Skip to main content

WASz Voorjaar 2022

Page 16

was

WETENSCHAPPELIJK TIJDSCHRIFT ALBERT SCHWEITZER ZIEKENHUIS

Z Jaargang 14 Nummer 1 Juni 2022


NU

ED O G

R

VE

Samen overgewicht te lijf! Saxenda voor gewichtsbeheersing bij mensen met (ernstig) overgewicht. Nu vergoed voor een deel van de volwassenen met obesitas. ®

2

Saxenda is vanaf 1 april 2022 vergoed voor een deel van de volwassenen met obesitas Bekijk de vergoedingsvoorwaarden op samenovergewichttelijf.nl ®

Saxenda is geregistreerd in Nederland sinds 2015 voor gewichtsbeheersing bij volwassenen en adolescenten met (ernstig) overgewicht. ®

1

Voor de volledige indicatie zie de VPI elders in deze uitgave.

Wilt u meer weten over Saxenda®? Of over educatie- en patiëntenmaterialen en nascholingen? Scan de QR code en lees meer op samenovergewichttelijf.nl

Gastro-intestinale bijwerkingen en hoofdpijn waren de meest frequent gemelde bijwerkingen tijdens de behandeling. NL22SX00008 Verkorte productinformatie en referenties zie elders in deze uitgave.


Van links naar rechts: Fleur van Geldere, Lina van der Straten, Cedric Lau en Krista Kuitwaard

Beste lezer Het voorjaar is aangebroken. Op het moment dat we dit beschrijven, zijn we gelukkig weer over de piek van COVID-19-besmettingen heen. Ook in het ziekenhuis zijn er ontzettend veel medewerkers positief getest. De stroom COVID-19-patiënten neemt daarentegen steeds verder af, waarmee de reguliere zorg en onderzoeken weer zo goed als doorlopen. Heel langzaamaan bereiken we dus weer het werkniveau dat we gewend zijn. Bij dit alles hoort ook weer een nieuwe editie van WASz, waarin we je graag een selectie bieden van onderzoeken die in ons ziekenhuis worden uitgevoerd. Zo vertelt Maud Bomert over de invulling van de nieuwe functie van klinisch informaticus. Die functionaris gaat in ons ziekenhuis een grote rol spelen in de samenwerking tussen en overbrugging van de ICT-afdeling en de kliniek. Maud Bomert gaat die nieuwe rol invullen en vertelt over de toegevoegde waarde ervan.

COLOFON ling zoal bij betrokken is op wetenschappelijk gebied. Hierbij mogen ook zeker niet de opleidingsplaatsen voor de opleiding Kindergeneeskunde ontbreken: Sanne Modderman en Leonieke Breunis vertellen hierover. En ook geeft Laura de Jong ons een beknopt inzicht van haar functie als research medewerker Kindergeneeskunde. Ook onze vaste rubrieken zijn weer van de partij: Sara Baart geeft drie hersenkrakers van statistiekvragen, Joke Bosch schrijft over de laatste ontwikkelingen bij het Wetenschapsbureau en Monique Pol geeft weer een inkijkje in de vele mogelijkheden die de bibliotheek biedt. Tot slot nemen wij in deze editie afscheid van Dorine en Kelly. Zij verlaten hiermee tevens het Albert Schweitzer ziekenhuis en gaan een nieuwe uitdaging tegemoet. Wij willen beiden ontzettend bedanken voor hun bijdrage aan diverse WASz-edities!

Nathalie Bouwer geeft ons een inkijkje in de uitdagingen en opbrengsten van het tegelijkertijd uitvoeren van zowel een promotietraject op de afdeling Interne Geneeskunde en Cardiologie, als ook haar coschappen.

Veel leesplezier gewenst!

In the spotlight staat ditmaal de afdeling Kindergeneeskunde. Na lezing van het artikel heb je een goed beeld van waar deze afde-

Bezoek ook de WASz-pagina op intranet voor eerdere edities en aanvullende informatie.

De hoofdredactie Krista Kuitwaard, Fleur van Geldere, Lina van der Straten en Cedric Lau

WASz is het wetenschappelijk tijdschrift van de Wetenschapscommissie van het Albert Schweitzer ziekenhuis, onderdeel van het Leerhuis. Het blad verschijnt twee keer per jaar. Hoofdredactie Krista Kuitwaard, neuroloog Cedric Lau, ziekenhuisapotheker Fleur van Geldere, psycholoog in opleiding Lina van der Straten, promovenda interne geneeskunde Fotografie Frederike Roozen-Slieker Cover Bettina Samrén Redactionele begeleiding Math de Vaan, Delfgauw Creatie carenza* Realisatie Multiplus BV, Drachten Redactieadres Albert Schweitzer ziekenhuis Afdeling Leerhuis Postbus 444, 3300 AK Dordrecht E-mail: tijdschrift.wasz@asz.nl De redactie behoudt zich het recht voor om brieven en aangeboden artikelen in te korten of niet te plaatsen.

3


Inhoud 20

28

48

26

06 10 13 16 20 24

5

Nieuws van het wetenschapsbureau

13

26

Wetenschap in het ASz Hoe stimuleer je ‘gezond bewegen’ bij patiënten die het moeilijk hebben?

28

Stagiairs in het ASz Het belangrijke werk van de stagiairs uit ons ziekenhuis

30

Promoties in het ASz Lindsay Angus: "Tumoren onderzoeken kan op een minder invasieve manier" Wetenschap in het ASz Eindpunten bij CLL? Soms een dilemma… Column Het wel en wee van het promoveren

35 36 38

42

Topklinisch ziekenhuis De klinisch informaticus als bruggenbouwer Promoties in het ASz Annemarie Schop: “Pas op voor tunnelvisie bij diagnostische trajecten” Diagnose in Beeld Statistiek Quiz Test je statistiekkennis met deze quiz gemaakt door Sara Baart Goedgekeurde studies In the spotlight… de afdeling kindergeneeskunde Ankie Lebon en collega’s vertellen over de diverse onderzoeken op de afdeling Wetenschap in het ASz Helpt het Positieve Gezondheidsmodel?

46 48 50

52

Onderzoeker aan het woord Nathalie Brouwer: “Promoveren tijdens je coschappen is een verrijking” Onderzoeker aan het woord Hardjit Kharagjitsing „Samenwerken in onderzoek verbreedt je blik” Promoties in het ASz Joost Peerbooms: “Het is fantastisch om echt je mening te kunnen geven over iets waar je jaren aan gewerkt hebt” Nieuws van de bibliotheek Rianne van ’t Hof over de nieuwste boeken en tijdschriften

55

Pubmed publicaties

67

Dankwoord Dorine en Kelly

68

Wetenschapskalender


WETENSCHAPSBUREAU

Nieuws van het wetenschapsbureau Joke Bosch is wetenschapscoördinator in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Het Castor Studie Management Systeem is een systeem waarin alle ASz-studies worden ingevoerd. Ze worden eerst voorgelegd aan de lokale uitvoerbaarheidscommissie (WOAC) voordat de Raad van Bestuur goedkeuring geeft. Met dit systeem weten we wat we aan studies hebben gedaan. Dit laten we altijd in ons jaaroverzicht zien, maar dit keer ook in deze WASz. Verder is per 1 februari dit jaar eindelijk het Clinical Trials Information System (CTIS) in gebruik genomen, het Europese portal voor alle, WMO-plichtige, geneesmiddelenstudies. Hieronder lees je wat deze database inhoudt. Onlangs is een nieuwe gedragscode gepubliceerd voor gegevensbescherming bij gezondheidsonderzoek. De code is bedoeld ter ondersteuning van onderzoekers voor het observationele (dossier)onderzoek. De code geeft tegelijkertijd duidelijke spelregels voor de onderzoeker. Het is een document van meer dan 80 pagina’s dus of het echt duidelijkheid gaat geven is nog maar de vraag. Wij doen een poging en beschrijven in deze WASz de kern ervan. Tot slot bespreken we hoe we ons wetenschappelijk werken aansluiten bij de nieuwe strategie van het ziekenhuis. Nieuwe studies en VGO-ervaringen Het jaar 2021 was een bijzonder jaar, niet alleen vanwege de coronapandemie die grote impact heeft op de zorg en wetenschap, maar ook door de ingevoerde veranderingen in aanloop naar de invoering van European Clinical Trial Regulation (ECTR). Met de invoering van de verklaring geschiktheid onderzoeksinstelling (VGO) voor het WMO-plichtige geneesmiddelenonderzoek in Nederland, gingen procedures voor lokale haalbaarheid op de schop. De WOAC ging er tussenuit en Castor moest zo worden ingericht dat de verschillende partijen, onderzoekers, ondersteu-

ners en bedrijfsleiders inzage hebben en akkoord kunnen geven op de onderdelen waar zij verantwoordelijk voor zijn. Dit vraagt afstemming van alle partijen. We lijken intern redelijk te slagen in dit nieuwe proces, maar aandacht en evaluatie blijven nodig. Ook zien we helaas, dat andere partijen zoals sponsoren moeten wennen, een eigen interpretatie geven aan de nieuwe procedures en nogal eens niet volledig aanleveren. In het afgelopen jaar zijn er 73 nieuwe studies gestart. De WOAC heeft de studies beoordeeld op lokale haalbaarheid en een

Figuur 1: Verdeling monocenter en multicenter studies

6


was

Z

WETENSCHAPSBUREAU

Tabel 1: Aantal eigen en gesponsorde WMO en niet-WMO studies goedgekeurd/gestart in 2021, uitgesplitst naar type.

WMO-plichtig (n=36)

Eigen geïnitieerd Gesponsord Gesponsord, Asz wervend centrum

Prospectief observationeel nietinvasief

Interventie Genees- Medisch Procedure Anders hulpmidmiddel del

1 1 1

26

1 4

1 1

Niet-WMO-plichtig (n=37) Retrospectief dossier onderzoek

4 Eigen geïnitieerd 7 Gesponsord Gesponsord, Asz wervend centrum

Prospectief observationeel nietinvasief 8 12 1

positief advies gegeven (zie Tabel 1 en Figuur 1). De helft van deze nieuwe studies betrof niet-WMO-plichtig onderzoek (37 van de 73, 51 %). Je ziet in het overzicht ook, dat we helaas heel weinig eigen geïnitieerd onderzoek doen in het ASz. In het afgelopen jaar waren dit 14 van de 73 (19%) nieuwe studies. Hiervan waren er twee WMO-plichtig (3%). We doen dus in het ASz vooral mee aan gesponsord onderzoek. Ook belangrijk, maar het zou nog mooier zijn als we in het ASz onze goede en speciale zorg ook via de weg van wetenschappelijk onderzoek meer zichtbaar gaan maken. Dus mocht je ideeën hebben, schroom niet om hierover het gesprek aan te gaan met bijvoorbeeld onze statisticus Rosaline van den Berg of met mij. Onderzoek hoeft niet per definitie ingewikkeld of duur te zijn. Met passie, enthousiasme en samenwerken kom je vaak ook een heel eind. Het complete overzicht van studies wordt later dit jaar gepubliceerd in het Wetenschappelijk jaaroverzicht 2021. Clinical Trials Information System (CTIS) Per 1 februari is de ECTR van kracht geworden, hiermee is ook het CTIS in gebruik

7

Interventie Genees- Medisch Procedure Anders hulpmidmiddel del

2

1

2

genomen. Dit betekent dat opdrachtgevers van onderzoek (zowel onderzoeker-geïnitieerd als bedrijfs-geïnitieerd onderzoek) de aanvraag voor de medisch-ethische toetsing indienen via het centrale portal CTIS (Figuur 2). Het CTIS is een database waarin de gehele voortgang en de resultaten van de onder-

zoeken worden vastgelegd. Verder verloopt de communicatie tussen de opdrachtgevers en de toetsende instantie volledig via dit systeem. Het in te dienen onderzoeksdossier bestaat uit twee delen: deel 1 is een centraal deel en deel 2 een nationaal deel. Beide delen worden in CTIS ingediend. Een deel van CTIS is publiekelijk toegan-

Figuur 2: CTIS Bron: https://www.ema.europa.eu/en/documents/newsletter/clinical-trials-informationsystem-ctis-highlights-june-2020_.pdf


WETENSCHAPSBUREAU

kelijk. In dit deel komen onder andere lekensamenvattingen te staan. Dit draagt bij aan toegankelijkheid en transparantie voor proefpersonen. De onderzoekers die in ons ziekenhuis eigen geïnitieerd WMO-plichtig geneesmiddelenonderzoek doen, krijgen te maken met dit nieuwe portaal. Veel informatie en cursussen hierover vind je online. En informatie over de ECTR en CTIS is te vinden op de sites van CCMO, DCRF en de EMA. Herziene gedragscode Er is een nieuwe Gedragscode Gegevensbescherming Gezondheidsonderzoek opgesteld door COREON. Dit staat voor de Stichting Commissie Regelgeving Onderzoek, die tot doel heeft om onderzoekers wegwijs te maken in het doen van onderzoek met gegevens. De code geeft de onderzoeker de spelregels waaraan Nederlands gezondheidsonderzoek moet te voldoen. Deze spelregels helpen je, omdat wet- en regelgeving voor gegevensbescherming bij gezondheidsonderzoek behoorlijk complex is. De gedragscode bestaat sinds 2004. Door de komst van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is er veel veranderd in hoe we met gegevens moeten omgaan. Daarom is de code nu herzien. De nieuwe code gaat ook in op de verantwoorde omgang met lichaamsmateriaal in gezondheidsonderzoek en vervangt daarmee tevens de Code Goed Gebruik uit 2011. De AVG en de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) zijn leidend geweest bij

het opstellen van de herziene code. De gedragscode is in januari 2022 gepubliceerd, zie hiervoor: https://www.coreon.org/publicaties. Meer informatie over de Gedragscode Gezondheidsonderzoek is te vinden op de website van COREON en ELSI en kijk ook vooral in iProva bij onze ASZ STZ SOPs. De stichting COREON is een inhoudelijk en deskundig netwerk van professionals, dat een gunstig klimaat wil creëren voor (observationeel) gezondheidsonderzoek. Aan dit netwerk nemen organisaties deel, die in Nederland (observationeel) gezondheidsonderzoek met gegevens en (lichaams- en beeld)materialen uitvoeren. Ook als wetenschapscoördinatoren van STZ hebben we feedback gegeven op een eerdere versie van dit document. We waren van mening dat observationeel onderzoek met de nieuwe gedragscode erg moeilijk wordt gemaakt en het observationeel onderzoek belemmert. Desalniettemin hebben we ons als onderzoekers aan de code te houden. In het ASz doen we dit ook op andere manieren al, zie hiervoor ons artikel over toestemming in de WASz van juli 2021 en het kwaliteitshandboek Wetenschap in iProva (onder andere ASZ STZ SOPS VC2, VL2, VL4, U2), waarbij de WOAC beoordeelt of aan de gestelde eisen voor het gebruik van gegevens en lichaamsmateriaal wordt voldaan. Belangrijk voor de onderzoeker is om de gevraagde informatie goed aan te leveren.

Strategie In het ASz hebben we een nieuwe strategie, met de slogan ‘Onze zorg gaat altijd door’. Ik zou hier graag voor ons wetenschappelijk werk aan willen toevoegen: ‘met wetenschap wordt het beter’. Met ons wetenschappelijk werk willen we ook aansluiten bij het streven naar een gezonde patiënt, gezonde professional en gezonde organisatie. Ook willen we aansluiten bij thema’s die voor ons ziekenhuis van belang zijn. Diverse collega’s, betrokken bij het onderzoek en de organisatie, werken aan het concreet vormgeven hiervan. Ik hoop hierover in de volgende WASz meer te kunnen vertellen. Agenda Het Leerhuis (zie op intranet het ASz-Leerplein) biedt online mogelijkheden voor scholing. Onder andere over de thema’s GCP, herregistratie GCP, statistiek SPSS en R, wetenschappelijk schrijven in het Engels, en poster maken. Wil je netwerkbijeenkomsten opzetten voor bijvoorbeeld promovendi of research medewerkers, dan kunnen we helpen. Neem hiervoor contact met ons op. Contact Heb je vragen, ideeën of opmerkingen over wetenschappelijk werk, mail ze naar wetenschap@asz.nl. Je kunt ook wetenschapscoördinator Joke ( j.l.bosch@asz.nl) benaderen.

Bosch

8


Revalidatiezorg Dordrecht Revalidatiezorg Dordrecht is specialist in centraal neurologische aandoeningen en complexe revalidatie. • Revalidatie en eerstelijns therapie na een CVA, bij MS of parkinson. • Intensieve klinische revalidatiezorg voor medisch stabiele cliënten in een laagbewuste toestand.

Meer informatie? Bel 078 652 88 00 of kijk op www.revalidatiezorgdordrecht.nl.


WETENSCHAP IN HET ASZ

Hoe stimuleer je ‘gezond bewegen’ bij patiënten die het moeilijk hebben? In dit artikel lees je over het afstudeerproject van Gabi Broodman. Ze deed onderzoek naar de factoren die ervoor zorgen dat patiënten vaak meer in bed liggen dan goed voor hen zou zijn. Het onderzoek leverde drie oplossingsrichtingen op, één ervan is fysieke en mentale ondersteuning door zorgverleners in combinatie met Zorgpad-applicatie. We vroegen Gabi om meer details. Hoe is je onderzoek tot stand gekomen? „Voor ik ‘Communication and Multimedia Design’ ging studeren, volgde ik de minor ‘Silicon Venturing Rotterdam’, die in het teken stond van innovatie in de zorg. Ik hielp toen in het ASz met het implementeren van nieuwe technologieën in de zorg. Het viel me op dat patiënten hele dagen in bed doorbrachten, terwijl het de bedoeling was dat zij dagelijks iets aan beweging zouden doen, zodat de kans op complicaties beperkt zou blijven. Naar aanleiding van deze bevindingen heb ik voor mijn afstudeerproject van de Hogeschool Rotterdam, contact opgenomen met de afdeling Klinische Fysiotherapie. Ik wilde kijken of ik kon bijdragen aan het

Gabi Broodman Gabi Broodman is recent afgestudeerd aan de Hogeschool Rotterdam, richting ‘Communication and Multimedia Design’. Zij deed in ons ziekenhuis onderzoek naar het stimuleren van beweging van patiënten in isolatiekamers.

10


was

Z

WETENSCHAP IN HET ASZ

stimuleren van beweging bij patiënten. Na een aantal gesprekken hebben we bepaald niet te focussen op álle ziekenhuispatiënten, maar om het onderzoek te richten op leukemiepatiënten die een stamceltransplantatie-traject ondergaan.” Wat is in dit geval de huidige situatie? „Alle leukemiepatiënten die een stamceltransplantatie-traject ondergaan en hiervoor verblijven in de isolatiekamers op de afdeling hematologie/oncologie, krijgen nu een A4 met hierop in zwartwit een aantal oefeningen. Daarnaast heeft iedere isolatiekamer een hometrainer, waarvan twee van de vijf ook een fietslabyrint hebben. Uit interviews heb ik geconcludeerd dat een groot deel van de patiënten deze middelen niet gebruiken. Dit komt grotendeels omdat het behandeltraject zwaar is. Patiënten verkeren daardoor vaak in een ‘mentaal dal’, dat zich vrijwel direct bij opname aandient en het hele behandeltraject voortduurt. Door de discrepantie tussen de verwachtingen en de werkelijkheid is de patiënt vaak boos, verontwaardigd en teleurgesteld. Verder blijkt ook de informatievoorziening onvoldoende duidelijk en helpen de ongemakken van de kleine isolatiekamer ook niet echt. Door al deze factoren belandt de patiënt snel in een passieve houding, en dat is niet wenselijk in het kader van het dagelijks bewegen. Er zit dus een groot gat tussen het gewenste startpunt (intrinsieke motivatie om dagelijks te bewegen) en het daadwerkelijke startpunt (nagenoeg geen motivatie om te bewegen). Door deze lage intrinsieke motivatie is het ook voor de fysiotherapeut lastig om de patiënt dagelijks actief te laten bewegen, en zo de conditionele achteruitgang te beperken en complicaties zoveel mogelijk te voorkomen. De fysiotherapeut kan dit probleem alleen oplossen in samenwerking met de afdeling hematologie/oncologie en de klinische fysiotherapeuten.” Hoe kan de patiënt dan gestimuleerd worden? „Er zal fysieke ondersteuning geboden moeten worden met het aanreiken van oefeningen, die passend zijn bij de gesteldheid van de patiënt. Daarnaast is er ook mentale ondersteuning nodig. De oplossing zal voornamelijk gezocht moeten worden in (1) het

11

zoveel mogelijk wegnemen van onduidelijkheden in de informatievoorziening, (2) waar mogelijk de zelfregie teruggeven aan de patiënt en (3) mentale en fysieke ondersteuning bieden door ‘blended care’ (een combinatie van een digitaal product met menselijke face-to-face ondersteuning).” Hoe ga je dit realiseren? „We gaan het concept ‘Blijven bewegen’ ontwikkelen in samenwerking met de verpleegafdeling hematologie/oncologie en de afdeling klinische fysiotherapie. Het wordt een Zorgpad-applicatie die speciaal ontwikkeld is voor leukemiepatiënten en als doel heeft om een optimale patiëntsituatie te creëren, waarmee een mentaal dal kan worden voorkomen. Alle beschikbare informatie voor de patiënt is in deze applicatie gebundeld. De informatie blijft gedurende het gehele behandeltraject actueel, zodat de patiënt altijd op de juiste momenten voorzien wordt van de nodige informatie. Zo kan de patiënt bijvoorbeeld al vóór opname een digitale rondleiding krijgen over de afdeling hematologie/oncologie. De patiënt weet zo al veel over het behandelteam, de isolatiekamer en het belang van bewegen. Verder ondersteunt de applicatie tijdens de opname in het ziekhuis ook de dagelijks beweging van de patiënt, door het versturen van notificaties. De patiënt heeft een vast beweegmoment per dag en krijgt dagelijks drie oefeningen aangereikt. De oefeningen worden bepaald afhankelijk van de mentale gesteldheid van de patiënt en eventuele voorkeuren om zittend, liggend of staand oefeningen te doen. De Zorgpad-app geeft aan hoe lang, hoe vaak of tot welke intensiteit de oefening gedaan kan worden. Ook zijn er filmpjes beschikbaar waarin de fysiotherapeuten uitleg geven over de oefeningen en deze voordoen. Tot slot biedt de applicatie de patiënt ook de mogelijkheid om gedurende zijn behandeltraject met ervaringsverhalen van lotgenoten ondersteund te worden. De patiënt kan hier steun uit halen door te lezen hoe lotgenoten zijn omgegaan met situaties die hij nu meemaakt, zoals bijvoorbeeld het bewegen in een isolatiekamer.”


was

Z

STAGIAIRS IN HET ASZ

Begeleiding bij probleemgedrag In ons ziekenhuis worden veel stages gelopen en afstudeeronderzoeken gedaan. Al deze studenten doen belangrijk werk, daarom zetten we ze in WASz regelmatig in the spotlight. Dit keer vertelt Ilse Verhoog over haar afstudeeronderzoek op de afdeling Psychiatrie. Ik heb één jaar op deze afdeling gewerkt. In het tweede deel van dat jaar ben ik begonnen aan mijn onderzoek. Dit vond ik erg prettig, omdat ik tegen die tijd goed was ingewerkt en wist wat ik kon verwachten van de patiëntencategorie. Ik heb tijdens mijn onderzoek veel gehad aan mijn collega’s. Zij dachten met mij mee en hielpen mij bij verschillende vraagstukken. Ook waren alle collega’s bereid mee te werken aan het onderzoek door deel te nemen aan de interviews. Ik heb dit erg gewaardeerd. Het was zeer leerzaam om mijn afstudeeronderzoek in het Albert Schweitzer ziekenhuis te doen. De aanleiding van mijn onderzoek was een 64-jarige patiënt, die was opgenomen op de afdeling Psychiatrie met klachten van angst en somberheid en voor herstel na een bekkenfractuur. De patiënt had een licht verstandelijke beperking en vertoonde op de afdeling probleemgedrag wat zich uitte in overmatig huilen. Het was voor de verpleegkundigen van de afdeling lastig hiermee om te gaan. Het doel van mijn onderzoek was om inzicht te krijgen in de manier waarop deze patiënt op de afdeling begeleid werd. Met dit inzicht hoopte ik aanbevelingen te kunnen doen over hoe de verpleging om zou kunnen gaan met het overmatig huilen, zodat de situatie voor iedereen dragelijker zou worden. Uit mijn praktijkonderzoek bleek dat de begeleiding vooral gevoelsmatig werd gedaan, waarbij het verplegend team niet op één lijn zat. Er werden diverse interventies toegepast, maar het werd als lastig ervaren om uit te vinden welke van de interventies het best werkte. Uit de literatuur kwamen verschillende punten naar voren die van belang zijn bij de begeleiding van mensen met een verstandelijke beperking en probleemgedrag. Deze punten zijn onder meer, het hebben van een gezamenlijke visie en werkwijzen, het creëren van juiste omgevingscondities, het bieden van een gevoel van veiligheid, van structuur en een juiste bejegening. Ik concludeerde dat door het ontbreken van een eenduidig beleid er veel verschil zat in de begeleiding van deze patiënt, terwijl de literatuur juist het belang van een gezamenlijke aanpak beschreef.

13

Ilse Verhoog Ilse Verhoog studeerde aan de Rotterdamse Hogeschool verpleegkunde. ze deed haar afstudeeronderzoek op de afdeling Psychiatrie van het Albert Schweitzer ziekenhuis.

De aanbeveling was om de patiënt meer structuur te bieden door middel van een dagprogramma en om de kennis van de verpleegkundige voor wat betreft begeleiding van patiënten met een verstandelijke beperking te vergroten door middel van klinische lessen.


Zet samen de stap naar langdurige fractuurpreventie

* Lage fractuurincidentie, continue toename botmineraaldichtheid lumbale wervelkolom, totale heup en femurhals en lage incidentie van bijwerkingen gedurende 10 jaar behandeling met Prolia. Δ Significant grotere toename van de botmineraaldichtheid in de lumbale wervelkolom, totale heup, femurhals en 1/3 radius, 12 maanden na transitie van bisfosfonaat naar denosumab in vergelijking met doorgaan met een bisfosfonaat (oraal alendroninezuur, risedroninezuur, ibandroninezuur of intraveneus zoledroninezuur). ‡ Significante reductie van wervelfracturen, niet wervelfracturen en heupfracturen na 3 jaar behandeling met Prolia in vergelijking met placebo. # Voorkeur voor Prolia in vergelijking met alendronaat. Primair eindpunt was therapietrouw aan het einde van jaar 1.

www.prolia.nl

Zie voor referenties en meer productinformatie elders in deze uitgave.

NL-PRO-0322-00001/maart2022

Ook op lange termijn EFFECTIEF en VEILIG*1-3 Sterkere toename BMD dan met bisfosfonatenΔ4-7 Significante fractuurreductie op de belangrijkste plekken‡2,3 Voorkeur van de patiënt#8


was

Z

STAGIAIRS IN HET ASZ

Optimale medicatiebegeleiding voor bariatrische patiënten In dit artikel lees je over de stage van Ouarda Sbaa. Ze deed onderzoek naar medicatiebegeleiding voor bariatrische patiënten. We vroegen Ouarda naar haar ervaringen. Lees over haar zeer leerzame stageperiode. Na een bariatrische ingreep kunnen patiënten, in verband met een veranderde farmacokinetiek, anders reageren op medicatie. Daarom wordt er sinds 2018 medicatiebewaking uitgevoerd op contra-indicatie bariatrische chirurgie. Voor deze patiëntengroep is het belangrijk dat er adequate medicatiebewaking wordt uitgevoerd en dat er optimale medicatiebegeleiding wordt gegeven in zowel 1e als 2e lijn. Het was onduidelijk of bariatrische patiënten in de klinische praktijk optimale medicatiebegeleiding kregen. Tijdens mijn stage heb ik een onderzoek uitgevoerd om in kaart te brengen wat er voor deze groep patiënten verbeterd kan worden aan de medicatiebegeleiding in 1e en 2e lijn. Voor optimale medicatiebegeleiding in zowel 1e als 2e lijn is het van belang dat de contra-indicatie bariatrische chirurgie is vastgelegd in het elektronisch patiëntendossier (EPD) van voorschrijvers en apotheken. Voor dit onderzoek heb ik vooraf geïnventariseerd in hoeverre de contra-indicatie werd vastgelegd in het EPD van de ziekenhuisapotheek, poliklinische apotheek, huisarts en openbare apotheek. Hiervoor heb ik een steekproef genomen onder patiënten die geopereerd zijn in de periode van 2018 tot en met 2021. Uit de resultaten van de inventarisatie bleek bij veel patiënten de contra-indicatie bariatrische chirurgie niet vastgelegd was in het EPD van huisartsen en apotheken. De inventarisatie heeft ertoe geleid dat huisartspraktijken en apotheken geïnformeerd werden over de contra-indicatie bariatrische chirurgie. Zo zijn de contraindicaties alsnog vastgelegd in het EPD. Verder heb ik voor dit onderzoek een stakeholdersanalyse uitgevoerd. Middels deze analyse heb ik in beeld kunnen brengen in hoeverre stakeholders (o.a. bariatriechirurgen, openbaar apothekers, huisartsen, maar ook de patiënten zelf) momenteel betrokken zijn bij medicatiebegeleiding. Onder hen heb ik interviews afgenomen. Met de resultaten hiervan is in beeld gebracht op welke manier stakeholders kunnen leveren aan een optimale medicatiebegeleiding in de 1e en 2e lijn voor bariatrische patiënten. Tijdens de inventarisatie van de contra-indicatieregistratie en de stakeholdersanalyse zijn er knelpunten gesignaleerd, die ervoor zorgen dat er geen optimale medicatiebegeleiding gegeven kan worden. Op basis van deze knelpunten heb ik aanbevelingen opgesteld die de medicatiebegeleiding kunnen verbeteren. Een belangrijk knelpunt is dat het bij veel huisartsen

15

Ouarda Sbaa Ouarda Sbaa is farmakundige in opleiding. Een farmakundige verbetert en optimaliseert processen en voert projecten uit ten behoeve van de farmaceutische zorg en dienstverlening. Ze heeft 18 weken stagegelopen in de ziekenhuisapotheek en heeft haar stage voltooid.

onbekend was hoe bariatrische chirurgie als contra-indicatie vastgelegd kan worden in het huisartsinformatiesysteem. Ik heb daarom de aanbeveling opgesteld om huisartsen via meerdere wegen (nascholing, huisartsmailing, ontslagbrief) worden geïnformeerd hoe de contra-indicatie als bariatrische chirurgie dient te worden vastgelegd. Met het onderzoek heb ik kennis opgedaan over het belang van het maken van werkafspraken met zorgverleners en het belang van informatieoverdracht tussen verschillende zorgverleners. Als student was ik onbekend met bariatrische chirurgie, tijdens deze stage heb ik meer geleerd over dit onderwerp en de zorg die deze patiënten ontvangen. Mijn advies aan toekomstige stagiairs zou zijn: kijk zowel binnen als buiten het ziekenhuis mee naar alle processen rondom (farmaceutische) patiëntenzorg. Op die manier kun je veel kennis en ervaring opdoen tijdens je stage.


PROMOTIES IN HET ASZ

Lindsay Angus

Tumoren in kaart brengen met minder invasieve technieken

Op 22 september 2021 promoveerde Lindsay Angus, AIOS Interne Geneeskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op het proefschrift ‘Genomics-guided personalized cancer treatment by means of tumor tissue, liquid biopsy and radiomics analyses’. We stuurden Lindsay een aantal vragen toe en vroegen haar om ons door haar promotieonderzoek te leiden. Ook wilden we weten hoe ze het promotietraject ervaren had.

Lindsay Angus Lindsay Angus is AIOS Interne Geneeskunde in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Afgelopen najaar verdedigde zij aan de Erasmus MC met succes haar proefschrift getiteld ‘Genomics-guided personalized cancer treatment by menas of tumor tissue, liquid biopsy and randomics analyses’

16


was

Z

PROMOTIES IN HET ASZ

Welk onderzoek heb je uitgevoerd? „We weten van patiënten met (uitgezaaide) kanker dat ze over het algemeen niet zullen overlijden aan de gevolgen van de primaire tumor, maar aan de gevolgen van uitzaaiingen op afstand. De huidige manier van behandelen is met name gebaseerd op de plek waar de tumor is ontstaan. Zo krijgen patiënten met borstkanker een andere behandeling dan patiënten met maagkanker. Tegenwoordig wordt er veel onderzoek gedaan naar de vraag of behandelen op basis van tumor-specifieke kenmerken effectiever is. Om de kenmerken van de tumor te onderzoeken wordt vaak gebruik gemaakt van een biopt van de primaire tumor of een van de uitzaaiingen. Het nemen van biopten is echter invasief en kan gepaard gaan met bijwerkingen zoals bloedingen en infecties. Soms is het door de locatie van de tumor zelfs niet mogelijk om een biopt af te nemen. Minder invasieve technieken om de eigenschappen van de tumor in kaart te brengen zijn dus gewenst. In mijn promotieonderzoek heb ik verschillende technieken onderzocht om de moleculaire eigenschappen van uitzaaiingen te onderzoeken. Van elke techniek zal ik een kort voorbeeld geven.” Weefselbiopten „In de CPCT-02-studie (1) werd bij patiënten met uitgezaaide kanker een biopt genomen van een van de uitzaaiingen, en werd het gehele tumor-DNA in kaart gebracht door middel van ‘whole genome sequencing’. Voor mijn onderzoek heb ik de WGS-data van de biopten van patiënten met uitgezaaide borstkanker geanalyseerd. Op basis van de deze data hebben we drie groepen patiënten kunnen identificeren die baat zouden kunnen hebben van doelgerichte therapie op basis van hun DNA-profiel. De eerste groep patiënten had in de tumor een defect in de homologe recombinatie. Homologe recombinatie speelt een rol bij het herstellen van dubbelstrengs DNA-breuken. Als dit reparatiemechanisme niet goed werkt dan zijn deze tumoren gevoeliger voor platinum-bevattende chemotherapie of de nieuwere PARPremmers. De tweede groep patiënten had een specifieke genetische afwijking, waarvoor al een doelgericht medicijn beschikbaar is en goedgekeurd door de FDA. Er waren bijvoorbeeld patiënten met een BRAF-mutatie, een mutatie die normaal gesproken vaker voorkomt bij melanomen (huidkanker). Voor de BRAF-mutatie bestaat doelgerichte medicatie, maar die is op dit moment nog niet beschikbaar voor patiënten met borstkanker. De derde groep patiënten had een tumor met heel veel mutaties (een hoge tumor mutational burden) waardoor deze tumoren in theorie gevoelig zouden zijn voor immuuntherapie. Alles bij elkaar was het mogelijk bij 42% van de vrouwen een specifieke, gerichte behandeling voor te stellen op basis van het DNA-profiel van de gemetastaseerde tumor. Of deze specifieke behandeling bij deze patiënten ook succesvol is, moet nog in prospectieve studies worden aangetoond. Vooral voor de laatste groep is recent gebleken dat een hoge tumor mutational burden bij patiënten met borstkanker niet geassocieerd is met een goede response op immuuntherapie.”

17

Vloeibare biopten ‘liquid biopsies’ „Een andere manier om de eigenschappen van tumorcellen te analyseren is het gebruik maken van vloeibare biopten, ook wel ‘liquid biopsies’ genoemd. In alle lichaamsvloeistoffen kunnen tumorcellen, delen van tumorcellen of cel-vrij tumor-DNA voorkomen. De tumorcellen of het cel-vrije DNA in deze vloeistoffen, zoals bloed, urine of liquor, kunnen gekarakteriseerd worden. Voorbeelden waarvoor liquid biopsies in de praktijk gebruikt zouden kunnen worden, zijn: vroeg detectie van kanker, detectie van minimaal residuale ziekte, detectie van bepaalde mutaties waarvoor doelgerichte behandeling gegeven zou kunnen worden of detectie van resistentie mechanismen. Ik heb onderzoek gedaan naar een methode om uitzaaiingen in de hersenvliezen (leptomeningeale metastasen) gevoeliger te kunnen detecteren, dan met de huidige techniek die op dit moment bij de pathologie gebruikt wordt. Bij patiënten met een klinische verdenking op leptomeningeale metastasen, werd de uitslag van de cytologie vergeleken met onze nieuwe techniek, die gebaseerd is op de NIPT-test en een abnormaal aantal chromosoom(armen) detecteert. Bij een deel van de patiënten werd afwijkend DNA aangetoond voordat de klinische diagnose hersenof leptomeningeale metastasen werd gesteld. De resultaten van deze studie zijn veelbelovend en prospectieve validatie is nodig om deze techniek te introduceren in de diagnostiek naar leptomeningeale metastasen.” Radiomics „Dit is een techniek en onderzoeksgebied dat snel terrein wint als patiëntvriendelijk alternatief voor weefselbiopten. Voor de behandeling van patiënten met een uitgezaaide vorm van melanoom is het van belang om te weten of de tumor een mutatie in BRAF bevat. Als deze mutatie aanwezig is dan kan de patiënt in aanmerking komen voor gerichte therapie die de effecten van deze mutatie remt. Bij patiënten met gemetastaseerd melanoom, onderzocht ik of er op basis van radiomics van CT-beelden van uitzaaiingen in de longen, onderscheid gemaakt kon worden tussen tumoren met en zonder een deze mutatie. Helaas kon er op basis van radiomics-eigenschappen geen onderscheid gemaakt worden tussen beiden groepen.” De toekomst „Hoewel DNA-analyse van tumoren op dit moment nog met name in studieverband gebeurt, hoop ik dat dit onderzoek in de komende jaren vertaald wordt naar nieuwe behandelopties voor patiënten met kanker. Het ultieme doel is dat de prognose en kwaliteit van leven van deze patiëntengroep verbetert. „ Hoe ben je in het promotietraject gerold? „In het Erasmus MC is er een programma genaamd ‘Junior MedSchool’, waarbij scholieren in 4 en 5 VWO al kennis kunnen maken met het doen van wetenschappelijk onderzoek. Als onder-


PROMOTIES IN HET ASZ

deel van dit programma heb ik in de zomervakantie van 5 en 6 VWO vier weken onderzoek gedaan in het laboratorium van de Interne Oncologie. Gedurende mijn geneeskunde opleiding is de interesse in de oncologie alleen maar gegroeid en na een stage van een half jaar aan de Johns Hopkins Universiteit in Baltimore in de VS, wist ik zeker dat ik heel graag translationeel onderzoek wilde doen binnen de oncologie. Zo kwam ik weer terecht bij de onderzoeksgroep waar ik in 5 VWO al mee had gewerkt en ben ik uiteindelijk in hetzelfde lab waar ik begonnen ben, ook gepromoveerd. Voor mij is de cirkel daarmee heel mooi rond!”

„Tijdens het San Antonio Breast Cancer Symposium (het grootste congres op het gebied van borstkanker) heb ik de resultaten van de CPCT-02 studie mogen presenteren voor een zaal voor experts. ”

de CPCT-02 studie mogen presenteren voor een zaal voor experts. De resultaten zijn uiteindelijk ook gepubliceerd in Nature Genetics. Ik ben er trots op dat we door grootschalige samenwerking met heel veel Nederlandse ziekenhuizen erin geslaagd zijn om als een van de eersten ter wereld het complete tumorgenoom van patiënten met uitgezaaide borstkanker te analyseren.” Welk advies heb je voor aankomende promovendi? „Probeer een beetje te genieten van de flexibiliteit die je als onderzoeker hebt! Nu ik weer in de kliniek begonnen ben, merk ik pas wat een luxe het is, als je tijdens je PhD-traject echt de tijd hebt om je ergens in te verdiepen, alles uit te pluizen en rustig een artikel te schrijven.” Ga je zelf verder in het onderzoek? „Op dit moment focus ik me met name op mijn opleiding tot internist, maar ik ben nog bij een aantal onderzoeksprojecten in het Erasmus MC betrokken. Daarnaast lijkt het me leuk om in de komende jaren als AIOS in het ASz ook bij te dragen aan wetenschappelijk onderzoek.”

Wat was het hoogtepunt tijdens het traject? „Tijdens het San Antonio Breast Cancer Symposium (het grootste congres op het gebied van borstkanker) heb ik de resultaten van

SABCS, San Antonio, USA, 2018

18


WETENSCHAP

Worstelen met eindpunten bij CCL

Mark-David Levin Mark-David is internist-hematoloog in het Albert Schweitzer ziekenhuis en heeft als aandachtsgebied chronische lymfatische leukemie (CLL).

In dit artikel bespreken Mark-David Levin en Lina van der Straten een aantal dilemma’s bij de behandeling van chronische lymfatische leukemie (CLL). Ze schetsen de evolutie door de jaren heen van de verschillende behandelingen en de bijbehorende eindpunten. Het levert soms lastige keuzes op: doelgerichte therapie of chemo-immunotherapie? Ze sluiten hun beschouwing met het beschrijven van de actuele stand rond de ontwikkeling van de nieuwe CLL-richtlijn, maar sluiten hun ogen niet voor de dilemma’s bij behandelkeuzes. Samen met een medisch ethicus gaan ze onderzoek doen onder hematologen en patiënten, om in kaart te brengen welke eindpunten zij het belangrijkst vinden. Chronische lymfatische leukemie (CLL) is de meest voorkomende vorm van leukemie in de volwassen leeftijd. In Nederland wordt de diagnose bij gemiddeld 800 tot 1000 patiënten per jaar gesteld (1)

. Kenmerkend voor CLL is een monoklonale uitgroei van rijpe B

Lina van der Straten Lina is arts-onderzoeker en promovendus in het Albert Schweitzer ziekenhuis en promoveert op het gebied van CLL. Net als Mark-David is Lina betrokken bij de ontwikkeling van de nieuwe CLL-richtlijn.

cellen, die zich ophopen in het perifere bloed, de lymfeklieren, de milt en het beenmerg. CLL komt met name voor op oudere leeftijd en de diagnose wordt gesteld bij een mediane leeftijd van 69-72 jaar. Vaak betreft de diagnose een toevalsbevinding bij routinematig bloedonderzoek. Derhalve hebben patiënten bij de diagnose zelden klachten en is een behandeling in het beginstadium zelden geïndiceerd. Echter, naarmate de tijd vordert neemt bij een deel van de patiënten het aantal leukemiecellen toe, hetgeen leidt tot symptomen als koorts, vermoeidheid, gewichtsverlies, zwellingen van lymfeklieren, milt en lever, infecties en beenmergverdringing. Dit is dan een reden om behandeling te starten. Helaas keert de ziekte na behandeling na verloop van tijd altijd terug. Er is de afgelopen jaren veel vooruitgang geboekt op het gebied van de diagnostiek en behandeling van CLL, maar een allogene stamceltransplantatie blijft de enige curatieve behandeling. Vanwege de gevorderde leeftijd van de meeste patiënten en de

20


was

Z

WETENSCHAP

aanwezigheid van comorbiditeiten bij het gros van de CLL-patiënten, wordt de ziekte in de praktijk als een ongeneeslijke ziekte beschouwd. Evolutie van de behandeling Tot de jaren ‘90 bestond de behandeling van CLL-patiënten uit een lage dosis van alkylerende chemotherapie zoals chloorambucil. Deze behandeling had als doel het behandelen van de symptomen van de patiënt door het terugdringen van het aantal circulerende leukemiecellen. Vervolgens veranderde de standaard-behandeling van CLL-patiënten naar purine analogen in combinatie met alkylerende chemotherapie, met name fludarabine-cyclofosfamide. Dit zorgde voor een groter percentage aan complete responses en een langere remissie bij behandelde CLLpatiënten (2-4). De grootste therapeutische doorbraak bij CLL was echter de introductie van chemoimmunotherapie in 2010. Rituximab, een monoklonaal antilichaam gericht tegen het CD20-antigeen dat zich bevindt op het oppervlak van de CLL-cellen, werd gecombineerd met chemotherapie. De Duitse CLL8-studie was de eerste studie die een verschil in progressievrije overleving (PFS) en de totale overleving (OS) beschreef bij CLL-patiënten die behandeld werden met fludarabine-cyclofosfamide-rituximab (FCR; chemoimmunotherapie) versus fludarabine-cyclofosfamide (de destijdse standaardbehandeling) (5). Het bijzondere aan deze Duitse studie was, dat dit de allereerste studie was in de geschiedenis van CLL die een verbetering in de OS beschreef. Derhalve werd FCR de nieuwe standaardbehandeling voor niet eerder behandelde CLLpatiënten. Naast de behandeling evolueerde ook de diagnostiek in de eenentwintigste eeuw. Het gebruik van interfase cytogenetica middels fluorescentie in situ hybridisatie (FISH) en Sanger sequencing of next-generation sequencing (NGS) werd gemakkelijker en ook meer gebruikt voor de detectie van afwijkingen in het TP53gen. Al langere tijd was bekend dat patiënten met afwijkingen in het TP53-gen een ongunstige prognose hebben en doorgaans slecht reageren op chemo(immuno)therapie. In dit artikel worden met deze afwijkingen zowel TP53-mutaties, als een verlies van de korte arm van chromosoom 17 bedoeld. Helaas was voor deze patiëntenpopulatie langere tijd geen ander alternatief beschikbaar. Dit veranderde omstreeks 2014 toen ibrutinib werd geïntroduceerd. Ibrutinib is een doelgericht geneesmiddel dat irreversibel bindt aan het Bruton’s tyrosine kinase eiwit en zorgt voor een blokkade van de B-cel signalering. Ibrutinib bleek effectief te zijn bij patiënten met TP53-afwijkingen in zowel de eerstelijns als tweedelijns setting (6). Derhalve werd het geneesmiddel al snel geregistreerd voor deze indicatie in Nederland. In de RESONATE-2 studie waarin ibrutinib monotherapie vergeleken werd met chloorambucil monotherapie bij oudere CLL-patiënten, bleek ibrutinib superieur te zijn wat betreft PFS en OS (7). Maar omdat de behandeling met ibrutinib gecontinueerd moet worden tot progressie en de gemiddelde kosten in de eerste lijn € 69.839 per jaar zijn, heeft het geneesmiddel voor deze indicatie langere tijd in de sluis gezeten in Nederland.

21

Ondertussen werd omstreeks 2016 venetoclax op de markt gebracht, een nieuw doelgericht geneesmiddel gericht tegen het anti-apoptotisch eiwit BCL2 (8). Ook dit geneesmiddel werd als monotherapie snel geregistreerd voor CLL-patiënten met TP53afwijkingen. Later bleek dat de combinatie van venetoclax met rituximab of obinutuzumab (een tweede generatie CD20 monoklonaal antilichaam) synergistisch werkt en deze combinatie niet continu gegeven hoeft te worden, maar gestopt kan worden na 12 cycli (9,10). Als laatste werd in 2019 acalabrutinib geïntroduceerd. Dit doelgerichte geneesmiddel werkt net zoals ibrutinib op het Bruton’s tyrosine kinase eiwit (11). Het bijwerkingsprofiel van ibrutinib bestaat met name uit bloedingen en cardiale toxiciteit, zoals atrium fibrilleren en in zeldzame gevallen plotse hartdood (1%). Daarnaast bleek dat het aantal graad I-II-bijwerkingen van ibrutinib groter te zijn buiten klinische studies, waardoor het aantal patiënten dat de therapie stopt hoger was dan verwacht (12,13). Derhalve werd acalabrutinib ontwikkelt, wat een gunstiger bijwerkingsprofiel heeft. Inmiddels is in een aantal studies een vergelijking gemaakt tussen doelgerichte therapie en chemo-immunotherapie. Hierbij is ook een onderscheid gemaakt tussen patiënten met gemuteerde en ongemuteerde IGHV-genen, waarvan de laatstgenoemde een slechtere prognostische groep vormt. Continue behandeling met ibrutinib werd superieur bevonden ten opzichte van PFS bij CLLpatiënten met ongemuteerde IGHV-genen, ten opzichte van FCR, bendamustine-rituximab en chloorambucil-obinutuzumab (allen chemoimmunotherapie) (10, 14-17). Ook werd continue therapie met acalabrutinib en de combinatie venetoclax-obinutuzumab superieur bevonden wat betreft PFS ten opzichte van chloorambucilobinutuzumab bij CLL-patiënten in iedere risicogroep (14, 16). Wel is er momenteel in Nederland veel discussie of deze doelgerichte middelen toegepast moeten gaan worden voor IGHV ongemuteerde CLL-patiënten. Dit geldt ook voor de rol van chemo-immunotherapie in de eerstelijns behandeling. Evolutie van eindpunten Van oudsher werd met name gekeken naar een verbetering van de therapierespons. Dus bijvoorbeeld een daling van het aantal circulerende B-cellen, een afname van de gezwollen lymfeklieren of een verbetering in de symptomen van de patiënt. Nadat de eerste studie een overlevingswinst liet zien, werd een verschil in OS het eindpunt van interesse. Maar om in studies een verschil in OS aan te tonen is vaak een lange follow-up periode nodig. Daarom werd al snel meer aandacht besteed aan de PFS. Een verschil in de PFS werd langere tijd beschouwd als een surrogaat van de OS. De gedachte heerste dat een verschil in PFS zich uiteindelijk altijd zou transleren naar een verschil in de OS. Na de introductie van de doelgerichte geneesmiddelen, nam het gebruik van minimale residuale ziekte (MRD) een vlucht in de diagnostiek. Aangezien CLL-cellen allemaal dezelfde B-cel receptor gebruiken, kan deze gebruikt worden voor de detectie van leukemiecellen. Met behulp van flowcytometrie, qPCR of NGS kan deze sequentie gebruikt worden om restziekte na de behandeling op te sporen. De gevoeligheid van deze technieken ligt bij


WETENSCHAP

CLL rond de MRD 10-4 (één leukemiecel op 10.000 gezonde cellen) tot soms MRD 10-5 (1:100.000). Het gebruik van MRD in klinisch studies is enorm toegenomen in de afgelopen jaren en wordt momenteel ook gezien als een surrogaat eindpunt voor de PFS. Huidige dilemma’s In de huidige klinische studies waarin chemo-immunotherapie vergeleken wordt met doelgerichte therapie, ligt de focus op PFS en MRD. Het is echter gebleken dat een voordeel in PFS of MRD niet betekent dat deze patiënten ook een verbeterde overleving hebben of een betere kwaliteit van leven. Sterker nog, slechts één van de vijf studies die chemo-immunotherapie vergeleken heeft met doelgerichte therapie heeft een verschil in overleving kunnen aantonen (14-18). In deze studie werd FCR vergeleken met ibrutinib in combinatie met rituximab (15). Het overlevingsverschil dat in deze studie werd aangetoond was echter gebaseerd op een klein aantal, namelijk tien overleden patiënten in de FCR-arm en vier in de R-ibrutinib arm. Daarnaast was er geen mogelijkheid van crossover van de FCR- arm naar de ibrutinib-arm. Als gevolg hiervan hebben patiënten die aan progressie van CLL overleden zijn in de FCR-arm, geen adequate rescue-behandeling ontvangen. Alle overige studies hebben geen verschil in overleving kunnen aantonen ondanks een groot voordeel in MRD en PFS voor de doelgerichte middelen. Een andere vraag is, wat de klinische relevantie is van de PFS. In klinische studies wordt in tegenstelling tot de dagelijkse kliniek, routinematig gebruik gemaakt van CT-scans. Indien er op deze scans bijvoorbeeld een toename van lymfekliermassa gezien wordt, is er sprake van een progressieve ziekte en heeft de patiënt dus een event wat betreft PFS. Dit is echter niet altijd klinisch relevant, omdat een patiënt hier mogelijk helemaal geen last van had en dit nooit aan het licht was gekomen zonder het routinematig maken van CT-scans. Dit is bevestigt in klinische studies, waarbij gekeken werd naar de tijd tot de volgende CLL-behandeling in plaats van de PFS. Uit de studies bleek, dat het verschil tussen chemo-immunotherapie en doelgerichte therapie veel kleiner wordt (19). De nieuwe CLL-richtlijn Momenteel is de Nederlandse CLL-werkgroep bezig met het ontwikkelen en het publiceren van de nieuwe CLL-richtlijn. Ondanks dat er veel literatuur beschikbaar is over een PFS en MRD voordeel van doelgerichte therapie tegenover chemo-immunotherapie, blijft binnen de nieuwe CLL-richtlijn chemo-immunotherapie belangrijk voor CLL-patiënten zonder TP53 afwijkingen. De reden hiervoor is dat er frequent geen overlevingswinst is, data over kwaliteit van leven ontbreken en dat een verschil in PFS niet altijd klinisch relevant is. De CLL-werkgroep heeft daarom alle beschikbare geneesmiddelen beoordeeld op basis van therapieduur, therapie-intensiteit, toxiciteit, kwaliteit van leven en effectiviteit (in deze volgorde). Daarnaast zijn Mark-David en Lina in gesprek geweest met een medisch ethicus over dit dilemma en zijn ze van plan om spoedig een enquête uit te zetten onder hematologen en patiënten, om zo in kaart te brengen welke eindpunten zij het belangrijkst vinden.

Referenties 1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

10.

11.

12.

13.

14.

15.

16.

17.

18.

19.

van der Straten L, Levin M-D, Visser O, Posthuma EFM, Doorduijn JK, Kater AP, et al. Survival continues to increase in chronic lymphocytic leukaemia: a population-based analysis among 20 468 patients diagnosed in the Netherlands between 1989 and 2016. British Journal of Haematology. 2020 Jan;189(3):574-7. Catovsky D, Richards S, Matutes E, Oscier D, Dyer M, Bezares R, et al. Assessment of fludarabine plus cyclophosphamide for patients with chronic lymphocytic leukaemia (the LRF CLL4 Trial): a randomised controlled trial. The Lancet. 2007;370(9583):230-9. Flinn IW, Neuberg DS, Grever MR, Dewald GW, Bennett JM, Paietta EM, et al. Phase III Trial of Fludarabine Plus Cyclophosphamide Compared With Fludarabine for Patients With Previously Untreated Chronic Lymphocytic Leukemia: US Intergroup Trial E2997. Journal of Clinical Oncology. 2007;25(7):793-8. Eichhorst BF, Busch R, Hopfinger G, Pasold R, Hensel M, Steinbrecher C, et al. Fludarabine plus cyclophosphamide versus fludarabine alone in first-line therapy of younger patients with chronic lymphocytic leukemia. Blood. 2006;107(3):885-91. Hallek M, Fischer K, Fingerle-Rowson G, Fink A, Busch R, Mayer J, et al. Addition of rituximab to fludarabine and cyclophosphamide in patients with chronic lymphocytic leukaemia: a randomised, openlabel, phase 3 trial. The Lancet. 2010;376(9747):1164-74. Farooqui MZ, Valdez J, Martyr S, Aue G, Saba N, Niemann CU, et al. Ibrutinib for previously untreated and relapsed or refractory chronic lymphocytic leukaemia with TP53 aberrations: a phase 2, single-arm trial. The lancet oncology. 2015;16(2):169-76. Burger JA, Tedeschi A, Barr PM, Robak T, Owen C, Ghia P, et al. Ibrutinib as Initial Therapy for Patients with Chronic Lymphocytic Leukemia. New England Journal of Medicine. 2015;373(25):2425-37. Stilgenbauer S, Eichhorst B, Schetelig J, Coutre S, Seymour JF, Munir T, et al. Venetoclax in relapsed or refractory chronic lymphocytic leukaemia with 17p deletion: a multicentre, open-label, phase 2 study. The Lancet Oncology. 2016;17(6):768-78. Seymour JF, Kipps TJ, Eichhorst B, Hillmen P, D’Rozario J, Assouline S, et al. Venetoclax–rituximab in relapsed or refractory chronic lymphocytic leukemia. New England Journal of Medicine. 2018;378(12):1107-20. Fischer K, Al-Sawaf O, Bahlo J, Fink A-M, Tandon M, Dixon M, et al. Venetoclax and obinutuzumab in patients with CLL and coexisting conditions. New England Journal of Medicine. 2019;380(23):222536. Sharman JP, Banerji V, Fogliatto LM, Herishanu Y, Munir T, Walewska R, et al. ELEVATE TN: Phase 3 Study of Acalabrutinib Combined with Obinutuzumab (O) or Alone Vs O Plus Chlorambucil (Clb) in Patients (Pts) with Treatment-Naive Chronic Lymphocytic Leukemia (CLL). Blood. 2019;134(Supplement_1):31-. van der Straten L, Levin MD, Visser O, NMA B, Cornelissen JJ, Doorduijn JK, et al. The effectiveness of ibrutinib in chronic lymphocytic leukaemia: a nationwide, population-based study in the Netherlands. British Journal of Haematology. 2020;188:e80-e112. Mato AR, Nabhan C, Thompson MC, Lamanna N, Brander DM, Hill B, et al. Toxicities and outcomes of 616 ibrutinib-treated patients in the United States: a real-world analysis. Haematologica. 2018;103(5):874-9. Sharman JP, Egyed M, Jurczak W, Skarbnik A, Pagel JM, Flinn IW, et al. Acalabrutinib with or without obinutuzumab versus chlorambucil and obinutuzmab for treatment-naive chronic lymphocytic leukaemia (ELEVATE TN): a randomised, controlled, phase 3 trial. The Lancet. 2020;395(10232):1278-91. Shanafelt TD, Wang XV, Kay NE, Hanson CA, O’Brien S, Barrientos J, et al. Ibrutinib–Rituximab or Chemoimmunotherapy for Chronic Lymphocytic Leukemia. New England Journal of Medicine. 2019;381(5):432-43. Woyach JA, Ruppert AS, Heerema NA, Zhao W, Booth AM, Ding W, et al. Ibrutinib Regimens versus Chemoimmunotherapy in Older Patients with Untreated CLL. New England Journal of Medicine. 2018;379(26):2517-28. Moreno C, Greil R, Demirkan F, Tedeschi A, Anz B, Larratt L, et al. Ibrutinib plus obinutuzumab versus chlorambucil plus obinutuzumab in first-line treatment of chronic lymphocytic leukaemia (iLLUMINATE): a multicentre, randomised, open-label, phase 3 trial. The Lancet Oncology. 2019;20(1):43-56. Kater AP, Seymour JF, Hillmen P, Eichhorst B, Langerak AW, Owen C, et al. Fixed duration of venetoclax-rituximab in relapsed/refractory chronic lymphocytic leukemia eradicates minimal residual disease and prolongs survival: post-treatment follow-up of the MURANO phase III study. Journal of Clinical Oncology. 2019;34(4):269-77. Al-Sawaf O, Zhang C, Tandon M, Sinha A, Fink AM, Robrecht S, et al. Venetoclax plus obinutuzumab versus chlorambucil plus obinutuzumab for previously untreated chronic lymphocytic leukaemia (CLL14): follow-up results from a multicentre, open-label, randomised, phase 3 trial. Lancet Oncol. 2020;21(9):1188-200.

22


Herkenning van vroege tekenen van progressie kan het verschil maken 1,2

Lees hier meer over progressie herkennen en hoe u verdere toename van klachten bij MS kunt proberen te remmen.3,4

Enkele veel voorkomende tekenen die kunnen wijzen op progressie in MS1-3 COGNITIEF

Weinig concentratie

FYSIEK

Problemen met het vormen van een zin

Vertraagde informatieverwerking

Toenemende vermoeidheid

Blaas- en darmstoornissen

Moeite met lopen of evenwicht

Zie voor referenties en verkorte productinformatie elders in deze uitgave 2205MAY459968


Promotieleven

COLUMN

Drukte en rust gaan hand in hand Misschien herkennen andere promovendi dit ook, maar het is me opgevallen dat ik de werkdruk niet echt zelf in de hand heb en dat deze enorm kan fluctueren. Je zou verwachten dat met onderzoek alles goed gepland en georganiseerd kan worden, maar desondanks blijft je toch afhankelijk van toetsingen, antwoorden van derden, feedback van co-onderzoekers … Er zijn dus redelijk rustige (afwachtende) periodes, weliswaar van korte duur, gevolgd door periodes waar alle mailtjes, antwoorden en feedback (zeer typisch) tegelijkertijd terugkomen en je weer vooruit kunt. En vooruit moet je dan ook, want daar zijn de deadlines.

” Wat een hectiek, maar ook wat een voldoening, want het is ons gelukt”

Ik ben recent gestart met twee nieuwe onderzoeksprojecten en vorige maand hadden wij ons voorgenomen om de eerste resultaten klaar te hebben voor de deadline van een Europees congres. Dat was een uitdaging omdat ik voor de data grotendeels afhankelijk was van andere onderzoekers, binnen en buiten Nederland. Bovendien kwam de data-analyse met heel wat nieuwe statistiek. Wat een hectiek, maar ook wat een voldoening, want het is ons gelukt. Een nieuwe werkweek begint. Ik denk dat ik weer in iets rustiger vaarwater kom …. maar ik moet mijn mailbox wel nog openen. Camille Kockerols

Camille Kockerols Camille Kockerols is arts-assistent en doet promotieonderzoek naar het verbeteren van de diagnostiek en behandeling in patienten met chronische myeloide leukemie (CML). In deze column deelt ze het wel en wee van het promoveren met ons.

24


Hygiëne met Systeem

('&%'$#'"! ' & ' & ' '# '& $ & & #' ' ! ' & ! & $ & &!! & $! $!"'& $ & '& $! " & & '& $ & $& ' ' & ' & $ "' ! ' &(' %'$#'"! ' & !! & $&'' &#!!$ ' "&"' ' & $ '$' &#!!$ & ' '$& ' &'$ '& ' & ! ' & $&'' ' &"' ' %''$& $ ! ' & '"& & & & & & &


Nieuw in het ASz: de klinisch informaticus

Maud Bomert Maud Bomert is klinisch informaticus in opleiding bij de afdeling Klinische Fysica van het Albert Schweitzer ziekenhuis.

Informatietechnologie (IT) is niet meer weg te denken in de zorgsector. Nieuwe technologie heeft bijna altijd een IT-component. Dit betekent dat er vaak een nauwe samenwerking is tussen de kliniek en de ICT-afdeling. Deze samenwerkingen lopen niet altijd even soepel, omdat de zorgprofessional vaak een andere taal spreekt dan de technische collega’s. De klinisch informaticus kan helpen bij het overbruggen van deze kloof. Binnenkort gaan we in ons ziekenhuis met Maud Bomert invulling gegeven aan deze nieuwe functie van klinisch informaticus. We vroegen Maud (nu nog in opleiding) wat een klinisch informaticus doet, welke meerwaarde de functie heeft

en hoe ze klinische informaticakennis en -expertise inzet voor (wetenschappelijk) onderzoek. Wat doet een klinisch informaticus? „Als klinisch informaticus in opleiding werk ik op het snijvlak van het zorgproces, IT en bedrijfsvoering (besturing). Ik vervul op dit snijvlak meerdere rollen, afhankelijk van de behoefte, denk hierbij aan adviseur, projectleider, ontwerper en data-analist. Als inhoudelijke adviseur ben ik betrokken bij digitaliseringsprojecten en aanschaftrajecten van nieuwe medische hulpmiddelen met een ITcomponent. Daarnaast ondersteun ik bij het opzetten, initiëren en

26


was

Z

TOPKLINISCH ZIEKENHUIS

implementeren van IT-projecten. Waar IT-projectleiders de technische belangen behartigen, stel ik de belangen van de kliniek, de zorgverleners en de patiënt centraal. De zorgverleners zijn de gebruikers van de medische hulpmiddelen en als de digitalisering het niet past in het zorgproces heeft het geen vruchtbare basis. Verder ben ik ook als data-analist aan het werk. Hierbij werk ik nauw samen met het bedrijfsinformatiecentrum (BIC, onder leiding van Patrick Hordijk) om de juiste medische data uit diverse informatiesystemen te destilleren, te interpreteren en vervolgens te vertalen voor (wetenschappelijk) onderzoek. Dit kan bijvoorbeeld gebruikt worden voor process mining” En kan process mining gebruikt worden voor wetenschappelijk onderzoek? „Jazeker, process mining is een analytische techniek die processen visueel zichtbaar maakt aan de hand van data. Dit gebeurt op basis van tijdstippen van belangrijke tussenstappen die actoren in een werkproces zetten. Process mining kan worden toegepast om processen inzichtelijk te maken, effecten van een proceswijziging in te kaart brengen of bottlenecks vast te stellen. Zo kunnen bijvoorbeeld behandelprocessen geanalyseerd en geoptimaliseerd worden. Uitkomsten kunnen vervolgens worden ingezet voor wetenschappelijk onderzoek, maar het leent zich ook voor de dagelijkse proces optimalisatie vraagstukken. Het MOBUproject (Mobiele Oudere BeoordelingsUnit) is één bekend voorbeeld binnen ons ziekenhuis waarbij process mining is toegepast.

Een werkvoorbeeld: eHealth Een onderdeel van digitalisering is het inzetten van eHealth. Dit is de toepassing van digitale informatie en communicatietechnologie om de gezondheid en gezondheidszorg te ondersteunen en te verbeteren. eHealth-pilots schieten als paddenstoelen uit de grond, maar het blijft opvallend dat deze initiatieven moeite hebben om uit te groeien tot een ziekenhuisbreed project. Met de kennis dat de hoeveelheid eHealthprojecten de komende jaren fors gaat toenemen, is het van belang dat eHealth-pilots gestroomlijnd in de organisatie verwerkt worden. Maud gaat als jaaropdracht onderzoeken hoe de huidige implementatie-, opschaling- en borgingsmethodiek om eHealth in ons ziekenhuis te laten landen is vormgegeven en hoe dit ervaren wordt door diverse collega’s. Vervolgens gaat ze onderzoeken hoe (en of) een vaste methodiek de implementatie, opschaling en borging van eHealth pilots kan bevorderen, zodat we niet in de pilot fase blijven hangen en vervolgens het hele ziekenhuis van een nieuwe digitale toepassing gebruik kan maken.

27

De opleiding klinisch informaticus De opleiding tot klinisch informaticus is een tweejarige post-master ontwerpersopleiding, die leidt tot een Professional Doctorate in Engineering (PDEng). De opleiding wordt verzorgd de School of Medical Physics and Engineering in Eindhoven (verantwoordelijk voor het onderwijstonderdeel) en een zorginstelling. Deze combinatie maakt dat alle kennis en vaardigheden opgedaan tijdens de lesdagen, meteen gebruikt kan worden in de eigen zorginstelling om zo echte klinische casussen en vraagstukken tot een goed einde te brengen. Kijk voor meer informatie over de opleiding op https://www.tue.nl/studeren/graduateschool/pdeng-clinical-informatics/over-ci/.

Deze techniek werd ingezet om enerzijds huidige bottlenecks in kaart te brengen en anderzijds het effect van de MOBU pilot te laten zien1.” Wat zijn de kansen voor het ASz? „Het ASz is druk bezig met digitaliseren. Zo kan het ziekenhuis meebewegen met de veranderende wensen, eisen en moderne technieken. Deze beweging is ook zichtbaar op de werkvloer. Iedereen krijgt tegenwoordig te maken met innovatieve projecten, waarbij digitale zorgtoepassingen worden ingezet om de zorg op een persoonlijke manier nog slimmer en beter in te richten. Ondanks de vele mogelijkheden blijft het op een goede manier bij elkaar brengen van vraag en aanbod een lastige klus. Dat is ook niet zo gek. Digitalisering vraagt om een brede transformatie die voelbaar is op alle lagen van de organisatie. Hierdoor ontstaan nieuwe samenwerkingsvormen tussen bekende en onbekende collega’s en zullen werkwijzen langzamerhand veranderen. Om de nieuwe samenwerking zo goed mogelijk te laten verlopen, word ik als een spin in het web ingezet. Waar andere professionals gespecialiseerd zijn op één vakgebied, heb ik kennis om te acteren op de verschillende niveaus. Dit geeft mij de mogelijkheid om als verbinder op te treden en connecties te leggen tussen verschillende vakgebieden om samenwerking soepel en snel te laten verlopen.”


PROMOTIES IN HET ASZ

Annemarie Schop

Pas op voor tunnelvisie bij diagnostische trajecten

Op 8 december vorig jaar promoveerde Annemarie Schop aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op het proefschrift ‘Diagnostic work-up of anemia in general practice’. WASz sprak met haar over haar onderzoek, haar drijfveren en ervaringen.

Annemarie Schop Annemarie begon in november 2013 met haar stage biomedical science - research in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Dit zette ze later om in een promotietraject aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Sinds 1 september 2020 is ze bij het Erasmus MC in opleiding tot huisarts.

28


was

Z

PROMOTIES IN HET ASZ

Welk onderzoek heb je uitgevoerd? „Via verschillende onderzoeken heb ik gekeken naar het diagnostisch traject dat een huisarts doorloopt na het vaststellen van een nieuwe anemie in een patiënt van 50 jaar of ouder. Eerst heb ik me gericht op het aanvullend bloedonderzoek dat nodig is om de anemie-etiologie te bepalen. Mijn idee was dat een uitgebreid panel aan laboratoriumtesten (waarmee de acht meest prevalente etiologie van anemie kunnen worden gedefinieerd) efficiënter zou zijn dan een vrije keuze aan laboratoriumtesten. Dit bleek ook het geval te zijn. Met het uitgebreide panel bleek bij 80% van de patiënten één of meerdere etiologie van de anemie te definiëren. Dit is hoger dan de 56 - 74% die beschreven is in de huidige literatuur. Bovendien bleek uit berekeningen die ik in samenwerking met de Universiteit Twente maakte, dat deze opzet kosteneffectief is. Vergeleken met de vrije keuze van huisartsen om testen aan te vragen, steeg de effectiviteit van een uitgebreid panel aan laboratoriumtesten met 9%. De extra kosten van zo’n uitgebreid panel (ongeveer €3 per patiënt) bleek in het gezondheid-economisch model niet op te wegen tegen de effectiviteitstijging. Daarnaast heb ik ook gekeken naar de voorspellende waarde van het MCV als intermediaire stap in het vaststellen van de anemieetiologie. Hieruit bleek dat het MCV bij 16% van de microcytaire patiënten en 90% van de macrocytaire patiënten niet de juiste etiologie voorspelt. Hiernaast moeten we ons bewust zijn dat circa 22% van de patiënten meer dan één etiologie van de anemie heeft, terwijl het MCV stuurt naar het vinden van één etiologie bij een patiënt.

„Bij de anemie der chronische ziekte kon bij 77% van de patiënten een onderliggende ziekte worden gediagnosticeerd, veelal infecties, autoimmuun ziektes en maligniteiten” Tot slot heb ik mij verdiept in het verdere diagnostisch traject van patiënten met een anemie der chronische ziekte en een ijzergebreksanemie. Bij de anemie der chronische ziekte kon bij 77% van de patiënten een onderliggende ziekte worden gediagnosticeerd, veelal infecties, auto-immuun ziektes en maligniteiten. Bij patiënten met een ijzergebreksanemie bleek dat 64% niet direct wordt verwezen voor endoscopisch onderzoek. Echter, gedurende de follow-up van 4.6 jaar (mediaan) bleef 78% van deze patiënten zonder verdere diagnose. De huisartsen zijn dus aardig goed in staat om de juiste patiënten voor endoscopisch onderzoek te selecteren. Desondanks werd 2% van de darmkanker diagnoses verlaat gesteld, dat wilt zeggen meer dan 18 weken na het vinden van de ijzergebreksanemie. Deze verlate diagnose gaat gepaard met een trend naar verhoogd mortaliteitsrisico, ondanks correctie voor TNM-stadium.”

29

Wat zijn de belangrijkste lessen voor de klinische praktijk? „Ik denk dat het belangrijk is dat huisartsen breed kijken aan het begin van een anemie-diagnose. Klachten passend bij anemie zijn vaak te aspecifiek om hierop laboratoriumtesten te selecteren. Het MCV, dat jarenlang is gebruikt als eerste stap, blijkt vaak niet de juiste richting op te sturen en kan bovendien leiden tot tunnelvisie. Het is belangrijk om je te realiseren dat bijna een kwart van de patiënten met anemie meer dan één etiologie heeft. Deze informatie kan waardevol zijn om een meersporenbeleid in te zetten. Tot slot denk ik dat het belangrijk is dat het huidig advies blijft bestaan, om elke patiënt met een nieuwe ijzergebreksanemie zonder hypermenorroe te verwijzen voor endoscopie.” Hoe ben je in het promotietraject gerold? „Ik ben begonnen met mijn studie biomedische wetenschappen aan het Leids Universitair Medisch Centrum. Tijdens het laatste jaar van mijn bachelor besefte ik dat de huisartsgeneeskunde een zeer mooi en gewaardeerd vak is. Daarop besloot ik te solliciteren voor het zij-instroom programma geneeskunde en synchroon mijn master biomedical science te richten op onderzoek in de huisartsgeneeskunde.” Hoe heb je je promotie met je werk als arts kunnen combineren? „Ik heb veel promotiewerk gedaan tijdens de coschappen van de geneeskunde opleiding. Dat was zwaar en zou ik geen tweede keer doen. Na het behalen van mijn artsendiploma heb ik een jaar lang alleen promotieonderzoek gedaan. Daarna ben ik het promotiewerk langzaam gaan afbouwen en ben ik mijn werkzaamheden als ANIOS in een huisartsenpraktijk gaan opbouwen. Dat was een leuke combinatie, het gaf mij veel energie.” Welk advies heb je voor een aankomende promovendus/ promovenda? „Er zit veel frustratie en teleurstelling in het doen van onderzoek. Maar dat weeg niet op tegen de successen die je behaalt! Vind balans in wat je echt leuk vindt en wat erbij hoort.” Ga je zelf verder in het onderzoek? „De komende tijd ga ik mij eerst richten op de huisartsopleiding en mijn gezin. Als ik eenmaal gesetteld ben in een huisartsenpraktijk, wil ik kijken wat daar de mogelijkheden zijn voor het doen van wetenschappelijk onderzoek. Ik denk dat het heel waardevol is om meer data te verzamelen uit huisartsendossier. Ik wil gaan kijken hoe dat efficiënt kan gebeuren en hoe ik hierbij andere onderzoekers kan begeleiden.” Het proefschrift van Annemarie kun je vinden via deze link: https://repub.eur.nl/pub/137054 Of scan deze QR-code:


DIAGNOSE IN BEELD

Abdominale pijn na het staken van ibrutinib

Dit artikel is geschreven door AIOS Interne Geneeskunde Diana Verboom en de internist-hematologen Mark-David Levin, Peter Westerweel, Eva de Jongh (allen werkzaam in het Albert Schweitzer ziekenhuis) en Roselke Klinkenberg (werkzaam in het Haaglanden Medisch Centrum). Met toestemming overgenomen van NED TIJDSCHR HEMATOL 2021;18:374-8.

Casus 1 Een 67-jarige vrouw presenteerde zich op de SEH met koorts en hevige pijn links in het abdomen. In 2013 werd zij gediagnosticeerd met chronische lymfatische leukemie (CLL) en zij was zeven maanden voor de presentatie begonnen met ibrutinib nadat zij progressie van de ziekte ontwikkelde na R-FC-kuren, en later onder Venetoclax. De patiënt was vier dagen geleden gestopt met ibrutinib, vanwege refractaire hypertensie en dyspnoe, geduid als bijwerkingen van ibrutinib. Bij presentatie op de SEH had zij een temperatuur van 37.4 °C, een pols van 106, een tensie van 141/77, een ademhalingsfrequentie van 16/min en SpO2 van 99%. Bij onderzoek van het abdomen vertoonde zij actief spierverzet, zonder andere tekenen van peritoneale prikkeling. De miltgrootte werd niet geobjectiveerd bij hevige abdominale pijn. Het labonderzoek liet een afname zien van perifere lymfocytose en verhoogd LDH (zie Tabel 1), dit paste bij de eerdere behandeling met ibrutinib. Er werd een CT-abdomen verricht waarop wigvormig perisplenisch vocht werd gezien, met densiteitswaarden passend bij een hematoom. Hierbij leek ook sprake van laceratie van het dorsale miltparenchym, en was er sprake van intra-abdominaal vrij vocht in het cavum Douglasi. Ten opzichte van het eerdere CTonderzoek - dat zeven maanden ervoor was verricht tijdens de laatste episode van progressie van CLL - werd afname van de lymfadenopathie gezien en een onveranderde miltgrootte van 14 cm. Het Hb daalde verder in de eerste 14 uur van opname van 6.4 naar 5.5 mmol/l, de patiënt bleef echter hemodynamisch stabiel. De diagnose miltruptuur met bijkomende bloeding werd gesteld. Er werd een conservatief beleid gevoerd met vochtsuppletie, en gezien het gunstige klinisch beloop was chirurgische of radiologische interventie (coiling) niet geïndiceerd. Tevens werd gestart met 20 mg prednison wegens verdenking op een ibrutinib onttrekkingsfenomeen, waarop de patiënt spoedig herstelde. De patiënt mocht naar huis, en in afwachting van verdere CLL-behandeling werd de prednison voortgezet. Casus 2 Een 62-jarige man, bekend met CLL, presenteerde zich op de SEH. Hij had al twee dagen een zeurende pijn in de bovenbuik. De patiënt was na 16 maanden ibrutinib-gebruik, sinds zeven dagen gestopt met ibrutinib. Dit was gebeurd in verband met een voorgenomen chirurgische ingreep met een hoog bloedingsrisico bij een huidlaesie in het gelaat, waarbij een huidflaptranspositie noodzakelijk zou zijn. De patiënt was in 2014 gediagnosticeerd met CLL, en kreeg nu al drie jaar ibrutinib, nadat hij eerder progressie had van ziekte na R-FC-kuren en vervolgens onder Venetoclax. Bij presentatie op de SEH had hij een temperatuur van 36.4 °C, een pols van 62, een tensie van 143/70, een ademhalingsfrequentie van 14/min en SpO2 van 98%. Bij het lichamelijk onderzoek was de milt palpabel met drukpijn in het linker hemi-abdomen, zonder

30


was

Z

DIAGNOSE IN BEELD

tekenen van een geprikkelde buik. Het labonderzoek liet een gedaald Hb zien en (passend bij eerder ibrutinib gebruik) een daling van perifere lymfocytose ten opzichte van eerder. Ook was er sprake van een verhoogd LDH (zie Tabel 1). Er werd een CTabdomen verricht waarop een progressie van splenomegalie werd gezien ten opzichte van beeldvorming van twee weken ervoor, in het axiale vlak was de milt vergroot van 12 naar 15 cm, en in het coronale vlak van 14 naar 18 cm. Tevens werd er een hypodense wigvormige intraparenchymateuze afwijking, met een minimale hoeveelheid subcapsulair vocht gezien, met densiteitswaarden passend bij een hematoom en toename van pre-aortale lymfadenopathie. De patiënt werd behandeld met één gift van 40 mg prednison, waarna 20 mg prednison dagelijks werd voortgezet tot aan hervatten van de ibrutinib. De abdominale pijn nam al snel af, de patiënt bleef gedurende de hele opname hemodynamisch stabiel en er ontstond geen situatie waarbij chirurgisch of radiologisch ingrijpen was vereist. De patiënt mocht na één nacht in goede conditie naar huis. De ingreep van de huidlaesie in het gelaat verliep ongecompliceerd en hij hervatte twee dagen na de ingreep de ibrutinib. Het ‘omgekeerde distributiesyndroom’ na het staken van ibrutinib Bij deze twee patiënten met CLL werd het staken van ibrutinib gecompliceerd door een spontane miltruptuur. Een spontane miltruptuur is een bekende, maar zeldzame complicatie, die beschreven is in een uiteenlopend spectrum van hematologische maligniteiten [1]. Bij patiënten met CLL is deze complicatie echter uitzonderlijk, hetgeen toe te schrijven is aan de doorgaans langzamere progressie in vergelijking met acute leukemieën en lymfomen. Chronische lymfatische leukemie is de meest voorkomende leukemie in de Westerse populatie [2]. In Nederland worden elk jaar 600800 patiënten gediagnosticeerd met CLL [3]. De laatste jaren is het aantal nieuwe gerichte ‘targeted’ therapieën voor patiënten uitgebreid. Hieronder vallen onder andere de kinaseremmers, zoals de Bruton’s tyrosine kinase- remmers (BTK) en de Phosphatidylinositol 3-kinase-remmers (PI3K). Deze kinaseremmers verstoren de B-celreceptoractiviteit en remmen daarmee de proliferatie en overleving van de B-cellen. De meeste ervaring is inmiddels opgedaan met ibrutinib, een BTK-remmer die zowel in voorbehandelde als in

therapienaïeve patiënten de progressievrije overleving verbetert [4]

. Samen met de klassieke chemotherapeutische kuren, antiCD20 antistofbehandelingen en de BCL-2 remmer Venetoclax, vormt ibrutinib de nieuwe en bredere ruggengraat van CLL-therapie [2].

Het gebruik van ibrutinib kan gepaard gaan met meerdere bijwerkingen. Veel voorkomende bijwerkingen zijn onder andere atriumfibrilleren, bloedingen, pancytopenie en hypertensie. Ook treedt er bij circa 20% van de patiënten progressie van de ziekte op bij het gebruik van ibrutinib binnen vier jaar [5]. Daarom zal 33% tot 50% van de ibrutinib-gebruikers de therapie permanent of tijdelijk staken vanwege bijwerkingen, progressie van de ziekte of om peri-procedurele bloedingen te voorkomen [6,7]. Symptomen die voorkomen bij een opvlamming van CLL na het staken van ibrutinib, zijn malaise, vermoeidheid, koorts, pijnlijke lymfadenopathie, nachtzweten, verhoogd LDH, toename van perifere lymfocytose en splenomegalie [6,8]. Empirisch bewijs voor een optimale therapeutische strategie om een opvlamming van CLL te voorkomen bij het staken van ibrutinib ontbreekt vooralsnog. In ons centrum wordt momenteel ter preventie van opvlamming van CLL gestart met corticosteroïden bij kortdurende onderbreking van ibrutinibbehandeling. Ook bouwen we ibrutinib geleidelijk af wanneer de BTK-remming definitief wordt gestaakt. Elke BTK-inhibitor, maar ook PI3K-inhibitors zoals idelalisib, veroorzaakt redistributie van CLL-cellen van de lymfoïde organen naar de bloedbaan [9,10]. De presentatie met splenomegalie en lymfadenopathie, in combinatie met een (lichte) daling van de perifere leukocytose in de bovenstaande casus, pleiten daarom voor het omgekeerde mechanisme. Hierbij is sprake van een ‘omgekeerd redistributie syndroom’, waarbij de CLL-cellen terugmigreren naar de lymfoide organen. Er is nog weinig bekend over de onderliggende mechanismen van een dergelijk ‘omgekeerd redistributie syndroom’. De meest waarschijnlijke verklaring is dat het wegvallen van de BTK-remming, de pathologische signalen via de B-celreceptor niet meer onderdrukken, wat een snelle homing naar lymfoide organen geeft. Daarbij valt ook het remmende effect weg op cytokines (i.e. TNFα, IL2RA), die verantwoordelijk zijn voor een aspecifieke inflammatoire reactie passend bij CLL en op chemokines (i.e. CXCL 12 en 13), die betrokken zijn bij de ‘homing’ (en daarmee distributie) van de leukemische B-cellen [11–13].

Tabel 1. Laboratorium voor en bij presentatie.

Casus 1

Hemoglobine (mmol/L) Trombocyten x109/L Leukocyten x109/L Lymfocyten x109/L CRP mg/L LDH (U/L)

31

Casus 2

15 dagen voor presentatie

Bij presentatie

12 dagen voor presentatie

Bij presentatie

7.3 323 208.0 199.7 207

6.4 162 113.5 97.6 172 460

6.8 88 11.8 10.5 210

7.4 63 5.9 3.9 72 445


DIAGNOSE IN BEELD

Wij stellen de hypothese dat de grote influx van CLL-cellen in de milt uiteindelijk heeft geresulteerd in snelle volumetoename, rek op het kapsel van de milt en uiteindelijk de miltruptuur. Leerpunten De twee bovengenoemde patiënten ontwikkelden een miltbloeding als uiting van ander biologisch gedrag van CLL, na het staken van ibrutinib. Ibrutinib verbetert de overleving in zowel voorbehandelde als therapienaïeve patiënten [4]. Als de therapie desalniettemin wordt gestaakt, kan in sommige gevallen snelle progressie van CLL voorkomen, of symptomen zichtbaar zijn die passen bij omgekeerde redistributie van de lymfocyten van bloed naar lymfoïde organen. Bij het staken van ibrutinib is het daarom van belang patiënten voor te lichten over de mogelijke complicaties en het toenemen van CLL-gerelateerde klachten, ongeacht de duur en indicatie van het staken van ibrutinib. Medische beoordeling dient spoedig plaats te vinden in geval van snel progressieve vermoeidheid, nachtzweten, koorts of buikpijn [14].

Figuur A CT-abdomen in het frontale vlak van de patiënt in casus 1.

Figuur B Bij presentatie van de patiënt in casus 1: het transversale vlak, met perisplenisch vocht, met densiteitswaarden passend bij een hematoom. Hierbij leek ook sprake van laceratie van het dorsale miltparenchym. Tevens werd er een toename van lymfadenopathie gezien, zonder dat de miltgrootte was toegenomen ten opzichte van de beeldvorming zeven maanden eerder.

Figuur C CT-abdomen in het frontale vlak van de patiënt in casus 2.

Figuur D Het transversale vlak bij presentatie van de patiënt in casus 2. Ten opzichte van een CT-scan, twee weken eerder, werd een flinke toename van de grootte van de milt gezien met een intraparenchymateus wigvormig hypodens gebied, waarbij gedacht werd aan een spontane ruptuur. Tevens werden vergrote pre-aortale klieren gezien.

Referenties 1. Renzulli P, Hostettler A, Schoepfer AM, Gloor B, Candinas D. Systematic review of atraumatic splenic rupture. Br J Surg. 2009;1114–21. 2. Burger JA. Treatment of Chronic Lymphocytic Leukemia. N Engl J Med. 2020;460–73. 3. Integraal Kankercentrum Nederland. Cijfers over kanker [Internet]. 2016. 4. Burger JA, Barr PM, Robak T, Owen C, Ghia P, Tedeschi A, et al. Long-term efficacy and safety of first-line ibrutinib treatment for patients with CLL/SLL: 5 years of follow-up from the phase 3 RESONATE-2 study. Leukemia. 2020;787–98. 5. Woyach JA, Ruppert AS, Guinn D, Lehman A, Blachly JS, Lozanski A, et al. BTK(C481S)-Mediated Resistance to Ibrutinib in Chronic Lymphocytic Leukemia. J Clin Oncol Off J Am Soc Clin Oncol. 2017;1437–43. 6. Hampel PJ, Call TG, Rabe KG, Ding W, Muchtar E, Kenderian SS, et al. Disease Flare During Temporary Interruption of Ibrutinib Therapy in Patients with Chronic Lymphocytic Leukemia. Oncologist. 2020;974–80. 7. Mato AR, Nabhan C, Thompson MC, Lamanna N, Brander DM, Hill B, et al. Toxicities and outcomes of 616 ibrutinib-treated patients in the United States: a real-world analysis. Haematologica. 2018;874–9. 8. Hampel PJ, Ding W, Call TG, Rabe KG, Kenderian SS, Witzig TE, et al. Rapid disease progression following discontinuation of ibrutinib in patients with chronic lymphocytic leukemia treated in routine clinical practice. Leuk Lymphoma. 2019;2712–9. 9. Wodarz D, Garg N, Komarova NL, Benjamini O, Keating MJ, Wierda WG, et al. Kinetics of CLL cells in tissues and blood during therapy with the BTK inhibitor ibrutinib. Blood. 2014;4132–5. 10. Valent P, Sadovnik I, Eisenwort G, Herrmann H, Bauer K, Mueller N, et al. Redistribution, homing and organ-invasion of neoplastic stem cells in myeloid neoplasms. Semin Cancer Biol. 2020;191– 201. 11. Niemann CU, Herman SEM, Maric I, Gomez-Rodriguez J, Biancotto A, Chang BY, et al. Disruption of <em>in vivo</em> Chronic Lymphocytic Leukemia Tumor–Microenvironment Interactions by Ibrutinib – Findings from an Investigator-Initiated Phase II Study. Clin Cancer Res. 2016;1572 LP – 1582. 12. Vos JM, Tsakmaklis N, Patterson CJ, Meid K, Castillo JJ, Brodsky P, et al. CXCL13 levels are elevated in patients with Waldenström macroglobulinemia, and are predictive of major response to ibrutinib. Haematologica. 2017. p. e452–5. 13. Ponader S, Chen S-S, Buggy JJ, Balakrishnan K, Gandhi V, Wierda WG, et al. The Bruton tyrosine kinase inhibitor PCI-32765 thwarts chronic lymphocytic leukemia cell survival and tissue homing in vitro and in vivo. Blood. 2012;1182–9.

32


WETENSCHAP

Test je kennis over statistiek Er zijn allerlei manieren om je kennis te verrijken. In deze rubriek stelt statisticus Sara Baart je kennis over statistiek op de proef. De vragen Vraag 1: Ik wil in een gerandomiseerde studie onderzoeken of een medicijn invloed heeft op de longfunctie na een COVID-19-infectie, gemeten in forced vital capacity (FVC). Is het voor de steekproefberekening nodig om te weten welke analyse uitgevoerd gaat worden? a) Ja b) Nee

Vraag 2: De werking van het medicijn uit de vorige vraag wordt geanalyseerd met een 2 sample t-toets. Welke gegevens zijn nog meer nodig voor de steekproefberekening? a) Het verwachte gemiddelde van FVC in beide groepen (behandel- en controlegroep) b) Het verwachte gemiddelde en de standaarddeviatie van FVC in beide groepen c) Het verwachte gemiddelde en de standaarddeviatie van FVC alleen van de behandelgroep Antwoord: B Omdat we een 2 sample toets doen, zijn de gemiddeldes en standaarddeviaties van beide groepen nodig. Ik ben uitgegaan van een 1:1 randomisatie. Deze verhouding kan ook nog impact hebben op de steekproefgrootte! Vraag 3: Het medicijn uit bovenstaande vragen heeft een aantal potentieel vervelende bijwerkingen en moet dus goed werken vóór het geaccepteerd zal worden voor gebruik. Welke type studiedesign hoort hierbij? a) Een non-inferiority trial b) Een equivalence trial c) Een superiority trial

Antwoord: C De behandeling moet de uitkomst significant verbeteren. Daarom wordt gekozen voor een superiority trial, waarmee wordt getoetst of de ene behandeling signficant beter is dan de andere. Hierbij wordt ook een bepaalde marge aangegeven over hoe groot het verschil minimaal moet zijn. Bij een non-inferiority trial mag de nieuwe uitkomst niet slechter zijn dan de oude. Een equivalence trial kijkt juist of twee behandelingen gelijk zijn. De marge kan overigens ook worden meegenomen bij de steekproefberekening.

Z

Antwoord: A De steekproefgrootte wordt berekend door uit te rekenen hoeveel patiënten nodig zijn voor een specifieke statistische toets om 80% of 90% power te behalen. Als onbekend is welke toets uitgevoerd gaat worden, kan de steekproef ook niet berekend worden.

was

35

Sara Baart Sara Baart is statisticus in het Albert Schweitzer ziekenhuis en het Erasmus MC


GOEDGEKEURDE STUDIES

Goedgekeurde studies dr. M-D. Levin Phase III study of Isatuximab-Carfilzomib-Lenalidomide-Dexamethasone (Isa-KRd) versus Carfilzomib-Lenalidomide-Dexamethasone (KRd) in newly diagnosed multiple myeloma patients eligible for autologous stem cell transplantation dr. R.M. Oemrawsingh Randomized Comparison of Abluminus DES+ Sirolimus-Eluting Stents versus Everolimus-Eluting Stents in Coronary Artery Disease Patients with Diabetes Mellitus Global mw. dr. S. de Weerd IMplementation of fIrst Trimester Anomaly Scan - before study dr. W. Dinkelaar Superficial Femoral Artery Access mw. dr. A. Lebon PEWS (Pediatric Early Warning Scores) mw. dr. E. De Jongh Distal Evaluation of Functional performance with Intravascular sensors to assess the Narrowing Effect: Guided Physiologic Stentin dr. H. Kerkhoff Intercellulaire heterogeniteit in circulerende tumor cellen van de novo gemetastaseerde hormoon sensitieve prostaat kanker patiënten. dr. M-D. Levin Clinical Surveillance vs. Anticoagulation for Low-risk Patients with Isolated Subsegmental Pulmonary Embolism: A Multicenter Randomized PlaceboControlled Non-Inferiority Trial dr. P.E. Westerweel Succeskans van ECV bij atriale ritmestoornissen. mw. L.N. Mackaaij Phase II study of iberdomide (CC220) maintenance after autologous stem cell transplantation in newly diagnosed multiple myeloma patients dr. M-D. Levin Screening gestational diabetes: glucose curve versus oral glucose tolerance test

mw. drs. B.M.C. Akerboom Ultrasound-guided Radiofrequency Ablation versus radioactive Iodine as treatment for Hyperthyroidism caused by Solitary Autonomous Thyroid Nodules mw. dr. E. Massolt A randomized clinical trial of andexanet alfa in acute intracranial hemorrhage in patients receiving an oral factor Xa inhibitor dr. M-D. Levin Biobank ‘Hematologische Ziekten’ dr. M-D. Levin GCT3013-03 - A Phase 1b/2, OpenLabel, Safety and Efficacy Study of Epcoritamab (GEN3013; DuoBody®CD3 X CD20) in Relapsed/Refractory Chronic Lymphocytic Leukemia (R/R CLL) and Richter’s Syndrome” 2020000848-57 mw. C. Schol „Medication literacy” & „Medication self-management” in hospitalised patients with polypharmacy mw. dr. L.T.M. Breimer Rebound pain na locoregionale anesthesie mw. dr. S.W.I. Reeder Naar betere nazorg en begeleiding voor patiënten die een melanoom hebben (gehad): evaluatie (voormeting) van een digitaal persoonlijk nazorgplan dr. P.E. Westerweel CABL001A2004: Werkzaamheid van asciminib en behandelingspatronen in de standaard praktijk bij patiënten met chronische myeloïde leukemie met T315I-mutatie – een onderzoek bij patiënten die in het Managed Access Program (MAP) behandeld worden met asciminib, gebaseerd op de medische dossiers dr. P. Honkoop Quality assessment of EUS reports and tissue sampling in subepithelial tumors according to ESGE guidelines; a multicentre study in The Netherlands.

dr. R.M. Smeenk Trocar site hernia after laparascopic cholecystectomy: a two center retrospective analysis mw. dr. J. van den Bosch An open-label, single arm, roll-over study to provide continued treatment with darolutamide in participants who were enrolled in previous BAYERsponsored studies (NL78045.21) mw. dr. S.D.M. Theuns-Valks Peppermint Oil for the treatment of Irritable Bowel Syndrome or Functional Abdominal Pain in Children: the MINT study. mw. drs. M. de Jong With good reason: Increasing parental involvement using argumentation in communication about treatment at the neonatal care unit (IMPACT) mw. dr. M.B.E. Menke-Pluijmers National Breast Cancer Surgery Snapshot Study Breast cancer surgery after neoadjuvant systemic therapy in primary breast cancer. mw. drs. M. de Jong Naar levenslang gezondere longen: een multidisciplinair zorgpad voor te vroeg geboren kinderen (Towards lifelong healthy lungs: a multidisciplinary follow-up framework for preterm infants) mw. G. Al-Saady De single spot-laser versus patroonlaser bij primair open-kamerhoek glaucoom mw. T. Troost Wat zijn de beïnvloedende factoren op de effectiviteit van de voorlichting en uitvoering van de arm-/schouderoefeningen, die aan de patiënt na een borstsparende operatie met schildwachtklierprocedure worden gegeven, om bewegingsbeperking van de arm en/of schouder te verkleinen of voorkomen?

36


Productinformatie en referenties elders in deze uitgave. C-APROM/NL/PLE/0009

VERBETER DE

BALANS VOOR EEN BETERE KWALITEIT VAN LEVEN*

1,2,3

PLENADREN: éénmaal daags is geïndiceerd voor de behandeling van bijnierschorsinsufficiëntie bij volwassenen2 *gemeten met AddiQoL questionnaire.

Hydrocortisontabletten met gereguleerde afgifte


IN THE SPOTLIGHT

De afdeling Kindergeneeskunde

De collega’s van de afdeling Kindergeneeskunde in de klinische praktijk en actief in het onderzoek.

In de rubriek ‘In the spotlight’ zetten we telkens de schijnwerper op één van de vele afdelingen van het ASz. We belichten de mensen die er werken en het werk dat ze doen, met de nadruk op het wetenschappelijk onderzoek. Dit keer zetten we de afdeling Kindergeneeskunde in het licht.

De afdeling Kindergeneeskunde biedt zorg voor kinderen vanaf de geboorte tot de volwassenleeftijd van 18 jaar. Er wordt nauw samengewerkt met andere specialisten, en er zijn binnen de afdeling verschillende klinische aandachtsgebieden, onder andere neonatologie, maag-darm-lever, endocrinologie, cardiologie en allergologie. Wetenschap Het aandachtsgebied ‘wetenschappelijk onderzoek’ wordt behartigd door de kinderartsen Miranda de Jong en Ankie Lebon, maar alle kinderartsen en AIOS zijn op verschillende manieren actief in het wetenschappelijk onderzoek waarbij de afdeling betrokken is. Op dit moment gebeurt dit bij een aantal lopende studies. Bij zulke studies wordt veelvuldig samengewerkt met andere centra, zoals

38


was

Z

IN THE SPOTLIGHT

het Sophia Kinderziekenhuis - Erasmus MC. Daarnaast zijn er binnen de afdeling verschillende plannen voor toekomstig onderzoek, zoals behandeling met allopurinol bij pasgeborenen met perinatale asfyxie, effectiviteit van vaccinaties bij te vroeggeboren kinderen, acute exacerbaties van astma bij kinderen, ondervoeding bij kinderen en de ontwikkeling van een app voor zieke kinderen op de spoedeisende hulp. Om een indruk te krijgen van het onderzoek waarbij de afdeling Kindergeneeskunde betrokken is, geven wij hieronder een actueel overzicht van de lopende studies. Eerder kwam COVID-19 bij kinderen (COPP-studie) in de najaarseditie van 2020 naar voren. Gestandaardiseerde scorelijst voor snel achteruitgaande kinderen (PEWS-studie) Binnen de huidige gezondheidszorg worden Pediatric Early Warning Scores (PEWS) veelvuldig toegepast. De achterliggende gedachte is dat vroegtijdige herkenning van en interventie bij klinische achteruitgang leiden tot minder morbiditeit en mortaliteit bij kinderen. Doorgaans zijn deze systemen opgebouwd uit een set van vitale parameters en klinische indicatoren en criteria voor het op- of afschalen van zorg. Driekwart van de Nederlandse ziekenhuizen gebruikt een scoringssysteem, maar er bestaat een grote heterogeniteit aan systemen [1]. In het najaar van 2021 startte de landelijke Dutch PEWS-studie, een implementatie- en validatiestudie van een in 2019 ontwikkelde PEWS-score. Het doel is om tot één gevalideerde tool te komen voor Nederlandse ziekenhuizen. Deze multicenter studie is geïnitieerd door het Radboud Universitair Medisch Centrum te Nijmegen (voor meer informatie zie dutchpews.com). Aan de studie wordt deelgenomen door vier algemene ziekenhuizen, vijf topklinische ziekenhuizen (waaronder het ASz), twee academische centra en de regionale ambulancevoorziening regio Utrecht. Voor het onderzoek worden bij alle opgenomen kinderen minimaal driemaal daags PEWS-scores bepaald (tot maximaal één keer per uur in geval van hoge scores). Evaluatie vindt plaats via rapportering van events (opschaling in respiratoire of circulatoire ondersteuning, sepsis, overplaatsing naar de IC of een reanimatie), en via enquêtes onder het zorgpersoneel dat betrokken is bij de PEWS-score. De bedoeling is dat het onderzoek een nieuwe standaardscore op gaat leveren.

Betere herkenning van reactieve artirtis bij kinderen (BRAVOOstudie) BRAVOO staat voor Betere herkenning van Reactieve Artritis bij kinderen ter Voorkoming van Overbehandeling en Onnodige zorgconsumptie. Bij de eerste presentatie van acute gewrichtsklachten is het klinisch onderscheid vaak moeilijk te maken tussen een septische artritis (infectieuze artritis), reactieve artritis (immuungemedieerde artritis) of juveniele idiopathische artritis ( jeugdreuma). Gezien de hoge kosten en ziektelasten van een gemiste bacteriële artritis wordt vrijwel elk kind met artritis en koorts met biochemische tekenen van inflammatie opgenomen en in het

39

ziekenhuis behandeld met intraveneuze antibiotica. In de helft van de gevallen kan geen verwekker aangetoond worden en is het dus maar de vraag of het wel een bacteriële artritis is geweest. Anderzijds wordt bij een artritis zonder koorts die langer dan zes weken duurt, gesproken van jeugdreuma als de microbiële diagnostiek geen oorzaak oplevert. Met vijf andere regionale ziekenhuizen en één academisch centrum, doen we sinds 1 maart 2021 mee aan deze prospectieve, multicenter studie. Gemiddeld zien wij twee kinderen per maand met acuut ontstane gewrichtsklachten. Bij deze kinderen wordt de klinische ziekteactiviteit bepaald, standaard bloedonderzoek naar inflammatie gedaan en aanvullende virale PCR-diagnostiek, serologisch onderzoek en innovatieve DNA- en immuundiagnostiek uitgevoerd. Het doel van dit project is om een protocol voor de diagnostiek naar artritis bij kinderen van 0-18 jaar te ontwikkelen. Hierdoor kunnen de verschillende vormen van artritis beter onderscheiden worden en wordt overbehandeling voorkomen. Het betreft een multicenter BeterKeten-project, dat geïnitieerd is door het Maasstad Ziekenhuis samen met het Erasmus MC - Sophia Kinderziekenhuis. Nieuwe maatregelen om neonatale GBS te voorkomen (NOGBSstudie) Dit is een landelijke prospectieve cohortstudie van kinderen tussen de nul en drie maanden met een groep B streptokokken (GBS) of Escherichia coli sepsis of meningitis. Deze multicenter studie is geïnitieerd door het Amsterdam Universitair Medisch Centrum. S. agalactiae en E. coli zijn de meest voorkomende verwekkers van neonatale sepsis en meningitis. Een op de vijf vrouwen is draagster van de GBS-bacterie zonder dat zij hier klachten van heeft. Ondanks de invoering in 1998 van antibiotische profylaxe tijdens de bevalling voor zwangere vrouwen met een verhoogd risico op een perinatale infectie, is de incidentie van neonatale GBS-ziekte in Nederland gestegen. De kans van 7% dat een pasgeborene met GBS-ziekte zal overlijden is sindsdien ook niet afgenomen. Een betere risicoschatting en nieuwe preventieve maatregelen zijn hard nodig. In de NOGBS-studie wordt onderzocht welke klinische, bacteriële en serologische factoren geassocieerd zijn met een perinatale

Laura de Jong (research medewerker Kindergeneeskunde) „Sinds een paar maanden werk ik met veel plezier mee aan wetenschappelijk onderzoek van de afdeling. Op dit moment hou ik mij vooral bezig met de Dutch PEWS-studie, waarbij de verpleegkundigen op de kinderafdeling een belangrijke rol spelen. Daarnaast zorg ik voor de inclusie van patiënten bij de COPP-studie, en onderhoud ik contact met de onderzoekers uit het LUMC Leiden. Voor mij een erg leuke, afwisselende functie, waarbij elke dag weer anders verloopt dan ik van tevoren verwacht!”


IN THE SPOTLIGHT

Onderzoek doen we niet alléén bij de kindergeneeskunde.

infectie. Het uiteindelijke doel van de studie is om een betere risicoschatting mogelijk te maken, nieuwe bacteriële virulentiefactoren te ontdekken, en bij te dragen aan de verdere ontwikkeling van GBS-vaccins door anti-GBS IgG concentraties en functionaliteit te vergelijken tussen patiënten en gezonde controles. Optimale ondergrens voor zuurstofsaturatie bij bronchopulmonale dysplasie (SOS BPD-studie) Dit is een multicenter, gerandomiseerde studie bij kinderen met bronchopulmonale dysplasie (BPD). Dit onderzoek is geïnitieerd door het Erasmus MC Sophia Kinderziekenhuis. In Nederland ontwikkelen elk jaar 500 te vroeg geboren kinderen

Leonieke Breunis (arts in opleiding tot kinderarts) „Na vier jaar promotieonderzoek ben ik gestart met de opleiding Kindergeneeskunde in het ASz. Ik krijg de mogelijkheid mijn proefschrift af te ronden, vervolgonderzoek te verrichten en congressen te bezoeken. Recent heb ik een subsidie ontvangen voor een groot vervolgonderzoek naar interventie gericht op een gezondere leefstijl en minder stress voor kwetsbare zwangere vrouwen. Per april ga ik daarom één dag per twee weken minder werken in de kliniek en deze tijd besteden aan onderzoek. Voor mij de ideale manier om klinisch werken en wetenschap te combineren.”

BPD. De belangrijkste behandeling van kinderen met BPD is extra zuurstof. Er is echter nog nooit onderzocht wat de beste ondergrens is van de saturatie, bij kinderen met BPD die nog extra zuurstof nodig hebben bij een postmenstruele leeftijd van 36 weken. Zowel te veel als te weinig zuurstof kan ernstige gevolgen hebben. Te weinig zuurstof kan onder andere leiden tot slechtere gewichtsen longgroei, meer longklachten en minder goede ontwikkeling. Te veel zuurstof kan schadelijk zijn voor de longen en hersenen, vooral bij te vroeg geboren kinderen. Het doel van de SOS BPD-studie is het bepalen van de optimale ondergrens voor de zuurstofsaturatie voor kinderen met BPD vanaf de postmenstruele leeftijd van 36 weken gedurende de tijd dat zij nog extra zuurstof krijgen. Goede communicatie bij ouders (Communicatiestudie) Binnenkort hopen wij van start te gaan met een onderzoek naar communicatie op de afdeling neonatologie. Tijdens de opname op de afdeling neonatologie is het belangrijk dat ouders zich geïnformeerd en betrokken voelen bij de zorg rondom hun kind.. Dit project beoogt te onderzoeken hoe de communicatie over de dagelijkse behandeling van prematuur geboren kinderen verloopt tussen zorgverleners en ouders. Het onderzoek richt zich specifiek op de rol van de verpleegkundigen. Dit gebeurt door middel van het maken van opnames van gesprekken tussen ouders en zorgverleners en het analyseren van deze opnames. Dit project heeft als doel om een gesprekstraining te ontwikkelen, om de commu-

40


was

Z

IN THE SPOTLIGHT

nicatievaardigheden van verpleegkundigen en kinderartsen te verbeteren. Peperpunt bij chronische buikpijn (MINT-studie) Binnenkort hopen we ook van start te kunnen gaan met de MINTstudie, die op dit moment ingediend is bij de WOAC. Het betreft een multicenter studie geïnitieerd door het Antonius ziekenhuis te Nieuwegein. Chronische buikpijn bij kinderen wordt veelal veroorzaakt door functionele buikpijn (FB) of prikkelbaardarm syndroom (PDS). Er is nog geen bewezen farmacologische behandeling mogelijk voor kinderen met FB of PDS. Pepermunt is een zeer interessante therapeutische optie: het relaxeert in vitro glad spierweefsel en moduleert viscerale nociceptie. Op basis van studies bij volwassenen adviseren kinder MDL-artsen al met enige regelmaat Tempocol of gewone pepermuntjes aan kinderen met FB of PDS. Van beide therapieën is de effectiviteit bij kinderen echter niet of onvoldoende onderzocht. In deze studie wordt bekeken of zes weken behandeling met pepermuntoliecapsules of gewone pepermuntjes, effectiever is dan placebo capsules, gemeten naar de intensiteit van de buikpijn. De secundaire uitkomstmaten zijn onder andere pijnfrequentie, adequate verbetering van de klachten, schoolverzuim, gevoelens van angst en depressie, ontlastingspatroon, bijwerkingen van de behandeling en kosteneffectiviteit. Opleiding De afdeling Kindergeneeskunde is ook een opleidingsplaats voor de opleiding Kindergeneeskunde vanuit het cluster Rotterdam (Sophia Kinderziekenhuis - Erasmus MC). Wetenschappelijk onderzoek is een onderdeel in het onderwijscurriculum, maar er is onder de arts-assistenten ook vaak een wens om actief betrokken te zijn bij wetenschappelijk onderzoek. De afdeling stimuleert en faciliteert dit graag. De achtergrond van de arts-assistenten verschilt. De ene arts-assistent is gepromoveerd en bezig met vervolgonderzoek in de vorm van een postdoc-positie, de ander doet zijn eerste wetenschappelijke ervaring bij ons op in de vorm van een klinisch artikel. Niet-klinisch kerntaken krijgen in de opleiding een steeds prominentere rol. Zo geldt voor onze arts-assistenten dat er desgewenst tijd in het rooster vrij gemaakt wordt om naast de klinische taken ook aan wetenschappelijke taken te werken.

Sanne Modderman (arts in opleiding tot kinderarts) „Ik heb hier als ANIOS kindergeneeskunde gewerkt en ik ben inmiddels tweedejaars AIOS, aangenomen met een klinisch profiel. Vanuit het ASz krijg ik de mogelijkheid om op een laagdrempelige wijze een wetenschappelijke bijdrage te leveren. Zo heb ik in mijn ANIOS-periode een artikel over waterpokken in het NTvG gepubliceerd [2] en houd ik mij nu bezig met een overzicht voor huisartsen van COVID-19 bij kinderen. Op deze manier is het wetenschap die bij mij past: praktisch en gebaseerd op de klinische praktijk.”

41

Referenties 1. Sambeeck SJ Van, Vos G, Theeuwes B, Fuijkschot J. De Pediatric Early Warning Score ( PEWS ) en veilige ( re ) zorg in Nederland. Praktische pediatrie. 2016; 1(1). 2. Modderman SC, de Kleijn ED, Hartwig NG. Ernstige complicaties van waterpokken: ook een risico bij gezonde kinderen. Ned Tijdschr Geneesk. 2021: 165: D5422.


WETENSCHAP IN HET ASZ

Kwaliteit van leven bij patiënten met chronische pijn:

Het Positieve Gezondheidsmodel kan helpen Tanja Hamm-Faber Tanja Hamm-Faber werkt als verpleegkundig specialist in het Pijnbehandelcentrum in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Ze doet daarnaast ook promotieonderzoek.

Op 29 oktober 2021 won Tanja Hamm de Roberto Perez Posterprijs tijdens het multidisciplinair PA!N-congres, dat deze keer digitaal werd gehouden. Tanja werkt als verpleegkundig specialist aan een promotietraject neuromodulatie bij chronische pijn bij de Radboud Universiteit. Alle reden voor de redactie van de WASz om Tanja een aantal vragen te stellen. Wat betekent het winnen van deze prijs voor je? „Het winnen van de Roberto Perez Posterprijs is voor mij een enorme eer. Het betekent veel voor mij. In de eerste plaats omdat ik Roberto persoonlijk heb gekend en hij voor mij een inspiratiebron is geweest op het gebied van multidimensioneel interdisciplinair onderzoek. Ten tweede omdat zijn gedachtengoed de wetenschap verbindt met de dagelijkse praktijk van patiënten met

chronische pijn. En ten derde omdat deze prijs mij een positieve stimulans geeft in mijn werk als promovendus.” Wat heeft jou ertoe gedreven om een promotietraject in te gaan? „Ik studeerde in 2005 af als verpleegkundig specialist (toen nog nurse practitioner). Dit was in een periode dat de functie nog in de kinderschoenen stond. De stap naar de wetenschap heeft altijd mijn interesse gehad, maar het is geleidelijk gegaan. Uiteindelijk ben ik in november 2018 gestart met mijn promotietraject. Ik heb een fantastisch promotieteam, bestaande uit professor Kris Vissers, professor Yvonne Engels en Dylan Henssen, om mij heen met wie ik maandelijks overleg heb. Zij inspireren, motiveren en stimuleren mij, maar zijn ook kritisch. Ik ervaar dit vooral als een enorme kans om mij op het gebied van wetenschap verder te

42


was

Z

WETENSCHAP IN HET ASZ

ontwikkelen. Ik wil mijn kennis straks gaan gebruiken om wetenschap een solide plek te geven binnen het domein van de chronische pijn. En ik hoop op deze manier bij te dragen aan de verbetering van de kwaliteit van leven van een patiënt met chronische pijn.” Kun je iets vertellen over de achtergrond van het onderzoek? „Het onderzoek gaat over de kwaliteit van leven bij patiënten met chronische pijn als gevolg van een Post Spinal Pain Syndrome (PSPS). Er wordt van een PSPS gesproken als een patiënt rugen/of beenpijn ontwikkelt ondanks een succesvolle lage rugoperatie. Deze pijn kan chronisch worden en de kwaliteit van leven ernstig negatief beïnvloeden. Hierdoor worden patiënten ervan weerhouden om sociaal actief te zijn, deel te nemen aan groepsactiviteiten en het arbeidsproces. Vaak leiden ze een teruggetrokken leven waarbij ze balanceren op de scheidslijn tussen hoop en teleurstelling. Dit wordt mede veroorzaakt door het uitblijven van een effect van diverse medische behandelingen die zij ondergingen om hun pijn te verlichten.” Hoe kunnen deze patiënten dan wel worden behandeld? „Ruggenmergstimulatie is een laatste behandeloptie bij hardnekkige rug- en beenpijn om de pijn tijdens het dagelijks functioneren draaglijk te maken en de kwaliteit van leven te verbeteren. Bij deze therapie wordt een speciale elektrode via een ruggeprik (epiduraal) ter hoogte van de borstkas (thoracaal) geplaatst en aangesloten op een neurostimulator (batterij). Meestal wordt deze neurostimulator in de linkerbil geplaatst. Door deze batterij extern te activeren, ervaart de patiënt een tinteling in zijn pijngebied, wat de pijn reduceert. In de klinische praktijk - als patiënten met ruggenmergstimulatie worden geëvalueerd - wordt het succes van de therapie veelal bepaald aan de hand van de uitkomsten van gestandaardiseerde vragenlijsten. Hierbij is weinig ruimte voor persoonlijke waarden, behoeftes, ervaringen en wensen van de patiënt. Zorgprofessionals hebben hierdoor maar een beperkt inzicht in de zorgvraag van de patiënt en in wat de patiënt belangrijk vindt rond de kwaliteit van leven bij alle aspecten van gezondheid.” En hier ben jij op ingesprongen? „Inderdaad! Ik heb bij deze groep patiënten een kwalitatieve analyse uitgevoerd met behulp van het Positieve Gezondheidsmodel. Met dit model dat Machteld Huber1,2 en anderen hebben

43

ontwikkeld, wordt een bredere kijk op de gezondheid gegeven. De zes dimensies in dit model worden betrokken zijn 1) lichaamsfuncties, 2) mentaal welbevinden, 3) zingeving, 4) kwaliteit van leven, 5) sociale en maatschappelijke participatie en 6) dagelijks functioneren. Als je dit model in de klinische praktijk kunt implementeren en toepassen, kan dit helpen bij het onderzoeken en verbeteren van het vermogen van patiënten om in het dagelijks leven beter om te gaan met fysieke, mentale en sociale uitdagingen en hierbij de regie in eigen hand te houden.” Je bent het model dus in de klinische praktijk gaan toepassen? Hoe heb je dit aangepakt? „Voor het onderzoek heb ik semigestructureerde face-to-face diepte-interviews afgenomen bij 17 patiënten. Dit waren patiënten die volgens de richtlijnen van de Vereniging voor Neuromodulatie Nederland (VvNN) in de periode april - november 2019 gepland stonden voor ruggenmergstimulatie. Er namen acht mannen en negen vrouwen (in de leeftijd tussen 28-67 jaar) deel aan de studie. Zij hadden één tot vijf rugoperaties gehad, waarbij de duur van de pijn na de operatie varieerde van 4-22 jaar. Ik heb een themalijst opgesteld, die gebaseerd was op de zes dimensies van het gezondheidsmodel van Machteld Huber. De data uit de interviews heb ik geanalyseerd met ATLAS.ti, Scientific Software, een speciaal ontworpen computerprogramma om interviews te analyseren. In deze studie werden de gevonden 190 codes samengevoegd tot elf categorieën en drie thema’s.” De thema’s waren: 1) het omgaan met chronische pijn, 2) de huidige situatie ten aanzien van positieve gezondheid en 3) het toekomstperspectief ten aanzien van gezondheid en kwaliteit van leven.” Wat heb je rond deze drie thema’s ontdekt? „Bij ‘het omgaan met chronische pijn’ vonden de deelnemers acceptatie en coping de belangrijkste elementen om met pijn te kunnen omgaan. Ze vonden dit een complex proces, omdat ze hun grenzen constant naar beneden moeten bijstellen en vaak nog hopen op volledig herstel en re-integratie in de maatschappij. Anderzijds willen ze positief blijven door zich voortdurend te focussen op de activiteiten die lukken of te zoeken naar alternatieven voor hun beperkingen. Het blijkt dat dit proces vele jaren duurt waarbij de meeste deelnemers geen professionele psychologische hulp hebben gehad. Voor wat betreft ‘de huidige situatie ten aanzien van positieve gezondheid’ ervaren de deelnemers naast chronische pijn, vaak


WETENSCHAP

continue vermoeidheid of een laag energieniveau. Door immobiliteit krijgen ze gezondheidsproblemen zoals toename in gewicht of Diabetes Mellitus. Daarnaast heeft de chronische pijn invloed op onder andere hun slaap- en eetpatroon, en ook op hun werkomgeving, financiële situatie, sociale contacten, intimiteit, mentaal en emotioneel welbevinden, medicatiegebruik, zelfvertrouwen en zelfstandigheid. De deelnemers zijn zich bewust van de impact die chronische pijn heeft op hun gezins- en sociale leven. Het maakt ze verdrietig en boos. Daarbij voelen ze zich niet altijd begrepen en vinden sommigen steun bij het gebruik van sociale media en het internet. Bij ‘het toekomstperspectief ten aanzien van gezondheid en kwaliteit van leven’ beschrijven de deelnemers hun angst en onzekerheid om toekomstplannen te maken, omdat de pijn niet weggaat, onvoorspelbaar is en de beperkingen om normaal te kunnen functioneren toenemen.”

Referenties 1. Huber M, van Vliet M, Giezenberg M, Winkens B, Heerkens Y, Dagnelie PC, et al. Towards a 'patient-centred' operationalisation of the new dynamic concept of health: a mixed methods study. BMJ Open. 2016;6(1):e010091. 2. Huber M, Knottnerus JA, Green L, van der Horst H, Jadad AR, Kromhout D, et al. How should we define health? BMJ. 2011;343:d4163.

Welke conclusies kun je trekken? „Mijn kwalitatieve studie geeft inzicht in de individuele gezondheid, persoonlijke behoeftes en dagelijkse aanpassing van PSPSpatiënten met chronische pijn vóórdat ruggenmergstimulatie overwogen werd. Het laat zien dat deze patiëntengroep tekortkomingen ervaart op alle zes dimensies van Positieve Gezondheid. De uitkomsten kunnen gebruikt worden voor een individueel patiëntgericht gesprek en het opstellen van een persoonsgericht en multidimensioneel behandelplan bij een patiënt die ruggenmergstimulatietherapie wordt aangeboden.” Wil je het artikel lezen dat Tanja over het onderzoek schreef met collega’s Yvonne Engels, Kris Vissers en Dylan Henssen, ga dan naar: Hamm et al, PLoS One. 2020 Dec 7;15(12):e0243329. PMID: 33284851. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/33284851/

44


U heeft toch ook het beste met uw patiënten voor? De Swinhove Groep is een vooruitstrevende zorgorganisatie met een breed scala aan zorg, woonmogelijkheden en behandelingen. Met onze 600 medewerkers en 600 vrijwilligers op 5 locaties in de gemeente Zwijndrecht is de Swinhove Groep altijd dichtbij. Waar wordt de patiënt gelukkig van? Dat is waar wij op aan willen sluiten. Kwaliteit van leven behelst ervaringen en verlangens, die voor iedereen anders zijn en ook in de loop van de tijd veranderen. Onze opdracht ligt in het aansluiten op de beleving van het moment zelf. Met daarbij het uitgangspunt dat er eindeloos veel meer is wat wel kan dan wat er niet kan. Zo is uw patiënt ook bij ons in goede hand handen den. Meer informatie: bel met 078 - 62 55 500 of kijk op www.swinhovegroep.nl


ONDERZOEKER AAN HET WOORD

Nathalie Bouwer

Zon en regen bij het promoveren tijdens je coschappen Er wordt in het ASz veel onderzoek gedaan. Wie zijn die collega’s, wat onderzoeken ze, wat hebben ze ontdekt, wat drijft ze en hoe typeren ze zichzelf? Om die antwoorden te krijgen, leggen we regelmatig aan één van hen een aantal vragen voor. Dit keer is het de beurt aan Nathalie Bouwer, wat maakte zij allemaal mee?

Nathalie Bouwer Nathalie Bouwer doet nu haar coschappen Kindergeneeskunde & Gynaecologie in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Eerder deed ze promotieonderzoek op de afdeling Interne Geneeskunde en Cardiologie.

Had je een strakke planning? „In m’n hoofd wel, maar de harde realiteit is vaak dat een promotieonderzoek uitloopt, door diverse externe en interne factoren. Een bepaalde planning is daarom ook lang niet altijd haalbaar. Bij mij ging dat ook zo. Ik ben in november 2017 begonnen met mijn fulltime promotieonderzoek naar cardiotoxiciteit bij patiënten met HER2-positieve borstkanker gedurende de immunotherapie en chemotherapie met trastuzumab en anthracycline. In mijn achterhoofd wist ik dat ik na dit promotieonderzoek nog graag mijn master Geneeskunde en de coschappen wilde afronden. De berekening was snel gemaakt: november 2017, plus drie jaar, plus een aantal maanden uitloop. Zo zou het februari 2021 worden dat ik met mijn coschappen kon beginnen. Ik kon mijn geluk ook niet op toen ik, ondanks de lange wachttijden voor de coschappen, werd ingeloot voor februari 2021. Natuurlijk nog steeds hopende dat dat proefschrift tegen die tijd wel geschreven zou zijn.” Maar zo soepel liep het niet? „Nee, zoals bij elk promotieonderzoek was er een aantal figuurlijke beren op de weg (zo’n beetje zoals op het plaatje Your Plan -

46


was

Z

ONDERZOEKER AAN HET WOORD

Reality). Geen gezellige teddyberen, maar beren van problemen in de vorm van een pandemie en een aantal logistieke uitdagingen. Hierdoor werd ‘promoveren vóór de coschappen’ voor mij ‘promoveren gedurende de coschappen’. Het proefschrift zat begin februari 2022 namelijk nog niet helemaal in een nette kaft. Nu inmiddels ook nog niet geheel, maar dat is weer een ander verhaal.

„Een spreuk waar ik zelf gedurende de stagnerende periodes erg veel aan had, was als ‘If it can go down, then it can also go up again.”

En bij de start van de coschappen kwamen ook andere prioriteiten om de hoek kijken, zoals aanwezig zijn bij colleges, PICO’s geven, arts-patiënt beoordelingen, opnieuw de Sobotta (dé anatomie bijbel) induiken en allerlei ethische dilemma’s uitwerken, waardoor mijn promotieonderzoek op een lager pitje kwam te staan. Gelukkig hebben de meeste journals tegenwoordig een soepel beleid bij het indienen van revisies vanwege de huidige COVID-situatie. Toch hoop ik voor al mijn toekomstige collega’s die promoveren naast de coschappen of naast een A(N)IOS-baan, dat dit ook zo blijft. Net zoals bij de rest van het leven, is hierbij de juiste balans belangrijk en toegeven aan jezelf en je begeleiders, dat het onderzoek niet altijd in één rechte lijn vooruitgaat. Zo had ik gedurende mijn coschapweken vol de focus op de coschappen en tijdens de vakanties en onderwijsweken was de focus meer gericht op mijn promotieonderzoek. Een spreuk waar ik zelf gedurende de stagnerende periodes erg veel aan had, was als ‘If it can go down, then

Bron: https://www.kdnuggets.com/2016/10/big-data-science-expectation-reality.html

47

it can also go up again.’ Ook door een fijne en persoonlijke begeleiding door mijn copromotoren en promotor, is nu de weg vooruit weer ingezet met zelfs een promotiedatum van dit jaar in het verschiet!” Je hebt dus ook veel zonnige momenten meegemaakt? „Zeker! Ik wil hier niet de indruk wekken dat promoveren tijdens je coschappen één lange regenbui is. Het is juist een verrijking, het heeft namelijk ook veel voordelen. Vanwege het feit dat je gedurende de coschappen een kijkje in de keuken kunt nemen van meerdere specialisme in meerdere ziekenhuizen, kom je makkelijker in contact met specialisten buiten het onderwerp van je promotieonderzoek. Ik kwam erachter hoe interessant het is om met een andere blik te kijken naar mijn onderwerp, zeker als je hier al drie jaar vanuit eenzelfde invalshoek naar kijkt. Daarnaast is een ander voordeel van coschappen toch ook de hoeveelheid vakanties. Want om eerlijk te zijn, was ik in die drie jaar fulltime onderzoek toch even vergeten hoeveel vakantiedagen een gemiddelde student wel niet heeft. Ook al waren de meeste van mijn vakantiedagen onderzoeksdagen, je hoort mij zeker niet klagen. Verder was het voor mij ook mogelijk om aanwezig te zijn op de Wetenschapsdag afgelopen juni, ook al viel dit precies in mijn Interne Geneeskunde coschappen. Iets wat bij een andere A(N)IOS-baan wellicht moeilijker was om te realiseren. Het allergrootste voordeel van coschappen lopen in de regio Rotterdam is, dat ik binnenkort weer even ‘officieel’ mag terugkomen in het ASz voor de coschappen Kindergeneeskunde & Gynaecologie. Dit betekent weer tien weken op de fiets pendelen tussen Station Dordrecht en het ASz, m’n oude collega’s weer wat vaker te zien, maar ook weer nieuwe ervaringen opdoen in het ASz. Ik kan niet wachten om weer door dezelfde gangen te mogen lopen als tijdens mijn promotieonderzoek, maar nu dan wel met een hele bak aan klinische ervaring in mijn witte jaszak!”


ONDERZOEKER AAN HET WOORD

Hardjit Kharagjitsing

„Samenwerken in onderzoek verbreedt je blik” Nefroloog in opleiding en promovendus Hardjit Kharagjitsing heeft in samenwerking met het Bijwerkingen-centrum Lareb een interessant artikel geschreven met als titel ‘Retroperitoneal fibrosis and β-blocking agents: Is there an association?’. We spreken met Hardjit over de studie die de basis is voor het artikel. Hij onderzocht of er een mogelijke relatie is tussen het gebruik van bètablokkers en het ontstaan van retroperitoneale fibrose (RPF).” Waarom ben je aan dit onderzoek begonnen? „Het begon bij RPF-patiënten die zich zorgen maakten over het gebruik van bètablokkers. Overal in de literatuur en op het internet staat namelijk dat het gebruik hiervan mogelijk een oorzaak zou kunnen zijn voor RPF. Omdat we dit niet ervaren in de praktijk, vroegen we ons af of dit wel echt zo is. Die vraag is vooral belangrijk, omdat patiënten met RPF vaak cardiovasculair zijn belast en deze middelen juist in sommige gevallen zijn geïndiceerd. Het zou jammer zijn als wij hen die behandeling zouden moeten ontnemen zonder dat is uitgezocht wat de relatie tussen het één en het ander is. ”

Hardjit Kharagjitsing Hardjit Kharagjitsing werkte als arts-assistent interne geneeskunde en promovendus (bij het Expertisecentrum retroperitoneale fibrose) in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Inmiddels maakt hij in het Erasmus MC zijn opleiding tot internist-nefroloog af.

Hoe verliep het contact met het Bijwerkingencentrum Lareb? „Eerlijk gezegd ging het vrij soepel. Ze waren meteen enthousiast toen we hen benaderden voor de klinische vragen die we hadden. Een apotheker van het Lareb heeft ons enorm geholpen bij zowel de data-extractie vanuit de wereldwijde farmacovigilantie database van de World Health Organisation (VigiBase) en de statische analyse (disproportionaliteitsanalyse) van deze data. Door de

48


was

Z

ONDERZOEKER AAN HET WOORD

samenwerking ging er een wereld voor mij open. Gezien de overvloed aan data (vanuit >130 landen) en de interpretatie van deze specifieke data, heb je veel ingewikkelde statistische bewerkingen nodig. Gelukkig hebben collega’s van het Lareb hier enorm bij kunnen helpen, de klinische interpretatie lag uiteraard bij ons. Dit hebben we onder andere gedaan met behulp van uitgebreid aanvullend literatuuronderzoek.” Wat is de gouden tip voor het starten van onderzoek? „Zoek de samenwerking op. Er liggen zoveel kansen als je goed om je heen kijkt. Samen bereik je meer!” Wat is je meest frustrerende onderzoekmoment geweest? „Omdat dit mijn eerste artikel was, was het zo goed mogelijk opschrijven van onze resultaten een uitdaging. Maar goed, Erasmus zei het al Het verlangen om te schrijven groeit met het schrijven.”

”Het begon bij RPF-patiënten die zich zorgen maakten over het gebruik van bètablokkers”

Wat was het allerleukste moment? „Te ontdekken hoe groot de onderzoekswereld kan zijn. Daarnaast lukt het mij ook veel beter literatuur en statistiek te interpreteren, nu ik er zelf meer mee bezig ben.” Wat heeft het onderzoek opgeleverd? „Wij vonden geen associatie tussen het gebruik van bètablokkers en het ontstaan van RPF. De resultaten hebben ertoe geleid dat we patiënten op de poli nu ook goed onderbouwd kunnen geruststellen. Op basis van deze studie kunnen ze met een gerust hart bètablokkers continueren of starten indien noodzakelijk.”

49

Wat is retroperitoneale fibrose (RPF)? Idiopathische retroperitoneale fibrose (RPF) is een zeldzame aandoening, met een incidentie van 1,3 per 100.000 inwoners per jaar. Het Albert Schweitzer ziekenhuis herbergt het Expertisecentrum RPF onder leiding van internist-nefroloog Eric van Bommel. Sinds 2018 is het centrum opgenomen in het register topklinische zorg van de STZ-ziekenhuizen. RPF komt met name voor bij mannen van middelbare leeftijd. De ziekte wordt gekenmerkt door ontsteking en fibrose van de weke delen, gelegen in het retroperitoneum. RPF kan zich presenteren met aspecifieke symptomen zoals algehele malaise, vermoeidheid en soms hevige, continue pijnklachten in buik, rug en/of flank. Er is vaak ook vaak sprake van gewichtsverlies en obstipatie.


PROMOTIES IN HET ASZ

Joost Peerbooms

Onderzoek en kliniek gaan hand in hand

Joost Peerbooms promoveerde op 10 december 2021 aan de Erasmus Universiteit. Zijn proefschrift gaat over het injecteren van eigen bloedplaatjes bij aandoeningen van het bewegingsapparaat. In dit stuk vertelt Joost ons waar zijn promotie over gaat en hoe het verlopen is.

Joost Peerbooms Joost Peerbooms werkt sinds 2012 als orthopeed in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Afgelopen winter verdedigde hij aan de Erasmus Universiteit met succes zijn proefschrift getiteld ‘PlateletRich Plasma in Musculokesketal Disorders’.

Eigen bloedplaatjes injecteren! Kun je hier iets meer over vertellen? „Platelet-Rich Plasma (PRP) of in Nederlandse bewoording ‘bloedplaatjesrijk plasma’ wordt verkregen uit het eigen bloed van een patiënt en wordt lokaal geïnjecteerd voor verschillende aandoeningen van het bewegingsapparaat. Uit deze bloedplaatjes komen groeifactoren vrij die belangrijk zijn voor het herstel van het weefsel. In het laboratorium is aangetoond dat PRP een hoge concentratie aan groeifactoren bevat en door het injecteren van PRP kunnen lokale regeneratieprocessen worden gestimuleerd. Het doel van het injecteren van PRP is om biologische regeneratieprocessen te verbeteren of te versnellen, wat zou kunnen leiden tot vermindering van klachten van patiënten. Vanwege de beperkte resultaten van conventionele niet-chirurgische behandelingen voor sommige aandoeningen van het bewegingsapparaat is er grote belangstelling voor het gebruik van de zogenaamde orthobiologische middelen, waarvan PRP er één is. De toepassing van PRP is de afgelopen 10 tot 15 jaar enorm toegenomen, maar de effectiviteit ervan is nog maar beperkt bewezen. In de praktijk wordt een buisje met bloed bij de patiënt afgenomen en vervolgens gecentrifugeerd. Hierdoor worden de verschillende bloedbestanddelen gescheiden. De bloedplaatjes worden hier vervolgens uit gefilterd en met de bloedplaatjes kunnen wij vervolgens mee aan de slag.”

50


was

Z

PROMOTIES IN HET ASZ

Wat hebben jullie onderzocht? „Als eerste hebben we gekeken naar het gebruik van PRP bij het plaatsen van een totale knieprothese. Hierbij hebben we gefocust op de wondgenezing. Vervolgens ben ik mij gaan verdiepen in het gebruik van PRP bij aandoeningen van pezen. Zo heb ik het effect van PRP vergeleken met dat van corticosteroïden bij klachten door een tenniselleboog en hielspoor. Ten slotte heb ik een vergelijkend onderzoek verricht naar de verschillende commerciële centrifugeapparaten die PRP maken.” Wat kunnen we uit je proefschrift leren? „Op basis van de studies die in mijn proefschrift worden gepresenteerd, is mijn conclusie dat een PRP-injectie effectiever is dan een corticosteroïden-injectie bij een chronische tenniselleboog en fasciitis plantaris (hielspoor). Echter, negatieve effecten van injecties met corticosteroïden zijn ook bekend, zoals verminderde celdeling, weefselatrofie en afscheuren van de pees. Daarom beveel ik aan om in toekomstige studies een controlegroep te gebruiken die bijvoorbeeld fysiologisch zout krijgt. PRP heeft in de afgelopen decennia een plaats veroverd in de orthopedische chirurgie en sportgeneeskunde. Tot nu toe waren onderzoeken met betrekking tot PRP echter vaak van beperkte kwaliteit. Daarom raad ik aan dat elke toekomstige studie een gedetailleerde en stapsgewijze beschrijving geeft van het PRPbereidingsprotocol. Bovendien moet bij alle patiënten een gestandaardiseerd revalidatieprotocol worden gebruikt om uniformiteit na injectie te garanderen. Door deze stappen zullen studies betere informatie geven over het werkelijke potentieel van PRP. Toekomstige studies moeten ook bijwerkingen, patiënttevredenheid, kosteneffectiviteit en kwaliteit van leven als primaire uitkomsten meenemen.” Hoe ben je het promotietraject gestart? „Ik ben met onderzoek naar PRP gestart tijdens mijn opleiding tot orthopedisch chirurg. Toentertijd was ik samen met mijn promotor een van de eersten in Nederland die zich hiermee bezighielden. Op dat moment was ik nog helemaal niet bezig met het idee dat ik hierop zou gaan promoveren. Het uitvoeren van klinische studies om meer inzicht te krijgen wat wij nu eigenlijk aan het doen zijn, vond en vind ik nog steeds heel boeiend. Zodoende heb ik in de loop van de tijd meerdere studies verricht. Het waren met name de mensen om mij heen die zeiden dat ik moest gaan promoveren vanwege de hoeveelheid publicaties van PRP. In 2019 heb ik in samenspraak met professor J.A.N. Verhaar besloten om het geheel te bundelen en hierop te promoveren. Het lastige hiervan was dat ik alles al had gepubliceerd, maar wel nog alle vinkjes van het promotietraject moest gaan zetten. Daardoor heb ik nog allerlei verplichte cursussen en examens moeten afleggen. Dit alles heb ik naast mijn werkzaamheden als orthopedisch chirurg gedaan. Het heeft veel tijd gekost, maar het heeft ook veel nieuwe inzichten en leermomenten opgeleverd.”

51

En jij promoveerde niet alleen… „Dat klopt! Om het geheel nog wat spannender te maken was mijn vrouw (Maayke Hunfeld, kinderneuroloog in het Sophia Kinderziekenhuis) in dezelfde periode ook bezig met haar promotieonderzoek ‘If Life Ends? Out-of-hospital cardiac arrest in children’. Het was leuk en bijzonder om elkaar bij bepaalde aangelegenheden van het promoveren te kunnen helpen, maar het was ook heel gecompliceerd. De promotiedatum van mijn vrouw lag twee dagen vóór mijn promotiedatum. Hierdoor bouwde de druk van het promoveren met name de laatste weken erg op. Achteraf gezien kijken wij er met veel plezier en genot op terug, maar het was wel een flinke uitdaging.” Hoe was de grote dag zelf? „De dag van de verdediging van mijn promotieonderzoek vond ik fantastisch. Veel mensen om mij heen die al gepromoveerd waren, zeiden dat ik van de verdediging van het onderzoek echt moest gaan genieten. Hier had ik eerst een hard hoofd in, maar direct vanaf het eerste moment van het lekenpraatje tot aan het einde van de verdediging heb ik echt genoten. Het is fantastisch om over iets waar je jaren aan gewerkt hebt, ook echt je mening te kunnen geven.” Het zit er voor jou op. Heb je tips voor aankomende promovendi? „Ik heb altijd het meest kunnen genieten van onderzoek direct met patiënten. Dit maakt het voor mij persoonlijk. Tevens kan ik patiëntgericht onderzoek meteen in de praktijk brengen. Nog een paar tips. Bij onderzoek zal je ten eerste altijd te maken hebben met meerdere mensen. Bedenk dan dat hoe meer mensen betrokken zijn bij het onderzoek, hoe groter de kans is op fouten en verlies van data. Als je goed onderzoek wil doen, zal je altijd overal bovenop moeten zitten. Ten tweede is het voordeel van academisch onderzoek is dat je alle benodigdheden voor handen hebt. Het voordeel van onderzoek in een perifeer ziekenhuis is dat je aan grote patiënten aantallen kan komen. De combinatie van deze twee heeft voor mij uiteindelijk het beste gewerkt.” En daarmee zijn we aangekomen bij de laatste zin van dit artikel: „Hora est!”


BERICHTEN VAN DE BIBLIOTHEEK

Berichten van de bibliotheek Er zijn nieuwe boektitels toegevoegd aan de ClinicalKey-bibliotheek. Deze boeken zijn zowel in het ziekenhuis als thuis te raadplegen. Wanneer je thuis gaat raadplegen, moet je wel eerst inloggen. Hieronder tref je een selectie uit de boeken die in januari toegevoegd aan zijn aan ClinicalKey. Je kunt ook per specialisme zien welke titels er aanwezig zijn (zie ook www.clinicalkey.com). Verder zijn er nieuwe tijdschrifttitels. We presenteren je een selectie na ons boekenoverzicht. NIEUWE BOEKEN Cohen’s Comprehensive Thoracic Anesthesia

Rianne van Hof en Moniek Kuipers-Freijsen Rianne van Hof en Moniek Kuipers-Freijsen zijn medisch informatiespecialisten in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Dit artikel is geschreven door Karlijn Stouten (AIOS klinische chemie), Peter Westerweel (internist-hematoloog), Francien van Nederveen (patholoog, PAL) en Eric Vermeer (klinisch chemicus, Result Laboratorium). Allen werkzaam in het Albert Schweitzer ziekenhuis, behalve Karlijn Stouten. Zij werkt sinds oktober in het ETZ Tilburg.

Emery and Rimoin’s Principles and Practice of Medical Genetics and Genomics: Perinatal and Reproductive Genetics

Exoscope-Assisted Surgery in Otorhinolaryngology

Nuclear Cardiology and Multimodal Cardiovascular Imaging

Blood Gases and Critical Care Testing

52


was

Z

BERICHTEN VAN DE BIBLIOTHEEK

Calipered Kinematically Aligned Total Knee Arthroplasty

Hieronder tref je een selectie van nieuwe tijdschrifttitels. Pro: practical radiation oncology

Coronavirus Disease - From Origin to Outbreak Sleep epidemiology

Pediatric Headache

The Lancet - Regional Health Europe

Teleneurology

Diabetes Epidemiology

NIEUWE TIJDSCHRIFTEN Uitgevers brengen regelmatig wijzigingen aan in hun tijdschriftpakketten. Er worden titels uit een pakket gehaald of toegevoegd. Zo is er binnen ClinicalKey een aantal specifieke Lancet-uitgaven toegevoegd, maar ook meerdere andere titels. Als je snel weten wilt wat de actuele stand is, kun je naar BrowZine gaan en de titels van je vakgebied checken. Dat kan via de ‘core title list’, via ‘medical speciaties’ of op titel. De nieuw toegevoegde titels kun je dan opnemen in ‘jouw bibliotheek’ of ‘my bookshelf’. Als er dan een nieuwe uitgave van een tijdschrift verschijnt, kun je de volledige artikelen zien en lezen. Als je met collega’s snel alle relevante titels van een specialisme wil kiezen, maak dan in overleg met de bibliotheek een specifieke lijst aan, die vervolgens door de collega’s aan te vinken is.

53

Heb je vragen over de bibliotheek of over specifieke literatuur die je zoekt, neem dan contact op met bibliotheek@asz.nl.


EEN HELDER PAD

Atopische dermatitis: Volwassenen en adolescenten. Dupixent is geïndiceerd voor de behandeling van matig-ernstige tot ernstige atopische dermatitis bij volwassenen en adolescenten in de leeftijd van 12 jaar en ouder die in aanmerking komen voor een systemische behandeling. Kinderen van 6 tot 11 jaar oud. Dupixent is geïndiceerd voor de behandeling van ernstige atopische dermatitis bij kinderen van 6 tot 11 jaar oud die in aanmerking komen voor een systemische behandeling.1 Astma: Dupixent is geïndiceerd bij volwassenen en %$#"! ! ! % %% ! # $! %" %% ""! $! # $! # $ ! % $!" % ! % % ! ! % % ! ! ! ! $## ! ## $! "#!$!# # !"! ! # ! ## $! FeNO, zie rubriek 5.1, die onvoldoende kunnen worden behandeld met hooggedoseerde ICS plus een ander geneesmiddel voor onderhoudsbehandeling.1 Chronische rinosinusitis met neuspoliepen (CRSwNP): Dupixent is geïndiceerd als aanvullende therapie met intranasale corticosteroïden voor de behandeling van volwassenen met ernstige CRSwNP voor wie ! % $!" ! ! ! # # ! # $! ! # ! !! %$! % ! ! ! # #"! !$ 1 Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via de website van het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb (www.lareb.nl).) 1. SmPC Dupixent® Dec 2021

MAT-NL-2200068

• IL-4 en IL-13 staan centraal bij type 2 % % # ! %% $#! ! ! $! ! ! ! !! ! ! ! ! immunomodulator gericht op het remmen van IL-4 en Il-13


was

Z

WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES

Wetenschappelijke publicaties Van oktober 2021 tot en met half maart 2022 De publicaties zijn aangeleverd vanuit de Onderzoeksdatabank, databank PubMed-publicaties. Het publicatieoverzicht en lopende studies zijn te vinden op de Bibliotheek- en op de Wetenschapspagina, beide op Intranet. Mist u een artikel, neem dan contact op met de bibliotheek: bibliotheek@asz.nl.

Anesthesiologie In-depth assessment of health-related quality of life after in-hospital cardiac arrest. Schluep M, Endeman H, Gravesteijn BY, Kuijs C, Blans MJ, van den Bogaard B, Koopman Van Gemert AWMM, Hukshorn CJ, van der Meer BJM, Knook AHM, van Melsen T, Peters R, Simons KS, Spijkers G, Vermeijden JW, Wils EJ, Stolker RJ, Hoeks SE J Crit Care. 2021 Nov 29;68:22-30. doi: 10.1016/j.jcrc.2021.11.008. Online ahead of print.

Spinal Cord Stimulation With Additional Peripheral Nerve/Field Stimulation vs Spinal Cord Stimulation Alone on Back Pain and Quality of Life in Patients With Failed Back Surgery Syndrome. Van Heteren EPZ, van Roosendaal BKWP, van Gorp EJJAA, Bronkhorst EM, Kallewaard JW, Wegener JT, Bürger K, Teernstra OPM, Buschman HPJ, HammFaber TE, Vissers KCP Neuromodulation. 2022 Jan 26;S10947159(21)06943-9. doi: 10.1016/j.neurom.2021.11.010. Online ahead of print. Cardiologie

Intrathecal morphine does not prevent chronic postsurgical pain after elective Caesarean delivery: a randomised controlled trial. Subedi A, Schyns-van den Berg AMJV, Thapa P, Limbu PM, Trikhatri Y, Poudel A, Dhakal Y3, Bhandari S. Br J Anaesth. 2022 Jan 25;S00070912(21)00836-9. doi: 10.1016/j.bja.2021.11.036. Online ahead of print. Long-term survival and health-related quality of life after in-hospital cardiac arrest. Schluep M, Hoeks SE, Blans MJM, van den Bogaard B, Koopman-van Gemert AWMM, Kuijs C, Hukshorn CJ, van der Meer BJM, Knook AHM, van Melsen T, Peters R, Perik PJ, Simons KS, Spijkers G, Vermeijden JW, Wils EJ, Stolker RJ, Endeman H. Resuscitation. 2021 Oct;167:297-306. doi: 10.1016/j.resuscitation.2021.07.006. Epub 2021 Jul 14. [Professional caregivers as civilian first responders in prehospital cardiac arrest]. Bollen J, van der Leeuw BMF, Thomas O. Ned Tijdschr Geneeskd. 2022 Jan 18;166:D6332. [Article in Dutch]

55

Acute heart failure and iron deficiency: a prospective, multicentre, observational study. Van Dalen DH, Kragten JA, Emans ME, van Ofwegen-Hanekamp CEE, Klaarwater CCR, Spanjers MHA, Hendrick R, van Deursen CTBM, Brunner-La Rocca HP ESC Heart Fail. 2021 Dec 4. doi: 10.1002/ehf2.13737. Online ahead of print. R on the side of caution. Baris L, van den Bos EJ Neth Heart J. 2021 Nov;29(11):604. doi: 10.1007/s12471-021-01629-9. Epub 2021 Sep 22. Relation of Iron Status to Prognosis After Acute Coronary Syndrome. Gürgöze MT, Kardys I, Akkerhuis KM, Oemrawsingh RM, Groot HE, van der Harst P, Umans VA, Kietselaer B, Ronner E, Lenderink T, Asselbergs FW, Manintveld OC, Boersma E Am J Cardiol. 2022 Jan 16;S00029149(21)01241-8. doi: 10.1016/j.amjcard.2021.12.022. Online ahead of print. Thin-cap fibroatheroma predicts clinical events in diabetic patients with normal fractional flow reserve: the COMBINE OCT-FFR trial. Kedhi E, Berta B, Roleder T, Hermanides RS4 Fabris E, IJsselmuiden AJJ7 Kauer F, Alfonso F, von Birgelen C, Escaned J, Ca-

maro C, Kennedy MW, Pereira B, Magro M, Nef H, Reith S, Al Nooryani A, Rivero F, Malinowski K, De Luca G, Garcia Garcia H, Granada JF, Wojakowski W. Eur Heart J. 2021 Dec 1;42(45):4671-4679. doi: 10.1093/eurheartj/ehab433 Treatment and Management of Upper Extremity Dysfunction Following Transradial Percutaneous Coronary Intervention: A Prospective Cohort Study. Cheung ES, Zwaan EM, Schreuders TAR, Kofflard MJM, Coert JH, Alings M, IJsselmuiden AJJ, Holtzer CAJ. Hand (N Y). 2022 Mar 4;15589447211073832. doi: 10.1177/15589447211073832. Online ahead of print. 2D-echocardiography vs cardiac MRI strain: a prospective cohort study in patients with HER2-positive breast cancer undergoing trastuzumab. Bouwer NI, Liesting C, Kofflard MJM, Brugts JJ, Kock MCJ, Kitzen JJEM, Levin MD, Boersma E Cardiovasc Ultrasound. 2021 Nov 9;19(1):35. doi: 10.1186/s12947-021-00266x. Chirurgie 18F-Fludeoxyglucose-Positron Emission Tomography/Computed Tomography and Laparoscopy for Staging of Locally Advanced Gastric Cancer: A Multicenter Prospective Dutch Cohort Study (PLASTIC). Gertsen EC, Brenkman HJF, van Hillegersberg R, van Sandick JW, van Berge Henegouwen MI, Gisbertz SS, Luyer MDP, Nieuwenhuijzen GAP, van Lanschot JJB, Lagarde SM, Wijnhoven BPL, de Steur WO, Hartgrink HH, Stoot JHMB, Hulsewe KWE, Spillenaar Bilgen EJ, van Det MJ, Kouwenhoven EA, van der Peet DL, Daams F, van Grieken NCT, Heisterkamp J, van Etten B, van den Berg JW, Pierie JP, Eker HH, Thijssen AY, Belt EJT, van Duijvendijk P, Wassenaar E, van Laarhoven


WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES

HWM, Wevers KP, Hol L, Wessels FJ, Haj Mohammad N, van der Meulen MP, Frederix GWJ, Vegt E, Siersema PD, Ruurda JP, PLASTIC Study Group Collaborators: PLASTIC Study Group: van Kleef JJ, Prins M, Pijpers J, Profar J, Tummers S, de Mooij K, van Dam M, Heijmans M, van Groenestyn A, Bouwmeester E, Masselink I, Beumer D, de Vries N JAMA Surg. 2021 Oct 27;e215340. doi: 10.1001/jamasurg.2021.5340. Online ahead of print. Clinical added value of MRI to CT in patients scheduled for local therapy of colorectal liver metastases (CAMINO): study protocol for an international multicentre prospective diagnostic accuracy study. Görgec B, Hansen I, Kemmerich G, Syversveen T, Abu Hilal M, Belt EJT, Bisschops RHC, Bollen TL, Bosscha K, Burgmans MC, Cappendijk V, De Boer MT, D’Hondt M, Edwin B, Gielkens H, Grünhagen DJ, Gillardin P, Gobardhan PD, Hartgrink HH, Horsthuis K, Kok NFM, Kint PAM, Kruimer JWH, Leclercq WKG, Lips DJ, Lutin B, Maas M, Marsman HA, Morone M, Pennings JP, Peringa J, Te Riele WW, Vermaas M, Wicherts D, Willemssen FEJA, Zonderhuis BM, Bossuyt PMM, Swijnenburg RJ1,, Fretland AA, Verhoef C, Besselink MG, Stoker J, CAMINO Study Group Collaborators: CAMINO Study Group: Bnà C, De Meyere C, Draaisma WA, Gerhards MF, Imani F, Kuhlmann KFD, Liem MSL, Meyer Y, Mieog JSD, Serafino GP, Van Beek HC, Van der Hoeven JAB, Veeken CJ BMC Cancer. 2021 Oct 18;21(1):1116. doi: 10.1186/s12885-021-08833-1. Correction to: Diagnosis of atypical carcinoid can be made on biopsies > 4 mm 2 and is accurate. Reuling EMBP, Naves DD, Daniels JMA, Dickhoff C, Kortman PC, Broeckaert MAMB, Plaisier PW, Thunnissen E, Radonic T. Virchows Arch. 2022 Feb 7. doi: 10.1007/s00428-022-03294-8. Online ahead of print. Diagnosis of atypical carcinoid can be made on biopsies > 4 mm 2 and is accurate.

Reuling EMBP, Naves DD, Daniels JMA, Dickhoff C, Kortman PC, Broeckaert MAMB, Plaisier PW, Thunnissen E, Radonic T Virchows Arch. 2022 Jan 28. doi: 10.1007/s00428-022-03279-7. Online ahead of print. Factors associated with failure to rescue after liver resection and impact on hospital variation: a nationwide populationbased study. Elfrink AKE, Olthof PB, Swijnenburg RJ, den Dulk M, de Boer MT, Mieog JSD, Hagendoorn J, Kazemier G, van den Boezem PB, Rijken AM, Liem MSL, Leclercq WKG, Kuhlmann KFD, Marsman HA, Ijzermans JNM, van Duijvendijk P, Erdmann J, Kok NFM, Grünhagen DJ, Klaase JM, Dutch Hepato Biliary Audit Group, Collaborators; Te Riele WW, Buis C, Patijn GA, Braat AE, Dejong CHC, Hoogwater FJH, Molenaar IQ, Besselink MGH, Verhoef , Collaborators Collaborators: .... van der Hoeven JAB, .... HPB (Oxford). 2021 Dec;23(12):1837-1848. doi: 10.1016/j.hpb.2021.04.020. Epub 2021 Apr 30. Implementing an enhanced recovery after thoracic surgery programme in the Netherlands: a qualitative study investigating facilitators and barriers for implementation. Von Meyenfeldt EM, van Nassau F, de Betue CTI, Barberio L, Schreurs WH, Marres GMH, Bonjer HJ, Anema J BMJ Open. 2022 Jan 5;12(1):e051513. doi: 10.1136/bmjopen-2021-051513. Morbidity and extent of surgical resection of carcinoid tumors after endobronchial treatment. Reuling EMBP, Naves DD, Hartemink KJ, van der Heijden EHFM4, Plaisier PW, Verhagen AFTM, Daniels JMA, Dickhoff C Eur J Surg Oncol. 2021 Dec;47(12):29892994. doi: 10.1016/j.ejso.2021.05.025. Epub 2021 May 18. Oncological Safety and Potential Cost Savings of Routine Versus Selective Histopathological Examination Following Appendectomy; Results of the Multicenter, Prospective, Cross-Sectional FANCY Study. Bastiaenen VP, de Jonge J, Corten BJGA, de Savornin Lohman EAJ, Kraima

AC, Swank HA, van Vliet JLP, van Acker GJD, van Geloven AW, ‘t In Hof KH, Koens L, de Reuver PR, van Rossem C, Slooter GD, Tanis PJ, Terpstra V, Dijkgraaf MGW, Bemelman WA, Dutch Snapshot Research Group Ann Surg. 2021 Oct 5. doi: 10.1097/SLA.0000000000005228. Online ahead of print. Physical Activity Is Associated with Improved Overall Survival among Patients with Metastatic Colorectal Cancer. Smit KC, Derksen JWG, Beets GLO, Belt EJT, Berbée M, Coene PPLO, van Cruijsen H, Davidis MA, Dekker JWT, van Dodewaard-de Jong JM, Haringhuizen AW, Helgason HH, Hendriks MP, Hoekstra R, de Hingh HHJT, IJzermans JNM, Janssen JJB, Konsten JLM, Los M, Mekenkamp LJM, Nieboer P, Peeters KCMJ, Peters NAJB, Pruijt HJFM, van Ufford-Mannesse PQ, Rietbroek RC, Schiphorst AHW, Schouten van der Velden A, Schrauwen RWM, Sie MPS, Sommeijer DW, Sonneveld DJA, Stockmann HBAC, Tent M, Terheggen F, Tjin-A-Ton MLR, Valkenburgvan Iersel L, van der Velden AMT, Vles WJ, van Voorthuizen T, Wegdam JA, de Wilt JHW, Koopman M, May AM, On Behalf Of The Plcrc Study Group Cancers (Basel). 2022 Feb 16;14(4):1001. doi: 10.3390/cancers14041001. Radiofrequency ablation for benign symptomatic thyroid nodules in the Netherlands: successful introduction of a minimally-invasive treatment option improving quality of life. Lončar I, van Dijk SPJ, van Velsen EFS, Buijk SE, Niemeijer ND, Veeken CJ, von Meyenfeldt EM, Dinkelaar W, Franssen GJH, Peeters RP, Massolt ET, Moelker A, van Ginhoven TM J Vasc Interv Radiol. 2022 Feb 1;S10510443(22)00049-5. doi: 10.1016/j.jvir.2022.01.012. Online ahead of print. Safety and economic analysis of selective histopathology following cholecystectomy: multicentre, prospective, cross-sectional FANCY study. Bastiaenen VP, van Vliet JLP, de Savornin Lohman EAJ, Corten BJGA, de Jonge J, Kraima AC, Swank HA, van Acker GJD, van Geloven AAW, In ‘t Hof KH, Koens L, de Reuver PR, van Rossem CC, Slooter

56


was

Z

WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES

GD, Tanis PJ, Terpstra V, Dijkgraaf MGW, Bemelman WA, Dutch Snapshot Research Group Br J Surg. 2022 Feb 28;znab469. doi: 10.1093/bjs/znab469. Online ahead of print. Short-term postoperative outcomes after liver resection in the elderly patient: a nationwide population-based study. Elfrink AKE, Kok NFM, den Dulk M, Buis C, Kazemier G, Ijzermans JNM, Lam H, Hagendoorn J, van den Boezem PB, Ayez N, Zonderhuis BM, Lips DJ, Leclercq WKG, Kuhlmann KFD, Marsman HA, Verhoef C, Patijn GA, Grünhagen DJ, Klaase JM, Collaborators; Dutch Hepato Biliary Audit Group Collaborators: Eker HH, Belt ETJ, van Heek NJ, Torrenga H, Bosscha K, Doornebosch P, Consten ECJ, Oosterling SJ, de Boer MT, Besselink MGH, Dejong CHC, Te Riele WW, Hoogwater FJH, Liem MSL, Molenaar IQ, Swijnenburg RJ, Braat AE HPB (Oxford). 2021 Oct;23(10):1506-1517. doi: 10.1016/j.hpb.2021.03.002. Epub 2021 Mar 19. Sinus laser-assisted closure (SiLaC®) for pilonidal disease: results of a multicentre cohort study. Sluckin TC, Hazen SMJA, Smeenk RM, Schouten R Tech Coloproctol. 2022 Feb;26(2):135-141. doi: 10.1007/s10151-021-02550-4. Epub 2022 Jan 7. Sixty-Day Mortality of Patients With Metastatic Colorectal Cancer Randomized to Systemic Treatment vs Primary Tumor Resection Followed by Systemic Treatment: The CAIRO4 Phase 3 Randomized Clinical Trial. Van der Kruijssen DEW, Elias SG, Vink GR, van Rooijen KL, ‘t Lam-Boer J, Mol L, Punt CJA, de Wilt JHW, Koopman M, CAIRO4 Working Group Collaborators: CAIRO4 Working Group: ....van der Hoeven JAB, .... JAMA Surg. 2021 Dec 1;156(12):1093-1101. doi: 10.1001/jamasurg.2021.4992. Solitary Iliac Branch Endoprosthesis placement for iliac aneurysms. Oussoren FK, Maldonado TS, Reijnen MMPJ, Heyligers JMM, SIBES study group. SIBES study group: Akkersdijk G, Attisani L, Bellosta R, Heyligers JMM, Hoencamp R, Garrard L, Maldonado T, Naslund

57

TC, Tutein Nolthenius R, Oderich GS, Ponfoort ED, Reijnen MMPJ, Schouten O, Sybrandi JEM, Tenorio ER, Trimarchi S, Verhagen HJM, Veroux P, Wever J, Wiersema A, Wikkeling ORM J Vasc Surg. 2021 Oct 13;S07415214(21)02213-8. doi: 10.1016/j.jvs.2021.10.005. Online ahead of print Trajectories of health-related quality of life and psychological distress in patients with colorectal cancer: A population-based study. Qaderi SM, van der Heijden JAG, Verhoeven RHA, de Wilt JHW, Custers JAE, PLCRC study group Collaborators: PLCRC study group: Belt EJT, Eur J Cancer. 2021 Oct 16;158:144155. doi: 10.1016/j.ejca.2021.08.050. Online ahead of print. Trends in Distal Esophageal and Gastroesophageal Junction Cancer Care: The Dutch Nationwide Ivory Study. Kalff MC, van Berge Henegouwen M, Baas PC, Bahadoer RR, Belt EJT, Brattinga B, Claassen L, Ćosović A, Crull D, Daams F, van Dalsen AD, Dekker JWT, van Det MJ, Drost M, van Duijvendijk P, Eshuis WJ, van Esser S, Gaspersz MP, Görgec B, Groenendijk RPR, Hartgrink HH, van der Harst E, Haveman JW, Heisterkamp J, van Hillegersberg R, Kelder W, Kingma BF, Koemans WJ, Kouwenhoven EA, Lagarde SM, Lecot F, van der Linden PP, Luyer MDP, Nieuwenhuijzen GAP, Olthof PB, van der Peet DL, Pierie JPEN, Pierik EGJMR, Plat VD, Polat F, Rosman C, Ruurda JP, van Sandick JW, Scheer R, Slootmans CAM, Sosef MN, Sosef OV, de Steur WO, Stockmann HBAC, Stoop FJ, Voeten DM,Vugts G, Vijgen GHEJ, Weeda VB, Wiezer MJ, van Oijen MGH, Gisbertz SS. Ann Surg. 2021 Nov 11. doi: 10.1097/SLA.0000000000005292. Online ahead of print. Dermatologie Validation of a Market-Approved Artificial Intelligence Mobile Health App for Skin Cancer Screening: A Prospective Multicenter Diagnostic Accuracy Study. Sangers T, Reeder S, van der Vet S, Jhingoer S, Mooyaart A, Siegel DM, Nijsten T, Wakkee M. Dermatology. 2022 Feb 4;1-8. doi: 10.1159/000520474. Online ahead of print.

Gynaecologie Clinical auditing as an instrument to improve care for patients with ovarian cancer: The Dutch Gynecological Oncology Audit (DGOA). Baldewpersad Tewarie NMS, van Driel WJ, van Ham M, Wouters MW, Kruitwagen R, participants of the Dutch Gynecological Oncology Collaborator Group Collaborators: .... Hofman LN, .... Eur J Surg Oncol. 2021 Jul;47(7):1691-1697. doi: 10.1016/j.ejso.2021.01.019. Epub 2021 Feb 5. Economic evaluation of endometrial scratching before the second IVF/ICSI treatment: a cost-effectiveness analysis of a randomized controlled trial (SCRaTCH trial). Van Hoogenhuijze NE, van Eekelen R, Mol F, Schipper I, Groenewoud ER, Traas MAF, Janssen CAH, Teklenburg G, de Bruin JP, van Oppenraaij RHF, Maas JWM, Moll E, Fleischer K, van Hooff MHA, de Koning CH, Cantineau AEP, Lambalk CB, Verberg M, van Heusden AM, Manger AP, van Rumste MME, van der Voet LF, Pieterse QD, Visser J, Brinkhuis EA, den Hartog JE, Glas MW, Klijn NF, van der Zanden M, Bandell ML, Boxmeer JC, van Disseldorp J, Smeenk J, van Wely M, Eijkemans MJC, Torrance HL, Broekmans FJM Hum Reprod. 2021 Dec 3;deab261. doi: 10.1093/humrep/deab261. Online ahead of print. Evaluation of a nationwide Dutch guideline to detect Lynch syndrome in patients with endometrial cancer. Tjalsma AS, Wagner A, Dinjens WNM, Ewing-Graham PC, Alcalá LSM, de Groot MER, Hamoen KE, van Hof AC, Hofhuis W, Hofman LH, Hoogduin KJ, Kaijser J, Makkus ACF, Mol SJJ, Plaisier GM, Schelfhout K, Smedts HPM, Smit RA, Timmers PJ, Vencken PMLH, Visschers B, van der Wurff AAM, van Doorn HC Gynecol Oncol. 2021 Mar;160(3):771-776. doi: 10.1016/j.ygyno.2020.12.028. Epub 2021 Jan 6.


WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES

Postoperative outcomes of primary and interval cytoreductive surgery for advanced ovarian cancer registered in the Dutch Gynecological Oncology Audit (DGOA). Baldewpersad Tewarie NMS, van Driel WJ, van Ham M, Wouters MW, Kruitwagen R, participants of the Dutch Gynecological Oncology Collaborator Group Collaborators: participants of the Dutch Gynecological Oncology Collaborator Group: .... Hofman L, .... Gynecol Oncol. 2021 Aug;162(2):331-338. doi: 10.1016/j.ygyno.2021.05.030. Epub 2021 Jun 17. Survival in Advanced-Stage Epithelial Ovarian Cancer Patients with Cardiophrenic Lymphadenopathy Who Underwent Cytoreductive Surgery: A Systematic Review and Meta-Analysis. Kengsakul M, Nieuwenhuyzen-de Boer GM, Bijleveld AHJ, Udomkarnjananun S, Kerr SJ, Niehot CD, van Beekhuizen HJ Cancers (Basel). 2021 Oct 7;13(19):5017. doi: 10.3390/cancers13195017. The prevalence of frailty and post-treatment outcomes in elderly women with pelvic floor disorders. De Jong K, van der Vlist MY, Oom DMJ Int Urogynecol J. 2021 Nov;32(11):30013006. doi: 10.1007/s00192-021-04682-5. Epub 2021 Feb 23. Intensieve geneeskunde Case report: „an unexpected origin of coma in a young adult”. Chandrikasing R, Ramnarain S, Bansie R, Yang H, Ponssen H, Ramdhani N Int J Emerg Med. 2021 Nov 27;14(1):70. doi: 10.1186/s12245-021-00390-5. Predictors for extubation failure in COVID-19 patients using a machine learning approach. Fleuren LM, Dam TA, Tonutti M, de Bruin DP, Lalisang RCA, Gommers D, Cremer OL, Bosman RJ, Rigter S, Wils EJ, Frenzel T, Dongelmans DA, de Jong R, Peters M, Kamps MJA, Ramnarain D, Nowitzky R, Nooteboom FGCA, de Ruijter W, UrlingsStrop LC, Smit EGM, Mehagnoul-Schipper DJ, Dormans T, de Jager CPC, Hendriks SHA, Achterberg S, Oostdijk E, Reidinga AC, Festen-Spanjer A, Brunnekreef GB, Cornet AD, van den Tempel W, Boelens AD, Koetsier P, Lens J, Faber HJ, Karakus A, Entjes R, de Jong P, Rettig TCD, Arbous S, Vonk SJJ, Fornasa M, Machado T, Houwert T, Hovenkamp H, Noorduijn Lon-

dono R, Quintarelli D, Scholtemeijer MG, de Beer AA, Cinà G, Kantorik A, de Ruijter T, Herter WE, Beudel M, Girbes ARJ, Hoogendoorn M, Thoral PJ, Elbers PWG, Dutch ICU Data Sharing Against Covid-19 Collaborators Crit Care. 2021 Dec 27;25(1):448. doi: 10.1186/s13054-021-03864-3. Rapid evaluation of Coronavirus Illness Severity (RECOILS) in intensive care: Development and validation of a prognostic tool for in-hospital mortality. Plečko D, Bennett N, Mårtensson J, Dam TA, Entjes R, Rettig TCD, Dongelmans DA, Boelens AD, Rigter S, Hendriks SHA, de Jong R, Kamps MJA, Peters M, Karakus A, Gommers D, Ramnarain D, Wils EJ, Achterberg S, Nowitzky R, van den Tempel W, de Jager CPC, Nooteboom FGCA, Oostdijk E, Koetsier P, Cornet AD Reidinga AC, de Ruijter W, Bosman RJ, Frenzel T, UrlingsStrop LC, de Jong P, Smit EGM, Cremer OL, Mehagnoul-Schipper DJ, Faber HJ, Lens J, Brunnekreef GB, Festen-Spanjer B, Dormans T, de Bruin DP, Lalisang RCA, Sebastiaan J J Vonk , Haan ME, Fleuren LM, Thoral PJ, Elbers PWG, Bellomo R Acta Anaesthesiol Scand. 2022 Jan;66(1):65-75. doi: 10.1111/aas.13991. Epub 2021 Oct 15. Some Patients Are More Equal Than Others: Variation in Ventilator Settings for Coronavirus Disease 2019 Acute Respiratory Distress Syndrome. Dam TA, de Grooth HJ, Klausch T, Fleuren LM, de Bruin DP, Entjes R, Rettig TCD, Dongelmans DA, Boelens AD, Rigter S, Hendriks SHA, de Jong R, Kamps MJA, Peters M, Karakus A, Gommers D, Ramnarain D, Wils EJ, Achterberg S, Nowitzky R, van den Tempel W, de Jager CPC, Nooteboom MGCA, Oostdijk E, Koetsier P, Cornet AD, Reidinga AC, de Ruijter W, Bosman RJ, Frenzel T, Urlings-Strop LC, de Jong P, Smit EGM, Cremer OL, Mehagnoul-Schipper DJ, Faber HJ, Lens J, Brunnekreef GB, Festen-Spanjer B, Dormans T, Dijkstra A, Simons B, Rijkeboer AA, Arbous S, Aries M, Beukema M, Pretorius D, van Raalte R, van Tellingen M, Gritters van den Oever NC, Lalisang RCA, Tonutti M, Girbes ARJ, Hoogendoorn M, Thoral PJ, Elbers PWG Crit Care Explor. 2021 Oct 14;3(10):e0555. doi: 10.1097/CCE.0000000000000555. eCollection 2021 Oct.

Interne geneeskunde 2D-echocardiography vs cardiac MRI strain: a prospective cohort study in patients with HER2-positive breast cancer undergoing trastuzumab. Bouwer NI, Liesting C, Kofflard MJM, Brugts JJ, Kock MCJ, Kitzen JJEM, Levin MD, Boersma E Cardiovasc Ultrasound. 2021 Nov 9;19(1):35. doi: 10.1186/s12947-021-00266x. Abdominal aortic diameter and cardiovascular status in patients with idiopathic retroperitoneal fibrosis. Kharagjitsing HHS, van Vooren J, Brilman EG, Hendriksz TR, van Gelder T, van Bommel EFH Rheumatol Int. 2021 Nov 25. doi: 10.1007/s00296-021-05051-7. Online ahead of print. Change in Thyroid Hormone Metabolite concentrations across Different Thyroid States. Jongejan RMS, van Velsen EFS, Meima ME, Klein T, van den Berg SAA, Massolt ET, Visser WE, Peeters RP, de Rijke YB Thyroid. 2021 Nov 22. doi: 10.1089/thy.2021.0453. Online ahead of print. Conditional relative survival among adult patients with chronic myeloid leukemia in the tyrosine kinase inhibitor era: a population-based study in the Netherlands. Ector GICG, Visser O, Posthuma EFM, Westerweel PE, Janssen JJWM, Blijlevens NMA, Dinmohamed AG Leukemia. 2021 Nov;35(11):3291-3294. doi: 10.1038/s41375-021-01174-9. Epub 2021 Feb 18. Consolidation and Maintenance in Newly Diagnosed Multiple Myeloma. Sonneveld P, Dimopoulos MA, Beksac M, van der Holt B, Aquino S, Ludwig H, Zweegman S, Zander T, Zamagni E, Wester R, Hajek R,Pantani L, Dozza L, Gay F, Cafro AM, De Rosa L, Morelli A, Gregersen H, Gulbrandsen N, Cornelisse P, Troia R, Oliva S, van de Velden V, Wu K, Ypma PF, Bos G, Levin MD, Pour L, Driessen C, Broijl A, Croockewit A, Minnema MC, Waage A, Hveding C, van de Donk NWCJ, Offidani M, Palumbo GA, Spencer A, Boccadoro M, Cavo M J Clin Oncol. 2021 Nov 10;39(32):36133622. doi: 10.1200/JCO.21.01045. Epub 2021 Sep 14.

58


was

Z

WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES

COVID-19 severity and mortality in patients with CLL: an update of the international ERIC and Campus CLL study. Chatzikonstantinou T2, Kapetanakis A Scarfò L, Karakatsoulis G2, Allsup D, Cabrero AA, Andres M, Antic D, Baile M, Baliakas P, Bron D, Capasso A, Chatzileontiadou S, Cordoba R, Correa JG, Cuéllar-García C, De Paoli L, De Paolis MR, Del Poeta G, Demosthenous C, Dimou M, Donaldson D, Doubek M, Efstathopoulou M, Eichhorst B, El-Ashwah S, Enrico A, Espinet B, Farina L, Ferrari A, Foglietta M, Frederiksen H, Fürstenau M, García-Marco JA, García-Serra R, Gentile M, Gimeno E, Glenthøj A, Gomes da Silva M, Gutwein O, Hakobyan YK, Herishanu Y, Hernández-Rivas JA, Herold T, Innocenti I, Itchaki G, Jaksic O, Janssens A, Kalashnikova OB, Kalicińska E, Karlsson LK, Kater AP, Kersting S, Labrador J, Lad D, Laurenti L, Levin MD, Lista E, Lopez-Garcia A, Malerba L, Marasca R, Marchetti M,Marquet J, Mattsson M, Mauro FR, Milosevic I, Mirás F, Morawska M, Motta M, Munir T, Murru R, Niemann CU, Nunes Rodrigues R, Olivieri J, Orsucci L, Papaioannou M, Pavlovsky MA, Piskunova I, Popov VM, Quaglia FM, Quaresmini G, Qvist K, Reda G, Rigolin GM, Ruchlemer R, Saghumyan G, Shrestha A, Šimkovič M, Špaček M, Sportoletti P, Stanca O, Stavroyianni N Tadmor T0, Te Raa D, Tonino SH, Trentin L, Van Der Spek E, van Gelder M, van Kampen R, Varettoni M, Visentin A, Vitale C, Wasik-Szczepanek E, Wróbel T, San Segundo LY, Yassin M1, Coscia M, Rambaldi A, Montserrat E, Foà R, Cuneo A, Stamatopoulos K, Ghia P Leukemia. 2021 Nov 1;1-11. doi: 10.1038/s41375-021-01450-8. Online ahead of print. COVID-19 vaccination in patients with immune thrombocytopenia. Visser C, Swinkels M, van Werkhoven E, Croles FNN, Susanne Noordzij-Nooteboom H, Eefting M, Last-Koopmans S, Idink C, Westerweel PE, Santbergen B, Jobse P, Baboe F, Sanders JP, Te Boekhorst PA, Leebeek FWG, Levin MD, Kruip MJHA, Jansen AJG Blood Adv. 2021 Dec 23;bloodadvances.2021006379. doi: 10.1182/bloodadvances.2021006379. Online ahead of print. Decrease in early mortality for newly diagnosed multiple myeloma patients in the Netherlands: a population-based study.

59

Brink M, Groen K, Sonneveld P, Minnema MC, Broijl A, Dinmohamed AG, van der Spek E, Levin MD, Ypma PF, de Waal E, Posthuma EFM, Zweegman S, van de Donk NWCJ Blood Cancer J. 2021 Nov 11;11(11):178. doi: 10.1038/s41408-021-00571-8. Efficacy and Safety of Daratumumab Combined With All-Trans Retinoic Acid in Relapsed/Refractory Multiple Myeloma. Frerichs KA, Minnema MC, Levin MD, Broijl A, Bos GM, Kersten MJ, Mutis T, Verkleij CPM, Nijhof IS, Maas-Bosman PWC, Klein SK, Zweegman S, Sonneveld P, van de Donk NWCJ Blood Adv. 2021 Dec 14;5(23):5128-5139. doi: 10.1182/bloodadvances.2021005220. Heavy menstrual bleeding on direct factor Xa inhibitors: Rationale and design of the MEDEA study. Hamulyák EN, Wiegers HMG, Scheres LJJ, Hutten BA, de Lange ME, Timmermans A, Westerweel PE, Nijziel MR, Kruip MJHA, Ten Wolde M, Ypma PF, Klok FA, Nieuwenhuizen L, van Wissen S, Hovens MMC, Faber LM, Kamphuisen PW, Büller HR, Middeldorp S Res Pract Thromb Haemost. 2020 Dec 18;5(1):223-230. doi: 10.1002/rth2.12471. eCollection 2021 Jan. High-Intensity Care in the End-of-Life Phase of Castration-Resistant Prostate Cancer Patients: Results from the Dutch CAPRI-Registry. Westgeest HM, Kuppen MCP, van den Eertwegh FAJM, van Oort IM, Coenen JLLM, van Moorselaar JRJA, Aben KKH, Bergman AM, Ten Bokkel Huinink D, van den Bosch J, Hendriks MP, Lampe MI, Lavalaye J, Mehra N, Smilde TJ, Somford RDM, Tick L, Weijl N, van de Wouw YA, Gerritsen WR, Uyl-de Groot CA J Palliat Med. 2021 Dec;24(12):1789-1797. doi: 10.1089/jpm.2020.0800. Epub 2021 Aug 19. Human CXCR5 + PD-1 + CD8 T cells in healthy individuals and patients with hematologic malignancies. Hofland T, Martens AWJ, van Bruggen JAC, de Boer R, Schetters S, Remmerswaal EBM, Bemelman FJ, Levin MD, Bins AD6, Eldering E, Kater AP, Tonino SH Eur J Immunol. 2021 Mar;51(3):703-713. doi: 10.1002/eji.202048761. Epub 2020 Nov 23.

Introducing the importance and difficulties of a three-step approach to improve nonadherence to antihypertensive drugs: a case series. Peeters LEJ, van der Net JB, Schoenmakers-Buis K, van der Meer IM, Massey EK, van Dijk L, van Gelder T, Koch BCP, Versmissen J J Hypertens. 2022 Jan 1;40(1):189-193. doi: 10.1097/HJH.0000000000003001. Maintenance with daratumumab or observation following treatment with bortezomib, thalidomide, and dexamethasone with or without daratumumab and autologous stem-cell transplant in patients with newly diagnosed multiple myeloma (CASSIOPEIA): an open-label, randomised, phase 3 trial. Moreau P, Hulin C, Perrot A, Arnulf B, Belhadj K, Benboubker L, Béné MC, Zweegman S, Caillon H, Caillot D, Corre J, Delforge M, Dejoie T, Doyen C, Facon T, Sonntag C, Fontan J, Mohty M, Jie KS, Karlin L, Kuhnowski F, Lambert J, Leleu X, Macro M, Orsini-Piocelle F, Roussel M, Stoppa AM, van de Donk NWCJ, Wuillème S, Broijl A, Touzeau C, Tiab M, Marolleau JP, Meuleman N, Vekemans MC, Westerman M, Klein SK, Levin MD, Offner F, Escoffre-Barbe M, Eveillard JR,Garidi R, Ahmadi T, Krevvata M, Zhang K, de Boer C, Vara S, Kampfenkel T, Vanquickelberghe V, Vermeulen J,Avet-Loiseau H, Sonneveld P Lancet Oncol. 2021 Oct;22(10):1378-1390. doi: 10.1016/S1470-2045(21)00428-9. Epub 2021 Sep 13. Oral ixazomib-dexamethasone vs oral pomalidomide-dexamethasone for lenalidomide-refractory, proteasome inhibitor-exposed multiple myeloma: a randomized Phase 2 trial. Dimopoulos MA, Schjesvold F, Doronin V, Vinogradova O, Quach H, Leleu X Gonzalez Montes Y, Ramasamy K, Pompa A, Levin MD, Lee C, Mellqvist UH, Fenk R, Demarquette H, Sati H, Vorog A, Labotka R, Du J, Darif M, Kumar S Blood Cancer J. 2022 Jan 24;12(1):9. doi: 10.1038/s41408-021-00593-2.


WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES

Pomalidomide in Patients With Relapsed and/or Refractory Multiple Myeloma: A Prospective Study Within the Nationwide Netherlands Cancer Registry. Wester R, Dinmohamed AG, van der Holt B, Zweegman S, Minnema M, Croockewit S, Levin MD, Libourel E, de Waal E, Sonneveld P, Cornelissen J, Blijlevens N, Broijl A Hemasphere. 2022 Jan 27;6(2):e683. doi: 10.1097/HS9.0000000000000683. eCollection 2022 Feb. Radiofrequency ablation for benign symptomatic thyroid nodules in the Netherlands: successful introduction of a minimally-invasive treatment option improving quality of life. Lončar I, van Dijk SPJ, van Velsen EFS, Buijk SE, Niemeijer ND, Veeken CJ, von Meyenfeldt EM, Dinkelaar W, Franssen GJH, Peeters RP, Massolt ET, Moelker A, van Ginhoven TM J Vasc Interv Radiol. 2022 Feb 1;S10510443(22)00049-5. doi: 10.1016/j.jvir.2022.01.012. Online ahead of print. Reading the B cell receptor Immunome in Chronic Lymphocytic Leukemia: Revelations and Applications. Hengeveld PJ, Levin MD, Kolijn PM, Langerak AW. Exp Hematol. 2021 Jan;93:14-24. doi: 10.1016/j.exphem.2020.09.194. Epub 2020 Oct 10. Retroperitoneal Fibrosis After Spinal Surgery: A Report of 2 Cases. Buijs SM, Hendriksz TR, van Bommel EFH JBJS Case Connect. 2021 Oct 27;11(4). doi: 10.2106/JBJS.CC.21.00269. The accuracy of mean corpuscular volume guided anaemia classification in primary care. Schop A, Stouten K, Riedl JA, van Houten RJ, Leening MJG, Bindels PJE, Levin MD. Fam Pract. 2021 Nov 24;38(6):735-739. doi: 10.1093/fampra/cmab034. The evolution of the loss of life expectancy in patients with chronic myeloid leukaemia: a population-based study in the Netherlands, 1989-2018. Maas CCHM, van Klaveren D, Ector GICG, Posthuma EFM, Visser O, Westerweel PE, Janssen JJWM, Blijlevens NMA, Dinmohamed AG Br J Haematol. 2021 Dec 5. doi: 10.1111/bjh.17989. Online ahead of print.

Treatment Approaches to Chronic Lymphocytic Leukemia With High-Risk Molecular Features. Van der Straten L, Hengeveld PJ, Kater AP, Langerak AW, Levin MD Front Oncol. 2021 Dec 9;11:780085. doi: 10.3389/fonc.2021.780085. eCollection 2021. Conditional relative survival among patients with chronic lymphocytic leukaemia: A population-based study in the Netherlands Van der Straten L, Levin MD, Visser O, Posthuma EFM, Doorduijn JK, Kater AP, Dinmohamed AG. eJHaem. 2021 Dec 20;3:180-183. doi: 10.1002/jha2.368 Long-term trends in the loss in expectation of life after a diagnosis of chronic lymphocytic leukemia: a populationbased study in the Netherlands, 1989– 2018. Van der Straten L, Levin MD, Visser O, Posthuma EFM, Doorduijn JK, Langerak AW, Kater AP, Dinmohamed AG. Blood Cancer J. 2022;12(4):72. doi: 10.1038/s41408-022-00669-7. Venetoclax consolidation after fixed-duration venetoclax plus obinutuzumab for previously untreated chronic lymphocytic leukaemia (HOVON 139/GiVe): primary endpoint analysis of a multicentre, open-label, randomised, parallel-group, phase 2 trial. Kersting S, Dubois J, Nasserinejad K, Dobber JA, Mellink C, van der Kevie-Kersemaekers AF, Evers LM, de Boer F, Koene HR, Schreurs J, van der Klift M, Velders GA, van der Spek E, van der Straaten HM, Hoogendoorn M, van Gelder M, Posthuma EFM, Visser HPJ, Houtenbos I, Idink CAM, Issa DE, Dompeling EC, van Zaanen HCT, Veelken H, Levenga H, Tick LW Terpstra WE, Tonino SH, Boyer M, Mobasher M, Levin MD, Kater AP, HOVON CLL study group Lancet Haematol. 2022 Mar;9(3):e190e199. doi: 10.1016/S2352-3026(22)000345. Kindergeneeskunde Cost impact of procalcitonin-guided decision making on duration of antibiotic therapy for suspected early-onset sepsis in neonates. Geraerds AJLM, van Herk W, Stocker M, El Helou S, Dutta S, Fontana MS, Schuerman FABA, van den Tooren-de Groot HK, Wie-

ringa J, Janota J, van der Meer-Kappelle LH, Moonen R, Sie SD, de Vries E, Donker AE, Zimmerman U, Schlapbach LJ, de Mol AC, Hoffman-Haringsma A, Roy M, Tomaske M, Kornelisse RF, van Gijsel J, Visser LG, van Rossum AMC, Polinder S Crit Care. 2021 Oct 20;25(1):367. doi: 10.1186/s13054-021-03789-x. Rotavirus Vaccine Safety and Effectiveness in Infants With High-Risk Medical Conditions. Van Dongen JAP, Rouers EDM, Schuurman R, Band C, Watkins SM, van Houten MA, Bont LJ, Norbruis OF, Hemels MAC, van Well GTJ, Vlieger AM, van der Sluijs J, Stas HG, Tramper-Stranders G, Kleinlugtenbeld EA, van Kempen AAMW, Wessels M, van Rossem MC, Dassel CACM, Pajkrt D, Bonten MJM, Bruijning-Verhagen PCJ Pediatrics. 2021 Nov 22;e2021051901. doi: 10.1542/peds.2021-051901. Online ahead of print. Klinische chemie Evaluation of a novel real-time PCR assay for the detection, identification and quantification of Plasmodium species causing malaria in humans. Van Bergen K, Stuitje T, Akkers R, Vermeer E, Castel R, Mank T. Malar J. 2021 Jul 12;20(1):314. doi: 10.1186/s12936-021-03842-8. Oxygen gradient ektacytometry derivedbiomarkers are associated with vaso-occlusive crises and correlate with treatment response in sickle cell disease. Rab MAE, Kanne CK, Bos J, van Oirschot BA, Boisson C, Houwing ME, Gerritsma J, Teske E, Renoux C, Riedl J, Schutgens REG, Bartels M, Nur E, Joly P, Fort R, Cnossen MH, van Wijk R, Connes P, van Beers EJ, Sheehan VA. Am J Hematol. 2021 Jan;96(1):E29-E32. doi: 10.1002/ajh.26031. Epub 2020 Nov 11. The accuracy of mean corpuscular volume guided anaemia classification in primary care. Schop A, Stouten K, Riedl JA, van Houten RJ, Leening MJG, Bindels PJE, Levin MD. Fam Pract. 2021 Nov 24;38(6):735-739. doi: 10.1093/fampra/cmab034. PMID: 34345918 Klinische Fysica Re: Clinical evaluation of a deep-learning-based computer-aided detection system for the detection of pulmonary nodules in a large teaching hospital. A reply. 60


was

Z

WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES

Martins Jarnalo CO, Linsen PVM, Blazís SP, van der Valk PHM, Dickerscheid DBM Clin Radiol. 2022 Feb;77(2):157-158. doi: 10.1016/j.crad.2021.11.011. Epub 2021 Dec 14. Longgeneeskunde STOP: an open label crossover trial to study ICS withdrawal in patients with a combination of obesity and low-inflammatory asthma and evaluate its effect on asthma control and quality of life. Witte JA, Braunstahl GJ, Blox WJB, van ‘t Westeinde SC, In ‘t Veen JCCM, Kappen JH, van Rossum EFC. BMC Pulm Med. 2022 Feb 5;22(1):53. doi: 10.1186/s12890-022-01843-0. Maag-, darm- en levergeneeskunde 18F-Fludeoxyglucose-Positron Emission Tomography/Computed Tomography and Laparoscopy for Staging of Locally Advanced Gastric Cancer: A Multicenter Prospective Dutch Cohort Study (PLASTIC). Gertsen EC, Brenkman HJF, van Hillegersberg R, van Sandick JW, van Berge Henegouwen MI, Gisbertz SS, Luyer MDP, Nieuwenhuijzen GAP, van Lanschot JJB, Lagarde SM, Wijnhoven BPL, de Steur WO, Hartgrink HH, Stoot JHMB, Hulsewe KWE, Spillenaar Bilgen EJ, van Det MJ, Kouwenhoven EA, van der Peet DL, Daams F, van Grieken NCT, Heisterkamp J, van Etten B, van den Berg JW, Pierie JP, Eker HH, Thijssen AY, Belt EJT, van Duijvendijk P, Wassenaar E, van Laarhoven HWM, Wevers KP, Hol L, Wessels FJ, Haj Mohammad N, van der Meulen MP, Frederix GWJ, Vegt E, Siersema PD, Ruurda JP, PLASTIC Study Group Collaborators: PLASTIC Study Group: van Kleef JJ, Prins M, Pijpers J, Profar J, Tummers S, de Mooij K, van Dam M, Heijmans M, van Groenestyn A, Bouwmeester E, Masselink I, Beumer D, de Vries N JAMA Surg. 2021 Oct 27;e215340. doi: 10.1001/jamasurg.2021.5340. Online ahead of print. Accuracy of H. pylori fecal antigen test using fecal immunochemical test (FIT) Nieuwenburg SAV, Mommersteeg MC, Wolters LMM, van Vuuren AJ, Erler N, Peppelenbosch MP, Fuhler GM, Bruno MJ, Kuipers EJ, Spaander MCW Gastric Cancer. 2021 Nov 18. doi: 10.1007/s10120-021-01264-8. Online ahead of print.

61

Full-thickness scar resection following R1/Rx excised T1 colorectal cancers as alternative to completion surgery. Gijsbers KM, Laclé MM, Elias SG, Backes Y, Bosman JH, van Berkel AM, Boersma F, Boonstra JJ, Bos PR, Dekker P, Didden PD, Geesing JMJ, Groen JN, Haasnoot KJC, Kessels K, van Lent AUG, van der Schee L, Schrauwen RWM, Schreuder RM, Schwartz MP, Seerden TJ, Spanier MBWM, Terhaar Sive Droste JS, Tuynman JB, de Vos Tot Nederveen Cappel WH, van Westreenen EHL, Wolfhagen FHJ, Vleggaar FP, Ter Borg, Moons LMG, Dutch T1 CRC Working Group Am J Gastroenterol. 2021 Dec 31. doi: 10.14309/ajg.0000000000001621. Online ahead of print. Immediate versus Postponed Intervention for Infected Necrotizing Pancreatitis. Boermeester MA, Bollen TL, Bouwense SAW,Bruno MJ, Cappendijk VC, Dejong CHC, van Duijvendijk P, van Eijck CHJ, Fockens P, Francken MHG, van Goor H, Hadithi M, Hallensleben NDL, Haveman JW, Jacobs MAJM, Jansen JM, Kop MPN, van Lienden KP, Manusama ER, Mieog JSD, Molenaar IQ, Nieuwenhuijs VB, Poen AC, Poley JW, van de Poll M, Quispel R, Römkens TEH, Schwartz MP, Seerden TC, Stommel MWJ, Straathof JWA, Timmerhuis HC, Venneman NG, Voermans RP,van de Vrie W, Witteman BJ, Dijkgraaf MGW, van Santvoort HC, Besselink MG, Dutch Pancreatitis Study Group Collaborators: Dutch Pancreatitis Study Group: Besselink MG, .... N Engl J Med. 2021 Oct 7;385(15):13721381. doi: 10.1056/NEJMoa2100826. Value-based care pathway for inflammatory bowel disease: a protocol for the multicentre longitudinal non-randomised parallel cluster IBD Value study with baseline period. Van Linschoten RCA, van Leeuwen N, Nieboer D, Birnie E, Scherpenzeel M, Verweij KE, de Jonge V, Hazelzet JA, van der Woude CJ, West RL, van Noord D, Southwest Netherlands IBD Study Group BMJ Open. 2022 Jan 12;12(1):e050539. doi: 10.1136/bmjopen-2021-050539. Medische microbiologie Reliability and validity of multicentre surveillance of surgical site infections after colorectal surgery. Verberk JDM, van Rooden SM, Hetem DJ,

Wunderink HF, Vlek ALM, Meijer C, van Ravensbergen EAH, Huijskens EGW, Vainio SJ, Bonten MJM, van Mourik MSM Antimicrob Resist Infect Control. 2022 Jan 21;11(1):10. doi: 10.1186/s13756-022-01050w. Neurologie A Randomized Trial of Intravenous Alteplase before Endovascular Treatment for Stroke. LeCouffe NE, Kappelhof M, Treurniet KM, Rinkel LA, Bruggeman AE, Berkhemer OA, Wolff L, van Voorst H, Tolhuisen ML, Dippel DWJ, van der Lugt A, van Es ACGM, Boiten J, Lycklama À Nijeholt GJ, Keizer K, Gons RAR, Yo LSF, van Oostenbrugge RJ, van Zwam WH, Roozenbeek B, van der Worp HB, Lo RTH, van den Wijngaard IR, de Ridder IR, Costalat V, Arquizan C, Lemmens R, Demeestere J, Hofmeijer J, Martens JM, Schonewille WJ, Vos JA, Uyttenboogaart M, Bokkers RPH, van Tuijl JH, Kortman H, Schreuder FHBM, Boogaarts HD, de Laat KF, van Dijk LC, den Hertog HM, van Hasselt BAAM, Brouwers PJAM, Bulut T, Remmers MJM, van Norden A, Imani F, Rozeman AD, Elgersma OEH, Desfontaines P, Brisbois D, Samson Y, Clarençon F, Krietemeijer GM, Postma AA, van Doormaal PJ, van den Berg R1, van der Hoorn A, Beenen LFM, Nieboer D, Lingsma HF, Emmer BJ, Coutinho JM, Majoie CBLM, Roos YBWEM, MR CLEAN–NO IV Investigators N Engl J Med. 2021 Nov 11;385(20):18331844. doi: 10.1056/NEJMoa2107727. Apixaban versus no anticoagulation after anticoagulation-associated intracerebral haemorrhage in patients with atrial fibrillation in the Netherlands (APACHE-AF): a randomised, open-label, phase 2 trial. Schreuder FHBM, van Nieuwenhuizen KM, Hofmeijer J, Vermeer SE, Kerkhoff H, Zock E, Luijckx GJ,Messchendorp GP, van Tuijl J, Bienfait HP, Booij SJ, van den Wijngaard IR, Remmers MJM, Schreuder AHCML, Dippel DW, Staals J, Brouwers PJAM, Wermer MJH, Coutinho JM, Kwa VIH, van Gelder IC, Schutgens REG, Zweedijk B, Algra A, van Dalen JW, Kappelle LJ, Rinkel GJE, van der Worp HB, Klijn CJM, APACHE-AF Trial Investigators Lancet Neurol. 2021 Nov;20(11):907-916. doi: 10.1016/S1474-4422(21)00298-2.


WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES

Neurologie Characteristics and Outcomes of Patients With Cerebral Venous Sinus Thrombosis in SARS-CoV-2 Vaccine-Induced Immune Thrombotic Thrombocytopenia. Sánchez van Kammen M, Aguiar de Sousa D, Poli S, Cordonnier C, Heldner MR, van de Munckhof A, Krzywicka K, van Haaps T, Ciccone A, Middeldorp S, Levi MM, Kremer Hovinga JA, Silvis S, Hiltunen S, Mansour M, Arauz A, Barboza MA, Field TS, Tsivgoulis G, Nagel S, Lindgren E, Tatlisumak T, Jood K, Putaala J, Ferro JM, Arnold M, Coutinho JM, Cerebral Venous Sinus Thrombosis With Thrombocytopenia Syndrome Study Group; Sharma AR, ..... Arslan Y JAMA Neurol. 2021 Nov 1;78(11):1314-1323. doi: 10.1001/jamaneurol.2021.3619. Guillain-Barré syndrome after SARSCoV-2 infection in an international prospective cohort study. Luijten LWG, Leonhard SE, van der Eijk AA, Doets AY, Appeltshauser L, Arends S, Attarian S, Benedetti L, Briani C, Casasnovas C, Castellani F, Dardiotis E, EchanizLaguna A, Garssen MPJ, Harbo T, Huizinga R, Humm AM, Jellema K, van der Kooi AJ, Kuitwaard K, Kuntzer T, Kusunoki S, Lascano AM, Martinez-Hernandez E, Rinaldi S, Samijn JFA, Scheidegger O, Tsouni P, Vicino A, Visser LH, Walgaard C, Wang Y, Wirtz PW, Ripellino P, Jacobs BC, IGOS consortium Brain. 2021 Dec 16;144(11):3392-3404. doi: 10.1093/brain/awab279. Impact of the lockdown on acute stroke treatments during the first surge of the COVID-19 outbreak in the Netherlands. Benali F, Stolze LJ, Rozeman A, Dinkelaar W, Coutinho JM, Emmer BJ, Gons RAR, Yo LFS, van Tuijl JH, Boukrab I, van DamNolen DHK, van den Wijngaard IR, Lycklama À Nijeholt GJ, de Laat KF, van Dijk LC, den Hertog HM, Flach HZ, Wermer MJH, van Walderveen MAA, Brouwers PJA, Bulut T, Vermeer SE, Bernsen MLE, Uyttenboogaart M, Bokkers RPH, Boogaarts JD, de Leeuw FE, van der Worp HB, van der Schaaf I, Schonewille WJ, Vos JA, Remmers MJM, Imani F, Dippel DWJ, van Zwam WH, Nederkoorn PJ, van Oostenbrugge RJ BMC Neurol. 2022 Jan 11;22(1):22. doi: 10.1186/s12883-021-02539-4. International validation of the Erasmus GBS Respiratory Insufficiency Score.

Doets AY, Walgaard C, Lingsma HF, Islam B, Papri N, Yamagishi Y, Kusunoki S, Dimachkie MM, Waheed W, Kolb N, Gorson KC, Jacobs BC, IGOS Consortium. Collaborators: IGOS Consortium: .... Kuitwaard K, Kleyweg RP, .... Ann Neurol. 2022 Feb 1. doi: 10.1002/ana.26312. Online ahead of print. Intravenous immunoglobulin treatment for mild Guillain-Barré syndrome: an international observational study. Verboon C, Harbo T, Cornblath DR, Hughes RAC, van Doorn PA, Lunn MP, Gorson KC, Barroso F, Kuwabara S, Galassi G, Lehmann H9, Kusunoki S, Reisin RC, Binda D, Cavaletti G, Jacobs BC, IGOS consortium; GOS consortium Collaborators: Kerkhoff H, Kuitwaard K, J Neurol Neurosurg Psychiatry. 2021 Oct;92(10):1080-1088. doi: 10.1136/jnnp2020-325815. Epub 2021 Jun 8. Outcome Prediction Models for Endovascular Treatment of Ischemic Stroke: Systematic Review and External Validation. Kremers F, Venema E, Duvekot M, Yo L, Bokkers R, Lycklama À Nijeholt G, van Es A, van der Lugt A, Majoie C, Burke J, Roozenbeek B, Lingsma H, Dippel D, MR CLEAN Registry Investigators Stroke. 2021 Nov 4;STROKEAHA120033445. doi: 10.1161/STROKEAHA.120.033445. Online ahead of print. Post-SARS-CoV-2-vaccination Cerebral Venous Sinus Thrombosis: an analysis of cases notified to the European Medicines Agency. Krzywicka K, Heldner MR, Sánchez van Kammen M, van Haaps T, Hiltunen S, Silvis SM, Levi M, Kremer Hovinga JA, Jood K, Lindgren E, Tatlisumak T, Putaala J, Aguiar de Sousa D, Middeldorp S, Arnold M, Coutinho JM, Ferro JM. Eur J Neurol. 2021 Nov;28(11):3656-3662. doi: 10.1111/ene.15029. Epub 2021 Aug 4. Predicting Outcome in Guillain-Barré Syndrome: International Validation of the Modified Erasmus GBS Outcome Score. Doets AY, Lingsma HF, Walgaard C, Islam B, Papri N, Davidson A, Yamagishi Y, Kusunoki S, Dimachkie MM, Waheed W, Kolb N, Islam Z, Mohammad QD, Harbo T, Sindrup SH, Chavada G, Willison HJ, Casasnovas C, Bateman K, Miller JA, van

den Berg B, Verboon C, Roodbol J, Leonhard SE, Benedetti L, Kuwabara S, Van den Bergh P, Monges S, Marfia GA, Shahrizaila N, Galassi , Péréon Y, Bürmann J, Kuitwaard K, Kleyweg RP, Marchesoni C, Sedano Tous MJ, Querol L, Illa I, Wang Y, Nobile-Orazio E, Rinaldi S, Schenone A, Pardo J, Vermeij FH, Lehmann HC, Granit V, Cavaletti G, Gutiérrez-Gutiérrez G, Barroso FA, Visser LH, Katzberg HD, Dardiotis E, Attarian S, van der Kooi AJ, Eftimov F, Wirtz PW, Samijn JP, Gilhuis HJ, Hadden RD, Holt JK, Sheikh KA, Karafiath S, Vytopil M, Antonini G, Feasby TE, Faber CG, Gijsbers CJ, Busby M, Roberts RC, Silvestri NJ, Fazio R, van Dijk GW, Garssen MP, Straathof CS, Gorson KC, Jacobs BC, IGOS Consortium Neurology. 2021 Dec 22;10.1212/WNL.0000000000013139. doi: 10.1212/WNL.0000000000013139. Online ahead of print. Safety and efficacy of aspirin, unfractionated heparin, both, or neither during endovascular stroke treatment (MR CLEAN-MED): an open-label, multicentre, randomised controlled trial. Van der Steen W, van de Graaf RA, Chalos V, Lingsma HF, van Doormaal PJ, Coutinho JM, Emmer BJ, de Ridder I, van Zwam W, van der Worp HB, van der Schaaf I, Gons RAR, Yo LSF, Boiten J, van den Wijngaard I, Hofmeijer J, Martens J, Schonewille W, Vos JA, Tuladhar AM, de Laat KF, van Hasselt B, Remmers M, Vos D, Rozeman A, Elgersma O, Uyttenboogaart M, Bokkers RPH, van Tuijl J, Boukrab 0, van den Berg R, Beenen LFM, Roosendaal SD, Postma AA, Krietemeijer M, Lycklama G, Meijer FJA, Hammer S, van der Hoorn A, Yoo AJ, Gerrits D, Truijman MTB, Zinkstok S, Koudstaal PJ, Manschot S, Kerkhoff H, Nieboer D, Berkhemer O, Wolff L, van der Sluijs PM, van Voorst H, Tolhuisen M, Roos YBWEM, Majoie CBLM, Staals J, van Oostenbrugge RJ, Jenniskens SFM, van Dijk LC, den Hertog HM, van Es ACGM, van der Lugt A, Dippel DWJ, Roozenbeek B, MR CLEAN-MED investigators Lancet. 2022 Feb 28;S01406736(22)00014-9. doi: 10.1016/S01406736(22)00014-9. Online ahead of print. Withdrawal of intravenous immunoglobulin in chronic inflammatory demyelinating polyradiculoneuropathy. Adrichem ME, Lucke IM, Vrancken AFJE, Goedee HS, Wieske L, Dijkgraaf MGW, Voermans NC, Notermans NC, Faber CG5, Visser LH, Kuitwaard K, van Doorn

62


was

Z

WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES

PA, Merkies ISJ, de Haan RJ, van Schaik IN, Eftimov F Brain. 2022 Feb 8;awac054. doi: 10.1093/brain/awac054. Online ahead of print. Pathologie Impact of the suspension and restart of the Dutch breast cancer screening program on breast cancer incidence and stage during the COVID-19 pandemic. Eijkelboom AH, de Munck L, Lobbes MBI, van Gils CH, Wesseling J, Westenend PJ, Guerrero Paez C, Pijnappel RM, Verkooijen HM, Broeders MJM, Siesling S, NABON COVID-19 Consortium and the COVID and Cancer-NL Consortium. Prev Med. 2021 Oct;151:106602. doi: 10.1016/j.ypmed.2021.106602. Epub 2021 Jun 30. Nationwide evaluation of mutation-tailored anti-EGFR therapy selection in patients with colorectal cancer in daily clinical practice Steeghs EMP, Vink GR, Elferink MAG, Voorham QJM, Gelderblom H, Nagtegaal ID, PATH Consortium Members; Grünberg K, Ligtenberg MJL, PATH consortium members. Collaborators: .... van Nederveen FH, Westenend PJ, .... J Clin Pathol. 2021 Oct 21;jclinpath-2021207865. doi: 10.1136/jclinpath-2021207865. Online ahead of print. Stromal Changes are Associated with High P4HA2 Expression in Ductal Carcinoma in Situ of the Breast. Agahozo MC, van Bockstal M, Westenend PJ, Galant C, Lambein K, Reisenbichler E, Sinke R, Wong S, van Deurzen CHM. J Mammary Gland Biol Neoplasia. 2021 Dec;26(4):367-375. doi: 10.1007/s10911021-09504-4. Epub 2022 Jan 25. Plastische chirurgie Comparative outcomes of total wrist arthrodesis for salvage of failed total wrist arthroplasty and primary wrist arthrodesis. Zijlker HJA, Fakkert RK, Beumer A, IJsselstein CB, Wessels M, Ritt MJPF J Hand Surg Eur Vol. 2021 Nov 19;17531934211057389. doi: 10.1177/17531934211057389. Online ahead of print. Radiologie 2D-echocardiography vs cardiac MRI strain: a prospective cohort study in pa-

63

tients with HER2-positive breast cancer undergoing trastuzumab. Bouwer NII, Liesting C, Kofflard MJM, Brugts JJ, Kock MCJ, Kitzen JJEM, Levin MD, Boersma E Cardiovasc Ultrasound. 2021 Nov 9;19(1):35. doi: 10.1186/s12947-021-00266x. Abdominal aortic diameter and cardiovascular status in patients with idiopathic retroperitoneal fibrosis. Kharagjitsing HHS, van Vooren J, Brilman EG, Hendriksz TR, van Gelder T, van Bommel EFH Rheumatol Int. 2021 Nov 25. doi: 10.1007/s00296-021-05051-7. Online ahead of print. Clinical evaluation of a deep-learningbased computer-aided detection system for the detection of pulmonary nodules in a large teaching hospital. Martins Jarnalo CO, Linsen PVM, Blazís SP, van der Valk PHM, Dickerscheid DBM Clin Radiol. 2021 Nov;76(11):838-845. doi: 10.1016/j.crad.2021.07.012. Epub 2021 Aug 14. Clinical added value of MRI to CT in patients scheduled for local therapy of colorectal liver metastases (CAMINO): study protocol for an international multicentre prospective diagnostic accuracy study. Görgec B, Hansen I, Kemmerich G, Syversveen T, Abu Hilal M, Belt EJT, Bisschops RHC, Bollen TL, Bosscha K, Burgmans MC, Cappendijk V, De Boer MT, D’Hondt M, Edwin B, Gielkens H, Grünhagen DJ, Gillardin P, Gobardhan PD, Hartgrink HH, Horsthuis K, Kok NFM, Kint PAM, Kruimer JWH, Leclercq WKG, Lips DJ, Lutin B, Maas M, Marsman HA, Morone M, Pennings JP, Peringa J, Te Riele WW, Vermaas M, Wicherts D, Willemssen FEJA, Zonderhuis BM, Bossuyt PMM, Swijnenburg RJ1,, Fretland AA, Verhoef C, Besselink MG, Stoker J, CAMINO Study Group Collaborators: CAMINO Study Group: Bnà C, De Meyere C, Draaisma WA, Gerhards MF, Imani F, Kuhlmann KFD, Liem MSL, Meyer Y, Mieog JSD, Serafino GP, Van Beek HC, Van der Hoeven JAB, Veeken CJ BMC Cancer. 2021 Oct 18;21(1):1116. doi: 10.1186/s12885-021-08833-1. Impact of the lockdown on acute stroke treatments during the first surge of the

COVID-19 outbreak in the Netherlands. Benali F, Stolze LJ, Rozeman A, Dinkelaar W, Coutinho JM, Emmer BJ, Gons RAR, Yo LFS, van Tuijl JH, Boukrab I, van DamNolen DHK, van den Wijngaard IR, Lycklama À Nijeholt GJ, de Laat KF, van Dijk LC, den Hertog HM, Flach HZ, Wermer MJH, van Walderveen MAA, Brouwers PJA, Bulut T, Vermeer SE, Bernsen MLE, Uyttenboogaart M, Bokkers RPH, Boogaarts JD, de Leeuw FE, van der Worp HB, van der Schaaf I, Schonewille WJ, Vos JA, Remmers MJM, Imani F, Dippel DWJ, van Zwam WH, Nederkoorn PJ, van Oostenbrugge RJ BMC Neurol. 2022 Jan 11;22(1):22. doi: 10.1186/s12883-021-02539-4. Radiofrequency ablation for benign symptomatic thyroid nodules in the Netherlands: successful introduction of a minimally-invasive treatment option improving quality of life. Lončar I, van Dijk SPJ, van Velsen EFS, Buijk SE, Niemeijer ND, Veeken CJ, von Meyenfeldt EM, Dinkelaar W, Franssen GJH, Peeters RP, Massolt ET, Moelker A, van Ginhoven TM J Vasc Interv Radiol. 2022 Feb 1;S10510443(22)00049-5. doi: 10.1016/j.jvir.2022.01.012. Online ahead of print. Re: Clinical evaluation of a deep-learning-based computer-aided detection system for the detection of pulmonary nodules in a large teaching hospital. A reply. Martins Jarnalo CO, Linsen PVM, Blazís SP, van der Valk PHM, Dickerscheid DBM Clin Radiol. 2022 Feb;77(2):157-158. doi: 10.1016/j.crad.2021.11.011. Epub 2021 Dec 14. Reducing False-Positive Screening MRI Rate in Women with Extremely Dense Breasts Using Prediction Models Based on Data from the DENSE Trial. Den Dekker BM, Bakker MF, de Lange SV, Veldhuis WB, van Diest PJ, Duvivier KM, Lobbes MBI, Loo CE, Mann RM, Monninkhof EM, Veltman J, Pijnappel RM, van Gils CH, DENSE Trial Study Group Collaborators: .... Kock MCJM, .... Radiology. 2021 Nov;301(2):283-292. doi: 10.1148/radiol.2021210325. Epub 2021 Aug 17.


WETENSCHAPPELIJKE PUBLICATIES

Retroperitoneal Fibrosis After Spinal Surgery: A Report of 2 Cases. Buijs SM, Hendriksz TR, van Bommel EFH JBJS Case Connect. 2021 Oct 27;11(4). doi: 10.2106/JBJS.CC.21.00269. Safety and efficacy of aspirin, unfractionated heparin, both, or neither during endovascular stroke treatment (MR CLEAN-MED): an open-label, multicentre, randomised controlled trial. Van der Steen W, van de Graaf RA, Chalos V, Lingsma HF, van Doormaal PJ, Coutinho JM, Emmer BJ, de Ridder I, van Zwam W, van der Worp HB, van der Schaaf I, Gons RAR, Yo LSF, Boiten J, van den Wijngaard I, Hofmeijer J, Martens J, Schonewille W, Vos JA, Tuladhar AM, de Laat KF, van Hasselt B, Remmers M, Vos D, Rozeman A, Elgersma O, Uyttenboogaart M, Bokkers RPH, van Tuijl J, Boukrab 0, van den Berg R, Beenen LFM, Roosendaal SD, Postma AA, Krietemeijer M, Lycklama G, Meijer FJA, Hammer S, van der Hoorn A, Yoo AJ, Gerrits D, Truijman MTB, Zinkstok S, Koudstaal PJ, Manschot S, Kerkhoff H, Nieboer D, Berkhemer O, Wolff L, van der Sluijs PM, van Voorst H, Tolhuisen M, Roos YBWEM, Majoie CBLM, Staals J, van Oostenbrugge RJ, Jenniskens SFM, van Dijk LC, den Hertog HM, van Es ACGM, van der Lugt A, Dippel DWJ, Roozenbeek B,

MR CLEAN-MED investigators Lancet. 2022 Feb 28;S01406736(22)00014-9. doi: 10.1016/S01406736(22)00014-9. Online ahead of print. Reumatologie Impaired fertility in men diagnosed with inflammatory arthritis: results of a large multicentre study (iFAME-Fertility). Perez-Garcia LF, Röder E, Goekoop RJ, Hazes JMW, Kok MR, Smeele HTW, Tchetverikov I, van der Helm-van Mil AHM, van der Kaap JH, Kok P, Krijthe BP, Dolhain RJEM. Ann Rheum Dis. 2021 Dec;80(12):15451552. doi: 10.1136/annrheumdis-2021220709. Epub 2021 Aug 9 Paternal inflammatory arthritis is associated with a higher risk of miscarriage: results of a large multicenter study (iFAME-Fertility). Perez-Garcia LF, Röder E, Smeele HTW, Goekoop R, Hazes JMW, Kok MR, Tchetverikov I, van der Helm-van Mil A, van der Kaap J, Kok P, Krijthe P BP, Dolhain RJEM Rheumatology (Oxford). 2021 Dec 7;keab910. doi: 10.1093/rheumatology/keab910. Online ahead of print.

Sex-specific differences and how to handle them in early psoriatic arthritis. Passia E, Vis M, Coates LC, Soni A, Tchetverikov I, Gerards AH, Kok MR, Vos PAJM, Korswagen L, Fodili F, GoekoopRuiterman YPM, van der Kaap J, van Oosterhout M, Luime JJ Arthritis Res Ther. 2022 Jan 11;24(1):22. doi: 10.1186/s13075-021-02680-y. Which inflamed tissues explain a positive metatarsophalangeal squeeze test? A large imaging study to clarify a common diagnostic procedure. Van Dijk BT, Dakkak YJ, Krijbolder DK, van Zeben D, Tchetverikov I, Reijnierse M, van der Helm-van Mil AHM. Rheumatology (Oxford). 2022 Jan 13;keac019. doi: 10.1093/rheumatology/keac019. Online ahead of print. Ziekenhuisapotheek Clozapine Treatment During Pregnancy and the Postpartum Period: A Systematic Literature Review. Beex-Oosterhuis MM, van Gool AR, Heerdink ER, van Kesteren C, van Marum RJ J Clin Psychiatry. 2021 Dec 14;83(1):21r13952. doi: 10.4088/JCP.21r13952. PMID: 34905664

64


Verkorte Productinformatie Saxenda® Naam: Saxenda® 6 mg/ml oplossing voor injectie in een voorgevulde pen. Samenstelling en farmaceutische vorm: liraglutide 6 mg/ml, oplossing voor injectie. Indicaties: Volwassenen: Saxenda® is geïndiceerd als aanvulling op een caloriearm dieet en verhoogde lichamelijke activiteit ten behoeve van gewichtsbeheersing bij volwassen patiënten met een aanvankelijke BMI (Body Mass Index) van: 30 kg/m² (obesitas), of 27 kg/m² tot < 30 kg/m² (overgewicht) die ten minste één gewichtsgerelateerde comorbiditeit hebben, zoals dysglykemie (prediabetes of diabetes mellitus type 2), hypertensie, dyslipidemie of obstructieve slaapapneu. Behandeling met Saxenda® moet worden gestaakt als de patiënt na 12 weken gebruik van de dagdosering van 3,0 mg niet ten minste 5% van zijn aanvankelijke lichaamsgewicht is kwijtgeraakt. Adolescenten ( 12 jaar): Saxenda® kan worden gebruikt als toevoeging aan gezonde voeding en verhoogde lichamelijke activiteit ten behoeve van gewichtsbeheersing bij adolescente patiënten van 12 jaar en ouder met: obesitas (BMI overeenkomend met 30 kg/m² voor volwassenen volgens internationale grenswaarden) en lichaamsgewicht boven 60 kg. Behandeling met Saxenda® moet worden gestaakt en heroverwogen als de patiënt na 12 weken gebruik van de dagdosering van 3,0 mg of de maximaal verdraagbare dosis niet ten minste 4% van zijn BMI of van de BMI z-score (standaarddeviatiescore) is kwijtgeraakt. Dosering en wijze van toediening: De startdosis is 0,6 mg eenmaal daags. Volwassenen: De dosis moet worden verhoogd naar 3,0 mg eenmaal daags in stappen van 0,6 mg met tussenpozen van ten minste één week om de gastro-intestinale verdraagbaarheid te verbeteren. Als verhoging naar de volgende dosisstap gedurende twee opeenvolgende weken niet wordt verdragen, moet worden overwogen de behandeling te staken. Adolescenten ( 12 jaar): De dosis moet worden verhoogd tot 3,0 mg of tot de maximaal verdraagbare dosis is bereikt. Doseringen hoger dan 3,0 mg per dag worden niet aanbevolen. Saxenda® is uitsluitend bestemd voor subcutaan gebruik. Het mag niet intraveneus of intramusculair worden toegediend. Contra-indicaties: IHGFEGHDGCBEAGB@?HDDF?@G?>GF=?<;:G?98D7?D7?HDDF?GG6?H;6?@G?A5C498D3G62?Belangrijkste waarschuwingen: Om het terugvinden van de herkomst van biologicals te verbeteren moeten de naam en het batchnummer van het toegediende product goed geregistreerd worden. Er is geen klinische ervaring bij patiënten met congestief hartfalen NYHA-klasse IV en liraglutide wordt daarom niet aanbevolen voor gebruik bij deze patiënten. De veiligheid en werkzaamheid van liraglutide voor gewichtsbeheersing zijn niet vastgesteld bij patiënten: van 75 jaar of ouder; behandeld met andere producten voor gewichtsbeheersing; met obesitas secundair aan endocrinologe stoornissen, aan eetstoornissen of ;;6?@G?1GA;6@GCB6E?:G8?EG6GG9:B@@GCG6?@BG?EG>B0A898DG6;:G?=566G6?HGFDDF<;=G6/?:G8?GF698BEG?6BGF?B695.?0B-68BG/? :G8? GF698BEG? CGHGFB695.0B-68BG2? +G1F5B=? 1B*? @G<G? 4;8B-68G6? >DF@8? 6BG8? ;;61GHDCG62? )G8? EG1F5B=? H;6? CBF;EC58B@G? HDDF? EG>B0A891GAGGF9B6E? B9? 6BG8? D6@GF<D0A8? 1B*? 4;8B-68G6? :G8? CB0A8G? D7? :;8BE? GF698BEG? CGHGFB695.0B-68BG2? (F? B9? 1G4GF=8G? GFH;FB6E?1B*?4;8B-68G6?:G8?'&%?$'6#;::;8DF"?&D>GC?%B9G;9G!?G6?@B;1G8B90AG?E;98FD4;FG9G2?)G8?EG1F5B=?H;6?CBF;EC58B@G? >DF@8? 6BG8? ;;61GHDCG6? 1B*? @G<G? 4;8B-68G62? 058G? 4;60FG;8B8B9? B9? >;;FEG6D:G6? 1B*? AG8? EG1F5B=? H;6? + FG0G48DF ;ED6B98G62? ;8B-68G6?:DG8G6?EG 67DF:GGF@?>DF@G6?DHGF?@G?=G6?:GF=G6@G?9":48D:G6?H;6?;058G?4;60FG;8B8B92? C9?GF? een vermoeden van pancreatitis bestaat, moet het gebruik van liraglutide worden gestaakt. Als acute pancreatitis bevestigd is, moet niet opnieuw met liraglutide worden begonnen. In klinische studies voor gewichtsbeheersing zijn bij patiënten behandeld met liraglutide meer gevallen van cholelithiase en cholecystitis waargenomen dan bij patiënten 1GA;6@GC@?:G8?4C;0G1D2? ;8B-68G6?:DG8G6?EG 67DF:GGF@?>DF@G6?DHGF?@G?=G6?:GF=G6@G?9":48D:G6?H;6?0ADCGCB8AB;9G? G6? 0ADCG0"98B8B92? BF;EC58B@G? :DG8? :G8? @G? 6D@BEG? HDDF<B0A8BEAGB@? >DF@G6? EG1F5B=8? 1B*? 4;8B-68G6? :G8? GG6? 90ABC@=CBGF ;;6@DG6B6E2?(G6?98B*EB6E?B6?@G?A;F87FG 5G68BG?B9?>;;FEG6D:G6?1B*?EG1F5B=?H;6?CBF;EC58B@G?B6?=CB6B90AG?985@BG92? ;8B-68G6? moeten worden geïnformeerd over de symptomen van een verhoogde hartfrequentie. Bij patiënten met een klinisch relevante blijvende stijging van de hartfrequentie in rust, moet de behandeling met liraglutide worden gestaakt. C;0A8G6?G6?9":48D:G6?H;6?@GA"@F;8BG?>GF@G6?EG:GC@?1B*?4;8B-68G6?@BG?1GA;6@GC@?<B*6?:G8?+ FG0G48DF;ED6B98G62? ;8B-68G6?@BG?1GA;6@GC@?>DF@G6?:G8?CBF;EC58B@G?:DG8G6?>DF@G6?EG 67DF:GGF@?DHGF?AG8?4D8G68B-CG?FB9B0D?D4?@GA"@F;8BG? met betrekking tot gastro-intestinale bijwerkingen en moeten voorzorgsmaatregelen nemen om een vochttekort te HDDF=D:G62? ;8B-68G6? :G8? @B;1G8G9? :GCCB859? 8"4G? ? @BG? CBF;EC58B@G? =FB*EG6? B6? 0D:1B6;8BG? :G8? B695CB6G? G6 D7? GG6? 95C7D6"C5FG5:@GFBH;;8? AG11G6? :DEGCB*=? GG6? HGFADDE@? FB9B0D? D4? A"4DEC"=G:BG2? (4B9D@G9? H;6? =CB6B90A? 9BE6B 0;68G? hypoglykemie zijn gemeld bij adolescenten ( ?*;;F!?@BG?>GF@G6?1GA;6@GC@?:G8?CBF;EC58B@G2? ;8B-68G6?:DG8G6?>DF@G6? geïnformeerd over de kenmerkende symptomen van hypoglykemie en de toepasselijke maatregelen. Bij patiënten met diabetes mellitus mag Saxenda® niet worden gebruikt als een vervanger van insuline. Diabetische ketoacidose is gemeld bij insuline-afhankelijke patiënten na snelle stopzetting of dosisverlaging van insuline. Bijwerkingen: ;:G6H;88B6E? H;6? AG8? HGBCBEAGB@9?4FD GC ? ; G6@;® werd op veiligheid geëvalueerd in 5 dubbelblinde, placebogecontroleerde studies bij 5.813 volwassen patiënten met overgewicht of obesitas en ten minste één gewichtsgerelateerde comorbiditeit. De meest frequent (zeer vaak) gemelde bijwerkingen tijdens klinisch onderzoek waren hoofdpijn en aandoeningen van het maagdarmstelsel, waaronder misselijkheid, braken, diarree en obstipatie. De meeste gastro-intestinale bijwerkingen waren mild tot matig ernstig en voorbijgaand van aard, en de meeste leidden niet tot staken van de behandeling. In een klinische studie uitgevoerd bij adolescenten van 12 tot 18 jaar met obesitas werden 125 patiënten blootgesteld aan Saxenda® gedurende 56 weken. Over het algemeen waren de frequentie, het type en de ernst van de bijwerkingen bij de adolescenten met obesitas vergelijkbaar met die waargenomen bij de volwassen populatie. Braken kwam tweemaal zo vaak voor bij adolescenten in vergelijking met volwassenen. Zie de volledige productinformatie voor informatie over overige bijwerkingen. Farmacotherapeutische categorie: genees:B@@GCG6? EG1F5B=8? 1B*? @B;1G8G9 ? EC50;ED6?;0A8BE? 4G48B@G ;ED6B98G6? $+ ;ED6B98G6!2? 0D@G ? & 2? U.R. Vergoeding: Volledig vergoed voor bepaalde patiëntgroepen. Datum: december 2021. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via www.lareb.nl of bij Novo Nordisk B.V. DHD? DF@B9=?&2 2 ? D98159? ? ? ? C4AG6?;;6?@G6? B*6/? Novo Nordisk A/S, Novo Allé, DK-2880 Bagsværd, Denemarken GCG7DD665::GF ? ? ? ?( :;BC ?B67DF:;8BG 6DHD6DF@B9=20D: Zie voor de volledige productinformatie http://www.ema.europa.eu

Samenstelling: Dupixent® 300 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit of pen bevat per voorgevulde spuit of pen voor eenmalig gebruik 300 mg dupilumab in een oplossing van 2 ml (150 mg/ml). Dupixent® 200 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit of pen bevat per voorgevulde spuit of pen voor eenmalig gebruik 200 mg dupilumab in een oplossing van 1,14 ml (175 mg/ml). Werking: Dupilumab is een volledig humaan monoklonaal antilichaam gericht tegen interleukine (IL)-4 receptor alfa dat de IL-4/IL-13-signaaltransductie blokkeert. Indicatie: Atopische dermatitis Volwassenen en adolescenten: Dupixent is geïndiceerd voor de behandeling van matige tot ernstige atopische dermatitis bij volwassenen en adolescenten in de leeftijd van 12 jaar en ouder die in aanmerking komen voor een systemische behandeling. Kinderen van 6 tot en met 11 jaar oud: Dupixent is geïndiceerd voor de behandeling van ernstige atopische dermatitis bij kinderen van 6 tot en met 11 jaar oud die in aanmerking komen voor een systemische behandeling. Astma Dupixent is geïndiceerd bij volwassenen en adolescenten van 12 jaar en ouder als aanvullende onderhoudsbehandeling van ernstig astma met type 2 inflammatie gekenmerkt door verhoogde bloedeosinofielen en/of verhoogde fractie van stikstofmonoxide in de uitgeademde lucht (FeNO), die onvoldoende kunnen worden behandeld met hooggedoseerde ICS plus een ander geneesmiddel voor onderhoudsbehandeling. Chronische rinosinusitis met neuspoliepen (CRSwNP) (alleen 300 mg) Dupixent is geïndiceerd als aanvullende therapie met intranasale corticosteroïden voor de behandeling van volwassenen met ernstige CRSwNP voor wie behandeling met systemische corticosteroïden en/of chirurgie geen adequate ziektecontrole biedt. Dosering: De behandeling dient te worden opgestart door beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg die bekend zijn met de diagnose en behandeling van de aandoeningen waarvoor dupilumab is geïndiceerd. Atopische dermatitis Volwassenen: De aanbevolen dosis dupilumab voor volwassen patiënten is een startdosis van 600 mg (twee injecties van 300 mg), gevolgd door 300 mg eenmaal per twee weken, toegediend als subcutane injectie. Adolescenten (12 tot 17 jaar oud): De aanbevolen dosis dupilumab voor adolescente patiënten van 12 tot 17 jaar is afhankelijk van het lichaamsgewicht van de patiënt. Bij minder dan 60 kg is de initiële dosis 400 mg (twee injecties van 200 mg) en volgende doses eenmaal per twee weken 200 mg. Bij 60 kg of meer is de initiële dosis 600 mg (twee injecties van 300 mg) en volgende doses eenmaal per twee weken 300 mg. Kinderen van 6 tot en met 11 jaar oud: De aanbevolen dosis dupilumab voor kinderen van 6 tot en met 11 jaar oud is afhankelijk van het lichaamsgewicht van de patiënt. Bij 15 kg tot minder dan 60 kg is de initiële dosis 300 mg (één injectie van 300 mg) op dag 1, gevolgd door 300 mg op dag 15 en volgende doses elke 4 weken (Q4W) 300 mg*, te starten 4 weken na de dosis van dag 15. *De dosis kan naargelang het oordeel van de arts verhoogd worden naar 200 mg elke twee weken (Q2W). Bij 60 kg of meer is de initiële dosis 600 mg (twee injecties van 300 mg) en volgende doses elke twee weken (Q2W) 300 mg. Dupilumab kan gebruikt worden met of zonder behandeling met topische corticosteroïden. Het is mogelijk topische calcineurineremmers te gebruiken, maar dit zou moeten worden beperkt tot enkel de probleemgebieden, zoals het gezicht, de hals, intertrigineuze gebieden en de genitaliën. Als patiënten na 16 weken behandeling voor atopische dermatitis geen reactie vertonen, overweeg dan de behandeling te stoppen. Sommige patiënten met een initiële gedeeltelijke respons kunnen daarna verbetering ervaren met voortzetting van de behandeling na 16 weken. Als een onderbreking van de behandeling met dupilumab noodzakelijk wordt, kunnen patiënten nog steeds met succes opnieuw behandeld worden. Astma De aanbevolen dosering dupilumab voor volwassenen en adolescenten (van 12 jaar en ouder) is: •Voor patiënten met ernstig astma en die orale corticosteroïden gebruiken of voor patiënten met ernstig astma en comorbide matige tot ernstige atopische dermatitis of volwassenen met comorbide ernstige chronische rinosinusitis met neuspoliepen, een initiële dosis van 600 mg (twee injecties van 300 mg), gevolgd door 300 mg eenmaal per twee weken, toegediend als subcutane injectie. •Voor alle andere patiënten een initiële dosis van 400 mg (twee injecties van 200 mg), gevolgd door 200 mg eenmaal per twee weken, toegediend als subcutane injectie. Patiënten die gelijktijdig orale corticosteroïden ontvangen, kunnen hun dosis steroïden verlagen als er klinische verbetering is opgetreden met dupilumab. Het verlagen van steroïden dient geleidelijk te gebeuren. Dupilumab is bedoeld voor langdurige behandeling. De noodzaak van het voortzetten van de behandeling dient ten minste jaarlijks geëvalueerd te worden op basis van de beoordeling van de arts op de mate van astmacontrole van de patiënt. Chronische rinosinusitis met neuspoliepen (CRSwNP) De aanbevolen dosis dupilumab voor volwassen patiënten is een initiële dosis van 300 mg, gevolgd door 300 mg eenmaal per twee weken. Dupilumab is bedoeld voor langdurige behandeling. Als patiënten na 24 weken behandeling voor CRSwNP geen reactie vertonen, overweeg dan de behandeling te stoppen. Sommige patiënten met een initiële gedeeltelijke respons kunnen daarna verbetering ervaren met voortzetting van de behandeling na 24 weken. Kinderen: De veiligheid en werkzaamheid van dupilumab bij kinderen met atopische dermatitis jonger dan 6 jaar zijn niet vastgesteld. De veiligheid en werkzaamheid van dupilumab bij kinderen met een lichaamsgewicht van < 15 kg zijn niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar. De veiligheid en werkzaamheid van dupilumab bij kinderen met ernstig astma jonger dan 12 jaar zijn niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar. CRSwNP doet zich normaal gesproken niet voor bij kinderen. De veiligheid en werkzaamheid bij kinderen met CRSwNP jonger dan 18 jaar zijn niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar. Ouderen: voor ouderen hoeft de dosis niet te worden aangepast. Verminderde leverfunctie: er is geen informatie beschikbaar over patiënten met een leverfunctiestoornis. Verminderde nierfunctie: er is geen dosisaanpassing nodig bij patiënten met een lichte of matige nierfunctiestoornis. Er is zeer beperkte informatie beschikbaar over patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis. Lichaamsgewicht: De dosis hoeft niet te worden aangepast aan het lichaamsgewicht aanbevolen voor patiënten met astma van 12 jaar en ouder of bij volwassenen met atopische dermatitis of CRSwNP. Voor patiënten van 12 tot 17 jaar met atopische dermatitis is de aanbevolen dosis om de week 200 mg (< 60 kg) of 300 mg (≥ 60 kg) eenmaal per twee weken. Voor patiënten van 6 tot en met 11 jaar oud met atopische dermatitis zijn de aanbevolen doses 300 mg Q4W met de mogelijkheid tot een verhoging naar 200 mg Q2W (15 kg tot < 60 kg) en 300 mg Q2W (≥ 60 kg). Contra-indicaties: overgevoeligheid voor de werkzame stof(fen) of voor een van de vermelde hulpstof(fen). Waarschuwingen: dupilumab niet gebruiken voor het behandelen van acute astmasymptomen of acute exacerbaties. Dupilumab niet gebruiken voor het behandelen van acuut bronchospasme of status asthmaticus. Bij initiatie van de behandeling met dupilumab mag men niet abrupt stoppen met het gebruik van systemische, topische, of geïnhaleerde corticosteroïden. Verlaging van de dosis corticosteroïden, indien van toepassing, dient geleidelijk te gebeuren en onder rechtstreeks toezicht van een arts. Een verlaging van de dosis corticosteroïden kan samenhangen met systemische ontwenningssymptomen en/of kan aandoeningen aan het licht brengen die voorheen door de systemische behandeling met corticosteroïden werden onderdrukt. Type 2 ontstekingsbiomarkers kunnen worden onderdrukt door systemisch gebruik van corticosteroïden. Dit dient men in overweging te nemen om de type 2 status vast te stellen bij patiënten die orale corticosteroïden gebruiken. Overgevoeligheid: Vindt er een systemische overgevoeligheidsreactie (onmiddellijk of vertraagd) plaats, stop dan onmiddellijk met het toedienen van dupilumab en start met de van toepassing zijnde behandeling. Er zijn gevallen van een anafylactische reactie, angio-oedeem, serumziekte of een serumziekteachtige reactie gemeld. De gevallen van een anafylactische reactie en angiooedeem hebben zich vanaf enkele minuten tot maximaal zeven dagen na de injectie met dupilumab voorgedaan. Eosinofiele aandoeningen: Gevallen van eosinofiele pneumonie en gevallen van vasculitis die overeenkomt met eosinofiele granulomatose met polyangiitis (EGPA) zijn gemeld bij dupilumab bij volwassen patiënten die deelnamen aan het ontwikkelingsprogramma voor astma. Gevallen van vasculitis in overeenstemming met EGPA zijn gemeld met dupilumab en placebo bij volwassen patiënten met comorbide astma in het CRSwNP-ontwikkelingsprogramma. Artsen dienen te letten op vasculitische rash, verslechterende pulmonale symptomen, cardiale complicaties, en/of neuropathie die zich presenteren bij hun patiënten met eosinofilie. Patiënten die worden behandeld voor astma kunnen ernstige systemische eosinofilie vertonen, soms met klinische tekenen van eosinofiele pneumonie of vasculitis die overeenkomt met eosinofiele granulomatose met polyangiitis, aandoeningen die vaak worden behandeld met systemische corticosteroïden. Deze voorvallen hangen vaak, maar niet altijd, samen met het verlagen van de behandeling met orale corticosteroïden. Intestinale worminfectie: dupilumab kan invloed hebben op de reactie van het immuunsysteem op intestinale worminfecties, omdat het de IL-4/IL-13-signaaltransductie blokkeert. Patiënten met bestaande intestinale worminfecties moeten daarvoor behandeld worden alvorens men dupilumab opstart. Als patiënten geïnfecteerd raken gedurende de behandeling met dupilumab en zij reageren niet op een behandeling tegen intestinale wormen, stop dan met dupilumab tot de infectie is verholpen. Aan conjunctivitis en keratitis gerelateerde voorvallen: er zijn aan conjunctivitis en keratitis gerelateerde voorvallen gemeld bij dupilumab, voornamelijk bij patiënten met atopische dermatitis. Sommige patiënten hebben visuele stoornissen (bv. wazig zicht) gemeld in verband met conjunctivitis of keratitis. Patiënten moet geadviseerd worden om nieuw opgetreden of verergerende oogsymptomen te melden aan hun zorgverlener. Patiënten die worden behandeld met dupilumab en die conjunctivitis ontwikkelen die zich niet met standaardbehandeling laat verhelpen, of tekenen en symptomen vertonen die op keratitis wijzen, dienen een oogonderzoek te ondergaan, indien van toepassing. Patiënten met atopische dermatitis of CRSwNP met comorbide astma: Patiënten die dupilumab gebruiken voor matige tot ernstige atopische dermatitis of ernstige CRSwNP en met comorbide astma mogen hun behandeling voor astma niet aanpassen of stopzetten zonder hierover eerst met hun arts te overleggen. Patiënten met comorbide astma dienen zorgvuldig te worden opgevolgd na stopzetting van dupilumab. Vaccinaties: Levende en levende verzwakte vaccins dienen niet tegelijk met dupilumab te worden toegediend aangezien de klinische veiligheid en werkzaamheid niet zijn vastgesteld. Het is aanbevolen om patiënten te vaccineren met levende en levende verzwakte immunisaties in overeenstemming met de huidige richtlijnen voorafgaand aan de behandeling met dupilumab. Interacties: Patiënten die met dupilumab worden behandeld, mogen gelijktijdig vaccinatie met inactieve of niet-levende vaccins ondergaan. Zwangerschap: Er is een beperkte hoeveelheid gegevens over het gebruik van dupilumab bij zwangere vrouwen. De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft reproductietoxiciteit. Men zou dupilumab alleen bij zwangerschap moeten gebruiken als de potentiële voordelen opwegen tegen het potentiële risico voor de foetus. Bijwerkingen: Vaak: conjunctivitis, orale herpes, eosinofilie, allergische conjunctivitis, artralgie, reacties op de injectieplaats (waaronder erytheem, oedeem, pruritus, pijn en zwelling). Overgevoeligheid Er zijn na toediening van dupilumab gevallen van een anafylactische reactie, angio-oedeem, serumziekte of een serumziekteachtige reactie gemeld. ATC-code: D11AH05 Verpakking: Dupixent® 300 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit is verkrijgbaar in een verpakking met 2 voorgevulde spuiten (EU/1/17/1229/006), Dupixent® 200 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde spuit is verkrijgbaar in een verpakking met 2 voorgevulde spuiten (EU/1/17/1229/010), Dupixent® 300 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde pen is verkrijgbaar in een verpakking met 2 voorgevulde pennen (EU/1/17/1229/018). Dupixent® 200 mg oplossing voor injectie in een voorgevulde pen is verkrijgbaar in een verpakking met 2 voorgevulde pennen (EU/1/17/1229/014). Aflevering en vergoeding: U.R. Financiering verloopt via add-on. Voor prijzen zie de Z-index taxe. Deze informatie is het laatst herzien in september 2021. Voor meer informatie zie de geregistreerde productinformatie. Houder van de vergunning voor het in de handel brengen: sanofi-aventis groupe. 54, rue La Boétie. 75008 Parijs – Frankrijk. Lokale vertegenwoordiger: Genzyme Europe B.V. Paasheuvelweg 25, 1105 BP Amsterdam. Tel: 020 245 4000. ‘Sanofi Genzyme and Regeneron are committed to providing resources to advance research in dermatology in areas of unmet medical needs among patients with poorly controlled moderate-to-severe atopic dermatitis’.

Referenties:? 2? ? ; G6@;®. 2. Medicijn Saxenda® in basispakket voor kleine groep met ernstig overgewicht | Nieuwsbericht | Zorginstituut Nederland.

Novo Nordisk B.V. |?? D98159? ?? ?? ? ? C4AG6?;;6?@G6? B*6? ? ?$ ! ? ? ? ?? ??B67DF:;8BG 6DHD6DF@B9=20D:?? ??6DHD6DF@B9=26C

ECHT GROENE STROOM?

Vergelijk het zelf en stap over via www.wise-energievergelijker.nl Dit is een campagne van WISE ondersteund door

??? DHD? DF@B9=® en Saxenda® zijn geregistreerde handelsmerken van Novo Nordisk A/S.

Verkorte productinformatie Dupixent® Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via de website van het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb (www.lareb.nl).)


VERKORTE PRODUCTINFORMATIE MAYZENT® 0,25 EN 2 MG, FILMOMHULDE TABLETTEN Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Samenstelling Filmomhulde tablet met respectievelijk 0,25 mg of 2 mg siponimod (als fumaarzuur). Bevat o.a. sojalecithine en lactose. Indicatie(s) Volwassen patiënten met secundaire progressieve multiple sclerose (SPMS) met actieve ziekte gedefinieerd door exacerbaties (relapses, schubs, opstoten) of kenmerken van ontstekingsactiviteit aangetoond door beeldvormende technieken. Farmacotherapeutische groep Selectieve immunosuppressiva. Contra-indicaties Overgevoeligheid voor de werkzame stof, voor pinda’s, soja of voor een van de hulpstoffen, Immunodeficiëntiesyndroom, Voorgeschiedenis van progressieve multifocale leukencefalopathie (PML) of cryptokokkenmeningitis (CM), Actieve maligniteiten, Ernstige leverfunctiestoornis (Child-Pugh-klasse C), Patiënten die in de voorgaande 6 maanden een myocardinfarct (MI), instabiele angina pectoris, beroerte/TIA, gedecompenseerd hartfalen of NYHA-klasse III/IV hartfalen hebben gehad, Patiënten met een voorgeschiedenis van tweedegraads atrioventriculair (AV) blok type Mobitz-II of derdegraads AV-blok, sinoatriaal hartblok of sicksinussyndroom, als ze geen pacemaker dragen, Patiënten die homozygoot zijn voor het CYP2C9*3 genotype. Tijdens de zwangerschap en bij vrouwen die zwanger kunnen worden en die geen effectieve anticonceptie gebruiken. Waarschuwingen Vóór de start van de behandeling en periodiek tijdens de behandeling moet een recent compleet bloedbeeld (CBC) beschikbaar zijn. Een absolute aantal lymfocyten < 0,2 x 109/l, indien bevestigd, moet leiden tot een dosisverlaging of tijdelijke onderbreking van de behandeling. Het starten van de behandeling dient uitgesteld te worden bij patiënten met een ernstige actieve infectie totdat deze is verdwenen. Waakzaamheid is geboden voor klinische symptomen of MRI bevindingen die kunnen wijzen op PML of CM. Patiënten zonder een door een arts bevestigde voorgeschiedenis van varicella of zonder een gedocumenteerde volledige vaccinatie tegen VZV dienen getest te worden op antilichamen tegen VZV vóór de start van de behandeling. Een volledige vaccinatie van antilichaam negatieve patiënten met het varicellavaccin wordt aanbevolen vóór de start van de behandeling met siponimod. Het gebruik van levend verzwakte vaccins dient vermeden te worden wanneer patiënten siponimod gebruiken en gedurende 4 weken na het stoppen van de behandeling. Andere soorten vaccins kunnen minder effectief zijn wanneer ze toegediend worden tijdens de behandeling met siponimod. Voorzichtigheid is geboden bij gelijktijdig gebruik van antineoplastica, immunomodulentia of immunosuppressiva met siponimod vanwege het risico op additieve effecten op het immuunsysteem. Behandeling met siponimod dient niet opgestart te worden bij patiënten met macula-oedeem totdat dit verholpen is. Bij alle patiënten wordt 3-4 maanden na de start van de behandeling een oogheelkundig onderzoek aanbevolen. Voorzichtigheid is geboden bij het gebruik van siponimod bij patiënten met een voorgeschiedenis van diabetes mellitus, uveïtis of een onderliggende/gelijktijdige retina aandoening vanwege een mogelijk verhoogd risico op macula oedeem. Het wordt aanbevolen een ECG uit te voeren vóór toediening en nauwlettende monitoring uit te voeren tijdens de behandeling bij patiënten met bepaalde hartaandoeningen, vanwege het risico op bradycardie. Vanwege het risico op ernstige hartritmestoornissen of significante bradycardie dient siponimod niet te worden gebruikt bij patiënten met: voorgeschiedenis van symptomatische bradycardie of terugkerende syncope, ongecontroleerde hypertensie, of ernstige onbehandelde slaapapneu. Recente (< 6 maanden) transaminase en bilirubinewaarden dienen beschikbaar te zijn vóór het starten van de behandeling met siponimod. Tijdens de start van de behandeling dient siponimod niet gelijktijdig te worden gebruikt bij patiënten die antiaritmica uit klasse Ia of klasse III, QT verlengende geneesmiddelen met bekende aritmogene eigenschappen, hartslagverlagende calciumkanaalblokkers of andere hartslagverlagende stoffen krijgen. Voorzichtigheid is geboden wanneer siponimod wordt gestart bij patiënten die bètablokkers krijgen vanwege de additieve effecten op het verlagen van de hartslag. Bij patiënten die symptomen ontwikkelen die duiden op een gestoorde leverfunctie dienen de leverenzymen gecontroleerd te worden en de behandeling met siponimod gestaakt te worden als er een significante leverbeschadiging wordt bevestigd. Gevallen van basaalcelcarcinoom en andere vormen van huidkanker zijn gemeld bij een langere blootstelling aan siponimod. Huidonderzoek wordt aanbevolen bij de start van de behandeling en daarna elke 6 tot 12 maanden met inachtneming van klinische beoordeling. Patiënten moeten dringend worden geadviseerd om verdachte huidlaesies onmiddellijk aan hun arts te melden en zich niet zonder bescherming bloot te stellen aan zonlicht en geen gelijktijdige fototherapie met UV B straling of PUVA-fotochemotherapie te krijgen. Waakzaamheid is geboden voor onverwachte neurologische of psychiatrische klachten/verschijnselen van versnelde neurologische achteruitgang (posterieur reversibel encefalopathiesyndroom). Bij het overschakelen van een immunosuppressieve of -modulerende behandeling moet rekening worden gehouden met de halfwaardetijd en het werkingsmechanisme van de andere therapie. Starten van de behandeling met siponimod na alemtuzumab wordt niet aanbevolen. De bloeddruk dient regelmatig gecontroleerd te worden tijdens de behandeling met siponimod. Voor de start van de behandeling met siponimod moet bij patiënten het genotype voor CYP2C9 worden bepaald om vast te stellen of met de behandeling kan worden gestart of dat een eventuele dosisaanpassing nodig is. Vrouwen die zwanger kunnen worden, moeten vóór aanvang van de behandeling worden geïnformeerd over het risico voor de foetus en een negatief zwangerschapstestresultaat hebben. Zij moeten effectieve anticonceptie gebruiken tijdens de behandeling en gedurende minstens 10 dagen na het staken van de behandeling. Patiënten dienen gecontroleerd te worden op relevante verschijnselen van mogelijk ernstige exacerbatie of terugkeer van hoge ziekteactiviteit bij het staken van de behandeling met siponimod en indien nodig dient een geschikte behandeling te worden ingesteld. Een bepaling van het aantal lymfocyten in het perifere bloed kan niet gebruikt worden om de status van de lymfocyten subsets vast te stellen van een met siponimod behandelde patiënt. Bijwerkingen Zeer vaak Hoofdpijn, hypertensie, leverfunctietest verhoogd. Vaak Herpes zoster, naevus naevocellularis, basaalcelcarcinoom, duizeligheid, convulsie, tremor, macula-oedeem, bradycardie, atrioventriculair blok (eerste- en tweedegraads), misselijkheid, diarree, pijn in extremiteit, perifeer oedeem, asthenie, longfunctietest verlaagd. Afleverstatus UR. Verpakking en prijs Zie Z-Index Vergoeding Volledig vergoed indien voldaan aan de in bijlage 2 genoemde voorwaarden Registratiehouder Novartis Europharm Limited. Lokale vertegenwoordiger Novartis Pharma B.V., Haaksbergweg 16, 1101 BX Amsterdam. Meer informatie Voor meer informatie kunt u bellen met 088-0452111. De volledige productinformatie kunt u raadplegen via www.novartis.nl/medicijnen/mayzent. Datering verkorte productinformatie november 2021. Referenties: 1. Amato MP, et al. J Neurol. 2013;2606:1452-1468. 2. Achiron A, et al. J Neurol Neurosurg Psychiatry. 2005;76:744-749. 3. Gross HJ, et al. Neuropsychiatr Dis Treat.2017;13:1349-1357; 4. Ziemssen T, et al. J Neurol. 2016;263(6):1053-1065.

Vergoedingsstatus: Gedeeltelijk vergoed (eigen bijdrage verplicht) uit Geneesmiddelenvergoedingssysteem Referenties: 1. Isidori AM et al. Lancet Diabetes Endocrinol. 2018;6(3):173–185. 2. PLENADREN samenvatting van de productkenmerken, mei 2018. 3. Giordano R et al. Endocrine. 2016 Feb;51(2):360-8. Productiedatum: februari 2022 C-APROM/NL/PLE/0018

NL-PRO-0322-00001/ maart2022

Referenties: 1. Bone HG, et al. Lancet Diab Endocrinol. 2017;5:513-23. 2. Cummings SR, et al. N Eng J Med. Verkorte geneesmiddelinformatie 2009;361:756-65. 3. SmPC Prolia® juli 2021. 4. Miller PD, et al. Osteoporos Int. 2020;31:181-91. 5. Kendler DL, Naam van het geneesmiddel: Plenadren 5 mg / Plenadren 20 mg Kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling: Plenadren 5 mg: Elke tablet met gereguleerde afgifte (MR-tablet) bevat 5 mg hydrocortison. Plenadren 20 mg: Elke tablet met gereguleerde afgifte (MR-tablet) bevat 20 mg hydrocortison. Farmaceutische vorm: Tablet met gereguleerde afgifte. et al. J Bone Miner Res. 2010 25:72–81. 6. Miller PD, et al. J Clin Endocrinol Metab. 2016;101:3163-70. 7. Roux C, Therapeutische indicaties: Behandeling van bijnierschorsinsufficiëntie (bijnierschorshypofunctie) bij volwassenen. Hydrocortison is een glucocorticoïde en de synthetische vorm van et al. Bone. 2014;58:48-54. 8. Freemantle N, et al. Osteoporos Int. 2012;23:317-26. endogeen geproduceerd cortisol. Glucocorticoïden zijn belangrijke steroïden voor het intermediaire metabolisme, de immuunfunctie, het skeletspierstelsel en bindweefsel, en de hersenen. Cortisol is de belangrijkste glucocorticoïde die door de bijnierschors wordt afgescheiden. Van nature voorkomende glucocorticoïden (hydrocortison en cortisol), die ook Prolia® - denosumab – verkorte productinformatie. zoutretentie-eigenschappen hebben, worden gebruikt als vervangingstherapie bij bijnierschorsinsufficiëntie. Ze worden ook gebruikt wegens hun krachtige ontstekingsremmende Samenstelling: Elke voorgevulde spuit bevat 60 mg denosumab in 1 ml oplossing (60 mg/ml). Afleveringsvorm: effecten bij aandoeningen van vele orgaansystemen. Glucocorticoïden veroorzaken krachtige en gevarieerde metabolische effecten. Bovendien veranderen ze de immuunreacties van het lichaam op uiteenlopende prikkels. Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 van de volledige SmPC vermelde hulpstoffen. Verpakking per stuk, in blisterverpakking (voorgevulde spuit met naaldbeschermer). Farmacotherapeutische Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik: Acute bijnierschorsinsufficiëntie: Acute bijnierschorsinsufficiëntie kan ontstaan bij patiënten die bekend zijn met groep: geneesmiddelen voor de behandeling van botziekten – andere geneesmiddelen die de botstructuur en bijnierschorsinsufficiëntie bij wie de dagelijkse dosering niet volstaat of die zich in omstandigheden met een verhoogde behoefte aan cortisol bevinden. Er zijn voorvallen gemeld bij mineralisatie beïnvloeden, ATC-code: M05BX04. Indicaties: Behandeling van osteoporose bij postmenopauzale patiënten die met Plenadren werden behandeld. Bij patiënten met acute bijnierschorsinsufficiëntie kan een bijniercrisis ontstaan. Daarom dienen patiënten ingelicht te worden over vrouwen en mannen met een verhoogd risico op fracturen. Behandeling van botverlies gerelateerd aan de verschijnselen en symptomen van acute bijnierschorsinsufficiëntie en bijniercrisis en moeten zij onmiddellijk medische hulp inroepen. Bij een bijniercrisis moet parenterale, bij hormoonablatietherapie bij mannen met prostaatkanker die een verhoogd risico lopen op fracturen. Behanvoorkeur intraveneuze toediening van hydrocortison in hoge doses, samen met natriumchlorideoplossing voor infusie (9 mg/ml, 0,9%) worden toegepast volgens de huidige behandelingsrichtlijnen. Bijkomende infecties: Bij voorbijgaande ziekten zoals geringe infecties, koorts ongeacht de oorzaak, stressvolle omstandigheden zoals kleine chirurgische procedures, deling van botverlies gerelateerd aan langdurige systemische glucocorticoïd therapie bij volwassen patiënten moet de dagelijkse vervangingsdosis tijdelijk worden verhoogd (zie rubriek ‘Gebruik bij bijkomende ziekte’). De patiënt moet zorgvuldig worden geïnformeerd hoe hij/zij in deze die een verhoogd risico lopen op fracturen. Contra-indicaties: Hypocalciëmie. Overgevoeligheid voor het omstandigheden moet handelen, en moet ook worden geadviseerd onmiddellijk medische hulp te zoeken als zich een acute verslechtering voordoet; vooral in het geval van gastrowerkzame bestanddeel of voor één van de hulpstoffen. Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik: enteritis, braken en/of diarree die leiden tot zowel vocht- en zoutverlies als tot ontoereikende absorptie van oraal hydrocortison. Bij patiënten bij wie de bijnierschorsinsufficiëntie Voldoende inname van calcium en vitamine D is belangrijk voor alle patiënten. Hypocalciëmie dient voordat met samenvalt met retrovirale infectie, zoals hiv, moet de dosis zorgvuldig worden aangepast als gevolg van mogelijke interacties met antiretrovirale geneesmiddelen en een verhoogde de behandeling wordt begonnen te worden gecorrigeerd door middel van inname van calcium en vitamine D. hydrocortisondosis als gevolg van de infectie. Uit wetenschappelijke verslagen is niet gebleken dat hydrocortison immunosuppressieve effecten zou hebben bij doses die zijn gebruikt voor vervangingstherapie bij patiënten met bijnierschorsinsufficiëntie. Daarom is er geen reden om aan te nemen dat vervangingsdoses van hydrocortison een systemische infectie Controle van calciumspiegels wordt aanbevolen. Patiënten moeten worden gestimuleerd om symptomen te of de gevolgen van zo’n infectie zullen verergeren. Evenmin is er reden aan te nemen dat de hydrocortisondoses die worden gebruikt voor vervangingstherapie de respons op vaccins melden die kenmerkend zijn voor hypocalciëmie. In de post-marketing setting is ernstige symptomatische verminderen en het risico op gegeneraliseerde infectie met levende vaccins verhogen. Maaglediging en motiliteitsstoornissen: Tabletten met gereguleerde afgifte (MR-tabletten) hypocalciëmie (inclusief gevallen met fatale afloop) gerapporteerd, waarbij de meeste gevallen zich voordeden worden niet aanbevolen bij patiënten met een verhoogde maag-darmmotiliteit, i.e., chronische diarree, vanwege het risico op een verminderde cortisolblootstelling. Er zijn geen in de eerste weken van de behandeling. Een gelijktijdige behandeling met glucocorticoïden vormt een extra gegevens van patiënten met een bevestigde langzame maaglediging of een verminderde-motiliteitziekte/stoornis. Bij patiënten met deze aandoeningen moet de klinische respons risicofactor voor hypocalciëmie. Patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis (creatinineklaring < 30 ml/min) worden gevolgd. Het gebruiken van hogere doses hydrocortison dan normaal: Hoge (suprafysiologische) doses hydrocortison kunnen een verhoging van de bloeddruk, zout- en waterretentie en een verhoogde uitscheiding van kalium veroorzaken. Behandeling voor lange tijd met hogere dan fysiologische doses hydrocortison kan leiden tot klinische of patiënten die worden gedialyseerd lopen meer risico op het ontwikkelen van hypocalciëmie. Patiënten die kenmerken die lijken op die van het syndroom van Cushing: toegenomen adipositas, obesitas in de buik, hypertensie en diabetes. Zo’n behandeling voor lange tijd kan leiden tot een denosumab krijgen, kunnen huidinfecties (voornamelijk cellulitis) ontwikkelen die kunnen leiden tot een verhoogd risico op cardiovasculaire morbiditeit en mortaliteit. Ouderdom en een lage BMI zijn bekende risicofactoren voor veel voorkomende bijwerkingen van farmacologische doses ziekenhuisopname. Patiënten moet worden geadviseerd onmiddellijk medische hulp te zoeken als zich bij hen glucocorticoïden, zoals osteoporose, dun worden van de huid, diabetes mellitus, hypertensie en een verhoogde gevoeligheid voor infecties. Alle glucocorticoïden verhogen de symptomen van cellulitis ontwikkelen. Bij patiënten die werden behandeld met Prolia werd osteonecrose van calciumuitscheiding en verlagen de snelheid van botremodellering. Er is gevonden dat patiënten met bijnierschorsinsufficiëntie die voor lange tijd een vervangingstherapie met de kaak (ONJ) zelden gezien. De start van de behandeling/nieuwe kuur moet worden uitgesteld bij patiënten glucocorticoïden kregen, een verminderde botmineraaldichtheid hadden. Langdurig gebruik van hoge doses glucocorticoïden kan posterieure subcapsulaire cataracten en glaucoom met mogelijke beschadiging van de oogzenuwen veroorzaken. Zulke effecten zijn niet gerapporteerd bij patiënten die vervangingstherapie met glucocorticoïden kregen in doses die met niet-genezen open beschadigingen van zachte weefsels in de mond. Voor behandeling met denosumab worden voorgeschreven bij bijnierschorsinsufficiëntie. Psychische bijwerkingen kunnen voorkomen bij gebruik van systemische glucocorticoïden. Dit kan optreden aan het begin van wordt een tandheelkundig onderzoek met passende preventieve tandheelkundige behandeling en een individe behandeling en tijdens periodes van dosisaanpassing. De risico’s kunnen groter zijn wanneer hoge doses worden gegeven. De meeste bijwerkingen verdwijnen vanzelf na duele risico-batenbeoordeling aanbevolen. Tijdens de behandeling moeten invasieve tandheelkundige ingrepen verlaging van de dosis, hoewel specifieke behandeling nodig kan zijn. Schildklierfunctie: Patiënten met bijnierschorsinsufficiëntie moeten in beeld worden gehouden ten aanzien van alleen na zorgvuldige overweging worden uitgevoerd en moet de ingreep niet kort voor of na het toedienen van een mogelijke verstoring van de schildklierfunctie, omdat zowel hypo- als hyperthyreoïdie de blootstelling aan toegediend hydrocortison merkbaar kan beïnvloeden. De behandeling denosumab plaatsvinden. Een tijdelijke onderbreking van de tandheelkundige behandeling dient te worden van primaire bijnierschorsinsufficiëntie rechtvaardigt vaak de toevoeging van een mineralocorticoïde. Bijwerkingen: Samenvatting van het veiligheidsprofiel: Hydrocortison wordt overwogen tot de aandoening verdwijnt en bijkomende risicofactoren waar mogelijk zijn verminderd. Osteonegegeven als een vervangingstherapie met als doel de normale cortisolniveaus te herstellen. Het profiel van bijwerkingen bij de behandeling van bijnierschorsinsufficiëntie is daarom niet vergelijkbaar met dat bij andere aandoeningen waarbij veel hogere doses orale of parenterale glucocorticoïden nodig zijn. Uit een onderzoek van 12 weken bleek dat de crose van de uitwendige gehoorgang is gemeld bij gebruik van denosumab. Atypische femurfracturen zijn frequentie en het type bijwerkingen van Plenadren dat eenmaal per dag als MR-tablet werd gegeven, en van driemaal daags hydrocortisontabletten in het algemeen vergelijkbaar zelden gerapporteerd bij patiënten die worden behandeld met denosumab. Patiënten dienen te worden geadviwaren. Bij ongeveer één op de vijf patiënten was er een aanvankelijke toename in de frequentie van bijwerkingen; dit werd waargenomen tot acht weken na de overgang van seerd om nieuwe of ongebruikelijke pijn in de dij, de heup of de lies te melden. Patiënten met deze symptomen conventionele hydrocortisontabletten, drie keer per dag, op MR-tabletten die éénmaal per dag werden gegeven. Deze bijwerkingen (buikpijn, diarree, misselijkheid en vermoeidheid) moeten worden onderzocht op een onvolledige femurfractuur. Langdurige behandeling met botresorptiezijn echter licht of matig, van voorbijgaande aard, van korte duur, maar het kan noodzakelijk zijn de dosis bij te stellen of bijkomende geneesmiddelen te gebruiken, zie rubriek remmers kan bijdragen aan een verhoogd risico op ongewenste uitkomsten zoals ONJ en atypische femurfracGebruik bij bijkomende ziekte’. Vermoeidheid is gerapporteerd als zeer vaak voorkomend. Tabel met bijwerkingen: Een totaal van 80 patiënten (173 patiëntjaren aan gegevens) is in klinische onderzoeken behandeld met gereguleerde afgifte van hydrocortison. Bijwerkingen uit deze onderzoeken en postmarketingervaring worden hieronder genoemd. De turen door onderdrukking van hermodellering van het bot. Overige: Patiënten die met denosumab worden gegevens worden als volgt per systeem/orgaanklasse en frequentie weergegeven: Zeer vaak ( 1/10); vaak ( 1/100, < 1/10). Zenuwstelselaandoeningen: Zeer vaak: Vertigo, behandeld, mogen niet tegelijkertijd worden behandeld met andere denosumab-bevattende geneesmiddelen Hoofdpijn; Maagdarmstelselaandoeningen: Zeer vaak: Diarree; Vaak: Bovenbuikpijn, Nausea; Huid- en onderhuidaandoeningen: Vaak: Pruritus, Rash: Skeletspierstelsel- en (ter preventie van botcomplicaties bij volwassenen met botmetastasen van solide tumoren). Dit geneesmiddel bindweefselaandoeningen: Vaak: Artralgie; Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen: Zeer vaak: Vermoeidheid; Bovendien zijn de volgende bijwerkingen bevat 47 mg sorbitol per ml oplossing. Er moet rekening worden gehouden met het additieve effect van gelijkgerapporteerd voor andere hydrocortisonmiddelen die in hogere doses worden gegeven voor andere indicaties dan als vervangingstherapie voor bijnierschorsinsufficiëntie tijdig toegediende producten die sorbitol (of fructose) bevatten en met de inname van sorbitol (of fructose) via (frequenties niet bekend). Immuunsysteemaandoeningen: Activering van een infectie (tuberculose, schimmel- en virale infecties waaronder herpes). Endocriene aandoeningen: Inductie van glucose-intolerantie of diabetes mellitus. Voedings- en stofwisselingsstoornissen: Natrium- en waterretentie en neiging tot oedeem, hypertensie, hypokaliëmie. de voeding. Bijwerkingen: Zeer vaak: pijn in de extremiteiten, skeletspierstelselpijn. Vaak: infectie van de urinePsychische stoornissen: Euforie en psychose, slapeloosheid. Oogaandoeningen: Verhoogde intraoculaire druk en cataract. Maagdarmstelselaandoeningen: Dyspepsie en verergering wegen, infectie van de bovenste luchtwegen, ischias, obstipatie, buikklachten, huiduitslag, alopecia, eczeem. van een reeds bestaande maagzweer. Huid- en onderhuidaandoeningen: Cushing-achtige symptomen, huidstriemen, echymosen, acne en hirsutisme, verstoorde wondgenezing. Soms: diverticulitis, cellulitis, oorinfectie, lichenoïde reacties door medicijngebruik. Zelden: hypocalciëmie, Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen: Osteoporose met spontane botbreuken. Melding van vermoedelijke bijwerkingen: Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddelovergevoeligheid, anafylactische reactie, osteonecrose van de kaak en atypische femurfracturen. geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd. Zeer zelden: overgevoeligheidsvasculitis. Aflevering en vergoeding: U.R. Prolia wordt volledig vergoed. Voor Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via het nationale meldsysteem: Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb. Website: www.lareb.nl. Farmacotherapeutische categorie: Corticosteroïden voor systemisch gebruik, glucocorticoïden. ATC-code: H02AB09. Houder van de handelsvergunning: prijzen zie Z-index. Gebaseerd op SmPC juli 2021. Amgen B.V. Minervum 7061, 4817 ZK te Breda, tel. 076-5732500. Takeda Pharmaceuticals International AG Ireland Branch, Block 3 Miesian Plaza, 50-58 Baggot Street Lower Dublin, Ierland. Nummers van de handelsvergunning: Plenadren 5 mg: EU/1/11/715/001 (1 fles met 50 tabletten); EU/1/11/715/003 (2 flessen met 50 tabletten) Plenadren 20 mg: Zie voor meer informatie de geregistreerde productinformatie. Deze productinformatie wordt regelmatig tabletten) Afleverstatus: UR Datum laatste wijziging van deze tekst: 01/2022. Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees aangepast. Voor de meest recente versie van de productinformatie verwijzen wij u daarom naar de Geneesmiddelenbureau http://www.ema.europa.eu. Volledige productinformatie is verkrijgbaar via de lokale vertegenwoordiger in Nederland: Takeda Nederland bv, website van de European Medicines Agency (EMA) www.ema.europa.eu. Hoofddorp of www.takeda.nl.


was

Z

WETENSCHAP

Kelly en Dorine bedankt! Kelly en Dorine waren in ons ziekenhuis werkzaam als artsassistent gynaecologie. Kelly heeft aan meerdere onderzoeken bijgedragen. Twee van deze onderzoeken zijn ook in WASz aan bod gekomen: een multicenter studie naar kwetsbare oudere vrouwen met bekkenbodemdysfunctie, en een monocenter studie naar screeningsmogelijkheden voor zwangerschapsdiabetes. Voor deze laatste studie zullen we Kelly als gastonderzoeker terug zien in het ASz.

Dorine heeft voor WASz een mooie bijdrage geleverd aan het verwezenlijken van de behoeften van onze WASz-lezers. Met enquêtes heeft ze achterhaald dat er een grote behoefte is aan een digitale WASz. Daar gaan we mee aan de slag. Als redactie gaan we ons ervoor inzetten dit te verwezenlijken. Dorine heeft nu de mooie stap naar de huisartsenopleiding gemaakt en is ook in blije verwachting van gezinsuitbreiding! Zowel Kelly als Dorine waren een mooie aanwinst voor het team! Tijdens de brainstormsessies waren zij kritisch, scherp en zaten zij vol nieuwe en goede ideeën. Wij gaan deze energie zeker missen, maar we willen ze ook heel veel succes wensen met hun volgende uitdagingen buiten het ziekenhuis! Kelly en Dorine, heel erg bedankt voor al jullie bijdragen aan de WASz-edities!

Kelly de Jong

Dorine Wilschut

Na een aantal bewogen jaren zit de redactietijd bij WASz er voor Kelly en Dorine op. Ondanks hun drukke agenda’s hebben zij zich in de COVID-19 periode hard ingezet om mooie WASz-edities uit te brengen. Daarom zetten we ze hier graag in het zonnetje!

67


ASz Leerplein Onderstaand een korte samenvatting van het scholingsaanbod voor arts-assistenten en onderzoekers. Het gehele scholingsaanbod, inclusief een groot aantal e-learning modules, is te vinden op het ASz Leerplein. Raadpleeg de cursuscatalogus voor het actuele aanbod. Deze wordt continu uitgebreid. Mei 24 24

Wetenschapslunch OCOO

Juni 15 16 16 28

OCOO DOO: Gesprekken bij een calamiteit Wetenschapsdag (vanaf 16.00 uur) Wetenschapslunch

September 20 27

OCOO Wetenschapslunch

Oktober 18 25

OCOO Wetenschapslunch

November 16 22

OCOO Wetenschapslunch

Heb je vragen, neem dan contact op met het Leerhuis, we helpen je graag! Op werkdagen zijn wij van 08:30 uur tot 17:00 uur telefonisch bereikbaar op 45100 of mail ons op leerhuis@asz.nl. Je kunt ook via het ASz Leerplein online trainingen van GoodHabitz volgen. Word de beste versie van jezelf!


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
WASz Voorjaar 2022 by WASz - Issuu