Issuu on Google+

»

Wmo-special Mei 2010 | Jaargang 16

Speciale bijlage bij

CIAL E P S S RE lzijn CONG e W 0’ o en ‘Wm e Stijl 201 Nieuw MEI 7 2 P O

‘Welzijn? Geen hond weet wat het voorstelt’ Met de Wmo het land door ‘Er is meer nodig voor ggz-cliënten’

Oud-staatssecretaris Jet Bussemaker:

‘Bezuinig niet onevenredig op welzijn’


Phyllis Döll-Osei Ameyaw, gezinscoach bij de Opvoedpoli in Amsterdam, was Zorg + Welzijn Professional van het Jaar 2009.

Extra impuls voor uw werk in welzijn

Versterk uw competenties met de Wmo-leergang Volg één of meer van deze modules samen

DE ZORG + WELZIJN PROFESSIONAL VAN HET JAAR 2010 Ook in 2010 kunt u meedingen naar de titel Zorg + Welzijn Professional van het Jaar. Deze excellente professional onderscheidt zich door vakmanschap en levert een belangrijke bijdrage aan het imago van de sector. Als leidinggevende kunt u maximaal één medewerker aanmelden. Op één A4 geeft u drie redenen aan waarom juist die professional zo goed is. Daarnaast stuurt u zijn of haar CV mee. Een deskundige jury selecteert vijf genomineerden, die tijdens het Welzijnsdebat 2010 op 14 oktober worden gepresenteerd. Dit debat wordt afgesloten met de bekendmaking van de Zorg + Welzijn Professional van het Jaar.

met professionals uit andere organisaties: * Outreachend werken in de Wmo * Participatie en burgerschap * Supportgericht werken in de Wmo * Ondernemerschap en Wmo * Integrale wijkontwikkeling

Kijk op www.movisie.nl/professionaliteitverankerd

De prijs voor de professional van het jaar bestaat uit een jaarabonnement op Zorg + Welzijn Magazine, een interview in hetzelfde medium én een geldbedrag. Conclusion Advies en Management sponsort deze prijs. Kandidaten kunnen worden aangemeld tot 15 september 2010 bij martin.zuithof@reedbusiness.nl

Uw implementatiepartner voor de Wmo Gemeenten stellen door de Wmo steeds meer eisen aan de verstrekking van informatie door zorgaanbieders over de beschikbare, geïndiceerde en geleverde zorg. Dit betekent vaak dat u als instelling aanpassingen moet doen in uw huidige werkprocessen en zorginformatiesysteem. Wij helpen zorginstellingen met het ontwerpen en beschrijven van Wmo-gerelateerde (en andere) werkprocessen en implementeren ze in het zorginformatieysteem. Ook genereren wij de benodigde managementinformatie over de geleverde zorgproductie zodat de informatievoorziening richting de gemeente en andere ketenpartners voldoet aan de gestelde eisen. Solviteers heeft uitgebreide kennis van wet- en regelgeving en werkprocessen en heeft ervaring met het implementeren en beheren van de gebruikte automatiseringssystemen. Wij hebben de Wmo geïmplementeerd bij gemeenten, zorg- en welzijnsinstellingen. Onze ervaringen op dit gebied bij zowel zorgaanbieders als uitvoerders van de Wmo maken Solviteers bij uitstek geschikt voor het oplossen van uw Wmo vraagstuk. Voor meer informatie: René Boekhorst o Accountmanager De Bouw 117 o 3991 SZ Houten T (030) 280 3655 o www.solviteers.nl


Redactioneel ‘De aanbesteding had ik graag uit de Wmo gehaald’ Jet Bussemaker had nog een hoop plannen. Maar toen viel het kabinet. Een terugblik en wensen voor de toekomst. Over welzijn, de thuiszorg en hulp achter de voordeur.

10

Pro en contra welzijn door Martin Zuithof

Pagina 4 Jet Bussemaker

‘Ik dacht: waar doen ze het toch van?’ De gemeente Gennep werkt met ouderenconsulenten en een speciaal handboek. ‘De voorzieningen zijn er. Je moet onderbenutting voorkomen.’

13

Wmo-raad Raalte Voorzitter Anke Hoeneveld: ‘De jeugd verdient meer aandacht.’

16

Pagina 10 Gennep op visite

Met de Wmo het land door Hoe verloopt de uitvoering in het Gelderse Westervoort en het Zeeuwse Middelburg? Een verslag.

19

Wmo-raad Nieuwegein Margriet Mannak: ‘Er is meer nodig voor ggz-cliënten.’

24

‘Welzijn? Geen hond weet wat het voorstelt’ Publicist Jos van der Lans pleit voor lokaal en doeltreffend sociaal werk. ‘Ik geloof niet meer dat grote instellingen kostenefciënt of effectief zijn.’

27

Pagina 16 Wmo in de regio

Pagina 24 Weg met welzijn?

Wmo-cliëntenraad Utrecht Lid Gezien Reinders: ‘De ondersteuning van mantelzorgers kan nog beter.’

32

Minder drukte achter de voordeur Ze hebben een mandaat van 25 organisaties: de Enschedese wijkcoaches kunnen écht wat betekenen voor de bewoners van Velve-Lindenhof.

35

Pagina 32 Wijkcoaches Enschede

‘Ik hoop dat de Wmo de plek krijgt die het verdient en dat bezuinigingen niet onevenredig het welzijnswerk treffen.’ Dat is toch wel de opmerkelijke boodschap van oud-staatssecretaris Jet Bussemaker in deze bijlage bij het congres ‘Wmo en Welzijn Nieuwe Stijl 2010’, dat Zorg + Welzijn op 27 mei organiseert.

FOTO: RAM VAN MEEL

4

Terwijl Bussemaker in haar beginperiode als staatssecretaris uiterst kritisch was over het welzijnswerk, heeft ze de afgelopen jaren waardering gekregen voor het werkveld. Op allerlei plekken in het land heeft ze gezien wat vrijwilligers, professionals en gemeenten op de werkvloer tot stand brengen. Bussemaker vertelt gedreven over de vele goede praktijken die ze tijdens haar ‘Wmo en route’-toernee heeft bezocht in gemeenten als Houten, Peel en Maas, Helmond, Enschede en Meppel. Resultaat van alle aandacht is het tweejarige stimuleringsprogramma dat het ministerie van VWS onder leiding van Bussemaker startte, en dat welbeschouwd een ongekend hoogtepunt vormt in de recente historie van het welzijnswerk. Met de focus op kwaliteit en de opdrachtgever-opdrachtnemerverhouding biedt het een mogelijkheid om het welzijnswerk positief op de kaart te zetten. Volgens publicist Jos van der Lans - in zijn rol als beroepsprovocateur - lukt dat alleen als de sector de welzijnspretenties van zich afschudt en een einde maakt aan brede welzijnsinstellingen. ‘De komende bezuinigingen moeten een klap zijn voor organisaties die inefciënt opereren.’ Welzijn moet terug naar de kern: sociaal werk, dat in de ogen van Van der Lans bestaat uit een combinatie van kwaliteiten van maatschappelijk en opbouwwerk. De grote vraag is natuurlijk hoe productief de herhaling van dit soort decennia oude discussies is. Is de werkelijkheid van brede stedelijke welzijnsinstellingen nog wel terug te draaien? Of geeft dit debat vooral weer argumenten aan diegenen die het liefst ink bezuinigen op het sociale werk?

Wmo-raad Sneek Henk van Griethuijsen: ‘Dit jaar gaan we de wijken in.’

» Reageren? martin.zuithof@reedbusiness.nl Pagina 35 Wmo-raad in Sneek Wmo-special

mei 2010

3


‘Ik heb kritiek geleverd op het welzijn, maar ik heb er ook heel veel waardering voor’

4

mei 2010

Wmo-special


Oud-staatssecretaris Jet Bussemaker blikt terug:

‘De aanbesteding had ik graag uit de Wmo gehaald’ Vlak na de kabinetsval praat Jet Bussemaker over haar periode als staatssecretaris bij het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Meer hulp achter de voordeur, betere maatschappelijke opvang en een redelijke overgang van de huishoudelijke hulp naar de Wmo ziet ze als belangrijke successen. ‘Het liefst ga ik morgen weer aan de slag’ door Martin Zuithof fotografie Diederik van der Laan

J

et Bussemaker baalt ervan dat ze beleidsbrief Welzijn Nieuwe Stijl door de val het kabinet niet meer naar de kamer kon sturen. Het tweejarige stimuleringsprogramma vormt een ongekend hoogtepunt in de recente historie van het welzijnswerk, dat in decennia niet zoveel aandacht kreeg van het ministerie. ‘Ik heb me heel erg met die brief bemoeid, want de inhoud daarvan is de weerslag van heel veel praten met de sector. We hadden de Wmo-conferentie in september en de landelijke toer “Wmo en route”. Ik heb in mijn beginperiode ook wel kritiek op het welzijnswerk geleverd, maar ik heb er ook heel veel waardering voor.’

misgaat, bijvoorbeeld als de hulp van een trapje valt.’ Medewerkers in de zorg moeten veel meer centraal staan, vindt ze. ‘Een aantal werd naar huis gestuurd of gedwongen om zelfstandige te worden. Dat was niet wat ik wilde. Er zijn geen duizenden ontslagen gevallen, zoals de SP riep, maar in 2007 zo’n 570. En van de degenen die ontslagen waren, zijn er weer een aantal teruggehaald, via het nieuwe mobiliteitssteunpunt zorg. Uiteindelijk is er rust gecreëerd en zijn er taken vernieuwd. Maar ik had de aanbesteding ook nog graag uit de Wmo gehaald.’

Tumult

Pijnlijk waren de bezuinigingen op de ondersteunende en activerende begeleiding, de AWBZ-pakketmaatregelen. Maar dat kon gezien de enorme overschrijdingen niet anders, betoogt Bussemaker. ‘Er werd een enorme groei verwacht, vooral bij de ondersteunende begeleiding. Tegelijk wilde ik bijvoorbeeld ook meer handen aan het bed zien te krijgen in verpleeghuizen. En afbouw van het aantal meerpersoonskamers. En meer geld voor dagbesteding voor gehandicapten. Ik moest dus kiezen.’ Bussemaker vreest dat er een grote streep door de AWBZ wordt gehaald, zegt ze. ‘De wet moet echt weer terug naar waar die voor is bedoeld: langdurige, levenslange zorg voor mensen die ernstige beperkingen, onverzekerbare beperkingen hebben. Als je niets wilt veranderen, dan wordt straks gezegd: “schrap het maar, breng het onder bij de zorgverzekeraars en laat de marktprikkels maar toe”. Precies wat ik niet wil.’

Van meet af aan werd haar staatssecretarisschap gedomineerd door het tumult rond de thuiszorg, vertelt ze terugblikkend. ‘Ik zat er nog geen week en toen begon het eerste tumult rond de huishoudelijke hulp. Heel frustrerend, want daardoor kwamen we ook aan welzijn, een integraal deel van de Wmo, veel te weinig toe.’ Naast Welzijn Nieuwe Stijl ziet Bussemaker meer aandacht voor geweld in afhankelijkheidsrelaties, de stedelijke kompassen voor maatschappelijke opvang en de overgang van de huishoudelijke hulp naar de Wmo als haar grote successen. ‘Ik wilde tegengaan dat alfahulpen ongewild zelfstandig moesten worden tegen minder betaling, alleen om de huishoudelijke hulp goedkoper te maken. Daar heb ik me altijd tegen verzet. Het moet wel een eigen keuze zijn, en ook van de cliënt. Want die krijgt een alfahulp in dienst en is verantwoordelijk als er iets

Overschrijdingen

Wmo-special

mei 2010

5


De ingrepen in de ondersteunende begeleiding waren verdedigbaar, omdat die begeleiding heel erg aanbodgestuurd was en leidde tot medicalisering. Feitelijk ging het veel meer om welzijnstaken dan om zware zorg, stelt Bussemaker. ‘De pakketmaatregelen waren absoluut noodzakelijk. Maar leuk om te doen was het niet. Er wordt wel eens gedaan of er alleen wordt bezuinigd, maar ik heb meer dan twee miljard gekregen. Deels was dat groeiruimte, voor extra mensen die een beroep op de AWBZ, maar ook voor technologische ontwikkelingen. Ik dacht: als ik niets doe, gaat al het geld naar de ondersteunende begeleiding. Dat wilde ik niet. Ik had ook het persoonsgebonden budget kunnen afschaffen, of een efciëntiekorting kunnen toepassen op elk onderdeel van de AWBZ.’

gen in kaart te brengen, zodat zij niet opeens horen dat ze geen AWBZ-zorg meer krijgen, maar wel ergens terechtkunnen. En ook zodat ze weer zelfstandig verder kunnen of door ze naar een instelling, dagopvang of ondersteuning te verwijzen. Als er toch ondersteuning nodig is, hoort dat gewoon bij de Wmo. De gemeenten hebben daarvoor 127 miljoen gekregen. Er bestaan wat dat aangaat heel veel goede alternatieven die gemeenten kunnen bieden. Een inspirerend voorbeeld tijdens de “Wmo en route”-toer vond ik in Meppel, waar huishoudelijke hulpen voor een deel uit de sociale werkvoorziening komen. Heel mooi, want zo dien je twee doelen: participatie en hulp organiseren. Een prachtige vorm van lokaal sociaal beleid.’

Weet u ook wat de gevolgen van die bezuinigingen zijn? ‘Ik heb steeds gezegd dat ik heel nauwkeurig de effecten wil volgen. We hebben negatieve resultaten gezien, bijvoorbeeld bij kinderen. Het is moeilijk om te beoordelen of ze aan lichtere begeleiding genoeg hebben. Ze hebben een echt integrale indicatiestelling nodig. Die groep kinderen hebben we uit het bezuinigingspakket gehaald. Er zijn vrij veel mensen bij wie het wegvallen van die ondersteuning vrij gemakkelijk lijkt te gaan. Ik hoor van gemeenten dat het hen een enorme prikkel heeft gegeven om Welzijn Nieuwe Stijl echt vorm te geven.’

Dragen die goede praktijken ook bij aan de sociale cohesie of wordt dat er geforceerd bijgehaald? ‘Sociale cohesie is onontbeerlijk. We kunnen het hebben over burgers, markt en overheid, maar het moet uiteindelijk wel gebeuren in maatschappelijke verbanden die burgers met elkaar maken. Het meest opvallende voorbeeld daarvan heb ik in Peel en Maas (Noord-Limburg, red.) gezien. Daar wordt iedereen bijna vanzelfsprekend bij maatschappelijke verbanden wordt ingezet. Bijvoorbeeld jongeren die boodschappen doen voor ouderen. Dat is onderdeel van de maatschappelijke stages, en wel zo dat er continuïteit in zit. Zo worden er contacten gelegd tussen oud en jong, die soms langer duren dan de stage.’ ‘Maar ook in grotere gemeenten kun je aan sociale cohesie werken. Houten kwam bijvoorbeeld bij de benchmark van onderzoeksbureau SGBO als beste Wmo-gemeente uit de bus. Zelf verklaarde men het succes uit een sterke wethouder, goede professionals en organisaties die samenwerken. Ook zei men: “misschien hebben we wel de ideale schaal voor de Wmo”. De gemeenten is groot genoeg om stevige instellingen te hebben. En tegelijkertijd klein genoeg voor directe contacten, elkaar kennen en korte lijnen.’

‘De pakketmaatregelen waren noodzakelijk, maar leuk om te doen was het niet’ Hoe komt een wethouder te weten wat de bezuinigingen op de ondersteunende en activerende begeleiding in de AWBZ voor cliënten betekenen? Dat is ingewikkeld. ‘Een wethouder moet niet alleen wachten tot er berichten van het CIZ komen, maar ook zelf informatie inwinnen en zorgaanbieders en cliënten uitnodigen. Daar wringt de schoen nog te vaak. Je kunt als staatssecretaris mooie doelen hebben, maar het moet op lokaal niveau gebeuren. Gemeenten waar de Wmo een succes is, zijn die waar de wethouder zijn of haar politieke nek heeft durven uitsteken. Zo iemand heeft visie, stelt prioriteiten en geeft richting. Vervolgens moeten de partijen bij elkaar worden gehaald om daar uitvoering aan te geven, want een wethouder moet niet op de stoel van de uitvoerder gaan zitten.’ ‘Wethouders moeten nu wel alternatieven bieden voor weggevallen begeleiding. Een deel van de mensen komt daarvoor zelf naar de gemeente. We hebben MEE ingeschakeld voor het gesprek met die cliënten om de gevol-

6

mei 2010

Wmo-special

Maar verwacht de Wmo niet te veel onderlinge inzet van burgers? Sportclubs die autisten moeten begeleiden vinden dat lastig, blijkt uit een recent trendrapport. ‘Ja, de grens bepalen waar gespecialiseerde begeleiding nodig is en waar niet, is precair. Maar juist in de sport zijn belangrijke stappen gezet. In Nederland lopen we voorop bij de integratie van gehandicaptensport bij reguliere sportverenigingen. Via mijn sportbudget hebben we extra geld uitgetrokken voor de zogeheten combinatiefuncties. Het doel is het versterken van de maatschappelijke positie van de sportvereniging, om bijvoorbeeld iets voor kinderen met beperkingen te doen. Ik heb veel liever dat er iets vanuit sportverenigingen wordt georganiseerd, dan dat iedere jongere met een beperking een eigen begeleider krijgt.’


Welk beeld krijgt u van de evaluaties van de Wmo? ‘Dat we met de Wmo op de goede weg zijn, maar ook dat er nog heel veel moet gebeuren. De SCP-evaluatie van drie jaar Wmo vond ik behoorlijk positief. Positiever dan je op grond van de kamerdebatten waar de kritiek centraal stond, zou verwachten. Er is een wereld van verschil als je kijkt naar hoe de Wmo er nu voorstaat en toen ik begon. Toen was alles geconcentreerd rond de huishoudelijke hulp en was er veel gedoe over indicaties. Nu is er veel meer aandacht voor het kantelen van problemen. Als je alles bij elkaar optelt, zijn de evaluaties redelijk positief. Cliënten zijn tevreden over hun hulp.’ Vorig jaar was u nog heel kritisch over gemeenten die nog achterover leunden. Hoe ziet u dat nu? ‘Ik ben vooral op bezoek geweest bij de gemeenten die vooroplopen, maar ik heb nog steeds kritiek op afwachtende gemeenten. Er zijn nog altijd gemeenten die de Wmo uitvoeren zoals de Wet voorzieningen gehandicapten, en de huishoudelijke hulp als mini-AWBZ. Zij werken te weinig integraal en innovatief. Het grote aantal dat bijvoorbeeld niet voldoet aan de plannen voor mantelzorg vind ik zeer zorgelijk.’ ‘Gemeenten moeten de basisfuncties vormgeven, maar nog lang niet alle gemeenten doen dat. Dat moet eigenlijk overal geregeld zijn. Als je veel vraagt van organisaties en individuen, vind ik het met een groeiende zorgvraag van groot belang dat de ondersteuning van mantelzor-

gers goed is geregeld. Ik hoop dat dat één van de thema’s zal zijn bij de coalitieonderhandelingen in gemeenten. Sowieso hoop ik dat de Wmo de plek krijgt die ze verdient en dat bezuinigingen niet onevenredig het welzijnswerk treffen.’ De komende tijd wordt spannend voor gemeenten, met veranderingen in de nanciering van de Wmo en mogelijk ook ingrijpende bezuinigingen. ‘Maar gemeenten houden hun compensatieplicht. Ze moeten dus iets doen voor mantelzorgers. Ze kunnen niet zeggen “we schrappen dat hele terrein”. Tegelijk moeten we wel de gemeenten vertrouwen dat ze dat dan ook doen. Want steeds maar controleren vanuit de overheid maakt ook veel kapot.’ ‘Het zijn ook niet alleen nanciële kwesties. Je moet terreinen verbinden, zoals de Wmo en de Wet werk en bijstand. En onorthodox durven denken. Wethouder HansMartin Don zei bijvoorbeeld dat iedereen in Eindhoven boven een bepaalde leeftijd twee uur huishoudelijke hulp moet krijgen. Hij denkt dat dat uiteindelijk goedkoper is dan wanneer hij iedereen moet indiceren. Zo komen gemeenten ook veel meer van de mensen te weten en achterhalen ze veel sneller de zorgvraag. Denk out of the box, wees creatief en denk vooral niet alleen aan de kaasschaaf.’

» Reageer op zorgenwelzijn@reedbusiness.nl

Wmo-special

mei 2010

7


Advertorial Conclusie uit de Wmo-monitor

WMD-branche grijpt haar kansen In de eerste maanden nadat de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) van kracht werd, richtte de aandacht zich vooral op hulp bij het huishouden. Maar ook toen al waren er gemeenten die de andere kant van de wet zagen: stimuleren dat zoveel mogelijk mensen aan de samenleving deelnemen. door Margot Bouwens fotografie FCB

O

rganisaties in de sector welzijn en maatschappelijke dienstverlening (WMD) hebben de Wmo als een kans ervaren en actief ingespeeld op de mogelijkheden die de wet hun bood. Dat is de conclusie uit de Wmo-monitor van FCB Dienstverlenen in Arbeidsvraagstukken. FCB heeft op verzoek van de MOgroep W&MD, Abvakabo FNV en CNV Publieke Zaak een monitor laten ontwikkelen om inzicht te krijgen in de gevolgen van de Wmo voor de arbeidsmarkt van de WMD-branche. Deze monitor bestond uit een eerste meting in het eerste kwartaal en een herhalingsmeting in het vierde kwartaal van 2009. Naast het in beeld brengen van de leerervaringen worden de uitkomsten van de monitor ook gebruikt voor de evaluatie van de Wmo dit jaar. In de vragenlijst die voor de metingen is opgesteld, kwamen de volgende onderwerpen aan bod: relatie met gemeenten, ervaringen met aanbestedingen en gevolgen voor de organisatie, de personele omvang en de kwaliteit van het personeel. Per onderwerp geven we de belangrijkste conclusies.

• Relatie met gemeenten en nanciële gevolgen Wmo

De nanciële gevolgen van de Wmo lijken beperkt. Bijna driekwart van de geraadpleegde organisaties verwacht geen of zelfs een positieve invloed van de Wmo op het budget. De nanciële problemen die bij een groeiend aantal organisaties ontstaan, zijn eerder het gevolg van de recessie, dan van de invoering van de Wmo. Dit komt vooral doordat veel organisaties de Wmo benutten om hun werkgebied en werkterrein uit te breiden. Hiermee

8

mei 2010

Wmo-special

worden aanvullende inkomsten gegenereerd en eventuele gevolgen van gemeentelijke bezuinigingen ondervangen. In de eerste meting waren het vooral de brede WMDorganisaties die deze verbredingsstrategie voerden. In de herhalingsmeting blijkt dat ook gespecialiseerde organisaties die weg zijn ingeslagen. Deze verbredingsstrategie zien we tevens terug in het aantal gemeenten waarvoor wordt gewerkt. Ongeveer tweederde van de organisaties werkt nu voor meerdere gemeenten. Een derde van de WMD-organisaties verwacht dat deze trend zich voortzet.

• Ervaringen met aanbestedingen

Had in de eerste meting 40 procent van de deelnemende WMD-organisaties ervaring met aanbestedingen, inmiddels is dit aandeel gestegen naar 65 procent. En waren het eerst vooral de brede organisaties die ervaring hadden met aanbesteden, in de herhalingsmeting vertonen juist gespecialiseerde organisaties een sterke toename op dit punt. De belangrijkste verklaring daarvoor is dat gespecialiseerde organisaties relatief vaker zijn gaan deelnemen aan aanbestedingen buiten hun traditionele werkgebied. Kijken we voor alle deelnemende WMD-organisaties hoe de aanbestedingen zijn verlopen, dan zijn ze nog steeds het meest succesvol binnen het eigen werkgebied. Daarbuiten worden echter wel steeds meer successen geboekt. In de herhalingsmeting verwacht 46 procent van de organisaties in de komende twee jaar geen verdere toename van de inkomsten via aanbesteding. Bijna een derde van de organisaties – vooral nieuwe toetreders op de aanbestedingsmarkt – verwacht daar nog wel een (sterke) stijging van.


• Gevolgen voor de organisatie

In reactie op de Wmo heeft het merendeel van de WMDorganisaties wijzigingen doorgevoerd in de dienstverlening. Naar verwachting zal het aanbod aan WMD-diensten nog (verder) verbreden. Veel organisaties willen bijvoorbeeld hun leidende rol in de samenwerking met ketenpartners verder uitbouwen en vanuit deze rol innovatieve diensten ontwikkelen om de ketensamenwerking (nog) beter in te vullen. Wat tarieven en prijsstelling betreft, lijkt de situatie verbeterd te zijn ten opzichte van de eerste meting. Inmiddels werkt bijna viervijfde van de geraadpleegde organisaties tegen een kostendekkend tarief. Ongeveer de helft van de organisaties ervaart als gevolg van de Wmo meer concurrentie; vooral van andere aanbieders dan WMD-organisaties. Respondenten signaleren dat er tussen WMD-organisaties juist in toenemende mate wordt samengewerkt met collega-organisaties.

• Gevolgen voor de personele omvang

Tot op heden heeft de Wmo een positieve invloed op de personele omvang van de organisaties. Daar waar aanbestedingen werden gewonnen, was vaak sprake van een toename van het aantal medewerkers. Uit de herhalingsmeting blijkt dat de gevolgen van verloren aanbestedingen gering zijn. De belangrijkste verklaring hiervoor is dat de meeste aanbestedingen ‘extra werk’ betroffen. Opvallend is dat op de werkterreinen bewonersondersteuning en vrijwilligerscentra minder organisaties groei hebben ervaren dan verwacht werd op grond van de eerste meting. Groei van het personeelsbestand wordt verwacht in de schuldhulpverlening, het jeugd- en jongerenwerk, vrijwilligerscentrales en schoolmaatschappelijk

werk. Een afname van personeel wordt vaker verwacht bij peuterspeelzalen en in het recreatief en cultureel werk.

• Gevolgen kwaliteit van het personeel

De meeste WMD-organisaties geven aan dat als gevolg van de Wmo het personeel andere competenties en vaardigheden moet hebben. Veelgenoemde kwaliteiten zijn: vraag- en klantgericht werken, marktgerichtheid, aanpassingsvermogen/exibiliteit, kunnen verantwoorden van inzet en activiteiten en innovatieve samenwerking met (keten)partners. Op dit punt zijn al resultaten geboekt door het bijscholen van medewerkers, het aanpassen van de organisatiecultuur en/of werving op specieke competenties van mensen. Opvallend is dat in de herhalingsmeting twee typen maatregelen om de kwaliteit te verbeteren fors minder scoren dan in de eerste meting, namelijk bijscholing van het zittend personeel en het aantrekken van andere typen medewerkers. Dit komt doordat een deel van de brede organisaties hier al in had geïnvesteerd en daar nu minder aandacht aan besteedt. Dat terwijl bij gespecialiseerde organisaties juist in de herhalingsmeting een sterke toename in de scholingsinspanningen en wervingsactiviteiten werd vastgesteld.

• Eindoordeel

Het oordeel van werkgevers is ongewijzigd gematigd positief. Medewerkers oordelen positiever over de Wmo. Zij zien het enerzijds als minder bedreigend voor de eigen arbeidssituatie en anderzijds als meer uitdagend vanwege de inhoudelijke verbreding en intensivering van contacten in de keten.

» Meer informatie: www.fcbwjk.nl

Deelnemende WMD-organisaties Voor de Wmo-monitor deden aan de eerste meting 80 WMD-organisaties mee. Zij vertegenwoordigden ruim 15 procent van het totale personeelsbestand van de WMD. Om een betrouwbaar en evenwichtig beeld te kunnen schetsen van de gevolgen van de Wmo, is bij de selectie een spreiding aangehouden over type organisatie en werkgebied. Onderscheid is gemaakt tussen brede (73%) en gespecialiseerde (33%) organisaties en tussen organisaties die in

(groot)stedelijke gebieden (50%) en niet-stedelijke gebieden (50%) opereren. Gespecialiseerde organisaties zijn iets vaker in grote steden actief dan brede organisaties. Aan de herhalingsmeting namen 60 WMD-organisaties deel, die ook zijn geraadpleegd voor de eerste meting. Zij vertegenwoordigen 11 procent van het totale personeelsbestand. De spreiding over type organisatie en werkgebied is gelijk aan die in de eerste meting.

FCB FCB Dienstverlenen in Arbeidsvraagstukken biedt advies, hulpmiddelen en praktische informatie voor werknemers en werkgevers in de branches Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening, Jeugdzorg en Kinderopvang op het gebied van professionalisering, arbeidsmarktinformatie, EVC, gezond & veilig werken, sociale innovatie, werving & behoud personeel, medezeggenschap, CAO informatie. FCB is opgericht door de werkgeversorganisatie MOgroep en de werknemersorganisaties Abvakabo FNV en CNV Publieke Zaak. Kijk voor meer informatie op www.fcbwjk.nl.

Wmo-special

mei 2010

9


De ouderenconsulent bespreekt alle thema’s. Voelt mevrouw zich veilig in de buurt? Wil ze informatie over de regiotaxi? Een huiskamerproject?


Gennep informeert ouderen thuis over Wmo-voorzieningen

‘Ik dacht: waar doen ze het toch van?’ Ouderen weten niet altijd welke Wmo-voorzieningen er zijn. De Limburgse gemeente Gennep gaat daarom bij 75-plussers ‘buurten’ om te kijken welke hulp ze nodig hebben. ‘Ik zag vaak mensen in de buurt in de taxi stappen. Ik dacht: waar doen ze dat toch van?’ door Maria van Rooijen fotografie Bart Nijs

E

ven nadat Thea Jansen, vrijwillig ouderenconsulent van welzijnsorganisatie Synthese, bij mevrouw Aanhaanen (82) heeft aangebeld, verschijnt zij via het tuinpad in de voortuin, steunend op een wandelstok. Mevrouw Aanhanen legt uit: de voordeur is geblokkeerd omdat haar bed in de gang staat. Drie maanden geleden heeft ze haar heup gebroken. Omdat ze nog geen trap kan lopen, is haar slaapkamer onbereikbaar. Mevrouw Aanhaanen wordt bezocht in het kader van het project ‘Buurten’ van de gemeente Gennep. De gemeente wil ouderen zo lang mogelijk op een prettige manier thuis laten wonen. Daarvoor kent de Wmo vele voorzieningen. Maar, zo vermoedt de gemeente, lang niet alle ouderen maken daar gebruik van. Ze kennen ze niet, of ze weten niet hoe ze die moeten aanvragen. In september 2009 is ze daarom samen met welzijnsorganisatie Synthese het project ‘Buurten’ gestart. Driehonderd 75-plussers kregen een brief thuisgestuurd met de vraag of ze behoefte hadden aan een ouderenconsulent, met wie

ze konden praten over hun gezondheidheid, welzijn en mogelijke hulp. Kort daarop werden ze gebeld. Zo’n 150 ouderen bleken zo’n bezoek op prijs te stellen.

Gelijkvloers In de huiskamer van mevrouw Aanhaanen hangen veel foto’s van haar kinderen en kleinkinderen. Op tafel liggen de Volkskrant en het boek Vogels kijken, op een kastje een hoge stapel tijdschriften. Het wordt snel duidelijk dat ze eigenlijk helemaal geen hulp wil. Mensen moeten zo lang mogelijk alles zelf doen, daar blijven ze gezond van, is haar mening. Ze was ook niet via een brief van dit project op de hoogte gesteld. Een medewerkster van Synthese, met wie ze contact had, had haar dit bezoek aangeraden. Aan de hand van een vragenformulier bespreekt de ouderenconsulent het ene thema na het andere. Is ze tevreden met de woonsituatie? Ze heeft geen slaapkamer gelijkvloers, maar nee, ze hoeft geen traplift. Dan moet ze daar bij de gemeente om vragen, en dat wil ze niet. Wel vindt ze het huis te gehorig. Ze

hoort alle geluidjes bij de buren, en ‘waarom halen ze hun kinderen niet even naar binnen als ze zo schreeuwen in de tuin?’ Jansen adviseert haar hierover contact op te nemen met de woningbouwvereniging. Dat wijst ze af. ‘Ik moet de buren er zélf over aanspreken, op zo’n manier dat het geen spanning oplevert.’ Veel ducie heeft ze daar echter niet in. ‘Ik heb het al een keer aangekaart, maar er verbeterde niets.’ Voelt ze zich veilig in de buurt? Ja. Wil ze informatie over de regio-taxi? Die kent ze al. Over de Wmo? Idem dito. Over de maaltijdservice? Een eetpunt voor ouderen? Een huiskamerproject? Nee. Over een alarmeringssysteem? Ja, dat toch wel. Ook wil ze meer weten over het persoonsgebonden budget. En over de vrijwillige thuiszorg die haar tuintje zou kunnen wieden. Tot slot laat Jansen het Handboek prettig ouder worden in de gemeente Gennep zien. Het is een klapper met een harde kaft en mooie kleurenfoto’s. De gemeenten bekostigt de uitgave, de ouderen krijgen ’m gratis. Het handboek – 65 pagina’s – wijst ouderen de weg in alle voorzieningen die er voor hen

Wmo-special

mei 2010

11


‘Kleine investering, groot resultaat’ ‘Wmo-voorzieningen zijn ervoor om mensen zo lang mogelijk zelfstandig thuis te kunnen laten wonen. Wij hadden almaar het idee dat we niet de juiste mensen bereikten. De groep ouder dan 75 jaar gaat niet zo makkelijk naar het Wmo-loket. Maar met dit laagdrempelige project, ‘Buurten’, bereiken we ze wel.’ Aldus Mariet Seegers, wethouder (PvdA) in Gennep.

De opzet van het project is genancierd door de provincie. Zij gaf gemeeenten subsidie om, in navolging van de Centra voor Jeugd en Gezin, voor ouderen Centra Gezond Leven op te richten. Gennep vertaalde dat in ‘Buurten’. Omdat het om een pilot gaat, is tot nu toe maar een deel van de doelgroep benaderd. In september wordt het project geëvalueerd. Maar

niet wilden bezoeken. De consulenten hebben ook een signaleringsfunctie. Als er iets mis is, bijvoorbeeld met de gezondheid van de oudere, schakelen ze professionele hulp in.’ Thea Jansen: ‘De ouderen vertellen soms aangrijpende verhalen. Hun levenservaring is voor mij een verrijking. Daarom doe ik dit werk graag.’

zijn en hoe ze die kunnen aanvragen. ‘Mooi’, oordeelt mevrouw Aanhaanen. ‘Maar wel een chique ding. Weet je’, besluit ze, ‘ik lees hem wel door en dan geef ik hem terug.’

Ziekenhuis Het echtpaar Derks, dat al eerder een bezoek heeft gehad van de ouderenconsulent, is daarentegen zeer content met de klapper. Toen Jansen voor het eerst bij hen was – mevrouw Derks (80) had na de brief direct een afspraak gemaakt – moesten ze het nog doen met allerlei losse folders. Ze zijn enorm blij met dit project. De heer Derks (84) heeft kanker, bloedarmoede en mist een long. Hij moet vaak voor controle naar het ziekenhuis in Nijmegen. Tot voor kort brachten zijn kinderen hem. Dat kostte hen soms een hele vrije dag. Hij kon wel met de regio-taxi, maar dan moest zijn vrouw zelf betalen. Dat was veel te duur. Samen met de bus ging ook niet, het was te ver lopen naar de bushalte. Van Jansen hoorden ze dat mevrouw een begeleidingspasje kon krijgen, dan kon ze gratis mee. Bovendien bleek Valys te bestaan, goedkoop taxivervoer voor immobiele mensen (en hun begeleiders) naar bestemmingen buiten de regio. ‘Wij wisten daar niets van’, zegt Derks. ‘Ik zag vaak mensen in de buurt in de taxi stappen. Ik dacht: waar doen ze dat toch van? Maar nu begrijp ik het: ze hebben ook zo’n pasje!’ Via Jansen is er in de badkamer ook een douchestoel geplaatst. Ook zo’n voorziening waarvan ze het bestaan niet vermoedden.

12

mei 2010

Wmo-special

daarbij zal het vooral om aanpassingen gaan. Seegers: ‘Wij zullen het zeker uitbreiden naar alle ouderen.’ Loopt het project geen gevaar als gemeenten moeten bezuinigen? Nee, zegt ze stellig. ‘Dat zou wel heel vreemd zijn. Als je hierop bezuinigt, ben je later veel meer geld kwijt aan dure zorg. Het is een kleine investering met een groot resultaat.’

Training

Volgens Corry Hopman, ouderenadviseur en projectleider bij Synthese, leveren de bezoeken vrijwel altijd meer op dan alleen een gezellig gesprek. ‘Mensen willen vaak informatie over en bemiddeling bij vervoer, huishoudelijke hulp, nanciële regelingen, woningaanpassingen en ouderenactiviteiten. Ook stellen ze het seniorenconsult vaak op prijs, waarbij een verpleegkundige adviezen geeft over hun gezondheid en over veiligheid in huis. Soms tippen ze ons over anderen. Laatst belde een mevrouw. Zij had zelf geen hulp nodig, maar een buurtbewoner leek zichzelf ernstig te verwaarlozen. Of we hem

Door de huisbezoeken is er de laatste tijd beduidend meer beroep gedaan op Wmovoorzieningen. Rob Ruhl, projectleider vanuit de gemeente: ‘Die voorzieningen zijn er. Dan moet je onderbenutting voorkomen. Dat lukt dus zo.’ Het succes van het project is grotendeels te danken aan de tien vrijwillige ouderenconsulenten, zegt Hopman. Anders zou het te duur zijn. Maar er ging wel een intensieve voorbereiding aan vooraf. De ouderenconsulenten kregen een uitgebreide training. En nog steeds komen ze maandelijks bij elkaar voor deskundigheidsbevordering en het uitwisselen van ervaringen. Daarnaast zijn er harde afspraken gemaakt met instanties, zodat de hulp die mensen nodig hebben ook snel wordt geleverd. Maar waarom een apart handboek? Ruhl: ‘Het is een naslagwerk. Iemand heeft nu misschien nog geen taxi nodig, maar later wel. Het is ook handig voor familie. Zo’n map kun je in de kast zetten, familieleden vinden er alles in wat ze nodig hebben.’

» Meer op www.zorgwelzijn.nl


Cliënt Wmo-raad gemeente Raalte

‘Jeugd verdient meer aandacht’ Anke Hoeneveld is sinds januari 2009 onafhankelijk voorzitter van de Wmo-raad Raalte. Daarvoor was ze binnen de raad actief in het cluster Leefbaarheid, dat zich onder meer bezighoudt met de belangen van de kleine kernen. door José van der Waerden fotografie Ronald Hissink

‘H

et Wmo-loket in onze gemeente werkt goed. De inwoners kennen het en maken er gebruik van. Belangrijk is dat er niet alleen in de hoofdkern Raalte zo’n loketfunctie is, maar ook in veel van de acht kleine kernen. Bijna elk dorp heeft een kleine dependance van het Wmo-loket, meestal in de vorm van een informatieplein in de bibliotheek. In zo’n dependance werken vrijwilligers die speciale Wmoscholing gehad hebben. De gemeente heeft daar ink in geïnvesteerd. De vrijwilligers kunnen ook altijd terugvallen op ambtelijke advisering.’

Vrijwilligers ‘In onze raad werken we met clusters die gekoppeld zijn aan doelgroepen en taakvelden van de Wmo. Die clusters hebben een belangrijke functie, want zij bereiden de adviezen van de Wmo-raad voor.’ In maart 2008 is de raad enthousiast van start gegaan met een professionele secretaris die ons inhoudelijk erg goed ondersteunt, zegt Hoeneveld. ‘De gemeente stelt daar geld voor beschikbaar, maar het ziet ernaar uit dat dit in 2011 zal stoppen. Daar hikken we echt tegenaan, want goed adviseren, gevraagd en ongevraagd – en wij doen vooral het laatste – kost veel inspanning. Als de ondersteuning wegvalt, wordt dat een stuk moeilijker, want de Wmo-raad bestaat verder alleen uit vrijwilligers. Daar moet ik wel bij zeggen dat iedereen zeer gedreven is en veel kennis van zaken heeft. Ik ben echt onder de indruk van de deskundigheid van onze raadsleden en clusterleden.’

Leerlingenvervoer ‘Wat in Raalte meer aandacht verdient, is het thema jeugd. Daarom zijn we nu bezig met de oprichting van een cluster Jongeren. We hebben het geluk dat de secretaris ook jongerenwerker is en dit voortvarend oppakt. Jeugd valt nu nog half en half onder het cluster Vrijwilligerswerk, maar dat is natuurlijk niet ideaal. Er speelt van alles rond jongeren. Denk aan jonge mantelzorgers, jongerenbeleid, het centrum Jeugd en Gezin en de aanbesteding van het leerlingenvervoer.’ ‘We zitten als Wmo-raad nog in een groeitraject, zijn zoe-

‘In een kleine gemeente zijn de lijnen kort’ kende. Daarom is het jn dat in een kleine gemeente de lijnen vrij kort zijn. We kunnen snel direct contact hebben met ambtenaren of de wethouder. Aan beide kanten is er de wil om er iets van te maken. Lastig in een kleine gemeente is dat bepaalde zaken regionaal zijn georganiseerd. In Raalte geldt dat bijvoorbeeld voor maatschappelijke opvang, waar huiselijk geweld en vrouwenopvang onder vallen. Dit wordt vooral door de gemeente Deventer opgepakt. Om toch invloed uit te kunnen oefenen, hebben we goede contacten met de Wmo-raad Deventer. Zo kunnen we informatie uitwisselen.’

Wmo-special

mei 2010

13


Advertorial

CMO’s wijzen de weg naar Welzijn Nieuwe Stijl Tijdens het landelijke Wmo-congres in 2009 lanceerde toenmalig staatssecretaris Jet Bussemaker de term Welzijn Nieuwe Stijl. Ze sprak over vijf ‘bakens’ als uitgangspunt: vraaggericht werken; uitgaan van de eigen kracht van de burger en zijn omgeving; direct op problemen afgaan als dat nodig is; problemen benoemen, oplossingen deniëren en resultaatgericht zijn; ruimte voor kennis en kunde van de ‘streetwise’ professional. Inmiddels heeft het ministerie van VWS nog drie bakens toegevoegd. De vijftien provinciale Centra voor Maatschappelijke Ontwikkeling (CMO’s) hebben de nieuwe welzijnsvisie enthousiast opgepakt. Ze wijzen gemeenten en welzijnsinstellingen de weg naar Welzijn Nieuwe Stijl binnen de Wmo. Drie CMO’s komen hierover aan het woord. Op www.cmonet.nl staat informatie over alle Centra voor Maatschappelijke Ontwikkeling.

14

mei 2010

Wmo-special


Eigen kracht ondersteunen Elma van Dongen werkt bij Spectrum CMO Gelderland en is beleidsmedewerker binnen het team Maatschappelijke Participatie.

‘V

eel van onze activiteiten rondom de Wmo hadden al raakvlakken met Welzijn Nieuwe Stijl, maar sinds september benoemen we die term in onze contacten met gemeenten en welzijnsorganisaties nadrukkelijk. Je merkt namelijk dat nog niet iedereen ermee bekend is. Wij willen Welzijn Nieuwe Stijl goed op het netvlies brengen en bewustwording stimuleren. Welzijnsinstellingen doen namelijk veel wat aansluit op Welzijn Nieuwe Stijl, maar hebben dat vaak niet in de gaten.’ ‘Spectrum is met Welzijn Nieuwe Stijl aan de

Heldere afspraken Sjoerd IJdema werkt bij Partoer CMO Fryslân en is adviseur/aandachtsfunctionaris Wmo en Vrijwillige Inzet.

‘R

uim een jaar geleden, dus voordat het begrip Welzijn Nieuwe Stijl werd geïntroduceerd, organiseerden we met CMO-collega’s en welzijnsorganisaties in Noord-Nederland drie themabijeenkomsten voor gemeenten en welzijnsinstellingen. Thema was beleidsgestuurde contractnanciering: wat ga je doen, hoe ga je dat doen en welke resultaten wil je bereiken? Goede afspraken en resultaten helder formuleren wordt immers steeds belangrijker. Dat heeft te maken met Welzijn Nieuwe Stijl, maar ge-

slag gegaan binnen de regionale ondersteunende netwerken waarin wij een actieve rol vervullen. Dat zijn netwerken met welzijnsdirecteuren, maar ook met uitvoerende professionals. Directeuren zijn vaak enthousiast over Welzijn Nieuwe Stijl, vooral vanwege het grotere beroep dat wordt gedaan op de professionaliteit van de eigen werkers. Hen ondersteunen we onder meer bij het ontwikkelen van visie. Veel professionals moeten wennen aan de omslag naar meer inzetten op activering en het aanspreken van de eigen kracht van burgers. Wij kunnen mooie praktijkvoorbeelden geven, zoals die van een mevrouw die naar een ouderenadviseur stapte omdat ze haar indicatie op dagopvang verloor. Doordat de ouderenadviseur vraag

meenten vroegen daar eerder al om in het kader van de Wmo. Als CMO zitten we middenin de driehoek tussen gemeenten, welzijnsorganisaties en burgers. We zien dat veel welzijnsinstellingen al veel werk dicht bij de burger uitvoeren, maar soms onvoldoende zichtbaar zijn. Welzijn zou zich beter moeten proleren.’ ‘Bij Partoer proberen we nieuwe ontwikkelingen, zoals Welzijn Nieuwe Stijl, snel bij gemeenten en welzijn te krijgen. Zo’n themabijeenkomst is daar een goed middel voor. Daarnaast ondersteunen we bij de uitvoering. We helpen acht gemeenten in Friesland bij het maken van prestatieafspraken. De oorspronkelijke afspraken bleken te ruim gesteld. Daardoor ontstaat verwarring: wat moet nu wel en wat niet worden uitgevoerd, en wie is verantwoordelijk? Heldere afspra-

De kracht van verbinden Lian Smaal is senior adviseur bij PRIMO binnen de programmagroep Wonen, Welzijn, Zorg.

‘P

RIMO deed in opdracht van de provincie onderzoek naar Welzijn Nieuwe Stijl in Noord-Holland. De resultaten zijn gebundeld in ‘De kracht van verbinden’. Drie onderwerpen staan centraal: de maatschappelijke positie van welzijnsinstellingen, de verhouding tussen gemeenten en welzijnsinstellingen en de professionaliteit van het welzijnswerk. De onderzoekers kwamen fricties en dilemma’s tegen die voortvarende uitvoering van de Wmo in de weg kunnen staan. Zo staat de relatie tussen welzijnsinstellingen en gemeente onder druk door wisselvallig

overheidsbeleid, tegenstrijdige opdrachten en het introduceren van nieuwe partijen, wat kennisdeling lastig maakt. Daarnaast heeft de welzijnssector een imagoprobleem. Het is moeilijk om het nut van het werk aan te tonen. Ook wordt de kwaliteit van welzijnswerk gekenmerkt door sterke werkers en zwakke professionalisering. PRIMO nh bepleit daarom dat de provinciale overheid investeert in de professionalisering van de relatie tussen gemeenten, burgers en welzijnswerk. De provincie kan een belangrijk scharnierpunt zijn bij het over en weer verbinden van landelijk Wmo-beleid en de lokale praktijk.’ PRIMO organiseert in 2010 vier debatten over Welzijn Nieuwe Stijl voor beleidsambtenaren

gestuurd werkte en de cliënt in haar eigen kracht ondersteunde, lukte het deze vrouw zelf een handwerkgroep op te starten.’ ‘Vanuit Welzijn Nieuwe Stijl zie je een verschuiving van speciale naar brede doelgroepen. Zo kunnen mensen elkaar versterken. Het biedt ook kansen om voorzieningen te bundelen. Spectrum ondersteunt samenwerkingstrajecten zoals woonservicezones. Verder houden we een bijeenkomst voor beleidsambtenaren en wethouders over Welzijn Nieuwe Stijl. We ondersteunen gemeenten bij hun regierol. Zelf kunnen ze veel cijfers en prognoses over hun eigen gemeente uit ons digitale kenniscentrum halen.’ www.spectrum-gelderland.nl en www.wmogelderland.nl

ken voorkomen onduidelijkheden achteraf. Een ander voorbeeld is de krimp, daarin zijn we ook actief. Zo ondersteunen we twee gemeenten bij het ontwikkelen van hun visie op voorzieningen. Daar worden nadrukkelijk burgers bij betrokken om samen na te denken over het krimpende dorp in de toekomst.’ ‘In Friesland wordt veel samengewerkt. Dat is nodig omdat er veel kleine gemeenten zijn en voorkomt dat elke ambtenaar het wiel opnieuw uitvindt. Bij veel samenwerkingsverbanden fungeert Partoer als een spin in het web. Wij verbinden en zorgen ervoor dat informatie kan worden gedeeld, onder andere via het Informatie- en Kennispunt Fryslân (IKP).’ www.partoer.nl en www.ikpfryslan.nl (welzijn&zorg)

en welzijnsdirecteuren. ‘Daarbij gaat het over wederzijdse verwachtingen, wat haalbaar is en hoe partijen met elkaar communiceren. In juni organiseren we een conferentie voor nieuwe raadsleden en wethouders over Welzijn Nieuwe Stijl, bedoeld om een snelle update te geven. Ook professionaliseren we de sector met de leergang Vakmanschap voor Professionals, waarin we methodieken aanreiken. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het coachen van ouderen, het organiseren van buurtconferenties en het maken van een buurtanalyse. Kortom: we zetten in op beleidsontwikkeling, professionalisering en het bij elkaar brengen van partijen. Typisch werk van een CMO.’ www.primo-nh.nl en www.wmo-nh.nl

Wmo-special

mei 2010

15


Vele wegen die naar participatie leiden

Met de Wmo het land door Grote steden, kleine dorpen: allemaal hebben ze te maken met de Wet maatschappelijke ondersteuning. Hoe verloopt de uitvoering? En zijn de klanten tevreden? De meningen gepolst in het Gelderse plaatsje Westervoort en de Zeeuwse provinciehoofdstad Middelburg. Een tweeluik. door Han van de Wiel

Westervoort breidt langzaam uit

FOTO: MICHEL ZOETER

Levensloopbestendig wonen, jeugdbeleid en voorzieningen voor mensen met een beperking. Westervoort werkt op meerdere fronten aan de Wmo. Maar de aanpak mag nog wel wat individueler. En op gemeenteniveau meer integraal. Het relaas van een krimpplaats.

Patricia van Bladel: ‘De uitvoering van de Wmo zou meer toegesneden moeten zijn op het individu.’

A

ls je Hans Breunissen over de uitvoering van de Wmo in de gemeente Westervoort (15.000 inwoners) hoort praten, krijg je bijna zin er te gaan wonen. ‘U bent welkom’, riposteert Breunissen, die in deze voormalige groeikern wordt geconfronteerd met een krimpende bevolking. Volgens de wethouder, die sinds

16

Wmo-special

mei 2010

2002 de welzijnsportefeuille beheert, heeft Westervoort de Wmo direct ‘heel actief opgepakt’ met het doel de uitvoering van de wet ‘zo dicht mogelijk bij de burgers te organiseren.’ Breunissen: ‘Naast de “geijkte” Wmoterreinen heeft Westervoort onder meer aandacht voor levensloopbestendig wonen, jeugdbeleid en voorzieningen voor mensen

met een beperking. We geven subsidies voor verenigingen die daarvoor opkomen.’ De indicering voor voorzieningen geschiedt grotendeels door eigen Wmo-consulenten, die de mensen thuis bezoeken. ‘Het is belangrijk om met eigen ogen te zien hoe mensen wonen en leven’, zegt hij. Westervoort schakelt het CIZ alleen in bij meervoudige problematiek, omdat, aldus Breunissen, ‘Wmo-consulenten geen medici zijn.’ Westervoort werkt in de uitvoering van de Wmo nauw samen met buurgemeente Duiven, met één loket WWZ (wonen, welzijn zorg), één 0900-nummer en aansturing van de Wmo-consulenten door één coördinator. De aanbesteding van de huishoudelijke hulp doet Westervoort samen met 11 regiogemeenten, omdat de gemeente zelf daartoe niet goed in staat is. De regiogemeenten hebben ook samen een rapport uitgebracht over ketendienstverlening en dat aangeboden aan de voormalige staatssecretaris Jet Bussemaker. Op basis hiervan komen er pilots die mensen helpen de weg naar de juiste partijen te vinden. Samenwerking is er ook op de prestatievelden 7, 8 en 9. ‘We zijn bezig met de oprichting van een lokaal zorgnetwerk voor openbare geestelijke gezondheidszorg: een netwerk voor mensen met meervoudige problematiek.’

Consulenten Uit klanttevredenheidsonderzoeken van SGBO blijkt dat de Westervoortse cliënten tevreden zijn. In 2007 en 2008 scoorde Wester-


voort boven het landelijke gemiddelde. Met name de indicatie door de eigen Wmo-consulenten scoort hoog, zegt Breunissen. Patricia van Bladel is vanuit de Gehandicaptenraad lid van de Wmo-raad die de gemeente adviseert. Ook zij is tevreden. ‘Maar de uitvoering van de Wmo zou meer toegesneden moeten zijn op het individu, in plaats van als een standaard aangeboden pakket vanuit de oude gedacht van de Wet voorzieningen gehandicapten. En Westervoort mag wel wat meer denken vanuit de klant, want de wet draait nu juist om de compensatie van het individu’, zegt Van Bladel. ‘Een meer integrale uivoering is wenselijk, door de héle ambtelijke organisatie. Bijvoorbeeld om te voorkomen dat er, zoals nu is gebeurd, uitgerekend een prullenbak op de blindengeleidetegel bij de bushalte wordt gezet.’

Ontbreken De Wmo-raad bestaat uit vertegenwoordigers van de Gehandicaptenraad, het ouderenplatform, de voormalige cliëntenraad Wwb (Wet werk en bijstand), een mantelzorger en de wijkraden, die in Westervoort functioneren

als de ‘oren en ogen’ van de gemeente. Er ontbreken dus nogal wat clubs: vluchtelingenorganisaties, kerken, vrijwilligers, verstandelijk gehandicapten, jongeren, dak- en thuislozen. ‘Westervoort is nog bezig met de kerntaken van de Wmo en breidt die langzaam uit’, zegt Van Bladel. ‘Zo gaat het overal.’

‘Meer integrale uitvoering is wenselijk’ Ze benadrukt de importantie van belangenorganisaties naast de Wmo-raad. ‘Er wordt wel eens geopperd daarop te bezuinigen, omdat er al een Wmo-raad is. Maar je hebt organisaties als de Gehandicaptenraad nodig om daar goed in te functioneren. De Gehandicaptenraad vindt wel eens wat anders dan de Wmo-raad, en wil dat kunnen zeggen.’

Zorgmijders Mieke te Stroete werkt bij Mikado, de brede welzijnsorganisatie van Westervoort en Dui-

ven. Ze adviseert over zorg- en dienstverlening en is vertrouwenspersoon bij problematische situaties. Te Stroete wijst mensen met een handicap, chronische ziekte of mensen met een psychische achtergrond de weg in wonen, zorg en welzijn en begeleidt ze zonodig. Ze is met name bezorgd over de groep zorgmijders, waarvan ook Breunissen erkent dat die lastig te bereiken is, al bezoeken de Wmo-consulenten alle 65-plussers aan huis. ‘Je zou voor deze groep vrijwilligersorganisaties moeten opzetten’, aldus Te Stroete. ‘Meestal gaat het om mensen met psychische problemen of heel eenzame mensen. Vaak met meervoudige problemen als drankmisbruik en schulden. Voor hen zijn collectieve voorzieningen heel belangrijk.’ Vrijwilligers zouden bij hen onder meer kunnen klussen, tuinieren en formulieren invullen. ‘Dit probleem wordt al vijf jaar geconstateerd, maar niet omgezet in concrete acties. Elke gemeente heeft een ambtenaar die hierop gaat studeren, een voorstel schrijft, enzovoorts. Ik zie liever dat we aan de slag gaan, in plaats van allemaal het wiel opnieuw uit te vinden.’ ■

Middelburg: onderscheidende wijkaanpak De Wmo-raad ligt op zijn gat. Maar zorg- en welzijnsorganisaties zitten wel samen in één Wmo-loket. Ook wordt er outreachend gewerkt in de stad. En er is een heldere wijkenaanpak op poten gezet. Cliënten belonen de uitvoering met een dikke zeven. En dat is hoger dan het Zeeuwse gemiddelde.

‘D

e uitvoering van de Wmo in Middelburg verloopt tamelijk goed’, zegt wethouder Albert de Vries. ‘We kijken naar de volle breedte van de 9 prestatievelden en hebben veel contact met burgers, jeugd, gehandicapten, senioren en huurders.’ Cliënten waarderen die ondersteuning met een mooie 7,7, zo blijkt uit de Wmo-monitor Middelburg (2009) van Scoop. Dat is hoger dan het jaar daarvoor en iets boven het Zeeuwse gemiddelde. Middelburg begon in 2003 met een wijkaanpak. ‘Daarin waren we onderscheidend’, zegt De Vries. Deze kleinschalige, wijkgerichte aanpak strekt zich uit over de hele sociale infrastructuur van de tien wijken. Volgens De Vries gaat dat ‘heel goed’. De reden? ‘Er is op wijkniveau het meeste contact met burgers,

via verenigingen, kerken, andere organisaties. Op die manier hebben we in 2007 een vliegende start kunnen maken met de Wmo.’

Wijktafels De volgende verdiepingsslag is de mensen in het veld laten samenwerken in de wijken, door middel van zogeheten wijktafels. De Vries: ‘We proberen alle organisaties die met burgers werken door gezamenlijke spelregels veel meer te laten samenwerken. Met mensen en door mensen, dat is de basis, niet voor mensen. Dat vergt een behoorlijke cultuuromslag.’ Aan de wijktafel zitten wijkbewoners, de wijkwethouder, de wijkmanager, een agent van het wijkteam, de opbouwwerker van de wijk en een aantal raadsleden. Een wijktafel doet voorstellen aan het college van B&W.

Voor de uitvoering daarvan heeft de gemeente een budget. De wijkaanpak moet ook een adequaat antwoord zijn op zorgmijders.

Limburgs Lange tijd konden mensen met vragen over de Wmo alleen terecht bij een telefonisch loket. Tot stomme verbazing van de Zeeuwen kregen ze mensen aan de lijn met een onmiskenbaar Limburgs accent. Vanwege kostenoverwegingen werden ze namelijk verbonden met een zorgkantoor uit Sittard. Middelburg hoefde daardoor niet te investeren in expertise op het gebied van de Wmo. ‘Niet echt klantvriendelijk’, meent Karin Bartels van Porthos, sinds september 2008 het samenwerkingsverband in Middelburg dat het Wmo-loket combineert met het Centrum voor Jeugd en Gezin. Aan hetzelfde loket zitten onder meer MEE, Maatschappelijk Werk Walcheren, Bureau Jeugdzorg, stichting Welzijn Middelburg en de GGD om klanten ‘integraal te kunnen helpen’. Porthos gaat daarnaast outreachend te werk.

Wmo-special

mei 2010

17


FOTO: DUO FOTO VOF

Karin Bartels (Porthos): ‘We sporen de problemen in het veld op en maken een gemeenschappelijke aanpak.’

van de grond gekomen. De gemeente erkent nu (ambtelijk) dat ze op dit punt het contact met deburgerij ook is kwijtgeraakt. Er wordt over verbeteringen nagedacht.’ De gemeente is ervan uitgegaan dat de inspraak van burgers verloopt via de Wmoraad, die geen klantenraad is, schrijft Van Wilgenburg. Een gemeentelijke verordening bepaalt dat de leden van de Wmo-raad een achterban moeten vertegenwoordigen, die overeenkomt met één of meer in de Wmo ge-

‘We hebben échte Wmo-mensen nodig’ noemde taakvelden. ‘In de praktijk blijkt dit vereiste zeer moeilijk te realiseren, zodat er een spanningsveld ligt (...).’

Ingewikkelde toestanden

Bartels: ‘We sporen de problemen in het veld op en maken een gezamenlijke aanpak vanuit één perspectief. Het is handig dat de lijnen hier kort zijn, zodat we gemakkelijk aan integrale oplossingen kunnen werken. Dat was echt een cultuuromslag.’ Maar Porthos moet nog veel leren, zegt Bartels: ‘De Wmo vereist expertise om de vraag achter de vraag te leren kennen. Die hebben we nog onvoldoende in huis. We hebben dus echte Wmo-mensen nodig om voor cliënten arrangementen op maat te kunnen maken.’ Dat moet medio mei dit jaar rond zijn.

Gestopt Er is één minpuntje in Middelburg: de Wmo-

18

Wmo-special

mei 2010

adviesraad functioneert niet. Wethouder De Vries: ‘In plaats van ons inhoudelijke adviezen te geven, is de Wmo-raad vanwege procedurele redenen gestopt met het werk. Nu heeft de raad geen rendement, niet voor ons en niet voor de cliënten. Dat is erg lastig, omdat wij ons niet bemoeien met de opzet van de Wmo-raad. Dat is uitbesteed aan Klaverblad Zeeland, omdat we het belangrijk vinden dat het van de klanten, voor de klanten is.’ Guus van Wilgenburg, voorzitter van de demissionaire Wmo-adviesraad, verkiest een schriftelijke reactie boven een telefonisch gesprek. Hij weerspreekt dat de gemeente Middelburg een goed contact heeft met de burgers. ‘Inspraak via de Wmo-raad is niet goed

Toch begrijpt Van Wilgenburg de ruime voldoende die klanten de uitvoering van de Wmo geven. ‘Klachten die de bestuursleden van de Wmo-raad bereiken, hebben doorgaans betrekking op (individuele) ingewikkelde toestanden bij indicatiestelling of eigen bijdragen en raken zelden direct de gemeente (...).’ We moeten samen met de Wmo-adviesraad nadenken hoe het beter kan, aldus De Vries. ‘Bijvoorbeeld door directer contact met klantgroepen, en een expertgroep op afstand.’ Hij weerspreekt dat Middelburg geen goed contact met de burgers heeft. Integendeel. ‘We hebben contact met de gekozen Seniorenraad, een jeugdpanel, gehandicapten en huurdersverenigingen.’ ■

» Reageer op www.zorgwelzijn.nl


Cliënt Wmo-raad gemeente Nieuwegein

‘Er is meer nodig voor ggz-cliënten’ Margriet Mannak is lid van de Wmo-raad in Nieuwegein. Haar aandachtsgebied omvat mantelzorg, vrijwilligerszorg en de geestelijke gezondheidszorg. Ze is ook actief bij de ggz-familieorganisatie Labyrint~In Perspectief. ‘We missen nog iemand uit de doelgroep jongeren.’ door José van der Waerden fotografie Herbert Wiggeman

‘P

atiënten in de geestelijke gezondheidszorg krijgen steeds meer te maken met de Wmo, ook in Nieuwegein. Er zijn er best veel die door de bezuinigingen op de AWBZ minder of geen begeleiding meer krijgen. Maar kenmerkend voor deze groep is een laat-maar-zitten-houding. Daar komt bij dat het Wmo-loket voor hen niet uitnodigend genoeg is. Er wordt vaak niet doorgevraagd. Dat leidt tot teleurstelling bij de cliënt. Die komt dan een volgende keer niet meer. Mensen met een psychische beperking hebben meer begeleiding nodig bij hun hulpvraag. Zo zou er eigenlijk iemand moeten meegaan naar het Wmo-loket, want een ggz-cliënt ontkent vaak zijn eigen problemen. Wat je ook merkt is dat er bij steunpunten mantelzorg weinig kennis is over ggz-problematiek. Voor deze groep zijn andere oplossingen nodig dan de gewone respijtzorg. In de werkgroep Zorg van onze Wmo-raad stel ik zulke zaken aan de orde.’

Cadeautje ‘In algemene zin heeft de mantelzorgondersteuning in Nieuwegein door de Wmo een inke zet gekregen. Het steunpunt is uitgebreid en de bekendheid vergroot. Als Wmo-raad hadden we de gemeente het idee aangereikt om mensen die zich als mantelzorger melden een cadeautje te geven. Die actie heeft veel namen en positieve publiciteit opgeleverd. Een volgende stap zou kunnen zijn dat mantelzorg en vrijwilligerszorg vaker samen optrekken.

Als raad willen we daar graag bij helpen onder het motto: “minder concurrentie, meer samenwerken.”’ Wat in ieder geval beter moet in Nieuwegein, is de rolstoeltoegankelijkheid, vindt Mannak. ‘De gemeente heeft dit wel opgepakt nadat we de wethouder een keer in een scootmobiel een route lieten rijden, maar er is nog niet genoeg gebeurd. Vooral bij de bouw van het nieuwe stadshart is hier aandacht voor nodig.’

Toneelstukjes ‘De werkgroepen binnen onze Wmo-raad hebben vooral contact met ambtenaren. Als de gemeente bijvoorbeeld een notitie over mantelzorg gaat maken, vraagt de ambtenaar wat wij op dat punt belangrijk vinden. Eén van onze werkgroepen bekijkt dan de conceptnotitie en bereidt het ofciële advies voor. Verder hebben de voorzitter en enkele leden van de Wmo-raad elke drie maanden contact met de wethouder en de Wmo-ambtenaar. Ook bezoeken we commissievergaderingen’, vertelt Mannak. Jaarlijks organiseert de Wmo-raad met de gemeente een ‘gebruikersbijeenkomst’ voor alle inwoners van Nieuwegein. Dat is nu twee keer gebeurd. De belangstelling was groot, adlus Mannak. ‘De eerste keer waren er vooral vragen en klachten over regelingen. De tweede keer is via toneelstukjes het compensatiebeginsel uitgelegd. De Wmo-raad timmert ink aan de weg, maar we missen nog iemand uit de doelgroep jongeren. Dat is jammer.’

Wmo-special

mei 2010

19


Advertorial

Over beweging in de Wmo

Ertoe doen Voetbalvereniging Escamp in Den Haag organiseert regelmatig sportontbijten met kinderen op de basisscholen in de buurt. Een groot succes, waaraan honderden kinderen deelnemen. Deels gesponsord door het bedrijfsleven. ‘De kinderen komen vaak als zombies binnen, maar gaan energiek en met veel plezier na het sporten en ontbijten de klas in’, zegt Jay van Veelen, projectleider bij Escamp. door Ard Sprinkhuizen, senior adviseur bij MOVISIE

M

eedoen. Dat was en is het motto van de Wmo. Maar waait er er echt een nieuwe wind door het land? MOVISIE houdt op verschillende manieren de vinger aan de pols. Om te zien of maatschappelijke organisaties netwerken en initiatieven van burgers steviger ondersteunen. Of gemeenten, maatschappelijke organisaties en bewoners sámen de schouders eronder zetten om de leefbaarheid in wijken, buurten en dorpen te verbeteren. Of kwetsbaren en verkommerden zich welkom weten in de samenleving. En of zij daarbij voldoende steun kunnen verwerven. Eén van de onderzoeken die MOVISIE hiervoor verricht, zijn de tweejaarlijkse Trend-studies. Daarvoor worden enkele honderden maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers uit de civiele samenleving bevraagd over de uitvoering van de Wmo. Uit het Wmo Trendrapport 2010 (‘Het spel op het maatschappelijk middenveld’) blijkt dat de Wmo weliswaar tot een hoop reuring leidt

20

mei 2010

Wmo-special

– Welzijn Nieuwe Stijl geeft daar uitdrukkelijk een nieuwe impuls aan – maar ook dat deze zich vooral beperkt tot professionele, ambtelijke en bestuurlijke circuits. Er wordt gekeken of aanbesteding tot betere dienstverlening leidt, of concurrentie leidt tot innovaties (in beide gevallen lijkt het antwoord negatief), en of organisaties die zich bezighouden met zorg voor verkommerden (zoals Oggz-instellingen) hun cliënten beter kunnen bedienen (61% vreest dat doelgroepen uit het zicht verdwijnen). Is het daarmee kommer en kwel rond de Wmo? Zeker niet. Het is duidelijk dat er professioneel veel nieuw elan is ontstaan. Zo worden langzaamaan nieuwe mogelijkheden gevonden om collectieve arrangementen voor individuele hulpvoorzieningen te plaatsen. Wat te denken van de gunstige neveneffecten van het genoemde sportontbijt op het zelfrespect of de leerprestaties van de kinderen, waardoor bijvoorbeeld minder remedial teaching nodig is? Het is ook zaak om dit nieuwe elan te ver-

plaatsen naar de civiele samenleving, zodat de gewenste participatiesamenleving langzaamaan duidelijker in het vizier komt. Dat lukt waarschijnlijk niet door de scouting, speeltuinverenigingen, sportclubs en de kerk aan te spreken op hun verantwoordelijkheid voor ‘de zorg en het welzijn van kwetsbare burgers’. Wel door ze duidelijk te maken dat ze niet alleen moeten meedoen, maar dat ze er ook toe doen door te doen waar ze goed in zijn. Bijvoorbeeld door kinderen te laten spelen en sporten, ouders daarbij te betrekken en zorgen voor zin in het leven. In de civiele samenleving is nog een wereld te winnen voor de Wmo. Dat vergt wel de juiste en positieve ondersteuning, zorgen dat het chagrijn uit de onderlinge verhoudingen verdwijnt. En vooral duidelijk blijven maken dat iedereen niet alleen moet meedoen, maar er ook toe doet. ■

» Meer informatie: www.movisie.nl


MOVISIE: een brede blik op de Wmo MOVISIE is actief op de volle breedte van de Wmo. We combineren de kennis over politieke en bestuurlijke processen binnen gemeenten en leggen zo verbindingen óver de grenzen van de prestatievelden en gemeentelijk beleidsterreinen heen. Dus van leefbaarheid, wijkontwikkeling, sociale samenhang, tot burgerparticipatie, veiligheid, vrijwillige inzet en mantelzorgondersteuning. Vijftien redenen om MOVISIE op te zoeken als het om de Wmo gaat: 1. MOVISIE voor beleidsmedewerkers van gemeenten: Advies en ondersteuning bij het Wmo-beleid, in het bijzonder rond cliëntondersteuning, huiselijk geweld, maatschappelijke opvang, Oggz en verslavingszorg. Voorbeelden zijn: het participatiewiel, evaluatie Oggz-netwerken, stedelijke kompassen, en zwerfjongerenbeleid. 2. Ketensamenwerking in wonen, welzijn & zorg: Hoe doe je dat? Vooral voor kwetsbare burgers is een samenhangend dienstenaanbod belangrijk. Hoe kunt u als gemeente zorgen voor betere ketensamenwerking? De Wmo biedt een uitgelezen kans om de dienstverlening aan burgers en klanten op dit punt te verbeteren. 3. Het participatiewiel: een krachtig instrument om mensen te activeren Het participatiewiel laat in één blik de samenhang zien tussen zelfstandig functioneren, sociale contacten, maatschappelijk deelnemen, maatschappelijk bijdragen, vaardigheden opdoen en betaald werk. Zo krijgen beleidsmakers en activeerders meer inzicht in de situatie van de cliënt. 4. Cliëntenparticipatie: het kennisprogramma Cliëntenparticipatie maakt alle kennis over cliëntenparticipatie toegankelijk voor iedereen die zich hiervoor inzet in het kader van de Wmo: gemeenten, Wmoraden, cliëntenorganisaties en minder georganiseerde cliëntengroepen. Het programma verbindt betrokken partijen, faciliteert ontmoeting en stimuleert innovatie. 5. Aan de slag met EVC (Erkenning Verworven Competenties): vrijwilligers ontwikke-len kennis en vaardigheden (competenties) die van grote waarde kunnen

zijn. Vrijwilligerswerk is daarmee een maatschappelijke leerplek van formaat. MOVISIE heeft speciek voor de vrijwilligerssector een methode ontwikkeld voor het herkennen en erkennen van vrijwilligerscompetenties. Zo wordt zichtbaar wat mensen leren in de praktijk. 6. MOVISIE voor professionals in welzijn : Trainingen op het gebied van onder meer versterking van de zelfregie en krachtgericht werken. Wmo-leergang: bij- en nascholingsmodules die samen met het beroepsonderwijs en het werkveld zijn ontwikkeld. Publicaties op het gebied van cliëntondersteuning, cliëntenparticipatie en maatschappelijke opvang, zoals het 8fasenmodel. 7. Welzijn Nieuwe Stijl: MOVISIE biedt deskundigheidsbevordering Nieuwe Stijl voor werkers, managers en directeuren over onder meer het sturen van welzijn, opdrachtgever en opdrachtnemerschap en de rol van welzijn in de krachtwijken. MOVISIE komt nog voor de zomer met aanbevelingen op basis van onderzoek naar het aanbesteden van welzijnswerk. 8. Databank Effectieve interventies in de sociale sector: in juni lanceert MOVISIE de databank Effectieve Interventies met actuele toegepaste methoden op verschillende maatschappelijke terreinen. Door de uitgebreide beschrijvingen krijgen organisaties meer inzicht in de theoretische onderbouwing, praktijkervaringen en de wetenschappelijk bewezen effectiviteit. 9. Nulmeting Goed voor Elkaar: MOVISIE en 14 provinciale CMO’s hebben in het project Goed voor Elkaar alle gemeenten benaderd om een nulmeting uit te voeren op prestatieveld 4. Hiermee hebben gemeenten nauwkeurig in beeld wat ze goed voor elkaar hebben en waar nog verbetering mogelijk is. 10. Geweld in afhankelijkheidsrelaties: MOVISIE traint ketenpartners in de aanpak en preventie van huiselijk en seksueel geweld, jeugdprostitutie, loverboys, huwelijksdwang en eergerelateerd geweld. 11. ‘Inclusief beleid? Een handreiking voor gemeenten over diversiteit en Wmo’ Inclusief beleid bestaat uit een aantal specieke maatregelen voor groepen die

niet goed meekomen in de maatschappij. Hoe kunt u als gemeente rekening houden met verschillen binnen deze doelgroepen? Lees onze brochure over inclusief beleid. 12. Eind september organiseert MOVISIE het Tweede Participatiedebat Beslissers en beleidsmakers van overheden en maatschappelijke organisaties zullen met elkaar in discussie gaan over de vraag: Hoe ‘verleiden’ we burgers en hun verbanden om zich maatschappelijk in te zetten? 13. Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting: 2010 is het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting en Nederland doet mee. Eén van de activiteiten waar MOVISIE aan werkt, is de Stedenestafette, waar 25 gemeenten een lokale manifestatie over armoede organiseren en een lokale sociale toekomstagenda maken. Doel: het creëren van aandacht voor armoede en sociale uitsluiting en het verbeteren en promoten van het bestaande armoedebeleid. 14. Of heeft u behoefte aan iets op maat voor uw gemeente? Met het hele team werken aan vernieuwing? Samen met een nieuwe methode aan de slag? Natuurlijk geeft MOVISIE ook trainingen op maat over de Wmo en participatie. • Actieve burgers en interactieve beleidsvorming in de Wmo • Hoe betrekt u burgers bij de ontwikkeling van vrijwilligersbeleid? • Burgers aan het stuur: aanpak leefbaarheid in de wijk • Leer werken met de methodiek ‘Burgers aan het stuur’ én maak burgerinitiatieven succesvol. • Sport en Wmo in uw gemeente • Zet gemeentelijke sportbeleid in om de participatie van burgers te stimuleren. • Lokaal mantelzorgbeleid • Wat moet er in de beleidsnota lokaal mantelzorgbeleid? • Projectmatig werken • Van projectplan tot evaluatie. Leer de ins and outs van projectmatig werken kennen. 15. MOVISIE doet onderzoek, geeft advies op maat, schrijft handreikingen en methodieken en geeft trainingen. Meer weten? Bel onze kennislijn 030 798 21 12 of mail naar info@movisie.nl

Wmo-special

mei 2010

21


Advertorial Verdiepingsworkshop Conclusion Advies en Management

Het Wmo-loket: steunpunt bij regie over het eigen leven Sinds de invoering van de Wmo is de vraag naar voorzieningen alleen maar complexer geworden. Burgers en zorg- en welzijnsorganisaties verwachten veel. De regie ligt bij de gemeente, maar dat betekent niet dat organisaties en burgers achterover kunnen leunen en afwachten totdat de gemeente met een oplossing komt. door Marianne Kraaijeveld en Monique Romeijn, senior adviseurs Conclusion Advies en Management, beeld stock.xchng

O

p 27 mei vindt het congres ‘Wmo en Welzijn Nieuwe Stijl 2010’ plaats. Tijdens dit congres wordt door Conclusion Advies en Management een verdiepingsworkshop verzorgd. In de workshop zullen wij samen met de deelnemers verkennen hoe regie door de burger zelf het beste kan worden ondersteund vanuit de gemeente en haar ketenpartners. In dit artikel alvast een voorproefje. Centrale vragen tijdens de workshop zullen zijn: Hoe kun je er als gemeente samen met ketenpartners voor zorgen dat je er niet alleen op gericht bent om enkel te bepalen waar de burger ‘recht’ op heeft, maar als uitgangspunt kiezen wat de burger nodig heeft om mee te kunnen doen? Hoe zorg je ervoor dat burgers zelf (weer) actief het eigen leven gaan vormgeven? Kortom, hoe help je burgers de verantwoordelijkheid en regie van het eigen leven op te pakken?

Centrale rol Wmo-loket Het Wmo-loket is in de gemeente hét aanspreekpunt voor burgers met vragen, problemen en wensen over zorg en ondersteuning. Vandaar dat het essentieel is dit vanuit een aantal uitgangspunten vorm te geven en een plek te geven in de ketensamenwerking. De burger is mondiger geworden en kan prima aangeven welke wensen en behoeften er zijn. Rond die vraag moeten dienstverleners in staat zijn arrangementen op maat te bieden. Kernbegrippen hierbij zijn: keuzevrijheid voor burgers, ontwikkeling van nieuwe exibele vormen van dienstverlening, openheid over kwaliteit, ketensamenwerking, de vraag centraal stellen en het aangaan van ondernemersrisico. Hier liggen kansen voor het smeden van nieuwe

22

mei 2010

Wmo-special

ketens en verbindingen tussen organisaties die eerder niet in dit veld meededen.

Eigen verantwoordelijkheid en regie Gemeenten moeten een vangnet organiseren én randvoorwaarden creëren waardoor burgers in staat worden gesteld invulling te geven aan het eigen leven. De verantwoordelijkheden zullen moeten worden teruggelegd waar zij horen: bij de burgers, hun omgeving en de welzijns- en zorginstellingen, met de gemeente die als regisseur de lijnen bij elkaar brengt. Er zal een betere verbinding moeten worden gelegd tussen de burgers en de uitvoerende organisaties voor maatwerk en ook voor collectieve oplossingen op bijvoorbeeld wijkniveau. Waar nu aanbod het uitgangspunt is, zal een verschuiving moeten plaatsvinden naar de vraag van de burger. Ook zal een beroep moeten worden gedaan op de eigen verantwoordelijkheid en eigen kracht van die zelfde burger en omgeving. Het Wmo-loket kan hierin een sleutelrol vervullen.

Individuele regie Regie over het eigen leven is een basisprincipe, maar alleen zinvol als aan een aantal voorwaarden is voldaan. Voorop staat het bewaren van de eigenwaarde, inzicht in de eigen mogelijkheden en beperkingen, en hoe je eigen sociale netwerk is en wat je ervan kunt verwachten. Degene die zorg of ondersteuning vraagt, moet de eigen situatie kunnen bespreken. Individuele regie heeft alleen zin als er iets te kiezen is, afhankelijk van de persoonlijke mogelijkheden.


Wat doet Conclusion Advies en Management? Conclusion Advies en Management is specialist in (grote) organisatieveranderingen binnen de overheid en de nonprotsector. Het bedrijf is een werkmaatschappij van Conclusion, de meest veelzijdige zakelijke dienstverlener van Nederland. De vijfendertig medewerkers van Conclusion Advies en Management geven strategisch advies en zijn professionals op het gebied van organisatieontwikkeling, beleidsontwikkeling, beleidsimplementatie en interim-management. Bij de organisatie werken onder andere adviseurs die gespecialiseerd zijn in de Wmo, jeugdzorg, zorg en welzijn. Het bedrijf werkt voor gemeenten, grote zorg- en welzijnsorganisaties en andere landelijke organisaties.

Maatwerk: de vraag centraal De door de burger aangegeven wensen en behoeften dienen centraal te staan in het zoeken naar van een oplossing voor zijn probleem. Vaak wordt het aanbod te veel bepaald door de aanbieders en wordt te weinig aangesloten bij individuele vraag van de burger. De burger ervaart bijvoorbeeld een probleem en ziet geen onderscheid tussen wonen, welzijn en zorg. Hij wil een oplossing voor het totale probleem. De burgers dienen te worden ondersteund bij het scherp krijgen van de eigen vraag, de ‘vraag achter de vraag’. Ook kent de burger vaak de mogelijkheden niet om de eigen vraag beantwoord te krijgen. Daar ligt de kerntaak van de medewerkers van het Wmo-loket.

Onafhankelijk en objectief advies Het is het belangrijk dat de adviezen onafhankelijk en objectief zijn. Daarom is het wenselijk dat degene aan wie hij een vraag stelt, niet is gebonden aan één bepaalde aanbieder. Het is belangrijk dat er eerst goed wordt onderzocht wat precies nodig is en dat vervolgens alle opties op tafel komen zodat er keuzemogelijkheden zijn. Ook vragen waarvoor nu geen aanbod beschikbaar is, dienen aan bod te komen, zodat aanbieders een pakket op maat kunnen ontwikkelen.

thuislozen, allochtonen, ouderen en mantelzorgers weten het loket niet altijd gemakkelijk te vinden. Zij vragen om een meer persoonlijke en actieve benadering. Hierin ligt ook een nadrukkelijke rol voor de partners in de keten.

Regierol gemeente: volledig en samenhangend aanbod Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente om het voor burgers mogelijk te maken om mee te doen. De gemeente is de enige instantie waar wonen, welzijn en zorg samenkomen. De keten is een onderdeel van het netwerk dat wordt ingezet om de vraag van de klant te realiseren. De regierol van de gemeente is een centrale rol naar individuele burgers en partners in de keten. Zij kan het beste de keten bijeenbrengen om ervoor te zorgen dat een integraal aanbod van mogelijkheden kan worden gedaan aan de individuele burger. Dit kunnen ook collectieve voorzieningen zijn. De gemeente stelt doelen, bewaart overzicht, stuurt bij en zorgt voor goede samenwerking. De ervaren adviseurs en interim-managers van Conclusion Advies en Management ondersteunen u graag bij de invulling hiervan.

Goede toegankelijkheid, aandacht voor moeilijk bereikbare groepen

Meer informatie? Neem contact op met Conclusion Advies en Management, Wouter Beekman, tel. 030 21 93 825, wbeekman@ conclusion.nl of kijk op www.conclusion.nl

Onder loket verstaan we niet alleen een fysiek loket, maar ook telefonische en digitale bereikbaarheid. Voordeel van het digitale loket is de 24-uursbereikbaarheid. Een aantal doelgroepen, zoals dak- en

Meer informatie: www.conclusion.nl/cam

Wmo-special

mei 2010

23


Jos van der Lans: ‘Hoogste tijd voor een schoonmaakoperatie’

‘Welzijn? Geen hond weet wat het voorstelt’ Bemoeizorg, outreachend werken en Eropaf. Eigenlijk al sinds zijn publicatie ‘Naar een modern paternalisme’ (1993) maakt publicist Jos van der Lans zich sterk voor wat sinds kort ‘Welzijn Nieuwe Stijl’ heet. Hij pleit voor de afschafng van de term welzijnswerk. ‘We hebben er een rommeltje van gemaakt.’ door Martin Zuithof fotografie Diederik van der Laan

T

ijdens een debat in de Amsterdamse Balie in 2004 riep Jos van der Lans het al: de term welzijnswerk hoort thuis op het kerkhof. ‘Ik ben een enorme propagandist van het welzijnswerk, maar ik vind dat we die term eindelijk eens moeten begraven. Het begrip “welzijn” is enorm geïdeologiseerd in de jaren ’70 en volgestopt met pretenties. Je moet er een nieuwe inhoud aan geven.’ In boeken als Bemoeien werkt (2003), Koning Burger (2005) en Ontregelen (2008) pleit Van der Lans al jaren voor wat

‘Sociale professionals zijn in het defensief gedrongen’ inmiddels ‘Welzijn Nieuwe Stijl’ is gaan heten. Sociale professionals moeten volgens hem uit de bureaucratische instituties worden bevrijd, waar ze sinds de jaren ’80 in verzeild zijn geraakt. Ze moeten weer midden in de leefwereld opereren: eropaf gaan, uitgaan van de eigen kracht van mensen, aansluiten op hun netwerk en gebruik maken van hun kennis.

Sociaal knutselen In zijn nieuwe boek Eropaf! borduurt hij voort op deze lijn. Door bureaucratisering en schaalvergroting zijn sociale professionals in het defensief gedrongen, schetst Van der

24

mei 2010

Wmo-special

Lans. ‘In dit boek onderzoek ik hoe we daaraan kunnen ontsnappen en een nieuw type professionaliteit op de kaart kunnen zetten. Antibureaucratisch en georiënteerd op de leefwereld van mensen. En dan niet om hen bij de hand te nemen, maar om ze aan te spreken op hun eigen vermogen.’ Toen Van der Lans in 1983 als redacteur begon bij het tijdschrift Marge, werd hij meteen gegrepen door het onderwerp. ‘Ik kwam in twee werelden terecht. Aan de ene kant de academici die het hadden over marxisme en welzijnswerk, emancipatiebewegingen, bewonersinvloed, feminisme en hulpverlening. Daarnaast had je de verhalen van maatschappelijk werkers en opbouwwerkers, die toen nog niet waren geringeloord door protocollen en instituties. Opbouwwerkers in Den Bosch-Oost deden het type werk waar het nu nog om gaat. Pragmatisch met mensen omgaan, sociaal knutselen in kleine netwerken, met een enorme vindingrijkheid, vanuit de betrokkenheid bij mensen. Dat soort professionals kom ik gelukkig nog steeds tegen, zoals de wijkcoaches in de Velve-Lindenhof in Enschede.’

Zelfoverschatting Van der Lans is niet alleen kritisch over de verzakelijking, de schaalvergroting en protocollering, hij is dat ook over welzijnswerkers die zich wel heel gemakkelijk terugtrokken uit de wijk. ‘In de jaren ’70 heerste er onder professionals een enorme zelfoverschatting. Velen waren eindeloos bezig met zelfreectie. De beroepsgroep


‘Welzijnswerk is een warwinkel aan functies, waarvan niemand precies weet wat het nut daarvan is’, aldus Jos van der Lans.

wilde zichzelf ook emanciperen en ontdekken. Daardoor ontstonden eindeloze inefciënte vergadercircuits. Het evenwicht tussen dienstbaarheid en professionaliteit was bij heel veel mensen zoek.’ Vervolgens, vanaf de jaren ’80, kwamen de professionals steeds meer op afstand te staan. ‘Toen heette het dat je niet moralistisch mocht zijn, je eigen subjectiviteit moest buitensluiten. Er kwam een afstandelijke benadering, die samenviel met de verdere professionalisering en schaalvergroting van organisaties. Als mensen hulp wilden, moesten ze naar de spreekkamer komen. Het pamet Naar een modern paternalisme dat ik in 1994 samen met Paul Kuypers schreef, was hiertegen een eerste protest. Maar het heeft geen invloed gehad op dat organisatorische geweld. Dat gedoe met productboeken en outputnanciering is geen moment ter discussie gesteld. Nu zie je dat deze kritiek op de grootschaligheid en het pleidooi voor een ander type professional bij elkaar komt. Dat is aangejaagd door de Wet maatschappelijke ondersteuning.’ U wilt een eind maken aan de term welzijnswerk en meteen ook afscheid nemen van de brede welzijnsinstellingen. Die termen zijn toch gewoon ingeburgerd? ‘De beeldvorming rond de term is al tijden slecht. Niemand voelt zich erbij thuis, niemand noemt zich meer welzijnswerker. Mijn boek pleit voor een nieuwe start van sociaal werk en teruggaan naar de kern. Als je kijkt wat al die brede welzijnsorganisaties in huis hebben, zou ik er schoon schip mee willen maken. We hebben er een rommel van gemaakt, geen hond weet meer wat het voorstelt.’ ‘Als je de kern van het werk denieert, kom je uit op sociaal werk. Bij het welzijnswerk is het elke vier jaar gedoe met de nanciering. Om de haverklap zijn er aanbestedingen. Welzijnswerk is een warwinkel aan functies, waarvan niemand precies weet wat het nut daarvan is. Hoogste tijd voor een schoonmaakoperatie en heldere denities. Welzijnswerk is een bewuste poging geweest om de geschiedenis van het sociaal werk te herschrijven, om van het moralisme en paternalisme af te komen. Het was een soort panacee voor alle maatschappelijke kwa-

www.zorgwelzijn.nl

NR 8, 16 augustus 2007

25


len, maar dat is mislukt. We hebben het werk opgeblazen, onduidelijk gemaakt. Laten we de term “welzijn” dan ook weer aan de kant zetten en het gewoon weer sociaal werk nemen, zoals het begonnen is.’ Wat moeten die Eropaf-professionals, die sociaal werkers Nieuwe Stijl anders doen dan de vroegere welzijnswerkers? ‘Ze moeten uit de instituties treden en in de leefwereld van mensen opereren. Het moeten geen agendafreaks zijn, personen bij wie je een afspraak moet maken. Ze opereren dicht bij mensen. Er zijn generalisten nodig die van veel markten thuis zijn, met diagnostische vaardigheden en die situaties en mensen kunnen beoordelen. De combinatie van het klassieke maatschappelijk werk met een individuele invalshoek én de opbouwwerker die wil aanhaken bij andere systemen, dat zou de eerste blik van die Eropaf-professional moeten zijn. In zijn meest ultieme variant organiseert hij of zij een Eigen Kracht-conferentie, waarmee de aanzet tot de oplossingen geheel wordt teruggelegd bij de mensen zelf.’ ‘Het opbouwwerkelement is cruciaal. Het gaat niet om geïndividualiseerde behandelingen of een gezin in een bepaald programma te schuiven. Het gaat om een socaalecologische blik, het zoeken naar krachtbronnen in een systeem die zelf een grote rol kunnen spelen bij het oplossen van het probleem. Als een moeder van een jong stel zich met de nanciën bemoeit, kan dat effectiever zijn dan een wekelijks bezoek aan de schulphulpverlening.’ Hans Boutellier en Nanne Boonstra, van het Verwey-Jonker instituut, pleiten voor een heropleving van het opbouwwerk en samenlevingsopbouw. Hoe ziet u dat? ‘Er verschijnen de laatste tijd ook studies over het rendement van socialecohesieprojecten op buurtniveau. Daar komt nog niet heel veel positiefs uit. Goede opbouwwerkers proberen altijd aan te haken bij structuren in hun buurt. Zij werken praktisch, verbinden initiatieven, draaien aan het vliegwiel en halen mensen bij elkaar.’ Van der Lans verwijst naar het promotieonderzoek van Lilian Linders, die de patronen van burenhulp onderzocht in Drents Dorp, een oude arbeidersbuurt in Eindhoven. Daaruit bleek dat een uitgangspunt van de Wmo – ac-

Colofon

tieve burgers die elkaar helpen – niet zomaar slaagt. ‘Veel mensen durven elkaar niet om hulp te vragen. En tegelijkertijd zijn er mensen die wat willen doen, maar het komt niet bij elkaar. Dat betekent dus dat je betrokkenheid van mensen niet kunt organiseren op het niveau van buurten, maar wel op het niveau van personen. Hoe koppel je die personen dan elkaar? Dat is lastig.’

Afbreken Jos van der Lans vreest kaalslag in de AWBZ en de Wmo vanwege de bezuinigingen de komende jaren. ‘Ik denk juist dat we geld kunnen besparen als we de zorg in het sociale domein organiseren. Maar niet volgens het principe van de Wmo: “Mensen moeten het eerst zelf doen, lukt dat niet, dan komen de professionals in actie”. Mijn idee is juist dat Eropaf-professionals zich mengen onder de mensen om die sociale zorg op gang te brengen en tot kwaliteit te brengen. Alleen door in dit type professionaliteit te investeren, kan de Wmo een succes worden. Die infrastructuur moet er wel komen, als je de bezuinigingen op de AWBZ wilt realiseren.’ ‘Ik ben er voor om instituties af te breken. In de AWBZ en de jeugdzorg wordt ongelooijk veel geld verspild aan bureaucratische systemen. Je kunt pas een verschuiving realiseren als je dit soort zorg in de samenleving wilt organiseren. Als je zonder meer de AWBZ sloopt, organiseer je een heel groot probleem. Kijk naar de ontwikkeling van Buurtzorg. Daar wordt niet alleen het werk anders georganiseerd, maar levert de werkwijze de facto ook een besparing op die in de honderden miljoenen loopt. Ik geloof niet meer in het verhaal dat grote instellingen kostenefciënt of effectief zijn, met al hun managementsystemen en controlemechanismen. De komende bezuinigingen moeten een klap zijn voor organisaties die inefciënt opereren.’ Jos van der Lans, Eropaf! Een nieuwe start van het sociaal werk. Amsterdam, Uitgeverij Augustus. Het boek verschijnt op 27 mei en kost € 16,50.

» Reageer op zorgenwelzijn@reedbusiness.nl

Uitgave mei 2010

Carolien Stam, Alexandra Sweers (webre-

© Auteursrecht voorbehouden. Behou-

Deze Wmo-special is een speciale uitgave van Reed Business bv, Amsterdam. In deze editie informeren wij managers en professionals bij de overheid, zorg- en welzijnsinstellingen en cliëntenorganisaties over belangrijke ontwikkelingen op het gebied van de Wet maatschappelijke ondersteuning.

Oplage 5200

dactie).

dens de door de wet gestelde uitzon-

Redactieadres

Met medewerking van Maria van Rooijen,

Radarweg 29, Postbus 152, 1000 AD

Sigrid Starremans, Wilma Vorselman, José gemaakt zonder schriftelijke toestem-

Amsterdam

van der Waerden en Han van de Wiel.

De Wmo-special wordt als insert toege-

Hoofdredactie Martin Zuithof

E-mail marc.nuhn@reedbusiness.nl

voegd bij het tijdschrift Zorg + Welzijn

Redactie Hedwig Neggers (eindreactie),

Telefoon (020) 515 91 72

deringen mag niets uit deze uitgave

Telefoon (020) 515 93 09 Telefax (020) 515 91 45

Opmaak Pieter van Schouwenburg

E-mail: zorgenwelzijn@reedbusiness.nl

Druk Koninklijke de Swart

Homepage: www.zorgwelzijn.nl Advertenties

26

mei 2010

Wmo-special

worden verveelvoudigd en/of openbaar ming van de uitgever.


Cliënt Wmo-cliëntenraad Utrecht

‘Eigenlijk is het een heel hoopgevende wet’ Gezien Reinders is lid van de Wmo-cliëntenraad in Utrecht. Daarnaast behartigt ze als directeur van het Solgu de belangen van lichamelijk gehandicapten en chronisch zieken, onder andere op het vlak van de Wmo. door José van der Waerden fotografie Herbert Wiggeman

‘D

e Wmo-cliëntenraad houdt zich alleen bezig met prestatieveld 6: het leveren van voorzieningen om mensen met een beperking of chronische aandoening zo goed mogelijk in de samenleving te laten participeren. We kijken vooral naar uitvoeringsvragen, zoals over de Wmo-verordening, de loketten, het informeren van burgers, klantgerichtheid en het compensatiebeginsel. Als formeel adviesorgaan hebben we redelijk veel inspraak, maar je moet er wel op letten dat je tijdig alle spullen krijgt. Wat heel goed geregeld is in Utrecht, is het systeem van de raadsinformatieavonden. Elke burger is dan welkom om inhoudelijk in discussie te gaan met bestuurders en ambtenaren. Je kunt dan echt de politieke besluitvorming beïnvloeden. Soms zit ik met twee petten op bij zo’n raadsavond: één van de Wmo-cliëntenraad en één van het Solgu, het Stedelijk Overleg Lichamelijk Gehandicapten Utrecht.’

inwoners. Niet alleen vanwege de taal zijn huisbezoeken belangrijk, maar ook omdat deze mensen minder snel naar de gemeente stappen.’ Er zit wel beweging in, maar het mag sneller, vindt Reinders. ‘Dit jaar moet De Kanteling echt vorm krijgen. Aan de ambtenaren ligt dat niet, maar de politieke wil ontbreekt. De kortere doorlooptijd bij aanvragen voor voorzieningen is wel een verbetering. Daar heeft een verandering in het organisatieproces voor gezorgd.’

Mantelzorg Wat ook beter kan, is de ondersteuning van mantelzorgers, vindt Reinders. ‘Vaak wordt pas hulp ingeschakeld als de mantelzorger al is ingestort. Ik ken een jonge moeder in een rolstoel. Haar man moet enorm bijspringen. Hij komt nauwelijks aan iets anders toe dan zijn werk en het huishouden. Als je het hebt over participatie, moet je

Opgetuigde Wvg ‘Het project De Kanteling, waarin het compensatiebeginsel wordt vormgegeven, vind je nog niet terug in de nieuwe verordening in Utrecht. Dat moet veranderen. Die verordening is nu een soort opgetuigde Wet voorzieningen gehandicapten, en nog steeds gericht op “u vraagt, wij draaien”. Er moeten veel meer huisbezoeken worden afgelegd. Ga met mensen praten en vraag gericht door: hoe gaat het, hoe zit je erbij, wat heb je nodig? Als iemand een rolstoel aanvraagt, informeer dan ook naar de thuissituatie, het vervoer, de sociale contacten en de mantelzorg. Huisbezoeken zijn essentieel bij mensen van buitenlandse afkomst, en in Utrecht betreft dat 35 procent van de

‘Huisbezoeken zijn essentieel’ naar het totaalplaatje kijken, dus ook naar hem. Met veel moeite heeft zij het voor elkaar gekregen dat er huishoudelijke hulp komt. Dat zou anders moeten. De Wmo zegt: alle burgers moeten meedoen. Daarmee is het eigenlijk een heel hoopgevende wet. Maar dan moet je dat ook concreet invullen. Ja, dat kost geld. Maar ik zeg altijd: “geen geld” bestaat niet, “geen geld voor over” bestaat wel.’

Wmo-special

mei 2010

27


Advertorial

Informatiemanagement en ketenautomatisering voor Wmo-instellingen De Wmo-sector wordt met veel eisen geconfronteerd: nieuwe vragen van cliënten, nieuwe politieke besluitvorming, prestatieafspraken met de opdrachtgever, wijzigingen in regels et cetera. Van het management van zowel gemeenten als instellingen wordt gevraagd de middelen op een effectieve manier in te zetten. De opdrachtgevers, de gemeenten, willen nadrukkelijk een relatie zien tussen ingezet geld en de effecten van de inzet van Wmo-professionals. Robin van Iperen is manager Informatisering en Automatisering van het CIZ. Harry Woldendorp is directeur van de divisie MO van het CIZ.

V

eel van deze vraagstukken kunnen ons inziens worden verbeterd door op een andere manier met informatie om te gaan. Het CIZ heeft inmiddels veel ervaring opgebouwd met hoe je dat doet. De CIZ-divisie Maatschappelijke Ondersteuning (MO) heeft deze kennis, kunde en ervaring vertaald in concrete (advies)diensten die aan de eigen product- en dienstencatalogus zijn toegevoegd.

Uitgangspunt Informatiemanagement dient zo ingericht te worden, dat het interne bedrijfsprocessen optimaal ondersteunt en het de kwaliteit van de dienstverlening naar klanten (gemeenten) en cliënten (burgers) verbetert. Dit betekent dat bij de inrichting van de ‘informatiehuishouding’ wordt gekozen voor de invalshoek om de relatie tussen professional en cliënt te versterken. Anders gezegd: wat is de behoefte van de vraagsteller? Hoe geef ik vorm aan deze vraag van de cliënt? Wat is de behoefte vanuit het professionele domein? En hoe zorg ik voor geautomatiseerde verantwoording vanuit het informatiesysteem (en dus

28

mei 2010

Wmo-special

niet door zelf te registreren)? De verantwoordelijkheid van het management van een Wmo-instelling is om op basis van de wensen en mogelijkheden van burgers te komen tot effectieve inrichting van bedrijfsprocessen en de ondersteunende IT- infrastructuur. De schaalgrootte van veel van deze instellingen vormt voor de optimale inrichting hiervan echter vaak een belemmering. Juist de divisie MO van het CIZ ziet kansen om daar actief op in te spelen op basis van de volgende vijf speerpunten: • hoe ondersteun je cliënten optimaal? • hoe richt je strakke werkprocessen in? • hoe ondersteun je professionals optimaal? • hoe verantwoord je de inzet van middelen eenvoudig? • hoe maak je prestaties gemakkelijk inzichtelijk? Het CIZ heeft veel ervaring met informatieuitwisseling in ketens (zowel intern als extern). Zij heeft gekozen voor een hoogwaardige ICT-infrastructuur die maatgerichte oplossingen mogelijk maakt: • centraal stellen cliëntvraag (inrichting

werkprocessen rond het concept Kanteling) • digitaliseren van werkprocessen (gebeurtenisgedreven- en beslissingsondersteunende software) • ondersteuning met webapplicaties voor cliënt en professional • online informatievoorziening en eenvoudig te genereren rapportages • verbetering van de productiviteit

Verbreding De divisie MO van het CIZ heeft ervaring met het opereren in ketens, waarin lokale overheden en welzijnsinstellingen op elkaar zijn aangesloten. Door hiervan optimaal gebruik te maken, kan een snelle en meetbare verbetering van informatiemanagement en ketenautomatisering worden gerealiseerd, en daardoor is het mogelijk beter in te spelen op de wensen van cliënten en de dienstverlening te verbeteren. Naast de dienstverlening die CIZ-MO traditioneel levert, is in 2009 gekozen om strategische samenwerkingsverbanden aan te gaan met leveranciers van (CIZ-MO) aanvullende


Bron: Overzicht Zorgketen CIZ MO, model Arteria Consulting en CIZ MO

• Quickscans, training en

coaching in de volle breedte

producten en diensten. Reden hiervoor is dat onze klanten allemaal één ding gemeen hebben. Ze werken in één of meerdere ketens. Door onze samenwerking met partners is verbreding opgetreden in de dienstverlening en is CIZ-MO in staat volledige en integrale oplossingen te bieden voor Wmo-gerelateerde vraagstukken in de keten. Aan de hand van enkele voorbeelden van partnerships krijgt u een beeld van deze verbreding van dienstverlening.

• Beslisondersteuning bij een

gemeente of gemandateerde thuiszorg

Een gemeente wil snel, goed onderbouwde beschikkingen maken voor Wmo-voorzieningen. Hiervoor maakt ze gebruik van beslisondersteuning. Deze beslisondersteuning levert CIZ-MO in samenwerking met ZorgNed. Een groot deel van de aanvragen kan hiermee versneld en eenduidig worden afgehandeld. De gemeente kan er ook voor kiezen deze taken geprotocolleerd te laten uitvoeren door gecontracteerde thuiszorgorganisaties. Naast opleidingen levert CIZ-MO ook detachering en invalkrachten, waardoor slechts minimale bemensing (skeleton crew) nodig is. Ook kan bij ziekte, afwezigheid of een hausse aan aanvragen een beroep worden gedaan op inzet van CIZ-

MO medewerkers (zowel op locatie als op afstand).

• Telehealthcare-systemen

(domotica) bij gemeente, zorgaanbieder of woningbedrijf

De samenwerking tussen CIZ-MO en Tunstall is een schoolvoorbeeld van aanvullende producten en diensten, waarbij de klant een totaaloplossing geboden krijgt van twee marktleiders. Door de combinatie van indicering en ondersteuning middels Telehealthcare-systemen worden de mogelijkheden van gemeenten uitgebreid en de kosten verlaagd.

• Klantgericht Wmo-loket bij gemeenten

Voor goede dienstverlening vanuit het Wmoloket is het inzichtelijk hebben van de zorgbehoefte een belangrijke stap. Het bevorderen van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie is voor gemeenten een beslissend uitgangspunt. Daarbij is een herkenbaar aanspreekpunt op lokaal niveau van essentieel belang om de zorgvraag van cliënten op een effectieve en ondersteunende wijze op te lossen. In samenwerking met Arteria Consulting richt CIZ-MO een klantgericht en herkenbaar Wmo-loket in, zodat de cliënt niet met lege handen naar huis laat gaan. De kracht van het Wmo-loket zit daarbij in de medewerkers.

CIZ-MO heeft in samenwerking met o.a. M&I/ Kompas gestandaardiseerde quickscans (inclusief benchmarking) op verschillende gebieden (ICT, beveiliging, communicatie, keteninformatisering, processen en workow). Na het uitvoeren van een quickscan is een van de resultaten een pragmatisch plan waarmee verbeteringen kunnen worden aangebracht. In samenwerking met een van de partners doet CIZ-MO een nulmeting en leveren CIZ-MO en de partner de benodigde inzet en presenteren zij maandelijks de resultaten tot het optimale (en afgesproken) rendement wordt behaald.

• Kostenbesparing op hulpmiddelen

Na het realiseren van een aanzienlijke kwaliteitsverbetering en een besparing van kosten in de AWBZ op de verstrekking van hulpmiddelen (zoals een rolstoel), willen CIZ-MO en haar partner Zorgplan vergelijkbare resultaten ook graag binnen de MO mogelijk maken. Sleutelwoorden hierbij zijn geautomatiseerde indicatiestelling, transparantie, integrale aanpak en herinzet/depotbeheer. De combinatie van kennis en kunde van zowel CIZ-MO als Zorgplan staat garant voor een compleet aanbod aan gemeenten dat een optimale kwaliteit en beheer van kosten mogelijk maakt. En nog meer…! Dit is slechts een greep uit de totaaloplossingen die CIZ-MO met partners biedt. Als uw interesse gewekt is, bel dan met Ronald Grahmbeek op 06 – 5385 3355 of kijk op www.cizmo.nl.

» Meer informatie: www.cizmo.nl Wmo-special

mei 2010

29


Advertorial Huistechnologie kent enorm veel toepassingen

Realive: voor efciëntere en goedkopere zorg De vergrijzing, het groeiende tekort aan medewerkers in de zorg, de toenemende behoefte van ouderen om langer thuis te wonen. Deze ontwikkelingen vragen om een andere invulling en benadering van de zorg. Het Realive-totaalconcept van Isolectra maakt zorg op afstand en langer zelfstandig thuis wonen mogelijk. Met de huistechnologie raken cliënten bovendien minder makkelijk in een sociaal isolement.

M

et één druk op de knop alle apparaten in huis uitzetten. Een armband om de pols van een cliënt waarmee een signaal naar een centrale of naaste wordt gestuurd als degene valt. Via de eigen televisie beeldcommuniceren met een hulpverlener. Collin Geelen en Ruben Scholte, beiden werkzaam bij Realive, laten in het Realive Experience Center de vele mogelijkheden van het systeem zien. Het concept van Realive gaat bovendien veel verder dan wat er voor het blote oog zichtbaar is. Geelen klopt op de holle, exibele wanden en stampt op de holle vloersystemen. ‘Het grote voordeel hiervan is dat je de woning heel gemakkelijk kunt aanpassen aan de wensen van de gebruiker’ legt hij uit. ‘Een ouder persoon wil bijvoorbeeld vaker een grotere slaapkamer met veel voorzieningen dan iemand die jonger is. Deze wanden zijn gemakkelijk verplaatsbaar. Bovendien zijn de holle systemen in combinatie met stekerbare elektriciteitsinstallaties erg gebruikersvriendelijk. Komt iemand in een rolstoel te zitten, dan heb je in een half uurtje een stekker of een bedieningsapparaat op een andere hoogte

30

mei 2010

Wmo-special

gezet en stekerbaar aangesloten. Frezen of leidingen omleggen hoeft niet meer. Je kunt een woning heel gemakkelijk omvormen en nieuwe functionaliteiten aanbieden.’

Behoeften veranderen Geelen en zijn collega Ruben Scholte zijn vanaf het begin betrokken bij de ontwikkeling van Realive. Beide mannen weten wat er speelt in de zorgsector. Regelmatig zitten medewerkers van Realive om de tafel met het ministerie van VWS, de raden van bestuur van zorginstellingen, mantelzorgorganisaties, gemeenten en provincies, patiëntenorganisaties en woningbouwcorporaties. ‘Een techneut verzint iets en probeert het vervolgens te verkopen’, licht Scholte toe. ‘In de zorg moet je eerst goed nagaan waar behoefte aan is, voordat je iets nieuws ontwikkelt.’ Dat er in de zorg grote veranderingen aankomen, is bekend. De vergrijzing, en daarmee de kosten van de zorg, zullen enorm toenemen. Over tien jaar zijn er 500.000 medewerkers extra nodig in de sector, terwijl de arbeidsmarkt waarschijnlijk maar de helft kan leveren. Bovendien willen steeds meer

ouderen langer thuis wonen. Verder zal het aantal mantelzorgers, voor wie de zorg van een naaste vaak een zware belasting is, de komende jaren groeien. Ook deze groep kan ontlast worden met thuistechnologie.

Sociaal isolement Het Realive-concept voorziet in de behoefte om met hetzelfde aantal medewerkers meer en efciëntere zorg te leveren voor minder geld. Geelen geeft een voorbeeld. ‘Heeft een licht dementerende medicijnen nodig, dan gaat er nu drie keer per dag een thuiszorgmedewerker naartoe. Dat kost veel tijd. Het Realive-concept biedt een apparaat dat op gezette tijden medicatie beschikbaar stelt. De mantelzorger of zorgprofessional kan via beeldcommunicatie contact opnemen en op die manier controleren of de cliënt de medicijnen ook daadwerkelijk inneemt. Dat betekent niet dat de hulpverlener nooit meer naar de bewoner toegaat. Maar in plaats van drie keer per dag kan die frequentie worden teruggebracht naar bijvoorbeeld drie keer per week. Dit levert enorme, noodzakelijke tijdbesparingen op.’ Realive biedt voordelen voor zorgverle-


Wat is bijzonder aan Realive? Beeldcommunicatie, persoonsalarmering, medicijntoediening op afstand: het zijn technieken die vaker in de zorg worden toegepast. Bijzonder aan het Realive-concept is dat woningen al tijdens de bouw of renovatie levensloopbestendig worden gemaakt. Bovendien is het Realive-concept een zogenaamd groeimodel. Het systeem is werkzaam via een open platform dat op basis van een internetprotocol werkt. Het voordeel is dat nieuwste technieken gemakkelijk kunnen worden geïntegreerd. Ook als het om technieken van andere leveranciers gaat die op dezelfde manier werken. Zijn er geavanceerdere toepassingen beschikbaar of vindt er een fusie tussen organisaties plaats, dan hoeft het oude systeem dus niet te worden vervangen. Dat betekent ook dat de verschillende technieken niet los van elkaar staan, maar geïntegreerd zijn en met elkaar in verbinding (kunnen) staan. De display waarmee de client ziet wie er voor de deur staat en kan opendoen, kan ook worden gebruikt om domotica en energiemanagement aan te bieden. Verder is er een groot aantal sensoren beschikbaar waarmee je bijvoorbeeld alzheimerpatiënten kunt ondersteunen als ze gaan dwalen. Of valdetectie voor mensen met epilepsie of die slecht ter been zijn.

ners, mantelzorgers en zorgverzekeraars. En ook de cliënten zelf zijn uiteindelijk beter af. ‘Met beeldcommunicatie voorkom je dat mensen in een sociaal isolement terechtkomen’, verklaart Scholte. ‘Daarmee kunnen ze niet alleen bellen met hulpverleners, maar ook met familie en vrienden. Een telefoongesprek is toch veel persoonlijker als je iemand kunt zien. Bovendien zie je via beeldcommunicatie hoe iemand eraan toe is.’

Versplinterde subsidies Met de inzet van Realive wordt het mogelijk zorgprocessen anders in te kleden, zodat er kostenbesparingen mogelijk zijn. In het begin vereist de introductie van het systeem een aantal investeringen. Niet alleen in geld,

maar ook vanwege het aanpassen van de processen. Zo moeten medewerkers op een andere manier gaan werken en worden getraind. Het is jammer dat de overheid nu vaak versplinterde subsidies voor kortdurende pilot-projecten geeft, aldus Scholte. ‘Sommige organisaties werken maar een jaar met thuistechnologie. Voor die korte periode passen ze hun procedures niet aan. Dan hebben ze dus bijvoorbeeld wel medicijntoediening op afstand, maar de medewerker gaat toch nog drie keer per dag naar de cliënt toe. Ook worden medewerkers te weinig getraind in hoe ze met moderne technologie, zoals beeldcommunicatie, moeten werken. Op die manier is thuistechnologie niet efciënt genoeg.’

Over Realive en Isolectra Isolectra is al meer dan zestig jaar een grote leverancier van installaties en systemen in de bouw en de industrie. Ook voor de zorgsector levert het bedrijf al meer dan dertig jaar diverse producten en materialen, zoals uitluistersystemen en alarmeringsapparaten. Zes jaar geleden werd het label Realive opgericht. Met de moderne technieken van Realive levert Isolectra een totaaloplossing voor zorginstellingen en particulieren. Realiveproducten worden onder andere gebruikt door ziekenhuizen, (thuis)zorgorganisaties, ggz-instellingen en particulieren.

Meer informatie: www.realive.nl

Wmo-special

mei 2010

31


Enschedese wijkcoaches handelen met overgedragen bevoegdheden

Minder drukte achter de voordeur Zitten multiprobleemgezinnen in achterstandswijken eenmaal in zorg- en welzijnsdossiers, dan krijgen ze vaak wel tien verschillende hulpverleners over de vloer. In Enschede experimenteren gemeente en woningcorporaties met een nieuwe aanpak: de wijkcoach. door Wilma Vorselman fotografie Ronald Hissink/Jan Schartman

‘G

ezinnen worden slecht bediend. Tien hulpverleners die zich met één gezin bezighouden, dat werkt niet’, meent Hans Weggemans, initiatiefnemer en directielid van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling bij de gemeente Enschede. ‘De spaghetti aan instellingen maakt het hele zorgsysteem onbeheersbaar. Te veel geldstromen, te veel overleg en te hoge transactiekosten.’ De gemeente besloot in 2004 de regie over te nemen. ‘Een jaar later zijn we gestart met een rigoureuze saneringsoperatie in de afstemmings- en overlegvormen’, zegt hij. Als onderdeel hiervan werd in Velve-Lindenhof het eerste wijkzorgteam opgericht. Dat vervangt vrijwel al het bestaande overleg voor specieke doelgroepen. Het team werkt aan de problemen van het hele ‘systeem’: vader, moeder, kinderen, grootouders, de buren, et cetera.

Sociale huisarts Ondanks betere afstemming tussen de verschillende professionals die bij multiprobleemgezinnen over de vloer komen, blijft het systeem met enkele hardnekkige problemen kampen. De gezinnen hebben nog steeds met te veel instanties en hulpverleners te maken. Ook zijn de wijkzorgteams erg afhankelijk van

de bereidwilligheid van instellingen om mee te werken. Met de wijkcoach zet de gemeente Enschede een nieuwe stap. Die heeft indicatie- en beslissingsbevoegdheid namens 25 organisaties, zoals woningbouwcorporaties, de gemeente (werk en bijstand, zorgloket, leerplicht), bureau Jeugdzorg, maatschappelijk werk en de reclassering. ‘De wijkcoach is een soort sociale huisarts. Wordt het te complex of beschikt de wijkcoach over onvoldoende kennis, dan verwijst die door naar de tweede

‘Er heerst een enorm wantrouwen tegen instanties’ lijn. Bijvoorbeeld naar een traject van de verslavingszorg of de ggz. Maar hij behoudt wel de regie’, legt Weggemans uit. ‘Werken met een wijkcoach is eigenlijk vergelijkbaar met de situatie in de jaren ’50, toen de wijkzuster en de dominee de oren en ogen van de buurt waren.’ In principe gaan de vier wijkcoaches alle 634 huishoudens in Velve-Lindenhof bezoeken, mensen met én zonder problemen, vertelt Anya Smits, teamleider van de wijkcoaches.

‘Veel bewoners kampen met schulden, werkeloosheid, opvoedingsproblemen, soms aangevuld met zwaardere problematiek, zoals verslaving. Het stabiliseren van de schuldenlast is vaak de eerste prioriteit. Mensen zijn soms alleen bezig met overleven. De regie over hun eigen leven zijn ze al een hele tijd kwijt. Als de schulden echt groot zijn, kun je die niet oplossen. Stabiliseren geeft ruimte om weer verder te kijken. Hoe het met de kinderen gaat bijvoorbeeld, of met het werk’, weet Smits. ‘Slechts een kleine groep in de wijk heeft structureel hulp nodig: zo’n acht à negen multiprobleemgezinnen. Die blijven we volgen en ondersteunen. Dat is op de lange termijn efciënter en goedkoper dan ze loslaten. Het risico op terugval is namelijk groot. Zou je ze laten schieten, dan kun je op zo’n moment weer opnieuw beginnen.’

Aanbellen Wijkcoach Loeki Mandemaker licht haar nieuwe functie graag toe. ‘Je moet je bewijzen en vertrouwen zien in te winnen, want er heerst een enorm wantrouwen tegen instanties. Dat doe je door de taal van de mensen te spreken, in dit geval Twents. En je moet gemakkelijk aanspreekbaar zijn. Zo ga ik vaak lopend naar mijn bezoek. Bij een eerste keer gaan we altijd met z’n tweeën. Op die manier

Wmo-special

mei 2010

33


kun je bepalen wie het beste bij het gezin past. En mocht je zelf een keer niet in de gelegenheid zijn om ze te bezoeken, dan heb je altijd back-up van je collega.’ Mandemaker vertelt dat maximaal vier huisbezoeken per dag worden ingepland, rekening houdend met het afwisselen van zware problematiek met minder zware kwesties. ‘Maar we bellen ook spontaan aan’, vult collega wijkcoach Mirjam Wijnands aan. ‘Tot nu toe hebben we nog nooit voor een dichte deur gestaan. Soms worden we zelfs uitgenodigd om op de kofe komen.’ De wijkcoaches doen ook aan preventie. Beginnende problemen zijn meestal redelijk snel op te lossen. Zo was er een gezin met een ernstig zieke ouder die regelmatig naar het ziekenhuis moest. De reiskosten liepen hoog op en het gezin wist niet de weg naar de juiste instantie om ze vergoed te krijgen. Binnen twee dagen had de wijkcoach de nanciën op orde en had de familie een zorg minder. Zijn er bijvoorbeeld huurachterstanden, dan speelt de woningbouwvereniging dat aan het wijkteam door. Via die weg komen de coaches soms bij gezinnen achter de voordeur die nog niet bekend waren bij de instanties.

Ontbijt Constateert de wijkcoach dat er in een gezin ‘werk aan de winkel’ is, dan stelt zij in overleg een soort contract op. Beide partijen moeten dat ondertekenen. De wijkcoach werkt namelijk volgens het principe ‘voor wat, hoort wat’. Eerlijk en open. Wijnands: ‘En voorbeeld: als jij een opleiding gaat volgen, de kinderen met ontbijt naar school stuurt en je laat behandelen voor je gokverslaving, dan zorg ik voor een participatieplaats, opvoedingsondersteuning en versnelling van je aanvraag voor bijzondere bijstand.’ Werken de mensen niet mee, dan volgen er sancties zoals korten op de uitkering of het inschakelen van bureau Jeugdzorg. De wijkcoach biedt gezinnen zodoende perspectief, creëert kansen, maar zet als dat nodig is ook druk op de ketel. Een dergelijke manier van werken vraagt veel professionaliteit van de wijkcoach. Mensen met levenservaring die stevig in hun schoenen staan, gepokt en gemazeld in de maatschappelijke dienstverlening. De vier wijkcoaches zijn afkomstig van verschillende instanties. De één werkte jaren in de maatschappelijke dienstverlening, de ander bij een woningcorporatie, de derde heeft di-

34

mei 2010

Wmo-special

Wijkcoaches in Enschede: ‘We hebben met z’n vieren veel expertise in huis.’

verse afdelingen binnen de gemeentelijke sociale dienst doorlopen. De verschillende achtergronden vormen hun kracht. ‘We hebben met z’n vieren veel expertise in huis. Daardoor kun je altijd bij elkaar terecht en kun je gebruikmaken van elkaars netwerk en specialistische kennis’, zegt Wijnands.

Twijfels De Universiteit Twente volgt de wijkcoaches op de voet om het werkproces te evalueren en de effecten op de bewoners van VelveLindenhof te meten. ‘De eerste enquête onder de bewoners is net achter de rug’, licht onderzoeker Bas Denters toe. ‘Daaruit kwam naar voren dat de wijkcoaches positief zijn ontvangen. Best opmerkelijk, daar men over

‘Eén bewoner heeft na twintig jaar weer betaald werk gevonden’ het algemeen niet zo tevreden is over reguliere hulpverleningsinstanties. Misschien verwachten de bewoners nu minder drukte achter de voordeur.’ Een enquête onder de betrokken instanties geeft eveneens een positief beeld, hoewel er ook kanttekeningen zijn. Sommige organisaties vrezen dat andere, zoals de ggz, blijven vasthouden aan hun eigen werkwijze. En er zijn twijfels over de competenties van de wijk-

coach, omdat die van zoveel markten thuis moet zijn. Voordat ze in de Enschedese wijk aan de slag gingen, hebben de nieuwe hulpverleners diverse stages gelopen bij instanties waarmee ze in aanraking komen, zoals het CIZ, het zorgloket, de dienst sociale zaken en de woningbouwvereniging. ‘Buitengewoon nuttige ervaring, want je bouwt meteen een band op en leert over je grenzen heen te kijken’, vertelt wijkcoach Loeki Mandemaker.

Huisuitzettingen Na ruim een jaar heeft het wijkcoachteam 50 dossiers afgesloten en 200 dossiers in behandeling. De eerste successen zijn geboekt. Een van de bewoners heeft na twintig jaar werkeloosheid weer betaald werk gevonden. Er zijn twaalf huisuitzettingen voorkomen. ‘Huisuitzettingen kosten ontzettend veel tijd en geld’, vertelt teamleider Anya Smits. ‘Wij proberen dergelijke situaties op te schorten en te voorkomen. Zeker als er kinderen in het spel zijn. Mochten ze toch hun huis uit moeten, dan blijven we ze volgen.’ Zou een kersverse schoolverlater als wijkcoach aan de slag kunnen gaan? Wijnands: ‘Met intensieve begeleiding zou het moeten kunnen, maar de kans van slagen is ook afhankelijk van het team waarin hij of zij terechtkomt. Een vertrouwensbasis moet groeien. Maar met de juiste opleiding plus werkervaring en nuchter boerenverstand kom je een heel eind.’

» Kijk op www.zorgwelzijn.nl


Cliënt Lokale Wmo-raad gemeente Sneek

‘We zijn nog te bescheiden’ Henk van Griethuijsen is lid van de lokale Wmoraad Sneek, als afgevaardigde van de cliëntenraad Thuiszorg Zuidwest Friesland. In die cliëntenraad zit hij namens ouderenbond Anbo, waarvan hij onder meer gewestbestuurder is. ‘Het contact met de gemeente kan beter’ door José van der Waerden fotografie Penn Communicatie

‘A

ls lokale raad registreren we vooral: wat gebeurt er rond de Wmo en wat kan beter? Heel goed in Sneek is het Wmo-loket. Het is prima bereikbaar, heeft ruime openingstijden en professionele medewerkers. De Wmo-raad heeft daar invloed op kunnen uitoefenen. Verder weten we, afgaande op klanttevredenheidsonderzoek, dat de huishoudelijke zorg in Sneek goed scoort. Die krijgt een dikke zeven. Klachten die we incidenteel horen, gaan vooral over het verstrekken van hulpmiddelen. Iemand die een traplift heeft aangevraagd, krijgt bijvoorbeeld te horen dat dit niet goedgekeurd wordt en er maar moet worden verhuisd.’

Ouderenbonden De Wmo-raad in Sneek komt voort uit het regionale platform Wmo Zuidwesthoek Friesland. Dit platform is in 2005 opgericht op initiatief van de ouderenbonden. Van Griethuijsen: ‘Zij wilden in een zo vroeg mogelijk stadium in acht gemeenten invloed kunnen uitoefenen op het Wmo-beleid.’ Dat gebeurde onder meer bij het vaststellen van de Wmo-verordeningen in deze gemeenten. ‘Daar stonden aanvankelijk bepaalde aandoeningen in

‘Dit jaar gaan we de wijken in’

Laag tarief ‘Waar we tevreden over zijn, is dat Sneek het Zeeuwse aanbestedingsmodel voor huishoudelijke zorg hanteert. Het uitgangspunt is: één gelijk tarief. Dat heeft ertoe geleid dat cliënten kunnen kiezen uit zes organisaties. Ze mogen zelf bepalen met welke instelling ze in zee gaan. Waar we ons zorgen over maken, is dat het tarief erg laag is. Thuiszorg Zuidwest Friesland leed hierdoor vorig jaar zulke verliezen, dat het in de problemen dreigde te komen. De Wmo-raad heeft toen een brief gestuurd naar de wethouder met het verzoek naar dat tarief te kijken. Van de cliënten krijgt 80 procent nu namelijk huishoudelijke zorg van Thuiszorg Zuidwest Friesland. Als die instelling wegvalt, is het maar de vraag of de andere vijf dat kunnen opvangen. De gemeente beoordeelde die brief als ongewenste bemoeienis. Wij zien dat anders. We willen ons helemaal niet bemoeien met de aanbesteding, maar wel onze zorgen kunnen uitspreken. Uiteindelijk zijn voor 2010 en 2011 de tarieven aangepast, maar wel heel beperkt.’

genoemd waarbij mensen recht zouden hebben op hulp. Dat vond het platform geen goed idee, omdat dan het risico bestaat dat je een zeldzame aandoening uitsluit, terwijl die er misschien wel bij hoort. Uiteindelijk zijn alle namen van aandoeningen eruit gehaald en is overal gekozen voor een algemene formulering.’

Uitnodiging De lokale raad in Sneek bestaat sinds begin 2007. ‘We vergaderen vijf keer per jaar. Eigenlijk hoort daar een wethouder of ambtenaar bij te zitten. Die krijgt een uitnodiging, maar komt meestal niet. Als lokale Wmo-raad zijn we nog te bescheiden om daar druk op uit te oefenen.’ Het contact met de gemeente kan beter, vindt Van Griethuijsen. ‘De meeste zaken lopen nu via het regionale platform. Om in Sneek bekender te worden, gaan we dit jaar de wijken in. Ook starten we met deskundigheidsbevordering.’

Wmo-special

mei 2010

35


Advertorial Relaties tussen gemeenten en instellingen

Aanbesteden en de Wmo: een visie op kansen? De welzijnssector is aan het veranderen. Waar vroeger langdurige subsidierelaties tussen gemeenten en lokale instellingen bestonden, wordt steeds vaker gebruik gemaakt van aanbestedingen. Wethouders van alle gezindten hopen daardoor meer kwaliteit en besparing van belastinggeld te realiseren. door Dave van Beek, Yvette van Teulingen, Annerie Lotterman, Jan van Leijenhorst en Florian Theissen, allen werkzaam bij Berenschot

U

it een recent door Berenschot uitgevoerde benchmark onder gemeenten blijkt dat 53 procent van de gemeenten meent dat instellingen onvolledig op de hoogte zijn van de door de gemeente geformuleerde doelstellingen op het gebied van welzijn. Volgens 5 procent zijn instellingen zelfs helemaal niet op de hoogte zijn. Om beleidsdoelstellingen te realiseren, is het van belang dat betrokken partijen elkaar begrijpen, dezelfde doelen voor ogen hebben en heldere afspraken maken. De verantwoordelijkheden moeten daarbij scherp worden afgebakend. Gemeenten en instellingen zijn gemotiveerd om de samenwerkingsrelatie te professionaliseren en doelgerichter te werken. De keuze voor subsidiëren of aanbesteden is daarbij niet cruciaal, maar verdient wel nadere afweging.. Aanbestedingen zijn hiervoor, vooral binnen de Wmo, een miskend maar in wezen een zeer geschikt instrument.

Wettelijke verplichting met kansen De Wmo zorgde voor de grootschalige introductie van aanbestedingen in de sector welzijn. De laatste maanden is er discussie geweest over het aanbesteden van de hulp bij het huishouden (HH). De tegenstanders van marktwerking willen af van aanbestedingen.

36

mei 2010

Wmo-special

Kamerlid Kant van de SP diende daarover onlangs een wetsvoorstel in.1 Binnen het welzijnsveld is zowel subsidiëren als aanbesteden een mogelijkheid om budgetten te besteden. Binnen de HH is dit echter een ander verhaal. Tegenstanders van aanbestedingen in de Wmo betogen dat er geen juridische noodzaak is tot aanbesteding en wijzen op de alternatieven. ‘De Wmo noemt het verplicht aanbesteden niet expliciet. Er wordt in de Memorie van Toelichting op de Wmo louter verwezen naar de geldende wet- en regelgeving op dit terrein.2 De

Florian Theissen, aanbestedingsjurist: ‘Niet schipperen, maar sturen met aanbestedingen’ discussie spitst zich toe op het verschil tussen de 2A of 2B diensten.3 Slechts 2A-diensten moeten Europees worden aanbesteed. Voor 2B-diensten geldt alleen de verplichting van de ‘gepaste mate aan openbaarheid’ zonder de uitdrukkelijke verplichting tot het doorlopen van een gehele Europese aanbestedingsprocedure. HH

bestaat uit zowel 2A- als 2B-diensten. Volgens het aanbestedingsrecht moet indien het A-deel groter is dan het B-deel, de 2A-procedure worden gevolgd. Indien het B-deel groter is, kan een keuze worden gemaakt tussen de 2A- en de 2Bprocedure.’ Het wetsvoorstel van Kant beoogt de aanbestedingsplicht zelfs af te schaffen door in de Wmo uitdrukkelijk te vermelden dat er geen verplichting tot aanbesteding bestaat. De vraag is of hierdoor de bestaande Europeesrechtelijke verplichtingen komen te vervallen.

Waarom aanbesteden? Er zijn drie belangrijke overwegingen die pleiten voor aanbestedingen ten aanzien van HH/Wmo, zowel speciek als voor de welzijnssector in het algemeen. Het meest gehoorde argument tégen de zogenaamde marktwerking is dat de lage tariefstelling door gemeenten leidt tot nanciële problemen en dus uitvoeringsproblemen van thuiszorginstellingen. Dit probleem wordt geheel niet opgelost door niet aan te besteden. Immers, niet de aanbestedingsregels, maar gemeenten bepalen de tarieven. Indien sommige gemeenten te lage tarieven stellen, is dat niet uit de wereld bij subsidieverlening of onderhandse gunning. In de thuiszorgsec-


De auteurs zijn onderdeel van het subsidie- en aanbestedingsteam van Berenschot, dat veelvuldig betrokken is bij advisering van aanbestedingen, de afweging tussen subsidie en aanbestedingen en sturingsvraagstukken ten aanzien van private uitvoeringsorganisaties in de zorg- en welzijnssector. V.l.n.r. Dave van Beek, Yvette van Teulingen, Annerie Lotterman, Jan van Leijenhorst en Florian Theissen. Zie ook: www.berenschot.com.

tor is al lange tijd sprake van een markt met onderling concurrerende instellingen. Als de marktwerking uit deze markt wordt gehaald, dan blijft er een markt over zonder concurrentie. Dat zet de deur open voor regiomonopolisten en te hoge kosten voor te lage kwaliteit. Aanbestedingen kunnen ook leiden tot een professionele relatie tussen gemeente en instelling. Dit vereist dat gemeenten bewust en verantwoord met dit instrument omgaan. Dit geldt niet alleen voor de tariefstelling maar ook voor de overige eisen en wensen en de wijze waarop die in het bestek en de daarop baserende overeenkomsten worden verankerd en toegepast. Mits de juiste keuzes worden gemaakt, kunnen aanbestedingen leiden tot de beste prijs-kwaliteitverhouding De nadruk zou daarbij moeten liggen op de hoogst mogelijke kwaliteit en daarvoor een reële kostprijs.

Verantwoordelijkheid en prioritering Er is ruimte voor verbetering in de relatie tussen overheden en instellingen. Aanbestedingen zijn hiervoor een geschikt instrument. Resultaatafspraken, transparantie, betere samenwerking en kwaliteit vereisen niet per denitie een aanbesteding. Van belang is dat betrokken gemeente een weloverwogen keu-

ze maakt voor het juiste nancieringsinstrument. Daarbij moeten alle relevante aspecten van juridische, beleidsmatige, strategische en bestuurlijke aard worden betrokken. De keuze voor het nancieringsinstrument is

Yvette van Teulingen, adviseur Maatschappelijke Ontwikkeling: ‘Denieer gezamenlijke doelstellingen en rollen. Vertrouw elkaar’ de uitkomst van een proces dat voorafgaat aan de keuze ervan. De juiste rolneming van gemeente en instelling is essentieel voor het (her)deniëren van de verhoudingen. Dat vereist een scherpe visie op die rollen en de prioriteiten van beleid. Op bestuurlijk niveau (College) wordt in eerste instantie de afweging gemaakt hoe de gemeente haar beleidsdoelstelling ten aanzien van publieke dienstverlening wil realiseren. Het bestuur stelt de kaders waarbinnen het ambtelijk apparaat relaties aangaat met de instellingen. Als de doelstellingen en rollen van de gemeente helder zijn, is het voor instellingen ook makkelijker de eigen rol als

professionele uitvoerder en dienstverlener te pakken. Zij zullen hun kennis en kunde moeten inzetten voor het uitwerken van concrete activiteiten die bijdragen aan de doelstellingen. De verantwoordelijke ambtenaren bij de gemeente moeten de verleiding weerstaan om op de stoel van de uitvoerder te zitten en alles tot in de punten te willen bepalen. Het is van belang dat gemeenten de professionaliteit van instellingen erkennen en daarop vertrouwen. De relaties tussen gemeenten en instelling in het welzijnswerk en de Wmo bieden ruimte voor substantiële verbeteringen. Die verbeteringen beginnen bij het formuleren van heldere en duidelijke beleidsdoelstellingen en kaders door de gemeente. Dat maakt ruimte voor een weloverwogen keuze tussen nancierings- en sturingsinstrumenten. Dat effent vervolgens het pad voor een bewuste en verantwoordelijke omgang met die instrumenten. Als aanbestedingen in de Wmo en in het welzijnsveld in het algemeen op die manier worden benaderd, bieden zij meer kansen dan valkuilen. Verwijzingen: 1. Zie Kamerstukken II, 31 353, nr. 5. 2. Zie Wet maatschappelijke ondersteuning, artikel 10, eerste en tweede lid alsmede het Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2004-2005, 30 131). 3. Zie bijlage II van Richtlijn 2004/18/EG en Bijlage 2 van het Besluit aanbesteding overheidsopdrachten.

Wmo-special

mei 2010

37


Advertorial Aanbesteden in de Wmo versie 2.0:

Resultaatgericht inkopen! Na de eerste ‘ongemakkelijk’ verlopen aanbestedingen van huishoudelijke hulp, worden nu veel betere aanbestedingsvormen gebruikt. Daarmee komt ook het sturen op prestaties naar voren. Signicant heeft daarbij een vernieuwende rol. Zowel opdrachtgevers als opdrachtnemers kunnen nu beter uit de voeten met het realiseren van doelstellingen in een aanbesteding en tijdens de contractfase. De betaalde prijs en de geleverde prestaties zijn beter in balans. Maar het belangrijkste is dat de cliënten echt betrokken worden en beter kunnen kiezen. door Hans Hellendoorn, senior consultant onderzoeks- en adviesbureau Significant beeld stock.xchng

A

anbesteden is niet populair en al helemaal niet als het gaat over welzijn en zorgtaken. Toch zijn gemeenten verplicht om diensten als hulp bij het huishouden via een Europese aanbesteding in te kopen. Dit instrument wordt vaak als ingewikkeld en kostbaar ervaren. Het is echter een vorm van inkopen

Actieve monitoring geeft gelegenheid tot bijsturing die de opdrachtgever ertoe dwingt om goed te speciceren en vooraf goed na te denken over de beoogde resultaten van de dienstverlening. Die resultaten worden het meest ervaren door de cliënten die de hulp ontvangen. Zij hebben daarmee ook recht van spreken over de doelen die in de aanbesteding worden nagestreefd. Als er op deze manier naar het inkopen van

38

mei 2010

Wmo-special

hulp bij het huishouden wordt gekeken, dan kun je stellen dat het allemaal anders kan. Dat werd al eens door ons beschreven in de handreiking ‘Sociaal overwogen aanbesteden’. Inmiddels worden de adviezen uit de handreiking steeds meer in praktijk gebracht en zijn er zelfs verdergaande ontwikkelingen in het aanbesteden.

Kwaliteit én prijs: gezonde concurrentie Wanneer wij een aanbesteding in de Wmo begeleiden, is niet het eerste doel om de laagste prijs te verkrijgen. Belangrijker is om de verhouding tussen prijs en kwaliteit realistisch te laten zijn. Dat kan alleen als er gezonde concurrentie in de (veelal lokale) markt is, waarbij partijen elkaar prikkelen om die prijs-kwaliteitverhouding realistisch te houden. Dat geeft stabiliteit op langere termijn voor zowel de vragende als de aanbiedende partijen en daarmee hebben cliënten meer kans op een redelijke keuze. Dan moeten de klanten natuurlijk wel weten waarvoor ze kunnen kiezen.

Gemeente als professioneel opdrachtgever Van belang is dat de kwaliteit goed blijft en dat dit op transparante wijze aan de klanten wordt gepresenteerd. Dat gaat het beste aan de hand van resultaten van goede en betrouwbare metingen over zaken die klanten belangrijk vinden. Daarvoor is het zinvol dat gemeenten samenwerken met de gecontracteerde aanbieders en tijdens de contractduur met hen overleg blijven voeren over de verwachtingen die worden gesteld aan de prestaties van een aanbieder. Actieve monitoring geeft gelegenheid tot tijdige bijsturing als er problemen dreigen. Gemeenten moeten optreden als goede opdrachtgever, zelf ook aan de eigen verplichtingen voldoen, maar ook oog hebben voor wederzijdse administratieve lastenvermindering.

Aanbesteden 2.0: het Catalogusmodel Recente aanbestedingen voldoen aan de Europese regels, maar zijn niet nodeloos ingewikkeld. Ze gaan niet uit van het principe


dat de aanbieder die met de laagste prijs inschrijft, vanzelfsprekend wint. Maar het is ook geen aanbesteding volgens Zeeuws model. In het Catalogusmodel kunnen de aanbieders bij de inschrijving aangeven op welke aspecten ze het beste zijn. Daar verdienen ze dan punten mee. Die zijn vooraf al benoemd en in tabellen zichtbaar voor de aanbieder. Zij scoren bijvoorbeeld op prijs, op de aangeboden levertijden en op de zorgkwaliteit, die blijkt uit de klantervaringsmetingen. Als er voor wordt gekozen een beperkt aantal aanbieders te selecteren, winnen de aanbieders met de meeste punten de aanbesteding. Dit systeem kan echter ook worden gebruikt om een onbeperkt aantal kwalitatief hoogwaardige aanbieders te selecteren en vervolgens te rangschikken in een catalogus. Er kan niet onder of boven de prijstabel worden geboden. Als je echt goede kwaliteit aanbiedt, kun je wel kiezen voor de hogere prijzen in de tabel. Een thuiszorgorganisatie kan dan toch winnen van een ander soort aanbieder die met een lage prijs inschrijft, door bijvoorbeeld hoger te scoren op de levertijden.

Nadruk op goede performance Het meest in het oog springende aspect van het Catalogusmodel is constante monitoring tijdens de looptijd van het contract. Gecontracteerde aanbieders zullen tijdens de contractduur moeten blijven presteren en beloften waarmaken: de prestaties zijn immers transparant. Aanbieders die meedoen, moeten een aantal keren per jaar met prestatie-indicatoren kunnen aangeven of ze nog steeds goed scoren op klanttevredenheid en of hun levertijden ook echt zijn gerealiseerd. Het hanteren van een beperkte set indicatoren die er echt toe doen, zorgt ervoor dat er geen extra regeldruk is. De gemeente heeft de taak de performancegegevens te onderzoeken en tegelijkertijd wordt meer inzicht verkregen in de portefeuilleontwikkeling. Dreigende problemen worden daardoor eerder zichtbaar en tijdig ondervangen. De gemeente heeft daarmee dus veel meer regiemogelijkheden, zoals de Wmo dat ook beoogt. De nieuwe generatie aanbestede contracten

is al in uitvoering. Het Catalogusmodel wordt inmiddels al gebruikt door elf gemeenten in Drenthe, vijf in de regio Amersfoort en tien in de regio Utrecht-West.

Transparante kwaliteit, gewenste prikkels De thuiszorgklant ervaart dat de kwaliteitscores zichtbaar worden voor cliënten. De gegevens worden in de gemeentelijke catalogus periodiek ververst. Daaruit krijgt de cliënt een beeld en een advies over de best presterende aanbieders. Er zijn al gemeenten die dit maandelijks gaan doen met gebruikmaking van een digitaal systeem. Je werkt dan echt met actuele scores op prestatie-indicatoren. Het uitdagende van het Catalogusmodel is dat een aanbieder die bij de inschrijving laag eindigt, tijdens de uitvoeringsperiode alsnog een betere positie in de catalogus kan verkrijgen door zijn goede prestaties. Dat is natuurlijk voor iedereen winst, zowel voor de klant, de aanbieder als de gemeente.

» Meer informatie? Kijk op www.signicant.nl Wmo-special

mei 2010

39


MOVISIE, kennis en advies voor Wmo vraagstukken Gemeenten spelen in de uitvoering van de Wmo een cruciale rol. Zij zijn verantwoordelijk voor de zorg voor en het welzijn van burgers. Een uitdaging waarbij MOVISIE ondersteuning biedt. MOVISIE verzamelt voor u belangrijke kennis en ervaringen. Door de inzet van ervaren adviseurs kan MOVISIE meedenken over oplossingen voor uw lokale vraagstukken.

Wmo-desk voor gemeenten Op www.movisie.nl/gemeenten vinden gemeenten handreikingen, publicaties en praktijkvoorbeelden die zij kunnen inzetten bij bijvoorbeeld het: UÊۜÀ“}iÛi˜ÊÛ>˜ÊŽiÌi˜Ã>“i˜ÜiÀŽˆ˜}Æ Uʈ˜ÀˆV…Ìi˜ÊÛ>˜Ê`iÊ܈âiÊÜ>>Àœ«ÊÕÊ>ÃÊ}i“ii˜ÌiÊÀi}ˆiÊۜiÀÌÆ UÊLiÌÀiŽŽi˜ÊÛ>˜Ê7“œÊ`œi}Àœi«i˜ÊLˆÊLiiˆ`ë>À̈Vˆ«>��ˆi°Ê

iÊ7“œ‡`iÎÊLÀi˜}ÌÊ}i“ii˜Ìi˜ÊØiÊˆ˜ÊVœ˜Ì>VÌʓiÌÊ`iʍՈÃÌiÊ7“œ‡Ã«iVˆ>ˆÃÌÊÛ>˜Ê "6- °Ê1ʎ՘ÌÊiÀÊÌiÀiV…ÌÊۜœÀÊ>iÊ7“œ‡ÛÀ>}i˜°Ê iÊ7“œ‡`iÎʈÃÊÌiÊLiÀiˆŽi˜Êۈ>Ê wmodesk@movisie.nl en 030 789 21 12.

MOVISIE is hét landelijke kennisinstituut en adviesbureau voor maatschappelijke ontwikkeling. We bieden toepasbare kennis, adviezen en oplossingen bij de aanpak van sociale vraagstukken op het terrein van welzijn, participatie, zorg en sociale veiligheid. In ons werk staan vijf actuele thema’s centraal: huiselijk en seksueel geweld, kwetsbare groepen, leefbaarheid, mantelzorg en vrijwillige inzet. www.movisie.nl.


Wmo-special