6 minute read

Politieman/vrouw worden aan de UvA

tekst: Han Ceelen

Die pet past ons niet allemaal, zegt Suzanne (geen achternaam), die na haar studie Italiaans koos voor een baan bij de politie. Het werk legt een behoorlijke druk op het privéleven, zonder dat daar een riante beloning tegenover staat. Maar voordelen zijn er ook: veel vrijheid, en actie in de taxi, zoals zij het opsporingswerk noemt. Juist voor academici is er ruimte bij de politie: hoogopgeleide recherchedeskundigen kunnen bijvoorbeeld helpen voorkomen dat door tunnelvisie onschuldigen worden veroordeeld. Criminaliteitsbestrijder Menno Helvensteijn ziet zelfs ruimte voor een politieopleiding op universitair niveau, onder meer omdat fraudezaken steeds complexer worden.

Advertisement

Kees Hummel

Het echte opsporingswerk – actie in de taxi zoals wij dat noemen – is opwindend

Suzanne

Zich inzetten voor de maatschappij, dat idee zat er bij Suzanne diep in. Na een studie Italiaans kwam ze via een instroomklasje als recherchekundige bij de politie terecht. De open houding van de politieorganisatie beviel haar. ‘Ze kozen ervoor om linkse types als wij binnen te halen, dat vond ik bijzonder.’ Als dochter van een hoge militair was Suzanne (haar achternaam publiceren we op haar verzoek niet) al vroeg vertrouwd met het uniform. Maar dat ze het zelf ooit zou aantrekken, had ze nooit gedacht. ‘Wij waren zeker geen typisch militair gezin. Mijn moeder was links, er werd gediscussieerd, er was veel aandacht voor kunst en cultuur.’

Mede vanuit die culturele interesse koos ze na het gymnasium in Hoorn (met zes talen) voor een studie Italiaans aan de UvA. Niet om later leraar of vertaler te worden. Maar gewoon omdat ze het leuk vond, en de taal zag als een goede vaardigheid. Haar studie bleek vanaf dag een de juiste keus. ‘Ik leerde veel waar ik nog dagelijks wat aan heb. De taal zelf, maar ook bepaalde waarden die je in de humanistiek meekrijgt, verbanden leggen tussen middeleeuwse literatuur en het heden, en het je kunnen bewegen tussen verschillende culturen. Pas door de onderdompeling in de Italiaanse cultuur realiseerde ik me hoe Nederlands ik zelf was.’

Ook schrijven en onderzoek doen, lagen haar goed. Daarbij zocht ze vaak ‘de rafelranden’ op. Ze schreef papers over Italiaanse (politieke) criminaliteit en onderzocht mensenrechtenschendingen tijdens een stage bij Amnesty International. Een tijdje overwoog ze een carrière in de journalistiek, waarvoor ze een eenjarige master deed aan de VU. Maar uiteindelijk bleek dit toch niet het juiste pad. ‘De VU beviel me niet, en de journalistiek uiteindelijk ook niet. Ik vond het te competitief, en ik vond de commerciële invloed op het werk te groot.’

Na haar afstuderen wees een kennis haar op de mogelijkheid om bij de politie in te stromen als recherchekundige. Deze functie, waarvoor minimaal een hboopleiding is vereist, werd in het leven geroepen na de Schiedammer parkmoord (2000). Hierbij was door tunnelvisie de verkeerde verdachte veroordeeld. Hoogopgeleide recherchekundigen moesten een extra slot op de deur worden om te voorkomen dat zoiets opnieuw zou gebeuren. ‘Toen ik van die vacature hoorde kwam het thuisfront weer om de hoek kijken’, zegt Suzanne. ‘Het idee dat je je moet inzetten voor de maatschappij zat er toch diep in. Toen heb ik de stap maar gewaagd.’

Wat haar onmiddellijk beviel aan de politieorganisatie was de open houding. ‘In ons instroomklasje zat van alles: veel criminologen en rechtenstudenten, maar ook historici en dramadocenten. Linkse types. Wij zaten daar tegenover ervaren politiemensen over wie mijn vooroordeel was: die stemmen vast allemaal VVD. En toch kozen zij ervoor om mensen als wij binnen te halen. Dat vond ik bijzonder.’

Na haar opleiding begon ze bij de districtsrecherche in Rotterdam, waar ze zich bezighield met zaken variërend van zakkenrollen tot woninginbraken en poging tot doodslag. Ook deed ze een ‘blauwe stage’ in uniform. Drie jaar later stapte ze over naar het Landelijk Internationaal Rechtshulpcentrum in Zoetermeer, waaronder ze nog altijd valt. Over de inhoud van haar huidige werkzaamheden kan ze om veiligheidsredenen weinig zeggen, behalve dat ze meer achter haar bureau zit dan vroeger en in een internationale omgeving opereert. ‘Nederlandse criminaliteit bestaat niet. Er is altijd wel een buitenlandse component.’ Wie als academicus bij de politie aan de slag wil, moet daar goed over nadenken, vindt ze. Want de pet past niet iedereen.

‘Het weegt best zwaar op je privéleven. Ik kan mijn partner niet alles vertellen wat ik doe, ik moet letten op mijn sociale-mediagebruik en op hoe ik me in het openbaar gedraag. Vroeger hing ik wel eens lam aan de tap, dat kan niet meer. Daarbij kan de politie echt een bolwerk zijn, daar moet je tegen kunnen. Ik ken collega’s die terechtkwamen op een afdeling waar ze zeiden: zo doen we dat hier al dertig jaar. Die liepen vast.’

Ook de slechte betaling is voor sommigen een reden om af te haken. ‘Eigenlijk mag ik daar niet over klagen, omdat de collega’s op straat pas echt slecht betaald krijgen. Maar ook voor ons is het geen vetpot. Toen ik net afgestudeerd was, was het crisis en was ik blij dat ik een baan had. Nu merk ik dat studiegenoten veel meer verdienen dan ik.’ Maar daar staan volgens haar veel voordelen tegenover. ‘Je krijgt vrijheid en kansen. En het echte opsporingswerk – actie in de taxi zoals wij dat noemen – is opwindend. Dat mis ik ook wel. Voorlopig zit ik hier nog goed, maar in de toekomst wil ik weer de straat op.’

Kees Hummel

Criminaliteitsbestrijding is een kat-en-muisspel, het houdt nooit op

Menno Helvensteijn

Zijn praktische instelling en organisatorisch talent zet Menno Helvensteijn in bij criminaliteitsbestrijding in de financiële sector. ‘Wat me bij de politie meteen aansprak, is de enorme wens van politiemensen om met het goede bezig te zijn.’

Op de lagere school droomde Menno Helvensteijn van een loopbaan als archeoloog. Graven, dat leek hem leuk. Maar toen hij na het vwo echt voor de keuze stond, koos hij toch voor Politicologie. ‘Ik heb in een studiegids eerst alles doorgestreept wat ik niet wilde doen. Daarna alles waar ik weinig beroepsperspectief in zag. Toen was dit een van de weinige dingen die overbleef.’

Helvensteijn groeide op in het Noord- Hollandse Schoorl, en was de eerste uit zijn familie die ging studeren. Een echte academisch onderzoeker school er niet in hem, ontdekte hij al snel. Hij was meer een regelaar, iemand die het leuk vond om dingen te organiseren en mensen bij elkaar te brengen. Om die reden koos hij voor bestuurskunde als afstudeerrichting. Ook bij studievereniging Machiavelli regelde hij er lustig op los, waarop men hem voordroeg voor het faculteitsbestuur. ‘Zo kwam ik in allerlei commissies terecht. Verder was ik veel bezig met muziek. Ik zat in alternatieve rockbandjes. We speelden vooral hard.’

Het belangrijkste dat Helvensteijn door zijn studie ontdekte, was wat hij zijn ‘ontwikkeloriëntatie’ noemt. ‘Bij Politicologie aan de UvA was alles gericht op de vraag: “Hoe zou het moeten zijn?” Terwijl men het aan sommige andere opleidingen, bijvoorbeeld aan de Universiteit Leiden, vooral belangrijk vond om te weten “hoe het is”. Dat verbeteren komt steeds terug in mijn carrière. Ik wil dat dingen vooruitgaan, heb een hekel aan pappen en nathouden. Wat ik het liefst doe is de voorwaarden creëren waaronder andere mensen kunnen gedijen, en mezelf dan overbodig maken.’

Om die reden gedijde Helvensteijn zelf bij het Amsterdamse stadsdeel Bos en Lommer, waar hij na zijn afstuderen aan de slag ging als ambtenaar. Hij stilde er zijn regelhonger met allerlei klussen ‘waarvoor niet echt een functietitel te bedenken was, maar die meestal iets te maken hadden met projectmanagement’. Later, als consultant en als adviseur en toezichthouder op de ministeries van Landbouw en Binnenlandse Zaken, voelde hij zich minder gelukkig. ‘Op de ministeries was het vooral op de winkel passen, en in de consultancy draaide alles te veel om geld verdienen. Dat paste allebei niet echt bij mij.’

In 2007 begon hij op Schiphol-Oost bij de Unit Luchtvaartpolitie, die ondersteuning levert met helikopters. ‘Met het operationele deel had ik niets te maken. Ik moest de club beter op de kaart zetten en zorgen dat het een landelijke operatie werd. Wat me meteen aansprak, is de enorme wens van politiemensen om met het goede bezig te zijn. En niet, zoals ik op ministeries vaak zag, het uit de wind houden van bewindspersonen.’

Na drie jaar was Helvensteijns belangstelling voor het politiewerk voldoende gewekt om in 2015 – na een periode als huisvader – opnieuw bij de organisatie te solliciteren. Dit keer betrof het een functie die tot doel had de samenwerking tussen de politie en de financiële sector te bevorderen, met het oog op criminaliteitsbestrijding. ‘Deze baan wilde ik echt,’ zegt hij. Na een selectie-en-screeningperiode van driekwart jaar werd hij verkozen uit zeventig kandidaten. Ook in zijn huidige baan vervult Helvensteijn zijn geliefde rol van ‘pionier, regelneef, oliemannetje, aanjager en diplomaat’. Hij zit geregeld om de tafel met financiële instellingen en partijen als het OM, de FIOD en het ministerie van Justitie en Veiligheid. ‘Het komt vaak voor dat professionals uit de private sector kennis hebben van iets wat niet in de haak is, maar waar ze zichzelf niet mee kunnen blootgeven. Dan kan ik ze doorverwijzen naar ons Team Criminele Inlichtingen, waar mensen wettelijk afgeschermd en anoniem hun verhaal kwijt kunnen.’

Overgekwalificeerd voelt hij zich allerminst. ‘De politie is inderdaad vooral een mbo-organisatie. Maar met name financiële criminaliteit, zoals fraude en witwassen, wordt steeds complexer. Daar gaan vele miljarden in om en dat mensen daarmee wegkomen, ondermijnt de rechtsstaat. Daar moet je als samenleving een antwoord op verzinnen, en daarvoor heb je hooggekwalificeerde mensen nodig. Ik denk dat het goed zou zijn als er een politieopleiding op universitair niveau zou komen.’ Zichzelf overbodig maken bij de politie wordt lastig, beseft Helvensteijn. ‘Er zijn altijd wel weer etters die iets gaan uitproberen. Criminaliteitsbestrijding is een kat-en-muisspel. Het houdt nooit op.’

This article is from: