en dat we dat een minderwaardige activiteit vinden, zegt ze bijvoorbeeld: ‘Wie bepaalt eigenlijk dat we elke minuut die we hier op aarde zijn moeten besteden aan zaken die actief, uitdagend, waardevol en gedenkwaardig zijn?’ Meer rust nemen gaat met dit boek in de hand zeker lukken. Deze boeken zijn reeds verschenen
de beste boeken voor meer focus en productiviteit
67
Foto: © Annaleen Louwes
bab s g ons
Babs Gons is dé koningin van spoken word. Ze is schrijver, performer, Het Parool-columnist, theatermaker, host en docent. Door haar maatschappelijke betrokkenheid wordt Gons vaak gevraagd poëtisch sociaal commentaar te leveren bij maatschappelijke initiatieven en gebeurtenissen.
68
babs gons
doe het toch maar Doe het toch maar in het kort: Babs Gons weet in haar geëngageerde teksten de vinger op pijnlijke plekken te leggen door de wereld te bevragen en de plooien van het leven te laten zien. Gedichten die recht het hart en het hoofd in gaan om daar rond te zingen. Of het nu gaat over vrouw-zijn, het slavernijverleden, afkomst, de liefde in al haar verscheidenheid, of de kwetsbare positie van de kunsten, al deze uiteenlopende thema’s zijn onder één lemma te brengen: Het Leven zelf, in al zijn kleuren en facetten. Nooit omfloerst, niet bang de dingen bij de naam te noemen. Doe het toch maar als levenshouding, universeel door het persoonlijke, hoogst actueel en tegelijk tijdloos, wars van hokjesdenken.
het ritmisch hart van de samenleving
Over Babs Gons: ‘Het werk van Babs Gons is urgent, eigenzinnig en krachtig: altijd speelt het persoonlijke een hoofdrol, maar op zo’n manier dat je er direct onderdeel van wordt.’ – Esther Naomi Perquin doe het toch maar
69
10 vragen aan
babs gons Babs Gons weet de vinger op pijnlijke plekken te leggen door de wereld te bevragen en de plooien van het leven te laten zien. Gedichten die recht het hart en het hoofd in gaan om daar rond te zingen. Haar nieuwe boek Doe het toch maar is universeel door het persoonlijke, hoogst actueel en tegelijk tijdloos, wars van hokjesdenken. ‘Als ik vastloop tijdens het schrijven dan ga ik wandelen of lezen.’
1. Met welke schrijver (dood of levend) zou je graag in gesprek willen gaan?
3. Wat is de beste openingsscène in een roman?
Zora Neale Hurston!
Dat is toch zeker de eerste pagina van The Bluest Eye van Toni Morrison!
2. Wat was in je jeugd jouw favoriete kinderboek?
Here is the house it is green and white it has a red door it is very pretty here is the family Zoveel boeken komen meteen naar bomother father dick and jane live in the greenven maar Tom Tippelaar was wel een favoand-white house they are very happy see jane riet. Grappig was dat ik de Engelse versie she has a red dress she wants to play who will had, The Island of Nose. En pas jaren later play with jane see the cat it goes meow-meow erachter kwam dat het was geschreven come and play come play with jane the kitten door Annie M.G. will not play see mother Schmidt. Voor mij was Voor mij was het een boek mother is very nice mother het een boek over buiwill you play with jane over buitenbeentjes en tenbeentjes en het was mother laughs laugh mother het was ook verrekt ook verrekt spannend en laugh see father he is big and bizar. Ik kon het maar strong father will you play spannend en bizar. blijven lezen, vooral ook with jane father is smiling door de geweldige tekeningen. Er was smile father smile see the dog bowwow goes zoveel te zien maar ook zoveel te leren. the dog do you want to play do you want to Het boek zei: ook al heb je drie piemels play with jane see the dog run run dog run of flaporen, je bent niet alleen. look look here comes a friend the friend will 70
babs gons
play with jane they will play a good game play jane play
7. Wat doe je als je helemaal vastloopt tijdens het schrijven? Wandelen en lezen.
Nee nooit, lijkt me ook onmogelijk met zo’n fijn persoon.
8. Welk zelfbedachte personage laat je nooit meer los?
5. Op basis van wat voor criteria koop je een boek?
Ik heb tot nu toe nog maar een paar personages in de wereld losgelaten maar de hoofdpersoon in mijn korte verhaal ‘De schoonmaker’ in de bundel Afrolit kom ik regelmatig tegen als ik me aan mijn huishouden waag.
Vooral via bepaalde sites en accounts eigenlijk, mensen die ik volg met dezelfde boekensmaak. Recensies vermijd ik een beetje. 6. Over welk boek raak je niet uitgepraat? Moeilijk maar ik denk ZZ Packer, Drinking Coffee Elsewhere – zo’n geweldige verhalenbundel. Maar ook Raymond Carver, What We Talk About When We Talk About Love. En natuurlijk The Color Purple van Alice Walker. En Beloved van Toni Morrison. Ook heel mooi: Mirjam Hengel, Hoe mooi alles, over het leven van Leo Vroman. En als we het over poëzie hebben, dan neem ik The Black Unicorn van Audre Lorde mee naar een onbewoond eiland.
9. Wat was het moeilijkste moment tijdens het schrijven van je nieuwe boek? Gek genoeg is dit boek voor mij vooral een eindpunt, een afscheidsconcert. Een deel van de teksten leeft al een tijd op het podium en in mijn hoofd en nu ga ik ze een plek geven op papier en dat is verrekte spannend. Hoe gaan ze het daar doen, dat speelt in mijn hoofd. 10. Wat zou je zijn geworden als je geen schrijver was? Danser. En op een dag hoop ik rapper. Dit boek verschijnt in april
doe het toch maar
71
10 vragen aan
4. Heb je wel eens ruzie met je redacteur?
Foto: Š Laif
haruki mur a k ami
Het werk van Haruki Murakami is in meer dan 40 landen uitgegeven en is bekroond met onder andere de Welt-Literaturprijs en de Hans Christian Andersenprijs. Hij wordt regelmatig getipt als kandidaat voor de Nobelprijs voor de Literatuur.
72
haruki murakami
eerste persoon enkelvoud Eerste persoon enkelvoud in het kort:
meesterlijke nieuwe verhalen van een internationaal icoon
Een toevallige ontmoeting op een parkbankje verandert in een raadselachtig wiskundig onderhoud dat de verteller decennia later nog bezighoudt. Een naamloze, oudere man denkt terug aan twee bepalende liefdes uit zijn jeugd. Een reiziger in een aftandse herberg wordt deelgenoot van de romantische ontboezemingen van een melancholieke aap. In de acht verhalen in Eerste persoon enkelvoud is steeds een klassieke Murakamiëske ik-figuur aan het woord die een uniek fragment van zijn werkelijkheid met ons deelt. Het is Haruki Murakami op zijn zuiverst: bevreemdend, troostrijk, weemoedig, geestig, ontroerend. Barack Obama schreef over de korte verhalen in Mannen zonder vrouw: ‘Je zult erdoor ontroerd raken, en in verwarring, en soms met meer vragen achterblijven dan antwoorden.’ Deze zinnen kun je gerust betrekken op
het hele universum van Haruki Murakami, dat zich in al zijn schitterende bevreemding ontvouwt in de nieuwe bundel Eerste persoon enkelvoud. eerste persoon enkelvoud
73
eerste persoon enkelvoud Uit: Bekentenissen van de Shinagawa-aap
Ik ontmoette deze oude aap in een kleine ryokan in het M*-kuuroord in de prefectuur Gumma, ongeveer een jaar of vijf geleden. Dat ik in deze rustieke, dat wil zeggen bouwvallige, verzakte ryokan overnachtte, kwam door een toevallige samenloop van omstandigheden. Ik maakte in een opwelling een reis zonder vooropgezet doel, en toen ik in voornoemd kuuroord aankwam en uit de trein stapte, was het al na zevenen. De herfst liep ten einde, de zon was allang onder en de omgeving was gehuld in de donkerblauwe diepe duisternis die kenmerkend is voor bergregio’s. De scherpe, kille avondwind die van de bergtoppen omlaagwaaide blies met een droog geluid gevallen bladeren ter grootte van mijn hand over het wegdek. Ik liep naar het centrum van het kuuroord op zoek naar een gepast onderkomen, maar ik kon geen fatsoenlijke herberg vinden waar ze na het avondeten nog gasten ontvingen. Nadat ik het bij een stuk of vijf of zes had geprobeerd, die me allemaal hadden geweigerd, vond ik een ryokan waar ik kon logeren zonder avondmaal. Het was een armoedige accommodatie waar de desolaatheid vanaf droop. Het gebouw, dat zijn beste tijd had gehad, was alleen maar oud, van nostalgische charme was geen sprake. Kozijnen en armaturen waren scheef of verzakt. Provisorische reparaties sloten niet aan bij het oorspronkelijke gebouw. Het was twijfelachtig of het een volgende aardbe74
haruki murakami
ving zou overleven. Ik kon alleen maar bidden dat zoiets niet vandaag of morgen zou gebeuren. De prijs voor logies, zonder avondeten maar met ontbijt, was verrassend laag. In de hal bij de ingang stond een eenvoudige balie en bij een oude man zonder haar en zonder wenkbrauwen rekende ik de kosten voor logies bij vooruitbetaling af. Omdat hij geen wenkbrauwen had, leken zijn grote ogen merkwaardig gloeiend te schitteren. Op het kussen naast de oude man lag een behoorlijk oude, grote bruine poes in diepe slaap. Blijkbaar was er iets niet in orde met zijn neus, want hij snurkte veel te luid voor een kat. Het gesnurk was onregelmatig en stokte af en toe. Alles in deze herberg leek oud, bejaard en gammel. De kamer die me werd gewezen was zo groot als een opslagruimte voor beddengoed, de lamp aan het plafond was zwak en de tatamivloer kraakte onheilspellend bij iedere stap. Maar dit was niet het moment om kieskeurig te zijn. Ik mocht dankbaar zijn dat ik een dak boven mijn hoofd had en futons om in te slapen. Toen ik mijn schoudertas, de enige bagage die ik bij me had, had neergezet, liep ik de stad in (want de kamer nodigde niet uit om je eens lekker in te ontspannen), ging een sobatent binnen en at iets eenvoudigs. Het was het enige restaurant dat open was. Ik nam bier en een paar snacks en ik at warme soba. Het was niet bepaald lekkere soba en de bouillon was lauw, maar ook hier kon ik niet kieskeurig zijn. Het was verre te verkiezen boven te gaan slapen met een lege
Toen ik me voor de derde keer in het warme bad had laten zakken, schoof de aap met veel gerammel de glazen deur open en kwam de badruimte binnen. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei de aap met een lage stem. Het duurde even voor het tot me doordrong dat het een aap was. Doordat mijn hoofd een beetje bedwelmd was door het donkere, hete water en omdat je in het algemeen niet
verwacht dat een aap kan spreken, duurde het even voor ik me realiseerde dat deze gestalte een aap was. Met een niet helemaal coherent hoofd staarde ik een poosje naar de aap aan de andere kant van de waterdamp. Toen de aap de glazen deur achter zich dicht had gedaan, zette hij de teiltjes bij elkaar die verspreid rond het bad stonden, stak een grote thermometer in het badwater en las de temperatuur af. Toen hij naar de streepjes op de thermometer keek, kneep hij met zijn ogen, als een bacterioloog die een nieuw type ziekteverwekkende bacil identificeert. ‘Hoe bevalt het bad?’ vroeg de aap aan mij. ‘Het is heerlijk. Dank u wel,’ zei ik. Te midden van de stoom klonk mijn stem dik en zacht. De klank ervan had zelfs een soort mythologisch aspect. Het leek nauwelijks op mijn eigen stem. Het was meer een echo uit het verleden die terugkeert uit een diep bos. Deze echo… Nee, wacht eens even, hoezo was hier een aap en hoezo sprak hij mensentaal? ‘Zal ik uw rug wassen?’ vroeg de aap met die best lage stem van hem. Zijn stem, die niet bij zijn uiterlijk leek te passen, had een warmte die me deed denken aan een bariton in een doowopkoor. Zijn manier van praten was accentloos en als je met je ogen dicht luisterde, zou je zweren dat een gewoon mens aan het praten was. ‘Graag,’ zei ik. Niet dat ik speciaal wilde dat iemand mijn rug zou wassen, maar ik was bang dat als ik zijn aanbod afsloeg, hij het misschien zou opvatten als dat ik iets dacht van mooi dat ik een aap niet mijn rug laat wassen. Hij had het waarschijnlijk aardig bedoeld en ik van mijn kant wilde de gevoelens van de aap zo min mogelijk kwet-
eerste persoon enkelvoud
75
leesfragment
maag. Toen ik de sobatent uit liep, ging ik op zoek naar een avondwinkel met het idee om een flesje whiskey te kopen en iets om te knabbelen, maar ik vond er geen. Na acht uur waren alleen nog een paar toeristische schietkraampjes open. Er zat niets anders op dan terug te keren naar mijn herberg, me om te kleden en in mijn yukata naar beneden te gaan naar het gemeenschappelijke bad. Vergeleken met de povere kwaliteit van het gebouw en de faciliteiten was het kuurbad boven verwachting goed. Het hete bronwater had een diepgroene kleur, zonder een spoor dat het was aangelengd, ook de geur van zwavel was zo sterk als ik nog nooit had meegemaakt en mijn lichaam warmde door en door op. Er waren geen andere badgasten (ik wist niet eens of er buiten mijzelf überhaupt andere gasten waren) en ik kon me naar hartenlust ontspannen en me onderdompelen in het kuurbad. Na een tijdje in het warme water werd ik een beetje duizelig, dus ik stapte uit het bad om wat af te koelen en liet me toen opnieuw in het warme water zakken. Ik bedacht dat het goed toeven was in deze op het oog zo armzalige herberg. Het was hier stukken rustiger dan in zo’n grote ryokan waar je steeds luidruchtige gasten op groepsreis tegen het lijf liep.
sen. Daarom kwam ik langzaam uit het water en ging op een krukje zitten en draaide mijn rug naar de aap toe. De aap droeg geen kleren. Natuurlijk draagt een aap geen kleren. Daarom voelde dat ook niet speciaal vreemd. De aap leek al op leeftijd, want er zat behoorlijk wat grijs haar in zijn vacht. De aap pakte een handdoekje, deed er zeep op en met een bedreven hand zeepte hij mijn rug in. ‘Het is behoorlijk koud geworden, vindt u niet,’ zei de aap. ‘Inderdaad.’ ‘Nog even en dan stapelt de sneeuw zich op in deze contreien. Het wordt straks een hele klus om de sneeuw van de daken te schuiven.’ Omdat er een opening viel, vroeg ik op de man af: ‘Je kunt dus mensentaal spreken?’ ‘Ja,’ antwoordde de aap zonder omhaal. De vraag was hem waarschijnlijk al vaker gesteld. ‘Ik ben van jongs af aan door mensen opgevoed en toen heb ik ook de taal geleerd. Ik heb tamelijk lang in Tokyo gewoond, in Shinagawa.’ ‘Waar in Shinagawa?’ ‘In de buurt van Gotenyama.’ ‘Fijne buurt.’ ‘Ja, zoals u weet is het daar heel fijn wonen. Het Gotenyamapark is vlakbij en zodoende kon ik ook contact hebben met de natuur.’ Hier stokte de conversatie even. De aap ging door met het stevig inzepen van mijn rug (wat heel aangenaam was) en ondertussen was in mijn hoofd het rationaliseren en ordenen in volle gang. Een aap die was opgegroeid in Shinagawa? Gotenyamapark? Zou een aap zo vloeiend een taal kunnen leren? Toch was dit hoe dan ook een aap. In elk opzicht onmiskenbaar een aap. ‘Ik woon ook in Tokyo, in Minato,’ zei ik. 76
haruki murakami
Dat was een betekenisloze uitspraak. ‘Nou, dan zijn we praktisch buren,’ zei de aap hartelijk. ‘Bij wie ben je opgegroeid in Shinagawa?’ vroeg ik. ‘Mijn baas was docent aan de universiteit. Hij was fysicus en had een aanstelling aan de Hogeschool voor de Kunsten.’ ‘Een intellectueel dus.’ ‘Ja, inderdaad. Hij was boven alles een liefhebber van muziek en hij hield erg van Bruckner en Richard Strauss. Daardoor ben ik ook van dergelijke muziek gaan houden. Omdat ik die van jongs af aan altijd heb gehoord. Met de paplepel, zogezegd.’ ‘Hou je van Bruckner?’ ‘Ja, vooral van de Zevende. Ik word altijd zo blij van het derde deel.’ ‘Ik luister graag naar de Negende.’ Alweer een betekenisloze uitspraak. ‘Ja, dat is ook waarachtig mooie muziek,’ zei de aap. ‘En heeft die docent je ook taal onderwezen?’ ‘Ja. Omdat hij geen kinderen had, nam hij de tijd en moeite om mij op te voeden – ter compensatie zou je kunnen zeggen. Hij was heel geduldig en hechtte boven alles aan regelmaat. Hij was een oprechte man en het was zijn lijfspreuk dat herhaling van juiste feiten tot ware wijsheid leidt. Zijn echtgenote was een heel lieve, niet erg spraakzame vrouw die me goed behandelde. Ze hadden het goed met elkaar en ik weet niet of het gepast is om dit tegen een buitenstaander te zeggen, maar hun nachtelijke activiteiten waren behoorlijk heftig.’ ‘Toe maar,’ zei ik. Na een poosje was de aap klaar met het zepen van mijn rug en zei met gebogen hoofd: ‘Verexcuseer.’
ik klaar met mijn werk en daarna kan ik naar uw kamer komen. Schikt dat wat u betreft?’ Ik zei dat het schikte. ‘Misschien kun je dan meteen bier meenemen.’ ‘Komt in orde. Ik zal goed koud bier meenemen. Is Sapporo-bier goed wat u betreft?’ ‘Dat is prima. Drink je zelf trouwens bier?’ ‘Ik zou heel graag een slokje lusten.’ ‘Dan bestel ik bij dezen twee grote flessen bier.’ ‘Tot uw dienst. U verblijft toch in kamer “Ruige Kust” op de eerste verdieping?’ Ik zei dat dat klopte. ‘Het heeft toch wel iets vreemds – “Ruige kust” te midden van de bergen,’ zei de aap gniffelend. Ik had nog nooit van mijn leven een aap zien lachen. Maar apen zullen ook wel lachen en huilen. Deze aap kon nota bene zelfs praten. ‘Heb je eigenlijk een naam?’ vroeg ik. ‘Een echte naam heb ik niet, maar iedereen noemt me de Shinagawa-aap.’ Toen de aap door de glazen deur wegging, draaide hij zich om, maakte een keurige buiging en schoof daarna rustig de glazen deur dicht. Dit boek verschijnt eind februari
eerste persoon enkelvoud
77
leesfragment
‘Dank je wel,’ zei ik. ‘Dat was heerlijk. Werk je hier in deze ryokan?’ ‘Ja, inderdaad. Hier zijn ze zo goed om me te laten werken. Bij de mooie, grote ryokans geven ze een aap geen werk. Maar hier komen ze altijd handen tekort, en aap of niet, zolang ik me nuttig kan maken geven ze me werk. Omdat ik nu eenmaal een aap ben, is het uurloon karig, en ze laten me alleen werken op plekken waar ik nauwelijks iemand zie. Bij het bad, in de schoonmaak, dat soort werk. Want een gewone klant zou ervan schrikken als een aap bijvoorbeeld thee kwam brengen. Ook in de keuken mag ik niet komen, vanwege de regels voor de hygiëne.’ ‘Werk je hier al lang?’ ‘Al met al een jaar of drie misschien?’ ‘Het zal nog best een hele toer zijn geweest voordat je hier je plekje vond, lijkt me zo,’ informeerde ik. De aap knikte. ‘Ja, dat kun je wel stellen.’ Ik twijfelde even, maar toen vroeg ik het zonder omhaal: ‘Als je het niet erg vindt, zou je me dan over jezelf willen vertellen?’ De aap dacht even na en zei toen: ‘Ja, dat wil ik wel. Misschien is het niet zo interessant als u verwacht, maar tegen tien uur ben
Foto: Š Sigrid Estrada
cha r l e s se if e
Charles Seife is professor journalistiek aan New York University en auteur van meerdere populairwetenschappelijke werken, zoals Zero: the biography of a dangerous idea en ProoďŹ ness.
78
charles seife
hawking hawking hoe ’s werelds beroemdste genie zijn eigen mythe schiep
Hawking Hawking in het kort: In Hawking Hawking onderzoekt wetenschapsjournalist Charles Seife hoe Stephen Hawking te boek zou komen te staan als het grootste genie van de mensheid. Hawking begon zijn carrière in de theoretische natuurkunde, maar zijn bekendheid berustte niet op zijn wetenschappelijke bijdragen. Hij was een meester in zelfpromotie, organiseerde feesten voor tijdreizigers, claimde de overwinning op problemen die hij niet had opgelost en verkeerde in kringen van miljardairs. Hoewel hij gekluisterd was aan zijn rolstoel en afhankelijk was van anderen slaagde Hawking er steeds in de mensen om hem heen te boeien – en ze te gebruiken. Deze intellectuele biografie onthult de authentieke Hawking. Het is het verhaal van een man wiens aanvankelijke genialiteit in de natuurkunde werd geevenaard door zijn genialiteit in het construeren van zijn eigen mythe.
Een wetenschappelijk fenomeen ontrafeld
HAWKING HAWKING CHARLES SEIFE
Over Zero: ‘Zijn verhaal schakelt soepel over van geschiedenis en filosofie naar wetenschap en technologie en zijn proza heeft de kwaliteit om complexe ideeën duidelijk te maken.’ – The Dallas Morning News hawking hawking
79
hawking hawking Zwarte zwaan (1974-1979)
In Californië was alles bovenmaats. Reusachtige auto’s op megalomane snelwegen, torenhoge wolkenkrabbers in het centrum en kasten van huizen in de voorsteden, allemaal ingericht met enorme bankstellen en kolossale tv’s. Jane schatte dat hun kleine bungalow in Cambridge vier keer paste in hun nieuwe huis in Pasadena, waar ze het komende jaar zouden wonen. Ook de persoonlijkheden van de sectie natuurkunde aan Caltech waren uitvergroot, vooral de twee Nobelprijswinnaars met hun eeuwige wedstrijd wie het verst kon plassen, Richard Feynman en Murray Gell-Mann. Ze waren allebei New Yorkers, kinderen van joodse immigranten, en ondanks hun achtergrond waren ze toch op sjieke Ivy Leagueuniversiteiten beland. Eenmaal toegelaten tot de Ivoren Toren vocht Gell-Mann tegen het ‘omhooggevallen’ imago door te proberen slimmer te zijn dan alle anderen. Feynman deed precies het tegenovergestelde, deed mee aan kroeggevechten, ramde op zijn bongo’s en sprak onbeschaamd met een Brooklyn-accent. De twee maakten elkaar graag belachelijk, liefst in het openbaar. In haar memoires geeft Jane daar een voorbeeld van: Stephen was erbij toen Feynman opdook bij de eerste van een serie lezingen van Gell-Mann. Toen hij hem in het publiek zag zitten, verklaarde Gell-Mann dat hij zijn lezingenserie zou gebruiken om een
80
charles seife
overzicht te geven van actueel onderzoek in de deeltjesfysica en begon vervolgens met monotone stem zijn aantekeningen voor te lezen. Na tien minuten stond Feynman op en vertrok. Tot Stephens grote vermaak slaakte Gell-Mann toen een zucht en zei: ‘Ah, mooi, dan kunnen we nu met het echte werk beginnen!’ en begon te praten over zijn eigen recente onderzoek naar de nieuwste ontwikkelingen in de deeltjesfysica. De rivaliteit tussen de twee was goedmoedig en soms werkten ze samen op natuurkundig vlak of bij het uithalen van grappen (ze hebben ooit een pauw in de slaapkamer van een vriend naar binnen gesmokkeld), maar tegelijkertijd kon er iets scherps in zitten, het was een ruige, complexe, haat-liefdeverhouding die ondenkbaar was in het ultraconservatieve Cambridge waar de Hawkings aan gewend waren. Zelfs in de wereld van de natuurkunde, waar de professoren vaak ’n tikje eigenaardig waren, was vooral Feynman een opvallende figuur. Hij had niet alleen lak aan de conventies, hij liet iedereen ook heel goed merken dat hij er lak aan had. Feynman bracht bijvoorbeeld vele middagen door in een stripclub in Pasadena, vijf of zes keer per week beweerde hijzelf, en hij trad op als getuige toen de eigenaar van de club werd aangeklaagd wegens overtreding van de zedenwetten. ‘Als ik er met mijn rekenwerk niet
uit kwam, ging ik meisjes kijken,’ verklaarde Feynman. Een krantenkop in de Los Angeles Times grapte: ‘Striptent Geeft Nobelprijswinnaar Inspiratie.’ Het moeiteloze gemak waarmee Feynman de aandacht op zich wist te vestigen, irriteerde Gell-Mann blijkbaar. Zoals een vriend van Feynman zei:
Gell-Mann deed als natuurkundige niet onder voor Feynman, maar bijna alle aandacht ging naar Feynman. Journalist George Johnson zei daarover een paar jaar later: ‘GellMann wist hoe hij ideeën moest verpakken en kon geestige, soms onvergetelijke na-
*** Cambridge was terughoudend, traditioneel, stoffig. De professoren werden geacht beleefd en discreet te blijven, zelfs als ze hun superioriteit over anderen lieten blijken. Pasadena was vrijpostig, taboedoorbrekend, zelfs een beetje vulgair, en de professoren waren er niet alleen capabel, maar werden er ook geacht hun grote ego’s breed te etaleren. Geen wonder dat het jaar op Caltech Hawking zou transformeren. Ondanks zijn Cambridge-achtergrond begon Hawking zich thuis te voelen in Pasadena. Hij werd een beetje verliefd op de omgeving en bracht zo veel mogelijk tijd door onder de palmbomen van Californië als de grauwe luchten van Engeland en de beslommeringen van het dagelijks leven hem te veel werden. Pasadena betekende voor Hawking ook een verandering in wetenschappelijk perspectief. Ook al had Caltech maar één specialist op het gebied van de algemene relativiteitstheorie, de sectie was er heel sterk in deeltjesfysicia, en ze hadden Feynman, wiens natuurkundige intuïtie bijna net zo beeldend en misschien nog wel sterker was dan die van Hawking. Het was onvermijdelijk dat Hawking naar Engeland terug zou keren met een hoofd vol nieuwe ideeën. *** Toen Hawking eind augustus 1974 op Caltech arriveerde, was dat niet om te gaan sahawking hawking
81
leesfragment
Als Feynman in een privé-gesprek ter sprake kwam, zei Murray Gell-Mann onvermijdelijk: ‘Hij moet altijd anekdotes over zichzelf vertellen.’ Er zat wel een kern van waarheid in Gell-Manns opmerking. Feynman en ik gingen eens naar een lezing van een gasthoogleraar. We waren vroeg en gingen op de eerste rij zitten. Feynman zag dat de spreker zijn aantekeningen op de stoel naast hem had laten liggen. Feynman begon de notities door te lezen en ik kon zien dat hij zat te rekenen. Hij legde de aantekeningen terug en de professor kwam binnen. Tijdens zijn lezing zei de professor: ‘Ik heb heel wat tijd gestoken in het berekenen van de afgeleide van deze formule…’ Feynman riep: ‘Ah, de oplossing is evident! Die is…’ De professor, en ook de rest van het publiek, stond versteld dat Feynman schijnbaar spontaan met de oplossing kwam. Toen we de ruimte verlieten, keek ik Feynman veelbetekenend aan. Hij glimlachte terug.
men bedenken voor de meest abstracte wetenschappelijke concepten. Feynman had een nog wezenlijker talent: hij wist hoe hij zichzelf moest verpakken.’
menwerken met Feynman of Gell-Mann, die allebei naam hadden gemaakt in de deeltjesfysica, maar met zijn vriend Kip Thorne die was gespecialiseerd in de algemene relativiteitstheorie. Thorne had, net als Feynman een generatie daarvoor, gestudeerd bij John Archibald Wheeler voordat hij op Caltech terechtkwam. Maar ondanks recente ontwikkelingen in het vakgebied was Thorne op dat moment de enige die zich bezighield met de algemene relativiteitstheorie. (‘Ik denk niet dat ik Kips onafhankelijkheid van geest heb om relativiteit uit de wildernis te kunnen smeden,’ schreef een andere student van Wheeler aan zijn prof.) Dus naast zijn werk aan de algemene relativiteitstheorie was het onvermijdelijk dat Hawking veel in aanraking kwam met deeltjesfysica en -theorie, inclusief Feynmans padintegraal. Hawkings coördinatie van zijn handen en armen begon af te nemen. Tegen de tijd dat hij op Caltech kwam, kon hij geen vergelijkingen meer opschrijven of dingen tekenen, en toen hij een jaar later vertrok, kon hij ook niet meer zelf eten. Feynmans padintegraal gaf Hawking een instrument dat goed paste bij zijn eigen manier om natuurkundige problemen te visualiseren, en dankzij Hawkings uitstekende geheugen kon hij de methode niet alleen absorberen maar ook zodanig beheersen dat Feynman zelf er een beetje kregelig van werd. ‘… Ik zei tegen Feynman dat ik onder de indruk was van Steven Hawkings vermogen om de padintegraal uit zijn hoofd toe te passen,’ schreef een vriend van Feynman. ‘Ach, zo geweldig is dat niet,’ antwoordde Feynman. ‘Het is veel interessanter om de techniek te hebben bedacht, zoals ik, dan er uit je hoofd mee te kunnen werken.’ Een paar jaar later kon 82
charles seife
Gell-Mann de verleiding niet weerstaan om ook iets relativerends te zeggen: …[Hawking] verbijsterde zijn studenten op Caltech (het California Institute of Technology) toen hij tijdens een seminar uit zijn hoofd de veertig termen van een belangrijke vergelijking dicteerde. Toen zijn assistent klaar was met het opschrijven van de laatste term, stond zijn collega en Nobelprijswinnaar Murray Gell-Mann op, die ook tussen de toehoorders zat, en verklaarde dat Hawking een term had overslagen. Ook Gell-Mann rekende uit zijn hoofd. Caltech was openlijk competitief, dynamisch en vrijzinnig, en verschilde net zoveel van de universiteit van Cambridge als die weer verschilde van de Moskouse. In zekere zin paste de cynische natuurkundige met zijn boosaardige humor en voorliefde voor practical jokes beter bij de vrolijke pestkoppen van Caltech dan bij zijn stijve collega’s thuis. Zolang hij nog in staat was om te reizen, zowel in lichamelijk als in financieel opzicht, bleef Caltech een tweede thuis voor hem. Hij ging er keer op keer naartoe, zo vaak als mogelijk, vooral in de winter als het weer in Cambridge miezerig was. Net zoals Hawking een belangrijk doorgeefluik werd voor een stroom interessante natuurkunde van de Sovjet-Unie naar het Verenigd Koninkrijk, zo haakte Hawking nu in op de dynamiek van de Amerikaanse natuurkundewereld. ‘Hij ging daarheen en kreeg een stoot testosteron van Caltech,’ zegt Neil Turok. ‘En ik denk dat het hem hielp toen hij terugkwam naar Cambridge. Hij nam het gekonkel van Cambridge niet al te serieus. Eigenlijk keek hij een beetje
langstelling te zijn voor een betere rolstoelbereikbaarheid dan Stephen in Cambridge gewend was. Hij genoot van zijn strakke, nieuwe elektrische rolstoel die veel sneller was dan het Britse model en hem een extra gevoel van onafhankelijkheid gaf. Ook toen Hawkings toestand langzaam verslechterde, vertegenwoordigde Caltech een mate van vrijheid die hij in Cambridge niet zo snel vond. De Hawkings begonnen zelfs televisie te kijken, terwijl ze in Cambridge niet eens een toestel hadden. Ze brachten de avond door met het kijken naar Upstairs Downstairs en naar The Ascent of Man, een razend populaire bbc-serie in dertien afleveringen van wetenschapshistoricus Jacob Bronowski, over de evolutie van de menselijke cultuur en samenleving. Als je ook een nadeel moet noemen is het dat er op Caltech, vurig toegewijd aan de exacte wetenschappen, in de bibliotheek niets te vinden was over middeleeuwse lyrische dichtkunst, dus er was geen denken aan dat Jane verder kon werken aan haar proefschrift. Ondanks een stroom sociale verplichtingen en incidentele aanvallen van gulzig lezen, was ze er aan het eind van 1974 ‘van overtuigd dat mijn hersenen zijn veranderd in stopverf.’ En ze vreesde dat ze niet de enige was. Ze schreef in die periode dat ze zich niet kon ‘onttrekken aan het vermoeden dat er heel wat afgewezen vrouwen zijn die ernstig worden ontmoedigd door de obsessie van hun echtgenoten met wetenschap en hun (waarschijnlijk onbewuste) minachting voor elke andere bezigheid, manier van leven of belangstelling.’ Toch kwam Jane in haar element, want in februari 1975 ontdekte ze haar liefde voor koorzang en vond ze troost bij mensen die haar hawking hawking
83
leesfragment
neer op de faculteit, weet je dat, met ruzies hier en ruzies daar, omdat het allemaal erg om Cambridge zelf draaide.’ Ook Jane vond de sfeer op Caltech verfrissend, nadat ze een tijd onderaan de pikorde van Cambridge had gestaan en bij elke gebeurtenis en elk diner weer werd gebruskeerd. ‘Door de jaren raakte ik eraan gewend dat we aan het eind van de tafel of in de hoek werden gezet, waar je niet hoeft te verwachten dat iemand een gesprek met je voert…’ schreef Jane. Maar in Californië was ze verrast hoe open en vriendelijk de Amerikanen tegen haar waren, waardoor ze zelfs begon te denken dat ze alleen zo werd behandeld vanwege het succes van haar man. Californië gaf ook wat lucht na de constante druk van de zorg voor Stephen, omdat twee van zijn studenten, Bernard Carr en Peter D’Eath, het gezin naar Caltech hadden vergezeld, en Carr zou de eerste student zijn wiens academische plichten formeel werden gecombineerd met een zekere mate van zorg voor Stephen. In ruil voor logies, en voor buitengewoon veel contact met hun promotiebegeleider, zouden Carr en zijn opvolgers hem helpen met eten, wassen, aankleden en naar bed gaan, en zich ook verdienstelijk maken bij andere basisbehoeften van de professor. Feynman bezocht Hawkings kantoor diverse keren, want hij wilde de Hawkingstraling graag begrijpen, en Carr herinnert zich dat hij dan als intermediair moest optreden en Hawkings steeds moeilijker wordende taalgebruik vertaalde, zodat Feynman het snapte. Al kregen de Hawkings maar moeilijk toegang tot gezinszorg, dankzij de studenten was de last makkelijker te dragen dan thuis. Sterker nog, ondanks de hogere stoepranden in de vs, leek er op Caltech meer be-
echt leken te begrijpen. In april kreeg Stephen te horen dat hij een eervolle onderscheiding zou krijgen uit handen van de paus. Een van Janes nieuwe vrienden schonk haar toen een broche met parels, ‘omdat, zei ze, ik ook iets had verdiend.’ *** Er bestaat een foto van Stephen Hawking die een gouden medaille overhandigd krijgt door paus Paulus ii, een onderscheiding die door de Pauselijke Academie om het jaar wordt toegekend aan een wetenschapper onder de 45 jaar, als erkenning van wetenschappelijke verdienste. De paus is helemaal in het wit gekleed en zijn witte soutane raakt de marmeren vloer. De erfgenaam van Sint Pieter knielt neer voor Hawking die in zijn rolstoel zit, de armen netjes gekruist in zijn schoot, het hoofd gebogen. Zijn broodmagere benen verdrinken in de stof van zijn broek. Hawking is dan pas 33 jaar oud. Hawkings reputatie was snel gegroeid door zijn onderzoek naar singulariteiten en zwarte gaten, maar destijds in 1975 had niemand nog een zwart gat gezien, zelfs indirect niet. In tegenstelling tot de meeste sterren stralen zwarte gaten geen helder licht uit door de energie die vrijkomt uit kernfusie. In plaats van licht uit te stralen, slokken ze het op. Hawking was zelf de eerste die aantoonde dat zwarte gaten niet compléét zwart zijn, dat ze fotonen van licht en andere deeltjes uitzenden, maar dat de straling (vrijwel altijd) te zwak is om vanaf de aarde te worden waargenomen. ‘Hoe kunnen we ooit een zwart gat ontdekken als het per definitie geen licht uitzendt?’ vroeg Hawking 84
charles seife
zich af in Een korte geschiedenis van de tijd. ‘Dat is alsof je een zwarte kat zoekt in een kolenkelder.’ In principe zou je zwarte gaten rechtstreeks moeten kunnen opsporen door te letten op zware sterren die rond een lege plek in de ruimte cirkelen. Maar dat lukt alleen met betrekkelijk langdurige en zeer nauwkeurige observaties van nabije of superzware zwarte gaten, zoals die in het midden van ons sterrenstelsel. Iets dergelijks was nog nooit gedaan, en het zou nog vijftien tot twintig jaar duren voor zulke waarnemingen mogelijk waren. Je zou ook de zwaartekrachtgolven kunnen opsporen die rond een zwaar object cirkelen en worden opgeslokt door een zwart gat. Maar in 1975 was de eerste directe meting van zwaartekrachtgolven nog toekomstmuziek. Er was een paar keer vals alarm gegeven toen enkele onderzoekers zeker meenden te weten dat ze plooien in de ruimtetijd hadden ontdekt, maar ze bleken zich telkens te vergissen, totdat het de ligo in 2014 eindelijk lukte. Vier decennia later. Een derde optie was licht opvangen dat afkomstig is van een lunchend zwart gat. Zwarte gaten blijken slordige eters te zijn, want zelfs als ze materie opslokken voorbij de waarnemingshorizon, spuiten hun monstrueuze rondraaiende magneetvelden enorme hoeveelheden heet gas de ruimte in. De materie in deze straalstromen moet zo heet zijn dat ze röntgenstraling uitzenden. ‘Zelfs zonder de straalstromen is de schijf materie die rond het zwarte gat draait, de zogeheten ‘accretieschijf ’, zo extreem heet dat er röntgenstraling uit vrijkomt. Een röntgentelescoop zou daarvan iets moeten zien. Daarom begonnen vanaf het midden van de jaren zestig röntgendetectoren boven de
den daarover in november 1974, hopend dat ze geen luchtkastelen hadden gebouwd. Evenals Thorne had Hawking een groot deel van zijn carrière zitten peinzen over de eigenschappen van een object dat, toentertijd, nog nooit was gezien. ‘Ik heb veel werk gestopt in de zwarte gaten, en dat zou allemaal voor niks zijn als blijkt dat zwarte gaten niet bestaan,’ noteerde Hawking droogjes in Een korte geschiedenis van de tijd. Door de jaren heen had Thorne de gewoonte ontwikkeld om met zijn collega’s wetenschappelijke weddenschappen af te sluiten. Eerst ging dat nog mondeling, bijvoorbeeld aan het eind van de jaren zestig met Zel’dovich over de eigenschappen van draaiende zwarte gaten (de inzet: een fles sterkedrank), maar sinds kort was Thorne begonnen ze op te schrijven en in te lijsten. Destijds hing er maar één weddenschap aan de muur naast de deur van zijn kantoor: met Bill Burke, een van Thornes promotiekandidaten, over bepaalde eigenschappen van zwaartekrachtstraling. Dus kort nadat Thorne zijn artikel over de Cygnus X-1 had ingezonden, zouden de twee wetenschappers voor de grap een gokje wagen, waarbij Hawking stelde dat de Cygnus X-1 géén zwart gat was. ‘Hoewel Stephen Hawking veel heeft geïnvesteerd in de Algemene Relativiteitstheorie en Zwarte Gaten en prijs stelt op een verzekeringspolis, en hoewel Kip Thorne graag gevaarlijk leeft zonder verzekeringspolis,’ zo luidde de begeleidende tekst, ‘is besloten dat Stephen Hawking wedt om een abonnement van één jaar op Penthouse, terwijl Kip Thorne een vierjarig abonnement op Private Eye inzet op de stelling dat Cygnus X-1 geen zwart gat is met een massa boven de Chandrasekharlimiet.’ Thorne had de tekst ingelijst en in hawking hawking
85
leesfragment
röntgenstraling-absorberende atmosfeer te vliegen, om de hemel met röntgenogen af te speuren. Een van de vroegste röntgenclusters die de astronomen vonden was een helder stralende plek in het sterrenbeeld Cygnus, de zwaan. In tegenstelling tot veel andere bronnen die helder schenen door röntgenstraling, was er geen bekende ster, niets dat zichtbaar was in het optisch of elektromagnetisch spectrum dat verklaarbaar was als bron van de röntgenstraling. Kon dit nieuwe object, Cygnus X-1, een zwart gat zijn? Wetenschappers waren hoopvol, maar het vinden van bewijs was een ander verhaal. Er waren allerlei mogelijke objecten die verantwoordelijk konden zijn voor de röntgenstraling, zelfs als de bron onduidelijk was. Om de conclusie te kunnen trekken dat Cygnus X-1 een zwart gat was, moesten de wetenschappers alle andere mogelijkheden wegstrepen tot er maar één overbleef. De astronomen deden dus waar ze goed in zijn: observeren. In 1974 hadden ze zijn positie nader bepaald en tamelijk overtuigend uitgesloten dat de dichtstbijzijnde zichtbare ster verantwoordelijk kon zijn voor de röntgenstraling. Ze bewezen ook dat de bron eerder compact dan diffuus was. En het bleek dat iets anders zwaars, iets dat een paar keer zo groot was als de zon, aan een nabijgelegen ster trok. Het werd steeds moeilijker om vol te houden dat Cygnus X-1 geen zwart gat was. Thorne had veel over Cygnus X-1 nagedacht. Samen met zijn oud-student Richard Price had hij een paar gedetailleerde voorspellingen gedaan over wat toekomstige waarnemingen met betere telescopen konden zien als de bron van de röntgenstraling inderdaad een zwart gat was. Ze publiceer-
zijn kantoor opgehangen. (Die Penthouse was typisch Caltech, volgens Thorne, ‘ironisch bedoeld’ en een reactie op zijn zeer behouden opvoeding als Mormoon.) Voor Hawking was de weddenschap een win-win-situatie: óf de astronomen zouden het bestaan van zwarte gaten bewijzen, óf hij kreeg de troostprijs van een vierjarig abonnement op Private Eye, en geliefd Brits satirisch tijdschrift. De 4-tegen-1-ratio van Private Eye versus Penthouse weerspiegelde de inschatting van de twee wetenschappers dat inderdaad bewezen kon worden dat de Cygnus X-1 een zwart gat was. Het zou nog vijftien jaar duren voordat Hawking de prijs kon innen. ‘Laat op de avond in juni 1990, toen ik in Moskou onderzoek deed met mijn Sovjet-collega’s,’
86
charles seife
schrijft Thorne, ‘braken Stephen en zijn entourage van familie, verpleegsters en vrienden in mijn kantoor aan Caltech in, vonden de ingelijste weddenschap en schreven een claim die werd bekrachtigd met Stephens duimafdruk.’ Hoe aardig het ook was om experimenteel bewijs te hebben van het bestaan van zwarte gaten, het was eigenlijk niet zo heel belangrijk voor het soort werk dat Hawking deed. Zijn analyse van zwarte gaten draaide niet zozeer om gedetailleerde kennis van een astrofysisch object, maar meer om het krijgen van inzicht in de wetten die bepalen hoe ruimte en tijd zich gedragen. En misschien zelfs in iets fundamentelers dan dat. Dit boek verschijnt in april
‘Marieke Lucas Rijneveld laat zien hoe sterk fictie kan zijn.’ ★★★★ – de volkskrant ‘Hier klinkt een literaire stem van internationale allure.’ – nrc handelsblad
•••••
‘De liefde schrikt zich dood in Mijn lieve gunsteling: dat ze deze vorm aan kan nemen.’ – vrij nederland ‘Grootse, gróótse literatuur.’ – humo
winnaar International Booker Prize 2020
Foto: Š Fjodor Buis
anne broeksma
Anne Broeksma schrijft poĂŤzie, korte verhalen en journalistiek. Voor haar debuutbundel Regen kosmos kamerplant ontving ze het C.C.S. Crone Stipendium. Ze staat met haar gedichten en korte verhalen op menig literair podium, van Lowlands tot Crossing Border.
88
anne broeksma
vesper een avondgebed voor wat zich in schaduwen beweegt Vesper in het kort: Over Regen kosmos kamerplant: In Vesper van Anne Broeksma ontsnapt de dichter uit een omgeving van baksteen, gedreven door een gevoel van gemis. In onderaardse gangen, lawaaiige Nederlandse bossen en verre oerwouden wordt onze relatie met de levende wereld onderzocht. Waar komen wij vandaan? En brengt taal ons daarnaartoe of niet? Het resultaat is een zoektocht in lyriek, waarin boven- en onderwereld, mystiek en wetenschap met elkaar versmelten. Vesper is een avondgebed voor wat zich in schaduwen beweegt.
‘Zo stemrijk, sinister en beweeglijk als in Regen kosmos kamerplant werd het in geen enkel ander werk.’ – Jury C. Buddingh’-prijs 2015
Bewaaradvies koel en droog bewaard wil ik worden achter in een kastje in een oude Zweedse kerk die als een leeggelopen hart door dorpsbewoners wordt omsloten maar gemeden in het voorjaar zal iemand het kerkje weer betreden als de sneeuw is weggetrokken en de zon weer langs ontkiemde spruiten strijkt bromvliegen tikken van binnenuit tegen de ramen, als regen iemand, door nieuwsgierigheid gedreven opent alle kastjes in de keuken ziet tussen roestige blikken een blauw exemplaar met een boshoen erop hoeft het alleen nog open te wrikken klein en aansprekend lig ik daar
Deze bundel is reeds verschenen vesper
89
Foto: Š Fjodor Buis
daan heerma van vo ss
Daan Heerma van Voss is historicus en schrijver. Voor zijn journalistieke werk won hij De Tegel. Zijn literaire werk werd voor verscheidene prijzen genomineerd, en vertaald in het Zweeds, Spaans, Duits en Chinees.
90
daan heerma van voss
de bange mens De bange mens in het kort: Wat is angst? Die vraag heeft Daan Heerma van Voss, van jongs af aan geplaagd door angsten, lang beziggehouden. Maar diep graven durfde hij niet. Totdat zijn vriendin hem op een herfstochtend een opdracht gaf – hij moest het fenomeen angst doorgronden, voor het te laat was, voor hemzelf én hun relatie. Dat moment betekende het begin van een lange reis, door tijd en ruimte, langs filosofen, kunstenaars en angstlijders, van Jakarta naar San Francisco en van de Vallée de Misère naar het Engelse platteland. Onderweg kan de auteur ook zijn eigen jeugd, de geschiedenis van zijn familie en de farmaceutische industrie niet ontwijken. Is angst erfelijk bepaald? Wat is het verband tussen angst en agressie, of creativiteit? In Nederland hebben inmiddels meer dan een miljoen mensen een angststoornis. Hoe is het zover gekomen? De bange mens is een boek over iets dat ons allemaal aangaat.
Over Coronakronieken: ‘Heerma van Voss vervlecht ook verhalen van anderen met zijn verhaal. Als scènes uit al die levens snel door elkaar zijn ge-
een even ontroerend als onthullend verhaal over een van de belangrijkste maatschappelijke thema’s van nu: angst
;88E ?<<ID8 M8E MFJJ
sneden, krijgt het verhaal iets wervelends, iets begoochelends. Het tilt het uit boven herkenbaarheid alleen.’ – de Volkskrant
de bange mens
91
de bange mens 1. Bloemen
Ik geef haar het bosje bloemen en ze begint te huilen. Trage tranen zijn het. Zij en ik staan in onze keuken, te midden van het decor dat we samen hebben opgebouwd, plank voor plank en kastje voor kastje. Mijn vriendin D., met wie ik iets meer dan vijf jaar samen ben, neemt de bloemen aan en snijdt snikkend stengels af, zachte maar kordate tikken op het hakblok. Bang voor wat komen gaat staar ik naar de koelkast, naar de foto’s van gemeenschappelijke vrienden die de afgelopen jaren zijn getrouwd, naar de geboortekaartjes van kinderen die nu onze namen kennen, naar de levens waar wij deel van uitmaken. (Soms fantaseren we erover dat wij ook ooit zo op andermans koelkast komen te hangen.) D. zegt dat ze zich de afgelopen weken radeloos heeft gevoeld. Ze legt de schuld weliswaar niet woordelijk bij mij, maar er kan geen misverstand over bestaan: ik ben de oorzaak. Beschaamd hoor ik van haar de vignetten van mijn gedrag aan, geen anamnese is zo helder of zo pijnlijk als die van je geliefde. Ik slaap niet goed, heb veel geruststelling nodig, zie op tegen elke afspraak buiten de deur. Als ik buitenkom, trek ik de capuchon van mijn hoody tot ver over mijn voorhoofd. ’s Nachts klapperen mijn tanden, ’s ochtends word ik schrikachtig en bezweet wakker. Als ze opstaat uit bed, probeer ik haar altijd te overtuigen om nog even te blijven liggen, nog even, even. Alleen ’s avonds voel ik me goed, omdat ik dan weer een dag heb doorstaan, en kenne92
daan heerma van voss
lijk vind dat ik daar een of ander lintje voor heb verdiend. Maar ik functioneer toch? Ze vindt van niet. ‘Ik ga toch naar mijn afspraken?’ ‘Je hebt dagelijks een paniekaanval in het trappenhuis.’ ‘Dat hoor je?’ Ze rolt met haar ogen. Ik weet dat ze mijn gehijg hoort, zij weet dat ik dat weet. Misschien hoop ik telkens dat haar gezicht in het trapgat zal verschijnen, of misschien kan ik gewoonweg niet anders. Of stel ik me aan? ‘Volgens mij durf je je schrijfkamer nauwelijks in.’ Ze heeft gelijk. Te lang leefde ik voor mijn werk. De euforie over een gehaalde deadline, die dopamine-rush, deed me telkens een nieuwe opdracht aannemen. Maar toen ik dat patroon inzag, besloot ik me niet te laten kennen, en nam ik juist nog meer werk aan. Het gevolg hiervan was dat ik op een dag, een paar maanden geleden nu, helemaal stopte, met alles. Ik had geen nieuwe plannen, geen ideeën, maar kende ook geen rust, zelfs geen verveling. Geen concentratie maar ook geen ontspanning. Gejaagde inertie, een nerveus nietsdoen, dat me alleen maar uitputte. Vrienden met solide levens opperden hobby’s als houthakken of klussen en keken me dan verwachtingsvol aan. Omdat ik niet steeds over mijn gevoelens wilde beginnen en elk ander gespreksonderwerp banaal of zelfs onecht voelde, zei ik in gezelschap weinig. D. vond het in toenemende mate jammer dat mensen niet zagen ‘hoe leuk ik was’. Op een gegeven mo-
ik, ‘te zeer neergedrukt, te angstig etc. En ik voel dan hoezeer dit anderen bedrukt. Dan hoop ik maar dat mijn zwijgen niet wordt opgemerkt, dat mijn gezelschap mij even niet ziet, dat ik onzichtbaar ben. Mijn allergrootste angst is dat ik de persoon die het meest van mij houdt uiteindelijk ongelukkig zal maken.’ Die periodes, waarin mijn angstigheid veranderde in paniek, duurden enkele weken, en dan waren er nog wat losse dagen, verspreid over het jaar. Maar het probleem was niet zozeer de bij elkaar opgetelde tijdsduur van de periodes – het was ook niet alsof er tussendoor geen lichtheid bestond, want die was er wel –, het ging om de onvoorspelbaarheid. Soms was het, zei D., alsof we schuilden voor een storm die we niet zagen opkomen. Tot hij ineens onontkoombaar was geworden en we er niet aan konden ontsnappen. En zij? Zij was ‘niet het verzorgende type’. Dat zei ze toen we een maand of wat samen waren. Het was een koude zondagochtend, de notenbomen aan het plein waren kaal, de wolken hingen laag. Ik schrok van de opmerking, die uit de lucht kwam vallen. Voorvoelde ze soms iets? Na een tijdje antwoordde ik toch maar. ‘Dat komt goed uit, want ik ben niet het type dat verzorging nodig heeft.’ En ik hoopte zo erg dat het waar was. Vandaag in de keuken bestook ik haar met fatalistische vragen – Komt het goed met me? Zal dit ooit overgaan? – waarop zij een genadig antwoord moet geven, iets wat ze werktuiglijk doet. ‘Waarom zet je nooit meer iets over ons op Instagram?’ vraagt ze terug. ‘Schaam je je soms voor me?’ ‘Hoe kom je daar nou bij?’ Ik deel niks over de bange mens
93
leesfragment
ment hield ze op dat te zeggen. Ik trok me terug in mijn eigen kamer, die de omschrijving ‘schrijfkamer’ niet meer verdiende. Ik zette podcasts en nieuwsuitzendingen aan, schiep een nevel van prettige stemmen waarvan ik het volume bepaalde en die nooit zwegen. Zolang deze stem klonk, hoefde ik niet bang te zijn. Zolang het avond was, hoefde ik niet bang te zijn. Zolang zij er was, hoefde ik niet bang te zijn. We hebben elkaar bij toeval ontmoet, in een café. Die allereerste avond sprak ze wel met me, maar ze keek me niet aan, haar desinteresse was bijna agressief. Ik besloot haar agressie na te bootsen en vroeg om haar nummer. Ik werd verliefd op haar zoals ik nooit eerder op iemand verliefd was geweest, zo heftig, zo zonder voorbehoud. Verliefd op hoe ze eruitzag, op haar stelligheid, op haar imitaties van mensen die we zojuist waren tegengekomen, op hoe ze het woord ‘flanel’ niet kon uitspreken, en op haar hoge standaarden, die me soms benauwden maar me ook het idee gaven dat ik, als ik háár gelukkig wist te maken, onmogelijk een mislukking kon zijn. En zij, vertelde ze me, had vóór mij nog nooit van een man gehouden. Tijdens onze eerste vakantie, op Sicilië, stelden we elkaar elke dag voor dezelfde keuze: nog tien dagen of tien jaar? Dat spel konden we ons permitteren omdat we het antwoord altijd wisten. Dat is de ene kant van ons verhaal. De andere kant van ons verhaal heeft te maken met iets wat ik kort voor onze ontmoeting in een dagboek heb omschreven: ‘Er zijn periodes dat ik niet goed in staat ben tot een normaal en zinnig gesprek,’ schreef
mijn (ons) leven omdat er volgens mij nu even niks is om te delen; ik ervaar slechts een ondeelbare dofgrijze stemming, waar niemand iets aan heeft. Nee, ook zij niet. ‘Weet ik het,’ zegt ze terug. Ze beweert me niet meer te herkennen. Ik ben niet meer degene op wie ze verliefd is geworden. ‘Wel nog degene van wie je houdt?’ ‘Dat wel, tuurlijk. Maar is liefde genoeg?’ Een maand geleden huurde ze een werkplek, zodat we overdag niet tegelijk thuis zouden zijn. Maar als ze ’s avonds thuiskwam, trof ze me in dezelfde staat aan als die waarin ze me die ochtend had achtergelaten. We experimenteerden met kleine veranderingen, om maar geen grote koerswijzigingen te hoeven overwegen. Vandaag draagt ze de rode sporttrui die we samen in Berlijn hebben gekocht, en een spijkerbroek die ik verwassen heb zien worden. Ik kan elk element van haar verschijning dateren en annoteren. Maar die tranen verrassen me toch. Ik heb ze eerder gezien, dat wel. Ze volgen me. Mijn andere vriendinnen hebben precies zo gehuild. Die tranen hebben met mij te maken, in zekere zin is het alsof ik ze telkens opnieuw uitleen, zonder het door te hebben, zonder mezelf ervan te kunnen weerhouden, en zonder ze zelf te laten. Ze stelt voor dat ze een tijdje ergens anders gaat wonen. Ik laat me zakken op het trapje dat de woonkamer van de keuken scheidt, adem diep in en uit, twee om drie seconden, zoals me is aangeleerd. ‘Dat is echt beter,’ zegt ze. ‘Op die manier kan ik mezelf weer terugvinden.’ Ik leg mijn hand op de houten vloer, alsof ik op zoek ben naar een hartslag, een bewijs dat ons huis nog levensvatbaar is. Ik beeld me in een vleugje van die verhitte houtgeur 94
daan heerma van voss
te ruiken, van neerdwarrelend zaagsel, uit die eerste klusweken. ‘Ben je jezelf kwijtgeraakt dan? Ik weet nog waar je bent.’ Ze schudt het hoofd, gaat zachter praten, of misschien dringen haar zinnen niet meer tot me door, ik versta alleen afzonderlijke woorden: ‘murw’, ‘leeg’, ‘moe’. Ik weet hoe iemand eruitziet die me pijn wil doen, ik weet hoe woorden klinken die bedoeld zijn om te kwetsen – dit is iets anders. Haar vertrek is een daad van lijfsbehoud. Ik zeg dat het heel naar is om te horen, maar dat ze alle ruimte moet nemen die ze nodig heeft. Tegen beter weten in hoop ik dat mijn toezegging haar genoeg lucht zal geven, dat mijn zogenaamde gulheid in mijn voordeel zal werken. Dat ze toch blijft. ‘Je bent steeds zo bang,’ zegt ze. ‘Heel veel mensen zijn bang,’ zeg ik. ‘Overal ter wereld.’ ‘Des te meer reden om uit te zoeken waarvoor ze bang zijn. Je moet er iets mee doen, anders wordt het niks.’ Ze kijkt me lang aan, een twinkeling van compassie in haar ogen. ‘Zie het anders als een reis.’ ‘Je weet dat ik niet graag alleen reis. Mensen kijken me raar aan.’ ‘Dan verzin je toch reisgenoten?’ ‘Kom je wel terug?’ ‘Dat hoop ik. Over een tijdje.’ ‘Tien dagen of tien jaar?’ Ze glimlacht. Regelmatig heb ik me voorgesteld hoe het einde van onze relatie eruit zou zien, een soort bezweringen zijn het, die scenario’s die ik, meestal in het donker, in bed, doorloop. Als een beetje gif dat ik inneem, om mezelf immuun te krijgen. Dat ingebeelde einde, die laatste scène, de breuk, voltrekt zich meestal thuis, in bed of in de deuropening, heel soms midden op straat, met wil-
komt. Is angst dan een emotie, een staat van zijn, een filosofische kwestie, een ziekte? Juist de ongrijpbaarheid van angst heeft me altijd gefascineerd en gefrustreerd, omdat de gevolgen ervan zo reëel en zo onontkoombaar zijn. Het zal daarom een lange reis worden, langs filosofen, kunstenaars, superhelden, langs angstlijders en medici, langs deskundigen en experts, door tijd en ruimte. Het is namelijk mijn indruk dat paden die er liggen, de vele studies en boeken over angst die al zijn geschreven, tekortschieten: ze isoleren één aspect van iets wat per definitie veelkoppig en ongrijpbaar is. Ze zijn niet foutief, maar onvolledig. Met mijn persoonlijke zoektocht zal ik proberen die aspecten met elkaar te verenigen en om gaandeweg een nieuwe routekaart te tekenen, die recht doet aan de uitgestrektheid van het fenomeen angst. En op die routekaart staan weinig rechte wegen. De bestemming verspringt steeds, en de weg erheen dus ook. Er zullen afslagen en kronkelpaden genomen moeten worden, en af en toe is er een cul-de-sac. Al die mogelijke windrichtingen maken het aanvankelijk moeilijk te bepalen wat de eerste etappe van de reis moet zijn. De eerste stille dagen nadat D. is vertrokken, weet ik niet wat te doen. Ik word vroeg wakker, uren voor de zon opkomt. Het is koud. D. bevindt zich nog in het systeem van het huis. De kamers ruiken nog naar haar zoete Japanse parfum. Ik doe een was, vouw haar hemdjes en sokken, aandachtig, alsof zij met me meekijkt. Hoewel ik nu alle ruimte heb, blijf ik aan mijn kant van het bed slapen. Op een gegeven moment, op een maandag of een vrijdag, op een ochtend of een avond, ontvang ik een uitnodiging van een vriend, de bange mens
95
leesfragment
de armgebaren. De gemene deler van die fantasieën: ik ben degene die zijn tranen niet de baas is. Ik wil nog iets zeggen, iets aardigs, iets liefs, maar mijn keel zit dicht. We omhelzen elkaar lang, veel langer dan normaal, haast kameraadschappelijk. De volgende dag heeft ze haar idee omgevormd tot een plan en de dag daarna heeft ze een etage bij een vriendin geregeld. Ik dwing mezelf om haar koers te accepteren en niet tegen te sputteren. Om eerlijk te zijn heb ik er bewondering voor dat ze überhaupt een koers heeft gekozen. De ochtend van haar vertrek spreken we af dat we elkaar over een tijdje weer zullen zien, als het juiste moment is aangebroken (over het wanneer blijven we vaag), in ons favoriete restaurant. Ze fietst weg, draait haar nek een kwartslag, bedenkt zich, kijkt strak voor zich uit. Dan ben ik alleen. Alleen, maar in het gezelschap van het idee dat ze heeft achtergelaten, het idee van een reis. Een reis naar wat angst precies is, waar het fenomeen vandaan komt, wat we ervan kunnen leren, wat we ermee moeten. Een onderzoek naar mijn angsten is een onderzoek naar angst in bredere zin, besef ik meteen. Ook omdat angst zoveel betekenissen heeft. Er is de overweldigende, alles overstemmende plotselinge vlaag van angst die we paniek noemen. De meer constante grondtoon van zorgelijkheid die angstigheid heet. De zeer gerichte angst, voor één object meestal, die we fobie hebben gedoopt. De iets minder gerichte angst voor interacties met mensen: sociale angst. En al die verschijnselen hebben een andere geschiedenis, en zijn door andere mensen bestudeerd. Er is geen organisme zo minuscuul dat het geen angstreactie kent, er is niemand zo groot dat hij aan angst ont-
die onlangs heeft besloten een buitenmens te zijn en dientengevolge twee schuren in een weiland ergens in Frankrijk heeft gekocht, die hij blokhutten noemt. Hij vraagt of ik bij hem op bezoek wil komen, de streek heet ook nog eens vallée de Misère. Een aanbod dat ik kortom niet kan weigeren. Ik stouw twee koffers vol met angstboeken en vertrek.
Halverwege, in België, terwijl mijn rammelende wagon uitzicht heeft over de asgrijze rookpluimen van de industrie van Charleroi, voor mijn gevoel op de vlucht zonder te weten waarvoor, besef ik dat de reis helemaal niet op het punt staat te beginnen. Hij is al begonnen, lang geleden, zonder dat ik het destijds wist. Dit boek verschijnt in april
Lees de romans van Boekenweekgeschenkschrijver Hanna Bervoets
96
Foto: Š Fjodor Buis
vi ncent merjenberg
Vincent Merjenberg studeerde Nederlands, werkte lange tijd bij een uitgeverij en geeft taalles aan nieuwkomers. Hij publiceerde verhalen in onder meer De Gids en Revisor. De grijzen is zijn romandebuut.
98
vincent merjenberg
de grijzen De grijzen in het kort: In de grensstad praat niemand over ‘de vondsten’: de lichamen van mannen, vrouwen en kinderen die rechtop in de aarde worden aangetroffen. Ze worden opgegraven in de buitenwijken, waar de hopelozen zich opmaken voor de gevaarlijke oversteek naar de andere kant van de grens. Lena, een jonge journalist, wordt vanuit de hoofdstad uitgezonden om onderzoek te doen. Ondertussen blikt een oude man vanuit zijn appartement in de hoogte terug op zijn beginjaren in de stad. Zijn herinneringen dwingen hem onder ogen te zien dat hij meer van de vondsten af weet dan hij wil. Hoe meer Lena te weten komt over de verborgen levens van de betrokkenen, hoe verder de oplossing uit zicht raakt. Totdat ze de verdwenen schrijver Onalov en zijn verloren gewaande manuscript op het spoor komt – en ze denkt de leegtes in haar onderzoek te kunnen opvullen. De grijzen is een ingenieus gecomponeerde roman over het kwaad en de dingen waartoe de mens onder bepaalde omstandigheden in staat is. Over de verhalen die we verzinnen om betekenis te geven aan wat we niet kunnen verklaren.
een ingenieus gecomponeerde roman over het kwaad en de dingen waartoe wij in staat zijn
Over Merjenbergs verhalen: ‘Mooi en geheimzinnig. Prachtige stijl.’ – Adriaan van Dis ‘Zorgvuldig geschreven. Er zit een opvallende rust in de stijl. Een licht absurdistische, licht surrealistische touch.’ – Oek de Jong de grijzen
99
10 vragen aan
vincent merjenberg Debutant Vincent Merjenberg werkte lange tijd bij een uitgeverij en geeft taalles aan nieuwkomers. In april verschijnt zijn roman De grijzen, over het kwaad en de dingen waartoe de mens onder bepaalde omstandigheden in staat is. ‘Ik praat niet zo makkelijk over boeken.’ 1. Met welke schrijver (dood of levend) zou je graag in gesprek willen gaan?
3. Wat is de beste openingsscène in een roman?
Mijn lievelingsschrijver Roberto Bolaño. Om hem van alles te vragen over zijn geweldige boeken natuurlijk, maar ook om hem te vertellen hoe beroemd hij is geworden na zijn dood en met het sublieme 2666. Ook zou ik willen vragen wat er nou echt waar is van wat er over hem geschreven is: dat hij behalve schrijver ook terrorist was, vuilnisman, infrarealist, troskist, dakloze, liefhebbende vader, heroïneverslaafde, fantast.
‘Ik was op zoek naar een plek om dood te gaan.’ (uit: Brooklyn dwaasheid van Paul Auster.) Kom maar op, denk ik bij zo’n openingszin! Ik hou ervan als een boek begint met een heldere vertelstem, vaak in de ik-vorm, waardoor je meteen het idee hebt dat je naar een Verhaal gaat luisteren. Paul Auster doet dat heel goed. Vaak zit er in de eerste zinnen een verwijzing naar een ingewikkeld verleden én naar een verrassende toekomst. Ik heb dat in De grijzen trouwens ongegeneerd nagedaan.
2. Wat was in je jeugd jouw favoriete kinderboek?
4. Heb je wel eens ruzie met je redacteur? De fantastische meneer Vos van Roald Dahl was het eerste boek dat ik echt geweldig vond. Ik hield als kind helemaal niet van lezen, maar van voetballen en oorlogje spelen, en dit verhaal was spannend en ook nog smerig en grof. Dat boeide me wel. Het was net alsof dit boek voor mij bedoeld was.
100
vincent merjenberg
Nee, dat is nog niet gebeurd. Maar De grijzen is nog maar mijn eerste boek. 5. Op basis van wat voor criteria koop je een boek? Meestal gewoon door een boek op te pakken in de boekhandel. Daarbij word ik
natuurlijk wel geholpen door recensies en andere aanbevelingen, maar in principe kies ik een boek uit op flaptekst, omslag, eerste alinea en een alinea ergens in het midden. 6. Over welk boek raak je niet uitgepraat?
verontrust me nog altijd een beetje – waar komt het vandaan, wat betekent het? Waarom doet die man zo raar? Het is een gruwelijk verhaaltje, maar ook best geestig. De andere verhalen die ik schreef voelen allemaal logisch en compleet, maar dit niet. Alsof ik er nog wat mee moet.
de grijzen
101
10 vragen aan
Ik praat niet zo makkelijk over boeken. Ik kan nooit goed uitleggen waarom ik een 9. Wat was het moeilijkste moment tijdens boek goed vond. Als ik heel enthousiast het schrijven van je nieuwe roman? ben, geef ik een boek wel graag cadeau. Zo hebben mijn vrienden deze boeken in Het moment halverwege. Ik was al twee hun kast staan: Wie zwijgt van Leo Benjaar bezig en het enige wat ik had was een edictus, Orkaanseizoen van Fernanda Mel- heel slecht, heel dik en vooral heel onaf chor, Treindromen van boek. Achteraf logisch Denis Johnson en Verhanatuurlijk, maar op het Ik hield als kind len van liefde, waanzin en moment zelf zwaar. Ik dood van Horacio Quirohelemaal niet van lezen. wist niet hoe ik verder ga. Onvoorstelbaar goemoest en voor opnieuw de, niet al te bekende beginnen, of aan iets anboeken waarbij ik net kan doen alsof ikders, voelde het te laat. Ik moest verder zelf ze ontdekt heb. werken aan iets waarin ik eigenlijk niet geloofde. Daarna begon de helft van het 7. Wat doe je als je helemaal vastloopt schrappen en herschrijven – heel bevretijdens het schrijven? digend. Hopelijk herken ik de volgende keer het moment dat je boek er op z’n Uithuilen bij mijn vrouw. Zij zegt dan dat slechtst bij ligt als het begin van die tweeik gewoon moet doorgaan. Daarna ga ik de, fijnere fase. weer achter mijn bureau zitten. 10. Wat zou je zijn geworden als je geen 8. Welk zelfbedachte personage laat je nooit schrijver was? meer los? Ongelukkig. Ik schreef voor De Gids een heel kort verhaal (‘De toonzetters’) over een man die op een dag wakker wordt en zijn vrouw en kinderen dood aantreft. Hij gaat daar nogal opgeruimd mee om. Dat verhaaltje Dit boek verschijnt in april
Foto: © Annaleen Louwes
vonne van der meer
Vonne van der Meer bouwde met 20 boeken – waaronder romans, verhalenbundels, novellen en toneel – een indrukwekkend oeuvre. Door haar lichte toon, juist waar het om grote kwesties gaat, is zij een onverwisselbare stem in de Nederlandse literatuur.
102
vonne van der meer
naar lillehammer Naar Lillehammer in het kort: Wat te doen als een moeder op een kinderspeelplaats je vraagt even op haar driejarige dochter te passen en vervolgens niet meer komt opdagen? Eerst neemt de kinderloze Cécile alleen de zorg voor het kind op zich, maar algauw krijgt ze de moeder erbij: de Nigeriaanse Gladys wil met haar oude leven breken en voelt zich in de stad niet langer veilig. Zelfs in een afgelegen vakantiehuis in de bossen bij Lunteren ontkomt ze niet aan de macht van haar pooier. Gaandeweg wordt het Cécile duidelijk waarom naar Lillehammer vluchten zo moeilijk voor Gladys is. Naar Lillehammer is geen thriller. Toch komt er een rechercheur in voor, een mortuarium en een verhoor. Het is een andersoortig boek in Van der Meers oeuvre en tegelijk ook helemaal niet, want het stelt vragen over goed en kwaad. Waar de één dodelijk bevreesd is voor ‘de vloek’ moet de ander haar eigen demon in de ogen kijken.
wat als een onbekende vrouw je vraagt of je even op haar driejarige dochter wil passen en ze vervolgens verdwijnt?
Over Vindeling: ‘Van der Meer heeft een subtiele verteltrant met psychologische inzichten die net onder de oppervlakte liggen.’ – Susan Smit naar lillehammer
103
naar lillehammer Een maandagmorgen, begin zomer. De eerste vakantiedag werd door Cécile Landsma, Ciel voor intimi, met gemengde gevoelens begroet. Jarenlang had ze precies geweten hoelang haar vakantie duurde en wanneer ze terugverwacht werd op het werk. Vrije tijd was tot nu toe iets overzichtelijks, aan data gebonden, een kwestie van weken, dagen – eindig en dus kostbaar. Maar ze had afscheid moeten nemen van haar oude baan en had geen idee hoelang deze periode van ledigheid die formeel vandaag begon zou duren. Vanochtend was ze eerst gaan zwemmen in het wijde diepe water waaraan ze sinds een halfjaar woonde. Na een paar honderd meter schoolslag tussen futen en eenden door had ze de oever van het Vogeleiland bereikt. Daar waar ze kon staan rustte ze even uit, voeten in de modderige bodem geplant, gezicht naar de zon gekeerd. Terwijl ze keek naar de schittering op het water voelde ze hoe de zon haar afgekoelde huid verwarmde en ze dacht: ik hoef helemaal niet op reis, het is hier al bijzonder genoeg. Ik ga mezelf niet zielig vinden. Na het zwemmen had ze ontbeten op haar balkon en zich gestoord aan het grote aantal vliegtuigen dat opsteeg van Schiphol, veel vaker dan op andere dagen. Het was spitsuur en zelfs binnen hoorde ze de Boeings overvliegen. Of het door het zware gebrom van de vliegtuigen kwam of door de uitpuilende envelop die al sinds vrijdag klaarlag om gepost te worden, wist ze niet maar algauw hield ze het thuis niet langer uit. Ze schreef het adres dat eens het hare 104
vonne van der meer
was op de envelop, schatte het gewicht en plakte er meer postzegels op dan nodig. Even later stond ze buiten en wurmde ze de envelop met ansichtkaarten, een paar foto’s en een brief van de man met wie ze ruim tien jaar getrouwd was geweest door de gleuf, zei ‘dag Fred’ en slenterde naar de nabijgelegen kinderspeelplaats. Ze had daar niets te zoeken. Zelf had ze geen kinderen en ook geen kind van een ander bij zich dat ze bezig moest houden. Maar er waren daar zowel banken in de zon als in de schaduw, er klonk geroezemoes en er was van alles te zien. Cécile koos de enige nog vrije bank in de zon schuin tegenover het rek met schommels; over een uur zou het hier te warm zijn maar dan was zij allang weer weg. Als kind had ze eindeloos geschommeld en het beeld van drie schommels die daar naast elkaar hingen te wachten wekte een stroom gelukkige herinneringen op aan heen en weer, minutenlang, de wind door je haren en langs je blote benen. Hoe je vaart kreeg door je bovenlichaam naar achteren te gooien terwijl je je voeten naar voren schopte. Vanuit de verte klonk gehei, dwingend als de tik van een metronoom. Het was dit monotone gedreun, herinnerde ze zich nu, dat haar vanochtend vroeg had gewekt. De eerste palen van twee nieuwe restaurants op de landtong moesten nog voor de bouwvak de grond in. Na een minuut of wat hield het gestamp weer op. Ze leunde achterover, haalde een flesje water uit haar tas en nam een slokje. ‘Als dit Ier-
hoofd, maar met een andere haardracht zou ze haar misschien niet eens herkennen. De peuter ging voor de middelste schommel staan en wachtte tot haar moeder haar erop tilde. Veel ouder dan twee-, drieëntwintig kon ze niet zijn; een meisje nog maar met perfect gemanicuurde handen en voeten, de vingernagels waren in dezelfde auberginekleur gelakt als de nagels van haar tenen. Een kind met een kind. Negenenveertig, het kon niet meer, sinds een jaar was ze opgehouden met bloeden. Ze wist niet wat ze zou doen als ze nu nog een kind in de schoot geworpen kreeg. Ze raakte net gewend aan alleen wonen en de luxe zelf over haar tijd te kunnen beschikken. De moeder gaf het kind een zetje, nadat ze zich ervan verzekerd had dat het meisje zich goed vasthield aan de kettingen deed ze een stap achteruit en duwde iets harder. Met een lach die diep uit haar buik leek te komen, wierp het kind zich achterover en riep: ‘Hoger, mama!’ De vrouw duwde met één hand nu terwijl ze met haar andere naar haar broekzak tastte. Een bericht op haar telefoon eiste haar aandacht op en ze sloeg twee, drie zetjes over. Ze tikte of sprak geen antwoord in, maar keek een paar keer schichtig over haar schouder en ook naar de weg die langs de speelplaats liep, aan de andere kant van het fietspad. De schommel dreigde tot stilstand te komen, het kind protesteerde maar de moeder reageerde niet. Het heien was weer begonnen, in een hoger tempo leek het wel, de palen werden de grond in gemept. Verstoord keek Cécile over haar schouder in de richting van het geluid en toen weer naar moeder en kind. De roze telefoon verdween in de achterzak, het duwen werd hervat, maar de moeder was er naar lillehammer
105
leesfragment
land was, zou ik beter kijken’, had ze eens gelezen. Goed, ze wilde best doen alsof dit in een ver buitenland was. Moeders met en zonder hoofddoek draafden achter hun peuters aan, een vader trapte een bal naar zijn zoontje dat net kon lopen. Was geen voetballer maar kon het wel worden, en daarom bleef de vader onvermoeibaar voordoen hoe de bal het best genomen kon worden. Kijk zo, op de zijkant van je voet, kleine kampioen. Ook al verstond ze geen Turks, ze begreep wat hij zei. De speelplaats werd bevolkt door Marokkaanse en Turkse gezinnen, op een kortgerokte moeder na die zich over een kinderwagen boog. Vast een Poolse, tussen haar gezicht en dat van de huilende baby bungelde een stevig kruis. Zoveel verschillende talen en Cécile verstond er niet één. Het verbaasde haar al niet eens meer, ze was er inmiddels aan gewend in een buurt te wonen waar zij tot een minderheid behoorde. Sterker nog: van oorsprong Nederlands, vrijgezel en geen moslim – ze droeg een kruisje maar onder haar kleren – maakten haar tot een drievoudige uitzondering. Niet eerder in haar leven had ze zo haar best gedaan om haar goede wil te tonen, ze knikte en glimlachte zich suf. Eerst zag ze één man omkijken, een paar andere verrekten zowat hun nek toen ze een donkere moeder aangaapten die blootsvoets, hoge hakken in de hand, langzaam achter haar dochter aan naar de schommels liep. Over het hoofd van het kind heen keek de vrouw haar aan en glimlachte terug met opgetrokken wenkbrauwen: jij hier? Geen idee waar ze elkaar van zouden kunnen kennen, van op straat waarschijnlijk, of uit een winkel. De vrouw had haar afrokapsel bijeengebonden in een knot midden op het
met haar hoofd niet meer bij. Of ze voelde dat ze geobserveerd werd of uit het niets een ingeving kreeg, keek de vrouw plotseling haar kant op en wenkte – een dwingend gebaar. ‘You!’ ‘Ik?’ ‘Ja, you, come! Please!’ Gehoorzaam deed ze wat er gevraagd werd. De vrouw gebaarde dat zij naast haar moest komen staan, achter de schommel. ‘Kunt u misschien,’ ze begon haar verzoek in het Nederlands, met een Vlaamse tongval, maar ging toen op Engels over. ‘Can you take my place for a minute?’ ‘Natuurlijk. Maar waarom?’ De vrouw wees naar een huizenblok even verderop, schuin achter haar, en trok haar schoenen vast aan. ‘I need something from there.’ Wijsvinger op de lippen, knikje naar de schommelende peuter, naar een achterhoofd met een heleboel vlechtjes. ‘If I tell my daughter she cries.’ ‘Okay, of course. I understand. ‘ De vrouw gaf het kind nog een zetje. ‘Just push,’ zei ze en ze maakte zich uit de voeten. Tussen twee duwtjes door veegde Cécile haar handpalmen af aan haar linnen overhemdjurk, verder durfde ze zich amper te verroeren, beducht dat een gebaar, een kuchje of de geur van haar zonnebrandcrème factor 50 haar zou verraden. Schommelen schommelen heen en weer/ hoe harder ik duw hoe harder je keert – nog net op tijd slikte ze het liedje in. Duwen, wachten, duwen – minutenlang deed ze niet anders. Iets in de situatie deed haar denken aan hoe haar vader vroeger op sinterklaasavond ongezien wegsloop via de 106
vonne van der meer
keuken naar de andere kant van het huis, om daar op de voordeur te bonzen. Met een beetje geluk kwam de vrouw gauw terug, dan kon zijzelf ook weer op huis aan. Plannen maken voor de rest van de dag; de bioscoopladder bekijken, er draaiden zeker drie films die ze graag wilde zien. Als het vanavond wat koeler werd zou ze op de tennis-app kijken of er een partner beschikbaar was, desnoods in haar eentje een paar ballen tegen een muur slaan. Ze wist niet of ze er zin in had, maar het kon. Ze blies een lok van haar voorhoofd. De zon stond alweer hoger, de speelplaats werd langzaam leger. Ze keek over haar schouder naar de flats, naar het pad tussen twee huizenblokken, waar ze de vrouw voor het laatst had gezien. Er pal achter lag een hoger appartementencomplex, voor hetzelfde geld woonde de moeder daar, verder weg en nog langer lopen hiervandaan. De blonde Poolse drapeerde een lakentje over de kap van de kinderwagen en klemde het met een wasknijper vast, liep naar een ouder jongetje dat in een klimrek hing en zette hem een petje op. De vrouw wuifde zich koelte toe, en knikte naar haar met een blik van verstandhouding. ‘Ja, warm hè,’ riep Cécile terug, geschrokken sloeg ze haar hand voor haar mond. Het was al te laat, de peuter op de schommel draaide zich met een ruk om en plantte haar voetjes op de rubbertegels. Abrupt kwam de schommel tot stilstand en als het meisje zich niet aan de kettingen had vastgeklampt, was ze achterovergeklapt. Verschrikt staarden ze elkaar aan. ‘Je moeder komt zo terug.’ Ze herhaalde in het Engels zo kalm als ze kon dat mama er heus zo aan kwam. Ze wees in de richting waar de moeder verdwenen was. Het kind
keek met haar vinger mee en toen weer met grote ogen naar haar.
Hand in hand liepen ze het pad af dat de moeder was ingeslagen. Hans en Grietje hadden tenminste nog broodkruimels die hun de weg wezen. Ze lette goed op of Faith een blijk van herkenning gaf, uit zichzelf een bepaalde route liep, maar het meisje ging waar zij ging, alleen beduidend langzamer. Er zat niets anders op dan zich aan haar tempo aan te passen. ‘Wonen jullie hier, of daar dan misschien?’ Faith schudde telkens van nee of gaf helemaal geen sjoege. Cécile liet haar blik langs de balkons gaan van de lage rode bakstenen flats aan het Oeverpad. Leeg op een stoel of plantenbak na, de meeste gordijnen waren dicht. De bewoners waren aan het werk of met vakantie. Vanzelf belandden ze in haar eigen wijk, de oudste van de buurt, in de jaren zestig verrezen. Elk van de zes gebouwen van Torenwijck telde twaalf verdiepingen met zes appartementen. In die van zestig vierkante meter woonden vrijgezellen of jonge stellen, maar de grotere appartementen herbergden vaak hele gezinnen. Ze kon zo snel niet uitrekenen hoeveel bewoners de torens bij elkaar opgeteld huisvestten, maar van naar lillehammer
107
leesfragment
Tijd rekken, afleiden, dacht Cécile en ze knikte naar de wip en ging er uitnodigend op zitten, haar knieën hoog opgetrokken, haar voeten op te kleine steuntjes. Prees de glijbaan aan als zeer de moeite waard en ook het klimrek, het hangnet, de draaimolen. Dat de peuter zich wenend op de grond zou werpen of wegrennen, alles had ze verwacht maar niet deze stilte. Vanaf het moment dat het kind de wisseltruc had ontdekt, had het nog geen kik gegeven maar haar donkere ogen hielden alles nauwlettend in de gaten. De Poolse maakte aanstalten om te vertrekken, voordat ze weg kon lopen schoot Cécile haar aan: of zij de moeder van het schommelkind misschien kende, van gezicht uit de buurt? Of zij toevallig wist waar dit meisje woonde? ‘Die vrouw laat haar kind bij u en u weet niet waar zij woont?’ vroeg ze in onberispelijk maar een beetje stijf Nederlands. ‘Inderdaad.’ ‘Ook niet hoe zij heet?’ ‘Nee.’ ‘Ach, wat vervelend voor u.’ Een kort knikje, gehaast verliet de Poolse met haar kroost de speelplaats alsof ze een probleem rook waar ze niet bij betrokken wilde raken. Cécile keek op haar horloge, een loos gebaar, want ze wist niet hoe laat ze hier was neergestreken. Ze haalde de waterfles uit haar tas, nam een slok en bedacht dat als zij dorstig was, het kind het ook moest zijn. Ze keek naar beneden, zag zichzelf door de ogen van de peuter: een reus op melkwitte stelten. Vlug zakte ze door haar knieën. ‘Ik ben Ciel, en jij, hoe heet jij?’
Het bleef stil en ze herhaalde haar vraag. Face, verstond ze eerst, zoals in Facebook. Pas toen het meisje haar naam nog eens zei hoorde ze de th, de subtiele lispelklank die zij niet kon uitspreken zonder het gevoel te hebben dat ze tekortschoot, dat het beter kon, Britser: Faith. ‘Wil je een slokje water?’ Gulzig nam het kind een slok, het water gutste over haar gele t-shirt. Toen ze uitgedronken was, stak Cécile haar hand uit en zei: ‘Kom, Faith, we gaan je moeder zoeke
die honderden bewoners moest iemand toch weten waar Faith woonde. Logischerwijs, statistisch gezien. Niet precies op welk huisnummer maar ongeveer zodat ze iets gerichter kon gaan zoeken. In het langgerekte plantsoen tussen de woontorens was een vrijwilligster onkruid aan het wieden. Cécile kende haar wel van gezicht. In ieder geval groette ze hen altijd allemaal, de hoedsters van asters, ooievaarsbekjes en klokjes waarvan zij de naam niet kende; van siergrassen met blonde pluimen waar het licht ijl doorheen scheen. Het plantsoen aan de voet van de torens was er voor iedereen, maar werd door een paar bewoners onderhouden. ‘Mag ik even storen?’ Ze hield stil bij de vrouw, die beschermd door een strooien hoed zo groot als een wagenwiel in de aarde wroette. Blauwe ogen keken haar vanonder de rand vragend aan. ‘Heeft u misschien de moeder van dit meisje gezien? Donkerder nog dan zij. Spierwitte broek, lila topje.’ ‘Nee, en ik ben hier toch al zeker een halfuur aan het werk.’ ‘Ja, geweldig.’ ‘Iemand moet het doen.’ ‘De tuin is nog nooit zo mooi geweest. Heb ik me laten vertellen.’ ‘U woont hier nog niet zo lang?’ vroeg de vrouw. ‘Ruim een halfjaar.’ ‘Eerst al die weken regen en nu zon. Dan schiet het de grond uit. Bloemen en onkruid.’ De vrouw trok een pol uit de aarde en wierp hem rakelings langs hen heen op een berg tuinafval naast de containers. Cécile veegde wat aarde van haar jurk. Als ik over een paar maanden nog geen nieuwe 108
vonne van der meer
baan heb sluit ik me bij jullie aan, had ze bijna gezegd maar bijtijds herinnerde ze zich dat ook bewoners die werkten in de tuin hielpen. Een baan was een pover excuus, ze moest geen belofte doen die ze niet kon waarmaken. ‘Misschien weet Huib het.’ De vrouw knikte naar de huismeester, die juist de weg tussen de torens overstak. ‘Huib heeft meer ogen dan de torens ramen hebben.’ Cécile was altijd uiterst beleefd tegen de boomlange huismeester, die met een assistent drie van de zes torens onder zijn beheer had. Een machtig man, en je kon nooit weten wanneer je hem weer nodig had. Huib was hier geboren, zijn ouders behoorden tot de eerste lichting bewoners. Hij kende iedereen, wist alles, kon alles repareren. Hij stond meteen stil toen ze hem aanschoot, de armen stram langs zijn lichaam, een militair op appel. Vragen beantwoorden over haperende liftdeuren, te strak afgestelde drangers was zijn werk, niemand kon zo goed stilstaan en tegelijkertijd laten merken dat hij dringend ergens heen moest met zijn hogedrukspuit als Huib. Hij was nieuwsgieriger dan de tuinvrijwilligster en stelde een paar vragen waar Cécile zo gauw geen antwoord op had. Voortdurend ging zijn sceptische blik van Faith naar haar en terug. Ze paste op een kind van wie ze helemaal niets wist, zelfs geen achternaam? Toen ze voor de zoveelste keer nee schudde, ook een telefoonnummer had ze niet, wees hij met zijn rode bahco naar de andere kant van de grote weg. ‘Schuin tegenover de speelplaats zit het politiebureau. Daar zou ik haar maar naartoe brengen.’ Hij liep alweer door, ze kon hem nog net bedanken, maar overwoog geen seconde zijn advies op te volgen. De gedachte alleen
Het kind kan er niets aan doen dat het nog niet zindelijk is, geen schone luier bij zich heeft en ook geen telefoonnummer of adres. Aardig blijven, bewaar je geduld. Knarsetandend en met hoekige bewegingen spreidde ze een handdoek uit op haar bed. Legde het kind erop. Liep met een nat washandje heen en weer tussen bed en badkamer. Water genoeg en talkpoeder ook, maar niets wat dienst kon doen als luier, zelfs geen maandverband waar ze iets luierachtigs van kon fabriceren. Een theedoek dan maar, daarvan had ze er genoeg. Na twee, drie keer vouwen en dankzij de grote speldsluiting van een jugendstil-broche zakte de doek niet meer af toen Faith erin wegstapte. Althans niet meteen, voor even kon het wel. Probleem opgelost, en het volgende diende zich alweer aan. Er moest verder gezocht worden. Iedere minuut dat ze binnenbleef verspeelde ze de kans de moeder, die nu ook vast naarstig op zoek
was naar haar kind, terug te vinden. Kende ze maar iemand van wie ze een wandelwagen kon lenen, te voet schoot het niet op. Nu wreekte het zich dat ze de eerste maanden in haar nieuwe buurt niet de tijd had genomen voor iets meer dan een kort goedemorgen of goedenavond in de lift. Met de fiets aan de hand, een arm om Faith op de bagagedrager heen geslagen, ‘benen wijd anders komen je voeten tussen de spaken’, liep ze naar de dichtstbijzijnde fietsenwinkel. Een nieuw kinderzitje was de moeite niet, legde ze de fietsenmaker uit, kon ze er eentje lenen? Faith stribbelde hevig tegen toen ze er door de jongen in werd getild, en nog meer toen haar voeten in de plastic beugels werden gewurmd. Misschien was ze niet gewend aan voor op de fiets, had ze honger of alweer dorst – er kon van alles aan de hand zijn. Even later fietste ze, via een supermarkt waar ze een pak luiers en iets te eten kocht, terug naar de speelplaats. Bij het naderen van de plek werd Faith onrustig, maar toen duidelijk werd dat haar moeder in geen velden of wegen te bekennen was, liet ze zich afleiden door een stuk ontbijtkoek en een halve banaan. Op de bank waar Cécile die ochtend nog van een afstandje had zitten kijken hoe een moeder haar dochter op een schommel tilde, zat nu een jongen in een glanzend, strak shirt, een plat tasje kruiselings over de borst. Blik onafgebroken op zijn telefoon gericht. Een dealer, had zijn handel afgehaald bij de coffeeshop aan de boulevard langs de Zuidoever en wachtte tot hij door een klant gebeld werd. Zijn scooter stond zolang op de parkeerplaats voor de coffeeshop. Het wemelde daar van de scooters en dure auto’s van mannen die hun zonnebril naar lillehammer
109
leesfragment
al dat ze het kind als een gevonden voorwerp op het politiebureau zou achterlaten maakte haar opstandig. Hier is ze, en dan had je je burgerplicht weer gedaan – waar was ze trouwens? Ze ontdekte het meisje, gehurkt bij een bloembed. Had zeker iets gezien dat dringend onderzocht moest worden, een veertje of een dode hommel. Al voor ze zich vooroverboog, rook ze wat haar had doen hurken. Doordat er geen zuchtje wind stond bleef de penetrante poepluierlucht om Faith heen hangen en vanaf het moment dat zij het kleine handje vastpakte en het kind meeloodste naar de ingang van de flat, de hal door, wikkelde de lucht zich ook om haar heen als een stuk plastic folie. Ze was blij dat er niemand bij hen in de lift stapte.
zelfs na zonsondergang niet afzetten. Als de jongen hen al vanuit zijn ooghoeken had zien aankomen, besloot hij hen te negeren. Ook zij had zich aangewend zulke gastjes niet langer dan nodig aan te kijken, en al helemaal niet te observeren. Voor je het wist was je getuige van iets wat je niet had mogen zien. Ze kon de verleiding niet weerstaan en bekeek hem nog eens, beter nu; vroeg zich af of hij daar wel zo toevallig zat of een boodschap had van de moeder van Faith. Met haar fiets aan de hand stak ze de speelplaats over, rechtstreeks op de jongen af, die zonder op of om te kijken opstond en wegbeende. Faith had koek en banaan inmiddels op, voedsel dat er ook weer uit zou komen. Haar handje voelde kleverig aan toen het de hare zocht. Cécile wierp een blik opzij, naar het politiebureau aan de overkant. Al twee keer was ze daar geweest om naar een sleutelbos te informeren die ze in de chaotische week van haar verhuizing was verloren. Toen ze haar reservesleutels had laten kopiëren, verloor ze haar sleutelbos nog eens, alsof iets in haar zich verzette tegen de breuk met haar oude leven en een bellenbord met alleen haar naam erop. Ze gaf een bemoedigend kneepje in het kleefhandje. Misschien zou ze Faith op zeker moment bij het bureau moeten afleveren, maar zover was het nog niet. Het was zaak zo lang mogelijk buiten te blijven en zichtbaar. Met Faith voorop kamde ze de buurt verder uit, systematischer dit keer. Bij elk appartementencomplex in de buurt – Schuit, Schutterstoren, Zilverreiger – vroeg ze: Wonen jullie hier? Ken je deze ingang, deze brede opgang, deze trap? I need something from there, het handgebaar kon naar vlakbij maar evengoed naar verder weg verwijzen, en there wilde nog niet zeg110
vonne van der meer
gen dat ze daar woonde. Daarom stelde ze ook andere vragen: Wat voor werk doet mama? Ze illustreerde haar vragen met gebaren van poetsen, knippen, inschenken, en merkte dat ze steeds inventiever en expressiever werd, als na het spelen van een paar rondes charade. De ogen van Faith werden almaar groter wanneer zij weer een nieuw beroep uitbeeldde, niet van herkenning maar van verbazing. Vanzelf kwamen ze in het park terecht. Onder de bomen langs het water was het koeler en ze pauzeerden even. Kochten een ijsje. Aten het op in het gras, fietsten nogmaals door de buurt. Toen het hoofdje voor haar steeds vaker vooroverknikte, begreep Cécile dat er niets anders op zat dan naar huis te gaan. In de hal van haar flat besloot ze, hoewel ze handen tekortkwam, de avondkrant vast uit haar postvak te halen. Vooruitdenken – zoveel had een halve dag met een kind haar wel geleerd. Eenmaal boven zou het lastig worden even snel naar beneden te glippen. Behalve de krant was er alleen een huis-aanhuisblad bezorgd met tips voor thuisblijvers, maar toen ze het stapeltje uit haar postvak viste dwarrelde er nog een los velletje op de vloer; ze boog zich voorover en raapte het van de tegels. Dear lady, Please take care of Faith. I will be away for a few days to find a safe place where we can live. She cannot sleep in the streets. God bless you, Gladys A few days was doorgestreept, a while stond erboven en dit alles in een keurig schoolmeisjeshandschrift. Verschijnt in februari 2021
WORD GRATIS LID VAN
• Via onze nieuwsbrief maak jij iedere maand kans om gratis een boek te recenseren • Op Instagram staan de leukste winacties • Bekijk onze Facebookpagina voor de beste boekentips Wat moet je doen? Meld je aan voor de nieuwsbrief via www.atlascontact.nl/echte-lezers
Volg ons op Instagram @declubvanechtelezers en Facebook declubvanechtelezers
Foto: Olivier Middendorp
l e e n s cha a p
Leendert Schaap (1961) werkt sinds 1984 bij de Amsterdamse politie in allerlei functies, van inspecteur bij het destijds roemruchte bureau Warmoesstraat, wijkteamchef in de Bijlmer ten tijde van de vliegtuigramp tot commissaris van politie. Van 2016 tot 2019 gaf hij als commandant leiding aan de Amsterdamse brandweer.
112
leen schaap
brand in amsterdam Brand in Amsterdam in het kort: Leen Schaap wordt in juni 2016 door toenmalig burgemeester Eberhard van der Laan aangesteld als commandant van brandweer AmsterdamAmstelland met de moeilijke opdracht deze te moderniseren, en de weerbarstige cultuur te doorbreken die doorspekt is met racisme, seksisme en machtsmisbruik. Hij ondervindt vanaf dag ĂŠĂŠn ongekende weerstand bij de kazernes in de hoofdstad, die iedere vorm van verandering blokkeren. De machtsstrijd die ontstaat gaat gepaard met politieke spelletjes, intimidatie en bedreigingen. In Brand in Amsterdam vertelt Schaap niet alleen dit ongelooflijke verhaal, maar legt hij ook bredere verbanden om te laten zien dat dit soort misstanden helaas geen incidenten zijn. Over de hele wereld zijn vergelijkbare voorbeelden te vinden; denk aan het racisme bij de Amerikaanse politie of de invloed van rechts-extremisten in het Duitse leger. Het zijn uitwassen van een verziekte cultuur, waarin gelijkheid en diversiteit ver
een onthullend inkijkje in een verziekte en gesloten cultuur
te zoeken zijn. En dat in organisaties die juist een voorbeeldfunctie voor de maatschappij zouden moeten hebben. brand in amsterdam
113
brand in amsterdam Onkreukbare overheid?
Die onwrikbare knie in de nek; het met brute kracht op het asfalt gedrukte hoofd van George Floyd. Met honderden miljoenen mensen kan ik meekijken hoe het laatste beetje leven langzaam uit de weerloze man wegvloeit. Ik merk dat mijn aandacht wordt getrokken naar de agent die op de stervende man zit. Zijn zonnebril nonchalant boven op het hoofd, zijn linkerhand losjes op het dijbeen. Zijn gelaatsuitdrukking onveranderd emotieloos, onbereikbaar voor het publiek om hem heen dat hem smeekt om die knie van de nek van Floyd te halen. Ik wacht op het moment dat hij samen met Floyd op zal staan om hem daarna rustig in de politieauto te laten plaatsnemen. Dat mijn oog werd getrokken naar de agent en niet naar de smekende man onder zijn knie komt waarschijnlijk door mijn beroep: ik ben politieman. In de loop der jaren heb ik zelf heel wat aanhoudingen verricht. Soms met toepassing van noodzakelijk geweld, maar als het kon zonder. George Floyd leek me op dat moment niet gewelddadig en ik zag ook geen dreigend gevaar voor de politieman; en dus viel het handelen van Derek Chauvin me vooral op. Ik zag dat hij niet alleen was; er waren drie andere politieagenten in de buurt. Niemand deed iets. Waarom eigenlijk niet? Wat gebeurde er die dag in Minneapolis? (…)
114
leen schaap
Ook in Europa kwamen schokkende gebeurtenissen binnen geüniformeerde beroepen aan het licht. Zo berichtte het Franse dagblad Le Parisien bijvoorbeeld in mei 2019 dat de politie van Parijs zeven brandweermannen had opgepakt die verdacht werden van een groepsverkrachting. De mannen, die de betreffende zaterdagavond geen dienst hadden, zouden zeker drie vrouwen hebben meegenomen naar hun kazerne in het veertiende arrondissement. Een van de vrouwen, een Noorse studente, diende later een klacht in bij de politie. Volgens de studente zou ze in het gezelschap van een van de brandweermannen rond vier uur ’s ochtends naar de kazerne zijn gegaan. De vrouw zou hebben bevestigd dat ze daar met haar instemming seks hadden. Vervolgens zouden er zes of zeven andere brandweermannen bij zijn gekomen en haar verkracht hebben, aldus Le Parisien. (…) De gevallen van ambtenaren die zwaar over de schreef gaan, lijken zo langzamerhand niet meer als incidenten te kunnen worden afgedaan. Het aantal mensen dat zich aan dit soort gedrag schuldig maakt is te talrijk om nog te spreken van ‘incidentele misstappen’, en de groep die ervan moet weten en zwijgt is te groot. Het gedrag beperkt zich ook niet tot één club mensen en is aantoonbaar ‘beroepsgroepoverschrijdend’. Wat mij misschien nog wel het meest schokt is dat het hier gaat om overheidsdienaren. Ambtenaren. Mensen in dienst van
opgehaald. Zijn collega’s verklaarden voor de rechter dat deze man zo’n fijne brandweerman was en een goed mens, verre van racistisch. Maar er waren handtekeningen bij van brandweermannen die nog nooit met deze man hadden samengewerkt. De klokkenluiders werden verguisd en beschimpt; de getuigenverklaringen in het onderzoek werden binnen de brandweer door anoniemen verspreid en de namen van de melders geopenbaard om de haat tegen hen op te voeren. Dit is zomaar een voorbeeld, en zeker niet het meest schokkende, van gedragingen binnen de brandweer waarvan ik er nog vele in dit boek zal beschrijven. Ik ben ervan overtuigd dat het overgrote deel van de politiemensen, soldaten, ambtenaren van de Belastingdienst, brandweermannen en alle andere overheidsdienaren dit soort gedrag in eerste instantie zal verwerpen. Maar ergens ontstaat er soms wel een gezamenlijke kern van afwijkende normen en waarden en is er een voedingsbodem om deze te laten groeien. Om te laten zien hoe zo’n cultuur in Nederland, maar ook elders in de wereld, kan ontstaan en groeien en hoe die bovendien, gedragen door een ijzersterk imago en politiek-bestuurlijk falen, in stand kan blijven zodat de rot onder de oppervlakte kan blijven voortwoekeren, maak ik u deelgenoot van mijn ervaringen bij de Amsterdamse brandweer. Vervolgens probeer ik daar enkele lessen uit te trekken die overheidsorganisaties die met hetzelfde geconfronteerd worden zouden kunnen helpen. Er moet iets aan deze cultuur gedaan worden, en dat begint met een onderzoekende, kritische houding. De zaak George Floyd is geen incident maar een uitwas van een disfunctionele culbrand in amsterdam
115
leesfragment
de overheid met als taak ‘het dienen van het volk dat hen betaalt’. Ze hebben overwegend het imago van nette mensen die alles volgens de regels doen. De mensen in de kantoren zelfs een tikje saai en bovenal braaf. Toch roept Derek Chauvin niet bepaald het bekende politiemotto ‘To Protect and to Serve’ in herinnering als hij George Floyd met zijn knie verstikt. Dat hetzelfde geldt voor neonazisme en verkrachting behoeft geen nader betoog. Deze voorbeelden van wangedrag door overheidsdienaren komen bovendien niet uit landen die wij vanuit onze westerse democratische wereld als onderontwikkeld zien, met een niet of slecht functionerende overheid en een dito ambtenarenapparaat. Landen waar corruptie en machtsmisbruik aan de orde van de dag zijn. Ze komen uit de Verenigde Staten, Duitsland, Frankrijk, en ja, ook uit België en Nederland. Moderne westerse democratieën waar je deze wantoestanden niet zou verwachten. En ze roepen de vraag op: Hoe kan dat? Achteraf wijst zowel dader als organisatie meestal beschuldigend naar de ontstane ‘cultuur’. Maar wat is er dan aan de hand met die cultuur? Hoe kan die anno 2021 nog bestaan? Waarom wordt er door collega’s en verantwoordelijken bij misstanden niet doortastend ingegrepen? Die vragen heb ik mijzelf de afgelopen jaren vaak gesteld. In mijn tijd bij de Amsterdamse brandweer maakte ik heel wat misstanden mee. Zo deed een brandweerman tijdens het werk sterk racistische uitlatingen en maakte hij zelfs openlijk bezwaar tegen meewerken aan een brandoefening in een moskee. Toen hij hiervoor werd bestraft, sloten de gelederen zich binnen de brandweer en werden er in de kazernes handtekeningen voor hem
tuur. Het is tijd dat de schellen ons van de ogen vallen en we van onze ambtenaren eisen dat ze zich gedragen zoals we dat verwachten van de mensen die zij dienen. (…)
De eerste week In mijn zojuist aangemeten brandweerpak rijd ik door de stad. Het ruikt zoals nieuwe kleding ruikt. Het uniform zit nog niet erg soepel en het jasje is iets te groot – het formaat van een echte brandweerman zal ik nooit krijgen. Ik ben met een deel van de korpsleiding en mijn secretaresse onderweg naar de brandweerkazerne Dirk, waar ik op mijn eerste dag als commandant van de Amsterdamse brandweer ga kennismaken met de brandweermannen. Ik heb er ontzettend veel zin in. Hoewel ik weet dat de klus die me te wachten staat heel pittig zal zijn, kijk ik uit naar de samenwerking met een professionele club mensen die samen met mij de brandweer vooruit wil helpen. We lopen kazerne Dirk in – de Amsterdamse kazernes heten Anton, Dirk, Driemond, Hendrik, Nico, Osdorp, Pieter, Teunis, Victor, Willem, IJsbrand en Zebra. Dirk in Amsterdam-Zuid is de oudste nog operationele brandweerkazerne van Nederland. Bij de deur van de kazerne worden we verwelkomd door een wat nerveuze bevelvoerder. Hij kijkt mij schichtig aan en komt niet goed uit zijn woorden. Een nieuwe commandant is altijd spannend, denk ik nog. De twee brandweerauto’s staan binnen, maar er zijn geen mensen te zien of te horen. Het is er onheilspellend stil. Geen kakofonie van pratende en roepende brandweerman116
leen schaap
nen, geen gulle lach of Amsterdamse kwinkslag. Er klopt iets niet. Dan vertelt de bevelvoerder me wat er aan de hand is. Hij is duidelijk niet op zijn gemak. De mannen hebben na onderling overleg besloten om de nieuwe commandant niet op dag één te willen ontmoeten. Een simpel handje schudden, een sympathiek woord, of desnoods gelijk maar een discussie is kennelijk al te veel voor hen. Ze hebben besloten om in het krachthonk te blijven. Volgens de bevelvoerder heeft het te maken met de gevoerde cao-acties, maar als ik vraag wat een nieuwe commandant daarmee te maken heeft, heeft hij daar geen antwoord op. Het doet me denken aan een gebeurtenis uit mijn begintijd bij de Amsterdamse politie. Als verantwoordelijk officier voor de nachtdienst in de stad kwam ik eens binnen bij een bureau in de binnenstad waar men onderuitgezakt alleen maar naar het plafond staarde en een kwartier lang niets zei. Ze hadden lak aan de leiding, zij waren hun eigen baas. Het is inmiddels dertig jaar later, maar de tactiek is dezelfde. Het is een vorm van intimidatie en onfatsoen die ik nog veel zal tegenkomen. Het is me direct duidelijk: leiderschap, zelfs dat van hun eigen bevelvoerder en commandant, wordt hier niet geaccepteerd. Twee van de mensen met wie ik samen naar de kazerne ben gekomen adviseren mij dringend om te vertrekken; we zijn duidelijk niet welkom. Ik ben even uit het veld geslagen doordat dit advies nadrukkelijk wordt gesteund door iemand van mijn korpsleiding. Waarom als leiding met de staart tussen de benen vertrekken? vraag ik me af. Ik snap gewoonweg niet wat hier gebeurt, ik kom op mijn eerste dag als nieuwe commandant toch alleen maar informeel
ratjetoe, van enige uniformiteit is geen sprake. Verwassen t-shirts, badslippers, sportschoenen, witte sokken, lange mouwen, korte mouwen, alle denkbare varianten komen voor. De bevelvoerder is vriendelijk en wekt de indruk dat hij het gedrag van de mannen van kazerne Dirk veroordeelt door mij namens de brandweer excuses aan te bieden. ‘Als er gebeurd is wat ik heb gehoord, dan vind ik dat dit niet kan,’ zegt hij. Ook is hij naar mijn gevoel, op de kleding van de mannen na, ‘in charge’. Ik ben blij om te constateren dat ik een leidinggevende ontmoet die taakvolwassen lijkt. Toch neemt de bemanning van kazerne IJsbrand niet openlijk afstand van het gedrag van haar collega’s de dag ervoor. Deze typische reactie zal ik nog vaak tegenkomen: het gedrag eigenlijk veroordelen, maar je collega nooit afvallen. Sowieso is er veel achterdocht. Ik krijg een spervuur van vragen: Wat ga je precies doen? Wat is je opdracht? Hoe kijk je naar de cao-onderhandelingen? Vind jij ook dat we eerder met pensioen zouden moeten kunnen? Ga je bezuinigen? Dat zijn de steeds terugkerende vragen die ook in de periode daarna in alle kazernes aan mij gesteld zullen worden. De brandweerlieden zijn zeer gehecht aan hun riante arbeidsvoorwaarden en de angst om er in de nieuwe cao iets van te moeten inleveren is groot. Het is opmerkelijk dat de verbetenheid in de discussie fors toeneemt zodra het hierover gaat, alsof ik op rooftocht ben en hun alles wil afnemen. In de weken daarna voer ik op meer kazernes gesprekken. Meestal zijn er maar één of twee brandweermannen die iets zeggen. Ik vermoed dat de woordvoerders van tevoren zijn aangewezen. Toch wordt er in mijn aanwezigheid nog relatief open gesproken. brand in amsterdam
117
leesfragment
kennismaken met mijn mensen? Binnen een seconde besluit ik dat dit meteen het eerste advies is dat ik als commandant niet ga opvolgen. Nooit in mijn leven heb ik gecapituleerd voor intimidatie en onfatsoen, dus ook nu niet. Ik loop naar het krachthonk om de mannen te begroeten en te gaan lunchen aan hun koffietafel, het epicentrum van de kazerne. Omdat er na de krachttraining, die zoals alle sportactiviteiten overigens gewoon onder werktijd plaatsvindt, gegeten moet worden, schuiven sommige brandweermannen alsnog aan de lunchtafel aan. Een enkeling schudt mij de hand, maar wendt daarbij het hoofd af. Niemand kijkt me aan. Als acht mannen dat onafhankelijk van elkaar doen, is hier kennelijk een collectieve afspraak over gemaakt. Later op de dag hoor ik dat binnen de brandweer het gerucht wordt verspreid dat ik die middag schaamteloos voor 1400 euro een lunch heb besteld. De werkelijkheid is dat mijn secretaresse goedbedoeld voor iedereen in de kazerne wat broodjes en kroketten heeft geregeld, met aan totale kosten nog geen 50 euro. Op de tweede dag word ik bij kazerne IJsbrand in Amsterdam-Noord met open armen ontvangen. Gelukkig is het welkom niet overal zoals in kazerne Dirk. Bij binnenkomst zit de hele ploeg rond de koffietafel. Er wordt met enige achterdocht naar mij gestaard, dat wel, maar iedereen kijkt me tenminste in de ogen als ik hen de hand schud. Zes grote, sterke mannen die er een sport van maken om de uitgestoken hand van een bezoeker als een bankschroef te omknellen. Ik beantwoord de handdruk even stevig, zonder een spier in mijn gezicht te vertrekken. De kleding die de mannen dragen is een
Zonder gêne gaan er stoere en zogenaamd hilarische verhalen over tafel, bijvoorbeeld over die keer dat er bij die homo’s in dat prachtige appartement met die witte vloer midden in de kamer een stuk uit de vloer werd gezaagd, om te kijken of er geen vuur onder zat. Volstrekt onnodig om zoveel schade aan te richten, maar man wat hadden ze gelachen. En die homo’s zeiden nog dank je wel ook. De vette groepslach buldert door de kazerne. Om niet alle communicatie direct al op slot te gooien reageer ik niet, maar dit staaltje ‘Amsterdamse humor’ maakt diepe indruk op mij. Het chronische wantrouwen jegens leidinggevenden wordt me die weken heel krachtig ingewreven. Overal waar ik kom is het ‘wij tegen zij’. ‘Jij bent de jager en wij zijn
118
leen schaap
de prooi,’ bijt een bevelvoerder mij toe. ‘Als de prooi de jager vertrouwt, betekent het de dood van de prooi.’ De onbeschaamdheid is groot. Kennelijk is men gewend om zonder tegengas de meest verwerpelijke dingen tegen leidinggevenden te zeggen. Het geloof in mij als commandant is ver te zoeken. Van één bevelvoerder krijg ik nog een persoonlijke boodschap mee: ‘Als je voor ons bent, dragen we je over vijf jaar overal naartoe waar je wilt. Zo niet, dan worden het de loopgraven van Verdun.’ Om hem heen wordt door andere bevelvoerders, degenen die namens mij leidinggeven in de kazernes, driftig geknikt. Daar kan ik het mee doen die eerste week. Dit boek is reeds verschenen
boekenverlanglijst ik wil graag lezen: kazuo ishiguro
cal newport
Klara en de Zon
De tijdsblokplanner
jan brokken
claudia hammond
De tuinen van Buitenzorg
Rust
adriaan van dis
babs gons
KliFi
Doe het toch maar
jonathan lichtenstein
haruki murakami
De schaduw van Berlijn
Eerste persoon enkelvoud
deniz kuypers
charles seife
De atlas van overal
Hawking Hawking
rijksmuseum
anne broeksma
Slavernij
Vesper
marieke lucas rijneveld
daan heerma van voss
Mijn lieve gunsteling
De bange mens
layla f. saad
vincent merjenberg
Witte suprematie & ik
De grijzen
pauline harmange
vonne van der meer
Mannen, ik haat ze
Naar Lillehammer
reggie baay
leen schaap
Het lied van de goden
Brand in Amsterdam
martine vecht
Het abc van plannen, organiseren en optimaliseren
APRIL
VOOR ELK NATUURBOEK DAT TIJDENS DE MAAND VAN HET NATUURBOEK WORDT VERKOCHT, DONEERT ATLAS CONTACT € 1,- AAN WERELD NATUUR FONDS.
Caspar p Het Janssen bijen balkon
Van een kaal terras naar een zoemende balkonjungle