PYKE KOCH MIEKE RIJNDERS
voor Francine, Harry en Hein Rijnders Pieter, Benno en Nico Thijs
‘ik ben van plan te trachten, voor zoover een mensch dat kan, een echt waar en goed leven te leiden’ 30 januari 1918 [brief 2]
Pyke Koch Mieke Rijnders Waanders Uitgevers, Zwolle
4
Brieven 20
[brief 1] ‘Je boek heeft me heel veel van
vroeger in de herinnering gehaald en ook m’n herinneringsbeelden weer eens verduidelijkt.’ Pyke Koch aan Margot van Boldrik, Utrecht 15 juni 1981 31
[brief 2] ‘Ik ben van plan te trachten,
voor zoover een mensch dat kan, een echt waar en goed leven te leiden.’ Pyke Koch aan Marinus van der Goes van Naters, Zetten 30 januari 1918 54
[brief 3] ‘Nu ik zal er mij wel in schikken.
Het kost mij echter zieletranen, al rollen ze niet over mijn wang.’ Piet Koch sr. aan Minie Stärcke-Koch en Jo Planten-Koch, Beek 12 maart 1928 59
[brief 4] ‘Het waren heerlijke jaren.
Het waren de jaren.’ Pyke Koch aan Hans Philips, Utrecht 8 juni 1971 78
[brief 5] ‘Voor de keuze gesteld vlooien
te moeten hebben ofwel theorieën over schilderkunst (hoe deze moet zijn, worden of geweest zijn) kies ik: vlooien.’ Pyke Koch aan Paul Citroen, Utrecht [1930-1931] 85
[brief 6] ‘Kan je niet eens duidelijk
een paar wanbegrippen uit de weg ruimen.’ Pyke Koch aan Jan Engelman, Utrecht [eind 1931-begin 1932] 114 [brief 7] ‘Naar aanleiding van de propaganda-avond op 20 Mrt. te Utrecht moeten me perse eenige dingen van het hart.’ Pyke Koch aan Ernst Voorhoeve, Utrecht [april 1936]
121 [brief 8] ‘Boven m’n bed heb ik die prachtige liggende Christus van Mantegna.’ Pyke Koch aan Gerrit Rietveld, Vaumarcus juni-juli 1939 130 [brief 9] ‘Er is een quaestie tusschen ons die noodzakelijk spoedig tot oplossing dient te worden gebracht.’ Pyke Koch aan Ed Gerdes, Utrecht [eind januari 1941] 138 [brief 10] ‘Laten we hopen dat we elkaar allemaal heelhuids en in welstand over niet te lange tijd mogen terug zien.’ Pyke Koch aan Tops ter Haar-Koch, Utrecht [20 september 1944] 144 [brief 11] ‘zoo volslagen verdwaald in dit bestaan’ Pyke Koch aan Minie Stärcke-Koch, Utrecht [zomer/najaar 1945] 149 [brief 12] ‘Ik wil dit schrijven niet beeindigen zonder U met de meeste nadruk te verzoeken, zoodra U zich heeft overtuigd van de juistheid van mijn verklaringen, dit voor mijn naam smadelijke dossier te vernietigen.’ Pyke Koch aan N.H. Brands, Schoorl 29 maart 1947 180 [brief 13] ‘Het artikel i/d Groene heb ik nog niet gelezen maar ik geloof graag dat het vernietigend zal zijn.’ Pyke Koch aan A.M. van HoornJansen, Utrecht 6 januari 1956 181 [brief 14] ‘Ja, wat de critiek gepresteerd heeft aan niet ter zake dienende giftigheid en onjuiste voorlichting is niet mis.’ Pyke Koch aan Ernst Voorhoeve, Utrecht 18 januari 1956
195 [brief 15] ‘Ik moet nu nog de neuswortel v/d Winter repareeren en dan voor zoover noodig het een of andere schilderij een vernis geven en dan is de zaak klaar op twee dingen na.’ Pyke Koch aan Taeke Botke, Utrecht 24 september 1966 198 [brief 16] ‘Maar pas op!: “er staat niet wat er staat.”!’ Pyke Koch aan Jan van Geest, Utrecht 13 oktober 1969 226 [brief 17] ‘in antwoord op Uw brief volgt hieronder, wat me invalt over het ontstaan van enkele schilderijen.’ Pyke Koch aan Bram Kempers, Utrecht 12 januari 1981 232 [brief 18] ‘Tot nu toe is de caseïne tempera een terrein waarop ik de eene nederlaag na de andere incasseer.’ Pyke Koch aan Carel Willink, Utrecht [januari 1941] 234 [brief 19] ‘Zou je me eens je oordeel willen schrijven over het tempera bindmiddel hetwelk ik gebruik tegenwoordig?’ Pyke Koch aan Carel Willink, Utrecht [1949-1950] 237 [brief 20] ‘Naar aanleiding van ons telephoongesprek van gisteren over de lijstkwestie wilde ik U ’t volgende voorstellen: een zelfde soort lijst als die ik er oorspronkelijk om liet maken, maar dan twee c.m. smaller.’ Pyke Koch aan Dirk Hannema, Utrecht [december 1932]
5
Inhoudsopgave
Inleiding
6
Woord van dank
10
1
Jeugd en vormende jaren
1901-1920
12
2
Van student tot schilder
1920-1928
38
3
Komeet aan het kunstfirmament
1928-1934
56
4
Aristocraat
1934-1940
96
5
Oorlogsjaren
1940-1945
122
6
Zuivering
1945-1950
146
7
Plaatsbepaling
1950-1970
170
8
Koorddanser
1970-1987
200
9
Autodidact met een dwang tot perfectie
1927-1984
230
Afsluiting
248
Alle schilderijen 1927-1984
250
Tentoonstellingen
320
Archiefverwijzingen correspondenties en documenten
328
Literatuur
330
Register van personen en (enkele) zaken
336
Register van schilderijen
340
Colofon en illustratieverantwoording
342
Personalia
343
Inleiding
6
1
Koch-documentatie, PA Carel Blotkamp. Mogelijk is dit een afschrift met aangepaste spelling van de in 1938 in opdracht van Jaap Mees uitgevoerde handschriftanalyse, zie Jaap Mees aan Heddy Koch-de Geer, [2 april 1938], RKD 0899/24: ‘Die graphologische beoordeeling was over het handschrift van Pyke.’
Inleiding ‘Een wilskrachtige, enthousiaste, spontane, oprechte persoonlijkheid met een breden kijk. Echter, waarschijnlijk niet vrij van fanatisme. Schrijver lijkt mij erg aan stemmingen onderhevig en zich krachtig te verzetten tegen pessimisme; hierdoor kan hij driftig zijn, bitter en sarcastisch. Het vermoeden ligt voor de hand, dat schrijver vele en ernstige teleurstellingen ondervonden heeft en in enkele opzichten ontmoedigd genoemd moet worden. Zijn nerveuze activiteit en dadendrang wijzen ook in de richting van een neurotische onevenwichtigheid. Wellicht juist hierdoor en dankzij zijn uitstekende intelligentie, is schrijver in staat veel te presteren. Verdere eigenschappen zijn: strijdlust, impulsiviteit, accuratesse.’1
Deze analyse van het handschrift van Pyke
Koch was, om enkele punten aan te stippen
Koch geeft een fascinerende inkijk in de per-
zonder nu al in details te treden, inderdaad
soonlijkheid van de schrijver. In hoeverre dit
een wilskrachtige figuur, althans waar het
grafologische oordeel overeenkomt met de
ging om zaken die hem aan het hart gingen.
werkelijke aard van de persoon, zal in het ver-
Hij had, zeker op ontspannen momenten, een
volg moeten blijken – waarbij echter meteen
brede kijk op zijn omgeving, maar hij had ook,
opgemerkt moet worden dat ook het beeld dat
zoals iedereen, zo zijn blinde vlekken wan-
daarin naar voren komt niet de volledige per-
neer hij zich in een kwestie vastbeet of zich
soon weergeeft. Het is hooguit een benadering
onheus bejegend voelde. Zijn gezondheid, zo-
van het origineel, met onvermijdelijk enige
wel lichamelijk als geestelijk, was niet sterk
vertekening, al was het maar omdat niet alle
en vaak kon of wilde hij daardoor niet werken.
facetten van zijn leven en zijn persoon even
Accuratesse behoort beslist tot de kenmer-
uitvoerig gedocumenteerd zijn. Niemands
kende eigenschappen van Koch, in ieder ge-
persoonlijkheid is op enig moment volledig
val accuratesse met betrekking tot zijn werk.
te vatten in woorden, niet in die paar woorden
Weinig schilders zijn zo pijnlijk precies in hun
van een handschriftanalyse, evenmin in de
manier van werken als Koch. Hij was een per-
vele woorden van een monografie. Maar om
fectionist, met alle voor- en nadelen van dien.
van deze bijzondere man de meest markante
Een ‘fout’ in een schilderij kon hem jarenlang
trekken te schetsen in een geschiedenis die
blijven hinderen. Een enkele keer vernietig-
verhaalt van ervaringen die diep hebben inge-
de hij een schilderij waar hij al lang aan had
grepen in zijn leven en prestaties van blijven-
gewerkt, omdat het toch niet geheel voldeed
de waarde in de context van hun tijd plaatst,
aan zijn verwachting. Hij bemoeide zich tot in
is geen onmogelijke opgave.
detail met de inlijsting van zijn werk en met
7
hoe en waar het moest komen te hangen.
hebben geschreven aan zijn echtgenote Heddy
Koch schilderde – niet verwonderlijk, ge-
Koch-de Geer en aan zijn weldoeners Emmy
zien zijn manier van werken – bepaald niet
en Jaap Mees, maar deze brieven, waarin
veel: er zijn nu 124 schilderijen bekend. Van
hij vermoedelijk zijn artistieke en politieke
deze geringe productie achtte hij slechts een
inzichten deelde, zijn volgens de erven Koch
selecte groep het waard tentoongesteld te wor-
en de erven Mees niet meer te vinden. Emmy
den. Alleen die werken die hijzelf via tentoon-
Mees zou trouwens de brieven van Heddy
stellingen naar buiten bracht, beschouwde hij
Koch die betrekking hadden op Koch hebben
als zijn officiële oeuvre. De publieke waarde-
verscheurd.4 Van brieven aan zijn vriendin
ring van zijn kunstenaarschap tijdens zijn
Ocky van Boetzelaer weten we dat hij ze zelf
leven is op die werken gebaseerd.
vernietigd heeft (nadat hij ze ter inzage had gevraagd).5 Brieven aan collega-kunstenaars
Waar een grafoloog voldoende heeft aan
zijn sporadisch te vinden in hun persoonlij-
een klein stukje handgeschreven tekst om
ke archieven; zelf bewaarde hij hun brieven
het karakter van iemand te ‘lezen’, is om in
aan hem niet. Zijn persoonlijke perspectief op
deze monografie zijn leven en werk in kaart
de keuzes die hij maakte, hadden die keuzes
te brengen meer nodig. Er zijn brieven van
ongetwijfeld meer inzichtelijk gemaakt. Dat
en over hem bewaard gebleven. Er zijn foto’s
perspectief valt nu niet meer te achterhalen,
en er zijn getuigenissen van mensen die hem
maar in sommige gevallen kan de overgele-
gekend hebben. Er is over hem geschreven in
verde zienswijze van anderen aanwijzingen
kranten, tijdschriften en boeken. Maar hij-
bieden. In hoofdstuk 4 worden zo brieven van
zelf heeft zich met opzet betrekkelijk weinig
Emmy Mees aan Heddy Koch benut om indi-
uitgelaten over zijn werk en over wat hem als
rect licht werpen op Kochs leven in de jaren
kunstenaar bezighield. Zo probeerde hij een-
1934-1940.
duidigheid in de interpretatie van zijn werk
Als Koch al eens sprak over zijn doen en
te voorkomen. Waren sommige collega-kun-
laten, liet hij nooit het achterste van zijn tong
stenaars open over hun bronnen – een tijd-
zien. Interviews met hem zijn op één hand te
genoot als Joop Moesman bijvoorbeeld legde
tellen. Er is dan ook relatief weinig uit zijn
zelfs dossiers aan waarin hij per schilderij zijn
mond bekend over zijn innerlijke leven, zijn
‘hulpstukken’ documenteerde2 –, Koch gaf
persoonlijke behoeftes en beslommeringen.
slechts sporadisch zijn voorbeelden prijs, en
Wat wel in de openbaarheid kwam, strookt
dan nog alleen in algemene bewoordingen. In
niet altijd met de feiten. Koch hield ervan om
1969 deed hij dat bijvoorbeeld in een brief aan
tegenstrijdige uitspraken te doen. Hij was er
Jan van Geest en in 1981 aan Bram Kempers
niet op uit om duidelijkheid te verschaffen
(brief 16 en 17). In beide brieven geeft hij aan
over wat hem bezighield en bezig had gehou-
wat hij waardeerde in de kunst van anderen.
den, en al helemaal niet om zich daarvoor
Behalve vriendelijk was dat ook zijn manier
tegenover anderen te verantwoorden.
om wat hem aan inspiratiebronnen werd toegeschreven en wat er over hem naar buiten
Brieven – dat zal na het voorgaande niet als
kwam, in de door hem gewenste banen te lei-
een verrassing komen – vormen ondanks
den. Van het begin af aan trad hij sturend op
de grote lacunes een belangrijke basis voor
in de beeldvorming van zijn kunstenaarschap.
deze studie naar het leven en werk van Pyke
Er zijn dus brieven bewaard gebleven,
Koch. De hoogte-, diepte- en keerpunten; de
zelfs een behoorlijk aantal, maar er is reden
personen en de gebeurtenissen die hier mede
om te veronderstellen dat er nog veel meer do-
richting aan gaven; de persoonlijke drijfveren,
cumentatie is kwijtgeraakt of kwijt gemaakt.3
interesses en preoccupaties.6 Het was een lang
Zo moet hij in de jaren dertig talloze brieven
leven – het omspant maar liefst ruim 90 jaren,
Steen 1998, 161.
2
Kochs jongste zus Tops ter Haar maakt bijvoorbeeld in een brief aan Heddy Koch van 17 maart 1964 melding van het doorlezen en opruimen van dozen vol ‘brieven van 30, 40 j’r of nòg langer geleden’, RKD 0899/49.
3
‘alles waar b.v. over P. in gesproken wordt, verscheur ik’, Emmy Meesvan Stolk aan Heddy Koch, 9 maart 1938, PA (particulier archief) Erven Koch.
4
Josine (Jo of Kees) van Dam van Isselt aan Heddy Koch, 7 oktober 1974, PA Erven Koch: ‘Ik vraag me af of Pyke juridisch het recht had, zijn brieven aan O. te vernietigen.’
5
Citaten van Koch zijn zo veel mogelijk overgenomen van het origineel met behoud van spelfouten. Koch zet vaak een streepje waar men een punt of komma zou verwachten. Voor de leesbaarheid zijn die streepjes geregeld vervangen door meer gebruikelijke leestekens. Bij citaten uit brieven van Koch en anderen, wordt behalve de briefschrijver, de ontvanger en de vindplaats van de brief, ook de datum van schrijven vermeld. Wanneer een brief niet is voorzien van een datum, wordt een datering op basis van het poststempel op de envelop of op basis van de inhoud van de brief toegekend. Deze is dan tussen vierkante haken geplaatst.
6
Inleiding
8
7
Koch aan Paul Stärcke, [ca. 1985], PA.
waarvan 55 werkzame als kunstenaar – en dat
verschillende personae – of, als dat te dra-
brengt met zich mee dat Kochs eigen kijk op
matisch is gesteld: zijn verschillende levens-
wat hij had gedaan of gedacht niet dezelfde is
fasen –, die elkaar uiteraard minder abrupt
gebleven.
opvolgden dan hier omwille van de compo-
Hoe hij zich op latere leeftijd een bepaalde
sitie van het verhaal wordt gesuggereerd.
gebeurtenis of situatie uit zijn eigen verleden
Uitgelicht worden personen en gebeurtenis-
herinnerde, komt niet altijd overeen met het
sen die direct of indirect hun sporen hebben
beeld dat brieven uit dat verleden van die
nagelaten in zijn werk, werkzaamheid en
gebeurtenis en die situatie geven. De latere
leven. Omdat hun relatie met Koch gedocu-
herinneringen die hij in brieven deelde met
menteerd is, worden, naast zijn echtgenote
zijn zussen Minie, Jo en Tops, in het bijzonder
Heddy Koch-de Geer, onder anderen naar
aan hun jeugd in Beek, zijn als weergave van
voren gehaald: jeugdvriend Marinus van
de feiten niet betrouwbaar, maar zijn als ver-
der Goes van Naters, mecenas Emmy Mees-
woording van zijn tijd- en leeftijdgebonden
van Stolk en verzamelaar Taeke Botke. Ook
kijk daarop zeker interessant.
wordt zijn actieve rol bij het propageren van
Uit zijn brieven komt onmiskenbaar een
het fascisme van het Verbond van Dietsche
groot schrijftalent naar voren. Koch schreef
Nationaal-Solidaristen en het nationaalsoci-
graag en goed. Zijn brieven getuigen met rake
alisme belicht en de gevolgen daarvan op de
observaties, doorspekt met humor, van een
korte en lange termijn.
scherpe geest. Om, naast de informatie die ze bieden, iets van dat talent te laten zien zijn en-
Ik heb niet de pretentie het laatste woord over
kele brieven integraal in dit boek opgenomen.
Koch te hebben geschreven, dat is een onmo-
Eigenzinnig als hij was, hield hij daarin vast
gelijke opgave. Wat ik heb willen doen in deze
aan de spelling die hij in zijn jeugd had geleerd.
monografie is dit: aspecten van zijn leven, en de ontwikkeling daarin, laten zien die licht kun-
Tegen het eind van zijn leven schreef Koch
nen werpen op zijn werk en zijn werkzaam-
‘We leven allen in de macht van een voorstel-
heid. Speciale aandacht besteed ik ook aan
ling’.7 Meer dan eens lijkt hij tot het besef te
de vorming van het beeld van de kunstenaar
zijn gekomen dat het leven dat hij leidde of
waarin hij een sturende rol had.
dreigde te gaan leiden, niet het leven was dat hij wilde leiden; misschien zelfs dat de persoon die hij was geworden of dreigde te worden, niet de persoon was die hij wilde zijn; dat de voorstelling van de realiteit waarnaar hij leefde, niet meer spoorde met de realiteit waarin hij zich bevond. Steevast stelde hij het beeld bij en vond hij zichzelf opnieuw uit. Deels gaat het om veranderingen van de persoon zelf – het ouder worden speelt hierin een rol, de context waartegen zijn leven zich afspeelde en de uiteenlopende milieus waarin hij verkeerde met hun specifieke culturele en sociale verwachtingen en codes –, deels om veranderingen van het imago, het beeld dat hij van zichzelf naar buiten wilde brengen. De hoofdstukindeling volgt grofweg de chronologie van Kochs leven en weerspiegelt zijn
9
0.1
Magisch realisme in Nederland. Raoul Hynckes, Pyke Koch, Carel Willink, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen, 18 september14 november 1971
Woord van dank
10
Woord van dank
wes en Heddy Bodewes-Voorhoeve spraken met mij over Kochs relatie met Ernst Voor-
Dit boek zou niet tot stand zijn gekomen zon-
hoeve en gaven inzage in correspondentie
der de belangstelling en hulp van velen. Ik wil
tussen Ernst Voorhoeve en Joris van Severen.
bovenal Carel Blotkamp bedanken. Met Pyke
Odilia Stokvis-van Boetzelaer gaf mij inzage
Koch (1972) en de tentoonstellingscatalogus
in Kochs brieven aan haar ouders, Kochs goe-
Pyke Koch (1982) en met talloze deelpublica-
de vrienden Marguérite (Tuck) barones van
ties heeft hij in belangrijke mate het beeld van
Boetzelaer-Bosch van Drakestein en Constant
Koch, zoals dat nu bekend is, bepaald. Hij stel-
Wilhelm (Tan) baron van Boetzelaer. Elisa-
de mij genereus zijn privéarchief ter beschik-
beth Mees vulde de informatie over haar
king en bevorderde mijn onderzoek, behalve
grootouders Emmy en Jaap Mees aan met
door informatie te verstrekken en zijn mening
documentatie. Fred van den Berg deelde zijn
te delen, vooral ook door zijn morele steun.
herinneringen aan Floris Koch, met wie hij
Peter Koch dank ik voor het delen van zijn
sinds zijn jeugd bevriend was. Paul Janmaat
herinneringen aan zijn vader en het verlenen
deelde zijn informatie over bloemenwinkel
van inzage in documenten uit diens nalaten-
‘Het Duifje’ in Maastricht. Akke Schutte was
schap. Uit hun vriendelijke medewerking mag
zo vriendelijk mij door Oudegracht 341 in
overigens niet worden opgemaakt dat zij het
Utrecht rond te leiden. Aan allen mijn dank.
altijd eens zijn met mijn conclusies.
Steun in woord en daad van vrienden en
Ook Ype Koopmans wil ik graag speciaal
collega-onderzoekers vergemakkelijkten en
bedanken voor zijn bereidheid zijn gedetail-
veraangenaamden het onderzoeks- en schrijf-
leerde kennis van het neorealisme en zijn ver-
proces aanzienlijk. Ik kan hen allen daarvoor
tegenwoordigers met mij te delen; Kees van
niet genoeg bedanken, in het bijzonder Paul
der Geer voor het doorsturen van de bijvangst
van den Akker, Bert Blaisse, Niels Bokhove,
over Pyke Koch bij zijn onderzoek naar onder
Marja Bosma, Yvonne Brentjens, Frans van
anderen Gustave De Smet en Leo Gestel.
Burkom, Peter Cox, Hans Ebbink, Sjarel Ex,
Mijn bijzondere dank gaat verder uit naar
Sjoerd van Faassen, Diana Franssen, Ludo
Andreas Koch. Namens de Pyke Koch Stich-
van Halem, Yvonne Hamstra, Marijke van der
ting verleende hij toestemming tot publicatie
Heijden, Marjan van Heteren, Cees Hilhorst,
van brieven van zijn grootvader en van brief-
Akke Houtsma, Geurt Imanse, Kees Keijer,
fragmenten en foto’s die bewaard worden in
Fransje Kuyvenhoven, Karin Merx, Caroli-
het Pyke Koch en Heddy Koch-de Geer Archief
ne Roodenburg-Schadd, Peter de Ruiter, Daan
in het RKD – Nederlands Instituut voor Kunst-
Rutten, Patricia van Ulzen, Dieter Vanden-
geschiedenis en elders. Een kleindochter van
broucke, Frank van der Velden en Gerard van
Minie Stärcke-Koch en August Stärcke deed
Wezel.
hetzelfde voor het gebruik van brieven, brief-
Buitengewoon dankbaar ben ik ook voor
fragmenten en foto’s uit de nalatenschap van
de verkregen ‘institutionele’ hulp, in het bij-
haar grootouders; in vele gesprekken in haar
zonder van het Centraal Museum Utrecht
gastvrije woning bracht zij niet alleen haar
(Frederik Markusse, Chantal Perlee en
oudoom, maar heel haar bijzondere familie
Catrien Schreuder), Dordrechts Museum
tot leven.
(Sander Paarlberg), Gedenkplaats Haaren
Alwie Kicken gaf mij inzage in documen-
(Henk van Helvert), Literatuurmuseum
ten uit de nalatenschap van Kochs belang-
(medewerkers studiezaal), Museum Getty
rijkste verzamelaar, Taeke J. Botke. Antonia
Research Institute in Los Angeles (Virginia
(Toni) van de Beek gaf mij kopieën van Kochs
Mokslaveskas); Fondation Custodia/Institut
brieven aan haar om te gebruiken voor de ver-
Néerlandais in Parijs (Hans Buijs); Kunstmu-
slaglegging van mijn onderzoek. Hans Bode-
seum Den Haag (Milly van Houten-de Kom);
11
Museum Boijmans Van Beuningen, Rotter-
Mijn speciale, liefdevolle dank ten slotte gaat
dam (Sandra Kisters en Sara Swart); Muse-
uit naar Francine Rijnders-Sloots (1915-1982),
um Arnhem (Jelle Bouwhuis); Museum De
Harry Rijnders (1915-1987) en Hein Rijnders
Fundatie, Zwolle (Kristian Garssen); Museum
(1949-2002) en, last but not least, naar ‘first rea-
MORE, Gorssel (Marieke Jooren, Sito Rozema
der’ Pieter Thijs en onze lieve jongens Benno
en Evelien Verheij); het Nationaal Archief,
en Nico. Aan hen draag ik dit boek op.
Den Haag (Patricia Deiser en David Jacobse); Nijmeegs Katern (Marga Jetten); Oud Utrecht (Jetty Krijnen); RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis (Gwen Breedijk, Vicky Foster, Ramses van Bragt en oud-medewerkers Roman Koot, Karin van der Kooy en Lidy Visser); en Stichting Margot van Boldrikfonds (Karin Coopmann). Voor hun inspanning om de uitgave van dit boek in praktisch-financiële zin te realiseren en voor hun geduld wil ik graag uitgever Marloes Waanders en Stefanie Klerks van Waanders Uitgevers bedanken. Tekstredacteur Lilian Eefting, Leef in tekst, dank ik voor haar zorgvuldig lezen en corrigeren van de tekst. Dankzij Anne Schaufeli en Huub de Lang van studio026 ligt het boek in deze mooie vorm voor u. Op Peter Cox, die een aanzienlijk deel van Kochs werk heeft gefotografeerd, kon ik ook steeds een beroep doen voor de digitalisering van de documentaire fotografie, veel dank daarvoor. Verder wil ik Marion Schreurs-Steegh bedanken. Ik mocht haar, destijds student Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit, in 2016-2017 samen met Ton Geerts begeleiden in haar stage bij het RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis. Haar aanvulling van de tentoonstellingsgegevens uit de periode 1995-2017 heb ik hier overgenomen. Jan Don, decaan van de faculteit Cultuurwetenschappen van de Open Universiteit, stelde mij in de gelegenheid gebruik te blijven maken van de faciliteiten van de Open Universiteit, waaraan ik van 1 januari 1984 tot 4 juli 2020 verbonden was. Stafleden van het OU-Studiecentrum Eindhoven, Anka Broers, Ekbal Elyoussfi en Petra de Wit-Stijnman, wil ik graag bedanken voor hun altijd warme welkom.
1 9 1 9
0 1 2 0 Jeugd en vormende jaren 1901–1920
1901
14
1.1
1
Emmy Mees aan Koch, [Florence, september 1938], RKD 0899/24.
2
Stamkaart Koch, Petrus, Franciscus, Christiaan, RAN 1779/1043.
Op een foto van Kochs kamer aan de Oudegracht te Utrecht hangt boven zijn bed een detail van Masaccio’s fresco van de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs. Het zijn hun door verdriet en schaamte getekende gezichten [1.1]. Hij had de reproductie in 1938 gekregen van Emmy Mees, een goede vriendin van hem.1 De afbeelding was hem dierbaar vanwege zijn band met de geefster, maar zij dankt haar prominente plaats in zijn woonen werkruimte ongetwijfeld ook aan de betekenis die de voorstelling voor hem had. Verdreven uit het paradijs, dat was een ervaring die Koch zelf al vroeg had ondergaan. Toen hij naar de middelbare school ging, was die stap vrijwel meteen ook een vertrek uit het ouderlijk huis, weg uit het paradijs van Beek. Aan de ‘uithuisplaatsingen’ die daarop volgden heeft hij, een buitengewoon gevoelig kind, een permanent gevoel van ontworteling overgehouden dat zijn verdere leven zou tekenen. Emmy Mees zal dat zeker 1.1
hebben geweten, toen ze hem die plaat gaf. Het ouderlijk huis van Pyke Koch stond in Beek aan de Beeksche Straatweg 244 (nu Rijksstraatweg 123): Villa Mignon. Het staat er nog steeds, in de heuvels in het groen. Piet, naar zijn vader Pieter Frans Christiaan genoemd, werd daar op 15 juli 1901 geboren, een mooi kindje met fijne trekken, stralend blauwe ogen en blonde krullen [1.2]. Drie zusjes waren hem voorgegaan. Minie, de oudste, was op 22 augustus 1888 geboren, in 1891 en 1894 gevolgd door Jo en To [1.3]. Het was een doktersgezin, Piet Koch was huisarts met apotheek aan huis. Hij had geneeskunde gestudeerd in Leiden en zijn academische opleiding daar op zaterdag 12 maart 1887 afgesloten met de verdediging van zijn proefschrift Over den horrelvoet. Op 1 mei van dat jaar was hij zijn dokterspraktijk begonnen.2 Vier maanden later, op 9 september, trouwde hij met Willemien van Leeuwen Boomkamp, een knappe
Pyke Koch, liggend op bed in zijn atelierkamer, Oudegracht 341 in Utrecht, 1973, foto Jaap Zwart, RKD 0899/178. Boven het bed hangt een reproductie van Masaccio’s koppen van Adam en Eva, een detail van hun verdrijving uit het paradijs in de Brancacci-kapel in Florence. Op de schoorsteenmantel staan links van de spiegel foto’s van Bridget Hubrecht en Floris Koch en rechts een ingelijste reproductie van Zelfportret met zwarte doek [cat. 28]
1920
15
domineesdochter uit het Noord-Hollandse Zuiderwoude, gemeente Broek in Waterland [1.4]. Willemien Koch was de spil van het gezin. Jo herinnert zich haar als: ‘goed, lief, behulpzaam, verstandig, móói, charmant, geestig, begrijpend, aantrekkelijk en (ongewoon woord in deze tijd …)..kuisch! Ja, dat woord of begrip, komt, bij al haar charmes, altijd bij me op, als ik aan haar denk …’3 Ook Piet, die zich later Pyke zou laten noemen, koesterde dat beeld van zijn moeder. De suggestie van kuisheid die van haar uitging heeft hij vastgelegd in een van zijn zachtste schilderijen, een ‘portret’ van Daphne. Zij is de jonge nimf uit de Metamorfosen van Ovidius, die op de vlucht slaat om aan de grijpgrage handen van Apollo te ontsnappen. Terwijl zij van hem wegrent, verandert ze dankzij tussenkomst van haar vader, de riviergod Peneus, in een laurierboom [1.5]. Koch gaf Daphne de lieflijke trekken van zijn moeder, toen zij nog jong was [1.6]. Zij had, vond hij, ‘nimfen-oogen’.4 Dit zou Koch wel vaker doen, voor zijn schilderijen beelden gebruiken die hij kende vanuit zijn jeugd, op foto’s vastgelegd of in zijn geheugen gegrift. ‘Ja Mienkie,’ schreef hij zijn oudste zus in 1944, ‘wat kùnnen een jong hart en een jong oog, iets eens en voor altijd opnemen, háárscherp, en nooit meer iets van loslaten. Ik zie, trek voor trek, substantie, huid, kleur, démarche, enfin àlles van die menschen van toen.’ 5 Koch sr. werd door Jo getypeerd als ‘recht- 1.2
1.3
1.2
Piet Koch, 1903, 22 maanden oud, foto C. Reijers, Nijmegen, RKD 0899/175
1.3
To, Minie en Jo op de koperen bruiloft van hun ouders, maart 1900, Particulier archief
Jo Planten, ‘Beek..!! … Mignon !!!’, september 1983, kopie PA Erven Koch.
3
Koch aan Minie Stärcke, [ca. 1957], PA: ‘mijn Floris met z’n grootmoeder’s nimfen-oogen’. Floris is Kochs jongste zoon.
4
Koch aan Minie Stärcke, [december 1944], overgeschreven door Jo Planten, citaat op p. 19, RKD 0899/59.
5
1901
16
1.4
1.4
Willemien van Leeuwen Boomkamp en Piet Koch, 9 september 1887, foto C.E. Westerborg, Arnhem, RKD 0899/175
1920
17
schapen, weet-begerig, nauwgezet, gewetensvol, zacht in omgang en oordeel; hij had een gróóte liefde en belangstelling voor natuur en letterkunde, kon heel mooi voorlezen […] en sprak goed talen.’ 6 Koch groeide op in een muzikaal gezin. Zijn moeder speelde piano en citer; zijn oudste zus zong en speelde piano en viool. Zelf speelde hij, naast piano en gitaar, ook viool [1.7]. Toen hij op zijn achtste zijn eerste (halve) viool kreeg, gaf hij, naar het oordeel van Minie, al gauw blijk van talent: ‘Piet, die nu een maand les heeft, – heeft voor moeders verjaardag [15 maart] al heel aardig zijn eerste stukje viool met piano gespeeld. ’t Klinkt zoo moppig, als zoo’n ukje zoo diep ernstig die zwaarmoedige kraaktonen eruit brengt. Toch was het al heel aardig. Hij zal het wel leeren denk ik.’7 Dat was zeker het geval: later overwoog 1.5 hij zelfs enige tijd om na de middelbare school naar het conservatorium te gaan en van het vioolspelen zijn beroep te maken. Opmerkelijk, gezien zijn latere beroepskeuze, was dat hij toen ook al plezier had in het schilderen. In december 1912 kopieerde hij op elfjarige leeftijd met de waterverf die hij van Sinterklaas had gekregen een stilleven van Derk Wiggers, een vriend van zijn ouders die weleens in Beek kwam schilderen.8 Het resultaat ontlokte zijn moeder het commentaar: ‘’t zag er toch aardig uit, voor zoo’n blaagje dat niets van teekenen kent, en … hij genoot al doende.’9 Het zou niet het enige vroege blijk van zijn interesse in tekenen en schilderen blijven. Van zijn zussen stond Minie het dichtst bij Koch: ‘Wij waren elkaars “voorkeur” uit het nest’, schrijft hij later.10 Zij verliet als eerste het ouderlijk huis: in 1910 trouwde ze en ging in Den Dolder wonen, waar haar man, August Stärcke, als psychiater verbonden was aan de Willem Arntz Hoeve. Zelf was ze in Arnhem opgeleid tot apothekersbediende.11 Jo, die ook als apotheekassistent in de praktijk van haar vader heeft gewerkt, trouwde vier jaar later met huisarts 1.6 Theo Planten. Zij vestigden zich in de Achterhoek, in Neede. Kochs jongste zus To trouwde in 1920 met de Amsterdamse textielfabrikant Jan ter Haar. Freuds leer in de psychiatrie in Nederland. Gezien Zoals Minie zijn meest geliefde zus was, zo was de idolate houding van de jonge Koch tegenover zijn haar man, August Stärcke, de favoriete zwager. zwager is het aannemelijk dat van de zoveel oudere Meermaals riep hij zijn reactie op de kennismaen rijpere Stärcke enige invloed is uitgegaan op de king met hem op Sinterklaasavond 1908 in herontwikkeling van het mens- en maatschappijbeeld innering: ‘En ik aarzelde niet de volgende ochtend van Koch. Kochs belangstelling voor een freudiaans op de Nutschool toen de juf me vroeg wat mijn geïnspireerde thematiek, zoals die hier en daar in zijn grootste cadeau was, met m’n antwoord! … “een latere schilderkunstige oeuvre te bespeuren valt, is groote broer”!’12 Stärcke zou uitgroeien tot een internationaal gerenommeerd Freudspecialist. Hij zeker ten dele terug te voeren op gesprekken met behoorde, net als zijn jong gestorven broer Johan, zijn zwager.13 In die gesprekken zullen ze het beslist ook weleens gehad hebben over de moderne westot de vroegste voorstanders van toepassing van
1.5
Daphne, kop, circa 1947 [cat. 60]
1.6
Willemien van Leeuwen Boomkamp, circa 1887, fotoalbum 1944, binnenkant omslag, RKD 0899/175
Jo Planten, ‘Beek..!! … Mignon !!!’, september 1983, zie noot 3.
6
Minie Koch aan Johan Stärcke, 18 maart 1910, PA.
7
Ongedateerde gespreksnotitie Carel Blotkamp (over het schilderen in Beek), PA Carel Blotkamp.
8
Willemien Koch aan Minie Stärcke, 17 december 1912, RKD 0899/67.
9
Koch aan Floris Koch, 16 januari [1970], RKD 0899/283.
10
Getuigschrift, Arnhem 23 oktober 1906, nr. 334 ‘geviseerd als zijnde werkzaam in de apotheek van Dr P.F.C. Koch te Ubbergen’, PA.
11
Koch aan Minie Stärcke, oktober 1954, kopie PA. In 1972 brengt hij de kennismaking opnieuw in herinnering, nu in een brief aan zijn zus Jo. Koch aan Jo Planten, [mei 1972], kopie PA.
12
Cola Debrot (Debrot 1975, 582) merkt naar aanleiding van Kochs schilderij Anna [cat. 20] op: ‘wat zou dr. Stärcke wel over de tapkast als symbool hebben gefluisterd?’ Stärcke dacht bij seksuele symboliek in kunst aan tekens die voortkomen uit het onbewuste van de kunstenaar, waarvan de betekenis doorgaans ook voor de maker verborgen blijft. Als Koch bijvoorbeeld in zijn Rustende slaapwandelaarster [cat. 96] een naaimachine aanbrengt om de met ‘naaien’ verbonden associatie, dan doet hij dat willens en wetens, volkomen bewust dus.
13
1901
18
14 Zie de inleiding van August Stärcke tot Sigmund Freud, De sexueele beschavingsmoraal als oorzaak der moderne zenuwzwakte, Baarn 1914; Bulhof 1983, 183-190. 15
H. Stärcke-Koch, ‘Terug’, Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift, 28 deel 56 (1918), 202; H. Koch, ‘Juninacht’, 46 deel 91 (1936), 414-415.
16
Nieuwe Rotterdamsche Courant, 16 december 1920.
17
Menno ter Braak was bij hun eerste ontmoeting op 20 april 1925 23 jaar oud, Jo Planten bijna 34 en moeder van drie kinderen. Hanssen 2000, 274.
18
Tops ter Haar aan Heddy Koch, 17 maart 1964, RKD 0899/49.
19
Jo Planten, ‘Beek..!! … Mignon !!!’, september 1983, zie noot 3.
20 Koch aan Minie Stärcke, ca. 22 augustus en 16 september 1967, PA. 21 Koch aan Jo Planten, [zomer 1984], RKD 0689.
Mignon, het paradijs in Beek Villa Mignon lag op een steenworp afstand van de grens met Duitsland [1.8]. Het huis viel op door zijn zachtroze kleur. Jo heeft het in 1983 uitvoerig beschreven, zoals zij het uit haar jeugd kende: op de begane grond lag, van voren gezien links, een salon-suite, met verder naar links achter twee glazen schuifdeuren een aangebouwde tuinkamer [1.9].19 Rechts lag de huiskamer met daarachter de eetkamer [1.10]. Ook de praktijkruimte met een spreekkamer, wachtkamer en apotheek lag in het rechterdeel van het huis. Het meubilair was zwaar en donker, de stoffering overdadig. Op de bovenverdieping bevonden zich zes slaapkamers en op de zolder van het huis nog eens twee, een grote boven de tuinkamer en een kleinere aan de andere kant van het huis. Piet sliep een tijdlang op de kleine zolderkamer; op de grote sliepen de twee volwassen dienstboden. Zij zorgden voor het huishouden; een ‘loopmeisje’ deed boodschappen en bracht medicijnen weg. 1.7 In Kochs herinneringen aan het leven in Beek neemt het huis geen prominente plaats in, wel de tuin rond het huis. Wanneer hij niet kan slapen, reconstrueert hij deze tot in alle details: ‘alle boomen, alle terse maatschappij. Stärcke zal niet onder stoelen planten, perken enz.’ Het is zijn manier ‘om nachtelijke of banken hebben gestoken dat die naar zijn mening zwartgalligheden mee te verdrijven’.20 Nog in 1984 – door en door verziekt was, niet in de laatste plaats hij is dan 83 – schept hij er plezier in zijn herinnering door beknotting van de libido (met name door het aan de tuin te delen met de dan 93-jarige Jo: instituut van het monogame huwelijk).14 Met Theo Planten of Jan ter Haar had hij voor ‘We hebben ontelbare herinneringen gemeen, zover bekend geen speciale band, niet als kind en maar wat geeft het, als je ze niet, in dagelijksche ook niet als volwassene. Wel zou Jan ter Haar hem gesprekken levend kunt houden. aan het begin van zijn carrière steunen door het conDuizende beelden hebben we beide waargetroversiële Urinoir te kopen [cat. 13]. nomen, de tuin, de Zomeravonden – met het Eenmaal getrouwd concentreerden de zussen theeblad onder de beuk of ook wel achter in de zich, zoals toen nog vanzelfsprekend was, op hun tuin bij de mispel – met de zachte geluiden van gezin, maar dat belette hen niet hun talenten – op het snuiven van koeien in de dalende schemer. Àlles weet ik nog: de gele pruimen, de reine claubescheiden schaal – naar buiten te brengen. Zo de, de perenboomen rondom die plek waar we wist Minie twee van haar gedichten in het chique algemeen culturele Elsevier’s Geïllustreerd Maandcroquetten – de seringenstruiken – de, haast ligschrift gepubliceerd te krijgen.15 Jo bracht in 1920 gende, vijgenpeer boom (10 peren per jaar). – de haar vertaling uit van O Mensch! van de Oostenrijkse schuurtjes – de croquet boogjes en, natuurlijk de schrijver Hermann Bahr.16 Tegenwoordig geniet zij groote bruine beuk – waar, iets lager, onder een vaste tuintafel was, waar we op zomermiddagen nog enige bekendheid als ‘muze’ van schrijver en en avonden, thee dronken [1.11]. Àlles weet ik criticus Menno ter Braak, die verliefd op haar was.17 To, die zich later Tops noemde, haalde in de jaren nog precies.’21 twintig de vaderlandse pers met een compleet ander talent: zij was sportief en tenniste in de jaren twintig Steeds wanneer hij of een van zijn zussen het in hun brieven heeft over de plaats waar ze hun jeugd doorop nationaal niveau, net als haar echtgenoot. Toen brachten, is het met weemoed naar die gelukkige tijd. zij op latere leeftijd terugblikte, constateerde zij hoe ‘intens verschillend’ de drie zussen waren en dat met Om het gemis het hoofd te bieden roepen ze in hun name zij een totaal andere jeugd en leven dan Minie brieven momenten van hun gezamenlijke gelukkige tijd weer op. ‘Is het goed’, vraagt hij zich eind 1944 af, en Jo had gehad.18
1.7
‘m’n eerste halve viool’, 1910, fotoalbum 1944, p. 3, RKD 0899/175. ‘Op de standaard zeker wel oefeningen van Sevciek [Ottokar Ševčík] (ril nog als ik er aan denk!)’
1920
19
1.8
1.8
1.8 1.8
Villa Mignon, aan de Beeksche Straatweg (nu Rijksstraatweg) in Beek, fotoalbum 1944, p. 1, RKD 0899/175, Koch noteerde: ‘dit huis werd in het laatst van de vorige eeuw door mijn ouders gekocht. - Ik werd er in 1901 geboren. z.o.z. - voor dien tijd hadden mijn ouders in twee andere huizen in ons dorp, (Beek bij Nijmegen) gewoond n.l. Walburg, en Stokkenhof. Beide werden later pensions. Ons huis, “Mignon”, was in een doffe licht-rose teint geschilderd met lichtgrijze omlijstingen van deuren en ramen, het had okergele store’s,
behalve juist aan de ramen der kamers die op deze photo’s goed te zien zijn. Dit stuk van het huis werd n.l. door mijn ouders bijgebouwd spoedig nadat ze het huis hadden gekocht. Op de hoeken stonden hooge boomen; een populier, een bonte iep en een bruine beuk. - voor ons huis, aan de overzijde van de weg, begon de beboschte heuvel, er achter het vlakke land (d.w.z. achter onze tuin) “het laag” (weilanden, met kleine dorpen en alleenstaande hoeven), wat zich uitstrekte tot aan de rivier. - De heuvel met z’n beekje, ravijnen, boschjes op een enkele plek onderbroken door glooiende
akkers, was het voornaamste speelgebied van mijn jeugd. Maar ook de weilanden achter den tuin waren gedurende lange perioden onuitputtelijke bronnen van avontuur en pleizier, want er waren kalveren, veulens, koeien en paarden die we kenden, en namen gaven, en de “onzen” noemden, er waren tallooze sloten en slootjes die we afdamden en waaruit we de katvischjes (stekelbaarsjes) bij honderden vingen met een oude emmer; en als ’s winters, wat vaak gebeurde, alles blank stond dan reden we er schaatsen op de groote ijsvlakte.’
Brieven – 1
20
‘Je boek heeft me heel veel van vroeger in de herinnering gehaald en ook m’n herinneringsbeelden weer eens verduidelijkt.’ Pyke Koch aan Margot van Boldrik, Utrecht 15 juni 1981 Koch haalt in juni 1981 nog enkele herinneringen op aan het leven in Beek.1 De aanleiding hiervoor is het verschijnen van Ubbergen hoog & laag van verleden naar heden van dorpsgenoot Margot van Boldrik (Bussum 1981). Voor de toelichting op haar beeldverhaal van kenmerkende locaties [1], gebeurtenissen en personen uit de omgeving van Beek en Ubbergen had zij geput uit herinneringen van (oud-)Beekenaars, ook uit die van Koch.2 In zijn brief van 15 juni 1981 staat hij stil bij enkele markante dorpsfiguren. Het is verleidelijk sommigen van hen terug te vinden in zijn schilderijen. Koch putte voor zijn voorstellingen uit allerlei bronnen, krantenfoto’s, filmstills, reproducties van kunstwerken, literatuur, maar ook uit zijn herinneringen – aan zijn geboortehuis en zijn bewoners, aan de imposante figuren en gebeurtenissen in zijn jeugd in Beek. Zij zijn in zijn geheugen gegrift en op foto’s vastgelegd. De toon van de brief is informeel. Hij signeert zijn brief met ‘Piet Koch’, zoals de Beekse dorpsgemeenschap hem kende.
Beste Margot, je boek (mijn hartelijke complimenten) heeft me heel veel van vroeger in de herinnering gehaald en ook m’n herinneringsbeelden weer eens verduidelijkt. Die menschen die ik me zoo heel duidelijk voor oogen kan halen omdat ze op mij als kind de sterkste indruk gemaakt hebben, dat waren: ‘Toon de wegwerker’ met zijn houten been, een lieve goeie kerel die geduldig jaar in jaar uit op het lange traject Nijm – Ubbergen de paardenvijgen stond – of liever liep – op te vegen met z’n lange ‘heibessem’. Hij kon op de tram stappen zonder de minste risico dat hij zijn kaartje zou moeten betalen. Dat deed, als om wedstrijd, een van de menschen die in zijn buurt op het balcon stonden (hij ging nooit zitten v.w. het been!) Ik zie zijn gezicht nog voor me. Op een goeie dag had hij een groot verband dwars over zijn neus: hij had op een paard moeten passen en was door dat slecht gehumeurde exemplaar in zijn neus gebeten. Dan is daar Kiefte de postbode met zijn O beenen en roodgeaderde gezicht [2]. 1
2 3
Ubbergen, uit Jacob Kuyper, Gemeente-atlas van Nederland, naar officieele bronnen bewerkt, deel 2, Leeuwarden [1867], uit Van Boldrik 1981, afb. 84 Kiefte de postbode, en Piet Koch, circa 1910, Archief Taeke J. Botke Afscheid van burgemeester Jhr. Jan Dommer van Poldersveldt, burgemeester van Beek (Ubbergen) uit Van Boldrik 1981, afb. 138 Dommer wordt omringd door ambtenaren van de gemeentesecretarie en het politiekorps, van links naar rechts: G.T. van Boldrik, secretaris en ontvanger, J. Nauta Andrea, volontair, A.H. de Goey, ambtenaar, H.W.A. baron van Westerveldt Sandberg, ambtenaar van de burgerlijke stand, J.N. Hermsen, bode, en de veldwachters J.H. Gerbrands (Ubbergen), H. Awater (Kekerdom), J.P.M. de Man (Ooij), J. van Vendeloo (Beek) en F. Kluitmans (Leuth-Kekerdom).
Dan de lange Hermsen, koetsier van burgem Jan Dommer v. P.3 die hielp ‘zatte kerls’ in het hok onder het gemeentehuis te douwen. Ik zag het eens als kind gebeuren en was als in een nachtmerrie bevangen. Vendeloo is prachtig te zien op die groepsphoto [3].4 Als kinderen maakten we elkaar aan het schrikken met ‘daar hedde Vendeloo’. Maar nog banger waren we voor het toen niet zeldzame verschijnsel van een dronken man. Als er een riep: ‘doar kumt een zatte kerl’ dan vlogen we als verschrikte musschen alle kanten op. De doodgraver v/h R.K. kerkhof zie ik nog voor me – mager, hard gezicht met donkere oogen (+ 55 jaar). Bij een open graf wat hij juist begon dicht te gooien stond een heel oud moedertje te huilen (voor zoover ze dat nog kon), en zei: ‘hij kriegt toch wel een krans in den hemel’? Hij: ‘as ’t an mien lijt wel twee’! – – – Toen scharrelde ze weer weg. Wat een pracht photo van de oude Groothuzens! die ik me ook nog duidelijk herinner al was ik heel jong toen ze stierven [5].