Issuu on Google+

iii

1700 – 1850 1700 – 1850

iii www.wbooks.com


inhoud

Inleiding

7

Jeanine Dekker Tijdvak met een keerzijde Verantwoording Zeeland in 1700

7 9 11

1 Land en water

15

Paul Brusse Overstromingen en inundaties De voorzienigheid, de ratio en de zee Dijkvallen en duinverstuivingen Afwatering en verzilting Palen en paalwormen Financiële tekorten en calamiteuze polders Landverlies en landaanwinning De ruimtelijke ordening Opkomst en neergang van de buitenplaats op Walcheren Mens en natuur

15 18 20 22 25 28 31 38 41 46

De veestapel Arbeid Zeevisserij Visserij aan de kust en op de Zeeuwse stromen De betekenis van de nijverheid, handel en scheepvaart De Europese handel De kaapvaart en smokkelhandel De handel op de West, driehoeksvaart en slavenhandel De handel op de Oost Het achterland van Zeeland De ondergang van een handelsgewest De stuwende werkgelegenheid buiten de handel De verzorgende bedrijfstakken en de hiërarchie van verzorgingskernen Stad en platteland

3 Bevolking en sociale verhoudingen 2 Economie

49

Paul Brusse De economische ontwikkelingen in Nederland in internationaal verband De betekenis van de landbouw Eigendomsverhoudingen, bedrijfsvoering en bedrijfsgrootte Akkerbouw Fruitteelt en tuinbouw

4

geschiedenis van zeeland iii

·

1700

49 55 56 62 68

– 1850

Paul Brusse De bevolkingscijfers Geboorte en sterfte Medische zorg Migratie Sociale verhoudingen in de stad Sociale verhoudingen op het platteland Sociale zorg Arm en rijk

69 71 75 77 78 81 85 89 91 93 97 105 110 113

117 117 122 128 134 140 147 154 166


4 Politieke verhoudingen

Jeanine Dekker De regenten aan zet Zeeland en de Republiek Zeeland en Oranje ’s Lands welvaren Opvlammend politiek bewustzijn Orthodox-gereformeerde opvattingen De patriottenbeweging De Bataafs-Franse tijd Zeeland in de marge van de eenheidsstaat Zeeuws-Vlaanderen en de Schelde: betwist gebied Een conservatief gewest op weg naar de democratische rechtsstaat

5 Religie en cultuur

Arno Neele Van lidmaat naar burger Orthodox-religieuze contra-verlichting Religieuze kaart Scholen Onderwijshervormingen Sociabiliteit Het geschreven en gedrukte woord Kunsten Cultuur van het Zeeuwse volk Een beschaafde provincie?

169 169 173 176 179 182 187 189 192 207 216

IJkpunt 1850

309

Jeanine Dekker Van stedelijk handelsgewest naar agrarische plattelandssamenleving De maakbaarheid van Zeeland Nieuw perspectief in een provinciale cultuur HeroriĂŤntatie Zeeland in 1850

309 312 316 320 323

Notenapparaat

327

Geraadpleegde bronnen en literatuur

333

Index op aardrijkskundige namen en persoonsnamen

341

Over de auteurs

350

Dankwoord

351

Colofon

352

218

221 222 228 238 247 256 260 273 284 296 303

inhoud

5


Inleiding Jeanine Dekker Isaac Bourjé was van eenvoudige komaf. Als jongeman had hij een baantje aangenomen als bediende bij een handelskantoor in Middelburg. Hij werd rijk nadat hij dit handelshuis zelf had overgenomen. Twee dienstboden had hij, een groot huis in de Sint-Pieterstraat en nog een kleiner er naast, een buitentje aan de rand van Middelburg en een eigen rijpaard. Na 1795 verloor hij alles. De economisch slechte tijden en een zakenpartner met een gat in de hand werden hem noodlottig. De handelsonderneming ging failliet, al zijn bezittingen werden verkocht en hij werd financieel vrijwel geheel afhankelijk van zijn zoon. Het lidmaatschap van het Natuurkundig Gezelschap moest hij opzeggen en wegens zijn ‘drukkende omstandigheden’ verzocht hij verschoond te mogen blijven van voldoening van de zogenaamde doodschuld (vier Zeeuwse rijksdaalders) die daarop stond. Zijn echtgenote Johanna Rachel Alffels was al in 1788 overleden, hijzelf stierf in 1805.1 Hun portretten prijken op dit derde deel van de Zeeuwse geschiedschrijving. Isaac Bourjé kan gelden als het prototype van de Zeeuwse burger rond 1800. De economische neergang die het gewest in deze periode trof, krijgt met hem een gezicht.

< Gezelschap voor het werfhuis op de Vlasmarkt in Middelburg, circa 1800. Tekening toegeschreven aan Jacobus Perkois.­ Universiteitsbibliotheek, Leiden, Prentenkabinet, PK-1969-T-216.

Tijdvak met een keerzijde Het heeft lang geduurd voordat het tijdvak 1700-1850 zich in de warme belangstelling van historici mocht verheugen. Tot in de jaren 1980 is deze periode in de geschiedschrijving gedeclasseerd geweest als een periode van verval en daarom als minder interessant. Verval trof volgens die opvattingen de samenleving in al zijn geledingen. Verval van het politieke en militaire aanzien dat de Republiek – en Zeeland in haar kielzog – wereldwijd genoot, verval als economische neergang, politieke traagheid, jansaliegeest, schrijnende verarming, stijgende criminaliteit, scherpe sociale ongelijkheid, grote zuige­lingensterfte, verval in vieze steden gevuld met onwelriekende mensen en met ‘lompe boeren’ op het platteland. Wie iets overkwam, was aangewezen op de kerkelijke diaconie of het plaatselijk armbestuur, dan wel op een chirurgijn die van ontsmetting en verdoving nog niet gehoord kon hebben. Zelfs de Zeeuwse elite kampte met verval. In de Nieuwe Cronyk van Zeeland van Mattheus Smallegange uit 1696 pronkten de rijke stedelingen nog met hun grandeur en buitenleven. Rond 1850 was het overgrote deel van de buitenplaatsen afgebroken en omgezet in landbouwgrond. Zierikzee, Middelburg en Vlissingen waren een groot deel van hun inwoners kwijtgeraakt en met name Zierikzee herstelde van die neergang nooit. Nadat in de jaren tachtig de aandacht van historici eenmaal was gewekt, bleek ook de andere kant van dit tijdvak. Het was tegelijkertijd de periode van de opkomst van het platteland, de burgerij, de democratie, de katholieke kerk en een nieuwe Zeeuwse identiteit. Wie kijkt naar het Zeeland van het midden van de negentiende eeuw ziet geen onttakelde provincie. De overheid investeerde geld in nieuwe havens en kanalen om de handel een impuls te geven. Ondanks de mislukte aardappeloogsten van de voorafgaande jaren stond de landbouw er rond 1850 goed voor. De radicaal-liberale omwenteling in de landelijke politiek zorgde rond 1850 voor meer democratie en een nieuwe bestuursstructuur. Dat kwam allemaal niet uit de lucht vallen. In de anderhalve eeuw daarvoor waren economische accenten verlegd, mens- en wereldbeelden verschoven en nieuwe politieke denkbeelden doorgebroken. Van deze

inleiding

7


Porseleinen bord met de kaart van Zeeland, 1822. Zeeland heeft zijn definitieve grenzen gekregen. Exemplaar uit een serie van achttien borden van de provincies van het toenmalige Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Bovenaan het wapen van Zeeland, onderaan het rijkswapen. Vervaardigd in Parijs. Rijksmuseum Amsterdam, BK-2010-15-8.

ontwikkelingen, die zich ook elders in het noordwesten van Europa voltrokken, namen de Zeeuwen ook hun deel. Margaret Jacob en Wijnand Mijnhardt spreken over de paradox van de Republiek in de achttiende eeuw: verlichtingscultuur temidden van economisch verval en politieke inertie. Van Sas betoogt dat ook tijdgenoten deze periode als een overgangsperiode beleefden. Terugkijkend kunnen we constateren dat het werkelijk om een transformatieproces ging. Zo vond na 1750 de geboorte plaats van de nieuwe ideologische stromingen liberalisme, conservatisme en nationalisme. Zij leverden de denkbeelden waarop tot op de dag van vandaag veel maatschappelijke en politieke ontwikkelingen zijn geënt.2 Naast de culturele, politieke en economische verschuivingen deed zich in dit tijdvak ook een belangrijke verandering voor in het politiek-geografisch territorium van de provincie. De grenzen werden letterlijk verlegd toen het voormalige Staats-Vlaanderen in 1814 bij het oude gewest Zeeland werd gevoegd. Het gebied ten zuiden van de Westerschelde had in de middeleeuwen bij het graafschap Vlaanderen gehoord en was na de Opstand bij de Republiek gekomen. Het werd als een apart gebied – een generaliteitsland – rechtstreeks bestuurd door de Staten-Generaal in Den Haag en heette om die reden Staats-Vlaanderen. Dat bleef zo tot 1794 toen de Fransen het bezetten en onder Frans bestuur brachten. De Zeeuwse eilanden volgden in 1810, waarna ze met de rest van Nederland enkele jaren deel uitmaakten van het rijk van de Franse keizer Napoleon. De laatste Fransen vertrokken begin 1814 van Walcheren. Kort daarvoor was Willem i als soeverein vorst aangetreden. Bij de totstandkoming van het Koninkrijk der Nederlanden werd het voormalige Staats-Vlaanderen toebedeeld aan de provincie Zeeland. Dit moment, waarop Zeeland zijn huidige politiek-geografische grenzen kreeg, wordt beschouwd als de geboorte van de huidige provincie en is tweehonderd jaar later de reden voor een grootse herdenking. De vierdelige reeks Geschiedenis van Zeeland, waarvan dit boek het derde deel vormt, verschijnt ter gelegenheid daarvan.

8

geschiedenis van zeeland iii

·

1700

– 1850


Het jaar 1814 markeert voor Zeeland, net als voor heel Nederland, een belangrijk historisch moment. Toch is er in dit overzichtswerk niet voor gekozen om 1814 als begin- dan wel eindpunt van een tijdvak te beschouwen. De ijkpunten waarmee deze serie werkt, liggen voor deel 3 op de ronde jaartallen 1700 en 1850. Dit zijn geen absolute omslagpunten; ze ‘clusteren’ als het ware ontwikkelingen op cultureel, politiek, economisch en landschappelijk terrein. Deze ontwikkelingen grijpen op elkaar in en geven zo richting aan de geschiedenis van de provincie. Aan de hand van ijkpunten kan rond deze ontwikkelingen de balans worden opgemaakt. Rond 1700 had Zeeland te maken met stedelijke welvaart, agrarische depressie, politieke crisis, een bloeiend cultuurleven en een dominante gereformeerde kerk. In 1850 was Zeeland gedesurbaniseerd, een agrarisch plattelandsgewest, politiek stabiel, gericht op de provinciale cultuur en met een sterker katholiek aandeel. Aan de ontwikkelingen die zich in de tussentijd hebben voorgedaan, is dit derde deel van de Zeeuwse geschiedschrijving gewijd.

Verantwoording De Geschiedenis van Zeeland is een samenvattend werk. Ook dit deel is een synthese op basis van reeds verschenen geschiedkundige publicaties. Er zijn belangrijke studies uitgekomen over de landbouw, gewestelijke financiën, economische geschiedenis, waterschappen, Zeeuwse Admiraliteit, het Zeeuwse aandeel in de voc en slavenhandel, het genootschapsleven en het patriciaat van enkele steden. Ook zijn de demografische, economische, politieke en culturele aspecten onderzocht die verband hielden met de verhouding tussen stad en platteland in Zeeland in de periode 1750-1850. De tijd lijkt rijp om tot een synthese te komen. Er zijn echter ook lacunes in onze kennis over Zeeland in deze periode. In de opzet van het project was geen nieuw onderzoek voorzien. Een enkele keer ontkwamen de auteurs er niet aan om dit toch te doen. Bovendien is daar waar geen informatie over Zeeland beschikbaar was, getracht inzicht te verwerven op basis van algemene literatuur. Ten slotte hadden de auteurs ook te maken met de omstandigheid dat in het historisch onderzoek tot nu toe meer aandacht is besteed aan Walcheren en Schouwen-Duiveland dan aan de overige delen van de provincie. Dit derde deel van de Geschiedenis van Zeeland sluit qua opbouw en aanpak nauw aan bij deel twee. De auteurs hebben getracht zoveel mogelijk aan te haken bij de daar geschetste ontwikkelingslijnen en invalshoeken, zodat de delen twee en drie als een coherent geheel kunnen worden gelezen. Het beperkte aantal van drie auteurs bood goede mogelijkheden voor de integrale analyse waarnaar in dit project wordt gestreefd. Het gaf de gelegenheid om de ontwikkelingen op de diverse terreinen nauw op elkaar te betrekken. In feite was deze werkwijze een logisch vervolg op het project De balans tussen stad en platteland, waaraan de drie auteurs ook meewerkten.3 De blik was ditmaal echter breder. Dit boek moest ook gaan over de Bevelanden, Zeeuws-Vlaanderen, Tholen en Sint-Philipsland en het analysekader behelsde meer dan alleen de verhouding tussen stad en platteland, zoals dat in het vorige project het geval was geweest. In het eerste hoofdstuk van dit boek worden de ontwikkelingen rond het landschap en het water geschetst. Daarna volgt een hoofdstuk over de demografische en sociale geschiedenis en vervolgens een hoofdstuk over de economische geschiedenis. Deze drie hoofdstukken zijn van de hand van Paul Brusse. Vervolgens gaat Jeanine Dekker in op de ontwikkelingen in politiek en bestuur. Arno Neele bespreekt daarna de religieuze en culturele geschiedenis. Aan het eind van het boek, in IJkpunt 1850, worden de ontwikkelingslijnen uit de thematische hoofdstukken nader met elkaar in verband gebracht. Wat betreft de naamgeving van de provincie en de regio’s sluiten we aan bij wat op dat moment in de geschiedenis gebruikelijk was. Nadat in 1814 het voormalige Staats-Vlaanderen bij het oude gewest Zeeland werd gevoegd, heette dat gebied Zeeuws-Vlaanderen. In dit boek volgen we het historische onderscheid in die benaming. Zowel Staats- als Zeeuws-Vlaanderen komen dus voor, afhankelijk van de periode. Op dezelfde wijze spreken we over het gewest of de provincie Zeeland. Voor de periode tot 1814

inleiding

9


Vaandel met het symbool van de Bataafse Revolutie: te midden van allerhande wapentuig houdt de maagd een staf vast waarop de vrijheidshoed prijkt. Haar rechterhand rust op het wapen van Tholen. Collectie Gemeente Tholen. Foto Wbooks.

10

wordt met de naam Zeeland uitsluitend het oude gewest, dus zonder Staats-Vlaanderen, bedoeld en vanaf 1814 de hele huidige provincie Zeeland. Een aantal begrippen die we in dit boek hanteren, verdient eveneens een nadere toelichting. Het culturele transformatieproces dat als het tijdperk van de verlichting de geschiedenisboekjes is ingegaan, kreeg in de tweede helft van de achttiende eeuw ook Zeeland in zijn greep. Als gevolg hiervan kregen noties als burgerschap, vrijheid en vaderland een andere betekenis. Historici als Niek van Sas, Wijnand Mijnhardt en Ido de Haan hebben hieraan beschouwingen gewijd. Ter wille van een goede aansluiting tussen deel twee, waarin deze begrippen nog hun zeventiende-eeuwse betekenis hebben, en deel drie, waarin ze met hun nieuwe connotaties worden gebruikt, is het wenselijk om kort in te gaan op de betekenisverschuivingen in dit vocabulaire. Religie en cultuur betekenden voor de Zeeuwen in de tweede helft van de achttiende eeuw niet meer hetzelfde als een eeuw eerder. In deel twee werd het concept ‘wereldbeelden’ gehanteerd om beide te kunnen duiden. Religieuze en culturele noties lopen daarin door elkaar. Dat paste bij de zeventiende-eeuwse Zeeuw, voor wie deze noties niet gescheiden waren en er bovendien slechts één goddelijke waarheid bestond. De vroege achttiende eeuw laat een voorzichtig beginnende verspreiding zien van het denkbeeld dat meerdere godsdiensten op de wereld bestaansrecht hadden en dat die gelijkwaardig waren. Zo werd in de daaropvolgende eeuwen geleidelijk het idee verlaten dat het calvinisme in de samenleving zou moeten domineren. In de visie op mens en maatschappij ging het wereldlijke een steeds grotere plaats innemen. Voor het bovenwereldlijke was daarin steeds minder plaats. Cultuur zong zich bijgevolg los van religie en werd verbonden met het seculiere begrip van de natie of beschaving. De veranderingen die deze omslag in het denken in de samenleving – ook de Zeeuwse – teweegbracht, waren groot.4 Deugd werd een sleutelbegrip in het politieke en culturele debat in de achttiende eeuw. Dat debat werd beheerst door de idee dat de samenleving in verval verkeerde. Het geneesmiddel voor die aftakeling was ‘beschaving’. Dit leidde de geboorte in van de ‘morele burger’, die zijn stempel zou drukken op de negentiende-eeuwse samenleving.5 De verlichte civil society had in Zeeland overigens een belangrijke tegenhanger in het orthodox-calvinisme, dat volgens de zeventiende-eeuwse calvinistische beginselen naar middelen zocht om de neergang te keren en het gebrek aan politieke daadkracht te doorbreken. De veranderingen in de politieke cultuur van de late achttiende eeuw hadden een grote draagwijdte. Het politieke vocabulaire is sindsdien radicaal gewijzigd. Begrippen als burgerschap, vrijheid, soevereiniteit en vaderland werden herijkt en van een andere betekenis voorzien. Een nieuw nationaal bewustzijn oversteeg lokale en gewestelijke loyaliteiten. Het besef van een ‘hoger’, algemeen Nederlands karakter deed vanaf de jaren 1760 steeds sterker opgeld. Een intrinsiek goed, niet verbasterd ‘vaderland’ werd gepresenteerd als antwoord op het verval. Het zou in de Bataafse tijd en in het latere Koninkrijk der Nederlanden zijn politiek-institutionele vertaling krijgen. De vraag in dit boek is hoe Zeeland hierin deelnam en wat de gevolgen waren voor de provincie.6

geschiedenis van zeeland iii

·

1700

– 1850


Zeeland in 1700 7 Welvarend, politiek soeverein en met een krijgsvloot die onmisbaar was voor de kustverdediging van de Republiek: rond 1700 deed Zeeland er toe in de Republiek en in de wereld. Middelburg was het visitekaartje van het gewest. In deze stad zetelde niet alleen het gewestelijk bestuur, maar bevond zich ook een hoogwaardige culturele infrastructuur. Er was een welvarende laag van bestuurders en kooplieden, die in de stad prima van boeken en andere uitingen van beschaving kon worden bediend. Zeeland had tussen 1550 en 1700 een periode van grote economische voorspoed beleefd. Als creatieve kapitalisten gingen de Zeeuwen steeds weer op zoek naar nieuwe bronnen van welvaart zodra de oude waren opgedroogd. Behendig wisten ze hun perifere ligging ten opzichte van de twee handelscentra Antwerpen en Amsterdam uit te buiten. Ze beheersten de Westerschelde – van belang als de toegangsroute naar Antwerpen. Ze hieven belasting over de goederen en lieten de voor Antwerpen bestemde lading overladen. Nadat Amsterdam Antwerpen als handelscentrum had overvleugeld, legde dit de Zeeuwen opnieuw geen windeieren. Ze namen voluit deel aan de intercontinentale handel, waar ze goud geld verdienden in de voc, wic en de kaapvaart. Kon Zeeland zijn positie vasthouden toen het handelsnetwerk verstoord raakte? Dat zal in dit boek blijken. Rijke stedelingen, vooral Middelburgers, hadden een deel van hun vermogen lucratief belegd in de bedijking en drooglegging van nieuwe polders. Het landbouwareaal was dankzij de inpolderingen in de zeventiende eeuw fors uitgebreid. Al was Zeeland gelet op de verhoudingen in de bevolkings­cijfers een stedelijke provincie (het merendeel van de ongeveer 100.000 inwoners woonde in 1700 in de steden), in economisch opzicht bewoog het gewest in een andere richting. De agrarische productie steeg, terwijl de economische productie in de steden rond 1700 nog maar zeer beperkt groeide. Graan was in de loop van de zeventiende eeuw een steeds belangrijker exportartikel geworden, maar had zijn winstgevendheid rond 1700 al weer goeddeels verloren als gevolg van het inzakken van de internationale conjunctuur. De investeerders waren echter niet voor een gat te vangen en stapten over op de lucratievere meekrapteelt. De toegenomen landbouwproductie was dus voor een belangrijk deel het gevolg van stedelijke ondernemingszin. Grote landbouwbedrijven waren nog nauwelijks te vinden. Op het platteland ontbrak ook een politieke en economische elite. De adel was na 1550 uit Zeeland verdwenen. Hun ambachtsheerlijkheden waren in bezit gekomen van steden en patriciërsfamilies. De stad was heer en meester op het platteland en liet zich daar niet onbetuigd. Rijke stedelingen bouwden er buitenplaatsen, waarmee vooral Walcheren een arcadische aanblik kreeg. De stad – centrum van beschaving en fatsoen – vormde een deel van het platteland naar eigen inzicht om tot een ideaallandschap. De rijke stedelijke bovenlaag, die na het midden van de zestiende eeuw was gevormd, zette in alle opzichten de toon. Ze beheerste het politiek bestuur. In de stadsbesturen, gewestelijke politiek, waterschappen en het lokaal bestuur op het

inleiding

Allegorie van Zeelands welvaart. Schepen, kanon en anker symboliseren de handel. Een korenzak en -maat, meevat en vlasbundel verbeelden de landbouw. Het Nehalennia-altaar verwijst naar de oudheden. Op de erepoort de wapens van de steden, op de platen van de kinderen de eilanden. Gravure van J.C. Philips, 1753. ZA, ZI-III-1512.

11


> Willem Aernout van Citters (17411811), hier als kind geportretteerd, was een telg uit een van de rijkste en machtigste families van Zeeland. Hij was van 1788 tot 1795 raadpensionaris van Zeeland. ZM, G1579.

12

platteland had de stedelijke elite het voor het zeggen. De minder gefortuneerden in de steden en de plattelandsbevolking schikten zich in deze verhoudingen. Onder de stedelijke burgerij vormde zich een ‘publieke opinie’, die via de pamfletpers ten gehore werd gebracht. De elite wilde niets liever dan de rust bewaren en was in een cultuur van plooien en schikken bereid de burgerij tegemoet te komen zolang het machtsevenwicht niet werd verstoord. Ook binnen de stadsbesturen leefden overigens tegenstellingen. Facties, vaak verbonden met bepaalde regentenfamilies, betwistten elkaar op tal van punten. Zeeland deelde handelsbelangen met Holland, maar was voor zijn welvaart ook afhankelijk van dit gewest, dat in de Republiek meer politieke macht bezat. Werd het Hollandse overwicht de Zeeuwse bestuurders te gortig, dan was er de stadhouder tot wie zij zich konden wenden. Oranje werd niet alleen beschouwd als de beschermer van het orthodoxe geloof, maar ook als beschermer van de minder machtige gewesten tegen de hegemonie van Holland. Het gevoel het kleinere broertje van Holland te zijn, was een constituerend element van het zelfbeeld van de Zeeuwse elite. Juist daarom misschien heerste onder de elite ook trots op wat Zeeland, naar men meende, op eigen kracht als soeverein gewest had bereikt. De schaal van het gewest had Zeeland in zijn ontwikkeling tot 1700 parten gespeeld. Een omvangrijke bovenlaag ontbrak, waardoor het niet tot grote culturele bloei was gekomen. Het hoger onderwijs kwam als gevolg van de kleine schaal niet tot wasdom. Een eigen Zeeuwse stijl had zich in de kunsten niet ontwikkeld; Vlaanderen en later Holland waren daarvoor te dominant. Voor een bloeiende culturele export was er in Zeeland bovendien onvoldoende kapitaal aanwezig. Het culturele aanbod was weinig divers; daarvoor was het aantal kopers te gering. Diversiteit heerste er wel in sociaal en religieus opzicht. Zeeland was een open samenleving met veel verbindingen met de buitenwereld. Immigranten en scheepslieden hadden zich tijdelijk of permanent in de Zeeuwse steden gevestigd. Daardoor was de bevolking na het midden van de zestiende eeuw een bonte mix geworden van mensen met grote verschillen wat betreft hun geografische herkomst, taal en religieuze denominatie. Tolerantie en loyaliteit waren een noodzakelijke levensvoorwaarde voor een samenleving met een schaal als die van Zeeland. Niettemin had de gereformeerde kerk in de zeventiende eeuw met redelijk succes een calviniseringsoffensief ingezet. Het intellectuele debat van andersdenkenden over de rede, Descartes en Spinoza verstomde toen de classis Zeeland predikanten verbood zich hiermee nog in te laten. In de steden bleef het effect van het offensief evenwel beperkt. Zo’n 30 procent van de stedelijke bevolking was nog altijd geen lid van de gereformeerde kerk. Op het platteland slaagde het beter, al bleven er enkele katholieke enclaves bestaan. Zou het calvinisme in Zeeland na 1700 doorzetten? Deze en andere vragen staan in dit boek centraal. Het zeventiende-eeuwse religieuze natieconcept werd voor een groot deel verdrongen door een verlicht nationalisme. Hoe paste Zeeland in dit nieuwe vaderlandbegrip? In de hervormingsdrang na de Bataafse Revolutie sneuvelde de gewestelijke soevereiniteit en die zou in het nieuwe staatsbestel na 1814 niet terugkeren. Zeeland werd een provincie die qua economische inbreng en inwonertal in nationaal verband weinig meer had in te brengen. Wat heeft dit met het zelfbeeld van de Zeeuwen gedaan? In deel twee van deze geschiedschrijving werd al geconstateerd dat de ‘Gouden Eeuw’ van Zeeland veel langer duurde dan altijd werd gedacht. Wanneer kwam deze dan wel ten einde? Losgezongen uit de internationale netwerken en met een fundamenteel andere positie in het nationale geheel bleef Zeeland goeddeels verstoken van nieuwe impulsen. Nam de ‘provincie in de periferie’ nu een introverte houding aan? Of kon Zeeland toch de open provincie blijven met verbindingen tot ver over de landsgrenzen? Behielden Middelburg en Walcheren het primaat in de provincie? In welke mate hield de strijd tegen het water de Zeeuwen nog bezig? Hoe waren de interne economische verhoudingen? Zette de economische accentverschuiving van stad naar platteland door? Als dat zo was, werd het platteland dan ook in politiek en cultureel opzicht belangrijker? Wie weet, had Isaac Bourjé, de verarmde burgerman rond 1800, elders in de provincie nog wel een succesrijke tegenhanger.

geschiedenis van zeeland iii

·

1700

– 1850


1 Land en water Paul Brusse Gedurende de achttiende en eerste helft van de negentiende eeuw veranderden het Zeeuwse land en de Zeeuwse stromen betrekkelijk weinig van vorm. Globaal genomen lag de provincie er in 1850 ongeveer zo bij als in 1700. In dat tijdvak vonden geen allesverzwelgende stormvloeden plaats zoals in de zestiende eeuw. Het lijkt een periode van consolidatie. Toch gebeurde er veel. Er werden duizenden hectaren land gewonnen, er vonden tientallen dijkvallen plaats, de paalworm richtte grote schade aan en veel waterkerende polders raakten in financiële moeilijkheden. Men moet zich daarbij realiseren dat nergens in Nederland zoveel zeedijken te onderhouden waren als in dit gewest. Dit hoofdstuk gaat over hoe Zeeland zich tegen de zee verweerde. Daarnaast is er aandacht voor de inpolderingen, ruimtelijke ordening en landschappelijke ontwikkelingen.

Overstromingen en inundaties De periode 1700-1850 staat te boek als een tijdvak met weinig stormvloeden. In de zestiende eeuw werd de provincie door zeven zware stormvloeden getroffen, die veel ellende veroorzaakten, en in de zeventiende eeuw door drie. In de achttiende eeuw trof één stormvloed Zeeland, namelijk in 1715. De meest rampzalige stormvloed tussen 1700-1850 deed zich in 1808 voor. Daarop volgde in 1825 nog een stormvloed met minder dramatische gevolgen.8 Niettemin overviel de zee delen van Zeeland en StaatsVlaanderen veel vaker, zoals in 1704, 1708, 1714, 1720, 1721, 1745, 1750, 1767, 1775, 1784, 1788, 1791, 1799, 1802 en 1845. Deze overstromingen, waarbij niet meer dan een of een paar polders onderliepen, worden wel lage vloeden genoemd. In het vorige deel van Geschiedenis van Zeeland is besproken waarom de stormvloeden na de zestiende eeuw minder catastrofaal werden. De zee was niet minder bedreigend, maar de verdediging was sterk verbeterd. Toch ging het soms mis, zoals in 1715. Begin maart kwamen grote stukken land van de huidige provincie onder water te staan als gevolg van barre weersomstandigheden, dijkdoorbraken en -overstromingen. Bij Namen in Staats-Vlaanderen waren zelfs dodelijke slachtoffers te betreuren, maar op de Zeeuwse eilanden vermoedelijk geen. Aan deze overstroming heeft Zeeland een deel van het natuurgebied Verdronken Land van Saaftinge te danken, want de ingelanden van de ondergelopen polder van Namen (in 1613 ingedijkt na een eerdere overstroming) hadden geen middelen om de herdijking te financieren. Het grootste deel van het huidige natuurgebied was al ruim vóór 1700 ontstaan en in tegenstelling tot veel omliggende schorren nadien niet meer ingedijkt. In 1715 liep in totaal ruim 7800 gemet (circa 3400 hectare) in het Hulsterambacht onder water. De wintergewassen waren verloren evenals veel voorraden in de schuren. Afgezien van de polder van Namen werd al het land weer teruggewonnen, maar het duurde soms een paar jaar voordat de boeren weer konden oogsten.9 Op Tholen braken verschillende dijken, waardoor vooral Oud-Vossemeer werd getroffen. Op Walcheren hielden de meeste dijken het en waren er geen grote overstromingen, maar de zeeweringen liepen wel veel schade op. Op Schouwen bezweek de dijk aan de westkant van het Dijkwater met als gevolg dat de polder Schouwen, die zo’n 10.000 hectare besloeg, onderliep. Zierikzee kwam ‘met de zee gemeen’ te liggen en ook de Markt van Brouwershaven kwam onder water te staan. Op Duiveland

l a n d e n wat e r

< Foto van de Verdronken Zwarte Polder, een sluftergebied bij Nieuwvliet in Zeeuws-Vlaanderen, dat in 1802 na een dijkval is ontstaan. Zeeland heeft duizenden hectaren land op de zee veroverd, maar soms werden er ook polders noodgedwongen opgeofferd. Het bekendste gebied is het Verdronken Land van Saaftinge. Foto Ivo Wennekes.

Erezuil van papier onder een glazen stolp uit 1833, vervaardigd door Johannes Reijgers voor Stephanus Roelse, die dat jaar werd beëdigd als oppercommies bij de directie van de Polder Walcheren. Op de aquarel zijn onder meer paalhoofden te zien en landmeetkundige instrumenten. ZM, G2688.

15


De Nieuwe Haven en de Wijn­ bergse Kaai in Vlissingen tijdens de stormvloed van januari 1808. Het dijklichaam aan de kade was ten dele afgegraven ten behoeve van de verbreding van de ingang van de haven. Toen de dijk het begaf, was de stad binnen dertig minuten ondergelopen. ZA, ZI-III-0291-01.

begaven enkele dijken het, waardoor twee polders onderliepen. De Kerstvloed van 1717 maakte veel slachtoffers in de Republiek, maar Zeeland bleef redelijk gespaard.10 Naast de stormen zorgden de mensen zelf ook voor de nodige wateroverlast door moedwillige inundaties ter bescherming tegen militair gevaar. Daarbij was vooral Staats-Vlaanderen de klos, dat als generaliteitsland een van de verdedigingszones was van de Republiek. Het gebied grensde aan de Zuidelijke Nederlanden, die een buffer vormden tussen de Republiek en Frankrijk. Delen van StaatsVlaanderen werden, ongeacht de economische schade voor de inwoners, onder water gezet wanneer een militaire invasie dreigde. In 1702 bijvoorbeeld, aan het begin van de Spaanse Successieoorlog, werden de dijken van de GrootKieldrecht- en Ferdinanduspolder in Oost-Staats-Vlaanderen doorgestoken om de oprukkende Franse legers tegen te houden. Daarbij kwam 1740 gemet landbouwgrond onder water te staan. De oorlog eindigde in 1713, maar het duurde nog tot 1719 voordat alle polders waren herbedijkt. In 1744 was het weer raak. Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) trokken de Fransen Staats-Vlaanderen binnen en als reactie werd in 1744 en 1745 5000 gemet (circa 2250 hectare) cultuurland in Hulsterambacht onder water gezet. Het duurde tot na de Vrede van Aken (1748) voordat de herdijking een aanvang nam. In tegenstelling tot voorgaande inundaties kregen de boeren dit keer een compensatie in de vorm van vrijstelling van de verponding voor een periode van drie jaar. De Raad van State betaalde twee derde van de herstelkosten. Overigens bleef de schade voor de boeren enorm. Ook halverwege de jaren tachtig en medio jaren negentig van de achttiende eeuw werden in StaatsVlaanderen polders geïnundeerd vanwege de Franse dreiging. Dat waren de laatste keren tot aan de Tweede Wereldoorlog. De Fransen vormden na 1814 geen groot gevaar meer en deze verdedigings­ tactiek was minder efficiënt geworden, vooral omdat de Fransen steeds beter geïnformeerd waren over de situatie in Zeeuws-Vlaanderen.11 De inundaties raakten verleden tijd, maar dat was niet het geval met de overstromingen en dijkdoorbraken. Naast wat kleinere overstromingen waren er in 1808 en 1825 twee stormvloeden met meer impact. Vooral de eerste had, zoals gezegd, grote gevolgen.12 In de nacht van 14 op 15 januari 1808, anderhalve dag na volle maan en toen er bij hoogwater dus sprake was van springtij, woedde een heftige noordwesterstorm. Dat is dikwijls een fatale combinatie,

16

geschiedenis van zeeland iii

·

1700

– 1850


De Palingstraat in Vlissingen op de ochtend na de storm. Er waren 33 dodelijke slachtoffers te betreuren, veel huizen waren ingestort als­ mede verschillende openbare gebouwen. ZA, ZI-III-0291-04.

ook destijds. Op Walcheren was vooral Vlissingen de dupe. Deze stad was kwetsbaarder dan normaal, omdat het dijklichaam aan de Wijnbergsekade ten dele was afgegraven voor de verbreding van de ingang van de haven. Kort na middernacht bezweek de dijk, waardoor een waterval ontstond en het zeewater de straten werd ingeperst. De hele stad liep binnen een half uur onder. In het oostelijke en tamelijk laag gelegen gedeelte van Vlissingen stonden de woningen binnen de kortste keren onder water. Veel huizen stortten in, alsmede verschillende openbare gebouwen. Schade aan de kademuren ondermijnde de kades. Uiteindelijk vielen er 33 dodelijke slachtoffers te betreuren. In totaal trof de overstroming 227 gezinnen (929 personen).13 Niet alleen op Walcheren vielen dodelijke slachtoffers, maar ook in het voormalige Staats-Vlaanderen, dat was ingelijfd bij Frankrijk. Daar verloren 21 mensen het leven. Er liepen 57 polders geheel of ten dele onder. Het gebied tussen Sluis en Hulst, duizenden hectare groot, veranderde in een zee. De schade aan de (opgeslagen) gewassen, gereedschappen en gebouwen was zeer groot. Zuid-Beveland, met name het gebied rond Kruiningen, had het zwaar te verduren als gevolg van een groot gat in de dijk ten oosten van Hansweert. De stad Tholen had veel last van het water. Op het eiland stonden negentien polders blank. Op Noord-Beveland kwamen zeven polders onder water te staan; het westelijk deel van het eiland had de meeste schade.14 Schouwen-Duiveland werd evenmin gespaard. Degenen die opletten in die beruchte nacht zagen de voortekenen. De schepen in de haven van Zierikzee kwamen bij laag tij niet droog te liggen zoals normaal gebeurde en het water stroomde al twee uur vóór hoog tij over de dijken. De vloedplanken bleken snel onvoldoende weerstand te bieden en de stad kwam onder water te staan. De schade aan de gebouwen was enorm en er viel een dode. Op Schouwen zelf werd een grote ramp afgewend, doordat de dijken, die hier en daar weliswaar overstroomden, het hielden, onder meer dankzij het ingrijpen van enkele dijkwerkers. Duiveland ontsnapte eveneens. De Zuidhoek bij Zierikzee daarentegen – al eeuwen een gevaarlijke plek – en een paar polders rond Brouwershaven werden wel getroffen. In totaal kwam op Schouwen-Duiveland ongeveer 850 hectare onder water te staan. Al met al kan deze stormramp tot de grootste in de Zeeuwse geschiedenis gerekend worden, hoewel het aantal dodelijke slachtoffers in het niet valt bij dat van de grote ramp in 1953.15 Ook in februari 1825 werd Zeeland getroffen door stormvloeden. Het was een langdurige en hevige

l a n d e n wat e r

17


colofon

Geschiedenis van Zeeland verschijnt ter gelegenheid van het tweehonderdjarig bestaan van de provincie Zeeland in 2014. Geschiedenis van Zeeland kwam tot stand onder auspiciën van de Stichting Historisch Onderzoek Zeeland (shoz) en het Onderzoekinstituut voor Geschiedenis en Cultuur (ogc) van de Universiteit Utrecht.

Vormgeving Riesenkind, ’s-Hertogenbosch

Het wetenschappelijk onderzoek en de uitgave zijn financieel mogelijk gemaakt door het provinciaal bestuur van Zeeland. Uitgave wbooks , Zwolle info@wbooks.com www.wbooks.com i.s.m. Onderzoekinstituut voor Geschiedenis en Cultuur van de Universiteit Utrecht en de Stichting Historisch Onderzoek Zeeland

Cartografie Richard Bos, Wergea Fotografie za en zm Ivo Wennekes, Middelburg

© 2013 wbooks / Onderzoekinstituut voor Geschiedenis en Cultuur van de Universiteit Utrecht / de auteurs Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Redactie Dr. Paul. Brusse, coördinator en eindredacteur Prof. dr. Peter Henderikx, redacteur deel 1 Prof. dr. Wijnand Mijnhardt, redacteur deel 2 Dr. Jeanine Dekker, redacteur deel 3 Dr. Jan Zwemer, redacteur deel 4 Beeldredactie Drs. Katie Heyning Redactieraad dr. Bert Altena (Erasmus Universiteit Rotterdam) prof. dr. Bas van Bavel (Universiteit Utrecht) drs. Marlies Jongejan (Zeeuwse Bibliotheek, Middelburg, shoz) dr. Hannie Kool-Blokland (Zeeuws Archief, Middelburg, shoz) drs. Roelof Koops (shoz) prof. dr. Pim Kooij (emeritus hoogleraar Universiteit Groningen en Wageningen University) prof. dr. Piet Leupen (emeritus hoogleraar Universiteit van Amsterdam) drs. Albert Meijer (Zeeuws Archief, Middelburg) dr. Jan Parmentier (Museum aan de Stroom, Antwerpen)

352

prof. dr. Maarten Prak (Universiteit Utrecht) dr. Jan Reijnders (Universiteit Utrecht) prof. dr. Marleen van Rijswick (Univer­siteit Utrecht) prof. dr. Niek van Sas (Universiteit van Amsterdam)

De uitgever heeft ernaar gestreefd de rechten met betrekking tot de illustraties volgens de wettelijke bepalingen te regelen. Degenen die desondanks menen zekere rechten te kunnen doen gelden, kunnen zich alsnog tot de uitgever wenden. Van werken van beeldende kunstenaars aangesloten bij een cisac-organisatie is het auteursrecht geregeld met Pictoright te Amsterdam. © c/o Pictoright Amsterdam 2013.

isbn 978 90 400 0819 1 nur 693

colofon


File 1380705900