Wat te lezen?

Page 1

ATHENAEUM ATHENAEUM BOEKHANDEL BOEKHANDEL 28 november 2012 / € 1

Wat te lezen?

Literatuurkritiek tussen gezag en populisme / ‘Brief aan mijn criticus’ van Franca Treur / De recensent gerecenseerd Plus aanraders voor fijnproevers


primeur in nederland

12-09-2012 t/m 13-01-2013

erotique rodin www.singerlaren.nl


4

Colofon De Groene Amsterdammer groene.nl Hoofdredactie Xandra Schutte Redactie Joost de Vries Vormgeving Christine Rothuizen (ontwerp) ­Foto­redactie Simone Berghuys, Richard de Boer Eindredactie Rob van Erkelens, Hugo Jetten ­ Webredactie Katrien ­Otten Medewerkers Bart van den Bosch, Karianne Bueno, Pieter Hoexum, Joop Hopster, Auke Hulst, Marleen Louter, Franca Treur, Arjen van Veelen, Christiaan Weijts, Esther Wils, Karlijn de Winter Acquisitie Tiers Bakker Uitgever Teun Gautier Omslag Jeroen Henneman Namens Athenaeum Boekhandel verzorgden Maarten Asscher en Daan Stoffelsen de samenstelling van deze bijlage. De reeks schilderijen op en in deze bijlage is van de hand van Jeroen Henneman (jeroenhenneman.com). De volledige reeks hangt in de Athenaeum Boekhandel in Amsterdam. Voor hun medewerking aan deze bijlage komt niet alleen dank toe aan de auteurs en aan Jeroen Henneman, voor hun bijdragen aan de inhoud, maar ook aan Esther van Dijk, Emilie Franse en Fleur Kief. Athenaeum Boekhandel is een onafhankelijke, academische en literaire boekhandel in Amsterdam en Haarlem. Op athenaeum.nl zijn wekelijks nieuwe recensies, leesfragmenten en het internationale boekennieuws te vinden, maar het is ook een winkel, dag en nacht open, met een assortiment van miljoenen boeken en duizenden tijdschriften. athenaeum.nl

Wat te lezen? Tussen gezag en populisme Essay over literatuurkritiek Joost de Vries

7

Beste recensent Voor mij ben je god Franca Treur

8

Een muur tussen jezelf en de ander Maartje Wortel schermt af en onthult Karlijn de Winter

9

Aan een kruis of in een gesticht De verbazing van Coen Simon Pieter Hoexum

10

Het menselijke in de wetenschap gerehabiliteerd Rens Bod over de verworvenheden van humanoria Bart van den Bosch

11

Lof der zachtheid Stéphane Audeguy vecht tegen lompheid Arjen van Veelen

12

Gemaskerd boekenbal Over online kritiek Auke Hulst

14

Een kushokje op de kermis Uppercase: tijdschrift vol fictieve plekken Karianne Bueno

15

Een vliegwiel voor verbeelding Jaap Goedegebuure over de terugkeer van God in de literatuur Marleen Louter

16

Evolueren tot barbaar Alessandro Baricco over het verlies van het waardevolle Esther Wils

17

Vechten om Herakles Richard Miles over de strijd van Hannibal Joop Hopster

18

Verdomme, die ’t Hart! De literatuurkritische pikorde Christiaan Weijts

Een goed advies Wie kun je nog vertrouwen? De critici en hun paar honderd woorden met twee of drie sterren? De amateurlezers en hun blogs? De zure reaguurders bij Bol en Amazon? De flapteksten en quotes van uitgevers? De long-, short-, ­tip-, top- en bestsellerlijsten? De algoritmes? Vir­ tuele of echte vrienden? Op welke leesoordelen van anderen durft een boekenliefhebber nog af te gaan? En waren aanbevelingen van recensenten vroeger betrouwbaarder? Deze bijlage, een samenwerking tussen Athenaeum Boekhandel en De Groene Amster-

dammer, stelt dergelijke en andere vragen over het lezen en laten lezen van boeken, en sug­gereert daarbij een aantal antwoorden, ook in de vorm van recensies die eerder op ­athenaeum.nl stonden. Bij elkaar een magazine vol lees­adviezen. Met de complimenten van het huis. Namens de Athenaeum Boekhandel, Maarten Asscher Daan Stoffelsen 28.11.12 De Groene Amsterdammer 3


Essay Literaire nivellering

Altijd vijf ballen zijn geen ballen Zijn we in de literaire wereld niet te vriendelijk geworden? Dat elke roman bewondering verdient, zoals Dave Eggers zegt, riekt naar intellectuele zelfmoord. Door Joost de Vries Beeld Jeroen Henneman

Veruit de aardigste ‘vriend’ in mijn contactenlijst op Facebook is Murat Isik. Ik kreeg een vriendverzoek van hem toen ik iets meer dan twee jaar geleden een Facebook-account aanmaakte, omdat, zo had de pr-medewerkster van mijn uitgeverij me op het hart gedrukt, dat de beste manier was om mijn roman online te promoten. En dus accepteerde ik in die tijd ook de vriendverzoeken van mensen waar ik nog nooit van gehoord had, zoals Murat Isik. Isik, las ik op zijn profielpagina, werkte zelf aan een roman, Verloren grond, die bij uitgeverij Ambo zou verschijnen. In de maanden en jaren daarna vertelde hij zijn ‘vrienden’ hoe ver hij al was, zoveel hoofdstukken voltooid, zoveel hoofdstukken nog te gaan. Zoals veel schrijvers liet hij dolblij de cover zien toen deze eenmaal was ontworpen, vertelde hij hoe trots hij was toen hij voor het eerst in de aanbiedings­folder van Ambo stond. Hij berichtte onverholen enthousiast over zijn naderende boek, hoe hij daar naar uitkeek, welke mensen hij dankbaar was voor hun steun en hulp. Toen het boek er eenmaal was, postte hij elke recensie, elk interview, elke optreden, elk wissewasje. En al zijn Facebook-vrienden reageerden steeds even blij. Van elke nieuwe druk maakte hij melding, waar mensen hem weer voor feliciteerden, waar hij ze weer voor bedankte. De toon was steeds: trots, verbaasd over en dankbaar voor zijn succes. Uit alles bleek dat Isik genoot van zijn schrijverschap en de literaire wereld als een nieuwe, vriendelijke schoonfamilie beschouwde. Toen ik dit jaar jarig was, vlak voordat Verloren grond verscheen, feliciteerde Isik me niet op mijn openbare wall, maar stuurde hij me zelfs een persoonlijk bericht. Dat doet mijn broer niet eens, maar die had dan ook geen nieuwe roman die een paar weken daarna zou verschijnen. In al die tijd heb ik Isik misschien één keer iets boos horen zeggen, maar dat was over Jack van Gelder en waarom Jack steeds zo over de jonge Ajax-middenvelder Christian Eriksen zat te klagen bij Studio voetbal – al zou het antwoord op die vraag evident moeten zijn, namelijk dat Eriksen met al zijn talent als aanvals-

Op Facebook en Twitter kan de literaire wereld er soms uitzien als een zichzelf constant feliciterende massa 4 De Groene Amsterdammer 28.11.12

leider veel te weinig dreiging naar de goal toe veroorzaakt. Of omdat hij, wanneer Ajax slap speelt, meegaat in die slapte in plaats van het team er bovenuit te tillen. Maar Jack van Gelder is dan ook de meest onderschatte tv-persoonlijkheid van Nederland. Uiteindelijk heb ik Facebook nooit echt gebruikt als pr-middel. Als er een positieve recensie verscheen, vond ik het very uncool deze op mijn wall te posten; als er een negatieve verscheen zweeg ik die liever dood. Murat Isik heb ik tot op de dag van vandaag nooit ontmoet, en de suggestie dat hij mij als criticus alleen feliciteerde om zichzelf in een goed daglicht te zetten aangezien zijn boek bijna verscheen, zegt ongetwijfeld meer over mijn cynisme dan iets over Isik. Verloren grond heb ik nooit gelezen, om de eenvoudige reden dat ik me erg oncomfortabel had gevoeld als ik het zou moeten bespreken in De Groene Amsterdammer. Want wat als ik het vreselijk had gevonden? Wat als ik het met clichés aan elkaar geregen pathetische nep-literatuur had gevonden? Had ik dat na twee jaar zijn ups & downs, zijn hopes & fears over zijn eerste roman meegemaakt te hebben zwart-wit hebben durven opschrijven? Als Facebook-vriend zou ik deel uitmaken van zijn teleurstelling, door mezelf veroorzaakt. Murat Isik is hier slechts een voorbeeld: er zijn talloze schrijvers die een dergelijke online persona hebben. Op Facebook en Twitter kan de literaire wereld er soms uitzien als een zichzelf constant feliciterende massa, bestaande uit schrijvers, redacteuren, boekverkopers, recensenten, uitgevers, fictieliefhebbers, bloggers en familieleden van, die het allemaal permanent met elkaar eens zijn. Ik heb altijd een hekel aan dit soort Grote Uitspraken, nostalgisch naar een verleden waarvan ik niet weet of het ooit echt zo heeft bestaan – maar ik ontkom soms niet aan het idee dat de tijd waarin schrijvers fundamenteel kritische wezens waren voorbij is. (Tenminste, in het openbaar: de schrijvers die je op borrels spreekt zijn zelden allemansvrienden, ze houden elkaars literaire aandelenkoers nauwgezet in de gaten, of zoals Gore Vidal opmerkte: ‘Every time a friend of mine succeeds, I die a little.’ Anders gezegd: ‘It is not enough to succeed. Others must fail.’) Boeken worden geprezen en dan, wanneer de rollen zijn omgedraaid en de ander heeft een boek, prijst de geprezene rechtstreeks terug. Recensie in de Volkskrant: Like! Interview in Het Parool: Like! Het geldt ook als je de sociale media buiten beschouwing laat, iets wat je helemaal merkt als je een boekenbijlage aanstuurt: vrijwel elk verzoek aan een auteur om iets over


28.11.12 De Groene Amsterdammer 5


een andere (nog levende) auteur te schrijven wordt afgewezen, veelal met het argument dat de auteur zich daar niet gemakkelijk bij voelt. De vele auteurs met blogs gebruiken die ruimte vooral, lijkt het wel, om te benadrukken wat ze mooi vinden. Iets wat natuurlijk, dat moet gezegd, een goed recht is. Het is ook leuker iets mooi te vinden dan niet – en het is helemaal leuker om iemand een compliment te geven dan om uit te leggen waarom je het slot van zijn roman niet vond aansluiten bij het middendeel. Je voelt je als criticus al snel zo’n bruut als je opschrijft dat dit-en-dit boek een flink potje kut is. Het is de taak van de criticus per definitie kritisch te zijn, wat iets anders is dan per definitie negatief. Afkraken is niet het doel, grondig doorlichten wel. Wat is kritiek? Karl Marx beschreef het mooi. Op een perfecte dag in een perfecte wereld zou de blije burger ’s ochtends jagen, ’s middags vissen, het vee bijeen drijven in de avond en hij zou ten slotte ‘kritiseren na de avondmaaltijd’. Met kritiseren bedoelde Marx het maken van onderscheid. Hij bedoelde praten over ideeën, over esthetiek en moraliteit alsof deze dingen ertoe doen (en dat doen ze). Hij bedoelde langer nadenken over de manier waarop ideeën en boeken zich aan je presenteren. Hij bedoelde onder woorden proberen te brengen waarom iets goed is en iets anders niet. Hij bedoelde dat niet iedereen een gouden medaille verdient op sportdag, dat er gradaties zijn die de diepte maken. De meest ideale rol van de criticus werd dit jaar verwoord door Daniel Mendelsohn, auteur van de bestseller The Lost, over de holocaust en zijn familie, en een van de toonaangevende critici van theater en literatuur in Amerika. Het stuk stond op de website van The New Yorker en was getiteld ‘A Critic’s Manifesto’: ‘In al die jaren dat ik (recensenten) las, terwijl ik door de middelbare school heen ging en door de universiteit, kwam het nooit in me op dat ze me echt probeerden te overtuigen om die ene voorstelling te zien, dit of dat boek te kopen, of die en die film te zien; ik stelde me ook niet voor dat er neerbuigend tegen me werd georeerd of dat ik gemanipuleerd werd, of dat ik niet het recht had het met ze oneens te zijn. Ik dacht over deze critici als leraren, en net als alle goede leraren doceerden ze door het juiste voorbeeld te geven; en ze gaven dat voorbeeld, week na week, door te laten zien hoe ze tot hun beoordeling kwamen (het woord critic, leerde ik later, komt van het Griekse woord voor “rechter”).’ Leon de Winter zei eens in een interview (woorden die ongetwijfeld nog door een heel dozijn andere verbolgen auteurs in soortgelijke variaties zijn geuit): ‘Iedereen wil schrijver worden, niemand wil criticus worden.’ Maar toen ik op de School voor Journalistiek zat leek het me een droom om met over literatuur schrijven geld te verdienen, zoals er ook volop studenten in mijn klassen ervan droomden om film­ criticus of muziekcriticus te worden. 6 De Groene Amsterdammer 28.11.12

Of anders wilden ze wel voetbalcommentator worden – om Jack van Gelder er nog eens bij te halen, wiens wedstrijdverslagen op de radio in feite recensies in real time zijn. Mendelsohn wees erop dat New Yorkerfilmcritica Pauline Kael door het enthousiasme van haar recensies, haar overdreven gestileerde en zorgvuldig gekozen woorden, haar grandioze sweeping statements hem het gevoel gaf dat er heel wat op het spel stond als hij naar de film ging (en dat staat er ook). Mendelsohn schreef dat hij nooit zou vergeten dat een critica opmerkte dat het te vroege overlijden van een geliefde dichter (James Merrill) haar zo droevig stemde omdat de dichter haar nu niet kon leren hoe ze ouder moest worden. Dus daar was poëzie voor, leerde ze Mendelsohn, het liet je zien hoe te leven! Mendelsohn reageerde op een discussie die in de VS was opgelaaid over de rol van de recensent, naar aanleiding van twee critici die hadden aangegeven niet meer negatief te willen recenseren. De eerste was Lev Grossman van Time Magazine, daarna schreef Laura Miller, chefcritica bij het gerenommeerde online magazine Salon.com, er een essay over. Miller prees een bespreking van een tv-critica over een

Een rechter hoeft geen moord te hebben gepleegd om een moordenaar te veroordelen

nieuwe serie van de beroemde scriptschrijver Aaron Sorkin (The West Wing, The Social Network), waarin de critica niet alleen de methodeSorkin tegen het licht hield, maar ook uitlegde waarom het vreselijk voorspelbare, eigengeile televisie opleverde. Maar zou ik, schreef Miller, ook zo’n soort stuk over een roman schrijven? Nee. Een intens negatieve recensie van een film of serie van Sorkin heeft een concreet nut; zijn films trekken miljoenen kijkers, waardoor ze algemeen cultuurgoed zijn. Zelfs mensen die een bepaalde film niet gezien hebben, kunnen baat hebben bij een negatieve recensie. Maar dat geldt niet voor romans, vervolgde Miller, want ‘the average new book is invisible to the average reader’. We leven in een wereld waarin je niet meer kunt verwachten dat de gemiddelde burger met een universitair diploma tien romans per jaar leest, waarin je niet zonder meer kunt verwachten dat iemand zelfs gehypete auteurs als Jonathan Franzen of Dave Eggers zonder meer kent. Ze zei het niet met zoveel woorden, maar Miller pleitte ervoor om in grote publicaties (de kranten en tijdschriften voor een massapubliek) als criticus aansluiting te vinden bij de mensen die nog te

redden zijn, de potentiële boekenlezers, en hen te wijzen op boeken die ze interessant zouden vinden, om ze lezende te houden. In het debat dook Dave Eggers ook zelf op, niet actief maar passief; verschillende keren werd een oud interview met hem geciteerd waarin hij zei: ‘Don’t be a critic, you people, I beg you. I was a critic, and I wish I could take it all back (…) Do not dismiss a book until you have written one, and do not dismiss a movie until you have made one, and do not dismiss a person until you have met them. It is a (expletive) of work to be open-minded and generous and understanding and forgiving and accepting, but Christ this is what matters. What matters is saying yes.’ Het eerste deel van Eggers’ uitspraak is het makkelijkst te weerleggen: je hoeft geen roman geschreven te hebben om er een te kunnen beoordelen (al denk ik, maar dat is een heel ander gesprek, dat je een diepere affiniteit met en meer fingerspitzengefühl voor fictie krijgt als je zelf eens tweehonderd bladzijden hebt geschreven), zoals een rechter geen moord gepleegd hoeft te hebben om een moordenaar te veroordelen, een arts geen ziekte gehad hoeft te hebben om die te kunnen genezen en ik Jack van Gelder nooit hoef te hebben ontmoet om te weten dat ik met mijn diepste zielenroerselen supergezellig bij hem terecht zou kunnen. Het probleem dat Eggers hiermee oproept is heel erg Den Haag 2012, namelijk nivellering. Als alle romans, in de suggestie van Eggers, bewondering verdienen, dan is die bewondering gebaseerd op het bestaan van een boek, niet op de werkelijke merites. Het vervlakt elke piek en elk dal in het literaire landschap. Altijd vijf ballen zijn geen ballen. Ballen zijn bij boekbesprekingen een endemisch fenomeen. The Guardian, Le Monde, The New York Times hebben ze niet. Ze zijn een typisch Nederlands verschijnsel (al zei een NRC-recensent tegen me, voor de goede verstaander: ‘Nou, ze zijn vooral een typisch Belgisch verschijnsel’). Miller kreeg meer kritiek dan bijval. De senior recensent van The New York Times, Dwight Gardner, trok zijn conclusies uit Eggers’ opmerkingen en noemde het een pleidooi voor ‘mass intellectual suicide’. Gardner schreef: ‘Als een kunstwerk je iets doet voelen of denken, dan zegt (Eggers) in feite: “Houd het dan voor je.” Wat hij voorstelt is een zombie-natie, waar spitsvondigheid en dispuut afgelegd kunnen worden. Een plek waar geen denkende geest van boven de zeven ook maar een middag door zou willen brengen. Everyone would, on the up side, get a gelato.’ Daar valt verder weinig aan toe te voegen. Mijn moeder waarschuwde me toen ik klein was en constant om ijs en drop zeurde dat als ik de hele dag ijs en drop zou eten ik het in no time niet meer lekker of bijzonder zou vinden. Joost de Vries is redacteur en criticus van De Groene Amsterdammer. Hij debuteerde in 2010 met de roman Clausewitz


jeroen henneman

Beste recensent, Wat ik van je wil, dat weet je al lang, maar ik wil het nog wel een keer voor je uitspellen. Dat je m’n boek aan de man brengt, met aanprijzingen als ‘weergaloos’, ‘mateloos intrigerend’, ‘aanstekelijk’ en ‘bijzonder geslaagd’ en ‘alle toch al hoge verwachtingen overtroffen’. Dat je de lezer wat lekkere brokjes voorschotelt van de veel­belovende verhaallijn, maar natuurlijk niet alles. Dit gedeelte van je recensie laat je dan eindigen met iets ronkends, ‘spectaculaire finale’ of zo. Of apotheose. Verzin maar iets. Maar kopieer het niet rechtstreeks uit de brochure van de uit­ geverij of de achterflap, dan geloven ze je niet. Ik zou het ook leuk vinden als je iets aardigs zegt over de psychologie van de karakters, bijvoorbeeld dat die zo mooi uitgediept zijn. Een beetje een cliché, maar lezers willen dat weten. Verder stel ik het erg op prijs dat je de beste zinnen uit mijn boek in z’n geheel citeert, waaraan dan toegevoegd wordt: ‘aan haar raffinement herken je de echte schrijver’. Maar vooral dat je iets filosofisch/diepzinnigs schrijft over een bepaald gegeven/idee/motief. Liefst iets wat ik zelf ook nog niet zo duidelijk heb voor mezelf, maar dat zéker de kern is van het boek. Schrijf gerust dat het ogenschijnlijk eenvoudig is opgeschreven, dat het niettemin ingewikkelde materie is, maar met brille behandeld. Wat het literatuur maakt in haar puurste vorm. Vergeet niet te zeggen dat het nergens mee te vergelijken is en dat je nog nooit zoiets opwindends hebt gelezen. Eindig, als je niet al je kruit al verschoten hebt, met iets over het plezier, de rijkdom en de kracht van

deze roman. Dit alles graag enthousiast opgeschreven, en bezield en met verstand van zaken. Maar waar heb ik het over? Ik héb nog helemaal geen boek te verkopen. Als iedere andere literatuurliefhebber ben ik alleen maar iemand die recensies leest om nieuwe boeken te vinden. Ik wil op nieuwe dingen gewezen worden, of op onterecht vergeten parels, dingen die ik niet wil missen. Ik wil verleid worden om direct naar de boekhandel te fietsen. Snel, met het eierpannetje nog op het gas, m’n jas nog open, ongepoetste tanden, bang dat al die andere krantenlezers of Tros Nieuwsshow-luisteraars me anders voor zullen zijn. Ook wil ik een recensie lezen en dan denken, verdomme, ik wou dat ik dat ook allemaal wist, dat ik niet zo achterliep. Na je recensie snap ik waarom al die andere ontwikkelingen in de literatuur ook niet uit de lucht zijn komen vallen, maar dat er verbanden zijn met dit en met dat. Met bewegingen in de actualiteit, de wetenschap, de filosofie, de kunst, de politiek. En die verbanden lees ik dan in je recensie. Ik heb graag dat je slim bent, ja. En belezen.

Voor mij ben je god: alwetend, rechtvaardig. Eentje die de schapen van de bokken scheidt

Ik wil vooral ook zéker weten of ik naar de winkel moet. Daarom moet ik je kunnen vertrouwen. Ik moet je smaak kennen, en wat je schrijft op waarde kunnen schatten. Ik moet ook zeker weten dat je niet corrupt bent. De slechte boeken bespreek je beter niet. Ik lees liever een positieve recensie dan een negatieve. Maar ik wil wel van je lezen hoe je het volgende boek vindt van de auteur die je een paar jaar geleden zo bejubelde. Is deze weer zo goed? Als dat niet zo is, is een kleine recensie voldoende. Debuten die je slecht vindt, hoef je niet te doen. Matige debuten waarin talent fonkelt alleen kort. Van boeken van auteurs die je altijd slecht vindt, hoef ik niet te weten dat je dat deze keer weer vindt, maar ik wil er wel van op aan kunnen dat je voor de zekerheid nog even kijkt. Misschien heeft die schrijver inmiddels toch het licht gezien. Ik wil dat je de tijd ervoor uittrekt. Dat je het recenseren er niet even bij doet, naast je taken als leraar, boekverkoper, redacteur, dichter, boekenschrijver, huisman of -vrouw, vader of moeder. Beste recensent. Voor mij ben je god. Fulltime god. Zo’n ouderwets christelijke: alom­ tegenwoordig, alwetend, rechtvaardig, volmaakt en wijs. Eentje die de schapen van de bokken scheidt. Zo’n god maakt het, denk ik, verder niet zo veel uit wat Franca Treur er allemaal van vindt.

Franca Treur

Franca Treur is schrijfster. Ze debuteerde in 2009 met de roman Dorsvloer vol confetti 28.11.12 De Groene Amsterdammer 7


Afschermen en onthullen bij Maartje Wortel

Een muur tussen jezelf en de ander In de debuutbundel van Maartje Wortel is in veel verhalen een zekere spanning voelbaar: waar ligt de grens tussen privé en publiek, en waarom voelen mensen soms de behoefte die te overschrijden? Door Karlijn de Winter

Voor wie zijn huis te koop heeft staan, voelt het een beetje of hij ook een deel van zichzelf te koop heeft gezet. Op het eerste gezicht misschien een sentimentele gedachte, maar na het lezen van het verhaal ‘Verkocht’ uit de debuutbundel van Maartje Wortel ben je gedwongen die gedachte Maartje wel degelijk serieus te Wortel nemen. ‘En hij wilde erbij Dit is jouw huis zijn. Hij moest zien wie zijn De Bezige Bij, plek in zou kunnen nemen. € 14,90 Een geslaagd vervolg van zijn leven, buiten hem om,’ schrijft Wortel over de hoofdpersoon, als hij door de makelaar verzocht wordt niet aanwezig te zijn bij het bezoek van een koper. Het huis blijkt een even simpel als doel­ treffend symbool te zijn van iemands privé-­sfeer, een ruimte waarbinnen je je kunt afsluiten voor de buitenwereld en waar je andere mensen als indringers ervaart. Dat idee keert regelmatig terug in Wortels bundel Dit is jouw huis. In het titelverhaal is de hoofdpersoon echter niet de ‘bedreigde’, maar juist iemand die zelf inbreuk pleegt op de persoonlijke leefwereld van een ander. Zij (of hij?) doet dat door foto’s te maken van huizen, zomaar huizen in zomaar een ­willekeurig uitgekozen plaats, Haarlem. Waarom hij of zij die huizen fotografeert blijft in het midden. Is het daadwerkelijk om het gevoel van geborgenheid van de bewoners te verstoren, hun te laten voelen dat ze niet veilig alleen zijn maar door een ander worden begluurd, of speelt er nog een ander verlangen mee? ‘Ik weet niet zeker of ik onrust wilde stoken. Misschien wel. Maar misschien ging het ook wel om iets in mij’, denkt de verteller. Het wijst op een spanning die in veel van de verhalen voelbaar is: waar ligt de grens tussen jezelf en de 8 De Groene Amsterdammer 28.11.12

ander, en waarom voel je soms de behoefte die te overschrijden? In de verhalen van Wortel waarin personages thuis gasten ontvangen of zelf bij andere mensen op bezoek gaan, krijgt die spanning steeds een nieuwe, concrete invulling. Nu eens treft iemand in zijn tuin een vreemd, zwijgend kind aan, dat hij mee naar binnen neemt en bij hem laat ­logeren. Dan weer komt een televisieploeg over de vloer bij een oude dame opdat zij voor de camera over de liefde van haar leven kan ­vertellen. Niet alleen in huizen wordt het thema van privé versus publiek opgeroepen, regelmatig gebeurt dat ook in andere omgevingen, zoals in de besloten spreekkamer van de huisarts waar patiënten, eenmaal neergeploft op een stoel, ineens tegen een relatieve ‘vreemde’ hun hart luchten. De overkoepelende thematiek lijkt ook zijn weerslag te hebben op het taalgebruik. De korte zinnen zijn ogenschijnlijk eenvoudig, en bevatten weinig informatie. Ze delen mee zonder uit te weiden, trekken als het ware een scherm op voor de verteller. Woorden kunnen zijn gemoeds­ leven blootgeven, maar vaker nog lijken ze die te verhullen. Het is eenzelfde soort tweespalt waar de verteller in het verhaal ‘De schrijver’ zich mee geconfronteerd ziet. Na vijftien romans te heb-

‘Ik was mijn eigen leven vergeten. Met ieder woord dat ik schreef, wiste ik mezelf uit’

ben gepubliceerd, fictie, besluit deze eens over zichzelf te gaan schrijven: ‘Niet weer een boek, geen verzinsels, niet de zestiende roman, maar gewoon, notities over wie ik zelf ben. Het was dan wel weer schrijven, maar ik wist niet hoe het op een andere manier tot me door zou kunnen dringen dat ik ook een eigen leven had. Ik was mijn eigen leven vergeten. Met ieder woord dat ik schreef, wiste ik mezelf uit. En nu, met ieder woord dat ik noteerde, toverde ik mezelf terug.’ Taal wordt dus een middel om jezelf af te schermen of juist te onthullen – al blijkt dat laatste, de waarheid over jezelf kenbaar maken, toch lastig. Zoals de schrijver zelf al doende toegeeft: ‘Ik merkte dat ik soms dingen zat te verzinnen.’ Het is de verscheidenheid aan manieren waarop de privé- en de publieke ruimte in Dit is jouw huis gestalte krijgen die de bundel ook tegelijk zijn variatie én samenhang verleent. De verhalen die minder duidelijk rond dat thema werken hebben daardoor ook minder zeggingskracht in het grote geheel. Zo gaat ‘45 km’ – het verhaal waarmee Wortel in 2007 de landelijke Write Now!-wedstrijd won – over een jong verliefd stel, over tijd en tijdelijkheid, met een invalidenwagen en ijsjes als metaforen daarvan. Ook al is het uitgangspunt creatief, evenals de uitwerking ervan, het verhaal staat te veel los van de andere in de bundel. Het zijn dus vooral de momenten waarop je de verbanden met andere verhalen gaat zien die deze bundel sterk maken. Dan zijn de muren en huizen niet slechts decorstukken, maar trekken ze hele ideeënwerelden op. Karlijn de Winter is freelance tekstschrijver en hoofdredacteur van recensieweb.nl


De verbazing van Coen Simon

Aan een kruis of in een gesticht

john schaffer / hh

Met wat kun je beter beginnen dan met het begin? Precies, en het is daarom terecht dat Coen Simon een boek heeft geschreven over hoe hij zelf begon met filosoferen. Hij vertelt over hoe hij zich in zijn ‘jongens­jaren’ begon te verwonderen over min of meer filosofische kwesties zoals vriendCOEN SIMON schap, natuur en (on)geluk. Zo begint iedere Verwondering. Volgens ziener het cliché – lees: volgens Ambo, € 10,de Oude Grieken – is dat het begin van de filosofie. Ja, ja… maar vervolgens maken ze er zo snel mogelijk een einde aan. Je wordt gelokt met verwondering en voor je het weet zit je in de val: een hermetisch gesloten bouwwerk waar alles vanzelf spreekt. Dan is het opeens slecht om je ergens over te verbazen, dan ben je opeens onnozel en goedgelovig. Een filosoof weet hoe alles zit en waag het niet hem tegen te spreken. Als de feiten tegen hem spreken, dan is dat, zoals Hegel zegt, des te erger voor de feiten. Aan de theorie kan het nooit liggen. En denk niet dat je bij Hegels grootste tegenstander terecht kunt voor verlichting. Popper gaat uit van het principe van falsificatie: alleen van je fouten kun je leren. Popper pleit dan ook voor een ‘open samenleving’, waarin ruimte blijft voor kritische geluiden. Jawel, mooi gezegd, maar in het boek waarin hij dat verdedigt doet hij niets anders dan de geschiedenis van de filosofie nalopen en tegenstanders zwart maken: Hegel, Plato… het zijn volgens Popper allemaal fascisten. En alle filosofen waarbij de balans positief uitvalt, zijn eigenlijk voorlopers van Poppers leer. Popper zelf was een nogal achterdochtig en egocentrisch man – zijn studenten verbasterden de titel van zijn hoofdwerk The Open Society and Its Enemies niet voor niets tot The Open Society by an Enemy. Wat ik maar wil zeggen is dat het op z’n minst dapper is van Simon om een bundel filosofische beschouwingen te publiceren over verwondering. Hij begeeft zich op glad ijs. De bundel is

Hij neemt afstand zonder afstandelijk te worden. We zien hoe iemand leert zien

ouka leele / agence vu / hh

Verwondering is het begin van de filosofie. Coen Simon schreef er een bundel over. Persoonlijke verhalen over alledaagse ontdekkingen. Glad ijs. Door Pieter Hoexum

getiteld: Zo begint iedere ziener: Een filosofische ontdekking van de wereld. Een mooie, maar ook een beetje een onheilspellende titel: waar eindigt het? Dáár hangt alles toch van af. Waar eindigen de meeste zieners… aan een kruis of in een gesticht. Maar gelukkig heeft Simon een elegante oplossing gevonden. Hij ontvouwt niet een of andere theorie of leer, zet zelfs geen redenatie op touw. Hij vertelt verhalen, ‘filosofische verhalen’, zoals hij ze zelf noemt. Het zijn persoonlijke verhalen over zijn verbazing; het zijn een soort reisverslagen van ontdekkingsreizen, van alledaagse reizen, alledaagse ontdekkingen. Die doorspekt hij met beschouwingen waarin hij afstand neemt zonder afstandelijk te worden. We zien hoe iemand leert zien. Dat de verhalen persoonlijk zijn, wil niet zeggen dat ze schaamteloos zijn, integendeel. Maar openhartig zijn de verhalen wel. Als lezer voel je je af en toe een voyeur en dat is waarschijnlijk ook zo bedoeld. Vergeet niet dat De ziener uit Vestdijks gelijknamige roman een voyeur is. En een van de vorige boeken van Simon heette Kijk de mens, en dit is er als het ware het vervolg op: ‘kijk mij nu eens’. Niet dat openhartigheid een doel is, want het is een middel. Met deze persoonlijk-filosofische verhalen wil Simon een soort ‘derde weg’ bewandelen, tussen geloof en wetenschap. Ik weet niet of zo’n derde weg echt nodig is. Dat wetenschap en verwondering per se op gespannen voet staan waag ik te betwijfelen. Voltaire, met zijn ‘filosofische vertellingen’, was idolaat van Newton én een deïst (zeg maar: ietsist). Meer nog dan aan Voltaire deden de

verhalen me denken aan de drie bundels met ‘fotosynthese’s’ van Rudy Kousbroek. Volgens een hardnekkig vooroordeel (dat door hem zelf ook behoorlijk wordt gevoed) is Kousbroek een gestaalde rationalist, een atheïst van het oude, dogmatische stempel, bewonderaar van techniek en wars van ‘hoger honing’. Kousbroek zou (volgens Piet Meeuse) ‘de god van de begrijpelijkheid aanbidden’. Maar Kousbroek begint zijn aantekeningen bij een foto van een wonder der techniek, de aanleg van de Parijse metro, met deze mededeling: ‘Het doel van het leven is het opsporen van wonderen.’ En daar heeft hij de eerste bundel ook naar genoemd: Opgespoorde wonderen. De achterflap van Simons boek haalt de juichende HP/De Tijd aan, die Simon een ‘nieuwe ster aan het filosofenfirmament’ noemt; de uitgever stelt op de achterflap dat Simons essays spraakmakend zijn in het publieke debat. Zo stal hij inderdaad enkele jaren geleden de show met Lachen om niets. Dus ja,dat is allemaal waar en mooi, maar eigenlijk doe je hem daarmee te kort: zijn kracht blijkt er juist in te liggen dat hij boven, of naast, het publieke debat durft te gaan staan. Simon is op zijn allerbest als hij gewoon voor zichzelf spreekt, wars van alles en iedereen. En dat doet hij gelukkig in deze ‘filosofische vertellingen’ veelvuldig. Hij geeft zich onbekommerd over aan jeugdsentiment. Zo begint iedere ziener is geen doorsnee boek – het is er een om je mee te verwonderen. Pieter Hoexum is filosoof, publicist en huisman en was boekverkoper bij Athenaeum Boekhandel 28.11.12 De Groene Amsterdammer 9


Rens Bod breekt lans voor alfa’s

Het menselijke in de wetenschap gerehabiliteerd Rens Bod brengt in De vergeten wetenschappen de verworvenheden van de humaniora in kaart. Er is maar één conclusie mogelijk: deze kennis is ten onrechte in onmin geraakt. Door Bart van den Bosch

In verhouding tot de niet-aflatende stroom technologie uit hard bèta­ wetenschappelijk onderzoek steken de mens­ wetenschappen schril af. Hoe zit dat eigenlijk met de bijdragen van de alfa’s aan de samenleving? Zijn die er wel? Wat is het bestaansrecht van de rens bod ‘zachte’ wetenschap nou De vergeten precies – en kunnen we die wetenschappen eigenlijk wel wetenschap Bert Bakker noemen? Rens Bod, hoog€ 27,50 leraar aan The Institute for Logic, Language and Computation (illc) van de UvA, verbaasde zich al langere tijd over de afwezigheid van een algemene geschiedenis van de alfa­wetenschappen oftewel de humaniora. Met De vergeten wetenschappen: Een geschiedenis van de humaniora doet hij een imponerende en uiterst leerzame poging om in deze leemte te voorzien. Bod breekt een lans voor de niet te onderschatten verworvenheden die de geestes­ wetenschappen de mensheid hebben opgeleverd. Bovendien, en dit is minstens zo belangrijk, verschaft hij met zijn boek veel zwalkende alfa’s een prachtige gelegenheid hun zelfvertrouwen op te vijzelen. Iedereen kent Newton, Einstein en Copernicus, maar de namen van grote geesten als Panini, Qian Sima, Poliziano, Al-Biruni en Vladimir Propp zijn slechts bij een handjevol specialisten bekend. Toch verdienen deze en vele andere door Bod besproken menswetenschappers het om bij een veel groter publiek bekend te zijn. De baanbrekende inzichten van de grote alfa’s blijken veel verstrekkender te zijn dan iedereen denkt. Leest u mee, ministers van Onderwijs, 10 De Groene Amsterdammer 28.11.12

en vooral u, alfawetenschappers zelf? Rens Bod maakt duidelijk dat het succes van de natuurwetenschappen, bijvoorbeeld in de genetica of de informatica, voortkomt uit ontdekkingen die gedaan zijn in de menswetenschappen. Daarnaast is het baanbrekende werk van humanistische filologen de voornaamste reden geweest dat ondanks hun onaantastbaarheid in de Middel­ eeuwen allerlei bijbelse waarheidsclaims na kritische bestudering verworpen konden worden. Dat had niet alleen een enorme betekenis voor de opkomst van de Verlichting (Spinoza was, in navolging van de Leidse hoogleraar ­Scaliger immers met de stofkam door het Oude Testament gegaan) – ook de grote namen van de wetenschappelijke revolutie van de zeventiende eeuw waren schatplichtig aan het veranderde intellectuele klimaat dat door de filologie was ingezet. De onaantastbare auctoritas van de overgeleverde geschriften van bijvoorbeeld Aristoteles en Ptolaemaeus bleek op filologische gronden aanvechtbaar. Galilei en de zijnen zetten de logische volgende stap door ook hun natuurfilosofische aannames aan een kritische empirische toets te onderwerpen, met alle gevolgen van dien. De vergeten wetenschappen staat vol met dit soort eye-openers, en dan hebben we het nog niet over de praktische en maatschappelijk relevante invloed van (kunst)historisch onderzoek. Want op welke basis wordt de authenticiteit van kunstwerken of het buitenlands, het economische of financiële beleid van een land bepaald? Inderdaad, op onderzoek uit de alfahoek.

Bods methodologische basisprincipe is dat alfa’s, net als hun bètacollega’s, altijd op zoek zijn naar empirisch waarneembare patronen (zelfs als het methodologische uitgangspunt uitgaat van de afwezigheid van patronen en de nadruk juist ligt op het afwijkende) en theoretische principes die daaruit voortkomen, of eraan voorafgaan. De verhouding tussen inductieve en deductieve kennisvergaring blijkt voor de menswetenschappen niet wezenlijk anders dan voor de natuurwetenschappen. Het onderzoeksobject van de menswetenschappen spitst zich in Bods interpretatie van wat alfawetenschappen zijn toe op taal, literatuur, muziek, beeldende kunst en geschiedschrijving. Ambitieus als hij is, betrekt hij bovendien naast Europa en Amerika ook China, India en Afrika tussen Oudheid en heden in

Het succes van de natuurwetenschappen komt voort uit ontdekkingen in de menswetenschappen


Joseph Scharl, Lezende man (1933)

christie’s / corbis / hh

zijn onderzoek. In al deze vak­ gebieden en regio’s ontwaart Bod ontwikkelingspatronen – in de omgang van de wetenschap met empirisch materiaal, of in de methodologieën waarmee dat geduid werd. Neem een van de meest interessante bevindingen van De vergeten wetenschappen. De humaniora werden in hun beginperiode grosso modo gekenmerkt door een descriptieve vorm van wetenschap. Dit houdt in dat de gevonden regelmatigheden aanvankelijk een neutraal, beschrijvend, maar geen normatief voorschrijvend karakter hadden. De kentering van descriptieve naar prescriptieve wetenschap zette al in het klassieke Griekenland in. Deze fase, waarin de wetenschap bepaalde hoe de werkelijkheid in elkaar steekt of zou moeten zijn, werd pas in de twintigste eeuw afgesloten. Sindsdien lijken de alfa­wetenschappen weer in een descriptieve periode beland. De gang van descriptief naar prescriptief terug naar descriptief betekent overigens volgens Bod niet per se dat van een cyclische ontwikkeling in de humaniora sprake is. Natuurlijk zijn er bij dit prachtige boek wel wat kanttekeningen te maken; sommige geografische regio’s, bijvoorbeeld Zuid-Amerika, blijven onderbelicht; de rechtswetenschappen komen nergens aan bod bij Bod en zijn demarcatiecriterium van wat het verschil is tussen alfaen bètawetenschappen is wel erg pragmatisch: de Nederlandse universitaire praktijk bepaalt het onderscheid. Vooral dat laatste kan hem echter vergeven worden. Niemand zit natuurlijk te wachten op het zoveelste boek dat de tanden stuk bijt op de demarcatieproblematiek. Door deze kwestie te omzeilen kan De vergeten wetenschappen doordringen tot wat écht interessant is: het in kaart brengen van de verworvenheden van de humaniora en ze rehabiliteren. Er is maar één conclusie mogelijk: deze kennis is ten onrechte in onmin geraakt. Bart van den Bosch is historicus en wetenschapsfilosoof

Stéphane Audeguy’s gevecht tegen lompheid

Lof der zachtheid Stéphane Audeguy trekt van leer tegen, bijvoorbeeld, intellectuelen die een voet­ balfinale gelijkstellen aan een tragedie van Sofokles. Door Arjen van Veelen

Een ‘Panenka’ is een zacht ingeschoten strafschop, vernoemd naar de Tsjech Antonín Panenka. Tijdens de EK-finale van 1976 nam hij een aanloop die suggereerde dat hij de bal een flinke trap zou geven – maar hij hield in, en gaf slechts een subtiel tikje. Stéphane De bal zeilde met een traag Audeguy boogje over de doellijn. De Petit éloge de la keeper lag al op de grond. douceur Stéphane Audeguy wijdt in Galimard, zijn Petit éloge de la dou€ 2,85 ceur (2007) een korte overpeinzing aan de Panenka. Zo’n zachte strafschop vereist subtiliteit: schiet je te zacht, dan is de bal een prooi voor de keeper; schiet je te hard, dan is het geen Panenka. Behalve zacht is deze strafschop ook hard: het is een vernedering voor de keeper. Die combinatie van zachtheid en wreedheid fascineert Audeguy. In zijn mini-essay contrasteert de oerPanenka met de – in zijn ogen – weinig subtiele wijze waarop Zinedine Zidane tijdens het WK van 2006 ook een Panenka nadeed. Stéphane Audeguy (1964) debuteerde in 2005 met zijn roman La théorie des nuages (De wolkenbibliotheek). Zijn lofzang op de zachtheid verscheen bij Folio in een serie lofzangen op diverse onderwerpen (Petit éloge des faits divers; Petit éloge de la bicyclette; Petit éloge du temps présent, et cetera). Het zijn boekjes van een paar euro; je zou willen dat er voor zo’n klein prijsje een Nederlandstalige essayserie was. De lofzang heeft de vorm van een abecedarium, dat begint met het lemma ‘Âge des bonbons’ en eindigt met ‘Winnie l’Ourson’. De lemmata bestaan soms uit aforismen, soms uit essays van enkele pagina’s. Het voordeel van een abecedarium, schrijft Audeguy halverwege zijn boekje, is dat het een compleet willekeurig karakter heeft. Inderdaad vliegt Audeguy van de opkomst van de bonbonzaken, via hinderlijke rugtassen in de metro, Diderots Lettres à Sophie Vollard (Brieven aan Sophie), de

bescheidenheid van de Japanse kunstenaar Hokusai, liefkozingen, zonsopkomsten, naar Diego Maradona. Het boekje is geen ode aan softheid of zoetigheid (anders dan de speksnoepjes op de cover suggereren), maar een pleidooi voor subtiliteit. Als ‘zachtheid’ een vorm van zwakheid was, dan zou zachtheid al lang verdwenen zijn, schrijft Audeguy. Wat hij precies onder zachtheid verstaat, blijft in het midden. Hij geeft weliswaar een definitie (‘L’ensemble des puissances d’une existence libre’), maar die is zo breed dat het nauwelijks een definitie is. Toch blijkt al snel wat hij wil verdedigen: het zachte van lezen, van aandacht, van poëzie. Lezen is volgens hem ‘la plus subtile, la plus tendre, la plus raffinée, la plus raffinante de toutes les activités’. Dit type zachtheid staat in onze tijd onder druk, vindt Audeguy. Er zijn misschien wel meer boeken dan ooit te koop, maar ‘la misère peut parfaitement se organiser dans l’abondance’. Hij constateert dat de samenleving mensen voortbrengt die niet alleen niet kunnen lezen, maar er zelfs niet eens meer naar verlangen. Het zijn slaven die uit zichzelf lijken te verlangen naar slavernij. Op vergelijkbare wijze trekt Audeguy van leer tegen democratisering en nivellering in de cultuur; tegen intellectuelen die de finale van een WK voetbal gelijkstellen aan een tragedie van Sofokles. Of tegen het commerciële Franse chanson: ‘une imposture industrielle’. Zo wordt zijn pleidooi voor zachtheid soms een gevecht tegen lompheid. Onder het kopje ‘Bouche’ beschrijft hij de subtiliteiten in woordgebruik die wijnproevers tot hun beschikking hebben; woorden die geen loze woorden zijn maar corresponderen met verschillende sensaties. Mensen die dat vocabulaire menen te moeten bespotten – dat is angstwekkend. ‘La haine petit-bourgeoise à l’encontre des finesses vocabulaire, de sensations des amateurs de vin et, d’une façon plus générale, à l’égard de toute différence, est proprement terrifiante.’ Tegenover de wereld van het plompe stelt Audeguy de kracht van poëzie. Wie in zijn leven vijf minuten per dag besteedt aan het lezen, aan het ‘praktiseren’, van poëzie, stelt hij, zal diepgaand veranderen en bevrijd worden; en precies om die reden probeert onze samenleving ons daarvan af te leiden. Het zijn dit soort prikkelende stukjes (die soms schreeuwen om tegenspraak) die van zijn lofzang meer maken dan een eclectisch boekje met essaydelicatessen. Arjen van Veelen is classicus. Hij werkt als journalist bij nrc.next. Dit stuk verscheen oorspronkelijk als gastbijdrage op athenaeum.nl. 28.11.12 De Groene Amsterdammer 11


Online kritieken

Gemaskerd boekenbal Wie recensies leest op internet, moet op z’n qui-vive zijn. Boeken worden vaak om commerciële of vriendschapsmotieven opgehemeld. Toch zijn er, vooral in Amerika, genoeg sites waar op hoog niveau literaire kritiek wordt bedreven. Door Auke Hulst

positieve invloed op verkoop, één ster heeft een negatieve invloed, maar de invloed is in beide gevallen beperkt. Een bespreking wint vooral aan effect naarmate ze langer en gedetailleerder is én door andere bezoekers is aangemerkt als ‘behulpzaam’. Daaruit blijkt dat de meesten van ons zich bewust zijn van mogelijke manipulatie. Het effect van aanbevelingen van medelezers is niettemin veel groter dan het effect van door computeralgoritmen gegenereerde suggesties of – een reality check voor recensenten zoals ikzelf – de aanbevelingen van ‘echte’ recensenten. Juist dat maakt het voor een belanghebbende aantrekkelijk de zaak te bedotten. Sites doen hun best bedrog te voorkomen – een verklikker is bijvoorbeeld meerdere besprekingen vanaf één IPadres – maar te voorkomen is het nog lang niet.

Een stad vol experts, welwillende amateurs en charlatans. Het is gebruikelijk om over internet te spreken als een web of een matrix van met elkaar verbonden pakketjes informatie. Ik zie het liever als een eindeloze stad, met protserige winkelboulevards, hoerenbuurten, underground clubs, cafés, dikdoenerige galeries, en ja, ook met schrijvers, boekenhandels én recensenten. Sterker: struinend door de straten struikel je over de besprekers. Terwijl in ’s werelds gedrukte kranten en tijdschriften de ruimte voor boeken gestaag afneemt – en vaak al geheel is verdampt – worden in het virtuele domein vrijwel alle boeken met meningen behangen. Maar pas op, internet is ook een stad van schone schijn, van bedrog en van gemaskerd bal. Kunnen we al die (vaak zelfverklaarde) online boekbesprekers eigenlijk wel vertrouwen? Het antwoord is nee. En soms. En ja. De bulk van de online kritiek bestaat uit de ‘besprekingen’ op online winkelsites als bol. com en Amazon, en lezerssites als GoodReads. Als je er binnengaat, moet je op je qui-vive zijn. Wie zijn die besprekers? Hebben we niet vooral te maken met familieleden en vrienden die behulpzaam strooien met het maximaal aantal sterren? Zijn het wel ‘echte’ mensen, of zijn we het slachtoffer van de machinaties van marketingafdelingen? En wat te zeggen van de van vitriool overlopende kraakstukjes? Reflecteren ze werkelijk het gelezen werk, of vooral de geestesgesteldheid van gefrustreerde figuren die – geschut door anonimiteit – los kunnen gaan? Er bestaan vele onderzoeken waarin de invloed van de lezersrecensies op sites als Amazon of bol.com in kaart zijn gebracht. Die onderzoeken zijn inzichtelijk – ze laten zien dat we voor de gek te houden zijn, maar slechts tot op zekere hoogte. Vijf sterren hebben een meetbaar

Wie van zijn literaire kritiek meer niveau en een hogere betrouwbaarheid verwacht, kan beter verkassen naar andere virtuele locaties. Hoewel menige onafhankelijke boekhandel het online bespreken van de handelswaar uiterst serieus neemt (Athenaeum!), lijkt het logisch vooral te kijken op plekken waar niet een direct verband bestaat met commerciële belangen. Ik zeg lijkt, want wie literaire blogs afstruint, komt figuren van uiteenlopend allooi tegen. Er zijn horden goedwillende amateurs actief, enthousiaste lezers die oprecht van boeken houden, maar veelal het instrumentarium missen om boeken te duiden of in de context van het literaire veld te plaatsen. Daar staan blogs tegenover als Woest en Ledig van Dagblad van het Noorden-journalist Joep van Ruiten, het helaas opgeheven De Papieren Man van De Morgen-recensent Dirk Leyman en een persoonlijke favoriet van me: Literary Kicks van Levi Asher, het oudste onafgebroken onderhouden literaire blog ter wereld. We komen ook veel (aanstormende) schrijvers tegen die over boeken bloggen en twitteren als onderdeel van hun online aanwezigheid. Maar bij die laatste groep heb je het indirect toch ook weer over een commercieel

12 De Groene Amsterdammer 28.11.12

In Amerika heeft onder boekenbijlagen van kranten een ware Apocalyps plaatsgevonden

belang – deze schrijvers willen naamsbekendheid en een publiek opbouwen voor hun core business, zijnde hun te publiceren romans. Daarmee stuit je op een ander probleem, door Jacob Silverman in The Slate Book Review omschreven als ‘de epidemie van de online vriendelijkheid’. Silverman betoogt dat er veel te weinig daadwerkelijke ‘kritiek’ in de online kritiek wordt bedreven, omdat iedereen met elkaar verbonden is geraakt in een web van social media. Ik snap wat Silverman bedoelt. Ik volg via Twitter Vrij Nederland-recensent Jeroen Vullings, en hij volgt mij. Hypothetisch geval: stel dat ik met Vullings’ volgende essaybundel het liefst de kachel zou willen aanmaken, zou ik die mening online ventileren, of hou ik mijn mond, omdat ik toch graag heb dat Vullings – het liefst welwillend – mijn laatste roman bespreekt? Social media maken van online subculturen dorps­gemeenschappen, inclusief bijbehorende beklemming. Overigens heeft Silverman het in deze niet alleen over hypocrisie, maar ook over een veel prijzenswaardiger aspect van de menselijke aard. ‘Besprekers zouden geen aanbevelingsmachines moeten zijn’, schrijft hij, ‘maar we hebben ons geschikt in die rol, deels omdat de zorgzaamheid die bij gemeenschapszin hoort door Twitter wordt aangemoedigd.’ Hoe meer een bespreker los staat van wie en wat hij bespreekt, hoe beter, maar internet bevordert verstrengeling, niet afstand. Reden om te wanhopen? Welnee. Want hier is het goede nieuws: er zijn genoeg online enclaves waar op een hoog niveau literaire kritiek wordt bedreven, en waar de klassieke journalistieke waarden van onafhankelijkheid en gedegenheid onverminderd betekenis hebben. In Nederland heb je het dan over sites als Recensieweb en het door dichter Chrétien Breukers opgerichte weblog De Contrabas. In Amerika, waar mijn aandacht van oudsher meer op gericht is, heb je het over sites als het nog wat zoekende, fonkelnieuwe The Los Angeles Review of Books en vooral het fabuleuze The Millions. Laatstgenoemde werd in 2003 opgericht door C. Max Magee, en kan inmiddels bogen op een uitgebreide staf van bloggers én een indrukwekkende lijst van gastbijdragen van grote namen. The Millions publiceert essays, kritieken, interviews en columns over boeken en de boeken­wereld, en haalt daarbij – zeker gezien de financiële beperkingen – een opmerkelijk hoog niveau. Bovendien ziet The Millions er goed uit, op internet nooit een bezwaar. Dat sites als The Millions en het meer wisselvallige Recensieweb ondanks beperkte budgetten doorwrochte recensies kunnen publiceren,


jeroen henneman

New York Times en de San Francisco Chronicle nog dapper stand, terwijl kwaliteitstijdschriften als The New Republic, The Paris Review en (vooral) The New York Review of Books onverminderd ruimte aan boeken blijven geven. Veel daarvan is, meestal achter een betaalwand, online beschikbaar. The New York Review heeft bovendien een online blog waarvan het niveau zo ridicuul hoog is dat het een dagelijkse digitale omweg rechtvaardigt.

komt doordat ze werken met jonge mensen, vaak met een universitaire achtergrond in literatuurwetenschappen. (Recensieweb is een initiatief van letterenstudenten van de UvA.) Onder de beste online recensenten zijn veel aspirant journalisten en redacteuren, waarvan sommigen al hun eerste stappen in de wereld van het betaalde schrijven hebben gezet. Online bespreken is a young man’s (and woman’s) game, niet alleen omdat twintigers zijn opgegroeid met internet en tot in het diepst van hun wezen met het web vervlochten zijn, maar ook om de simpele reden dat het voor jongeren – sans hypotheek, sans gezin – minder van levensbelang is een tijdsinvestering om te zetten in harde munt. Van een iets andere orde is deReactor, een initiatief van de redacties van een handvol literaire tijdschriften, ondersteund door de Nederlandse Taalunie, het Vlaams Fonds voor de Letteren,

het Nederlands Letterenfonds en de Stichting Lira. DeReactor brengt diepgravende, naar academisch neigende kritieken én teksten over kritiek, waarvoor de medewerkers ook een redelijke vergoeding krijgen. Hier ook meer gevestigde besprekers van eerder bouwjaar. Gedeeltelijk wordt zo een gat gevuld dat is gevallen in de gedrukte media. Bij Nederlandse boekenbijlagen hebben we een trend gezien van steeds minder pagina’s, de opkomst van ‘functioneel wit’ en het daardoor ook beknopter en vaak oppervlakkiger worden van besprekingen. In Amerika heeft onder boekenbijlagen van kranten zelfs een ware Apocalyps plaatsgevonden. In 2007 stopte The Los Angeles Times met de zondagse boekenbijlage, terwijl in 2009 The Washington Post de stekker uit Book World trok. Kleinere kranten hadden er al veel eerder de brui aan gegeven. Gelukkig houden The

De spagaat van de klassieke media is deze: ze werken niet met vrijwilligers, waardoor ze kritischer kunnen zijn op de geleverde kwaliteit van medewerkers en kunnen ‘doorselecteren’, maar voor hun online content bestaat nog steeds geen deugdelijk verdienmodel dat een vergelijkbare benadering stut. Dat zien we aan de boekenblogs van onze kranten en tijdschriften: stiefkindjes die zelden meer brengen dan herplaatste stukken, aangevuld met korte (nieuws)berichten. Het is interessant te zien hoe vooral dit jaar verschillende Amerikaanse media initiatieven hebben ontwikkeld om aan die wetmatigheid te ontkomen. Slate riep een half jaar terug een online boekenbijlage in het leven, The Slate Book Review. Daarmee verdrievoudigde een van de oudste succesvolle online tijdschriften in één klap de aandacht die het aan boeken besteedde. De Chicago Tribune lanceerde in 2012 Printers Row, een boekenbijlage die zowel fysiek als online beschikbaar is en die valt onder een speciaal ledenprogramma. Dat wil zeggen dat alleen leden – en dus niet alle abonnees van de krant – toegang hebben tot Printers Row en aan de bijlage gelieerde evenementen. Interessant is ook de online boekenbijlage waarmee The New Republic onlangs begon: The Book. Naast herplaatste stukken proberen de makers elke dag een verse boekbespreking te publiceren. En dan hebben we het niet over het beknopte soort stukjes dat eerder de naam signalering dan recensie verdient. Ik neem aan dat ook bij Nederlandse media goed in de gaten wordt gehouden hoe deze initiatieven zich ontwikkelen, en dan vooral Printers Row. Maar ik vrees dat het Nederlandse taalgebied uiteindelijk te klein is om een professionaliseringsslag van de online kritiek te financieren. Dat betekent niet dat we het zonder kwaliteitskritiek moeten stellen. Maar het betekent dat we ernaar zullen moeten zoeken, in de door charlatans, welwillende amateurs en experts bevolkte achterafstraten van de stad genaamd internet. Auke Hulst is schrijver. Zijn meest recente roman is Kinderen van het ruige land 28.11.12 De Groene Amsterdammer 13


Uppercase, tijdschrift vol fictieve plekken

Een kushokje op de kermis

Op de kunstacademie kreeg ik ooit de opdracht om een koffer te vullen met alles wat inspireerde om werk te maken. Boeken, krantenknipsels, foto’s, muziek, kinderspeelgoed, dagboeken – werkelijk álles wat je als kunstenaar op de een of andere manier in je kunstwerken kunt Uppercase gebruiken moest erin. De # 10 makers van het Canadese Uppercase, blad Uppercase lijken zich € 19,90 dezelfde opdracht te hebben gesteld. Uppercase is een koffer vol inspiratie, in tijdschriftvorm. Het magazine richt zich naar eigen zeggen op ‘the creative and the curious’. Het staat vol met gekke uitvindingen, mooie hebbedingen en creatieve blogs. Handgemaakte typografie voert de boventoon. Er zijn foto’s, naaiwerkjes, tekeningen, interieurs. In de interviews worden gevestigde en beginnende kunstenaars en creatieve makers ondervraagd over hun inspiratie, of over hoe hun loopbaan eigenlijk begonnen is (altijd leuk om te horen!). Maar deze diversiteit is maar een onderdeel van het blad. De werkelijke kracht van dit tijdschrift schuilt in de persoonlijke benadering van alle onderwerpen. Op iedere pagina voel je het enthousiasme van de makers, en dat is wat Uppercase werkelijk inspirerend maakt. Nummer 10 wijdt zich aan de dunne lijn tussen werkelijkheid en fictie – een relevant onderwerp voor iedereen in de creatieve industrie. Het voorwoord: ‘Through journaling, photography and writing, we document our daily lives on paper and online. However, by the act of recording our lives, we are in fact altering reality. Self-censorship and selective editing elevates the everyday. Private journals become public blogs and personal stories become published books.’ Ik vind het in eerste instantie jammer dat ik de diepgang die deze eerste regels aansnij14 De Groene Amsterdammer 28.11.12

den nergens in een uitgebreid intellectueel stuk in Uppercase kan terugvinden, maar realiseer me dat ik dan beter The New Yorker had kunnen lezen. En dan word ik gegrepen door An Abecedary of Fictional Places: kleine stukjes over plekken die niet bestaan. Van Márquez’ Macondo tot Utopia, van El Dorado tot Nabokovs Zembla. In 1817 maakte een dienstmeisje een heel Brits dorp wijs dat ze prinses Caraboo van Javasu was, een leugen die maar liefst tien weken standhield. Er schijnt een boek te bestaan met gedichten over Spoon River, een fictief gehuchtje in de Amerikaanse staat Illinois, waarin ieder gedicht geschreven is vanuit het perspectief van een overleden inwoner die over het kerkhof dwaalt. Dat moet ik lezen! Meer leesinspiratie vind ik onder het kopje Fict and Faction, korte samenvattingen van boeken die feit en fictie verweven. W, or the Memory of Childhood van Perec, en een catalogus van The Museum of Jurassic Technology van de al even nieuwsgierig makende Society for the Diffusion of Useful Information. Hoera! Nu al genoeg om een paar weken verder te kunnen. Ik lees een interview met illustrator Jeff Rogers, die de meest fantastische ontwerpen met letters maakt, en een stukje over de liefde achter Something’s Hiding in Here, een succesvol handwerkbedrijfje uit Kansas City. Het duo, dat inmiddels een echtpaar is, leerde elkaar kennen in een kushokje op de kermis. Kunst is mooi. De Amerikaanse Brynn Metheney heeft op haar

Zes pagina’s vol dierenliefde… het geluk van de inspiratie wordt me eventjes te veel

blog een encyclopedie getekend van een verloren continent. The Morae River Project is een bizar fictief ecosysteem met monsterachtige wezens en grauwe planten, een beetje Star Wars meets John James Audubon (tekenaar van het mooiste vogelboek ter wereld, The Birds of America, te zien in het Teylers Museum in Haarlem). Er is een stuk over de geschiedenis van vingerafdrukken – een feitelijk, technisch verhaal maar niettemin interessant als het gaat om feit en fictie. Mary Prlain, set decorator, schijnt licht over het intrigerende beroep van setdresser en inspireert meteen om je eigen interieur ook eens flink aan te pakken. Jammer wel dat New York en Los Angeles niet om de hoek zijn – Mary laat ook de leukste winkeltjes en boetieks zien waar je al die prachtige bloemen, lampen, banken en boeken kunt kopen. Een klein puntje van persoonlijke kritiek: de wereld van Uppercase is wel erg vol blije gelukkige mensen, terwijl ik uit ervaring weet dat al het moois van creativiteit, kunst en cultureel ondernemerschap niet altijd even gemakkelijk komt. Met deze gedachte blader ik langs de schattige tekeningen die lezers maakten van hun huisdier. Zes pagina’s vol dierenliefde… het geluk van de inspiratie wordt me eventjes te veel. Ben ik te Europees, of gewoon te cynisch voor al deze positive vibes? Plots realiseer ik me het voorwoord van Uppercase 10. Fact and Fiction; de werkelijkheid mooier maken dan hij is. Het verheffen van het alledaagse tot kunst. Eigenlijk ben ik dankbaar dat Uppercase dat doet. Het zou meer moeten gebeuren. En gelukkig, na de lieve dieren zijn daar de foto’s van puinhopen in de ateliers, van al die prachtige creatieve geesten. Karianne Bueno is fotografe en medewerker van het Athenaeum Nieuwscentrum

kristin theiss / flickr

Nummer 10 (2011) van het Canadese tijdschrift Uppercase is gewijd aan de dunne lijn tussen werkelijkheid en fictie. Over een prinses die geen prinses is, een verzonnen dorp in Illinois en een verloren continent. Door Karianne Bueno


Jaap Goedegebuure en God

In de jaren tachtig kwamen religie en spiritualiteit terug in de literatuur. Jaap Goedegebuure analyseert die ontwikkeling. Door Marleen Louter

Was je vroeger een katholiek auteur, dan debuteerde je in het tijdschrift De gemeenschap en werd je besproken door een katholieke criticus. Was je protestant, dan werd je eerste werk gepubliceerd in Opwaartsche wegen. jaap Literair werk werd als vangoedegebuure zelfsprekend getoetst aan Nederlandse bijbelse waarden. Maar schrijvers en ­religie 1960-2010 ook het literaire bestel was onderhevig aan ontzuiling Vantilt € 18,95 en raakte in de jaren vijftig en zestig versnipperd. De attitude ten opzichte van religieuze auteurs draaide 180 graden: wie het nog waagde zich serieus met religie bezig te houden werd met hoon overladen door de generatie Wolkers en Hermans. Religie werd een taboe. En dat taboe heeft zelfs literatuurwetenschappers er jarenlang van weerhouden serieus onderzoek te doen naar de plaats van religie in het werk van vooraanstaande literaire auteurs, betoogt Jaap Goedegebuure in zijn essaybundel Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010. Die houding verbaast hem: literatuur en religie zijn immers al vanaf de oudste tijden onlosmakelijk verbonden. Hij toont zich bereid er dan maar als eerste in te duiken en concentreert zich daarbij op de periode in het begin van de jaren tachtig, waarin hij een verandering waarneemt in het denken over God door diverse auteurs. Die wordt gemarkeerd door het pamflet Over God, dat in 1982 verscheen en waarin diverse auteurs uit de Revisor-kring, onder wie Frans Kellendonk, Doeschka Meijsing, A.F.Th. van der Heijden en Oek de Jong, zich uitspreken over hun godsbeeld. Hoewel de auteurs ervan met nadruk geen overtuigde christenen zijn, onderscheidt hun werk zich van de tijdgeest doordat God erin bestaat als een realiteit waartoe ze zich verhouden, al getuigt de verwerking van die thematiek lang niet altijd van heilig ontzag. Aan de hand van het werk van individuele schrijvers laat Goedegebuure vervolgens zien hoe na een periode van desinteresse en cynisme religie en spiritualiteit opnieuw hun intrede

harmen de jong / anp

Een vliegwiel voor verbeelding

deden in de literatuur. Als wegbereider van die ontwikkeling wijst hij Gerard Reve aan. Een controversieel standpunt, omdat het werk van Reve door christenen vaak als verdorven literatuur aan de kant is gezet. Maar Reve vond wel degelijk beelden en woorden voor God zoals die nog niet bestonden. Bovendien was hij allesbehalve een cynicus; zijn werk was de oprechte uitkomst van een levenslange zoektocht. De overtuigingskracht van Goedegebuure zit ’m niet in die signalering op zich, maar in de manier waarop hij die kracht bij zet: door veelvuldig voorbeelden uit het werk van Reve te halen. Daardoor wordt de bijzondere vermenging van sacrale en profane elementen, de versmelting van lichamelijke en geestelijke liefde, in zijn werk zichtbaar. ‘Reve’s god heeft lief, lijdt en moet worden getroost. Troost veronderstelt intieme nabijheid en dus – zeker wat Reve betreft – seksuele gemeenschap.’ Een andere sleutelfiguur in Goedegebuure’s uiteenzetting is Frans Kellendonk. In ‘Ik zocht naar jou en vond je niet’ ontvouwt hij zijn door close-reading tot stand gekomen interpretatie van Kellendonks roman Mystiek lichaam: dat uit het boek duidelijk een ideaal blijkt van een maatschappij met slechts een metafysisch doel – het christendom. Die thematiek ligt niet eens ver onder de oppervlakte; alleen al de titel verwijst rechtstreeks naar de bijbelse bruiloftssymboliek, die een verbinding legt tussen het aardse huwelijk en de relatie tussen God en mens. In de onthoofding van een Christusbeeld tijdens een huwelijksdiner wijst Goedegebuure moeiteloos een metafoor aan voor de ontkerstende mensheid. En de regenboog, ooit een trots symbool van de trouw van God en daarmee van maatschappelijke religieuze continuïteit, wordt in de roman blikkerend en fragmentarisch waargenomen in het water van tuinsproeiers. Ook het werk van onder anderen Willem Jan

Literatuurgeschiedenis vergt inspiratie en volharding. Het is net als geloven, eigenlijk

Otten, Désanne van Brederode, Oek de Jong, C.O. Jellema, Hans Faverey en Kees Ouwens passeert de revue. Steeds gaat Goedegebuure te werk volgens hetzelfde procédé, maar dat leidt juist tot gevarieerde essays waarin hij zoekt naar de grondtoon van hun werk, naar de details waarin hun thematiek zichtbaar wordt. En die blijkt – direct of indirect – steeds te herleiden tot een problematisch godsbeeld. In een ‘reformatorisch intermezzo’ komen ook uitdrukkelijk protestantse schrijvers aan bod, maar religieuze dichters als Nel Benschop laat Goedegebuure buiten beschouwing, omdat, zo verduidelijkt hij, religie in hun werk geen problematisch element is. Voor alle schrijvers die Goedegebuure behandelt is religie een norm waarop zij zich baseren. Een goed voorbeeld is Kellendonk: in Mystiek lichaam kiest hij voor de parodie als stijlvorm, maar de metafysische illusie van religie blijft daarbij ongeschonden. Goedegebuure vindt er een prachtige uitdrukking voor, zoals veel van de kracht van deze veelkantige literatuurgeschiedenis zit in zijn precieze, genuanceerde uitdrukkingsvermogen. In zijn woorden beschouwen zij religie als een ‘serieus te nemen fenomeen, dat kan fungeren als vliegwiel voor verbeelding en scheppingskracht’. Natuurlijk is Goedegebuure niet de eerste die het religieuze element in het werk van deze schrijvers opmerkt. Dat hij hen in deze essaybundel met elkaar in verband brengt, is wel een nieuw geluid. Van een bewuste groepering of beweging is echter allerminst sprake, dat stelt hij voorop. Want zoals religie in de tweede helft van de vorige eeuw van een collectieve geloofsbeweging in een individualistisch godsbesef is getransformeerd, zo is ook de literaire uitwerking van de religieuze problematiek strikt persoonsgebonden. Ook in Schrijvers en religie 1960-2010 blijkt literatuurgeschiedenis iets wat plaatsvindt in het individu. Ze wordt niet gevormd door grote ideeën, maar door de persoonlijke reflectie die aan die ideeën gestalte geeft. En dat vergt inspiratie en volharding. Het is net als geloven, eigenlijk. Marleen Louter is neerlandica. Ze schreef voor recensieweb.nl, werkte voor athenaeum.nl en is nu bureauredacteur bij Lemniscaat 28.11.12 De Groene Amsterdammer 15


Evolueren tot barbaar Alessandro Baricco is bang voor het naderende verlies van alles wat hij waardevol vindt, maar hij wil zich blijmoedig verdiepen in de oorzaken van de barbaarse revolutie. Door Esther Wils ‘Zicht krijgen op het hele dier, niet slechts op een poot of staart’, en dan ‘begrijpen hoe het zich voortbeweegt’, dat is wat Alessandro Baricco wil. Het dier dat hij in het vizier heeft is de nieuwe mens, de mutant of de barbaar, die de beschaving in een razend tempo naar zijn de barbaren hand weet te zetten. GefasAlessandro cineerd en bezorgd beziet ­Baricco Baricco hem oprukken, De Bezige Bij en ook in zijn eigen wezen € 15,bespeurt hij aanzetten tot mutatie. Zijn analyse is slim, vermakelijk en blijft prettig ambivalent. Wie leest in De barbaren, een bundel essays die de Italiaanse schrijver tussen mei en oktober 2006 voor La Repubblica schreef, ziet overal bewijs voor de theorie die de schrijver ontvouwt. Essay over de mutatie is de ondertitel die in de vertaling van Manon Smits achterwege bleef, en die de afstand overbrugt tot het eenduidige ‘barbaren’; Baricco is eropuit afzonderlijke symptomen van de democratisering van privileges, de algemene toegang tot boeken, geschiedenis en delicatessen, en de dominantie van een vereenvoudigde smaak die dat meebrengt, de verschuiving van verdieping naar verbreding, te duiden als een natuurlijke ontwikkeling die iedereen treft, al verzet de een zich meer dan de ander. Hijzelf is bang voor het verlies dat hij ziet aankomen van alles wat hij waardevol vindt, maar hij wil zich blijmoedig verdiepen in de oorzaken van de barbaarse revolutie. Om niet het hele karakter van de mutatie weg te geven, of in dit korte bestek het boek met een indruk van oppervlakkigheid te besmetten — ja, het gaat om tempo, beweging, ontheiliging, middelmaat, verstaanbaarheid, et cetera — hierbij slechts een klein kijkje in een van Baricco’s verrassende analyses. Hij schrijft over wijn, voetbal, internet, televisie, kranten, politiek, 16 De Groene Amsterdammer 28.11.12

maar ook over literatuur, en hij wijst Umberto Eco’s Naam van de roos aan als keerpunt in de Italiaanse traditie. Het zou het eerste boek zijn dat een plaats wist in te nemen als ‘onderdeel van een sequentie’, als maaksel bedacht voor het oor van de lezer, of ‘communicatie’, meer dan de weerslag van een individuele stem, of ‘uiting’. ‘Het was niet ontsprongen aan het talent van en schrijversdier, maar aan de intelligentie van een theoreticus die, wat een toeval, eerder en beter dan de anderen de transversale communicatiewegen van de wereld had bestudeerd (Eco is semioticus – ew). Voor mij is dit het eerste goedgeschreven boek waarvan je oprecht kunt zeggen dat de gebruiksaanwijzing ervan volledig wordt gegeven op plekken die geen boeken zijn. Dat klinkt misschien paradoxaal, want het ging immers over Aristoteles, over theologie, over geschiedenis, maar het is wel zo: als je er goed over nadenkt kun je gerust nooit eerder een boek hebben gelezen en toch erg genieten van De naam van de roos. Het is geschreven in een taal die je elders hebt geleerd.’ Die conclusie beantwoordt aan een ­intuïtie, en hij wordt bevestigd door de kolossale oplage die de roman wereldwijd haalde. Eco maakte effectief gebruik van het grotere kader van de geschiedenis, de klassieke strijd tussen esoterie en ratio, de universele werking van een spannende plot, waardoor het boek lastiger in het Frans te vertalen was dan voor televisie, zoals Baricco over het werk van een andere succesvolle Italiaan opmerkt. Baricco – of zijn uitgever – heeft in zijn bundel de barbaar alvast een eindje tegemoet willen komen door persoonsbeschrijvingen en andere uitleg als noten achter de essays te hangen. Een tweede bijlage wordt gevormd door een uittreksel uit de krant, van de gebeurtenissen op de dagen dat Baricco zijn stukken publiceerde, en daarmee is ook in de boekvorm het door de

raoul foulon / corbis / hh

Baricco’s optimisme

Baricco kent de werking van barbaarse mechanismen niet alleen goed, hij past ze ook zelf toe

schrijver zelf aangewezen, barbaarse selling point gehandhaafd dat bestaat uit het deel uitmaken van een groter geheel. Ik heb Baricco’s internationale, voor toneel bewerkte en verfilmde megabestseller Zijde (1997) er nog eens bij gehaald en zijn andere romans doorgebladerd – echt lezen wilde maar niet lukken – en kom tot de conclusie dat hij de werking van barbaarse mechanismen waarschijnlijk zo goed kent omdat hij er niet alleen in verzeild is geraakt door zijn grote succes, maar ze zelf toepast. Zijde moet het hebben van eenvoudige exotiek (Japan), de annexatie van een historisch tijdperk (ontstaan van de wereldhandel, ontwikkelingen in de wetenschap), simplistische psychologie en de puberale romantiek van zwijgende blikken. De vorm leent hij bij sprookjes, met de vele herhalingen en de eenvoudige schema’s van helpers en tegenstanders, waardoor het verhaal nauwelijks als ‘uiting’ maar veel eerder als ‘communicatie’ valt op te vatten. Maar wat zijn eigen plaats in de evolutie ook zij, de essays zijn oorspronkelijk, grappig en verhelderend en de persoonsbeschrijving van Baricco’s mutant kan bijdragen aan de zelfkennis van een groot publiek. Smits’ vertaling is mooi, levendig, en maakt de Italiaans parmantige retoriek die in de tekst regelmatig opsteekt ook voor Nederlanders goed te verdragen. Esther Wils is redactiesecretaris en redacteur van cultureel en literair tijdschrift De Gids


Richard Miles over de strijd van Hannibal

Vechten om Herakles Wat we weten over Carthago is ons vooral door Grieken en Romeinen aangedragen. Richard Miles heeft een nieuwe invalshoek: Hannibal kaapt Herakles om Rome te verslaan. Door Joop Hopster

The Carthaginians Dexter Hoyos Routledge, € 30,50

Carthago Richard Miles Vertaald door Rob Kuitenbrouwer, De Bezige Bij, € 39,90

Hoe schrijf je een geschiedenis van een beschaving waarvan de taal nauwelijks te ontcijferen valt en waarover de resterende literaire bronnen geschreven zijn door auteurs uit rivaliserende samenlevingen? Twee auteurs, Richard Miles (Carthago: Opkomst en ondergang van een stad) en Dexter Hoyos (The Carthaginians), beschrijven de geschiedenis van Carthago heel verschillend: de een genuanceerd en feitelijk, de ander meeslepender en in één opzicht, over het gebruik van propaganda, zeer verfrissend. Hannibal die met zijn olifanten de Alpen overstak: dat is misschien de eerste associatie bij Carthago. Of anders de verwoesting van de stad door Rome, ruim zeventig jaar later. Maar natuurlijk valt er meer te zeggen. Een geschiedenis van Carthago in sneltreinvaart: Phoeniciërs uit Tyrus stichtten rond 800 voor Christus een stad op de kust van het huidige Tunesië; de stad werd groter en welvarender door een vruchtbaar achterland en een grote rol in de handelsnetwerken in het Middellandse-Zeegebied; na eeuwen van groeiende rijkdom en macht zorgden drie verloren oorlogen met de ‘nieuwe’ grootmacht Rome voor het einde van Carthago: Rome verwoestte de stad in 146 voor Christus. De hoofdlijnen zijn duidelijk, maar details zijn moeilijk te achterhalen door de gebrekkige staat van onze kennis. Opgravingen, verzamelingen munten en verhalen van vooral Griekse en Romeinse auteurs bepalen ons beeld van de Carthaagse geschiedenis. En omdat Grieken en Romeinen geregeld overhoop hadden gelegen met Carthago is het beeld dat ze scheppen op z’n zachtst gezegd nogal eens gekleurd. Het is dan ook niet wonderlijk dat Miles en Hoyos zich vaak voorzichtig uitspreken over wat er gebeurd kan zijn. Hoyos schreef van de twee het meest ‘kale’ boek: het wemelt van de verschillende verhalen en mogelijke waarheden, en Hoyos probeert zo goed mogelijk te verduidelijken wat we wel en wat we niet (zeker) weten. Een prima boek om dingen in op te zoeken. Meeslepender is het boek van Richard Miles, en ook minder weifelend. Zijn stokpaardje is de culturele verwevenheid in het MiddellandseZeegebied: de Klassieke Oudheid is niet alleen beïnvloed door Griekenland en Rome, zoals we op school vooral leren. Op allerlei plekken in het Middellandse-Zeegebied ontstond een steeds weer andere mengeling van gebruiken en gewoonten, waarop ook andere volken dan Grieken en Romeinen hun invloed hadden. Dat gold niet alleen dagelijkse leefgewoonten, maar ook religieuze praktijken. Het uitgebreide pantheon van Griekse en Romeinse goden stond open voor invloeden (en goden) van buitenaf. In Carthago stelt Miles vooral de Carthaagse godheid Melqart centraal, wiens rol en eigen-

schappen geleidelijk steeds meer overlapten met die van de Grieks-Romeinse Herakles/Hercules, waardoor mensen in vrijwel het hele mediterrane gebied zich met hem konden identificeren. Deze overlapping wordt ook wel aangeduid met de term syncretisme: versmelting. Miles’ invalshoek is vooral dat hij dit syncretisme verbindt met het optreden van de Carthaagse veldheer Hannibal tijdens de Tweede Punische Oorlog. Bekend is dat Hannibal probeerde de bewoners van door Rome onderworpen gebieden in Italië – Grieken, Samnieten, Campaniërs et cetera – van Rome los te weken, in de hoop met hun hulp Rome te kunnen verslaan. Zo behandelde hij niet-Romeinse krijgsgevangenen bijzonder coulant, en benadrukte hij geregeld dat hij de niet-Romeinen van het Romeinse juk wilde bevrijden. Dit klinkt allemaal als rechttoe, rechtaan propaganda, maar Miles geeft daar een stevige religieus-culturele draai aan, waarbij Herakles/Melqart een grote rol speelt. Herakles zou bij het verrichten van zijn werken door Italië getrokken zijn, steden hebben gesticht en nakomelingen hebben verwekt, en hij had een zekere faam als iemand die volkeren bevrijdde van tirannen. Hannibal zou vóór en tijdens de Tweede Punische Oorlog hebben geprobeerd (net als bijvoorbeeld Alexander de Grote al eerder) zichzelf als een soort halfgod te portretteren door werken te verrichten die de menselijke macht te boven gingen – zoals het oversteken van de Alpen met een compleet leger en olifanten in de winter. Zo moest een beeld ontstaan van Hannibal als een hedendaagse Herakles. Bovendien trok Hannibal met zijn leger grofweg langs de weg die Herakles zou hebben afgelegd. Deze toeëigening van Herakles door Hannibal moest het effect hebben van een ondermijning van de Romeinse mythologie: de Romeinen en vele andere Italianen identificeerden zich immers met Hercules. Als Hannibal zich met succes met Herakles kon identificeren, dan zou hem dat van een ‘barbaar’ of vreemdeling hebben getransformeerd tot iemand van dezelfde cultuurgemeenschap, die de Italische volkeren kwam bevrijden van de (Romeinse) tirannen. Dat zou het een stuk makkelijker voor hem maken om de niet-Romeinse hearts and minds in Italië voor zich te winnen in de oorlog tegen Rome – en zijn kans op een overwinning aanzienlijk vergroten. Volgens Miles verklaart dit propagandaoffensief van Hannibal ook de frequente en koortsachtige inspanningen van de Romeinen om de goden gunstig te stemmen, in de hoop dat er een eind zou komen aan Hannibals successen en het tij zou keren in Romeins voordeel. Waren de propagandamogelijkheden van dit syncretisme voor Hannibal nou werkelijk zo groot als Miles schetst? In elk geval werpt Miles’ invalshoek vruchtbaar nieuw licht op de zaak. Joop Hopster is historicus en werkzaam bij Athenaeum Boekhandel als rubrieksbeheerder geschiedenis en politiek 28.11.12 De Groene Amsterdammer 17


De recensenten gerecenseerd

Verdomme, die ’t Hart!

jeroen henneman

Christiaan Weijts recenseert vijf Nederlandse recensenten, gangmakers van het literaire debat, naar hun eigen maatstaven. Door Christiaan Weijts

18 De Groene Amsterdammer 28.11.12

Ooit beschouwde ik recensenten als de gewichtige keurmeesters van het vak. Zo leerde je het in de studie, zo leek het als je de kranten las. Pas nadat ik zelf mijn eerste stappen in ‘het wereldje’ had gezet, ontdekte ik dat dit genuanceerder ligt. Ineens fluistert schrijver A: ‘Stond jij nou net bier te drinken met recensent B!? Je wéét toch wat hij over schrijver C heeft geschreven!’ Ineens zit ik bij een discussie waar recensent D een hoogoplopende vete uitvecht met recensent E, live voor publiek. Ik bekijk het wereldje nu al zo’n zes jaar vanaf de zijlijn. Ik woon in Den Haag, en ben hooguit eens per maand in Amsterdam, maar dat is frequent genoeg om een indruk te krijgen van de kongsi’s en de achterklap. Er is iets in de literatuur wat deze branche bijzonder vatbaar maakt voor roddel, mot, rancune en gemier. Wegdraaiende hoofden als recensent F café De Pels in stapt. ‘Je weet toch dat hij in de jury zat van prijs G, terwijl hij vreemdging met dichteres H…’ Nee, dat wist ik niet. Ik mis het zintuig voor zulke verhalen, of ben ze de ochtend na de onthulling al weer vergeten. En dan sta je ineens weer een biertje te drinken met iemand die naar objectieve maatstaven een aartsvijand moet zijn. Ik leer het ook nooit. Zoals ik het subtiel vertakte netwerk van twisten en breuklijnen, met al die nerflijntjes van kif en onmin, nooit helemaal in kaart heb weten te krijgen, zo heb ik de overvloed ervan in de literaire wereld ook nooit goed weten te verklaren. Vast is het omdat schrijvers zo lichtgeraakt zijn – ze geven hun ziel en zaligheid bloot, en zo’n stukjesschrijver boort het op een dinsdagavond in de grond. Vast is het omdat het zo’n kleine wereld is, die van uitgevers, auteurs en kranten, zo dicht op elkaar dat zakelijke conflicten en relationele bonje lastig zijn te vermijden. Vast is het omdat het vertellen van verhalen de core business is in deze populatie, zodat ze ook in het alledaagse verkeer de verhalen over collega’s en concurrenten wat sterker aanzetten. Vast is het omdat publiceren nu eenmaal iets van een karakterologische ijdelheid vereist. Vast is het omdat er zoveel alcohol stroomt door letterenland. Zeker weet ik het niet. In dit artikel wil ik terugkeren naar de inhoud. Ik portretteer een selecte groep van recensenten, gangmakers van het literaire debat, door ze te recenseren naar hun eigen maatstaven. Zonder rancune en dubbele bodems. (Alhoewel. Altijd als mijn ergernis over ‘het wereldje’ opspeelt, zie ik Gerrit Komrij weer voor me. Die kon er ook wat van, en was altijd tot in de finesses op de hoogte. Aan het einde van een roddelrondje zag ik hem eens in z’n handen wrijven, waarna hij glunderend opmerkte: ‘Wat is de literatuur toch een prachtig vak, hè?’) Christiaan Weijts is schrijver en columnist voor De Groene. Onlangs verscheen Euforie


Niet verwonderlijk dat Vullings zich ook vaak lovend uitlaat over P.F. Thomése, stilist bij uitstek, die eveneens het banale aan het hoog­ dravende paart. Gemene scheldpartijen zul je uit zijn pen niet gauw zien. Als hij kraakt, kraakt hij met een zwierige omhaal, wat waarschijnlijk des te harder aankomt: ‘Het getal aan personages is niet bijster groot, maar waarschijnlijk wel te fors voor Bakker.’ Dat hij inmiddels al zo’n tien jaar voor Vrij Nederland schrijft kan ook verantwoordelijk zijn voor de soms wat al te losse toon. Al kun je dat ook sprezzatura noemen. Met zo nu en dan, schijnbaar tegen wil en dank, een raak aforisme als: ‘Literatuur is geen wedstrijd, maar er is altijd een beste boek.’ Rest nog de brandende vraag: stond hij inderdaad model voor de onbetrouwbare literatuurbons Jochem Suckert in Geerten Meijsings Siciliaanse vespers (2007)?

keuris / hh

Jeroen Vullings van Vrij Nederland is helder over zijn missie en neemt die ernstig op. Twee jaar terug schrijft hij over de recensent: ‘Zijn taak is niet om de maatschappij een sociaal wenselijk opkontje te geven door een matig schrijvende representant van een te pousseren groep de galerij der grote eenlingen in te bonjouren. Wat hij daarentegen moet doen is simpel: fictie lezen en die beargumenteerd beoordelen op literaire merites.’ Simpel, maar wat zijn die onwrikbare maatstaven? Geen engagement of politiek correcte stellingen dus, het gaat hem vooral om stijl en vormgeving. Vullings’ eigen stijl kenmerkt zich door een combinatie van archaïsme en opgeruimdheid. Uit woorden als ‘zulks’ en ‘evenwel’ zweemt wat Reve-invloed, maar hij schuwt ook de populaire registers niet. ‘Bovendien is ook in het echelon van vier- of vijfsterrenklanten – we’re talkin’ shortlist – nog steeds fijnmazige hiërarchie nodig.’ Hij kan iets ineens ‘plezant’ noemen, of klagen over een ‘hapsnapcollage’ die iemand ‘in elkaar fröbelde’.

***

amaury miller / hh

**

Arie Storm van Het Parool liep ooit een blauwtje bij uitgeverij De Arbeiderspers, van welk huis hij vervolgens met bewonderenswaardige consistentie alle boeken systematisch afzeikt. Nou ja, bijna allemaal. Grote uitzondering vormen de romans van Maarten ’t Hart. In de bundel Bagatellen (2010) van Willem G. van Maanen komt een zekere Stephen Storm voor, schrijver. De reactie van Arie is tekenend: hij dacht meteen dat het over hém ging, zeker als deze Stephen Storm klaagt over alle troep die hij professioneel te lezen krijgt. Van Maanen schrijft: ‘Zijn aanvankelijke ironie verkeerde met de jaren in verbittering, en als er niet zou worden ingegrepen, door god of duivel, om het even wie van de twee, zag het ernaar uit dat er op een dag niets anders uit zijn pen zou komen dan zwarte gal.’ Waarop Arie Storm in zijn recensie uitroept: ‘Hoe herkenbaar!’ Herkenbaarheid lijkt dan ook Storms voornaamste literaire criterium te zijn. In de Tros Nieuwsshow op Radio 1, waar hij elke drie weken recensent van dienst is, besprak hij onlangs zowel de nieuwe Oek de Jong als de nieuwe Ian McEwan. Hij had z’n twee papiertjes net zo goed kunnen verwisselen. In beide gevallen was ‘het tijdsbeeld’ zo mooi neergezet. De literaire trucjes nam hij dan maar voor lief. ‘Minder plot, minder gekunstelde vervreemding en meer literatuur’, verlangde hij laatst van een roman (ja, toevallig de mijne, geef ik maar toe). Met literatuur bedoelde hij dan: sfeer­ beschrijving. Als hij een roman prijst, zoals eentje van Wanda Reisel, lezen we bijvoorbeeld: ‘Voor het eten wordt een lekkere herfstbokbier gedronken. De baas van het café heet Arie. Kortom. We zijn helemaal thuis.’

vu

van De Groene Amsterdammer is een criticus die je hardop kreten hoort slaan in z’n recensies, wat niet per se een compliment hoeft te zijn. ‘Verdomme, die Couperus…’ ‘Verdomme, Ramdas had het niet alleen over zichzelf, maar over schrijvers in het algemeen…’ ‘Verdomme Petry, dacht ik, je hebt me waar je me hebben wilt.’ ‘Het gaat toch verdomme niet alleen om goed schrijven!’ ‘Alles goed en wel, mooie zin, dat wel, maar wat staat er verdomme op die papiertjes!’ ’t Hart kan rustig driekwart van z’n bespreking wijden aan besprekingen van andere recensenten, die er natuurlijk niets van begrepen hebben, of eerst twee kolommen over het genre van de Scandinavische thriller doorzagen, hoe zijn echtgenote die leest, en hoe hij zo’n genre zelf zou aanpakken… Waarna hem plotseling te binnen schiet dat hij ook nog een boek moet bespreken. Geen andere recensent zou het in z’n hoofd halen om achteloos te refereren aan een ontmoeting met Cees Nooteboom, die op een station een bamischijf stond weg te happen. ’t Hart doet dat gewoon, omdat zijn recensies natuurlijk geen recensies zijn, maar columns, kleine verhalen, die toevallig pas verschenen boeken als aanleiding hebben. Verdomme, die ’t Hart! Ook in z’n recensies is hij in eerste instantie een verteller, wat niet per se een diskwalificatie hoeft te zijn.

Sommige recensenten stellen zich terughoudend of omfloerst op. Steeds vaker lees ik recensies waarbij ik me afvraag: maar wat víndt hij of zij nu eigenlijk van dat boek? Of: dit lijkt positief, maar of je er als auteur nu echt blij mee kunt zijn… Tot die categorie critici behoort in elk geval niet Elsbeth Etty van NRC Handelsblad. Zij is zo uitgesproken dat je de krant maar van boven aan de trap op de deurmat hoeft te zien liggen en je weet al wat haar oordeel is. Ik vermoed dat wanneer je statistisch onderzoek doet naar quotes die uitgevers uit recensies plukken voor achterflappen en buikbandjes de stukken van Etty in de meerderheid zijn. Etty heeft een voorkeur voor maatschappelijk geëngageerde literatuur, vanuit haar socialistische verleden en haar rol als columniste, maar is ook een warm pleitbezorgster voor de literaire seks. Nadrukkelijk niet als in het brave Vijftig tinten grijs, maar, zoals ze naar aanleiding van Piet Calis’ bloemlezing Venus in minirok (2010) schreef: ‘Pure geilheid is ontwrichtend en boezemt angst in en slechts weinig schrijvers durven zich daaraan te wagen.’ Etty heeft iets grilligs en onvoorspelbaars. Je weet nooit welke kant het oordeel precies gaat uitvallen, wel dat het intens is. Vermoedelijk is het ook aan die intensiteit te danken dat Etty’s naam steeds opduikt in controverses, beschuldigingen en insinuaties, die haar vooralsnog niet lijken te deren. Immers: if you can’t stand the heat, get out of the kitchen.

****

*

martijn hol

asing walthaus

Kees ’t Hart

Arjan Peters van de Volkskrant inspireerde Jeroen Brouwers ooit tot de typering: ‘zuursmoelreptiel’, maar is zijn pHwaarde nog steeds zo laag? Onlangs deelde hij ineens vijf ballen uit aan zijn vroegere pispaal Leon de Winter. Zelfs Brouwers kreeg een schouderklopje. Ach ja, zo veel maakt het ook niet uit, een krakende of een lovende ­recensie. Schreef hij ze ooit niet over één en ­hetzelfde boek – een zuur stuk in de krant, een zoet stuk in een folder voor buitenlandse uitgevers? Misschien is hij milder geworden omdat hij nu eenmaal minder bespreekt. Hij heeft zich grotendeels teruggetrokken in een columnhoekje in het boekenkatern, en komt alleen nog in actie bij boeken die hem werkelijk iets doen. Dat lijkt me een ontwikkeling waar de hele Nederlandse literatuur mee gediend is.

**

28.11.12 De Groene Amsterdammer 19


Allen Ginsberg

Howl, Kaddisj en andere gedichten

Curzio Malaparte Bloed

In deze vuistdikke, tweetalige uitgave zijn 13 Malapartiaanse verhalen. Koppig en elegant. Ginsbergs grote gedichten voor het eerst in De verschijning van Bloed, nooit eerder verNederlandse vertaling bijeengebracht. taald, is een kleine verrassing voor de liefhebVinkenoogs pionierende vertalingen zijn volbers van Kaputt en De huid. ledig herzien door vertaler en Ginsberg-kenner (de Volkskrant) Joep Bremmers. Veel vertalingen in deze bunUit het Italiaans door Jan van der Haar del verschijnen voor het eerst in druk. ISBN 978 90 8684 089 2 Aantal pag.: 155 Prijs € 16,50 Geannoteerde, tweetalige dichtbundel Vertaling Simon Vinkenoog en Joep Bremmers ISBN 978 90 8684 028 1 Aantal pag.: 512 Prijs € 28,50

Hans Vaihinger

De filosofie van het alsof

Vaihinger (1852-1933) gaf zijn magnum opus de naam Filosofie van het alsof, omdat deze titel het best uitdrukte wat hij wilde zeggen: dat het alsof, de schijn, het bewuste-onjuiste een enorme rol speelt in de wetenschap, de wereldbeschouwing en het leven. Verschijnt februari 2013 in een gebonden en genummerde editie van 511 exemplaren. Een exemplaar reserveren: via uw boekhandelaar of: info@uitgeverij-ijzer.nl ISBN 978 90 8684 072 4 Aantal pag.: 464 Prijs: € 49,90

Het principe verantwoordelijkheid Hans Jonas

Vrijheid.

Maar voor wie? Bakker/Brouwer (red.) Aan de hand van een onderzoek naar de huidige stand van zaken in de politiek, de media, de economie en de cultuur, wordt in dit boek het testament van het liberalisme opgemaakt. Tevens laat de bundel zien welke mogelijkheden er zijn om deze doctrine van vrijblijvendheid te doorbreken. Bijdragen van oa. Slavoj Žižek, Bernard Stiegler, Marc De Kesel en Jodi Dean. ISBN 987 90 8684 057 1 Prijs € 19,50. 255 blz.

De mensheid heeft door technologie ongekende vermogens en dit vereist volgens Jonas een nieuw soort verantwoordelijkheid. Het gaat om een verantwoordelijkheid die niet alleen globaal is, maar ook op de toekomst is georiënteerd, geen dank Tussen de regels verwacht, en constant een rol speelt in het bestaan Een esthetische beschouwing van ons allen. Om een ethiek van verantwoordeover geweld van organisatie lijkheid wijsgerig te onderbouwen, onderzoekt Mieke Moor Jonas eerst de onderliggende principes die het handelen aansturen. Hij schuwt daarbij niet tegen Een gewaagd boek over de relatie tussen kunst en gevestigde meningen in te gaan. werk. Het werpt een ongewone blik op organisatie en werk en confronteert de lezer met het onalleHet principe verantwoordelijkheid verscheen oorsprondaagse denken van de filosofie. Voor iedereen die kelijk in 1979 en geldt inmiddels als een filosofische geïnteresseerd is in het dubbele verlangen van de klassieker. Dat het na ruim dertig jaar in het Nedermens om ‘in control’ én vrij te zijn. lands werd vertaald is verheugend. (NRC Handelsblad)

ISBN: 978 90 8684 049 6 Prijs: € 29,50. 350 blz.

ISBN: 978 90 8684 079 3 Prijs: € 29,95 319 blz + 16 blz kleurkatern


Issuu converts static files into: digital portfolios, online yearbooks, online catalogs, digital photo albums and more. Sign up and create your flipbook.