4
KIJKER 1
Naam _________________________________________________________ Datum ___________________ Klas ______________
1 Ik luister goed. Ik vul het ontbrekende woord in. 10 1
Ik ga _________________ spelen.
2
Je hebt toch geen ________________ van spoken?
3
Mijn hart bonst hard in mijn ___________________.
4
Wil je de ___________________ van de appel?
5
Je bent het _____________________ van al.
6 We stappen door een echte ___________________. 7
Kijk, zo’n hoge __________________________.
8
Geef je me even de ______________________?
9
Er vliegen ___________________ over het huis.
10
Wil je me ______________________________?
2 Ik schrijf de zinnen op. 30 1
______________________________________________________________________
2
______________________________________________________________________
3
______________________________________________________________________
4 ______________________________________________________________________ ______________________________________________________________________ 5
______________________________________________________________________
Kijker 1 – Toets
31
4
KIJKER 1
Naam _________________________________________________________ Datum ___________________ Klas ______________
3 Ik onderstreep het onderwerp eenmaal en de persoonsvorm tweemaal. 10 1
Khalid koopt een groene broek.
2
De pennenzak ligt op haar lessenaar.
3
Grote honden en kleine katten lopen voorbij.
4
De parkieten fluiten als een groot orkest.
5
Zwemt ze met een badmuts op?
Totaal 50
Wat ik ervan denk.
Wat de juf/meester ervan denkt.
Lees de zin vlot. Lees de zin een tweede maal in stukken en benoem de leestekens. Lees achteraf nog eens alle zinnen.
Lees de zin vlot. Lees de zin een tweede maal traag en herhaal het in te vullen woord tweemaal. Lees achteraf nog eens alle zinnen.
KIJKER 1 Toets
straks
Mijn hart bonst hard in mijn ___________________.
borst
Je hebt toch geen ________________ van spoken?
schrik
Ik ga _________________ spelen.
Wil je de ___________________ van de appel?
1 ______________________________________________________________________
Leen heeft een nieuwe zwemmuts. 2 ______________________________________________________________________ Het oefenschrift steekt in de mooie boekentas. 3 ______________________________________________________________________ Schuwe kraaien en spreeuwen vliegen vlug weg. 4 ______________________________________________________________________ De zeemeeuwen schreeuwen als schooiers ______________________________________________________________________ naar een schip. Fietst hij met een fietshelm op? 5 ______________________________________________________________________
2 Ik schrijf de zinnen op.
4
helft laatst 5 Je bent het _____________________ van al. 6 We stappen door een echte ___________________. herfststorm zeegolven 7 Kijk, zo’n hoge __________________________. handdoek 8 Geef je me even de ______________________? 9 Er vliegen ___________________ over het huis. ooievaars 10 Wil je me ______________________________? duwen
3
2
1
1 Ik luister goed. Ik vul het ontbrekende woord in.
30
10
Naam _________________________________________________________ Datum ___________________ Klas ______________
4
Trek per fout geschreven woord een punt af. Per vergeten hoofdletter of leesteken trek je een half punt af, omdat het niet de focus van deze Kijker is.
Trek per fout geschreven woord een punt af.
4 KIJKER 1
Kijker 1 – Toets – Correctieleutel
33
Bespreek de opdracht. Herhaal het trucje waarmee ze deze zinsdelen kunnen vinden: het stellen van de ja-neevraag.
Laat de kinderen hun toets evalueren. Hoe hebben ze het gedaan?
4 KIJKER 1 Toets
50
Totaal
10
Naam ________________________________________________________ Datum ___________________ Klas ______________
Wat de juf/meester ervan denkt.
3 Ik onderstreep het onderwerp eenmaal en de persoonsvorm tweemaal. 1 Khalid koopt een groene broek. 2 De pennenzak ligt op haar lessenaar. 3 Grote honden en kleine katten lopen voorbij. 4 De parkieten fluiten als een groot orkest. 5 Zwemt ze met een badmuts op?
Wat ik ervan denk.
Trek per fout een punt af.
Kleur dit in na de evaluatie.
Kijker 1 – Toets – Correctiesleutel
34
KIJKER 1
4
4
KIJKER 1
Eindtermen en leerplandoelstellingen
Hoorwoorden en samenstellingen
Lesdoelen
ET
GO!
OVSG
KathOndVla
1
De kinderen weten dat letters klanken vormen.
6.5
1.2.2.37 1.2.3.8 1.2.3.9
NL-TBS-04.11
Tb.6.1 Tb.7.3 Tb.23.1
2
De kinderen weten dat klanken woorden vormen.
6.5
1.2.2.36
NL-TBS-04.14 NL-TBS-04.15
Tb.6.2
3
De kinderen kunnen de juiste klank-letterkoppeling maken.
6.5
1.2.2.57 1.2.2.58 1.2.3.11
NL-LEZ-BV-B03-03 NL-TBS-04.01
Tb.6.5
4
De kinderen weten dat er medeklinkers en klinkers zijn.
6.5 6.7
1.2.2.78 1.2.3.47
NL-TBS-04.09 NL-TBS-04.17
9.1.1 9.3 Tb.7.1 Tb.23.4
5
De kinderen kennen de codes M (medeklinker) en K (klinker).
-
-
-
-
6
De kinderen kunnen een letter(groep) als medeklinker of klinker benoemen.
6.7
1.2.2.78
NL-TBS-04.09
-
7
De kinderen kunnen horen of er vooraan of achteraan in een woord één, twee of drie medeklinkers staan.
6.5
1.2.2.33 1.2.2.34 1.2.2.40
NL-TBS-04.04
3.3.2 3.3.2.1 3.3.2.3 Tb.6.3
8
De kinderen kunnen met losse letters woorden maken.
6.5
1.2.2.35
-
-
9
De kinderen hebben inzicht in de opbouw van woorden.
6.5 6.7
-
-
Tb.9.2
10
De kinderen kunnen woorden schrijven tot MMKMM.
4.7 6.5 6.7
1.2.2.56 1.2.3.38
NL-SCH-BV-03-B02-03 NL-SCH-BV-03-B02-04 NL-SCH-BV-03-B02-05
3.3.2.1 3.3.2.3 3.3.2.5
11
De kinderen kunnen woorden schrijven met complexe medeklinkerclusters vooraan: spr, str, sch, schr …
4.7 6.5 6.7
1.2.3.38
NL-SCH-BV-03-B02-04 NL-SCH-BV-03-B02-04.02 NL-SCH-BV-03-B02-05
3.3.2.2 3.3.2.6
12
De kinderen kunnen woorden schrijven met complexe medeklinkerclusters achteraan.
4.7 6.5 6.7
1.2.3.38
NL-SCH-BV-03-B02-03 NL-SCH-BV-03-BO2-03.02 NL-SCH-BV-03-B02-05
3.3.2.4
Kijker 1 – Toets – Doelen
35
4
KIJKER 1
Eindtermen en leerplandoelstellingen
Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
Hoorwoorden en samenstellingen
Lesdoelen
36
ET
GO!
OVSG
KathOndVla
13
De kinderen kennen de begrippen grondwoord, afleiding en samenstelling.
6.7
1.2.2.151
NL-TBS-05.27
Tb.9.2 Tb.9.3 Tb.9.4
14
De kinderen weten dat woorden samenstellingen vormen.
4.7 5.5 6.5 6.7
1.2.2.31 1.2.2.140
NL-TBS-05.05
Tb.9.3
15
De kinderen kunnen nadenken over de afzonderlijke woorden in een samenstelling en andere focussen toepassen.
4.7 5.5 6.5 6.7
1.2.2.31 1.2.2.140
NL-TBS-05.05
Tb.9.3
16
De kinderen kunnen samenstellingen schrijven.
4.7
-
NL-SCH-BV-03-B02-07.02 NL-SCH-BV-03-B02-07.03 NL-SCH-BV-03-B02-09.02
1.2.6
17
De kinderen kunnen samenstellingen schrijven met een dubbele medeklinker.
4.7
-
NL-SCH-BV-03-B02-09.01
3.9
18
De kinderen kunnen het pictogram van samenstellingen herkennen en interpreteren.
5.4 3.2
1.2.2.19 1.2.2.20
-
-
19
De kinderen kennen de meertekenklanken aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en de tweetekenklank uw.
4.7 6.5
1.2.2.58 1.2.3.42
NL-LEZ-BV-B07-01
2.1.2 2.1.3
20
De kinderen weten dat de meertekenklanken nooit veranderen.
4.7 6.5
-
-
-
21
De kinderen kunnen woorden met meertekenklanken schrijven.
4.7 6.5
1.2.3.42
NL-SCH-BV-03-B02-02.01 NL-SCH-BV-03-B02-02.02
2.1.2 2.1.3
22
De kinderen kennen de begrippen grondwoord, afleiding en samenstelling.
6.7
1.2.2.151
NL-TBS-05.27
Tb.9.2 Tb.9.3 Tb.9.4
23
De kinderen kunnen afleidingen schrijven van woorden met een meertekenklank.
4.7 6.5 6.7
1.2.2.47
NL-TBS-05.06
Tb.9.4
24
De kinderen kunnen samenstellingen schrijven van woorden met een meertekenklank.
6.5 6.7
1.2.2.140
NL-SCH-BV-03-B03-09 NL-TBS-05.05
Tb.9.3
Kijker 1 – Toets – Doelen
4
KIJKER 1
Eindtermen en leerplandoelstellingen
Werkwoordspelling
Lesdoelen
ET
GO!
OVSG
KathOndVla
25
De kinderen kennen de begrippen enkelvoud en meervoud.
6.7
1.2.2.136 1.2.2.152 1.2.3.61
NL-TBS-05.12 NL-TBS-05.27 NL-SCH-DV-D04-02c-07
Tb.10.3
26
De kinderen kunnen woorden schrijven met meertekenklanken, gevolgd door een doffe e.
4.7 6.5
1.2.3.42
-
2.2
27
De kinderen kunnen de passende vorm of het meervoud schrijven van woorden met meertekenklanken.
4.7 6.5 6.7
1.2.2.136 1.2.2.139 1.2.3.52 1.2.3.53
NL-SCH-DV-D04-02c NL-TBS-05.12 NL-TBS-05.23
Tb.10.3 Tb.12.1
28
De kinderen kunnen de +t-vorm schrijven van werkwoorden met een meertekenklank.
4.7 6.5 6.7
1.2.3.55
NL-SCH-BV-03-B02-03.02 NL-SCH-DV-D04-02e-01.01 NL-TBS-05.20
4.2.1
29
De kinderen weten wat een werkwoord is.
4.7 6.4 6.5 6.7
1.2.2.152 1.2.3.61
NL-SCH-DV-D04-02e-03 NL-TBS-05.16 NL-TBS-05.27
9.4.1 Tb.13.1
30
De kinderen vinden de werkwoorden in een zin.
6.5 6.7
1.2.2.150
-
Tb.13.3
31
De kinderen weten wat een onderwerp en persoonsvorm is.
6.4 6.5 6.7
1.2.2.85 1.2.2.86 1.2.2.98 1.2.2.152 1.2.3.61
NL-SCH-DV-D04-02e-03 NL-TBS-05.27 NL-TBS-06.06 NL-TBS-06.10
9.4.3 9.4.4 Tb.14.5 Tb.14.7 Tb.14.8
32
De kinderen vinden het onderwerp en de persoonsvorm in een zin.
4.7 6.5 6.7
1.2.2.85 1.2.2.86 1.2.2.150
NL-TBS-06.06
Tb.13.3 Tb.13.6 Tb.14.5 Tb.14.6 Tb.14.7 Tb.14.8
33
De kinderen kunnen de ja-neevraag gebruiken om het onderwerp en de persoonsvorm in een zin te vinden.
6.5 6.7
-
-
Tb.14.7
34
De kinderen weten dat het onderwerp en de persoonsvorm samen horen.
4.7 6.5 6.6
1.2.2.133 1.2.2.150
NL-TBS-05.20 NL-TBS-06.06
Tb.13.6 Tb.14.5 Tb.14.7 Tb.14.8
Kijker 1 – Toets – Doelen
37
4
KIJKER 1
Eindtermen en leerplandoelstellingen
Werkwoordspelling
Lesdoelen
38
ET
GO!
OVSG
KathOndVla
35
De kinderen weten dat een persoonsvorm verschillende vormen heeft, afhankelijk van het getal en de persoon van het onderwerp.
4.7 6.5 6.7
1.2.2.137 1.2.2.150
NL-TBS-05.20 NL-TBS-06.07 NL-TBS-06.08
Tb.13.2 Tb.13.6 Tb.14.7
36
De kinderen weten wat een infinitief, stam en uitgang is.
6.4 6.5 6.7
1.2.2.150 1.2.2.152 1.2.3.61
NL-SCH-DV-D04-02e-03 NL-TBS-05.27
9.4.2 9.4.7 9.4.8 Tb.13.4 Tb.13.5
37
De kinderen kunnen de stam van een werkwoord schrijven.
4.7 6.5 6.7
1.2.3.55
NL-SCH-DV-D04-02e-01.01 NL-SCH-DV-D04-02e-02.01
-
38
De kinderen kunnen de +t-vorm van een werkwoord schrijven.
4.7 6.5 6.7
1.2.3.55
NL-SCH-DV-D04-02e-01.01 NL-SCH-DV-D04-02e-02.01
4.2.1
39
De kinderen kunnen de persoonsvorm schrijven in de tegenwoordige tijd.
4.7 6.5 6.7
1.2.3.55
NL-SCH-DV-D04-02e-01.01 NL-SCH-DV-D04-02e-02.01
4.2.1
Kijker 1 – Toets – Doelen
Kijker 1 – Toets – Turfblad
24
23
22
21
20
19
18
17
16
15
14
13
12
11
10
9
8
7
6
5
4
3
2
1
naam kinderen
fouten tegen
11
12
16
Hoorwoorden en samenstellingen 17
21, 23, 24, 26
Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw 32
38, 39
Werkwoordspelling andere fout score
4 KIJKER 1
39
Hoorwoorden en samenstellingen
Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
Khalid koopt
Het oefenschrift steekt
Leen heeft
Werkwoordspelling
ooievaars
De pennenzak ligt
38, 39
handdoek
duwen
32
herfststorm zwemmuts
Schuwe kraaien en spreeuwen vliegen De zeemeeuwen schreeuwen
21, 23, 24, 26
borst zeegolven
nieuwe
Grote honden en kleine katten lopen De parkieten fluiten
17
straks helft handdoek
mooie
16
schrik laatst zwemmuts
Fietst hij
12
herfststorm herfststorm
Zwemt ze
11
oefenschrift
schuwe kraaien
oefenschrift boekentas
spreeuwen
fietshelm
spreeuwen
zeemeeuwen
zeemeeuwen
schuwe
schreeuwen
fietshelm
schreeuwen
schooiers schip
schooiers
Kijker 1 – Toets – Woordenlijst
40
KIJKER 1
4
4
KIJKER 1
Woorden met complexe medeklinkerclusters De auditieve analyse is een belangrijke vaardigheid om correct te kunnen schrijven. Bij het spellen van woorden laten kinderen de inhoud los. Ze leren zich richten op wat ze horen en de vorm van woorden, dus niet op wat de betekenis is en wat ze begrijpen, zeker in de beginfase van spelling. Kinderen moeten leren alert zijn voor woorddelen, de kop van het woord, een klinker, een voorvoegsel … Het gaat er hier dus over in welke mate het kind een eenvoudig woord kan opdelen in letters, dus kan verletteren. Bij hoorwoorden horen eenvoudige woorden zoals mol, jeuk en beer, maar ook woorden met complexe medeklinkerclusters, zoals herfst, zelfs, schaar. Op pagina 43 vind je hiervoor een apart onderzoek, analyse en handelingsvoorstel.
Onderzoeken toets Kijker 1
Bekijk de toets die afgenomen werd bij de klasleerkracht. Je vindt voldoende woorden die op eventuele moeilijkheden kunnen wijzen.
Reflecteren en analyseren A Twijfel je eraan dat het kind wel al zijn/haar letters correct kan schrijven? Dan heeft hij/zij moeilijkheden met de basisleerstof van het eerste leerjaar: klank-letterkoppelingen. In dit geval dringt een verdere analyse zich op. Neem een lettertoets af. Twijfelen aan enkele letters kan al een hypotheek leggen op het correct en vlot leren lezen/spellen.
B Kan het kind complexe medeklinkerclusters schrijven? Bij welke faalt hij/zij?
C Kan het kind de complexe medeklinkercluster voldoende mooi schrijven en verbinden met de andere letters van het woord?
D Kan het kind complexe medeklinkerclusters verletteren? Kan hij/zij de volgorde van de letters onthouden en vasthouden? Kan hij/zij zeggen dat ‘str’ bestaat uit s/t/r?
E Kan het kind woorden met complexe medeklinkerclusters hardop herhalen? Spreekt hij/zij de medeklinkercluster correct uit?
Handelen A Maak een overzicht van de zwakke punten van het kind. Zo kun je bij het herhalen van de focus je instructie aanpassen en meteen differentiëren. Het is aan te raden om het materiaal van Verrekijker 2 erbij te nemen. Hier vind je tal van handelingstips.
B en C woordenlijst 1 schrijvertje bever 1
Oefen schrijfmotorisch. Laat het kind zowel de cluster op zich als woorden met deze cluster schrijven. Laat hem/haar overschrijven of uit het hoofd schrijven.
A, B, C, D en E Het is niet vanzelfsprekend om bij deze clusters een echte hoorstrategie toe te passen. Drie medeklinkers op rij onthouden op gehoor (auditieve analyse) is moeilijk. Laat het kind de cluster als geheel erkennen. Enkel bij schr is een analyse mogelijk (sch + r).
Kijker 1 – Woorden met complexe medeklinkerclusters
41
4
KIJKER 1
woordenlijst 1 schrijvertje
Wanneer je extra oefent, probeer je de cluster altijd als een geheel voor te stellen. Accentueer de medeklinkers door ze een kleur te geven, te omkringen of te onderstrepen.
spraak straal schaal
Laat het kind vooral horen wat er geschreven wordt. Ik hoor ‘sg’, maar schrijf s/c/h. Vermijd daarbij altijd foute woordbeelden! Woorden met s/g bestaan niet. bever 2
42
Het kind leest rijtjes (straf, strak …) en schrijft een aantal woorden over. Nadat hij/zij een woord heeft geschreven, leest hij/zij het woord hardop.
schram arts dorst komst zelfs
kopieerblad 1
Het kind vormt woorden per cluster. Elk woord leest hij/zij voor.
woordenlijst 1 kopieerblad 1 bever 3
Het kind luistert naar het woord dat jij zegt, herhaalt het en duidt dan de cluster aan.
bever 4
Heel wat woorden met een medeklinkercluster op het eind zijn persoonsvormen. Volg steeds de logische woordopbouw. Geef hen inzicht in de structuur van het woord (bots+t). Duid de letter t als uitgang aan met paars. Voeg ook een onderwerp toe. Het kind moet ervaren dat een onderwerp en een persoonsvorm steeds samengaan.
Het kind categoriseert woorden volgens cluster. Hij/zij leest een woord hardop en schrijft het bij de juiste cluster.
Kijker 1 – Woorden met complexe medeklinkerclusters
het
botst
jij
durft
Stan
plenst
hij
vormt
mama
zorgt
4
KIJKER 1
Samenstellingen Onderzoeken toets Kijker 1
Bekijk de toets die afgenomen werd bij de klasleerkracht. Je vindt acht samenstellingen die op eventuele moeilijkheden kunnen wijzen.
Reflecteren en analyseren A Schrijft het kind de woorden aan elkaar? Wordt de samenstelling erkend? B Kent het kind het stappenplan om samenstellingen te schrijven? Eerst verdelen, nadenken over de woorden en dan aan elkaar kleven?
C Maakt het kind fouten bij het schrijven van samenstellingen met een dubbele medeklinker? Vergeet het kind een medeklinker indien de eindklank van het eerste woord dezelfde is als de beginklank van het tweede woord? (bv. zwemuts)
D Schrijft het kind één van de twee woorden van de samenstellingen onverwacht fout, door de complexiteit van de samenstelling? (bv. herststorm of herfststorrem)
Handelen A bever 5 schrijvertjes 7 en 8
Ga samen met het kind op zoek naar de samenstellingen. Hij/zij markeert de samenstelling en splitst hem op een schrijvertje. Dit gebeurt telkens op dezelfde manier, als een som. bv. daar + achter = daarachter Bespreek ook werkwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, signaalwoorden … als samenstellingen. Het gaat niet steeds over zelfstandige naamwoorden. Bespreek de fout. Bespreek de betekenis van de afzonderlijke woorden in de context van de zin. bv. ‘Ik droog me af met een handdoek.’ Droog je je af met je hand? Of met je doek? Nee, met je handdoek.
B, C en D kopieerblad 2 woordenlijst 18 schrijvertjes 7 en 8
Maak gebruik van het pictogram (het schaartje en de lijmstift) en laat het kind eerst mondeling en dan schriftelijk samenstellingen delen en aan elkaar kleven. Laat het kind het stappenplan steeds opnieuw verwoorden. Het denken gebeurt hardop: horen, knippen, plakken. De moeilijkheid van de aparte woorden wordt besproken en eventueel aangeduid. Als je de afzonderlijke woorden kunt schrijven, kun je ook de samenstelling schrijven. Doe hetzelfde, maar met samenstellingen met een dubbele medeklinker.
kopieerblad 3 schrijvertjes 7 en 8
Knip de woorden uit en laat het kind samenstellingen maken. Hij/zij verwoordt wat hij/zij doet (bv. voor + ruit = voorruit). Laat hem/haar met dezelfde woorden meerdere samenstellingen vormen. Vraag telkens naar de betekenis van de samenstelling.
Kijker 1 – Samenstellingen
43
4
KIJKER 1
Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw Onderzoeken toets Kijker 1
Bekijk de toets. Je vindt voldoende woorden die op eventuele moeilijkheden kunnen wijzen.
Reflecteren en analyseren A Kan het kind de meertekenklanken schrijven? Kan het kind de letters van de meertekenklank mooi met elkaar verbinden?
B Kan het kind de meertekenklank mooi met de andere letters in het woord verbinden?
C Schrijft het kind de meertekenklank correct wanneer er een doffe e volgt? D Kent het kind de afspraak dat deze meertekenklanken nooit veranderen? Dat de lettercombinatie steeds dezelfde is?
E Is er invloed van de katten- of berenafspraak op de meertekenklank? (bv. sneuwen, duwwen) F Schrijf het kind wat hij/zij hoort? (bv. duuw, oojevaar)
Handelen A, B en C woordenlijst 3 schrijvertje
Hecht belang aan het modelschrift. Geef veel schrijfoefeningen. De meertekenklanken hebben een moeilijk schrijfpatroon. Laat hen de meertekenklanken en eenvoudige woordenrijtjes veelvuldig schrijven. Laat hen ervaren hoe de woorden groeien, maar de meertekenklanken onveranderlijk blijven. Op die wijze werk je ook aan letterverbindingen met andere letters. Laat de kinderen de letters ook meezeggen. Ik hoor ‘eew’, ik schrijf ee/u/w. Ik hoor ‘aaj’, ik schrijf aa/i.
D Loepje p. 14
De klankgroepen aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw zijn vaste en onveranderlijke klank-tekenkoppelingen. Op die onveranderlijkheid moeten we steeds opnieuw hameren. De afspraak ‘Die veranderen nooit!’ herhaal je dus dikwijls. Wat je ook met het woord doet (enkelvoud, meervoud, samenstelling, verkleinwoord …), de meertekenklank verandert nooit. Maak dit zichtbaar.
eeuw sneeuw sneeuwen het sneeuwt het sneeuwde het heeft gesneeuwd sneeuwman sneeuwvlokje
Let op voor eeuw, ieuw en uw. Dat zijn ondeelbare lettergroepen. Splits ze niet op in eeu+w, ieu+w of u+w. Bij een letterdoos gebruik je eveneens nooit de ‘eeu’. Deze bestaat als klank en als aparte lettergreep niet! Het splitsen van woorden (bv. leeu-wen, nieu-we) is geen leerstof voor de basisschool. kopieerblad 4 schrijvertje
44
Laat het kind woorden vormen met aparte letters. De meertekenklanken worden als één lettercombinatie afgebeeld. De woorden worden overschreven.
Kijker 1 – Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
4
KIJKER 1 E
Loepje p. 35
Bij fouten als duuwen, meuwen, aien (fouten onder invloed van een open of gesloten lettergreep) kun je twee wegen uitgaan. - Je herhaalt de afspraak dat meertekenklanken nooit veranderen. - Je past de afspraak toe zoals in het Loepje bij woorden met open en gesloten lettergrepen. De meertekenklanken aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw zijn ‘andere’ klinkers. Je schrijft dus wat je hoort.
F Koppel steeds het klankbeeld (wat hoor je) aan het woordbeeld (wat schrijf je). Ook als het kind een woord met een meertekenklank leest of schrijft, laat je hem of haar de koppeling maken. Ik hoor ‘aaj’, ik schrijf aa/i. Ik hoor ‘ooj’, ik schrijf oo/i. Ik hoor ‘oej’, ik schrijf oe/i. Ik hoor ‘eew’, ik schrijf ee/u/w. Ik hoor ‘iew’, ik schrijf ie/u/w. Ik hoor ‘uuw’, ik schrijf u/w.
Kijker 1 – Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw
45
4
KIJKER 1
Werkwoordspelling Het schrijven van een persoonsvorm overstijgt het schrijven op woordniveau. De context speelt een rol. Je hebt immers het onderwerp nodig om te weten hoe je de persoonsvorm schrijft. Anderzijds is de werkwoordspelling heel technisch. Het is een systeem van vaste afspraken. Eenmaal kinderen inzicht hebben in het systeem, is werkwoordspelling gemakkelijker dan het schrijven van tal van onthoudwoorden. Het is wel belangrijk zo snel mogelijk te starten. Vandaar dat we in Verrekijker reeds in het tweede leerjaar de kinderen de structuur van een persoonsvorm in de tegenwoordige tijd laten ervaren: de ik-vorm en de +t-vorm. Voor zwakke spellers is systematiek bijzonder belangrijk. In het vierde leerjaar ligt de klemtoon op de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd. De +t-vorm van werkwoorden met een stam op d wordt in Verrekijker 4 aangeduid met (!). We proberen zoveel mogelijk de werkwoordspelling te herhalen in zoveel mogelijk focussen en Kijkers. Reeds van bij het begin (tweede leerjaar) oefent het kind de werkwoordsvormen via de werkwoordstructuur. Bij oefeningen met complexe medeklinkerclusters of meertekenklanken beklemtonen we in oefeningen de structuur van een persoonsvorm. We doen dat door gebruik te maken van kleuren of door een optelsom te maken (hij schrikt = hij schrik + t). Op dezelfde wijze gaan we hiermee door: woorden met ng en nk, woorden met g, ch, gt en cht … Samengevat: de werkwoordspelling loopt als een rode draad door de spelling van het vierde leerjaar.
Het vinden van het onderwerp en de persoonsvorm Onderzoeken toets Kijker 1
Kijk naar de derde oefening van de toets. Op grond daarvan kun je vaststellen of er problemen zijn bij het vinden van het onderwerp en de persoonsvorm in een zin.
werkkatern p. 10-12
Indien mogelijk, kun je ook kijken naar de oefeningen in het werkkatern. Mooi materiaal om te observeren wie het erg moeilijk heeft.
bever 6
Twijfel je, dan kun je een oefening gebruiken om verder onderzoek te doen. Ga na of het kind erin slaagt om het onderwerp en de persoonsvorm terug te vinden. Oskar houdt van zijn hond. Tomas studeert voor zijn toets. Mijn buurvrouw Carine kan heel goed breien. Zaterdag fietst oom Fred naar Frankrijk. Hij begreep er niets van. Steek jij het gerecht in de oven? Op zondag is het chiro. Vind jij het ook mooi weer? Die donderslag maakte enorm veel lawaai. In het water zien jullie eenden zwemmen.
46
Kijker 1 – Werkwoordspelling
4
KIJKER 1
Reflecteren en analyseren A Weet het kind dat hij/zij zich moet afvragen wat het onderwerp is van de zin die hij/zij wil schrijven? Begrijpt hij/zij waarom?
B Weet het kind wat een werkwoord is?
C Kent het kind de begrippen onderwerp en persoonsvorm? D Weet het kind dat het onderwerp en de persoonsvorm samen horen? Begrijpt hij/zij waarom? E Kan het kind in eigen woorden formuleren hoe hij/zij het onderwerp en de persoonsvorm vindt? Vindt hij/zij die informatie terug in het Loepje? Kan hij/zij die informatie over de ja-neevraag lezen, correct interpreteren en toepassen?
F Kent het kind de ja-neevraag als hulpmiddel om het onderwerp en de persoonsvorm te vinden? G Kan het kind van een zin de ja-neevraag formuleren? Ook van vraagzinnen? H Wanneer het kind de ja-neevraag van een zin heeft geformuleerd, weet hij/zij dan ook wat het onderwerp en de persoonsvorm is? Welk zinsdeel eerst staat en welk zinsdeel volgt?
I
Weet het kind dat een onderwerp uit meerdere woorden kan bestaan?
Handelen kopieerblad 5
Het belangrijkste instrument waar je altijd van vertrekt en waarmee de kinderen steeds mee aan de slag gaan, is het werkwoordschema. In het vierde leerjaar werken we vooral met het uitgebreide schema, terwijl we in het vijfde leerjaar snel overschakelen op het verkorte schema.
A, B, C en D schrijvertje
Je schrijft twee zinnen op. Wijs het kind op de schrijfwijze Ik vind een schat. van vind en vindt. Vraag naar de verschillen. Waarom Mijn zus vindt een schat. met of zonder t? Dat zullen we leren. Illustreer dat dit te maken heeft met wie vindt, wie speelt of wie werkt. Om het werkwoord in de zin dus correct te kunnen schrijven, moet je dus weten wie iets doet. Illustreer dit voldoende aan de hand van zinnen. Jij danst graag. Wij dansen graag. Ik stap naar buiten. De klas stapt naar buiten. Oma en opa praten met mij. Hij praat met jou.
Kijker 1 – Werkwoordspelling
47
4
KIJKER 1
Loepje p. 20 en 21
Het is belangrijk, zeker bij kinderen met een zwakker taalbegrip of een andere taalachtergrond, uitdrukkelijk in te gaan op de gebruikte begrippen: werkwoord, persoonsvorm, onderwerp en getal. Vertrek steeds van de definities in het Loepje. Lees deze definities samen met het kind, zo kan hij/zij beter volgen als de definitie aan bod komt. Heel wat kinderen met spellingproblemen zijn immers leeszwak. Denk eraan dat elk woord in de definitie belangrijk is. Illustreer elke definitie, geef en vraag voorbeelden. bv. Je bespreekt het begrip ‘werkwoord’. We lezen een verhaal. Een verhaal bestaat uit zinnen. Een zin bestaat uit woorden. Hoeveel woorden staan er in een zin? In elke zin staat er een woord dat zegt wat iets of iemand doet, of wat gebeurt. In deze zin, wat doet iemand? Wat gebeurt er?
E, F, G, H en I Loepje p. 21
De belangrijkste opdracht is het vinden van het onderwerp en de persoonsvorm. Kent het kind de ja-neevraag en het doel ervan? Lees het in het Loepje. Oefen die ja-neevraag voldoende.
kopieerblad 6 bever 7
Vertrek van een eenvoudige zin en laat hem/haar Mijn papa bestuurt een trein. de zin in stukken knippen. Uit hoeveel woorden bestaat deze zin? Vijf. Formuleer nu een ja-neevraag. Dat is een vraag die je kunt beantwoorden met ja of nee. Schik de woorden in de juiste volgorde. Het kind schikt nu de woorden van de zin in de juiste volgorde. Wat is nu het onderwerp? Mijn papa. En wat is nu de persoonsvorm? Bestuurt. Hoe weet je dat? Doe nu hetzelfde met de overige zinnen op het kopieerblad. Knip alle zinsdelen uit en laat hem/haar met alle zinsdelen de ja-neevraag vormen. Gebruik ook telkens het punt of het vraagteken. Vermeld terloops dat het eerste woord van een zin met een hoofdletter moet. Dat is nu niet het geval. Het kind benoemt de persoonsvorm en het onderwerp. Vermeld ook dat een onderwerp één woord, twee woorden of meer dan twee woorden kan hebben. bv. Opa …, Onze opa …, Opa en oma … Het onderwerp is een zinsdeel, dus een deel van een zin. Het werkwoord is ook een zinsdeel. Die twee zinsdelen vinden, is belangrijk!
48
Kijker 1 – Werkwoordspelling
4
KIJKER 1
Kopieerblad 1
str
spr
spl
sch
schr
ik
eek
eet
ool
ift
af
its
oen
oom
ip
aat
eep
oet
uik
at
rst
nst
rts
ee
ku
do
ve
wo
ke
ba
wi
bo
ba
mi
woo
ko
koo
a Kijker 1 – Kopieerbladen
49
4
KIJKER 1
Kopieerblad 2
1 Ik hoor een samenstelling. 2 Ik verdeel de samenstelling en ik denk na over elk woord. 3 Ik kleef de woorden terug aan elkaar.
50
Kijker 1 – Kopieerbladen
4
KIJKER 1
Kopieerblad 3A
zee
koeien
sneeuw
herfst
vlokjes
stal
buien
leeuw
kerst
rots
speel
fiets
blokken
roos
wiel
plaats
schoen
spring
venster
ring
plank
winkel
vinger
bank
bad
werk
tand
brood
pijn
pak
kruimels
woord
hoofd
voet
munt
bed
paadje
doek
tijd
stuk
brand
fiets
nieuws
auto
lichtje
lucht
pech
bericht
Sneeuw
wespen
zweet
strip
nest
witje
boek
druppels
Kijker 1 – Kopieerbladen
51
4
52
KIJKER 1
Kopieerblad 3B
acht
voet
voor
voor
tocht
uit
tien
ruit
eigen
schrijf
feest
weg
dag
namen
gooien
fouten
Kijker 1 – Kopieerbladen
4
KIJKER 1
Kopieerblad 4
aai
ooi
oei
eeuw
ieuw
uw
sel
ge
fr
h
kr
n
s
vl
t
w
d
f
k
m
pl
pr
sch
str
b
kn
schr
l
sn
spr
j
r
sl
in
erik
eel
e
er
en
st
ste
ster
tje
te Kijker 1 – Kopieerbladen
53
Ik schrijf een zin. Ik zoek het onderwerp (ond.) en de persoonsvorm (pv.).
Stap 2
Gebeurde het vroeger? de verleden tijd (v.t.)
Stap 1
Gebeurt het nu? de tegenwoordige tijd (t.t.)
In welke tijd staat de persoonsvorm (pv.)?
Stap 2
Is het een persoonsvorm met klankverandering?
3e
wij, jullie, zij, anderen …
1e, 2e, 3e
nee
ja
51
hij, zij, het, een ander …
Twijfel ik?
Stap 3
jij, je
Eindletter d of t?
ik vond jij vond ma vond wij vonden
wij liepen
ik liep jij liep hij liep
de wij-vorm (v.t.).
Ik luister naar
Ik schrijf
vinden
lopen
Ik schrijf …
het meervoud
Wat is de persoon van het onderwerp?
jij, je
2e
het enkelvoud
Stap 3 1e ik voor de pv. Ik schrijf
na de pv. Ik schrijf
de stam + uitgang te, ten, de, den.
werken
de stam + uitgang t.
zij werken
wij ... nu zij werkt
de stam.
jij werkt
hij ... nu
werk jij?
ik ... nu
jij werkte zij werkten
ik werk
jullie spelen
werken
zus speelt jij speelt
wie speelde? wij speelden
ik speel
spelen
spelen
wij lopen jij loopt
hij loopt
ik loop
hij rust
wij antwoorden
speel jij? loop jij?
lopen
jij rust
zij antwoordt
ik rustte pa en ma rustten rust jij?
jij antwoordt
rusten
ik rust
antwoord jij?
zij vinden
pa en ma rusten
rusten
ik antwoord
zus vindt
antwoorden
jij vindt
zij antwoordde wij antwoordden vind jij?
De werkwoordsvorm is geen persoonsvorm?
Ik wil spelen en ravotten. Ik zal lopen en stappen.
Ik vergeet mijn andere spellingafspraken niet.
Hij heeft veel gebabbeld. Heb je correct geantwoord?
antwoorden ik vind
vinden
Stap 4
Kijker 1 – Kopieerbladen
54
Kopieerblad 5
KIJKER 1
4
4
KIJKER 1
Kopieerblad 6
Mijn papa bestuurt een trein. Sofie
sport
hij
slaapt
ik
telefoneer
Ella
verzint
mopjes
mama
kookt
pasta
juf
vertelt
verhalen
de postman
brengt
pakjes
Tars
geeft
een groot aan mama geschenk
ik
ben
10 jaar
sinds gisteren
ze
voorspellen
dit weekend
buien
straks
ga
ik
naar de winkel
.
? Kijker 1 – Kopieerbladen
55
4 KIJKER 1 Bever 1
KIJKER 1 Bever 2
lft
rst
spr
str
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
______
borst
barst
straks
strip
streep
straf
films
sprint
spriet
spreuk
spraak
hij golft
helft
splinter
split
splijt
spleet
liefst
schuur
schuit
schoen
schat
herfst
schrift
schrik
schram
schraag
4
rst ______ ______
Ik lees de woorden.
sch ______
Ik schrijf elk groepje medeklinkers viermaal.
schr
aat
= ______________________
= straat
__________________
__________________
__________________
Ik schrijf enkele woorden over.
ze kalft
str _________
= ______________________
__________________
__________________
dorst
_________ _________
= ______________________
__________________
hij delft
_________ _________
= ______________________
eerst
_________
_________
Ik verdeel woorden en ik schrijf ze terug aan elkaar.
_________
= ______________________
__________________
_________
__________________
_________
= ______________________
__________________
_________
= ______________________
__________________
_________
_________
__________________
Focus Woorden met complexe medeklinkerclusters
educatieve uitgaven
naam ____________________________ datum ________________
__________________
_________
educatieve uitgaven
naam ____________________________ datum ________________ Focus Woorden met complexe medeklinkerclusters
Kijker 1 – Bevers
56
Kijker 1 – Bevers
57
oma _____________________ zij _______________________ Bas _____________________
ik werk ik schrijf ik werp
hij ______________________ Joke ____________________
ik spreek ik dans
Anke ____________________
Elza _____________________
ik vorm
ik zorg
de hond __________________
ik volg
educatieve uitgaven
educatieve uitgaven
Focus Woorden met complexe medeklinkerclusters
…fst
juf ______________________
ik turn
Focus Woorden met complexe medeklinkerclusters
…rnt
…rst
…lgt
sch…
naam ____________________________ datum ________________
…lms
schr…
spl…
scheur
liefst
opa _____________________
papa ____________________
ik help
spleet
stram
schok
ik schuur
jij _______________________
ik fiets
worst
films
spr…
hij ______________________
ik scheur
ik schreef
schroef
str…
mama ___________________
ik durf
kerst
hij volgt
sprong
hij zwelgt
ze turnt
stro
Bever 4 Ik schrijf de +t-vorm. Ik lees het woord. Ik let op de groepjes medeklinkers.
4
Ik lees het woord. Ik schrijf het woord bij de juiste groep medeklinkers.
Bever 3
KIJKER 1
naam ____________________________ datum ________________
4
KIJKER 1
4 KIJKER 1 Bever 5 Ik duid de samenstellingen aan. Een regenworm en een mier overnachten in een hotel. Net als ze willen slapen, klinkt in de hotelkamer naast hen een enorm lawaai. Boos kruipt de regenworm uit het stapelbed, om te zien wie die herrie maakt. Als hij terugkomt, zegt hij tegen de mier: ‘Slapen kunnen we nu wel vergeten. Onze buurman is zwaar dronken en is zijn wandelschoenen aan het uittrekken.’ ‘Nou en?’ ‘Het is een duizendpoot!’ ‘Ober, waar is hier het damestoilet?’ ‘U kunt er op dit ogenblik geen gebruik van maken, meneer. Het is al urenlang verstopt.’ ‘O, dan help ik wel even zoeken!’ De rekenmeester is zijn bril vergeten. Als hij achteraan in de klas iemand heen en weer ziet wandelen, roept hij boos: ‘Ga naar je plaats en zeg je rekenles op!’ ‘Welke les?’ ‘Had ik het niet gedacht! Wat kom je hier eigenlijk op school doen?’ ‘De directeur zei me dat ik klasmuren moest schilderen. Ik ben de schilder.’
educatieve uitgaven
naam ____________________________ datum ________________ Focus Samenstellingen
4
KIJKER 1 Bever 6
Ik onderstreep het onderwerp eenmaal en de persoonsvorm tweemaal.
Oskar houdt van zijn hond.
Tomas studeert voor zijn toets.
Mijn buurvrouw Carine kan heel goed breien.
Zaterdag fietst oom Fred naar Frankrijk.
Hij begreep er niets van.
Steek jij het gerecht in de oven?
Op zondag is het chiro.
Vind jij het ook mooi weer?
Die donderslag maakte enorm veel lawaai.
In het water zien jullie eenden zwemmen.
educatieve uitgaven
naam ____________________________ datum ________________ Focus Werkwoordspelling
Kijker 1 – Bevers
58
Kijker 1 – Bevers
59
Pa rijdt met zijn fiets.
Hij springt in het water.
Het water stroomt naar de zee.
Gisteren sprak ik de waarheid.
Straks wil ik spelen.
Ik ben op de speelzolder.
Als huistaak schrijf ik een lesje over.
Paarden grazen in de weide.
Ben jij bang van leeuwen?
In een koekenpan bakt mama pannenkoeken.
Na de speeltijd splitsen we getallen.
Kun jij dat woord schrijven?
Het wordt mooi weer.
Vind je de opgave niet?
Het woord sneeuwman is een samenstelling.
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
Ik denk aan de ja-neevraag. Ik onderstreep het onderwerp eenmaal en de persoonsvorm tweemaal.
Bever 7
Focus Werkwoorspelling
educatieve uitgaven
naam ____________________________ datum ________________
4
KIJKER 1