Skip to main content

Verrekijker 3 Spelling Extra - Kijker 1

Page 1

3

KIJKER 1

Naam _________________________________________________________ Datum ___________________ Klas ______________

1 Ik lees de zin en voer de opdracht uit. 20 Hij zit op die bank en leest in dat boek. Ik schrijf alle klinkers op: _________________________________________________________ Ik vond die streek mooi. Ik schrijf alle medeklinkers op: _____________________________________________________ Stien duwt de slee. ‘Je bent toch niet bang?’, roept ze luid naar mij. Ik schrijf alle tweetekenklanken op: ________________________________________________ Twee fraaie leeuwen liggen in hun nieuwe kooi te staren naar de sneeuwvlokken. Ik schrijf alle meertekenklanken op: ________________________________________________

2 Ik luister goed. Ik schrijf de woorden op. Ik vergeet de hoofdletters niet. 35 1

Heb je het _______________ gehoord?

2

Mama klaagt over de ____________________ op de druifjes.

3

De kasseilegger heeft _______________ handen.

4

Heeft _______________ een ring aan haar ___________________?

Kijker 1 – Toets

31


3

KIJKER 1

Naam _________________________________________________________ Datum ___________________ Klas ______________

5

_______________ in de _______________ heeft oma _______________ rozen.

6

Papa _______________ de bloemen.

7

Ik heb _______________. De ___________________ komt.

8

Boven op de berg zag de lucht _______________.

9

Hij _______________ van een _______________.

10 ___________________ zijn ___________________. 11 Er staan wel honderd _______________ op de wei. 12 Je moet niet zo _______________________. Ik vergeet de hoofdletters en de leestekens niet. 13 _______________ _______________ graag ___________________ ___ 14 Je neemt ___ een _______________ ____ een _______________, jullie leesboek en je steekt alles in je ___________________ ____ 15 Mama roept: ‘Kom hier _______________ ____’

Totaal 55

Wat ik ervan denk.

Wat de juf/meester ervan denkt.


Lees de zin volledig. Herhaal het in te vullen woord tweemaal. Lees achteraf alle zinnen opnieuw. Je vermeldt geen hoofdletters of leestekens, maar je let wel op je intonatie.

Lees de zinnen voor en bespreek de opdrachten.

KIJKER 1 Toets

20

k, v, n, d, d, s, t, r, k, m

nieuws

Heb je het _______________ gehoord?

2

Mama klaagt over de ____________________ op de druifjes.

fruitvlieg ruwe 3 De kasseilegger heeft _______________ handen. Lies ringvinger 4 Heeft _______________ een ring aan haar ___________________?

1

2 Ik luister goed. Ik schrijf de woorden op. Ik vergeet de hoofdletters niet. 35

Ik schrijf alle meertekenklanken op: ________________________________________________

aai, eeuw, ieuw, ooi, eeuw

Twee fraaie leeuwen liggen in hun nieuwe kooi te staren naar de sneeuwvlokken.

Ik schrijf alle tweetekenklanken op: ________________________________________________

ie, uw, ee, ch, ie, ng, oe, ui, aa, ij

Stien duwt de slee. ‘Je bent toch niet bang?’, roept ze luid naar mij.

Ik schrijf alle medeklinkers op: _____________________________________________________

Ik vond die streek mooi.

Ik schrijf alle klinkers op: _________________________________________________________

ij, i, o, ie, a, e, ee, i, a, oe

Hij zit op die bank en leest in dat boek.

1 Ik lees de zin en voer de opdracht uit.

Naam _________________________________________________________ Datum ___________________ Klas ______________

3

Trek per fout geschreven woord een punt af. Voor iedere vergeten hoofdletter of leesteken trek je ook een punt af. Er zijn 25 woorden, 5 hoofdletters en 5 leestekens.

Er zijn 10 klinkers, 10 medeklinkers en 10 tweetekenklanken. Per gevonden klinker, medeklinker of tweetekenklank geef je een half punt. Er zijn 5 meertekenklanken. Per gevonden meertekenklank geef je een punt.

3 KIJKER 1

Kijker 1 – Toets – Correctieleutel

33


Laat de kinderen hun toets evalueren. Hoe hebben ze het gedaan?

3 KIJKER 1 Toets

55

Totaal

Naam ________________________________________________________ Datum ___________________ Klas ______________

Je moet niet zo _______________________.

herfst heeft oma _______________ mooie Zelfs 5 _______________ in de _______________ rozen. sproeit de bloemen. 6 Papa _______________ huisarts koorts 7 Ik heb _______________. De ___________________ komt. zwart 8 Boven op de berg zag de lucht _______________. slang droomt 9 Hij _______________ van een _______________. Klinkers klanken 10 ___________________ zijn ___________________. koeien op de wei. 11 Er staan wel honderd _______________ schreeuwen 12

Ik vergeet de hoofdletters en de leestekens niet.

Wat de juf/meester ervan denkt.

Mama roept: ‘Kom hier _______________ ____’

bengel

? Drinkt _______________ Lars frisdrank 13 _______________ graag ___________________ ___ , een _______________, : een _______________ schrift balpen 14 Je neemt ___ ____ jullie . boekentas leesboek en je steekt alles in je ___________________ ____ ! 15

Wat ik ervan denk.

Kleur dit in na de evaluatie.

Kijker 1 – Toets – Correctiesleutel

34

KIJKER 1

3


3

KIJKER 1

Eindtermen en leerplandoelstellingen

Hoorwoorden

Lesdoelen

ET

GO!

OVSG

KathOndVla

1

De kinderen weten dat letters klanken vormen.

6.5

1.2.2.37 1.2.3.8 1.2.3.9

NL-TBS-04.11

Tb.6.1 Tb.7.3 Tb.23.1

2

De kinderen weten dat klanken woorden vormen.

6.5

1.2.2.36

NL-TBS-04.14 NL-TBS-04.15

Tb.6.2

3

De kinderen kunnen de juiste klank-letterkoppeling maken.

6.5

1.2.2.57 1.2.2.58 1.2.3.11

NL-LEZ-BV-B03-03 NL-TBS-04.01

Tb.6.5

4

De kinderen weten dat er medeklinkers en klinkers zijn.

6.5 6.7

1.2.2.78 1.2.3.47

NL-TBS-04.09 NL-TBS-04.17

9.1.1 9.3 Tb.7.1 Tb.23.4

5

De kinderen kennen de codes M (medeklinker) en K (klinker).

-

-

-

-

6

De kinderen kunnen een letter(groep) als medeklinker of klinker benoemen.

6.7

1.2.2.78

NL-TBS-04.09

-

7

De kinderen kunnen horen of er vooraan of achteraan in een woord één, twee of drie medeklinkers staan.

6.5

1.2.2.33 1.2.2.34 1.2.2.40

NL-TBS-04.04

3.3.2 3.3.2.1 3.3.2.3 Tb.6.3

8

De kinderen kunnen met losse letters woorden maken.

6.5

1.2.2.35

-

-

9

De kinderen hebben inzicht in de opbouw van woorden.

6.5 6.7

-

-

Tb.9.2

10

De kinderen kunnen woorden schrijven tot MMKMM.

4.7 6.5 6.7

1.2.2.56 1.2.3.38

NL-SCH-BV-03-B02-03 NL-SCH-BV-03-B02-04 NL-SCH-BV-03-B02-05

3.3.2.1 3.3.2.3 3.3.2.5

11

De kinderen weten wat werkwoorden zijn.

47 6.1 6.5 6.7

1.2.2.150 1.2.2.152 1.2.3.61

NL-SCH-DV-D04-02e-03 NL-TBS-05.16 NL-TBS-05.27

9.4.1 Tb.13.1

12

De kinderen ontdekken de structuur van werkwoorden: de +t-vorm.

6.5 6.7

1.2.2.150 1.2.2.152 1.2.3.61

NL-TBS-05.16 NL-TBS-05.17

4.1 4.2.1 9.4.1 Tb.13.2

Kijker 1 – Toets – Doelen

35


3

KIJKER 1

Eindtermen en leerplandoelstellingen Lesdoelen

ET

GO!

OVSG

De kinderen kunnen woorden schrijven met complexe medeklinkerclusters vooraan: spr, str, sch, schr …

4.7 6.5 6.7

1.2.3.38

NL-SCH-BV-03-B02-04 NL-SCH-BV-03-B02-04.02 NL-SCH-BV-03-B02-05

3.3.2.2 3.3.2.6

14 De kinderen kunnen woorden schrijven met complexe medeklinkerclusters achteraan.

4.7 6.5 6.7

1.2.3.38

NL-SCH-BV-03-B02-03 NL-SCH-BV-03-BO2-03.02 NL-SCH-BV-03-B02-05

3.3.2.4

15 De kinderen kunnen afleidingen schrijven van woorden met complexe medeklinkerclusters.

4.7 6.5 6.7

1.2.2.47

NL-TBS-05.06

Tb.9.4

16 De kinderen kunnen samenstellingen schrijven van woorden met complexe medeklinkerclusters.

6.5 6.7

1.2.2.140

NL-SCH-BV-03-B03-09 NL-TBS-05.05

Tb.9.3

17 De kinderen kunnen woorden schrijven op a, o en u.

4.7 6.5

1.2.3.10 1.2.3.49

NL-SCH-BV-03-B02-06 NL-SCH-BV-03-B03-02

1.2.4 1.2.5

18 De kinderen kennen de 6.7 begrippen grondwoord, afleiding en samenstelling.

1.2.2.151

NL-TBS-05.05 NL-TBS-05.27

Tb.9.3 Tb.9.4

19 De kinderen weten dat woorden samenstellingen vormen.

4.7 5.5 6.5 6.7

1.2.2.31 1.2.2.140

NL-TBS-05.05

Tb.9.3

20 De kinderen kennen het stappenplan om samenstellingen correct te schrijven.

-

-

-

-

21 De kinderen kunnen nadenken over de afzonderlijke woorden in een samenstelling en andere focussen toepassen.

4.7 5.5 6.5 6.7

1.2.2.31 1.2.2.140

NL-TBS-05.05

Tb.9.3

22 De kinderen kunnen samenstellingen schrijven.

4.7

-

NL-SCH-BV-03-B02-07.02 NL-SCH-BV-03-B02-07.03 NL-SCH-BV-03-B02-09.02

1.2.6

23 De kinderen kunnen samenstellingen schrijven met een dubbele medeklinker.

4.7

-

NL-SCH-BV-03-B02-09.01

3.9

24 De kinderen kunnen het pictogram van samenstellingen herkennen en interpreteren.

5.4 3.2

1.2.2.19 1.2.2.20

-

-

Samenstellingen

Hoorwoorden

13

36

Kijker 1 – Toets – Doelen

KathOndVla


3

KIJKER 1

Eindtermen en leerplandoelstellingen

Woorden met ng en nk

Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw

Lesdoelen

ET

GO!

OVSG

KathOndVla

25

De kinderen kennen de meertekenklanken aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en de tweetekenklank uw.

4.7 6.5

1.2.2.58 1.2.3.42

NL-LEZ-BV-B07-01

2.1.2 2.1.3

26

De kinderen weten dat de meertekenklanken nooit veranderen.

4.7 6.5

-

-

-

27

De kinderen kunnen woorden met meertekenklanken schrijven.

4.7 6.5

1.2.3.42

NL-SCH-BV-03-B02-02.01 NL-SCH-BV-03-B02-02.02

2.1.2 2.1.3

28

De kinderen kunnen afleidingen schrijven van woorden met een meertekenklank.

4.7 6.5 6.7

1.2.2.47

NL-TBS-05.06

Tb.9.4

29

De kinderen kennen de begrippen enkelvoud en meervoud.

6.7

1.2.2.136 1.2.2.152 1.2.3.61

NL-TBS-05.12 NL-TBS-05.27 NL-SCH-DV-D04-02c-07

Tb.10.3

30

De kinderen kunnen woorden schrijven met meertekenklanken, gevolgd door een doffe e.

4.7 6.5

1.2.3.42

-

2.2

31

De kinderen kunnen de passende vorm of het meervoud schrijven van woorden met meertekenklanken.

4.7 6.5 6.7

1.2.2.136 1.2.2.139 1.2.3.52 1.2.3.53

NL-SCH-DV-D04-02c NL-TBS-05.12 NL-TBS-05.23

Tb.10.3 Tb.12.1

32

De kinderen kunnen de +t-vorm schrijven van werkwoorden met een meertekenklank.

4.7 6.5 6.7

1.2.3.55

NL-SCH-BV-03-B02-03.02 NL-SCH-DV-D04-02e-01.01 NL-TBS-05.20

4.2.1

33

De kinderen kennen de tweetekenklanken ng en nk.

6.5

1.2.2.53 1.2.2.58

NL-LEZ-BV-B07-01

3.6.1 3.6.2

34

De kinderen weten dat de tweetekenklanken ng en nk nooit uit meer dan twee tekens of letters bestaan.

4.7 6.5

-

-

-

35

De kinderen kunnen woorden schrijven met ng en nk.

4.7 6.5

1.2.3.42

NL-SCH-BV-03-B02-03.01 NL-SCH-BV-03-B02-03.05

3.6.1 3.6.2

36

De kinderen kunnen afleidingen schrijven van woorden met ng en nk.

4.7 6.5 6.7

1.2.2.47

NL-TBS-05.06

Tb.9.4

Kijker 1 – Toets – Doelen

37


3

KIJKER 1

Eindtermen en leerplandoelstellingen

Hoofdletters en leestekens

Woorden met ng en nk

Lesdoelen

38

ET

GO!

OVSG

KathOndVla

37

De kinderen kunnen samenstellingen schrijven van woorden met ng en nk.

6.5 6.7

1.2.2.140

NL-TBS-05.05

Tb.9.3

38

De kinderen kunnen woorden schrijven met ng en nk, gevolgd door een doffe e, er, en, el of s.

4.7 6.5

1.2.3.42

-

-

39

De kinderen kunnen de passende vorm of het meervoud schrijven van woorden met ng en nk.

4.7 6.5 6.7

1.2.2.136 1.2.2.139 1.2.3.52 1.2.3.53

NL-SCH-DV-D04-02c NL-TBS-05.12 NL-TBS-05.23

Tb.10.3 Tb.12.1

40

De kinderen weten wat een werkwoord en een persoonsvorm is.

6.5 6.7

1.2.2.150 1.2.2.152 1.2.3.61

NL-TBS-05.16 NL-TBS-05.27

9.4.1 9.4.3 Tb.13.1 Tb.13.2 Tb.13.6

41

De kinderen kunnen de +t-vorm schrijven van werkwoorden met een stam op ng of nk.

4.7 6.5 6.7

1.2.3.55

NL-SCH-BV-03-B02-03.02 NL-SCH-DV-D04-02e-01.01 NL-TBS-05.20

4.2.1

42

De kinderen kennen de begrippen kleine letter en hoofdletter.

6.5 6.7

1.2.2.78 1.2.3.47

NL-SCH-BV-03-B01-03 NL-TBS-06.10

9.7 Tb.23.6

43

De kinderen schrijven een hoofdletter bij het eerste woord van een zin, bij namen en adressen, bij talen, bij wat heilig is en bij feestdagen.

4.7 6.5 6.7

1.2.3.60

NL-SCH-DV-D04-02d-01 NL-SCH-DV-D04-02d-02 NL-SCH-DV-D04-02d-03 NL-SCH-DV-D04-02d-04 NL-SCH-DV-D04-02d-05

7.1 7.2.1 7.2.3 7.2.4

44

De kinderen kennen de volgende leestekens op zinsniveau: punt, uitroepteken, vraagteken, komma en dubbele punt.

6.5 6.7

1.2.2.48 1.2.2.49 1.2.3.64

NL-LEZ-DV-D03-03-01 NL-LEZ-DV-D03-03-02 NL-LEZ-DV-D03-03-03 NL-LEZ-DV-D03-03-04 NL-LEZ-DV-D03-03-05 NL-SCH-DV-D04-03-08 NL-TBS-06.05 NL-TBS-06.10

9.6.2 9.6.3 9.6.4 9.6.5 9.6.6 Tb.26.1 Tb.26.2

45

De kinderen weten wanneer ze welk leesteken moeten schrijven in een zin.

4.7 6.5 6.7

1.2.3.13 1.2.3.62

NL-SCH-DV-D04-03-01 NL-SCH-DV-D04-03-02 NL-SCH-DV-D04-03-03 NL-SCH-DV-D04-03-04 NL-SCH-DV-D04-03-05 NL-SCH-DV-D04-03-06 NLSCH-DV-D04-03-07

6.1 6.2 6.3 6.4.1 6.4.2 6.5.1 6.5.2 6.6

Kijker 1 – Toets – Doelen


Kijker 1 – Toets – Turfblad

24

23

22

21

20

19

18

17

16

15

14

13

12

11

10

9

8

7

6

5

4

3

2

1

naam kinderen

fouten tegen

10

13

14, 16

Hoorwoorden 22

Samenstellingen 27, 28, 30 32

Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw 35, 36, 37

41

Woorden met ng en nk 43

45

Hoofdletters en leestekens andere fout score

3 KIJKER 1

39


Hoorwoorden

fruitvlieg

22

Samenstellingen

herfst

ringvinger

14, 16

sproeit

koorts

huisarts

13

zwart schreeuwen

huisarts

10

droomt schrift

frisdrank

fruitvlieg

zelfs

balpen

43

45

Hoofdletters en leestekens

frisdrank

Woorden met ng en nk

boekentas

Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw

droomt

slang

41

?

35, 36, 37

Lies

:

32

Zelfs

,

27, 28, 30

slang

Klinkers

.

Drinkt

ruwe

Klinkers

Drinkt

!

ringvinger

mooie

klanken

Lars

sproeit

koeien

frisdrank

nieuws

schreeuwen

bengel

Kijker 1 – Toets – Woordenlijst

40

KIJKER 1

3


3

KIJKER 1

Hoorwoorden De auditieve analyse is een belangrijke vaardigheid om correct te kunnen schrijven. Bij het spellen van woorden laten kinderen de inhoud los. Ze leren zich richten op wat ze horen en de vorm van woorden, dus niet op wat de betekenis is en wat ze begrijpen, zeker in de beginfase van spelling. Kinderen moeten leren alert zijn voor woorddelen, de kop van het woord, een klinker, een voorvoegsel … Het gaat er hier dus over in welke mate het kind een eenvoudig woord kan opdelen in letters, dus kan verletteren. Bij hoorwoorden horen eenvoudige woorden zoals mol, jeuk en beer, maar ook woorden met complexe medeklinkerclusters, zoals herfst, zelfs, schaar. Op pagina 43 vind je hiervoor een apart onderzoek, analyse en handelingsvoorstel.

Onderzoeken toets Kijker 1

Bekijk de toets die afgenomen werd bij de klasleerkracht. Je vindt voldoende woorden die op eventuele moeilijkheden wijzen.

Reflecteren en analyseren A Kan het kind de letters correct uitspreken? Twijfel je aan het gehoor van het kind? B Twijfel je eraan dat het kind wel al zijn/haar letters correct kan schrijven? Dan heeft hij/zij moeilijkheden met de basisleerstof van het eerste leerjaar: klank-letterkoppelingen. In dit geval dringt een verdere analyse zich op. Neem een lettertoets af. Twijfelen aan enkele letters kan een hypotheek leggen op het correct en vlot leren lezen/spellen.

C Kan het kind de volgorde van de letters onthouden en vasthouden? Wisselt hij/zij letters van plaats? Vergeet hij/zij letters?

D Kan het kind buurklanken onderscheiden? Dit zijn klanken die erg gelijkend zijn, bv. m en n, v en f, b en p …

Handelen A Heeft het kind logopedie nodig denk je? Overleg met een CLB-medewerker en anderen (schoolteam, dikwijls ook de ouders) die met het kind omgaan in schoolverband.

B Maak na het afnemen van de lettertoets een overzicht van de zwakke punten van het kind. Zo kun je bij het herhalen van de focus je instructie aanpassen en meteen differentiëren. Het is aan te raden om het materiaal van Verrekijker 2 erbij te nemen. Je vindt er tal van handelingstips. schrijvertje

Schrijfmotorische fouten zie je vooral bij de letters met beentjes: n, m, u, uu, v, w. Merk je hier een fout, vraag dan de geschreven (mede)klinker te benoemen. Leest hij/zij de gedicteerde (mede)klinker, dan zal je moeten oefenen aan de schrijfmotoriek van deze verbindingen.

Kijker 1 – Hoorwoorden

41


3

KIJKER 1 C Ga zo snel mogelijk naar grotere eenheden. Het kan immers zijn dat het kind minder moeite heeft met vl/ee/s dan met v/l/ee/s. Je laat het kind het woord dus niet verletteren (letter per letter), maar in grotere eenheden verdelen. Je benoemt vl als de kop, ee als de buik en s als de staart van het woord. Zo wordt broer ook br/oe/r. Je verkort nog verder door het woord te laten verdelen in twee: de kop en de rest van het woord. Vlees wordt dan vl/ees en broer wordt dan br/oer. Het kan dat overdadig analyseren leidt tot het verplaatsen van letters. Het kind kan daardoor de letters niet vasthouden.

bever 1

Je laat het kind woorden hakken en plakken (v/l/ee/s). Dit kan auditief of schriftelijk. Je gaat wel zo snel mogelijk over naar kop en staart (vl/ees).

D Ook in het derde leerjaar zijn er nog kinderen die letters die auditief niet zoveel verschillen, verwarren.

kopieerblad 1 woordenlijst 1 schrijvertje

woordenlijst 1 kopieerblad 2

42

Kijker 1 – Hoorwoorden

- klinkers: a of aa, i of ie, u of uu, maar ook ui, eu of u Pas de auditieve strategie toe. Zeg een woord en laat het kind de juiste klinker aanduiden. Zeg daarna een woord, laat het kind het woord herhalen en dan opschrijven. Nadat hij/zij het woord heeft opgeschreven, leest hij/zij het. Soms worden fouten opgemerkt en corrigeert hij/zij. Gaat het om een enkele fout, pas dan de onthoudstrategie toe. Oefen het woord systematisch via herhaling. - medeklinkers: f of v, b of p, d of t, m of n, z of s, g of h Pas de auditieve strategie toe. Het kind schrijft wat het hoort. Je kunt, bij twijfel, de woorden tegenover elkaar plaatsen. Probeer het woord met beide medeklinkers (niet schrijven, enkel uitspreken) en overdrijf met je uitspraak. bv. Spelen we in het zand of in het sand? Ben ik nu dom of tom geweest? Ben je mijn zus of sus?


3

KIJKER 1

Woorden met complexe medeklinkerclusters Woorden met complexe medeklinkerclusters, zoals herfst, zelfs, schaar, horen bij de focus 'Hoorwoorden'.

Onderzoeken toets Kijker 1

Bekijk de toets die afgenomen werd bij de klasleerkracht. Je vindt voldoende woorden die op eventuele moeilijkheden wijzen.

Reflecteren en analyseren A Kan het kind complexe medeklinkerclusters schrijven? Bij welke faalt hij/zij? B Kan het kind de complexe medeklinkercluster voldoende mooi schrijven en verbinden met de andere letters van het woord?

C Kan het kind complexe medeklinkerclusters verletteren? Kan hij/zij de volgorde van de letters onthouden en vasthouden? Kan hij/zij zeggen dat ‘str’ bestaat uit s/t/r?

D Kan het kind woorden met complexe medeklinkerclusters hardop herhalen? Spreekt hij/zij de medeklinkercluster correct uit?

Handelen A en B woordenlijst 1 schrijvertje bever 2

Oefen schrijfmotorisch. Laat het kind zowel de cluster op zich als woorden met deze cluster overschrijven.

C

woordenlijst 1 schrijvertje

straat straf stroom spreek

spraak Het is niet vanzelfsprekend om bij deze clusters een echte spreuk hoorstrategie toe te passen. Drie medeklinkers op rij onthouden spleet op gehoor (auditieve analyse: straat = s/t/r/aa/t) is moeilijk. Laat splits het kind de cluster als geheel erkennen. Enkel bij schr is een analyse mogelijk (sch + r). Wanneer je extra oefent, probeer je de cluster altijd als een geheel voor te stellen. Accentueer de medeklinkers door ze een kleur te geven, te omkringen of te onderstrepen.

Laat het kind vooral horen wat er geschreven wordt. Ik hoor ‘sg’, maar schrijf s/c/h. Vermijd daarbij altijd foute woordbeelden! Woorden met s/g vooraan bestaan niet.

A, B, C en D bever 3

Het kind leest rijtjes (straf, strak …) en schrijft een aantal woorden over. Nadat hij/zij een woord heeft geschreven, leest hij/zij het woord hardop.

kopieerblad 3

Het kind vormt woorden per cluster. Elk woord schrijft hij/zij op en leest hij/zij voor.

Kijker 1 – Hoorwoorden

43


3

44

KIJKER 1

woordenlijst 1 kopieerblad 3 bever 4

Het kind luistert naar het woord dat jij zegt, herhaalt het en duidt dan de cluster aan.

bever 5

Heel wat woorden met een medeklinkercluster op het eind zijn persoonsvormen. Volg steeds de logische woordopbouw. Geef hen inzicht in de structuur van het werkwoord (bots+t). Duid de letter t als uitgang aan met paars. Voeg ook een onderwerp toe. Het kind moet ervaren dat een onderwerp en een persoonsvorm steeds samengaan.

Kijker 1 – Hoorwoorden

Het kind categoriseert woorden volgens cluster. Hij/zij leest een woord hardop en schrijft het bij de juiste cluster. het

botst

jij

durft

Stan

plenst

hij

vormt

mama

zorgt


3

KIJKER 1

Samenstellingen Onderzoeken toets Kijker 1

Bekijk de toets die afgenomen werd bij de klasleerkracht. Je vindt voldoende samenstellingen die op eventuele moeilijkheden wijzen.

Reflecteren en analyseren A Schrijft het kind de woorden aan elkaar? Wordt de samenstelling erkend? B Kent het kind het stappenplan om samenstellingen te schrijven? Eerst verdelen, nadenken over de woorden en dan aan elkaar kleven?

C Schrijft het kind één van de twee woorden van de samenstellingen onverwacht fout, door de complexiteit van de samenstelling? (bv. de vier opeenvolgende medeklinkers in melkfles)

Handelen A bever 6 schrijvertjes 7 en 8

Ga samen met het kind op zoek naar de samenstellingen. Hij/zij markeert de samenstelling en splitst hem op een schrijvertje. Dit gebeurt telkens op dezelfde manier, als een som. bv. daar + achter = daarachter Sta stil bij de schrijfwijze van de aparte woorden. Laat hem/haar het moeilijke stukje onderstrepen. Bespreek de betekenis van de afzonderlijke woorden in de context van een zin. bv. ‘Ik snuit mijn neus met een zakdoek.’ Snuit je je neus met een zak? Of met een doek? Nee, met een zakdoek.

B en C Loepje p. 6 kopieerblad 4 schrijvertjes 7 en 8

Maak gebruik van het pictogram (het schaartje en de lijmstift) en laat het kind eerst mondeling en dan schriftelijk samenstellingen delen en aan elkaar kleven. Samenstellingen vind je bij elke woordenlijst. Laat het kind het stappenplan steeds opnieuw verwoorden. Het denken gebeurt hardop: horen, knippen, plakken. De moeilijkheid van de aparte woorden wordt besproken en eventueel aangeduid. Als je de afzonderlijke woorden kunt schrijven, kun je ook de samenstelling schrijven.

kopieerblad 5 schrijvertjes 7 en 8

Knip de woorden uit en laat het kind samenstellingen maken. Hij/zij verwoordt wat hij/zij doet (bv. tuin + plant = tuinplant). Laat hem/haar dezelfde woorden gebruiken voor verschillende samenstellingen. Vraag telkens naar de betekenis van de samenstelling.

Kijker 1 – Samenstellingen

45


3

KIJKER 1

Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw Onderzoeken toets Kijker 1

Bekijk de toets die afgenomen werd bij de klasleerkracht. Je vindt voldoende woorden die op eventuele moeilijkheden wijzen.

Reflecteren en analyseren A Kan het kind de meertekenklanken schrijven? Kan het kind de letters van de meertekenklank mooi met elkaar verbinden?

B Kan het kind de meertekenklank mooi met de andere letters in het woord verbinden?

C Schrijft het kind de meertekenklank correct wanneer er een doffe e volgt? D Kent het kind de afspraak dat deze meertekenklanken nooit veranderen? Dat de lettercombinatie steeds dezelfde is?

E Is er invloed van de katten- of berenafspraak op de meertekenklank? (bv. sneuwen, duwwen) F Schrijft het kind wat hij/zij hoort? (bv. duuw, oojevaar)

Handelen A, B en C woordenlijst 3 schrijvertje bever 7

Hecht belang aan het modelschrift. Geef veel schrijfoefeningen. De meertekenklanken hebben een moeilijk schrijfpatroon. Laat het kind de meertekenklanken en eenvoudige woordenrijtjes veelvuldig schrijven. Laat hem/haar ervaren hoe de woorden groeien, maar de meertekenklanken onveranderlijk blijven. Op die wijze werk je ook aan letterverbindingen met andere letters. Laat het kind de letters ook meezeggen. Ik hoor ‘eeuw’, ik schrijf ee/u/w. Ik hoor ‘aai’, ik schrijf aa/i.

D Loepje p. 18

De klankgroepen aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw zijn vaste en onveranderlijke klank-tekenkoppelingen. Op die onveranderlijkheid moeten we steeds opnieuw hameren. De afspraak ‘Die veranderen nooit!’ herhaal je dus dikwijls. Wat je ook met het woord doet (enkelvoud, meervoud, samenstelling, verkleinwoord …), de meertekenklank verandert nooit. Maak dit zichtbaar.

eeuw sneeuw sneeuwen het sneeuwt het sneeuwde het heeft gesneeuwd sneeuwman sneeuwvlokje

Let op voor eeuw, ieuw en uw. Dat zijn ondeelbare lettergroepen. Splits ze niet op in eeu+w, ieu+w of u+w. Bij een letterdoos gebruik je eveneens nooit de ‘eeu’. Deze bestaat als klank en als aparte lettergroep niet! Het splitsen van woorden (bv. leeu-wen, nieu-we) is geen leerstof voor de basisschool. Maak duidelijk dat er voor een w steeds een u komt: eeuw, ieuw, uw, auw en ouw. kopieerblad 6 schrijvertje 23

46

Laat het kind woorden vormen. De meertekenklanken worden als één lettercombinatie afgebeeld. De woorden worden overschreven.

Kijker 1 – Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw


3

KIJKER 1 E

Loepje p. 18, 30 en 31

Bij fouten als duuwen, meuwen, aien (fouten onder invloed van een open of gesloten lettergreep) kun je twee wegen uitgaan. - Je herhaalt de afspraak dat meertekenklanken nooit veranderen. - Je past de afspraak toe zoals in het Loepje bij woorden met open en gesloten lettergrepen. De meertekenklanken aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw zijn ‘andere’ klinkers. Je schrijft dus wat je hoort.

F Koppel steeds het klankbeeld (wat hoor je) aan het woordbeeld (wat schrijf je). Ook als het kind een woord met een meertekenklank leest of schrijft, laat je hem of haar de koppeling maken. Opgelet! Toon nooit het klankbeeld en dus een verkeerd woordbeeld. Dit wordt heel snel opgeslagen in het geheugen. Ik hoor ‘aaj’, ik schrijf aa/i. Ik hoor ‘ooj’, ik schrijf oo/i. Ik hoor ‘oej’, ik schrijf oe/i. Ik hoor ‘eew’, ik schrijf ee/u/w. Ik hoor ‘iew’, ik schrijf ie/u/w. Ik hoor ‘uuw’, ik schrijf u/w.

Kijker 1 – Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw

47


3

KIJKER 1

Woorden met ng en nk Onderzoeken toets Kijker 1

Bekijk de toets die afgenomen werd bij de klasleerkracht. Je vindt vooral woorden met ng en nk en slechts één persoonsvorm op nkt.

woordenlijst 2 schrijvertje

Je kunt bij twijfel enkele zinnen dicteren waarbij je het werkwoord op ngt en nkt herhaalt. In het roze kader doen we een voorstel. Je leest de zin (linkerkolom) en je herhaalt het onderwerp en de persoonsvorm (rechterkolom) tweemaal. De hond jankt.

hij jankt

Mama mengt bloem met water.

ze mengt

Emma verlangt naar haar bed.

ze verlangt

Mijn oma wenkt naar mij.

zij wenkt

Wie zingt daar een liedje?

wie zingt

Pas op dat je niet verdrinkt.

je verdrinkt

Reflecteren en analyseren A Is de klank-letterkoppeling geautomatiseerd? Twijfelt, schrapt, herschrijft het kind? Heeft het kind moeilijkheden met moeilijke woorden met ng en nk?

B Weet het kind dat het om tweetekenklanken gaat? Weet hij/zij dat het een klank is die bestaat uit twee tekens of letters?

C Hoort het kind het onderscheid tussen ng, nk en n? D Schrijft het kind ngk in plaats van nk? E Schrijft het kind persoonsvormen op ngt of nkt fout? F Verdubbelt het kind na de korte klinker? (bv. zinngen, drinnken)

Handelen A

48

Loepje p. 19

Het zijn net als aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw vaste en onveranderlijke klanktekenkoppelingen. Op die onveranderlijkheid moeten we steeds opnieuw hameren. De afspraak ‘Die veranderen nooit!’ herhaal je dus dikwijls. Wat je ook met het woord doet (enkelvoud, meervoud, samenstelling, verkleinwoord …), de tweetekenklank verandert nooit. Maak dit zichtbaar.

schrijvertje 29

Geef aandacht aan de moeilijke woorden links, langs, koningin, angst en vangst. Bespreek de opbouw en de betekenis van de woorden. Benoem steeds het grondwoord. Laat die woorden overschrijven en vraag om het moeilijke stukje te onderstrepen.

Kijker 1 – Woorden met ng en nk


3

KIJKER 1

links

links of rechts mijn linkerbeen of mijn rechterbeen de linkerzijde of rechterzijde link + s links voorbijgaan links van mijn vriend links afdraaien

langs

lang, lange, langer lang + s langs de rivier wandelen langs daar gaan

koningin

koning + in

angst

4 medeklinkers, zoals in vangst en langst

vangst

vang + st

B Loepje p. 19 woordenlijst 2

kopieerblad 7

Het zijn tweetekenklanken. Gebruik deze term om de schrijfwijze te ondersteunen. Een tweetekenklank is een klank waarvoor je twee tekens of letters nodig hebt om hem te schrijven. De afspraak ‘Nooit meer dan twee!’ herhaal je ook dikwijls. 1

2

n

g

n

k

Voor de moeilijke nk gebruik je een hulpje. We komen hierbij terug op het hulpje van Kooreman, althans in een eigen versie. De n en k vormen samen één klank. Ze zitten gezellig bij elkaar op de bank.

woordenlijst 2 schrijvertje

nk

Oefen het schrijven van de klank. Het schrijfmotorisch inslijpen blijft een belangrijk aspect van het automatiseren van klank-letterkoppelingen. Onderschat dit niet.

C Soms horen kinderen het verschil niet tussen 'oma zingt' en 'het schip zinkt'. Stel voor om het woord langer te maken, zoals bij de verlengingsafspraak bij woorden op d en t. Als je van ring, ringen maakt en van plank, planken, hoor je beter het onderscheid tussen beide tweetekenklanken. Stimuleer hen om na te denken over de betekenis van het woord. Zeker kinderen die moeite hebben om ze te onderscheiden op gehoor. Op een bank zitten we en we kunnen bang zijn voor een wolf. We zingen een lied en boten kunnen zinken. kopieerblad 8 woordenlijst 2

Laat het kind woorden categoriseren. Zeg/toon een woord en laat het kind de juiste letter(s) aanduiden: ng, nk of n.

Kijker 1 – Woorden met ng en nk

49


3

KIJKER 1 D Beklemtoon uitdrukkelijk wat je hoort en wat je schrijft. Ik hoor ‘ngk’, maar ik schrijf n/k. Het is een onveranderlijke tweetekenklank, dus je hebt maar twee letters nodig. Let op, je toont nooit wat je hoort. Je zal dus nooit ‘ngk’ visualiseren. Op die manier prent je een verkeerd beeld in.

E bever 8

Oefen persoonsvormen op ngt en nkt binnen de systematische werkwoordspelling. Je vertrekt steeds van de structuur van de persoonsvorm: stam + uitgang. zingen

ik zing

de juf zingt

ze zingt

drinken

ik drink

de hond drinkt

hij drinkt

Bij hardnekkige fouten vraag je te luisteren naar de wij-vorm. de juf zingt

ze zingt

zij zingen

de hond drinkt

hij drinkt

zij drinken

F Loepje p. 19

50

Sommige kinderen maken fouten als gevolg van de open en gesloten lettergrepen. Ze verdubbelen waar het niet mag. Na de korte klinker is maar één klank te horen. Je benadrukt de afspraak dat het een tweetekenklank is. Ng en nk krijgen nooit meer dan twee letters. Je kunt ook terugvallen op het feit dat er twee verschillende medeklinkers zijn, dus er niet verdubbeld wordt.

Kijker 1 – Woorden met ng en nk


3

KIJKER 1

Hoofdletters en leestekens Onderzoeken toets Kijker 1

Bekijk de toets die afgenomen werd bij de klasleerkracht. Je vindt voldoende leestekens en hoofdletters die op eventuele moeilijkheden wijzen.

Reflecteren en analyseren A Kan het kind van elke letter de hoofletter schrijven? B Weet het kind wanneer een woord een hoofdletter krijgt?

C Weet het kind waar welk leesteken geschreven wordt?

Handelen A

bevers 9-11

Het schrijven van hoofdletters kan aan het begin van het derde leerjaar zeker nog een probleem zijn. Dit moet goed geoefend worden. Oefen geïsoleerd (hoofdletters apart), maar ook als de eerste letter van namen, straten, steden, landen … Sommige namen zijn ook op een andere manier interessant bv. de medeklinkercluster in Aalst of de eind ee in Bree. Laat het kind de namen overschrijven. Vervang eventueel sommige namen door namen vanuit de leefomgeving van het kind (zijn/haar eigen naam, straat, stad …)

B en C Loepje p. 24 en 25

Herhaal de afspraken met behulp van het Loepje. Bij kinderen met spellingproblemen streef je sowieso minimale doelstellingen na. Je beperkt je tot de leestekens punt, uitroepteken, vraagteken en komma. Dit zijn de leestekens die wij het meest gebruiken als we schrijven. Je beperkt je tot de hoofdletters bij het begin van een zin, namen, straten, steden, gemeenten en talen.

kopieerblad 9

Vul de persoonlijke gegevens van het kind in. Leg dit (eventueel geplastificeerd) op de hoek van de bank. bv. Wie ben jij en waar woon jij? Hoera! Ik ben Lien Martens. Ik woon in Nieuwpoort in de Langestraat. Ik spreek Nederlands. Ik heb een papa, een mama, een broer, een oma en een opa.

Kijker 1 – Hoofdletters en leestekens

51


3

KIJKER 1

Kopieerblad 1

a i u ui e

52

Kijker 1 – Kopieerbladen

aa ie uu eu


3

KIJKER 1

Kopieerblad 2

f b d m z g

v p t n s h Kijker 1 – Kopieerbladen

53


3

54

KIJKER 1

Kopieerblad 3

str

spr

spl

sch

schr

ik

eek

eet

ool

ift

af

its

oen

oom

ip

aat

eep

oet

uik

at

rst

nst

rts

ee

ku

do

ve

wo

ke

ba

wi

bo

ba

mi

woo

ko

koo

a

Kijker 1 – Kopieerbladen


3

KIJKER 1

Kopieerblad 4

1 Ik hoor een samenstelling. 2 Ik verdeel de samenstelling en ik denk na over elk woord. 3 Ik kleef de woorden terug aan elkaar.

Kijker 1 – Kopieerbladen

55


3

56

KIJKER 1

Kopieerblad 5

buur

dool

rug

stro

man

hof

zak

halm

oog

Kerst

piep

zak

arts

mis

stem

mes

zee

schoor

knip

maan

man

steen

oog

dag

voor

ik

af

mee

deur

zelf

slag

gaan

bos

fruit

lees

tel

bes

boer

toets

raam

zuur

zwem

slag

huis

stof

les

room

dier

wal

tuin

rol

prop

vis

hek

schaats

vol

Kijker 1 – Kopieerbladen


3

KIJKER 1

Kopieerblad 6

aai

ooi

oei

eeuw

ieuw

uw

sel

ge

fr

h

kr

n

s

vl

t

w

d

f

k

m

pl

pr

sch

str

b

kn

schr

l

sn

spr

j

r

sl

in

erik

eel

e

er

en

st

ste

ster

tje

te Kijker 1 – Kopieerbladen

57


3

KIJKER 1

Kopieerblad 7

nk De n en de k vormen samen één klank. Ze zitten gezellig bij elkaar op de bank.

58

Kijker 1 – Kopieerbladen


3

KIJKER 1

Kopieerblad 8

ng

nk

n

angel

honger

streng

wang

ding

kring

tang

zanger

eng

stengel

tong

langs

gezang

pang

vinger

lengte

anker

drinken

klinker

stank

bank

flink

links

vonkje

blank

geschenk

pinkje

winkel

dank

klank

slanker

winkelier

Kijker 1 – Kopieerbladen

59


3

KIJKER 1

Kopieerblad 9

Identiteitskaart

Hoera!

mijn naam:

_________________________________________

Ik ben ______________________ (naam).

mijn voornaam:

_________________________________________

Ik woon in ________________ (gemeente

mijn adres:

of stad) in de _______________________

_________________________________ (straat) _______ (nummer)

____________________________ (straat)

_________________________________ (gemeente)

Ik spreek _____________________ (taal)

_________________________________ (provincie)

Ik heb ______ ouders, _______ broers en

_________________________________ (land)

_______ zussen (aantal gezinsleden).

Identiteitskaart

Wie ben jij en waar woon jij? Hoera!

mijn naam:

_________________________________________

Ik ben ______________________ (naam).

mijn voornaam:

_________________________________________

Ik woon in ________________ (gemeente

mijn adres:

of stad) in de _______________________

_________________________________ (straat) _______ (nummer)

____________________________ (straat)

_________________________________ (gemeente)

Ik spreek _____________________ (taal)

_________________________________ (provincie)

Ik heb ______ ouders, _______ broers en

_________________________________ (land)

_______ zussen (aantal gezinsleden).

Identiteitskaart

60

Wie ben jij en waar woon jij?

Wie ben jij en waar woon jij? Hoera!

mijn naam:

_________________________________________

Ik ben ______________________ (naam).

mijn voornaam:

_________________________________________

Ik woon in ________________ (gemeente

mijn adres:

of stad) in de _______________________

_________________________________ (straat) _______ (nummer)

____________________________ (straat)

_________________________________ (gemeente)

Ik spreek _____________________ (taal)

_________________________________ (provincie)

Ik heb ______ ouders, _______ broers en

_________________________________ (land)

_______ zussen (aantal gezinsleden).

Kijker 1 – Kopieerbladen


________

________

________

________

________

________

________

________

________

________

________

________

________

________

________

________

__________________

__________________

__________________

__________________

__________________

__________________

___________

___________

___________

___________

___________

___________

_____________________

_____________________

_____________________

_____________________

________ ________ ________ ________ ________ ________

sch schr rts rst mst lfs

________

________

________

________

________

________

________

_______________ _______________ _______________ _______________ _______________

spreuk straks stroom schor schil

_______________

________

________

________

________

________

________

________

________

_______________

_______________

koorts _______________

zelfs

films

schroef _______________

schrik

________

________

________

________

________

________

________

________

educatieve uitgaven

educatieve uitgaven

Focus Woorden met complexe medeklinkerclusters

___________

___________

_____________________

________

str

________

Ik schrijf de woorden over.

________

spr

Ik schrijf de medeklinkergroep over.

Bever 2

Focus Woorden met complexe medeklinkerclusters

___________

___________

_____________________

3

naam ____________________________ datum ________________

___________

___________

Ik verdeel het woord in een kop en een staart. Ik schrijf dan het woord op.

________

________

Ik verdeel het woord in een kop, een buik en een staart. Ik schrijf dan het woord op.

Bever 1

KIJKER 1

naam ____________________________ datum ________________

3

KIJKER 1


3 KIJKER 1 Bever 3

strip

streep

straf

sprint

spriet

spreuk

spraak

splinter

split

splijt

spleet

schuur

schuit

schoen

schat

herfst

schrift

schrik

schram

schraag

Ik lees de woorden.

straks liefst

hij golft

helft

borst ze kalft

films

dorst hij delft

barst

eerst

__________________

__________________

__________________

__________________

__________________

__________________

__________________

__________________

__________________

__________________

__________________

Ik schrijf enkele woorden over.

__________________

educatieve uitgaven

naam ____________________________ datum ________________ Focus Woorden met complexe medeklinkerclusters

3

KIJKER 1 Bever 4

spraak

komst

scherm

schroef

films

struik

barst

schrik

Ik lees het woord. Ik schrijf het woord bij de juiste groep medeklinkers.

strik

schor

sch…

spreuk

spr…

schr…

arts

str…

…rst

koorts

…rts

…mst

dorst

…lms

educatieve uitgaven

naam ____________________________ datum ________________

Focus Woorden met complexe medeklinkerclusters


papa ___________________

opa ____________________

juf _____________________

de hond _________________

Elza ____________________

oma ____________________

zij ______________________

Bas ____________________

Anke ___________________

hij _____________________

Joke ___________________

ik help

ik schuur

ik turn

ik volg

ik vorm

ik werk

ik schrijf

ik werp

ik zorg

ik spreek

ik dans

tuinstoel koorts onderuit arts bedtijd

stroom boom huisarts schram

voordeur

neus

plek

bos

darm

elftal druif

bak

bosbes

boek

rolluik

schuim

slagboom

kookboek

vrees

wipneus

speelplaats

volk

asbak

educatieve uitgaven

educatieve uitgaven

Focus Samenstellingen

jij ______________________

ik fiets

zalf

plaats

Ik markeer de samenstellingen.

Bever 6

Focus Woorden met complexe medeklinkerclusters

hij _____________________

ik scheur

3

naam ____________________________ datum ________________

mama __________________

ik durf

Ik schrijf de +t-vorm op. Ik lees het woord. Ik let op de medeklinkergroepjes.

Bever 5

KIJKER 1

naam ____________________________ datum ________________

3

KIJKER 1


3 KIJKER 1 Bever 7

KIJKER 1 Bever 8

o

o

a

u

e

o

a

w

w

i

i

i

ontvangen ik _______________

dwingen

dringen

brengen

behangen

ik _______________

ik _______________

ik _______________

ik _______________

hij _______________

hij _______________

hij _______________

hij _______________

hij _______________

3

e u

Ik schrijf de ik-vorm of stam. Ik schrijf dan de +t-vorm.

e e

Ik kleef de letters aan elkaar. Ik schrijf de meertekenklank tweemaal op.

i

saai

aai

_______________

_______________

_______________

ieuw

eeuw

_______________

schreeuw _______________

eeuwen

_______________

_______________

_______________

schenken

janken

bedanken

verlangen

vangen

ik _______________

ik _______________

herdenken ik _______________

blinken

ik _______________

ik _______________

ik _______________

ik _______________

ik _______________

hij _______________

hij _______________

hij _______________

hij _______________

hij _______________

hij _______________

hij _______________

hij _______________

hij _______________

fraai _______________

kieuw

_______________

stinken

hij _______________

ik _______________

ooi

_______________

nieuwer

_______________

verdrinken ik _______________

hij _______________

springen

hooi

_______________

uw

_______________

ik _______________

w

plooi

_______________

duw

wenken

u

oei

_______________

_______________

Ik schrijf over.

foei

schuw

Focus Woorden met ng en nk

educatieve uitgaven

naam ____________________________ datum ________________

roeier _______________

educatieve uitgaven

naam ____________________________ datum ________________ Focus Woorden met aai, ooi, oei, eeuw, ieuw en uw


________________________ ________________________

de stad Rome

________________________

het land Polen Roos

________________________

________________________

de stad Oostende Pieter

________________________

________________________

de stad Nieuwpoort Oskar

________________________

Noor

het kleine landje Malta ________________________

________________________

________________________

de provincie Limburg Marie

________________________

________________________

de stad Kortrijk Lien

________________________

Kobe

educatieve uitgaven

educatieve uitgaven

Focus Hoofdletters en leestekens

________________________

de gemeente Ieper

R

P

O

N

M

L

K

Focus Hoofdletters en leestekens

________________________

________________________

de gemeente Hoei

Inge

________________________

________________________

de gemeente Gistel

Hans

________________________

________________________

opa spreekt Frans

Greet

________________________

________________________

begrijp jij Engels?

Fien

________________________

________________________

hij spreekt Duits

Elke

________________________

________________________

de gemeente Bree

Daan

________________________

Bert

________________________

het land Japan

naam ____________________________ datum ________________

I

H

G

F

E

D

B

________________________

de stad Aalst

________________________

Jan

J

________________________

An

A

Bever 10 Ik schrijf de namen over. Ik gebruik hoofdletters.

3

Ik schrijf de namen over. Ik gebruik hoofdletters.

Bever 9

KIJKER 1

naam ____________________________ datum ________________

3

KIJKER 1


3 KIJKER 1 Bever 11

Vlaams spreken

Veerle

de Duitse stad Ulm

Ube

de stad Turnhout

Tuur

het land Spanje

Saar

_______________________

_______________________

_______________________

_______________________

_______________________

_______________________

_______________________

_______________________

_______________________

Zoran

_______________________

_______________________

de gemeente Westende _______________________

Wolf

Ik schrijf de namen over. Ik gebruik hoofdletters. S

T

U

V

W

Z de gemeente Zoersel

educatieve uitgaven

naam ____________________________ datum ________________ Focus Hoofdletters en leestekens


Turn static files into dynamic content formats.

Create a flipbook
Verrekijker 3 Spelling Extra - Kijker 1 by die Keure - Issuu