Het jonge kind de rol van het schoolbestuur bij vroegschoolse educatie

Page 1

Het jonge kind De rol van het schoolbestuur bij vroegschoolse educatie Verhalen uit de praktijk 1  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


COLOFON Deze uitgave is gemaakt in opdracht van de PO-Raad. Auteurs: Oberon en Irene Hemels Publicatiedatum: tekst 2013/2014, bundeling april 2015 Grafische verzorging: Coers & Roest ontwerpers bno | drukkers

2  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Inhoud Voorwoord

5

Een portret van Stichting Ronduit in Alkmaar

6

Een portret van PCBO Amersfoort in Amersfoort

10

Een portret van De Haagse Scholen in Den Haag

16

Een portret van stichting RK Primair Onderwijs in Culemborg

22

Een portret van Innovo in Heerlen

29

Een portret van PCBO Voorst in gemeente Voorst

30

Bestuurder moet meer verantwoordelijkheid nemen bij kwaliteit van vroegschoolse educatie

36

Opbrengstgericht werken in de kleutergroepen: hoe implementeer je dat ?

42

Een portret van Stichting Prodas in Deurne, Asten en Someren

46

Een portret van stichting Bijzonderwijs in Amsterdam

50

Stichting Kopwerk aan kop: Schakelklas helpt kleuters vooruit

54

Masterclasses zetten opbrengstgericht werken in kleutergroepen op de kaart

58

Portret van SKBO in Oss

62

3  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


4  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Voorwoord Een kind dat een goede start maakt, p ­ rofiteert daar zijn hele leven nog van. Een goede basisschool is daarbij een vereiste, maar daar blijft het niet bij. Ook de periode voordat het kind de basisschoolleeftijd heeft bereikt, heeft een belangrijke invloed op zijn toekomst. De PO-Raad zet zich daarom in voor één basisvoorziening voor alle kinderen van 2,5 tot 4 jaar. Zo’n voorziening legt de basis voor de verdere ontwikkeling van kinderen. Al geruime tijd werken onderwijs, kinderopvang, peuterspeelzalen en gemeenten op lokaal niveau samen om dit te realiseren. Goede voor- en vroegschoolse educatie maakt daar deel van uit. Daarmee kunnen taal- en ontwikkelingsachterstanden bij kinderen al op jonge leeftijd zoveel mogelijk worden voorkomen. Met name kinderen die de Nederlandse taal niet van huis uit meekrijgen, hebben hier baat bij. Uit onderzoek weten we dat voor- en vroegschoolse educatie het meest effectief is wanneer die met een doorlopende ontwikkellijn door­ loopt naar de basisschool en daarna ook naar het vervolgonderwijs. Zowel landelijke als lokale overheden investeren daarom hierin. Het goed organiseren van deze voorschoolse voorzieningen is zo makkelijk niet. De PO-Raad heeft daarom regelmatig een kijkje genomen achter de schermen van scholen en hun besturen die voortvarend werken aan het voorkomen van achterstanden. Hun verhalen werden op de website van de PO-Raad gepubliceerd. De serie artikelen en portretten over Het Jonge kind die dit opleverde, zijn in deze uitgave gebundeld. Ze dienen als voorbeeld en inspiratie voor het organiseren van goede voor- en vroegschoolse educatie. Zo kunt u lezen over de scholen van de Stichting Bijzonderwijs in Amsterdam die allemaal een eigen peuterspeelzaal in huis hebben. Of over de schakelklassen voor kleuters van de Stichting Kopwerk aan kop uit het noorden van Noord-Holland. Spelenderwijs leren, moeten we samen goed organiseren. Alleen dan krijgen alle kinderen de kans hun talenten te ontwikkelen. Rinda den Besten

5  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Een portret van Stichting Ronduit in Alkmaar Ronduit is een openbaar bestuur met 13 basisscholen waarvan 1 AZC-school, daarnaast 1 sbo-school en een REC 4 school met 10 afdelingen in de kop van Noord-Holland. Van de 13 basisscholen zijn er 7 scholen (8 locaties) die sinds jaar en dag meedoen in een VVE-traject. Hiervan zijn er op dit moment 2 geen gewichtenschool meer. Toch worden ze nog zo behandeld door het schoolbestuur en de gemeente. De VVE-structuur werkt nog steeds, wel is het werken met programma’s veranderd. Mariëlle Moll, beleidsmedewerker onderwijs en kwaliteitszorg, vertelt over de organisatie van het vroegschools aanbod.

6  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


In 2006 is men in Alkmaar begonnen met een groep besturen, peuterspeelzalen, kinderdagverblijf en gemeente om gemeentelijke afspraken te maken. Er is toen gekozen om met de KO-totaal programma’s te gaan werken. Toen zijn de 8 scholen van Ronduit gestart. “Het was toen echt wel een verbetering, er kwam een methode in de onderbouw en tot dan toe werd alleen met projecten gewerkt.” In de afgelopen 6 jaar is de doelgroeppopulatie veranderd en merkt men dat Ik&Ko niet meer voldoende biedt. Het schoolbestuur heeft aangegeven dat het programma niet als keurslijf geldt en dat een school iets kan toevoegen of weglaten van het aanbod naar gelang de populatie dat nodig heeft. Het programma Ik&KO geldt dus als basis mits de school het aanbod goed in de gaten houdt. Er wordt door het bestuur nog vastgehouden aan dit programma vanwege de doorgaande lijn met de peuterspeelzaal. Echter in de invulling van het vroegschools aanbod bewandelen de scholen hun eigen weg. De doorgaande lijn wordt versterkt doordat alle scholen een peuterspeelzaal in huis hebben, ook daar wordt nog steeds het programma Puk & KO van Ko-totaal gebruikt. Het bestuur is tevreden over de goede samenwerking die peuterspeelzalen en VVE-basisscholen hebben, “dit hebben we goed voor elkaar met elkaar”, aldus Mariëlle Moll. Vanuit de bestuursafspraken komt er geen geld voor VVE richting de scholen. Vanuit de bestuursafspraken maar ook

7  |  PO-RAAD SPECIAL

de gemeentelijke OAB middelen hebben 4 scholen een Kleutergroep plus. Hier is er 8 uur extra ondersteuning in groep 1 en 2 voor kinderen die dat nodig hebben.

ROLOPVATTING VAN HET BESTUUR Kaders en beleid… Ronduit heeft een strategisch beleidsplan waarin actielijnen en indicatoren voor VVE zijn geformuleerd. Een van de indicatoren is dat 75% van de doelgroepleerlingen eind groep 2 minimaal op C-niveau scoort op de toets Taal voor Kleuters. Het strategisch beleidsplan wordt jaarlijks vertaald in een jaarplan. …maar ook loslaten Het VVE-programma en de Cito-toetsen vormen een basis voor het vroegschools aanbod. VVE is volgens mevr. Moll meer dan dat. “Het gaat erom dat je als school zicht hebt op wat de peuters aan aanbod hebben gehad. Dan kun je een doorgaande lijn creëren. Eigenlijk gaat het om vroegtijdig achterstanden in taal signaleren en ervoor zorgen dat met extra onderwijsaanbod deze kinderen een goede start kunnen maken in het basisonderwijs.” De invulling die de scholen maken, gaat langs een eigen weg. “De doelgroep is nu anders dan 6 jaar geleden, dus je moet je blijven aanpassen”. Zicht houden, ondersteunen en sturen op inhoud Een van de indicator voor VVE die genoemd wordt in het strategisch beleidskader is het hebben van een taal-

HET JONGE KIND


beleidsplan is. In oktober 2012 is vanuit het bestuur een inventarisatie gehouden naar het taalbeleid en de doorlopende leerlijnen in taal. Vaak bleek deze er niet te zijn. Het is wel de bedoeling dat elke school dit jaar een taalbeleidsplan maakt. Er is een format voor het taalbeleidsplan aangereikt. Het gebruik van het format is niet verplicht. Op deze manier ondersteunt en stuurt het bestuur. De VVE-scholen en de scholen met meer dan 20% gewichten leerlingen moeten per einde schooljaar een taalbeleidsplan hebben. Daarin moet specifieke aandacht zijn voor groep 1 en 2 en voor de aansluiting met de voorscholen.

directeur. Hierbij krijgen directeuren ook terugkoppeling op regelgeving en bijvoorbeeld de bestandsopname. Het bestuur heeft van de VVE-bestands­ opname van de Inspectie een bovenschoolse analyse gemaakt, en de scholen bespreken de aandachtspunten met elkaar. Er is recentelijk een werkgroep VVE ingericht.

Samenwerking met peuterspeelzalen Vanaf het begin is gezamenlijk opgetrokken met andere besturen, de peuterspeelzalen en de gemeente. Er was tot 2010 een stuurgroep VVE onder begeleiding van de OBD, daarna is de

Marielle Moll: “Door dingen als de bestandsopname bovenschools en centraal op te pakken blijft het niet liggen en blijf je in ontwikkeling. Het is namelijk niet zo dat scholen ontwikkeling op dit soort punten automatisch oppakken”.

Dialoog Er is een monitor opgesteld voor VVE. Het bestuur heeft over 2008-2011 gegevens van de Taaltoets voor Kleuters opgevraagd bij de scholen. Op basis daarvan is de 75% -doelstelling opgesteld. De gegevens over 2012 worden weer gemonitord met als doel vast te stellen of de zelf opgestelde doelen gehaald worden. Het bestuur doet hier analyses op en de algemeen directeur van het bestuur bespreekt deze in het directeurenoverleg met de school-

gezamenlijkheid wat ingezakt. Met de bestuursafspraken is de werkgroep weer leven in geblazen. Het bestuur Ronduit is wel altijd nauw betrokken gebleven bij ontwikkelingen en heeft altijd een goede relatie met de peuterspeelzalen gehouden. Ook doet het bestuur actief mee in werkgroepen, zoals de sollicitatieprocedure voor de HBO-er als coach op de peuterspeelzalen, vanuit het idee dat een van de taken van deze persoon het versterken van de samenwerking met de basisscholen is.

8  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Betrokken zijn bij de scholen Mevr. Moll zoekt de samenwerking met de scholen en stimuleert de samenwerking tussen de scholen. “Als je laat merken dat je als bestuurder betrokken bent, wordt je ook een intermediair tussen scholen. Bijvoorbeeld een school had een soort placemat met woorden gemaakt; die mail ik dan rond.” Ze benadrukt het belang om aan te sluiten bij de ontwikkeling van de scholen op het moment. Een voorbeeld is dat er nog niet op alle scholen Cito Taal voor Kleuters werd afgenomen. Er wordt dan aangesloten op de mogelijkheden van de school maar tegelijk worden er piketpaaltjes geslagen, waardoor op dit moment alle scholen werken met de Cito-toets Taal voor Kleuters

AANPAK VAN VERBETERPUNTEN De VVE-bestandsopname is geanalyseerd en hier zijn bovenschoolse actiepunten uitgekomen.

Kwaliteitszorg en opbrengstgericht werken Een van de verbeterpunten is kwaliteitszorg en dan met name de borging. Door middel van het taalbeleidsplan moet hier meer richting aan gegeven worden. Verder is er vanuit OGW veel aandacht voor de resultaten van leerlingen en groep 1 en 2 doet daar vanzelfsprekend aan mee. Vanuit OGW is er een Beleidsevaluatie-document Opbrengsten opgesteld waarin expliciet groep 1 en 2 zijn benoemd. Dit is een verantwoordingsdocument dat de directeur bespreekt met de algemeen directeur

9  |  PO-RAAD SPECIAL

van het bestuur. Hierin zit een analyse van toetsresultaten, een verklaring en een koppeling aan acties. Eenmaal per jaar wordt dit besproken, bij gesignaleerde risico’s wordt dit tweemaal besproken.

Ouderbetrokkenheid en doorgaande lijn Twee andere verbeterpunten die uit de bestandsopname kwamen zijn ouderbetrokkenheid en de doorgaande lijn. Er gebeurt van alles op de scholen op het vlak van ouderbetrokkenheid maar dit moet nog in beleid gevat en van een visie voorzien. Het werken aan de doorgaande lijn is door de gemeente opgepakt. In de werkgroep Stadsbrede afspraken is er helder beleid voor gemaakt. Inmiddels is er sprake van een warme overdracht. Het bestuur heeft de ervaring dat de verbetering van de doorgaande lijn meer op schoolniveau moet plaatsvinden. Het formuleren van acties en deze in een plan zetten moet daarom op dat niveau gebeuren. Mevr. Moll benadrukt dat het voor een bestuur belangrijk is om te blijven prikkelen en stimuleren als het gaat om VVE. “Anders wordt het een vergeten groep. Je moet zelf wel de drijfveer achter ontwikkelingen zijn, bijvoorbeeld door in het format taalbeleidsplan groep 1 en 2 expliciet te benoemen.” Daarnaast is het volgens haar van belang dat een bestuur betrokken blijft bij het gemeentelijk beleid. “Je moet in gesprek blijven met de peuterspeelzalen en kinderopvangorganisatie. Uit gezamenlijkheid is winst te behalen.” n

HET JONGE KIND


Een portret van PCBO Amersfoort in Amersfoort PCBO Amersfoort is een stichting voor Protestants Christelijk Basisonderwijs in Amersfoort en omgeving en omvat 12 basisscholen en 1 school voor speciaal basisonderwijs voor circa 3300 leerlingen. Er werken ongeveer 300 medewerkers bij PCBO Amersfoort. Het bestuursbureau bestaat uit 7 medewerkers. Er is 1 directeur-bestuurder, een adjunct-directeur, een beleidsmedewerker onderwijs, een financiële controller en een aantal personen die zich bezig houden met P&O en administratieve zaken. Elke stafmedewerker heeft zijn eigen verantwoordelijkheid. Lieuwe Medema, beleidsmedewerker onderwijs, vertelt me over de manier waarop het bestuur het vroegschools aanbod aanstuurt.

10  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Twee van de dertien scholen heeft een schoolgewicht en werkt met een VVE programma. Ze werken met Piramide en Ik en Co. Eén school heeft ook een schoolgewicht, maar gebruikt geen VVEprogramma. Op deze school is sprake van een beredeneerd aanbod. In het convenant voor- en vroegschoolse educatie dat in de gemeente Amersfoort is opgesteld, is de afspraak vastgelegd dat scholen met een schoolgewicht een beredeneerd aanbod in de groepen 1 en 2 moeten bieden. Dit hoeft niet per se een VVE methode te zijn. Er moet sprake zijn van handelingsgericht werken waarbij de SLO doelen als richtlijnen worden gebruikt. Met behulp van een observatie en registratie methode moet nagegaan worden of de SLO doelen behaald worden. In het convenant is verder uitgewerkt aan welke kenmerken het beredeneerd aanbod moet voldoen. De scholen van PCBO Amersfoort zonder schoolgewicht hebben ervoor gekozen om het convenant ook uit te voeren voor hun VVEleerlingen. Vroegschoolse educatie wordt dus bij de scholen van PCBO Amersfoort op verschillende manieren ingevuld, doordat voor vroegschoolse educatie een brede definitie wordt gehanteerd.

ROLOPVATTING VAN HET BESTUUR Meepraten op gemeentelijk niveau PCBO Amersfoort is één van de partijen die het convenant in Amersfoort in november 2012 heeft ondertekend. Aan het moment van ondertekening is een periode voorafgegaan waarin het convenant in overleg tussen de betrok-

11  |  PO-RAAD SPECIAL

ken partijen is voorbereid. Hierbij zijn vertegenwoordigers van de drie grote schoolbesturen, vertegenwoordigers van de grote voorschoolse partijen, de GGD en de gemeente betrokken geweest. Er zijn werkgroepen gevormd waarin nu de verschillende afspraken nader worden uitgewerkt. Dhr. Medema is de vertegenwoordiger namens PCBO Amersfoort en houdt zich dus onder andere bezig met de uitwerking van het VVE beleid op gemeentelijk niveau.

Meenemen in voorbereiding en uitvoering Tijdens de voorbereidingsfase van het convenant is dhr. Medema op een aantal scholen langs gegaan om directie en leerkrachten te informeren en om hun mening te vragen. Nu het convenant is vastgelegd en verder wordt uitgewerkt bespreekt hij regelmatig in het directieberaad de voorstellen die uit de gemeentelijke werkgroepen naar voren komen. Om mensen mee te nemen in de voorbereiding en uitvoering van besluiten is het van belang hen tijdig te informeren en aan te haken bij ontwikkelingen die al gaande zijn in de scholen. Kaders stellen Alle afspraken die binnen het convenant gemaakt zijn, passen bij het bestaande beleid van het bestuur. De afspraken sluiten aan bij de algemene lijnen omtrent een goede doorgaande lijn, handelingsgericht werken, goede resultaten, passend onderwijs etc. Het algemene beleid van het bestuur en de afspraken van het convenant zijn kaderstellend. De scholen

HET JONGE KIND


moeten deze kaders zelf vertalen naar de dagelijkse praktijk in school.

Ondersteunen vs. controleren Dhr. Medema ondersteunt als beleidsmedewerker onderwijs scholen bij het vertalen van de kaders naar de dagelijkse praktijk. Hij wordt bijvoorbeeld uitgenodigd voor studiedagen om een team te informeren of om mee te denken. Wanneer scholen niet tegemoet komen aan de afspraken van het convenant, is de directeur-bestuurder degene die de scholen aan afspraken kan houden. “Dit is de rolverdeling zoals we die hier hanteren.” De ontwikkeling van het convenant VVE was de aanleiding voor het bestuur om het onderwijsaanbod in de groepen 1 en 2 hoog op de agenda te zetten en om er actief mee aan de slag te gaan. Naast de ontwikkeling van het convenant hebben ook andere ontwikkelingen binnen de gemeente invloed gehad op de toene-

mende aandacht van het bestuur voor vroegschoolse educatie. Er is bijvoorbeeld subsidie aangevraagd voor de pilotstartgroepen. De ervaringen met de startgroep hebben invloed gehad op de afspraken binnen het convenant. Verder moest de gemeente bezuinigen op de voorscholen. Scholen hebben toen ruimte geboden aan peuterspeelzalen, waardoor verschillende scholen nu een peutergroep in school hebben. “Zo’n noodzaak is een uitkomst voor een school.” Het zijn verschillende ontwikkelingen die de afgelopen jaren ervoor hebben gezorgd dat voor- en vroegschoolse educatie meer aandacht heeft gekregen.

AANPAK VAN VERBETERPUNTEN Dhr. Medema is tevreden over het vroegschoolse aanbod op de drie scholen met een schoolgewicht. Echter zijn er volgens hem voor de voorliggende periode

Goede afstemming zowel op gemeentelijk niveau áls op de werkvloer Voor een bestuur is het belangrijk om betrokken te zijn bij overleg over voor- en vroegschoolse educatie op gemeentelijk niveau en daar met andere partijen afspraken te maken. De goede afstemming op gemeentelijk niveau beïnvloedt de afstemming op de werkvloer. Doordat bijvoorbeeld is afgesproken dat er met een observatie-registratie systeem gewerkt gaat worden, kan informatie van kinderen gemakkelijker overgedragen kan worden. Daarnaast is goede voeling met de praktijk van groot belang. Lieuwe Medema: “Je moet ervoor zorgen dat de uitvoerders invloed hebben op ontwikkelingen en dat ze zich eigenaar voelen van de ontwikkeling. Verder werkt het goed om ervoor te zorgen dat nieuwe afspraken en ontwikkelingen rondom VVE niet ervaren worden als een apart iets, maar dat ze aansluiten bij ontwikkelingen die al in school gaande zijn.”

12  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Lieuwe Medema: “Het gaat echter om wat er op de scholen verandert. Daar hebben we als bestuur een belangrijke rol in”. nog voldoende verbeterpunten. Deze verbeterpunten komen overeen met de opmerkingen van de Onderwijsinspectie naar aanleiding van de bestandsopnamen. De drie VVE-scholen kwamen overigens positief uit de bestandsopname naar voren.

Interne kwaliteitszorg en doorgaande lijn Allereerst valt er het nodige te verbeteren aan de interne kwaliteitszorg en het opbrengstgericht werken in groepen 1 en 2. De (toets-)resultaten van groep 1 en 2 worden nog niet meegenomen bij

13  |  PO-RAAD SPECIAL

de kwaliteitszorg. De verbetering van de doorgaande lijn wordt al ingezet vanuit de afspraken van het convenant. Er wordt tijd vrijgemaakt voor warme overdracht en ook de inhoud van de overdracht wordt verder uitgewerkt. Op dit moment wordt gebruik gemaakt van de POOA-lijst (PeuterObservatie- en Overdrachtslijst Amersfoort). Daarop worden wel zaken aangevinkt over de ontwikkeling van een kind, maar een school heeft meer aan informatie over wat werkt wel en wat werkt niet bij een kind. De inhoud van de overdracht zal verbeterd worden.

HET JONGE KIND


Vakbekwaamheid leerkrachten De vakbekwaamheid van leerkrachten is ook een verbeterpunt. De mate waarin mensen competent zijn is heel divers. Een belangrijke vraag die het bestuur zichzelf en de directeuren stelt is: ‘In hoeverre maken wij duidelijk wat we van leerkrachten verwachten?’ Een belangrijk uitgangspunt is dat elk niveau binnen een schoolorganisatie voorbeeldgedrag laat zien. “Als ik in het directieberaad een activiteit ga doen, moet ik dat heel goed voorbereiden. Ik moet werkvormen vinden die de directeuren actief maakt en aanzet tot leren. Een bestuur moet eigenlijk ook een goede leraar zijn. Als wij het goede voorbeeld geven, stel je leerkrachten in staat dat te volgen.” In het kader van de afspraken van het convenant zal de gemeente uitwisseling en scholing faciliteren voor de professionalisering van leerkrachten op het vlak van vroegschoolse educatie. Vroegschools aanbod op scholen zonder gewicht Een ander aandachtspunt voor het bestuur is het aanbod in de groepen 1 en 2 op de scholen zonder schoolgewicht. In principe gelden voor deze scholen de afspraken uit het convenant niet. De scholen krijgen echter ook doelgroepleerlingen van voorscholen. Lieuwe Medema: “Deze scholen hebben ongeveer net zoveel leerlingen met een gewicht als een school met 200 leerlingen dat wel een schoolgewicht heeft. Door de grootte van de school verschilt de verhouding

tussen wel en geen gewichtenleerlingen, een schoolgewicht is dus maar relatief. Scholen zonder schoolgewicht krijgen ook leerlingen van voorscholen die VVE hebben genoten. Deze scholen zouden hun leerlingen ook een beredeneerd aanbod moeten bieden, hun leerlingen moeten volgen en gegevens van gewichtenleerlingen overdragen aan de gemeente, zodat alle gewichtenleerlingen in de gemeente gevolgd kunnen blijven worden.”

Inhoudelijk betrokken – activerend – analyserend Bij de verbetering van vroegschoolse educatie vindt dhr. Medema het belangrijk om inhoudelijk betrokken te zijn, door aan te schuiven bij teams en mee te praten. “Je wilt als bestuur dat een school actief aan de slag gaat met verbetering van vroegschoolse educatie. We zijn nog aan het zoeken hoe we teams kunnen activeren zonder echt te sturen of een negatieve sfeer op te roepen. Dat is nog best lastig. Door inhoudelijke betrokkenheid te tonen, door te laten zien dat we het onderwerp belangrijk vinden, door de juiste vragen te stellen proberen we teams te prikkelen om actief ermee aan de slag te gaan.” Om de juiste vragen te kunnen stellen is het van belang om goed op de hoogte te zijn van de ontwikkelingen rondom vroegschoolse educatie en verwachtingen van de inspectie en het beleid vanuit de overheid. “Daarnaast moet je goed op de hoogte zijn van hoe het gaat op de scholen en scherp zijn op waar het naar toe moet.” n

14  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


15  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Een portret van De Haagse Scholen in Den Haag De Haagse Scholen is een openbaar schoolbestuur in Den Haag met 54 scholen. Er zijn 45 basisscholen waarvan 36 locaties met VVE. Voorts omvat de stichting nog 9 scholen voor sbo en (v)so. In de periode dat het openbaar onderwijs nog deel uitmaakte van de gemeente, werd het onderwijsbeleid altijd sterk door de gemeente Den Haag gestuurd. Sinds 5 jaar is het openbaar onderwijs verzelfstandigd. Het bestuur en de scholen van De Haagse Scholen worden ondersteund door het bestuurskantoor. Het bestuurskantoor biedt onder andere ondersteuning op het vlak van financiën, facilitaire diensten, personeelszaken en onderwijsinhoudelijke zaken. Marianne Wolters, beleidsmedewerker onderwijs, vertelt over de invulling van het vroegschoolse aanbod binnen De Haagse Scholen en de rol van het bestuur daarbinnen.

16  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Sinds de verzelfstandiging is een proces van beleidsontwikkeling op gang gekomen en is op allerlei thema’s de eigen identiteit en vorm gedefinieerd. Een van de recente thema’s daarbij is VVE. Hier is in maart 2013 een nota over verschenen, “VVE en kwaliteitszorg”. Hierin is een koppeling gemaakt van het onderwijsbeleid, het kwaliteitsbeleid en de doelstellingen van de bestuursafspraken G4/33. Het is bedoeld om het nieuwe beleid van de gemeente Den Haag rond VVE en ouderbetrokkenheid te verbinden met het beleid van de stichting. De Haagse voorscholen worden gesubsidieerd door de gemeente Den Haag. Dat geldt voor het voorschoolse deel. Het vroegschoolse aandeel wordt gefinancierd vanuit de rijksbekostiging. Er is een vaste groep van VVE-scholen, met name in de centrumgebieden in de stad met een hoog aandeel doelgroepkinderen. In andere wijken kan het voorkomen dat de schoolpopulatie in de loop van de jaren verandert. Daardoor ontstaat er op de ene plek een nieuwe noodzaak tot het inrichten van een voorschool, en soms op een andere locatie is het verstandig om de voorschool af te bouwen. Sommige scholen doen aan VVE-light. Dat wordt gedaan op die plaatsen waar het aandeel doelgroepkinderen minder zwaar is een minder intensieve vorm van VVE volstaat. Voor de zogeheten incidentele doelgroepkinderen die in een school zitten met een laag aandeel doelgroepkinderen is een intensieve aanpak niet noodzakelijk. Deze leerlingen leren snel bij. Hoe scholen dat aanpakken is aan henzelf. Het bestuur stuurt daar niet actief op.

17  |  PO-RAAD SPECIAL

ROLOPVATTING Sturend en verbindend De rol van het bestuur verandert de laatste tijd. Het bestuur had voorheen op onderwijsgebied vooral een informerende rol, maar treedt, sinds het een andere rol heeft gekregen via de Code Goed Bestuur, wetgeving en het inspectiekader, sterker toezichthoudend en steeds meer sturend op. Een voorbeeld is de kwaliteitsnota VVE. De nota is informerend, maar zeker ook sturend bedoeld, er zijn streefcijfers in opgenomen bijvoorbeeld. Omdat op papier staat wat het bestuur wil en kan ondersteunen en wat van de scholen verwacht wordt kunnen bestuur en school met elkaar in gesprek over het onderwijs en VVE. “Er is nu meer het gevoel dat we een rol hebben” aldus Marianne Wolters. De verandering in rol komt zeker ook door de grotere gerichtheid op taal en rekenen en een groeiend besef dat het beter kan. Voorheen had de gemeente de leiding in de uitwerking van het VVE-beleid. Er was een sterk procesmatige en programmatische insteek. De indruk kon daardoor ontstaan dat als je een programma uitvoerde de kwaliteit goed was. Door kennis van onderzoek is er verandering gekomen in deze opvatting, het gaat om veel meer dan het programma. Ook in de beleving van de scholen is er een groeiend besef dat VVE beter kan. Scholen willen ook dat het voorschoolse aanbod verbetert en spannen zich daarvoor in. Sommige scholen zouden liever zelf de regie hebben over ook het voorschoolse aanbod. Er is een school met een start-

HET JONGE KIND


Verbeterplannen VVE De verbeterplannen van de scholen zijn opgesteld in een matrixvorm, dit vinden scholen prettig omdat het handvatten geeft. Marianne Wolters vindt de matrices soms erg gedetailleerd en ze vraagt zich ook wel eens af of het gaat werken om met veel verschillende indicatoren aan de slag te gaan. Het bestuur heeft bewust besloten om geen eigen hogere eisen te stellen aan de scholen dan in de doelstellingen uit de bestuursafspraken wordt gedaan. Deze zijn hoog genoeg. Om de verbeterplannen te evalueren hanteert het bestuur de PDCA-cyclus. Marianne Wolters: “Zo hebben we ook de andere verbetertrajecten met de scholen geëvalueerd. In de verbeterplannen zitten ook checkmomenten, als er iets mis is dan volgt een aangepaste gesprekscyclus met deze school.”

groep en andere scholen gaan daar kijken voor inspiratie. Het bestuur vond het belangrijk om aan het experiment mee te doen en te bezien of meer tijd, en een sterkere sturing vanuit onderwijs een beter resultaat kan opleveren.

Ondersteunend Het bestuur stuurt niet alleen, het stopt ook veel energie in de ondersteuning van scholen om de kwaliteit te verbeteren. Volgens de nieuwe normen van de inspectie hadden veel scholen een verbeteropdracht. Het bestuur helpt scholen bijvoorbeeld met kwaliteitszorg, opbrengstgericht werken en gebruikt daarvoor professionele leergemeenschappen als middel voor samen leren. Ook worden brede deskundigheidstrajecten, samen met externe en landelijk erkende experts, aan de scholen aangeboden.

Bij de verbetering van de kwaliteit door middel van opbrengstgericht werken wordt het aanbod in de groepen 1 en 2 ook aangepakt.

Toezichthoudend Uiteraard heeft het bestuur ook een toezichthoudende rol. Er is toezicht via College van bestuur en twee bovenschoolse directeuren. Hier wordt ook VVE in meegenomen. Het systeem van toezicht is gericht op risicodetectie en daarnaast is er ondersteuning. Er zijn binnen De Haagse Scholen 5 resultaatgebieden gedefinieerd waarop de sturingsfocus van de bovenschools directeuren is gericht. Dit zijn onderwijsopbrengsten, leerlingaantallen, ouder- en medewerkertevredenheid alsmede financiën. Hierbij zijn indicatoren gedefinieerd waarnaar wordt gekeken. In de praktijk komt er meer aan bod als de boven-

18  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Marianne Wolters: “We helpen scholen met de analyse van resultaten en hoe die te gebruiken: ‘wat zie ik, hoe kan ik het interpreteren, wat leer ik eruit en wat is er goed gegaan en wat is er minder goed gegaan’. Dit gebeurt in groepen of, als het nodig is, een op een in de school. Inmiddels zijn we goed op streek, maar we zijn er nog niet. Wat voldoende is kan ook goed worden of excellent. We leggen de lat hoog.”

19  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


schools directeur met de schooldirecteur spreekt, maar de hoofdlijn zit hem in de resultaatgebieden.

Rol van de gemeente Al het achterstandbeleid wordt door de gemeente gemonitord. Daar is immers veel geld mee gemoeid. Het schoolbestuur kijkt hier op hoofdlijnen bij mee, mede op basis van de terugkoppeling die ze krijgt van de gemeente. De gemeente doet dus in hoofdzaak de controle en sturing hierop in plaats van het schoolbestuur. Het ambtelijk overleg rond VVE is geregeld via het OOGO, daar hangen adviesgroepen onder, waaronder de adviesgroep die zich richt op de peuterleeftijd en de adviesgroep PRIMO (voor het onderwijs). Een aantal jaren geleden is er een splitsing gemaakt waardoor het onderwijs niet meer in de adviesgroep 0-6 jarigen participeert. Daarin zitten nu alleen nog welzijn en kinderopvang. Vanwege de bestuursafspraken en de verbetertrajecten is er nu wel weer overleg, “eigenlijk een soort hersteloperatie” Binnenkort is er een studiemiddag over VVE waarin de resultaatafspraken centraal staan. De Haagse schoolbesturen wordt gevraagd samen met de gemeente het eens te worden over deze resultaatafspraken met betrekking tot VVE. Schoolbesturen kunnen hierover van mening verschillen, maar op hoofdlijnen heeft men geen moeite met het meten en inzichtelijk maken. Op voorwaarde dat het een waardevolle meting is en het doel blijft om het peuterwerk en het onderwijs te verbeteren.

Contacten met voorscholen Het bestuur heeft op beleidsniveau contacten met de verschillende welzijnsorganisaties in de stad, die in de meerderheid van de gevallen de voorschoolse educatie aanbieden. De Haagse Scholen heeft met 6 verschillende organisaties te maken die peuterwerk aanbieden bij hun scholen. Met de kinderopvang, die in een aantal gevallen ook VVE aanbiedt, is weinig contact ten aanzien van VVE. Dat komt doordat deze centra verspreid zijn over de stad en niet aan een specifieke school zijn gekoppeld.

AANPAK VAN VERBETERPUNTEN Subsidie uit de bestuursafspraken Vanwege de extra middelen bij de bestuursafspraken heeft de gemeente subsidie beschikbaar gesteld voor de verbetering van voor- en vroegschoolse educatie. Hier hebben vrijwel alle scholen zich op ingeschreven. De taak van Marianne Wolters is onder meer het beoordelen van subsidieaanvragen en verbeterplannen, dit gebeurt op hoofdlijnen. Als een plan te mager is dan wordt dat teruggekoppeld of de bovenschools directeur ingeseind. Als een plan goed is dan wordt dit ten voorbeeld gesteld aan andere scholen ter stimulering. De gemeente biedt de mogelijkheid aan de voorscholen waarbij met onderwijsadviesorganisatie HCO verbeterplannen worden opgesteld aan de hand van een VVE kwaliteitsscan, gebaseerd op VVEkwaliteitskaarten die in Den Haag in overleg met scholen zijn ontwikkeld. Veel van wat er op scholen gebeurt, is niet in beleidsplannen vastgelegd. Op initiatief van Marianne

20  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Professionele leergemeenschap (PLG) Het leren van elkaar is op veel plaatsen ingericht in de vorm van professionele leergemeenschappen. Dit concept is door het schoolbestuur geïnitieerd en draait nu voor het tweede jaar. De PLG ‘kwaliteitszorg’ is door de schooldirecteuren zelf geïnitieerd. Het schoolbestuur zorgt voor ondersteuning en faciliteert begeleiding. De PLG werkt met onderlinge visitaties en maakt hier een systeem van dat breder uitgerold kan worden. Er wordt aan deelgenomen op verschillende niveaus (directeuren, IB-ers, leerkrachten). Er zijn meerdere PLG’s (o.a. op de gebieden opbrengstgericht werken, kwaliteitszorg, excellentie, onderwijsachterstanden, en binnen het sbo en het (v)so). Het schoolbestuur treedt hierin stimulerend op. Dat betekent dat het bevordert dat elke directeur aan een van de PLG’s deelneemt. Niet elke groep die samen iets doet is een PLG en om te voorkomen dat er verwarring ontstaat over de functie van de groep is er een kaderomschrijving gemaakt. Zo moet een PLG aan bepaalde eisen voldoen en een doel hebben dat ook gevolgd wordt en een specifieke werkwijze. Het bestuur volgt de voortgang ook door op bezoek te gaan bij de PLG’s. Aan de PLG die gericht is op het opbrengstgericht werken in de keten neemt de bovenschools directeur ook deel.

Wolters is er een kaderbeleidsplan VVE opgesteld, onder meer in afstemming met datzelfde HCO. De scholen waren hier blij mee. Ze kunnen zo concreter met verbeteracties aan de slag omdat er al een beleidsstuk ligt. En de scholen kunnen hun eigen speerpunten meer nadruk geven, het algemene kader is immers geschetst.

Samen doen en van elkaar leren De middelen uit de prestatiebox worden deels gebundeld ingezet voor bredere trajecten deskundigheidsbevordering, gericht op bijvoorbeeld taal of rekenen. De groepen 1 en 2 worden hierin mee-

21  |  PO-RAAD SPECIAL

genomen. Als scholen dit nodig hebben, wordt op deelname actief gestuurd. De deskundigheidsbevordering is opgezet volgens een tweeledig systeem: leren van elkaar en leren van expertise. Scholen kunnen externe expertise inschakelen door zich bijvoorbeeld aan te melden voor het aanbod van School Aan Zet. Het bestuur heeft de scholen op dit aanbod gewezen. Het is aan de scholen zelf om hier gebruik van te maken. In die gevallen waarin het bestuur de verwachting heeft dat het goed is voor de school wordt deelname actief gestimuleerd. n

HET JONGE KIND


Een portret van stichting RK Primair Onderwijs in Culemborg Stichting RK Primair Onderwijs Culemborg heeft 3 basisscholen en 3 peuter­ speelzalen onder zich. Het bestuur bestaat uit 7 vrijwilligers, van wie 4 mensen verantwoordelijk zijn voor het dagelijks bestuur en 3 voor het toezichthoudend bestuur. Jos van Zutphen is als algemeen directeur van de stichting verantwoordelijk voor de dagelijkse aansturing van de scholen.

22  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Alle drie de basisscholen bieden VVE. De drie basisscholen hebben ieder een peuterspeelzaal inpandig. Op zowel de voorschool als in het basisonderwijs wordt gewerkt met de VVE-methode Piramide. Dit is de methode die de gemeente in de begintijd van VVE verplicht heeft gesteld. De gemeente en het schoolbestuur hebben veel geïnvesteerd in de professionalisering van leerkrachten en leidsters in gebruik van de VVE-methode. Volgens de doelgroep­definitie die binnen de gemeente Culemborg gehanteerd wordt, hebben de drie scholen de volgende percentages VVE-leerlingen: 3,5%, 15,5% en 16,%. Dit verschilt echter van het percentage gewichtenleerlingen op de scholen, dit is respectievelijk 14%, 15,5% en 12,5%. Het betreft voor een belangrijk deel dezelfde leerlingen. De GGD indiceert de leerlingen. Kinderen met een indicatie gaan vier ochtenden naar de peuterspeelzaal. Nagenoeg alle peuterspeelzalen hebben gemengde groepen, bestaande uit acht VVE-leerlingen en acht niet-VVE-leerlingen. De wijze waarop de vroegschoolse educatie in groepen 1 en 2 wordt ingevuld verschilt in principe niet tussen de scholen. Voor de drie scholen geldt hetzelfde beleid ten aanzien van VVE. Op alle scholen zijn de leerkrachten dus Piramide gecertificeerd. Voor nieuwe leerkrachten in groep 1 en 2 die niet Piramide geschoold zijn, wordt een Piramide trainer ingehuurd die deze leerkracht(en) in de praktijk begeleidt en opleidt. Verder worden er onderwijsassistenten of leerkrachten met RT-taken ingezet voor extra ondersteuning van VVE-leerlingen.

23  |  PO-RAAD SPECIAL

Per school verschilt de inzet van onderwijsassistenten wel, de school met weinig VVE-leerlingen heeft een halve dag een onderwijsassistent terwijl de school met 16% VVE-leerlingen twee dagen een onderwijsassistent heeft voor de groepen 1 en 2.

ROLOPVATTING Kaderstellend en faciliterend In relatie tot de scholen ziet dhr. Van Zutphen zijn rol hoofdzakelijk als kaderstellend en faciliterend. “Het bestuur stelt het kader dat leerkrachten in groep 1 en 2 Piramide gecertificeerd zijn en draagt zorg voor het geld om die certificering te bewerkstelligen.” Controlerend “Vervolgens heb ik namens het bestuur een controlerende rol of de verwachtingen gerealiseerd zijn, bijvoorbeeld als het gaat het behalen van de gewenste resultaten.” In het kader van opbrengstgericht werken voert dhr. Van Zutphen één keer per kwartaal gesprekken met de directeuren van de scholen over de resultaten, waaronder de resultaten van groep 1 en 2. Naast dat het bestuur zelf toezicht houdt op de resultaten van VVE, wordt VVE ook op gemeentelijk niveau gemonitord. Bij de gemeente werkt in deeltijd een inspecteur VVE. Deze persoon heeft VVE-instellingen in de gemeente eerder begeleid in het realiseren van een doorgaande lijn. Nu was hij betrokken bij het opzetten van een VVE-monitor. “Het idee is om de gegevens via DAVE geautomatiseerd te verzamelen, maar dit blijkt tot nu toe lastig. Maar de gemeente houdt dus ook toezicht op of ­gerealiseerd wordt wat is afgesproken.”

HET JONGE KIND


De aansturing vanuit het bestuur op de realisatie van het onderwijsaanbod in groep 1 en 2 verloopt naar tevredenheid van algemeen directeur Van Zutphen. “De stichting is maar klein, met drie scholen, wat een groot voordeel is voor een bestuur omdat je dicht bij de scholen staat. Maar ook omdat bij ons de kaders van het beleid bovenschools worden bepaald.” Van Zutphen legt uit dat zo’n 7 jaar geleden begonnen is met het bovenschools oppakken van een aantal taken. Hij was toen directeur van één van de drie basisscholen. Vervolgens ging de directeur van één van de andere scholen weg, hij nam deze school onder zijn hoede. Kort daarop ging ook de directeur van de derde school weg, waardoor hij alle drie de scholen in beheer kreeg. In die tijd was het voor hem het meest efficiënt om beleid uit te werken voor de drie scholen tegelijk, dus bovenschools. “Dat betekent niet dat het een grote eenheidsworst is, maar de kaders zijn wel voor alle drie de scholen hetzelfde.”

De uitwerking van het beleid is met de drie nieuwe directeuren van de scholen opgepakt.

AANPAK VAN VERBETERPUNTEN Van Zutphen is tevreden over het vroegschools aanbod op de scholen. Er wordt volgens hem voldaan aan alle richtlijnen voor kwalitatief goede VVE. Hij maakt zich vooral zorgen om de voorschoolse educatie.

Koppelen peuterspeelzalen en basisonderwijs Van Zutphen zou graag zien dat de peuterspeelzalen gekoppeld worden aan basisscholen. Volgens hem zou de basisschool kinderen van 2,5 tot 12 jaar moeten opvangen. Wanneer de scholen het geld dat de gemeente nu heeft voor peuterspeelzaalwerk zouden krijgen, kunnen de scholen, volgens hem, voor hetzelfde geld veel meer bereiken.

Korte lijnen Doordat de stichting klein is zijn de lijnen tussen de algemeen directeur en de scholen kort. De algemeen directeur staat dicht bij de scholen. Betrokkenheid bij scholen is van groot belang om directer te kunnen schakelen en sturing te kunnen geven aan kwaliteit. Jos van Zutphen: “Mensen vinden het prettig dat je betrokken bent. Regelmatig scholen binnen lopen en belangstelling tonen, wordt meer gewaardeerd dan veelal wordt verondersteld. Het is geen kwestie van (verspilde) tijd, maar van prioriteit. Door die regelmatige contacten, ben je ook makkelijker benaderbaar voor collega’s en bereik je personeel makkelijker.”

24  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Jos van Zutphen: “Als het gaat om de vroegschoolse educatie heb ik geen knelpunten. Echter als het gaat om de voorschoolse educatie, ben ik bang dat als de gemeente gaat bezuinigen op het reguliere peuterspeelzaalwerk, dan krijg je dat steeds minder kinderen naar de peuterspeelzaal gaan, dat je eenzijdig samengestelde peutergroepen ontstaan (bestaande uit alleen VVE-kinderen), waardoor het probleem straks doorgeschoven wordt naar groep 1 en 2. Daarmee breek je af wat er in de afgelopen 10 jaar is opgebouwd in het peuterzaalwerk en dat heeft ongetwijfeld effect op het niveau in groep 1 en 2.”

Zutphen blijft het lastig om ouders binnen te krijgen en met hen te praten over wat ze thuis met hun kind kunnen doen. Voorwaarde van de gemeente voor de subsidie voor peuterspeelzalen is dat er gewerkt wordt aan ouderbetrokkenheid. Op dit moment wordt er gewerkt aan formalisering van het beleid ten aanzien van ouderbetrokkenheid. Uit het inspectiebezoek voor de bestandsopname VVE kwamen twee belangrijke verbeterpunten naar voren. Van Zutphen licht toe hoe deze verbeterpunten worden aangepakt.

Ouderbetrokkenheid Een verbeterpunt op dit moment is ouderbetrokkenheid. In de afgelopen jaren is al intensief gewerkt aan ouderbetrokkenheid, maar volgens dhr. Van

25  |  PO-RAAD SPECIAL

Monitoring Een ander aandachtspunt dat door de Inspectie geconstateerd werd, was de monitoring van kinderen. In de afgelopen periode is er binnen de gemeente gewerkt aan het opzetten van een VVE monitor. Er zijn afspraken gemaakt over hoe kinderen te volgen en instellingen leveren gegevens aan. Deze monitor is opgezet onder leiding van een oud inspecteur VVE. n

HET JONGE KIND


Een portret van Innovo in Heerlen Stichting Innovo is een katholieke onderwijsorganisatie met 51 basisscholen, 2 scholen voor speciaal basisonderwijs en 3 scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs. De Innovo-scholen zijn gevestigd in 15 verschillende gemeenten. Met name de gemeente Heerlen is erg actief op het vlak van VVE en doet daarbij een sterk beroep op de schoolbesturen. Leon Camp, beleidsmedewerker onderwijs bij Innovo, is nauw betrokken bij VVE op de scholen (met doelgroepleerlingen) in de gemeente Heerlen.

26  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


‘Samenhangende arrangementen’ is één van de vier beleidslijnen van Innovo. Het bestuur beziet VVE met name vanuit dat perspectief: ‘Het onderwijs begint niet op 4-jarige leeftijd, maar eerder. De doorgaande lijn is ontzettend belangrijk.’ VVE is daarom – in de gemeente Heerlen – georganiseerd binnen koppels van basisscholen en peuterspeelzalen, die altijd hetzelfde VVE-programma gebruiken en bij voorkeur in één gebouw gevestigd zijn. De meeste Innovo-basisscholen hebben dus een peuterspeelzaal inpandig.

ROLOPVATTING Kaders stellen, verantwoordelijkheid geven, controleren Innovo werkt volgens het subsidiariteit­ principe: taken en verantwoordelijkheden worden zo laag mogelijk in de organisatie belegd. Schoolleiders en leerkrachten bepalen zoveel mogelijk hun eigen koers, bijvoorbeeld waar het gaat om de keuze voor een VVE-programma of om professionaliseringsactiviteiten voor leerkrachten. Innovo stelt daarbij kaders (met bijbehorende prestatie-indicatoren) en oefent ‘signaalgestuurde’ controle uit. Wanneer de resultaten van een school achterblijven, wordt de directeur daarop bevraagd. Directie en bestuur onderzoeken dan samen welke verbeteringen nodig zijn. Informeren en activeren Daarnaast ziet Innovo het als haar rol om de scholen te informeren en te activeren, onder meer door ze op de

27  |  PO-RAAD SPECIAL

hoogte te stellen van nieuwe ontwikkelingen en door onderlinge uitwisseling te stimuleren. Zo heeft het bestuur de deelname van één van haar scholen aan de pilot Startgroepen gepromoot. Innovo zorgt voor verspreiding van de opbrengsten daarvan (successen, leerpunten) naar de andere scholen. Ook werkt Innovo mee aan een groot, regiodekkend onderwijsonderzoek van de Universiteit Maastricht. Daarvoor stelt ze onder meer de toetsresultaten van de scholen beschikbaar. De uitkomsten van dat onderzoek leiden tot nieuwe impulsen en accenten in het beleid van het bestuur en de scholen. Zo bleek uit het onderzoek dat er veel ‘verborgen taalachterstanden’ voorkomen in de regio, bij andere leerlingen dan enkel de formele gewichtenleerlingen. Naar aanleiding daarvan wordt overwogen om sterker te gaan inzetten op VVE (en met name taalontwikkeling) op scholen zonder gewichtenleerlingen.

Gemeentelijk overleg Verder vertegenwoordigt het bestuur de Innovo-scholen in de werkgroep OAB (onderwijsachterstandenbeleid) in de gemeente Heerlen. Het VVE-beleid, zoals is vastgelegd in het Convenant Voor- en Vroegschoolse Educatie, is daar een belangrijk gesprekspunt. In de toekomst is het de bedoeling dat directeuren zelf zitting nemen in dit soort overleggen, zodat ze ‘dichter bij het vuur’ zitten. Het is nog onduidelijk hoe dat gaat uitpakken; een vraag is of deze taak te combineren is met hun andere werkzaamheden.

HET JONGE KIND


AANPAK VAN VERBETERPUNTEN Het oordeel van de inspectie ten aanzien van VVE in de gemeente Heerlen was behoorlijk positief. De inspectie heeft echter ook enkele aandachtspunten benoemd en ook Innovo constateert dat er met betrekking tot de vroegschoolse educatie op de scholen nog een aantal verbeteringen wenselijk is.

Doorgaande lijn In de eerste plaats is de doorgaande lijn met de voorschool een verbeterpunt. Leon Camp constateert dat de vestiging van de peuterspeelzaal en de basisschool onder één dak nog niet v­ anzelfsprekend leidt tot een goede afstemming. ‘De ­k waliteit van de afstemming blijft altijd een aandachtspunt.’ Hoewel de randvoor­ waarden voor het realiseren van een goede doorgaande lijn goed zijn, is doorlopend aandacht nodig voor de kwaliteit van de afstemming. Innovo stuurt daarop door middel van de volgende (niet-vrijblijvende) prestatie-indicatoren: • Scholen voeren minimaal één keer per jaar overleg met de peuterspeelzaal; • Er vindt een warme overdracht plaats van de peuterspeelzaal naar de basisschool. De gemeente Heerlen is daarnaast ook sterk gericht op het stimuleren van de samenwerking tussen de koppels.

Zo is er een auditsysteem waarbij koppels elkaar visiteren en zijn er netwerkbijeenkomsten waarin koppels met elkaar van gedachten wisselen over hun aanpak. Jaarlijks evalueren de koppels de kwaliteit en effecten van hun samenwerking.

Ouderbetrokkenheid Een tweede aandachtspunt is ouderbetrokkenheid. Innovo heeft het voornemen om ouderbetrokkenheid nadrukkelijker tot speerpunt te verheffen en op bestuursniveau steviger beleid te gaan voeren op dit vlak. Dat gebeurt onder meer in navolging op de invoering van Passend Onderwijs. Vakbekwaamheid van leerkrachten Een derde aandachtspunt met betrekking tot VVE is de vakbekwaamheid van de leerkrachten. Met name waar het gaat om het werken met zorgleerlingen, zijn op een aantal plekken verbeteringen wenselijk: hoe kijk je naar kinderen, hoe en wanneer trek je conclusies? Hoe registreer je dat en hoe kom je vervolgens tot een goed plan voor de begeleiding van deze kinderen? Voor de professionalisering van leerkrachten zijn in de eerste plaats de directeuren verantwoordelijk, maar in het kader van de bevoorwaarding en de strategische doelen kijkt en denkt het bestuur mee. n

28  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


29  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Een portret van PCBO Voorst in gemeente Voorst De Stichting PCBO Voorst heeft 5 scholen voor primair onderwijs onder haar beheer, allen in de gemeente Voorst. Zij bevinden zich in de dorpskernen Teuge, Twello, Nijbroek en Voorst. Twee scholen tellen circa 200 leerlingen. Drie scholen tellen elk tussen de 65 en 115 leerlingen. PCBO Voorst biedt in totaal aan 620 tot 670 leerlingen onderwijs. Er werken tussen de 56 en 65 leerkrachten, afhankelijk van het aantal extra middelen die de scholen ontvangen. Petra van Haren is ruim 8 jaar bestuurder van PCBO Voorst en heeft een aanstelling van ruim 0,4 fte. Ze heeft 12 uur bestuursondersteuning en 19 uur administratieve ondersteuning voor de scholen.

30  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


In de gemeente Voorst had het bestuur veel gewichtenleerlingen toen etniciteit nog meegenomen werd in de gewichtenregeling. Op dit moment hebben de scholen heel weinig gewichtenleerlingen en ontvangen daardoor weinig extra middelen. “Sommige scholen hebben combinatieklassen van circa 36 leerlingen, want anders kan je het niet doen uit de basisbekostiging als je ook nog andere kwaliteitseisen stelt aan het onderwijs en mensen daarvoor wil faciliteren.” De scholen werken in de onderbouw onder andere met de methoden: Basisontwikkeling, Knoop het in je oren en Laat wat van je horen en Schatkist. De programma’s zijn echter niet leidend. De scholen werken vanuit het OOGO-model, waarbij de onderwijsbehoeften van een kind centraal staan en het onderwijsaanbod daarop wordt afgestemd. Elke school heeft minimaal één onderwijsassistent in dienst. Daarnaast maken de scholen gebruik van alle mogelijke ondersteuning van buiten, bijvoorbeeld ambulante begeleiders, experts, stagiaires, vrijwilligers en ouders. Eén school heeft een peuterspeelzaal inpandig. Deze peuterspeelzaal wordt beheerd door de Stichting Peuterspeelzalen Apeldoorn die gedeeltelijk gefinancierd wordt door de gemeente. Op één school is een peuterspeelgroep, die gedraaid wordt door een vrijwilliger met een leerkracht-diploma. Dit betekent dat de kwaliteit van de begeleiding en de afstemming met de basisschool in een doorgaande leerlijn

31  |  PO-RAAD SPECIAL

hoog zijn. Eén andere school neemt deel aan de pilot Startgroep Peuters. Alle scholen werken samen met een lokale buitenschoolse opvang. De peuterspeelzalen werken allemaal met het program­ ma startblokken. Op de VVE-locaties werken gecertificeerde leidsters met een specifiek VVE-programma. In het kader van de Lokaal Educatieve Agenda (LEA) is in 2011 een beleidskader VVE opgesteld voor een periode van vier jaar. Door terugloop van de hoeveelheid middelen heeft de gemeente in de afgelopen periode flink moeten bezuinigen. Als gevolg daarvan is de stichting peuterspeelzalen Voorst overgenomen door een grotere stichting, die meer regionaal opereert. Mede door de bezuinigingen en de overname van de peuterspeelzalen zijn er in de gemeente grote zorgen ontstaan over de continuïteit en kwaliteit van de uitvoering van VVE. Door de verandering van de gewichtenregeling en herverdeling van de achterstandmiddelen zijn echter de inkomsten die de scholen ontvangen voor vroegschoolse educatie ook sterk teruggelopen. Op dit moment zijn de schoolbesturen, de stichting peuterspeelzalen en de gemeente weer om tafel gaan zitten om nieuwe afspraken te maken. Mevr. Van Haren hoopt dat er bij de gemeente, maar ook bij de landelijke overheid meer besef komt van het belang van een preventieve aanpak voor álle leerlingen en dat dit ook gefaciliteerd wordt. Zij is van mening dat de investering in VVE voor alle kinderen op langere termijn altijd wordt terugverdiend.

HET JONGE KIND


ROLOPVATTING Aansturingsfilosofie Binnen PCBO Voorst staan drie inspirators centraal: · David Hopkins: “Elke school een topschool”: hoe verbind je bottom-up met top-down; · Marzano: “die uitgaat van wat werkt, wij hebben dat aangepast aan wat werkt voor ons.” · Jay Marino: alignement van beleid op alle niveaus en dat uitwerken op alle niveaus. Deze cyclus van gesprekken vindt plaats op de verschillende niveaus. Van Haren beschouwt het als haar verantwoordelijkheid om te borgen dat de gesprekken op alle niveaus gevoerd worden. Dat is de kern van de aansturingsfilosofie.

Plan – Do – Study – Act Petra van Haren: “Als het gaat om beleid bijvoorbeeld ten aanzien van opbrengstgericht werken betekent dat dat ik als bestuurder duidelijk op papier moet hebben welke doelen ik stel op bestuursniveau en dat ik deze ook evalueer. Ik heb daar regelmatig een gesprek over met de raad van toezicht. Ik voer met de directeuren een gesprek over de opbrengsten op schoolniveau. Ik heb toegang tot Parnassys waarin ik de resultaten van de scholen kan zien, maar ik ben vooral benieuwd naar de duiding van de resultaten door de directeur en de ib-er. De ib-er voert gesprekken met de groepsleerkrachten over de resultaten. Uit deze gesprekken moet blijken hoe de resultaten geduid kunnen worden en wat dit betekent voor het leerkrachthandelen. Leerkrachten voeren vervolgens weer gesprekken met leerlingen aan de hand van portfolio’s over hun prestaties. Iedereen stelt doelen en werkt met dezelfde PDSAcyclus. (Plan – Do – Study – Act)

32  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


“Ik moet weten dat de gesprekken gevoerd worden, hoe ze gevoerd worden en waarom ze gevoerd worden. De professionals zijn zelf in staat dit inhoud te geven.”

Inspireren op alle niveaus Mevr. Van Haren vindt dat zij een inspirator moet zijn in de manier van werken die zij van anderen verwacht. Ze doet dit door een voorbeeld te zijn voor anderen en door te laten zien wat zij belangrijk vindt. Ze loopt regelmatig scholen binnen of schuift aan bij overleggen. Daardoor laat ze haar betrokkenheid zien, wat mensen motiveert, maar wat ook soms een stok achter de deur is. De kleinschaligheid van het PCBO Voorst beschouwt ze als een belangrijk voordeel omdat ze daardoor nauw betrokken kan zijn bij wat er in de scholen gebeurt. Het leiding geven aan scholen is volgens haar telkens een spel tussen inspireren en afleggen van verantwoording. Ambities helder stellen en aanlokkelijk maken In het strategisch beleidsplan zijn normen geformuleerd ten aanzien van de Cito-resultaten. Deze normen wijken af van de normen van Cito. Twee voorbeel-

den: 65% van de leerlingen op A of B niveau en leerlingen met een D/E-niveau moeten groei laten zien. Van Haren legt uit nog niet alle scholen aan deze hoge ambities voldoen. Er zijn scholen waar naar verwachting drie jaar nodig is om die norm te bereiken. De schoolbestuurder ziet het als haar taak de ambitie helder neer te zetten en deze ook aanlokkelijk te maken.

Mensen laten stralen Een voorbeeld van een manier waarop ze mensen wil inspireren is door ze mee te nemen naar een presentatie van Marzano. Hij komt naar Nederland. Mevr. Van Haren is stellig van plan om met een aantal personeelsleden naar zijn lezing te gaan, ondanks dat PCBO Voorst hier nauwelijks budget voor heeft.

AANPAK VAN VERBETERPUNTEN Afstemming voor- en vroegschool Op de school met een inpandige peuterspeelzaal, is warme overdracht nog wel haalbaar. Wanneer de peuterspeelzaal of peuterspeelgroep verderop in het dorp zit, is het niet makkelijk haalbaar

Petra van Haren: “Ik vind dat het mijn rol is om die dingen mogelijk te maken, waardoor je mensen het gevoel geeft dat ze een professional zijn en dat ze dat ook zichtbaar maken, dat ik zorg dat mensen kunnen stralen in hun vak. Dat soort inspiratiewerk vind ik erg belangrijk” 33  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Jaarplan/verbeterplan In een jaarplan worden de ontwikkellijnen beschreven waar een school dat jaar aan werkt. Specifieke verbeterpunten worden verder uitgewerkt in verbeter­plannen. Zowel het jaarplan als een verbeterplan is opgebouwd aan de hand van een plando-check-act cyclus of in een plan-do-study-act cyclus. ‘Check’ betreft aspecten die makkelijk gemeten kunnen worden, een voorbeeld hiervan zijn de Arbonormen. ‘Study’ vraagt om nadere analyses, bijvoorbeeld de toetsresultaten. In elk jaarplan en verbeterplan wordt ook vastgelegd hoe deze verbeteringen gerealiseerd gaan worden, wie er bij betrokken zijn en waaruit het gefinancierd wordt.

Gesprekkencylcus Aan het begin van het schooljaar voert de bestuurder een gesprek met een directeur om het jaarplan met de verbeterplannen vast te stellen. Vervolgens voert zij halverwege het schooljaar met elke directeur een voortgangsgesprek. Dit gebeurt aan de hand van de balanced scorecard. Dit is een soort voortgangs­b eoordeling die geen relatie heeft met de beoordeling van het persoonlijk functioneren van een directeur. Het heeft een signaalfunctie. Wanneer een school op punten oranje of rood scoort, verwacht de bestuurder aan het eind van het jaar verbeteringen te zien. Aan het eind van het jaar vindt er een gesprek plaats waarin het jaarplan geëva­lueerd wordt. Petra van Haren: “Ik ben niet van de rode kaart, maar wel van de pittige gesprekken over kwaliteit en verbetering. Ik houd niet van een afrekencultuur, maar ben wel van de onderlinge gesprekken op elk niveau. Het gaat om elkaar aanspreken maar ook versterken.”

om mensen bij elkaar te laten komen voor warme overdracht. Warme overdracht vraagt een stukje facilitering van mensen. Als het gaat om de inhoudelijke afstemming tussen voor- en vroegschool valt er bij verschillende scholen nog veel aan kwaliteit te winnen. Een knelpunt daarbij is de mobiliteit van personeel. Mensen die in de beginperi-

ode geschoold zijn door Vversterk, zijn inmiddels doorgeschoven naar andere groepen. Er vindt op dit moment nieuwe scholing plaats van medewerkers, maar dit probleem zal regelmatig terugkeren.

Tussentijdse VVE-indicatie Op dit moment stelt het consultatie­ bureau op 2,5 jarige leeftijd vast of

34  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


een kind (recht heeft op VVE) een VVE-indicatie krijgt. Door een goed VVE-aanbod in de voorschool kunnen kinderen aan het begin van de basisschool VVE niet meer nodig hebben. Kinderen die volgens de indicatie aanvankelijk geen VVE-kind zijn, kunnen tussen 2,5 en 4 jaar een achterstand oplopen, waardoor ze op de basisschool juist wél extra ondersteuning nodig hebben. Van Haren pleit voor tussentijdse (bijstelling van) indicatie van VVE-kinderen door de basisschool. In een gemeentelijk convenant is dit inmiddels geregeld.

Professionalisering Inherent aan bovenstaande verbeterpunten staat de professionaliteit van docenten. Leerkrachten die in de onderbouw lesgeven zouden alle leerlijn en ontwikkellijnen van 2,5 tot 8 jaar moeten kennen. Op dit moment ligt de kennis over de leeftijd 2,5 tot 4 bij de peuterspeel-

35  |  PO-RAAD SPECIAL

zaalleidsters en de kennis over de leeftijd 4 tot 8 bij de leerkrachten. Van Haren vindt scholing om kennis over ontwikkelingspsychologie, gedrag en leerlijnen te vergroten erg belangrijk. Naast leerkrachten moeten ook directeuren kennis hebben van VVE. “Om draagvlak te creëren in de school moet een directeur veel afweten van VVE.”

Sturen op verbetering Aan het begin van het schooljaar maakt elke school een jaarplan gebaseerd op het schoolplan. In het jaarplan wordt beschreven waar dat jaar aan gewerkt zal worden. Dit betreft een aantal algemene lijnen die gelden voor alle scholen, maar elke school bepaalt zelf een aantal specifieke verbeterpunten. Deze worden uitgewerkt in verbeterplannen. VVE kan een onderwerp zijn in het jaarplan, maar een school kan ook voor VVE een specifiek verbeterplan opstellen. n

HET JONGE KIND


Bestuurder moet meer verantwoordelijkheid nemen bij kwaliteit van vroegschoolse educatie De onderwijsinspectie is kritisch over de huidige stand van zaken van vroegschoolse educatie (VVE). Veel schoolbesturen pakken de taak die ze hebben niet op, zegt Maartje Jacobs, VVE-coördinator en -inspecteur van de onderwijsinspectie.

36  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Sinds de Wet OKE (Wet Ontwikkelings­ kansen door kwaliteit en educatie) hebben schoolbesturen een wettelijke opdracht bij vroegschoolse educatie. In augustus verscheen een rapport over de stand van zaken rond VVE in Nederland en hoe schoolbesturen deze taak oppakken. Het beeld dat naar voren komt uit de Eindrapportage bestandsopname voor- en vroegschoolse educatie in Nederland is niet onverdeeld positief. Schoolbesturen laten het er te vaak bij zitten, zegt Maartje Jacobs, VVE-coördinator en -inspecteur bij de onderwijsinspectie. “Schoolbesturen met gewogen leerlingen op hun scholen moeten er alles aan doen dat deze kinderen zonder achterstand aan groep 3 kunnen beginnen. Een belangrijke taak die ze nu niet altijd oppakken.” Kinderen uit groep 1 en 2 met een achterstand in hun ontwikkeling krijgen vaak ‘niet de zorg en begeleiding die ze nodig hebben’. De kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie moet beter, luidt het oordeel van de inspectie. Op meer dan de helft van de basisscholen is verbetering nodig op het gebied van ouderbetrokkenheid, zorg en begeleiding, interne kwaliteitszorg en de doorgaande leerlijn van voorschool naar vroegschool.

Ook positieve bevindingen De onderwijsinspecteur waakt voor een te negatief beeld en benadrukt dat ‘een aantal zaken al best goed gaat’. “We zien goede voorbeelden van samenwerking tussen scholen en voorschoolse instellingen waaraan andere scholen een voorbeeld kunnen nemen. Ook is het

37  |  PO-RAAD SPECIAL

pedagogisch klimaat en het educatief handelen van de leerkrachten op de meeste scholen van een goed niveau.” Leerkrachten doen het dus goed, er wordt gewerkt met VVE-programma’s en toch is de vroegschoolse educatie op de meeste basisscholen onvoldoende. Hoe kan dat? Het ontbreekt scholen vooral aan analyse, doelstellingen, planning en evaluatie, legt Jacobs uit. “Leerkrachten

Maartje Jacobs

van groep 1 en 2 zijn voldoende in staat te zien welke kinderen extra zorg nodig hebben. Zij vinden het echter soms nog lastig om vervolgens doelgerichte zorg en begeleiding te bieden. Dan zijn zij meer gevoelsmatig bezig met welke kinderen zet ik bij elkaar voor een extra activiteit in kleine kring en welk doel wil ik daarmee bereiken? Dat gebeurt te weinig beredeneerd en daardoor mist het aan effectiviteit. Zorgcoördinatoren en

HET JONGE KIND


intern begeleiders zouden leerkrachten hierin kunnen begeleiden.”

Specifieke aandacht ontbreekt Scholen organiseren weliswaar veel activiteiten voor ouders, maar het betrekken van ouders bij de school is lang niet altijd gericht op ouders van doelgroepkinderen, aldus het inspectierapport. Jacobs: “Het gebeurt te lukraak. Als maar twintig procent van deze ouders een informatiebijeenkomst bezoekt, moet je dat evalueren en analyseren waarom dat zo is, en dat gebeurt te weinig.” Daarnaast is de afstemming tussen vooren vroegschool nog niet optimaal. “Er zijn veel warme overdrachten, maar het gaat er nu om een stap verder te zetten en ervoor te zorgen dat ook sprake is van inhoudelijke afstemming. Daaraan ontbreekt het meestal. Dan zie je op de basisschool een nieuwe aanpak met

De inspectie toetst op vier domeinen: de VVE-condities (formele eisen waar een voorschool aan moet voldoen), de gemeentelijke VVE-beleidscontext, de kwaliteit van VVE en de resultaten die door de VVE worden bereikt. andere afspraken en regels waarmee we de overgang voor kleuters onnodig groter maken.” Ook de interne kwaliteitszorg is onvoldoende. “De interne kwaliteitszorg is er op scholen veelal wel, maar specifieke aandacht voor het jonge kind uit groep 1 en 2 ontbreekt omdat het niet standaard in de kwaliteitszorg zit.”

Sterke punten

Verbeterpunten

Pedagogisch en educatief handelen van de leerkracht

Doorgaande leerlijn

Warme overdracht

Interne kwaliteitszorg

Toegang tot externe zorg

Ouderbetrokkenheid

VVE-condities

Ontwikkeling, begeleiding en zorg (m.n. planning en organisatie)

Lijst sterke punten en verbeterpunten VVE, afgeleid uit de Eindrapportage bestands­ opname voor- en vroegschoolse educatie in Nederland, Inspectie van het Onderwijs, 2013

38  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


PO-Raad over de kwaliteit van de VVE Uit het rapport van de inspectie blijkt op welke punten schoolbesturen de VVE op hun scholen kunnen verbeteren. Leden van het netwerk School & Omgeving van de PO-Raad geven aan dat zij het niet op alle punten eens zijn met de criteria die de Inspectie hanteert bij het beoordelen van de VVE op een school. Zodra er geen gemeentelijke afspraken zijn, wordt de kwaliteit van de VVE bijvoorbeeld automatisch als zwak gekenmerkt. Het netwerk geeft aan dat de kwaliteit van de VVE goed op orde kan zijn, zonder dat er gemeentelijke afspraken bestaan. Uiteindelijk is immers de leerkracht voor de groep het meest bepalend voor de kwaliteit van het onderwijs. Ook de Inspectie geeft aan dat de kwaliteit van het pedagogisch handelen van de leerkracht doorgaans op orde is. Toch kan een school aantoonbaar achterstanden bij kinderen op taal- en rekenen in groep 1 en 2 wegwerken, en tegelijkertijd zwak scoren in de beoordeling van de VVE door de Inspectie. Ga na of de verbeterpunten van de Inspectie ook van toepassing zijn op uw organisatie, is het advies van de PO-Raad. Kunt u aantonen dat uw organisatie resultaten behaalt bij het inlopen van eventuele taal- en rekenachterstanden bij het jonge kind? En dat dit op een planmatige manier gebeurt? Hier vindt u verschillende publicaties en instrumenten om de kwaliteit van de VVE in kaart te brengen en te interveniëren als verbeteringen gewenst zijn.

Aan de slag Wat vindt Jacobs van kritiek van schoolbesturen die zeggen alles op orde te hebben en toch onvoldoende scoren? “Specifieke aandacht voor VVE ontbreekt vaak of er wordt te weinig ingezet op samenwerking. Allemaal essentieel om VVE op een hoger plan te brengen.” Haar advies aan schoolbesturen is met de verbetermaatregelen aan de slag te gaan. “Op een aantal onderdelen is bij veel scholen flinke verbetering nodig.

39  |  PO-RAAD SPECIAL

Afspraken met voorschoolse voorzieningen over een doorgaande leerlijn is in de praktijk niet gangbaar, maar wel noodzakelijk. Soms zijn er wel afspraken gemaakt op bestuursniveau met de gemeente en de houders van de peuterspeelzalen en kinderdagverblijven, maar is de schoolleider daarvan niet op de hoogte. Zorg dat scholen en leerkrachten en de voorschoolse voorzieningen elkaar kennen. Ik zie hierin een belangrijke taak voor het schoolbestuur.”

HET JONGE KIND


Ook hebben schoolbesturen te weinig zicht op resultaten die geboekt worden. De aandacht ervoor is vaak gebrekkig. Een systematische evaluatie van de inspanningen is er dan niet. Bij slechts een derde van de basisscholen is dit van voldoende niveau. Het schoolbestuur moet laten zien dat dit prioriteit heeft, vindt Jacobs. “Het belang van groep 1 en 2 wordt onderschat. Een schoolbestuurder kan het daar niet bij laten zitten en moet aan zijn schooldirecteuren vragen hoe het staat met de ontwikkeling van de kleuters in groep 1 en 2 op alle gebieden.”

Innovatie Pilots waarbij scholen experimenteren met nieuwe combinaties van onderwijs

en opvang, zoals een basisvoorziening voor kinderen van twee tot twaalf jaar vindt de inspecteur positief. Zolang gezocht wordt naar het beste voor kinderen. De inspectie moet daarbij uitgaan van de wet bij haar toezicht op de kwaliteit van VVE en het primair onderwijs. “We zien dat het veld in beweging is en dat allerlei nieuwe organisatie­vormen rond het jonge kind ontstaan. Dit soort ontwikkelingen kunnen leiden tot aanpassing van de wet. Welke vorm er ook wordt gekozen, het gaat er om dat alle kinderen kansen krijgen om zich naar hun mogelijkheden te ontwikkelen.” Een voorbeeld van een nieuwe organisatievorm, verschijnt in de volgende aflevering van het Jonge Kind. n

40  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


41  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Opbrengstgericht werken in de kleutergroepen: hoe implementeer je dat ? Openbaar onderwijs Zwolle (OOZ) en regio zette een aantal jaar geleden opbrengstgericht werken in de basisschool nadrukkelijk op de agenda. Linda Morssinkhof, algemeen direc­teur van de 28 basisscholen van OOZ, is daarnaast binnen de onderwijsorganisatie enthousiast promotor van opbrengstgericht werken in de onderbouw. “We willen alles uit k ­ inderen halen.”

42  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Vier van de basisscholen van OOZ volgen een VVE-programma. Inmiddels is ook op de overige 24 scholen - met over het algemeen weinig doelgroepleerlingen - de opbrengstgerichte werkwijze in de kleutergroepen geïntroduceerd, zonder een standaard VVE-programma te volgen. Morssinkhof is overtuigd van nut en noodzaak van de implementatie van opbrengstgericht werken voor alle leerlingen uit de kleutergroepen. “Met opbrengstgericht werken waren we aanvankelijk wel erg gefocust op de groepen 3 tot en met 8. Keken we naar de onderbouw dan zagen we dat we juist daar niet altijd voldoende planmatig werkten, terwijl in die eerste jaren toch het fundament van het basisonderwijs wordt gelegd. We vinden het absoluut noodzakelijk dat je ook bij kleuters vorderingen planmatig volgt en daarop interventies pleegt. Niet omdat kleuters per se moeten presteren, maar om er zeker van te zijn dat je alles uit een kind haalt wat erin zit en het niet opzadelt met een achterstand door te weinig de goede dingen te doen.”

Met steeds minder ‘klossers’* v­ erliezen we daarnaast aan knowhow en door de algemene tendens van een grotere focus op opbrengsten raken huidige leerkrachten wat onzeker over hun manier van werken. De leeromgeving van kinderen dreigde minder rijk te worden en er werd te weinig op basis van concrete doelstellingen gewerkt. Daarvoor zochten we een oplossing.”

Linda Morssinkhof

Implementatie OOZ koos ervoor om als bestuur aanvankelijk veel initiatief te nemen. Morssinkhof: “We constateerden dat kinderen in de groepen 3 en 4 soms een terugval hadden. We zagen dat met name bij taal. We konden het niet goed rijmen met het aanbod, want dat leek juist goed. We stelden vast dat we in de kleutergroepen te weinig stuurden op resultaat van de leerlingen, het is te weinig planmatig en evidence based.

43  |  PO-RAAD SPECIAL

Ingezet werd op een breed aanbod aan deskundigheidsbevordering van zowel schoolleiders als leerkrachten. Alle schoolleiders kregen scholing op onder meer coachen van een team en gericht feedback geven, maar ook leren analyseren van onderwijsdata en de betekenis hiervan voor het doen van interventies. * Kleuterleid(st)er die afgestudeerd is aan de Kleuter Leidster Opleiding School (KLOS)

HET JONGE KIND


Ook werden leerkrachten gestimuleerd masters op taal- en rekengebied te doen en zij kunnen vanaf komend voorjaar de specialisatie ‘jonge kind’ volgen bij de Ipabo Amsterdam. Schoolbestuurder Morssinkhof: “Dit schooljaar zijn we gestart met vijf masterclasses ‘jonge kind’ verzorgd door School aan Zet. Deze masterclasses geven input voor een planmatige ontwikkeling van het onderwijs in de onderbouw passend bij de huidige tijd. Schoolleiders en teams kunnen hiermee de komende tijd verder om een goede doorgaande ontwikkeling te realiseren vanuit de voor- en vroegschoolse periode naar het vervolgonderwijs in de basisschool.”

Kaderteams Het bestuur introduceerde gedeeld leider­schap op elke basisschool. Elke school werkt om die reden met een kaderteam waarvan de schoolleider als onderwijskundig leider voorzitter is. Voorts maken een taal- en rekenspecialist, een intern begeleider en een didactisch coach (een leerkracht die de opleiding tot beeldcoach heeft gevolgd) deel uit van het kaderteam. Dit kaderteam bewaakt de minimale eisen waaraan rekenen en taal op school moet voldoen en begeleidt de andere leerkrachten hierbij. Binnenkort wordt aan elk kaderteam een specialist ‘jonge kind’ toegevoegd om zo het onderwijs

44  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


voor kleuters te borgen. “De schoolleider hoeft het niet alleen te doen. Hij voert frequent overleg met specialisten. Samen met een kaderteam geven schoolleiders richting aan opbrengstgericht werken. In onze ogen vormen deze vernieuwingen voorwaarden om de leerkrachten goed te begeleiden en als school doelgericht aan het werk te gaan.”

Duurzaam De aandacht bij opbrengstgericht werken in de kleutergroepen richt zich binnen OOZ op drie pijlers: groter bewustzijn dat jonge kinderen op een speelse manier leerbaar zijn, beter in kaart brengen van de leeropbrengst en verdieping van de ontwikkelingslijnen van het jonge kind. Toetsen van kleuters hoort daarbij, zegt Morssinkhof. “De handvatten die leerkrachten krijgen aangereikt om planmatig en doelgericht in een speelse setting te werken worden met beide handen aangegrepen.” Aan de andere kant zijn er leerkrachten die duidelijk aangeven dat opbrengst-

gericht werken niet moet doorslaan. Een kind moet wel kind blijven. Morssinkhof: “Daarin hebben ze helemaal gelijk. Dat hebben we zelf in de hand. De basis van opbrengstgericht werken is dat we hoge verwachtingen hebben van kinderen. Dat heeft een stimulerend effect op hun ontwikkeling. Maar iedereen moet zich bewust zijn dat toetsing een momentopname is en dat het gaat om spelend leren dat is afgestemd op de ontwikkelingsfase van het kind. Het welbevinden van het jonge kind staat voorop.” Inmiddels zet het bestuur vooral in op monitoren en ondersteunen van schoolleider en teams. “Belangrijk is dat opbrengstgericht werken bij kleuters ook duurzaam geïmplementeerd wordt. Vier maal per jaar zijn wij met alle schoolleiders in gesprek over de opbrengsten van hun school. Daarbij praten we over de betekenis van het totale aanbod en over de concrete opbrengst van het onderwijs voor de individuele leerling. Dat geldt uiteraard ook voor het jonge kind.” n

Meer voorbeelden van opbrengstgericht werken bij kleuters en handreikingen voor leerkrachten vindt u in deze onderzoeksrapportage van School aan Zet, samengesteld door Oberon: Opbrengst gericht werken bij kleuters, succesfactoren en knelpunten van opbrengstgericht werken in de groepen 1 en 2.

45  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Een portret van Stichting Prodas in Deurne, Asten en Someren Prodas is een stichting voor primair onderwijs in Deurne, Asten en Someren. De stichting bestaat op dit moment uit 26 basisscholen. De scholen hebben over­ wegend een Katholieke identiteit (25) en één school gaat uit van de Jena­p lan­v isie. Het bestuur bestaat uit twee personen, die de bestuurlijke verantwoordelijkheden delen. Het bestuurskantoor telt 13 medewerkers, die werk­z aam zijn op de verschil­ lende afdelingen (personeelszaken, financiën, secretariaat). Drie medewerkers zijn vanuit hun functie meer inhoudelijk betrokken bij de scholen, waaronder de manager 0 – 12 jaar. Zij heet Roosje Verhees en werkt naast als manager 0 – 12 jaar bij Prodas ook als manager bij nulvier kinderopvang.

46  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


De inrichting van het vroegschoolse aanbod verschilt per gemeente. In principe ontvangen de scholen in Asten, Deurne en Someren geen extra middelen omdat het schoolgewicht van alle scholen te laag is. Dit wordt door het bestuur en de scholen ervaren als een groot probleem. Hierdoor hangt het sterk van de directeur van een school af in hoeverre VVE aandacht krijgt. Het schoolbestuur en de gemeente hebben echter wel invloed op het belang dat scholen hechten aan VVE. In de gemeente Someren worden op 5 van de 6 scholen gewerkt met de VVEmethode Piramide. De leerkrachten in de groepen 1 en 2 op deze 5 scholen zijn allemaal Piramide geschoold. Op de 6de school wordt wel een VVE-methode gebruikt maar leerkrachten zijn hier niet in geschoold. In de gemeente Deurne is er in overleg met het bestuur voor gekozen om op twee scholen een VVE-methode te gebruiken en deze te betrekken in het VVE-beleid binnen de gemeente. Deze twee scholen zijn door de gemeente geselecteerd omdat ze gevestigd zijn in een wijk met veel doelgroepleerlingen. Op de scholen wordt gewerkt met Ko-totaal. In de gemeente Asten moet nog met de scholen bekeken worden welke scholen VVE gaan aanbieden.

ROLOPVATTING Prodas heeft van begin af aan veel belang gehecht aan goede afstemming tussen de voor- en vroegschool. Een tijd lang heeft Prodas de peuterspeelzalen in beheer gehad. Het bestuur wilde graag de

47  |  PO-RAAD SPECIAL

voorscholen in huis halen om sturing te kunnen geven aan de samenwerking en afstemming tussen voor- en vroegschool. Helaas was het op een gegeven moment vanwege de strikte scheiding in financiën niet langer mogelijk om de peuterspeelzalen te beheren. Het belang van VVE was echter op de scholen minder aanwezig. Het bezoek van de inspectie heeft er voor gezorgd dat het belang van VVE bij directeuren sterker is gaan leven. Mevrouw Verhees ondersteunt scholen bij de invulling van VVE door hen te informeren en te adviseren, bijvoorbeeld over de richtlijnen van de Inspectie. Ze stimuleert scholen ook om samen te werken met voorscholen, met name als het gaat om de verbinding van de zorgstructuur en goede overdracht.

Advies Scholen kunnen het bestuur om ondersteuning vragen bij zaken waar ze tegenaan lopen in school. Een aantal voorbeelden van de wijze waarop Mevrouw Verhees scholen kan ondersteunen en adviseren: • Onlangs gaf een school aan dat ze een VVE-methode in de kast hebben liggen. De leerkrachten wilden de methode graag weer gebruiken. De manager heeft de onderbouwcoördinator vervolgens begeleid met de her-implementatie van de methode. • Voorafgaand aan het bezoek van de Inspectie wilden een aantal scholen een voor-Inspectie. Eind 2011 is Mevrouw Verhees bij deze scholen langsgegaan om

HET JONGE KIND


de stand van zaken ten aanzien van VVE langs de indicatoren van de Inspectie te leggen. Hieruit haalden scholen punten waar ze nog aan konden werken voordat de Inspectie langs kwam. • De manager kan ook bemiddelen in het contact met de voorschool. De manager kan dan ondersteunen om het contact op de werkvloer te verbeteren, maar in sommige gevallen is het nodig om op bestuurlijk niveau betere afspraken te maken over de samenwerking.

Voor- en vroegschool verbinden Het bestuur onderneemt verschillende initiatieven om voor- en vroegschool met elkaar te verbinden. Afgelopen jaar is een verplichte bijeenkomst voor leerkrachten van de onderbouw en leidsters van de voorscholen georganiseerd om hen kennis te laten maken met elkaar. Tijdens deze bijeenkomst hebben ze de taalontwikkeling besproken en zijn onderling afspraken gemaakt. Deze bijeenkomst gaf aanleiding om ook op bestuurlijk niveau bij elkaar te komen. Vorig jaar heeft Prodas daarom een bijeenkomst georganiseerd voor alle besturen van de kinderopvang­organisaties in Someren, Asten en Deurne. Tijdens deze bijeenkomst stond VVE centraal en werden visies op VVE met elkaar gedeeld. Bieden van scholing Het bestuur hecht veel belang aan de vakbekwaamheid van leerkrachten. Daarom organiseert Prodas voor haar medewerkers diverse workshops of scholingstrajecten. Aan onderbouwleerkrachten en medewerkers van

kinderopvangorganisaties/peuterspeelzalen worden bijvoorbeeld een cursus rijke spel- en leeromgeving, een NT2opleiding of workshop aangeboden. Soms wordt door Prodas een scholing verplicht gesteld.

Gemeentelijk overleg In Someren en Asten is er een gemeentelijke VVE-werkgroep. Aan deze werk­ groepen neemt de manager 0 – 12 deel evenals de directeuren van de VVE-scholen en de managers van de kinderopvanglocaties die VVE bieden. In Deurne neemt een van de directeuren van de VVE school deel aan het VVE-overleg.

AANPAK VAN VERBETERPUNTEN Uit het inspectiebezoek kwamen een ­aantal verbeterpunten naar voren. Hieronder wordt beschreven hoe Prodas de verbeterpunten aanpakt.

Verbetering doorgaande lijn Verbetering van de doorgaande lijn vraagt allereerst het leren kennen van elkaar. “Hoe vreemd het misschien ook klinkt, maar nog steeds zijn er leidsters en leerkrachten die elkaar niet kennen. Om elkaar te leren kennen moeten ze bij elkaar langs gaan, zien wat er bij de ander gebeurt, er leven nog zoveel vooroordelen, dat er op de peuterspeelzaal alleen maar gespeeld wordt en dat er op de basisschool van alles moet.” Daarna kan volgens de manager 0 – 12 jaar pas gestart worden met uitwisseling en inhoudelijke afstemmen.

48  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Roosje Verhees: “Bij vroegschoolse educatie gaat het erom dat scholen hun kinderen de juiste zorg en onderwijsaanbod bieden die de kinderen nodig hebben om zich te ontwikkelen. Daarbij is het werken met en volgens de richtlijnen van een methode van belang, waarbij aandacht moet zijn voor de verbeterpunten van de Inspectie. Dan krijgen alle kinderen de kansen die ze nodig hebben voor een goed vervolg in het onderwijs. Dat is waar we voor staan.”

Verandering overdracht Al langere tijd is er sprake van een warme overdracht van alle leerlingen. Onlangs is besloten om de overdracht van VVEleerlingen te vervroegen. Daarvoor is nu een plan ontwikkeld waarmee een aantal scholen zullen proefdraaien. Er zal een gesprek tussen voor- en vroegschool plaatsvinden voor kinderen tussen 3 en 3,5 jaar. Opbrengstgericht werken Alle scholen zijn bezig met de verdere uitwerking van opbrengstgericht werken. Dit is echter geen onderwerp waar de manager 0 – 12 zich mee bezig houdt. De bestuurder begeleidt de scholen daarbij. Hij gaat jaarlijks langs bij de scholen om de resultaten te bespreken. De resultaten van groep 1 en 2 worden dan standaard meegenomen. Er is echter nu in het bijzonder aandacht voor omdat de Inspectie het registreren en het volgen van de resultaten van VVE-kinderen als belangrijk aandachtspunt had aangemerkt.

49  |  PO-RAAD SPECIAL

Sturing De resultaten van het inspectiebezoek waren voor het bestuur aanleiding om meer sturing en ondersteuning te gaan geven aan de vroegschoolse educatie. Het bestuur wil per gemeente een bijeenkomst organiseren voor de directeuren en de VVE-coördinatoren van de scholen. Het doel van de bijeenkomst is om hen te informeren over alle zaken rondom VVE, zoals welke doelgroepdefinitie wordt er gehanteerd, hoe vindt de toeleiding plaats, hoe kan het huidige registratiesysteem worden gebruikt om VVE te monitoren. Daarnaast zijn deze bijeenkomsten bedoeld om ervaringen uit te wisselen en van elkaar te leren. In Someren en Asten hebben de eerste bijeenkomsten plaatsgevonden. Het is de bedoeling dat per gemeente dergelijke bijeenkomst regelmatig terugkomen. n

HET JONGE KIND


Een portret van stichting Bijzonderwijs in Amsterdam Stichting Bijzonderwijs verzorgt in Amsterdam Zuidoost voor circa 2.300 leer­ lingen het basisonderwijs op levensbeschouwelijke grondslag. De Stichting bestaat uit 7 basisscholen en verzorgt onderwijs op negen locaties. Er zijn ongeveer 236 personeelsleden werkzaam. Op het Stichtings­b ureau werken 9 mensen. Het Stichtingsbureau voert een groot deel van de bestuurs­t aken uit. Het Stichtingsbureau ondersteunt het bestuur bij het opstellen van strategisch beleid en informeert en ondersteunt de directies van onze scholen ten behoeve van de uitvoering van het Stichtingsbeleid. Directeur – bestuurder Harry Dobbelaar vertelt over de organisatie van vroegschoolse educatie.

50  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Alle scholen van Stichting Bijzonderwijs hebben een peuterspeelzaal van welzijnsorganisatie Swazoom inpandig. Na de motie Hulsman in ’96 is voor- en vroegschoolse educatie in de gemeente Amsterdam hoog op de agenda komen te staan en zijn bij twee scholen van Bijzonderwijs een peuterspeelzaal aan­gesloten. Gedurende de daarop volgende jaren is de samenwerking tussen de scholen en peuterspeelzalen in Amsterdam Zuidoost uitgebreid en geïntensiveerd. Inmiddels een jaar of 10 hebben alle scholen een peuterspeelzaal/voorschool inpandig. Het bestuur van Stichting Bijzonderwijs heeft er vanaf de begintijd voor gekozen om de aansturing van VVE bovenschools op te pakken. Er zijn destijds bovenschoolse VVE-coördinatoren en piramide trainers aangesteld, die intensief werkten aan implementatie van de VVE-methode, kwalificatie van leidsters, leerkrachten en tutoren Daardoor konden snel slagen worden gemaakt in de invoering van VVE. Er was gekozen voor de methode Piramide. Op dit moment werken 5 scholen met Piramide. Twee scholen werken met de methode Ko-totaal. Op alle peuterspeelzalen en in de groepen 1 en 2 van de basisscholen is sprake van een dubbele bezetting (4 dagdelen per groep extra ondersteuning door een tutor), mede ingegeven vanuit de kwaliteits­k aders die de gemeente Amsterdam heeft opgesteld.

51  |  PO-RAAD SPECIAL

ROLOPVATTING Rol van lokale overheid De lokale overheid (de gemeente Amsterdam en het stadsdeel Zuidoost) vervult volgens dhr. Dobbelaar een belangrijke rol in de realisatie van voor- en vroegschoolse educatie. Naast het kwaliteitskader VVE dat door de gemeente Amsterdam is opgesteld, is er in Amsterdam Zuidoost een project­ groep VVE samengesteld, waaraan vertegenwoordigers van het stadsdeel, schoolbesturen, peuterspeelzalen en kinderopvang in Amsterdam Zuidoost deelnemen. In het overleg van deze projectgroep staat de afstemming tussen scholen, peuterspeelzalen en kinderopvang centraal. “Onlangs constateerden wij bijvoorbeeld dat in de kleutergroepen veel leerlingen extra zorg nodig hebben. In dit overleg bespreken we dan hoe dit kan komen en welke interventies we kunnen treffen.” Verder heeft de lokale overheid een belangrijke rol in de subsidiering van VVE. De gemeente Amsterdam, stadsdeel Zuidoost financiert de voorscholen geheel en stelt sinds enkele jaren subsidie beschikbaar voor coördinatie van VVE in het basisonderwijs. Met de inzet van deze subsidie is het mogelijk om het vve beleid op school- en bestuursniveau vorm te geven. Stichting Bijzonderwijs heeft twee bovenschoolse VVE-coördinatoren in dienst (voor gezamenlijk 4 dagen per week), die sturen, coördineren en coachen op de werkvloer. Op elke school is een locatie­coördinator

HET JONGE KIND


VVE-aangesteld. De uren van de VVEcoördinatoren zowel bovenschools als op de scholen worden gefinancierd vanuit subsidie van de gemeente Amsterdam, stadsdeel Zuidoost.

Een bovenschools VVE-plan Het kwaliteitskader van de gemeente Amsterdam en de afspraken die binnen de projectgroep gemaakt worden, zijn leidend voor de invulling van de voor- en vroegschoolse educatie op de scholen. Daarom is op bestuursniveau een afsprakenset ontwikkeld over de uitvoering van voor- en vroegschoolse educatie. Deze afspraken zijn vastgelegd in het VVE-plan. Hierin staat wat het bestuur verwacht van de voorscholen van Swazoom en wat van de vroegschool. Verder zijn afspraken gemaakt over de samenwerking tussen scholen en peuterspeelzalen en over de overdracht van gegevens. Dhr. Dobbelaar beschouwt de afspraken op bestuurlijk niveau tussen Stichting Bijzonderwijs en Swazoom als een succesfactor. Vertaling van afspraken naar praktijk De directeuren van de scholen zijn verantwoordelijk voor de vertaling en

uitvoering van de afspraken die zijn vastgelegd in het VVE-plan en daarmee voor het realiseren van de eisen uit het kwaliteitskader van de gemeente. Een directeur, de onderbouw, een individuele leerkracht en/of de locatiecoördinator VVE kan hierbij ondersteund worden door één van de bovenschoolse VVE-coördinatoren.

Op bestuursniveau is daarom een afspraken­set ontwikkeld over de uitvoering van voor- en vroegschoolse educatie. Deze afspraken zijn vastgelegd in het VVE-plan. Hierin staat wat het bestuur verwacht van de voorscholen van Swazoom en wat van de vroegschool.

AANPAK VAN VERBETERPUNTEN Over het algemeen is dhr. Dobbelaar tevreden over het voor- en vroegschools aanbod, omdat het vooralsnog lukt om aan de eisen uit het kwaliteitskader van de gemeente Amsterdam te voldoen. Echter is het de vraag of het bestuur de dubbele bezetting in de toekomst kan blijven realiseren. De dubbele bezetting

Harry Dobbelaar: “Het is belangrijk dat je helder bent in wat je verwacht en wil zien. Je moet helder zijn over de kaders die je stelt. De rol van de directeur is van belang om de inhoud, de organisatie en samenwerking goed aan te sturen. Ondersteuning in de vorm van bovenschoolse coaches/ coördinatoren zijn voor de realisatie beschikbaar.” 52  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


wordt op dit moment gefinancierd vanuit de gewichtenmiddelen. De middelen die de scholen ontvangen vanuit de gewichtenregeling en de impulsgelden nemen sterk af, wat onder andere een knelpunt zal gaan vormen voor de realisatie van een dubbele bezetting.

Interne kwaliteitszorg De structuur, procedures en organisatie zijn volgens dhr. Dobbelaar op alle scholen wel op orde, maar personele mutaties maken het lastig om kwaliteit te borgen. “Door wisselingen in personeel heb je soms het idee dat je weer vanaf nul moet beginnen, omdat je opnieuw mensen moet scholen en begeleiden bij het gebruik van de VVE-methode. Uiteraard horen personele wisse­lingen bij je organisatie. Wanneer er personele wisselingen plaatsvinden, moet je een belangrijk deel weer opnieuw opbouwen.” Afstemming tussen voor- en vroegschool Een aandachtspunt ten aanzien van de doorgaande lijn tussen de voor- en vroegschool is de inhoudelijke afstemming. Over het algemeen verloopt de samenwerking met de peuterspeelzalen naar tevredenheid, maar vanuit bestuurlijk oogpunt geeft dhr. Dobbelaar er voorkeur aan dat de voorschool onder beheer van de school komt. Dat zal de aansturing op inhoudelijk niveau vergemakkelijken. Eén van de scholen participeert in de pilot startgroepen peuters. “Dat doen we niet voor niks. We vinden als school dat we meer regie moeten hebben op de voorschool. Door m ­ iddel

53  |  PO-RAAD SPECIAL

van de pilot startgroepen willen we uitproberen hoe het aansturen van een voorschool door een directeur verloopt.”

Doorgaande lijn groep 3 De doorgaande lijn naar groep 3 verloopt over het algemeen naar tevredenheid, maar vraagt op sommige scholen nog wel aandacht als het gaat om inhoudelijke afstemming. ‘Sturen – stimuleren – faciliteren’ De lijn die het bestuur volgt bij het aanpakken van verbeterpunten is ‘sturen – stimuleren – faciliteren’. De bovenschoolse VVE-coördinatoren begeleiden de scholen bij de operatio­ nalisatie van de VVE-kaders op school­niveau. De bovenschoolse VVEcoördinatoren werken aan de hand van een jaarplan. Het jaarplan wordt opgesteld in overleg met de directeuren ingegeven vanuit het kwaliteitskader van de gemeente en de afspraken van de projectgroep VVE. In het jaarplan staat beschreven wat er verwacht wordt van de scholen en welke ontwikkelpunten voor dat jaar gelden. De VVEcoördinatoren gaan samen met de directeuren aan de slag met de ontwikkelpunten uit het jaarplan. Eén keer in de 6 weken heeft dhr. Dobbelaar overleg met de VVE-coördinatoren over voortgang ten aanzien van de ambities uit het jaarplan. Hierdoor is hij goed op de hoogte van de stand van zaken in de scholen. Daarnaast kan hij door deze gesprekken richting geven aan de ontwikkelingen in de scholen. n

HET JONGE KIND


Stichting Kopwerk aan kop: Schakelklas helpt kleuters vooruit Met schakelklassen voor kleuters, verplichte VVE-programma’s op alle basis­s cholen en vaste contactfunctionarissen voor peuterspeelzalen en kinderdagverblijven geeft Stichting Kopwerk met ferme hand vorm aan vroegschoolse educatie. John Deckers van Stichting Kopwerk: “Wij zien dit als passend onderwijs in optima forma. Door bezuinigingen verdwijnen voorschoolse voorzieningen. Er zijn gemeentes waar kleuters al niet meer naar de peuterspeelzaal gaan. Dat kunnen we niet zomaar passeren en maakt onze verantwoordelijkheid groter.”

54  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Ruim twee jaar geleden kwamen de gezamenlijke schoolbesturen in het noorden van Noord-Holland overeen om de doorgaande leer- en ontwikkelingslijn van twee tot zesjarigen speerpunt te maken van hun beleid. Zij legden dit vast in een gemeenschappelijk beleidsplan van het samenwerkingsverband SWV Kop van Noord Holland. De realisatie van een sluitende aanpak noemden ze ‘hun droom’. Een opvallende stap, legt John Deckers uit. Hij is lid van het College van Bestuur Stichting Kopwerk – met 25 protestants christelijke basisscholen in noordelijk Noord-Holland - en bestuurslid van het samenwerkingsverband SWV Kop van Noord Holland. “Nergens in Nederland ken ik een samenwerkingsverband van schoolbesturen die dit zo opgenomen heeft in haar beleid. Het kader is immers dat je als schoolbestuur pas vanaf de leeftijd van vier jaar verantwoordelijkheid draagt voor een kind. Wij denken dat je substantieel eerder moet inzetten. Onze verantwoordelijkheid reikt verder dan de schooldeur. Dat moet je dan ook in je beleid verankeren. Dit helpt ons om passend onderwijs in de basisschool goed vorm te geven. We willen zo vroeg mogelijk signaleren als kinderen extra, of andere, begeleiding nodig hebben dan gangbaar is. Op die manier kunnen we het kind op de basisschool meteen passend onderwijs bieden. Dat scheelt kostbare tijd. Bij wegwerken van achterstanden geldt: hoe eerder hoe beter.”

Contact voorschool en gemeente De ondertekening van het beleidsplan is een eerste aanzet tot vastleggen van

55  |  PO-RAAD SPECIAL

afspraken over basiskwaliteit in zowel peuterspeelzalen en kinderopvang als basisonderwijs, zegt Deckers. Gestreefd wordt onder meer naar een uniform overdrachtsformulier en een warmere overdracht tussen voorschoolse voorziening en basisschool. Lastig is de afhankelijkheid van partijen waar extra zorg en begeleiding nog geen issue is, aldus Deckers. “In voorschoolse voorzieningen hebben ze geen zorgcomponent, zoiets als rugzakjes voor peuters is er niet. Ook hebben de medewerkers van voorschoolse voorzieningen een andere opleiding dan leerkrachten en aan alles merk je dat er structureel te weinig tijd en geld is om al die dingen te doen die wij op de basisschool ook doen.” Bij Stichting Kopwerk zijn het de IB-ers die de contacten met de gemeente coördineren en onderhouden over lokale afspraken in verband met de ontwikkeling van jonge kinderen. “We werken met zo min mogelijk managementlagen. Zij weten als geen ander wat er nodig is.” Daarnaast is vanuit het samenwerkingsverband SWV een projectleider doorgaande lijnen aangesteld die proactief de gemeenten benadert en ondersteunt bij de organisatie van de lokaal educatieve agenda. Deckers: “Inmiddels zijn bij twee gemeenten verregaande afspraken gemaakt over de doorgaande lijnen. Afspraken die niet tot stand waren gekomen als het SWV niet de regie had genomen. Andere gemeenten zullen zeker snel volgen.”

VVE-erkend programma Onlangs spraken alle schoolbesturen

HET JONGE KIND


in het samenwerkingsverband af dat alle eraan verbonden scholen met een VVE-erkend programma moeten werken. Niet elke school stond meteen te juichen, erkent Deckers. Soms was er weerstand. “Natuurlijk hadden we ook afspraken kunnen maken over de output en het aan de scholen zelf over laten hoe dat te bereiken. Dat vinden we te vrijblijvend. Het was soms een stevig robbertje vechten met schoolleiders. Qua inhoud is iedereen het er over eens: we willen het beste uit

len van verschillende schoolbesturen in Den Helder succesvol wordt gewerkt. Kinderen van vier tot zes jaar met een taalachterstand volgen een jaar extra taalonderwijs in een kleine groep om hun achterstanden weg te werken. Het is geen extra leerjaar, de k­ inderen blijven gewoon in hun eigen klas. Elke dag op een vast moment krijgen ze anderhalf uur extra taalles van een gespecialiseerde leerkracht: dat is gemiddeld 7 ½ uur per week. De gemeente Den Helder

“Onze verantwoordelijkheid reikt verder dan de schooldeur” kinderen halen. Sommige scholen vinden dat ze al met een goede methode werken. We hebben hen gevraagd te laten zien dat hun gebruikte methode beter is. Na toetsing bleek dat dan bijvoorbeeld toch niet zo te zijn. We zijn nu bezig met de implementatie en omschakeling.”

Schakelklassen: extra taalonderwijs Bijzonder is de schakelklas (Plus­voor­ ziening Kleuters) waarmee op zes scho-

is co-financierder. De resultaten zijn positief. “Scores op taaltoetsen laten zien dat leerlingen door het volgen van deze schakelklas op een hoger taalniveau komen. Veel kinderen stromen in op niveau D of E. Na een jaar ondersteuning bereiken ze soms wel A of B-niveau en is er geen achterstand meer. De kracht van de schakelklas? Het is makkelijk te organiseren, het is concreet en leidt snel tot resultaat!” n

56  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


57  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Masterclasses zetten opbrengstgericht werken in kleutergroepen op de kaart Met Masterclasses voor kleuterleerkrachten zet School aan Zet specifiek in op opbrengstgericht werken in de groepen 1 en 2. Schoolbestuurder Anja Hagedooren van Panta Rhei: “Wij streven naar een doorgaande ontwikkelingslijn van groep 1 tot en met groep 8. Dat kan niet zonder gerichte aandacht voor het kleuteronderwijs.”

58  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Wordt op steeds meer scholen gewerkt aan opbrengstgericht werken, voor de kleutergroepen is opbrengstgericht werken vaak nog zoeken hoe het handen en voeten te geven, of stuit het op weerstand van leerkrachten. Gea Spaans, projectleider bij School aan Zet: “Het is duidelijk dat opbrengstgericht werken een onomkeerbaar proces is waarvan iedereen het belang inziet. Het kleuteronderwijs is echter een van de pijnpunten bij opbrengstgericht werken. De uitdaging is: waar werk je gericht naartoe zonder al te klassikaal te werken? Bij de meeste scholen is opbrengstgericht werken in de onderbouw geen aparte ontwikkeling, maar maakt het deel uit van de implementatie van opbrengstgericht werken binnen de gehele school. Er wordt vaak nog wel geredeneerd vanuit de groepen 3 en hoger en hoe dat dan vervolgens vorm te geven in de groepen 1 en 2. Daarmee doe je onvoldoende recht aan de eigenheid van kleuteronderwijs waar spelend leren meer leidend is dan de methode.”

Observeren Op basis van de ervaringen van twintig scholen* die voorop lopen op het gebied van opbrengstgericht werken in de groepen 1 en 2 zette School aan Zet de succesfactoren en knelpunten van opbrengstgericht werken bij kleuters op een rij. Hieruit komt naar voren dat het belangrijk is dat kleuterleerkrachten over vakinhoudelijke kennis beschikken. Maar ook dat niet alle leerkrachten van de groepen 1 en 2 sterk zijn in data gebruiken, gegevens duiden, doelen

59  |  PO-RAAD SPECIAL

stellen en deze doelen vertalen naar de dagelijkse praktijk. Spaans: “Uit onderzoek blijkt dat het observatievermogen – gekoppeld aan de doelen die je wilt bereiken – van leerkrachten nog wel een boost mag hebben. Wat observeer je? Welke ontwikkeling wil je zien bij het kind? Welk doel houd je voor ogen? Ben je activiteit­gericht of heb je een doel voor ogen waarbinnen je activiteit valt? Vragen waarmee kleuterleerkrachten meer r­ ekening moeten houden.”

Masterclasses School aan Zet ontwikkelde daarom een nascholingsprogramma, in de vorm van acht masterclasses van elk een dag, voor kleuterleerkrachten en intern begeleiders. De masterclasses zijn gericht op opbrengstgericht werken in de kleuterperiode, rekening houdend met de specifieke manier van leren van kleuters en de specifieke organisatie in het kleuteronderwijs. Honderd scholen volgen het programma. Ook bij Panta Rhei, een schoolbestuur met vijftien basisscholen in Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Den Haag, volgen alle kleuterleerkrachten en intern begeleiders of onderbouwcoördinatoren de masterclasses. Bestuurder Anja Hagedooren: “Twee jaar geleden gingen we enthousiast aan de slag met de implementatie van handelings- en opbrengstgericht werken op het gebied van rekenen of taal. De verdere integratie van werken met groepsplannen op alle scholen is daarbij het gemeenschappelijk uitgangspunt. We merkten al gauw dat de kleuterleerkrachten zich er niet altijd mee verbon-

HET JONGE KIND


den voelden. Zij konden onvoldoende uit de voeten met het directe instructiemodel dat wij voorstaan. De dynamiek in een kleutergroep is zo anders, vertelden ze. Zij kregen te weinig handvatten in hoe ze het directe instructiemodel konden vormgeven bij kleuters.”

Iedereen verantwoordelijk Inmiddels hebben de eerste leerkrachten van groep 1 en 2 alle master­classes gevolgd. Hagedooren: “Kleuterleerkrachten hebben alles in hun hoofd zitten. Zij staan heel dicht bij de kinderen en weten doorgaans goed wat kinderen nodig hebben. Dat is fantastisch om te zien. Als groep zijn ze misschien wat al te lang geïsoleerd geweest van het schoolgebeuren als geheel en hebben ze te veel hun eigen ding gedaan. Wat beter kan? Doelgericht observeren, een groepsplan neerzetten, een meer planmatige aanpak hanteren en cijfers gebruiken zonder ze als afrekenmoment te zien. Het is allemaal zeker wel aanwezig, maar het kan soms net een tandje scherper. Het mooie is dat ik zie dat iedereen zich meer verantwoordelijk gaat voelen voor de opbrengsten van de hele school. Als bestuur streven we naar een doorgaande lijn van groep 1 tot en met groep 8 waarbij leerkrachten leren van elkaars inzichten. Dat zie ik langzaam gebeuren. Kleuterleerkrachten zijn bijvoorbeeld sterk in klassenmanagement en kunnen andere leerkrachten leren meer ruimte te creëren voor het specifieke kind. Leerkrachten gaan aan de hand van een kijkwijzer ook bij elkaar in de klassen kijken.”

Bestuurlijke inbreng Een van de succesfactoren voor omgaan met verschillen en opbrengstgericht werken is een grote bestuurlijke inbreng benadrukt Spaans. “De verantwoordelijkheid ligt nu vaak erg bij de individuele scholen zelf. Op bestuursniveau dient het gesprek plaats te vinden. Hoe richten we ons onderwijs in? Wat zijn onze toekomstbeelden van de scholen? Als je met alle scholen samen van onderwijskwaliteit een ketenverantwoordelijkheid maakt, kun je de kwaliteit veel meer borgen en wordt de doorgaande ontwikkelingslijn beter neergezet.” Dat laatste is voor Panta Rhei reden om als bestuur scherp zicht te houden op de resultaten van de inspanningen van alle aangesloten scholen. Hagedooren: “In onze stuurgroep opbrengstgericht werken zitten zowel bestuur- als directieleden. Wij gaan uit van bundeling van krachten en leren van elkaar. Niet elke school ontwikkelt zichzelf wel door. Het is verfrissend om ook andere perspectieven te zien naast dat van je eigen team. Dat hoor ik steeds weer terug van de scholen. En door de masterclasses aan alle leerkrachten van groepen 1 en 2 aan te bieden, straal je als bestuur uit dat je oog hebt voor de specifieke aanpak in deze groepen in het kader van opbrengstgericht werken.” n * Opbrengstgericht werken bij k­ leuters. Succesfactoren en knelpunten. Onderzoek uitgevoerd door Oberon in opdracht van School aan Zet (2013).

60  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


61  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Portret van SKBO in Oss Stichting Katholiek Basisonderwijs Oss realiseert onderwijs voor circa 4300 kinderen op dertien katholieke basisscholen in de gemeente Oss. Er werken ongeveer 400 medewerkers. De stichting wordt aangestuurd door het college van bestuur en drie portefeuillehouders (onderwijs, personeel & organisatie en financiën & facility). Zij zijn resultaatverantwoordelijk voor de betreffende beleidsterreinen en werken hiertoe samen met het directieteam en beleidsmedewerkers waar nodig. Samen vormen zij de beleidsgroep kwaliteitszorg waar besluitvorming plaatsvindt. Een van de directeuren is daarbij manager KWZ. Jan van den Heuvel, beleidsmedewerker Onderwijs bij SKBO, vertelt over de manier waarop het bestuur het vroegschools aanbod aanstuurt.

62  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


De dertien basisscholen verschillen van grootte en populatie. Op basis van de leerlinggewichten, het uitgangspunt dat de gemeente Oss hanteert als definiëring, zijn 7 van de 13 een VVE-school. De gemeente Oss heeft in overleg met de besturen ervoor gekozen om de invoering van de methode Piramide te faciliteren. De meeste scholen gebruiken daarom Piramide, maar er zijn enkele scholen die hiervan afgeweken zijn. Ze moeten wel gebruik maken van een andere gecertificeerde methode en hun keuze daarvoor kunnen onderbouwen. In het kader van het onderwijsachterstandenbeleid (OAB) heeft de gemeente de regie ten aanzien van VVE opgepakt. In 2011 hebben de gemeente en de schoolbesturen een convenant onderwijsachterstandenbeleid 2011-2014 gesloten. Hierin zijn algemene afspraken rondom VVE vastgelegd, die de schoolbesturen ieder voor zich zijn gaan uitwerken. Om de scholen te ondersteunen bij de intensivering van het taalbeleid is in het convenant overeengekomen dat er een taalexpertisecentrum onderwijskansen en VVE (TOV) werd opgezet. Dit taalexpertisecentrum is belegd bij het samenwerkingsverband en heeft de opdracht om VVE, schakelklassen en het steunpunt NT2 te coördineren, de lokale taal- en rekenmonitor uit te voeren, informatie te verzamelen voor beleid, uitvoering en verantwoording en een gezamenlijk professionaliseringsprogramma vorm te geven.

63  |  PO-RAAD SPECIAL

ROLOPVATTING VAN HET BESTUUR In gesprek met de gemeente en andere besturen De huidige OAB-periode loopt af, wat betekent dat er een nieuw convenant uitgewerkt moet worden. Het schoolbestuur overlegt samen met de gemeenten en andere besturen over een herdefiniëring van de doelgroep VVE. Er leeft een voorkeur om niet alleen uit te gaan van de leerlinggewichten, maar om ook naar de leefomgeving van kinderen te kijken. Bij deze leefomgeving zou een onderdompeling in taal een belangrijk criterium kunnen zijn. “Kinderen uit een hoogopgeleid gezin waar alleen Russisch wordt gesproken zouden dan binnen de doelgroep kunnen vallen, terwijl kinderen met laagopgeleide ouders, maar die opgroeien in een rijke taalomgeving, dan niet tot de doelgroep behoren. Hierdoor kan extra ondersteuning geboden worden aan leerlingen die het echt nodig hebben.” De samenwerkende Osse besturen hopen dat het consultatiebureau een indicatie kan gaan afgeven aan leerlingen die vanwege leefomgeving in aanmerking komen voor VVE. De gemeente denkt mee bij de herdefiniëring van de doelgroep maar heeft als beperking gesteld dat een wijziging in doelgroepdefiniëring niet mag leiden tot een verruiming van het begrote bedrag. Minimale resultaatverplichtingen stellen In het convenant zijn algemene ­afspraken rondom VVE vastgelegd. Het TOV heeft deze afspraken concreet

HET JONGE KIND


uitgewerkt in een handboek bestaande uit een beleidskader VVE en de doorgaande lijn, en een uitwerkingshand­ reiking VVE. De beleidsgroep onderwijs van SKBO heeft de inhoud van het handboek vervolgens vertaald naar minimale resultaatverplichtingen voor de VVE-scholen. Alle resultaatverplichtingen worden vastgelegd in een managementcontract. Twee keer per kalenderjaar moet een school verantwoording afleggen over de resultaatverplichtingen in een managementrapportage. SKBO werkt sinds 3 jaar met managementcontracten. “Dit is de manier waarop we alle ontwikkelingen binnen de scholen aansturen. Die resultaatverplichtingen zijn zeer

concreet beschreven vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid van betrokken professionals. We hebben de ervaring dat het werken met managementcontracten en –rapportages leidt tot resultaten. Door waar mogelijk te werken met formaties zoals hieronder, kan een school zich veel meer focussen op wat zij moet realiseren. Dit geeft duidelijkheid.”

Stimuleren van ambities Door minimale resultaatverplichtingen vast te leggen, weten scholen waar ze zich op moeten richten en waarover ze zich moeten verantwoorden. “We plaatsen hierdoor VVE op een voetstuk, waardoor het de aandacht krijgt die het verdient: een positie tussen de onderwijsresultaten. De vrijblijvendheid is er nu vanaf.”

Voorbeeld van enkele resultaatverplichtingen t.a.v. VVE: De scholen op teldatum 01-10-2011 ≥ 15% doelgroep leerlingen hebben in 2014 de volgende items met betrekking tot Voor- en Vroegschoolse educatie (VVE) gerealiseerd: Opgenomen in beleidsplan

Item

Gerealiseerd in uitvoering

De school heeft, eventueel i.s.m. andere scholen, een VVE-coördinator. De school kent nauwe samenwerking met de voorschoolse instellingen door afstemming in thema’s en activiteiten. De school bewaakt de kwaliteit van haar VVE-aanbod en legt daar verantwoording over af.

64  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND


Dhr. Van den Heuvel: “We hebben gemerkt dat er ergens iemand aan het wieltje moet blijven draaien, als deze persoon er niet is dan verslapt de aandacht en verwatert de uitvoering. De manier waarop de gemeente en het TOV aanstuurt op verbeteringen van voor- en vroegschoolse ervaren we als zeer prettig.” Daarnaast draagt het TOV bij aan de verbinding tussen de besturen. “Het TOV is een typisch voorbeeld van hoe we met elkaar willen samenwerken. Deze samenwerking start vanuit een gemeenschappelijk belang, namelijk goed onderwijs voor de kinderen in Oss. Waarbij ieder bestuur de ruimte heeft om zelf invulling te geven aan de gemaakte afspraken.”

Hoewel het dus gaat om een ministerieel verplichte onderwijsinspanning, krijgen scholen volop ruimte om zelf hogere ambities te stellen. Scholen mogen bijvoorbeeld zelf doelen formuleren ten aanzien van de leerresultaten. Het lijstje met minimale – maar wel gezamenlijk vastgestelde - resultaatverplichtingen en de ruimte om eigen ambities te formuleren zorgen voor een gevoel van eigenaarschap op de scholen. “De scholen zijn zich er meer van bewust geworden dat hun leerlingen er recht op hebben dat zij als school VVE goed organiseren en uitvoeren. Ze voelen zich hier nu meer verantwoordelijk voor.” Mooi en uniek voorbeeld is dat alle scholen in de groepen 1 en 2 en de gekoppelde voorschoolse instellingen nu hetzelfde observatieinstrument hanteren, waardoor er een doorgaande lijn is in observeren en registreren.

65  |  PO-RAAD SPECIAL

Monitoring van uitvoering door middel van audits “In het kader van onze zelfevaluatie én helder presenteren waar we staan, werken we naast verantwoording in marap’s en factsheets ook met interne audits”. Standaard wordt een jaar voorafgaand aan een Inspectiebezoek een audit uitgevoerd. Daarnaast kunnen scholen zelf een audit aanvragen of kan het bestuur besluiten een audit uit te voeren omdat er zorgen zijn over de school. “Een audit is gebaseerd op het toezichtkader van de Inspectie. Een audit is echter niet uitsluitend controlerend van aard, maar ook gericht op ondersteuning en stimulering van de school.” Kennisdeling faciliteren Alle VVE-scholen hebben een VVEcoördinator. Jaarlijks worden een aantal bijeenkomsten voor de VVE-

HET JONGE KIND


coördinatoren georganiseerd. Binnen dit netwerk van VVE-coördinatoren wordt relevante informatie ingebracht door het bestuur, maar er worden ook kennis en ervaringen onderling gedeeld.

AANPAK VAN VERBETERPUNTEN De heer van den Heuvel is tevreden over de wijze waarop op dit moment aan VVE gewerkt wordt. Zeker, er zijn voor de voorliggende periode wel enkele ontwikkelpunten. Slechts één van deze punten kwam ook uit de bestandsopname van de Onderwijsinspectie.

66  |  PO-RAAD SPECIAL

HET JONGE KIND

Continuïteit en deskundigheid SKBO ervaart de continuïteit en de deskundigheid van het personeel in de kleutergroepen als een belangrijk aandachtspunt. Door de vele wisselingen in de bemensing van de kleutergroepen staat de continuïteit van de uitvoering van vroegschoolse educatie onder druk. “In principe zijn alle personeelsleden die in de vroegschoolse periode werken gecertificeerd, maar door de personele wisselingen kan een school die dit jaar allemaal gecertificeerde leerkrachten voor de klassen heeft, volgend jaar minder of geen gecertificeerde leerkrachten voor een groep 1 of


2 hebben.” Oorzaken van de wisselingen liggen bij mobiliteit en krimp. “We kunnen als bestuur scholen attent maken op het belang van een zekere continuïteit van de deskundigheid op het gebied van VVE, maar we kunnen hier maar in zekere mate invloed op uitoefenen. Het is echter voorlopig nog geen probleem om nieuwe leerkrachten de Piramide-opleiding te laten volgen. Dit wordt gefinancierd vanuit de middelen voor onderwijsachterstanden.”

Gegevensoverdracht van peuterspeelzaal naar school Op dit moment zijn er algemene afspraken met de peuterspeelzalen en kinderdagverblijven over de overdracht van gegevens. Bij de uitvoering van deze afspraken loopt men tegen de wet bescherming persoonsgegevens aan. “We horen hier nog veel tegengestelde geluiden over, wat mag wel en wat mag niet? We willen ernaartoe dat wanneer een ouder zich inschrijft bij een peuterspeelzaal of kinderdagverblijf hij gelijk toestemming geeft voor overdracht van gegevens naar de basisschool.” Dit plan stuit echter bij ouders op vragen omdat tussen het moment van aanmelden bij een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal en aanmelding op een

67  |  PO-RAAD SPECIAL

basisschool veel kan veranderen. Dhr. Van den Heuvel is daarom benieuwd naar de rol die het consultatiebureau (JGZ) straks kan gaan spelen in het verzamelen en overdragen van informatie ten behoeve van een VVE-indicatie.

Ouderbetrokkenheid Uit de bestandsopname van de Inspectie kwam ouderbetrokkenheid als belangrijk aandachtspunt naar voren. Hoewel ook ten aanzien van ouderbetrokkenheid in algemene termen afspraken zijn geformuleerd, is het nog niet gelukt om een vertaling te maken van de term ouderbetrokkenheid naar concreet gedrag. “Met de VVE-coördinatoren van de scholen gaan we uitwerken wat we verstaan onder ouderbetrokkenheid: Is dat alleen ouders op de hoogte houden van wat hun kind krijgt aangeboden of laten we ouders participeren in het onderwijs? Hier moeten we nog met elkaar vorm aan geven.” Dhr. Van den Heuvel benadrukt het belang van de zichtbare regierol die de gemeente heeft opgepakt door het oprichten van het TOV. Dit initiatief van de gemeente wordt door de besturen in Oss zeer gewaardeerd. n

HET JONGE KIND


goed onderwijs voor elk kind