Issuu on Google+

Inleiding

De wereld van het design heeft tal van verschuivingen en veranderingen in de loop van de afgelopen honderd jaar doormaakt. De evolutie van de techniek, technologie en het design zelf heeft een invloed gehad op hoe we ons dagelijks leven leiden, onze ideeën communiceren en een beeld van onszelf naar voor brengen. Dit geldt vooral in de context van de huizen waarin wij leven, die in zo veel verschillende opzichten volledig getransformeerd zijn. De manieren waarop we onze huizen en appartementen ordenen, de manieren waarop ze zijn gebouwd en functioneren, zijn allemaal drastisch veranderd. Het huis is nu meer dan ooit ook een plek geworden waarin we onszelf echt kunnen uitdrukken, een toevluchtsoord dat we vrij vorm kunnen geven in overeenstemming met onze eigen verbeelding en verlangens. Dit geldt niet alleen voor de woningen van een selecte designelite of rijken, zoals ooit het geval is geweest, maar voor tal van huizen op tal van verschillende plaatsen. De groeiende interesse in het ontwerpen en decoreren van de persoonlijke ruimte is een democratische en creatieve beweging die leidt tot een interieur dat onze eigen passies en interesses weerspiegelt. We genieten van het proces van het bedenken en het opnieuw uitvinden van onze woonruimtes met kleuren, stijlen, ideeën, patronen en producten die ons verleiden, maar ook naar anderen toe ons gevoel van eigenwaarde en individualiteit uitdrukken. Er lijkt nu meer dan ooit belangstelling te zijn voor het ontwerpen en decoreren van de woning en het vormgeven van persoonlijke ruimtes. Tijdschriften, kranten, televisieprogramma’s, designwinkels, websites en catalogi bieden een dagelijkse dosis van inspiratie en suggesties voor de woningen waarin we wonen. Een deel daarvan vertaalt zich in een passie voor vastgoed en het verbeteren en moderniseren van woonruimtes, zodat ze meer waarde krijgen voor toekomstige kopers, en een opwaartse groei op de vastgoedmarkt mogelijk maken. Maar naast dit praktische aspect richten mensen zich ook op comfort, escapisme en verwennerij, en zoeken van hun woning een toevluchtsoord te maken.

Inleiding


Een huis vandaag moet veel verschillende dingen zijn, en ‘een plek om te wonen’ is daar slechts een van. Het moet ook een plek zijn om te koken en te eten, te werken en te spelen, om te consumeren en te groeien, om zich te ontspannen en op te laden. Onze huizen en appartementen zijn steeds beter uitgerust met technologie en techniek die aan al deze eisen helpen te voldoen, maar tegelijkertijd willen we ruimtes die, los van onze functionele eisen, naar onze mening en hopelijk ook die van anderen, mooi, verleidelijk en begeerlijk zijn. Vanuit vele verschillende bronnen worden we steeds beter geïnformeerd over design, en we hebben een beter begrip gekregen van de basisprincipes die gebruikt worden om een geslaagd interieur te creëren. Door te kijken naar het werk van ontwerpers, architecten en stijlmakers, ontwikkelen we een echt gevoel van wat we leuk en niet leuk vinden, welke ideeën werken en welke niet. Een deel van dit begrijpen ontstaat vanuit een waardering voor een aantal huizen en interieurs die in een of ander opzicht iconisch geworden zijn – dit zijn ruimtes die een designbeweging belichamen of een bepaalde stijl definiëren, of een frisse en innovatieve benadering van de interieurruimte suggereren die jarenlang impact blijft hebben. Elk van deze iconische interieurs heeft een uitstraling en een belang die verder reiken dan de directe ambities van de ontwerper op het moment van zijn of haar creatie. Ze zijn onderdeel van een complexe, inspirerende landkaart van het twintigste-eeuwse design, die onze eigen verbeelding stimuleert en ons aanmoedigt om te experimenteren met verschillende ideeën, combinaties, kleurkeuzes en tegenstellingen. Dergelijke iconische ruimtes in ons opnemen geeft ons meer moed en vertrouwen in onze eigen benadering van het interieurdesign. Gezien de uiteenlopende ambities die doorheen de tijd voor het huis werden ontwikkeld, is het niet verwonderlijk dat een hele industrie is ontstaan rond het creëren van verfijnde interieurs aangepast aan onze behoeften en verlangens. Net zoals het huis zich heeft getransformeerd in

Inleiding


de loop van de twintigste eeuw en daarna, is ook het beroep van de interieurontwerper veranderd, en met een verbazingwekkende snelheid. Aan het einde van de negentiende eeuw waren interieurs nog grotendeels de zorg van ambachtslieden, vaklui en handelaars, in het bijzonder meubelmakers, stoffeerders en drapeniers die maar al te graag de huizen van hun cliënten vulden met zo veel versiering als het budget toeliet​​. Er waren echter ook een aantal architecten die zich net zo veel met het interieur bezig hielden als met het ontwerp van de structuur van het huis. In het bijzonder zijn er Arts and Crafts ontwerpers als Mackay Hugh Baillie Scott, Edwin Lutyens en Charles Voysey die de twee domeinen als nauw met elkaar verbonden zagen en zich ook rechtstreeks op beide richtten. Toch waren er veel architecten die even goed een leeg doek opleverden, een lege huls die naar believen kon worden gevuld met het product van de ambachten en de geneugten van de decoratieve kunsten. Tegen het einde van de eeuw werd de overmaat van het ornament (binnen en buiten de woning), kritisch bestookt vanuit een groot aantal verschillende richtingen,

1901 Peter Behrens (1868-1940) Behrens Huis / Mathildenhöhe Darmstadt, Duitsland Peter Behrens, die een baanbrekende en nieuwe manier van denken over architectuur en design aan het begin van de twintigste eeuw ontwikkelde, is best bekend voor zijn werk als artistiek adviseur voor AEG (Allgemeine ElektricitätsGesellschaft/General Electric Company), waar hij zowat alles ontwierp, van producten en logo’s tot de beroemde Turbine Hall in de Berlijnse fabriek van het bedrijf (1909). Behrens werd erkend als een van de eerste industriële ontwerpers, maar hij was ook een veelzijdig talent – een volleerde schilder, architect en ontwerper. Hij vertegenwoordigde de link tussen Arts and Crafts, art nouveau (Jugendstil) en de Moderne Beweging, en talenten als Le Corbusier, Mies van der Rohe en anderen zijn begonnen in zijn kantoor. Behrens’ eigen huis in Darmstadt was zijn eerste voltooide gebouw. Het was een modelhuis van de Darmstadt Kunstenaarskolonie, opgericht op uitnodiging van groothertog Ernst Ludwig von Hessen. Het werd voltooid in 1901, op tijd voor de Kolonietentoonstelling, en werd opgenomen in de catalogus als onderdeel van de tentoonstelling. Terwijl het exterieur vertrouwde bouwkundige elementen mixt met een nette en rationele vorm, vertegenwoordigde het interieur een compleet samenhangend ontwerp, van de portiergrepen tot het bestek. De belangrijkste woonruimtes op de begane grond konden worden samengevoegd voor gelegenheden of gescheiden voor meer privacy. Een muziekkamer met een verguld plafond, donker hout en panelen van blauw spiegelglas contrasteert met een eetkamer met wit meubilair, een sierlijk plafond met kristallen elektrische armaturen en karmozijnrode toetsen. De vele ingebouwde meubelstukken creëerden een harmonieuze en geconcentreerde compositie.



Inleiding


gaande van architecten zoals Adolf Loos, Louis Sullivan (die de uitdrukking ‘form follows function’ bedacht) en Otto Wagner, tot commentatoren en schrijvers, zoals Edith Wharton. In 1897, publiceerde Wharton samen met architect Ogden Codman, Jr., een zeer invloedrijk boek getiteld The Decoration of Houses. Wharton en Codman werden beide geïnspireerd door de neoclassicistische Europese architectuur, maar waren ook geschokt door wat zij zagen als de overmaat van decoratie die het typische laatVictoriaanse huis overspoelde. ‘Huisdecoratie’, schreven ze, ‘wordt nu beschouwd als een zwarte kunst door diegenen wiens kamers onderworpen zijn geweest aan de manipulaties van de moderne stoffeerder.’1 Wharton en Codman pleitten voor ‘eenvoud’ en ‘harmonie van lijn’, en stelden dat de architectuur en het interieur twee kanten van dezelfde medaille waren. Problemen en excessen hebben zich ontwikkeld, vertelden ze hun lezers, bij het ontstaan van een ongelijkheid ​​tussen de architectuur van een gebouw en het interieur. Wharton en Codman realiseerden hun 1 Edith Wharton & Ogden Codman, Jr, The Decoration of Houses, The Mount Press / Rizzoli, 1897.

1903 Henry van de Velde (1863-1928) Villa Esche / Chemnitz, Duitsland Net als Peter Behrens, was Henry van de Velde zowel kunstenaar als architect en interieurontwerper. De Belgische designpionier was een voorstander van de art nouveau, en ontwierp meubels en interieurs voor de invloedrijke galerie Maison de l’Art Nouveau van Samuel Bing in Parijs. Gedurende zijn hele carrière is Van de Velde sterke banden met de kunstwereld blijven houden. In 1895 ontwierp Van de Velde een huis, Bloemenwerf genaamd, voor zichzelf in Ukkel bij Brussel. Het kreeg aanzienlijk veel aandacht, en zijn werk werd uitvoerig gepubliceerd in Duitsland, waar Van de Velde vele jaren bleef werken en mede de evolutie van de art nouveau (Jugendstil) vorm gaf. Een groot deel van het werk van Van de Velde in Duitsland werd gerealiseerd in Chemnitz, waar hij een sterke professionele relatie aanging met de zakenman Herbert Esche, mede-eigenaar van een grote kousenfabriek maar ook een kunstverzamelaar en mecenas, en een aantal projecten voor hem en zijn familie ontwierp. Kort na zijn huwelijk, gaf Esche Van de Velde de opdracht een riante ​​ familievilla te creëren die net als Bloemenwerf een Gesamtkunstwerk (totaalkunstwerk) zou worden. Van de Velde ontwierp de structuur, de tuinen, de interieurs, de meubels en het servies, en naar verluidt zelfs Esche’s pijp. Met haar houten lambrisering, op maat gemaakte verlichting en open interieurs die het vakmanschap en de rijkdom van de materialen accentueerden, gaf Villa Esche Van de Velde een nog ​​grotere bekendheid. Het huis werd voor het publiek geopend in 2001.

Inleiding




1910 Adolf Loos (1870-1933) Steiner House / Vienna, Oostenrijk Adolf Loos, een pionier en profeet van de modernistische beweging, voerde in zijn architectuur en geschriften strijd tegen wat hij zag als de overdaad van het ornament, die hij overal om hem heen zag. Loos keerde de art nouveau en de secessionistische decoratieve uitbundigheid de rug toe en pleitte voor een meer sobere, gereserveerde en doordachte benadering van het interieurontwerp, onder meer in zijn beroemde essay ‘Ornament en Misdaad’. Het huis dat hij ontwierp rond een schilderstudio voor de schilder Lilly Steiner en haar man illustreert deze aanpak. De eenvoudige, heldere witte voorgevel, samen met het gebogen metalen dak en de centrale dakkapel, was een statement dat gretig werd overgenomen door de vroege modernisten. Hoewel Loos beperkt was door bouwvoorschriften, vooral aan de straatzijde, slaagde hij er toch in om een complex gebouw met vier verdiepingen te creëren. Voor Loos was er een duidelijk onderscheid tussen de strakke gevel van een huis en het interieur, dat hij zag als een decor voor het sociale en culturele leven van zijn cliënten, en daardoor ook meer vrijelijk kon worden benaderd. Het interieur van het Steiner House is verrassend rijk, met een schat aan natuurlijke materialen, wanden met houten panelen en ingebouwde meubels, waaronder de zithoek in de woonkamer en het Chippendale meubilair in de eetkamer. Andere belangrijke projecten in de carrière van Loos zijn onder meer de Villa Müller in Praag (1928), die werd omgebouwd tot een museum en opengesteld voor bezoekers.



Inleiding


manifest in The Mount, Whartons landhuis in het landelijke Massachusetts (zie pagina 28). Het boek van Wharton en Codman raakte ook een gevoelige snaar bij anderen, zoals Elsie de Wolfe en Nancy Lancaster, die zich al snel ontwikkelden als baanbrekende figuren binnen het nieuwe beroep van interieurdecoratie. Elsie de Wolfe was een New Yorker met flink wat connec­ ties, vaak omschreven als de allereerste Amerikaanse professionele binnenhuisarchitect. Net als Wharton en Codman werd ze beïnvloed door Europese architectuur en design, en pleitte voor eenvoud, weinig rommel en lichte, frisse kleuren. Ze kreeg haar eerste opdracht in 1905, voor het ontwerpen van de Colony Club in New York. De Wolfe was niet bang om – op de juiste plaatsen – patronen te gebruiken en combineerde probleemloos antieke met moderne stukken. Ze reisde tussen Europa en Amerika, en kocht de beroemde Villa Trianon in Versailles als een Frans thuis. Tegen de jaren twintig had een aantal invloedrijke decorateurs zich met succes gevestigd. Ze behandelden de ruimte nu als een samenhangend geheel op zich, in plaats van een losse verzameling meubels, stoffen en objets d’art. In Londen opende interieurontwerper Syrie Maugham haar eerste winkel in 1922, gevolgd door andere in New York en Chicago. Eleanor Brown richtte McMillen Inc. op in 1924 in New York, en pleitte ook, naar het voorbeeld van Wharton-Codman, voor ‘eenvoud en terughoudendheid’. Ze had opleidingen gevolgd in New York en aan de Parsons School of Design in Parijs, die in 1921 werd opgericht als een satelliet van het Amerikaanse moederinstituut dat in de late jaren 1890 was ontstaan. McMillen, Maugham en anderen richtten zich op een high-society cliënteel met niet één, maar meerdere woningen. Rond diezelfde tijd vestigde Jacques-Émile Ruhlmann

1914 Elsie de Wolfe (1865-1950) The Frick Residence / New York, Verenigde Staten In haar interieurwerk reageerde Elsie de Wolfe tegen de zware Victoriaanse stijl van haar ouders’ generatie. Haar eigen stijl is vrouwelijk, fris, licht en overzichtelijk, en sterk beïnvloed door de Franse periodestijl, met veel chintz en antiek, maar ook meer gewaagde, moderne elementen. De Wolfe begon haar carrière als actrice, en haar interesse in set design stimuleerde haar passie voor interieurs. Ze vestigde zich in de vroege jaren 1900 en won een opdracht om de interieurs van de Colony Club te ontwerpen. Dit succes verzegelde haar reputatie als smaakmaker, en in 1913 publiceerde ze haar boek The House in Good Taste. In die tijd verzekerde De Wolfe ook een van haar meest lucratieve, meest aanzienrijke opdrachten: het ontwerpen van het interieur van een nieuw herenhuis in Manhattan voor de rijke industrieel en kunstverzamelaar Henry Clay Frick. De Wolfe werd gevraagd om veertien familiekamers op de bovenste twee verdiepingen van het gebouw, ontworpen door Thomas Hastings in Franse neoclassicistische stijl, te decoreren; de grote kamers op de belangrijkste verdieping waren ontworpen door Sir Charles Allom. De Wolfes ontwerp voor Frick omvatte onder meer Frans antiek gekocht tijdens reizen naar Europa in 1913. Mevrouw Fricks privésalon, ook wel bekend als de Boucher Room naar een reeks geschilderde panelen van François Boucher die werden gemaakt in opdracht van Madame Pompadour, is vandaag nog steeds intact. Het huis is nu een van de meest populaire kleine New Yorkse musea.


1925 Armand-Albert Rateau (1882–1938) Jeanne Lanvin Apartment / Parijs, Frankrijk Armand-Albert Rateau was geen typische art deco ontwerper, hoewel hij zijn reputatie in Parijs, en internationaal, vestigde op het hoogtepunt van haar populariteit. Hij vond ook inspiratie in het neoclassicisme, de decoratieve kunsten van Japan en China en motieven uit de natuur (een menagerie van de dieren vond haar weg naar zijn meubels en interieurs). Na aan de École Boulle te hebben gestudeerd, werkte Rateau vele jaren als directeur van de interieurfirma La Maison Alavoine in Parijs. Na legerdienst tijdens de Eerste Wereldoorlog richtte hij zijn eigen bedrijf op en oogstte succes in Frankrijk en in het buitenland in de vroege jaren twintig, dankzij werk voor belangrijke klanten, zoals de gevierde couturière Jeanne Lanvin (1867-1946). Rateau had zijn eigen meubelateliers en ook een designstudio, en werd gevraagd om het interieur van een aantal Lanvin boetieks te ontwerpen. Hij werd ook opdracht gegeven om het interieur van haar Parijse hôtel particulier in de rue Barbet-de-Jouy te creëren. De muren in Lanvins slaapkamer zijn in typisch ‘Lanvin blauw’ geschilderd, met witte bloemmotieven die tegen het blauw afsteken, en in de op maat gemaakte meubels en verlichting zijn gebeeldhouwde steunen in de vorm van bronzen vogels ingewerkt. De slaapkamer, badkamer en de privésalon werden in 1965 opnieuw opgesteld in het Musée des Arts Décoratifs.

zich als een van de grootste ontwerpers in Frankrijk. Tegen het midden van de jaren twintig was Ruhlmanns art-decostijl, of Moderniste, heel erg in trek, met handgemaakte meubels en interieurs waarin luxueuze, prachtige stijlvolle materialen zoals segrijn, ebbenhout en hagedissenhuid en ook lakwerk en chroom werden verwerkt. Een andere Fransman, Jean-Michel Frank, droeg ook bij aan de reputatie van het land als een centrum van uitzonderlijk design, en bereikte het hoogtepunt van zijn roem in de jaren dertig, toen hij werkte voor invloedrijke cliënten, waaronder de Vicomte en Vicomtesse de Noailles in Frankrijk en Nelson Rockefeller in New York. Zijn werk werd ook bewonderd door Elsie de Wolfe, Syrie Maugham en anderen. Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog was de wereld van het design door een periode van grote onrust gegaan: een groot aantal Europese ontwerpers en architecten waren naar de Verenigde Staten verhuisd, en de oorlogstechnologie had vele innovaties en materialen zoals multiplex, dat werd gebruikt voor nieuwe soorten meubilair, beenspalken en militaire



Inleiding


1925 Jacques-Émile Ruhlmann (1879-1933) Hôtel d’un Collectionneur / Parijs, Frankrijk Het werk van Jacques-Émile Ruhlmann had vooral te maken met luxe. Ruhlmann, een meester van de artdecobeweging, begreep zijn doelgroep perfect, en creëerde meubels en interieurs met buitengewone details, hoogstaand vakmanschap en exotische materialen. Liever dan een compromis in kwaliteit te riskeren, liet hij zijn ambachtslieden zijn stukken steeds opnieuw bewerken, en hij beweerde ooit dat veel van zijn ontwerpen zo duur waren om te produceren, dat hij er geld aan verloor. Ruhlmann, geboren in Parijs, nam zijn vaders schilder-, spiegel- en behangbedrijf over in 1907 en begon al snel zijn eigen meubelontwerpen te commercialiseren. In 1919 ging hij een samenwerking aan met Pierre Laurent en breidde de ateliers uit met bekwame ambachtslieden die zijn ontwerpen zorgvuldig uitvoerden. Zijn meubilair vertoonde de bochtige kwaliteiten van de art-decoperiode, maar was gestoeld op de traditionele meubelbouw en maakte gebruik van rijke materialen: Macassar ebbenhout, Palisander en Amboina wortelhout, met details in segrijn, schildpadschild en bladgoud. Voor de Exposition Internationale des Arts Decoratifs et Industriels Modernes van 1925 in Parijs (die de art deco haar naam gaf), creëerde Ruhlmann een paviljoen samen met architect Pierre Partout – het Hotel d’un Collectionneur – een rijk uitgerust huis op ware grootte ontworpen rond een groot ovalen salon. De kamers waren volledig ingerichte, luxueuze en verfijnde ruimtes die waren gerealiseerd in samenwerking met toonaangevende kunstenaars en ontwerpers.

vliegtuigen, ontwikkeld. Interieurdecoratie werd langzaam herdacht als ‘interieur design’, met een ambitie die veel verder reikte dan de loutere oppervlakte. Tegen de jaren vijftig had zich een duidelijke scheiding tussen de traditionalisten en de modernisten voorgedaan, als gevolg van de steeds groter wordende diversiteit in smaak en stijl in de wereld van het design. In Engeland verfriste John Fowler, samen met Nancy Lancaster, de Engelse landhuisstijl, en zijn werk blijft zeer invloedrijk voor jongere generaties ontwerpers. In de Verenigde Staten ontwikkelden Sister Parish en anderen een versie van klassieke Amerikaanse elegantie met een nadruk op comfort en historische invloeden. In 1962 ging ze samenwerken met Albert Hadley, en werken bij Parish-Hadley werd een leerschool voor een hele groep interieurontwerpers, waaronder Mark Hampton, die later brede erkenning voor hun eigen werk zouden krijgen. Op hetzelfde moment ontwikkelde de moderne beweging zich ook op internationaal vlak, en dreef de architectuur en het interieur in een heel

Inleiding




1926 Jean-Michel Frank (1895-1941) Maison Noailles / Parijs, Frankrijk Het werk van Jean-Michel Frank wordt gekenmerkt door een aantal elementen die samen een gesofisticeerde, makkelijk herkenbare signatuur vormen. Een formele zuiverheid en pure geometrie typeren zijn meubels en interieurs, een soberheid die echter wordt ontkracht door het gebruik van weelderige en ongewone materialen en een afwerking met een hoge graad van vakmanschap. Franks reputatie was deels gebaseerd op zijn eigen ontwerpen, maar hij heeft ook samengewerkt met een aantal van de meest begaafde en inventieve ambachtslieden en kunstenaars van zijn tijd, waaronder Alberto en Diego Giacometti. De stijl van Frank suggereert een liefde voor neutrale, organische kleuren, hoewel de ontwerper bij gelegenheid ook graag experimenteerde met een meer gedurfd kleurenpalet. Gedurende de late jaren twintig en dertig vestigde Frank zich als een van de meest invloedrijke ontwerpers in Europa, en stond ook in hoog aanzien in Amerika, waar hij werkte voor Nelson Rockefeller. Andere klanten waren de parfumier Jean-Pierre Guerlain, de Italiaanse modeontwerper Elsa Schiaparelli en de Vicomte en Vicomtesse de Noailles. In de wereld van de Franse high society, waren weinig koppels zo bohémien of controversieel als de Noailles. Ze vroegen Frank om de interieurs van hun herenhuis te herontwerpen, en hij creëerde een opeenvolging van kamers, waaronder twee salons en een rookruimte met perkamenten muren, houten panelen ingelegd met marquetterie, gewoven grijze zijde en fauteuils in wit leer. Het gebouw is nu eigendom van Baccarat.

1942 William Haines (1900-1973) Howard Residence / Los Angeles, Verenigde Staten Billy Haines had een succesvolle carrière als filmster voordat hij met interieurdesign aan de slag ging in het begin van de jaren dertig. Net als Tony Duquette (zie pagina 96), was Haines thuis in de glamoureuze wereld van Hollywood in de jaren dertig en veertig, en vele van de sterren die hij had leren kennen via zijn filmwerk werden klanten. Het vroege werk van Haines werd grotendeels beïnvloed door het neoclassicisme en een liefde voor Europees antiek. In de jaren na de oorlog echter, werden zijn interieurs en meubels typische ‘Hollywood glamour’ ontwerpen, waarin moderne stukken uit de jaren vijftig werden vermengd met antiek en een vleugje oosters design, zoals chinoiserie panelen, of nog meer flamboyante elementen, zoals ornate kroonluchters. In de vroege jaren veertig werd Haines gevraagd om een huis voor Hollywoodactrice en fotografe Jean Howard en haar man Charles Feldman te ontwerpen, met veel comfort en een ruimte voor het ontvangen van gasten. In de salon werd dus een royale L-vormige sofa, die een groot deel van de kamer innam, geplaatst, samen met een hele reeks andere zitjes. De ontwerper maakte ook gebruik van felle kleuren, zoals een rijk smaragdgroen voor de wanden in de woonkamer. De spiegelpanelen rond de open haard werden gebruikt om de indruk van een grotere ruimte te creëren. Het werk van Haines, en hoofdzakelijk zijn meubelcollectie, is vandaag nog steeds in omloop, met veel stukken die zelfs teruggaan tot de jaren vijftig.



Inleiding


1930 Edwin Lutyens (1869-1944) Castle Drogo / Drewsteignton, Devon, Verenigd Koninkrijk Zelfs de architect, zo lijkt het, had bedenkingen bij het idee ​​ om een grootschalig kasteel op het Engelse platteland in de twintigste eeuw te bouwen, maar voor Edwin Lutyens werd deze unieke opdracht een verleidelijke uitdaging. Het werk van Lutyens, gekenmerkt door een waardering en diepgaande kennis van zowel de Arts and Crafts filosofie als het neoclassicisme, vertegenwoordigde een individuele mix van ideeën die op verschillende wijzen konden worden toegepast, binnen het idioom van het Engelse landhuis of de grote koloniale ambitie van New Delhi. Castle Drogo, werd een succesvolle mix van middeleeuwse stijl en moderniteit, en de tuinen werden ontworpen door Lutyens en zijn vaste medewerkster Gertrude Jekyll. Castle Drogo is een opdracht van Julius Drewe, de oprichter van de Home & Colonial Stores, die op een jonge leeftijd al een enorm fortuin had vergaard. Een vage voorouderlijke link voerde hem naar het dorp van Drewsteignton, waar Drewe een stuk grond kocht en Lutyens vroeg om een kasteel te ontwerpen. Het werk begon in 1910, maar Castle Drogo zou pas twintig jaar later voltooid zijn, en door de stijgende kosten moesten een aantal elementen geschrapt worden. Een deel van de grandeur van het interieur ligt in de rijke kwaliteit van het licht, binnentredend door grote ramen, en de dramatische open elementen die contrasteren met de meer intieme gelambriseerde kamers. De grote keuken is voorzien van een opvallend ronde daklantaarn met daaronder een ronde tafel naar Lutyens’ eigen ontwerp. Drogo is nu eigendom van de National Trust.


andere richting. In Europa en Scandinavië realiseerden architecten als Alvar Aalto en Antonio Bonet ruimtes die open, fris en overzichtelijk waren, met een nadruk op het karakter van de materialen en de relatie tussen binnenen buitenwonen. Dit waren ook de ontwerpers voor wie architectuur en interieurs even belangrijk waren, met veel op maat gemaakte elementen verwoven in het ontwerp. Soortgelijke ontwikkelingen deden zich voor in Australië, Zuid-Amerika en andere delen van de wereld, met name in Noord-Amerika, waar John Lautner, Richard Neutra en anderen een versie van de American Dream creëerden, die tot uitdrukking kwam in huizen die het landschap, de binnen- en buitenruimte en de aard van de moderniteit zelf verheerlijkten. De moderne beweging blijft onze designbenadering vorm geven, en de innovatieve, optimistische interieurs en meubels van de jaren vijftig in het bijzonder genereren veel belangstelling. In sommige kringen worden de verschillen tussen modernisme en traditionalisme – of hedendaags versus neoclassicistische, of Beaux-Artsstijlen – gezien als onverenigbaar. Maar

1957 William Baldwin (1903–1983) Vreeland Apartment / New York, Verenigde Staten Toen de gevierde tijdschriftredactrice en smaakmaker Diana Vreeland Billy Baldwin opdracht gaf haar appartement in New York te ontwerpen, vroeg ze hem naar verluidt om haar huis te transformeren in een ‘tuin uit de hel’. Het huis dat Baldwin creëerde voor de redactrice van Harper’s Bazaar en de latere hoofdredactrice van de Amerikaanse Vogue, was een van de meest flamboyante en kleurrijke projecten van zijn carrière en werd gepubliceerd in vele publicaties. Baldwin wou dat zijn werk de persoonlijkheden van zijn klanten zou weerspiegelen, maar in sommige opzichten was dit een atypisch project. Zijn interieurs worden algemeen beschouwd als op maat gemaakte, maar ook comfortabele en gastvrije ruimtes. Zijn benadering van verhouding en schaal was weloverwogen, en werd eerder beïnvloed door Franse meesters als Jean-Michel Frank dan door het Engelse landhuistraditionalisme, maar hij was ook een bewonderaar van Madeleine Castaing (zie pagina 92) en deelde met haar een voorliefde voor onverwachte en intrigerende juxtaposities van materialen, patronen, perioden en kleuren. Baldwins werk was keurig doordacht, maar nooit saai. Vreelands appartement was allesbehalve saai, met een leefruimte die wordt gedomineerd door vlammende rode tinten en een overvloed aan patronen die worden voortgezet in de slaapkamer en andere delen van het huis. Baldwin ontdekte de ‘levensboom’-stof die de salon domineert op een koopjesreis naar Spanje, en veel van het meubilair werd gekozen of ontworpen om erbij aan te sluiten. Het resultaat lijkt veel drukker dan andere Baldwin interieurs, maar wordt samengehouden door een geordende logica. Het werd al snel een van de beroemdste plekken in Manhattan.



Inleiding


interieurdesign is een open en gastvrije kerk, en het groeiende aantal keuzes tussen bepaalde stijlen en ontwerpbenaderingen zorgt voor meer vrijheid in het uitdrukken van individualiteit en karakter, in plaats van het eenvoudigweg overbrengen van een gevoel van prestige of status. Deze bijzondere kwaliteit heeft altijd deel uitgemaakt van de grote charme van interieurdesign. Al in de jaren zestig ontwikkelden ontwerpers als David Hicks een internationale reputatie door het slim combineren van hun liefde voor de neoclassicistische architectuur en historisch design met een passie voor felle kleuren, patronen en moderne elementen. Deze eclectische maar weloverwogen en intelligente aanpak was niet echt een statement dat stelde dat ‘alles mag’, maar suggereerde een openheid voor verschillende soorten invloeden, inspiraties en designperiodes die een even natuurlijke positie was om in te nemen als een daad van iconoclasme. Veel ontwerpers en architecten die in dit boek vermeld zijn – van Lina Bo Bardi tot Robert Venturi en Terence Conran – hebben zich opengesteld

1959 John Fowler (1906–1977) & Nancy Lancaster (1897–1994) Yellow room, Avery Row / London, Verenigd Koninkrijk Het was een bijzondere en krachtige alliantie: de ‘prins der decorateurs’, John Fowler, een ontwerper die werd gerespecteerd door zijn beroepsgroep omwille van zijn wetenschappelijke eruditie en onfeilbare oog, en de grote Anglo-Amerikaanse smaakmaker en society dame, Nancy Lancaster, die naam had gemaakt aan beide zijden van de Atlantische Oceaan met haar nadruk op comfort, karakter en sfeer in interieurs die in de Engelse landhuistraditie geworteld zijn. Toen Sibyl Colefax de Londense decoratiefirma Colefax & Fowler verliet in 1944, kocht Nancy Lancaster het bedrijf, en ging een nieuw partnerschap aan met Fowler. Het was niet altijd een gemakkelijke samenwerking, maar hun werk leverde beiden een blijvende plaats op in de geschiedenis van het interieurontwerp, en het bedrijf dat ze samen opbouwden bestaat ook vandaag nog. Een van hun meest geprezen en opmerkelijke projecten was de Yellow Room, gecreëerd binnen het negentiendeeeuwse gebouw waarin het bedrijf was ondergebracht. In de late jaren vijftig, besloot Lancaster een deel van het gebouw om te bouwen in een flat voor zichzelf, en de Yellow Room werd het meest succesvolle element van Fowler en Lancasters design. De grote salon, met geglazuurde botergele wanden tegen een zwart tongewelfd plafond, was ingericht met gele taft gordijnen, gestoffeerde stoelen en banken in gele en crèmetinten met accenten van helder rood. De kamer diende als een levendig model voor de Colefax & Fowler look. (Foto van Derry Moore)


voor eeuwen architectuur en designrijkdom. Hoewel ze heel verschillende achtergronden hebben, hebben ze ook elk een breed scala aan invloeden geabsorbeerd en verder uitgewerkt in een individuele richting die hun eigen stijl, die vaak een merknaam op zich is geworden, heeft gedefinieerd. Bij het samenstellen van een lijst van iconische interieurs, wordt men geconfronteerd met een veelheid en diversiteit van bijzondere en persoonlijke stijlen. Op de complexe kaart van het twintigste-eeuws design kan men de evolutie van de verschillende designbewegingen volgen, van Arts and Crafts en art deco, tot modernisme en minimalisme en verder, en het is intrigerend om de verschillende verbindingen tussen de verschillende ontwerpers en hun invloeden in kaart te brengen. Maar de kaart wordt ook verrijkt door het werk van buitengewone mensen zoals Tony Duquette, Piero Fornasetti en Jonathan Adler die zich onderscheiden door hun volstrekt unieke aanpak vol van drama en levendige fantasie. De eigenheid en de avontuurlijke geest van dergelijke ontwerpers hebben een bepaalde uitstraling en moedigen ons aan om meer avontuurlijk te worden in ons eigen huis. Veel van de iconische woningen in dit boek zijn het werk van interieurontwerpers en architecten, maar een aanzienlijk aantal werd gecreëerd door mensen buiten het beroep. Dit impliceert geen zwakheid van interieurdesign als discipline, maar wijst misschien eerder een van haar sterke punten aan: de manier waarop ze openstaat voor een constante vernieuwing en verrijking door mensen uit allerlei creatieve achtergronden. Dit boek presenteert ook interieurs van kunstenaars, productdesigners, meubelmakers en modeontwerpers die zich ook naar de wereld van het interieur hebben gericht en waarvan de krachtige esthetische benadering in hun eigen werk een belangrijke invloed heeft gehad buiten de grenzen van hun eigen industrie. Denk aan kunstenaars als Vanessa Bell, Duncan Grant en Henry Moore, of meubel- en productdesigners als Wharton Esherick,



Inleiding


1970 Joe Colombo (1930–1971) Colombo Apartment iv / Milaan, Italië Joe Colombo, het flamboyante en creatieve boegbeeld van het futuristisch design, was zijn tijd ver vooruit. Gefascineerd door ideeën en thema’s die standaard elementen zouden worden in het eenentwintigste-eeuwse huis, pionierde hij in de ontwikkeling van modulaire en multifunctionele meubels, maar ook programmeerbare verlichting en zelfs programmeerbare huizen, misschien wel aanvoelend dat op een dag de computer een centrale plaats in onze woonruimtes zou innemen. Colombo’s interieurs en meubels, samen met zijn dandy imago en talent voor marketing en zelfpromotie, maakten hem de belichaming van de progressieve ‘playboy designer’ die het pad effende voor hedendaagse designmeesters als Philippe Starck en Karim Rashid (zie pagina 284), die een internationaal merk rond hun eigen persoon hebben weten te creëren. Colombo was ook een visionair die graag experimenteerde met nieuwe productiemethoden en materialen, zoals bijvoorbeeld gegoten kunststoffen, die hij transformeerde in stoelen, kasten en andere meubels in felle popkleuren. Zijn appartementen in Milaan dienden ook als vitrines voor zijn werk en waren te zien in stijl- en designtijdschriften. In 1970 verhuisde hij naar het gebouw van zijn studio en creëerde een open, loftachtige ruimte die wordt gedomineerd door zijn Cabriolet Bed en Roto Living units, met een golvend, glijdend gordijn om de twee te scheiden. Deze buitengewone stukken werden multifunctionele eenheden; het bed had bijvoorbeeld een geïntegreerde ‘rubberen-eendgele’ luifel, een radio, ventilator, asbak, spiegel en toilettafel.

1983 Laura Ashley (1925–1985) & Bernard Ashley (1926–2009) Ashley Town House / Brussel, België Laura Ashley is het best bekend voor haar versie van de traditionele Engelse country look die inspeelt op een gevoel ​​ van nostalgie naar een verloren tijdperk. Ze was de ‘koningin van de bloemenprint’ en promootte een zachte, vrouwelijke benadering van stijl en mode, hoewel haar talenten haar ook naar meer avontuurlijke richtingen hebben geleid. Ashley startte het bedrijf van op haar keukentafel, samen met haar man Bernard, in 1953, en creëerde patronen in Victoriaanse stijl voor een hoofddoek die werd bedrukt op een machine die door haar man was uitgevonden. Het bedrijf groeide snel in de jaren zestig, waarbij Laura Ashley voor het ontwerp zorgde en haar man voor de productie. Wat begonnen was als een modelabel groeide verder uit met een collectie voor woninginrichting in 1981, waardoor de patronen op grotere schaal beschikbaar werden als stoffen en behang. Tegen de jaren tachtig had het talent van de Ashleys voor het creëren van een complete look rond hun merk hen rijk gemaakt, en het bedrijf was bekend over de hele wereld. De Ashleys hadden een landhuis in Wales, maar kochten ook huizen in Frankrijk, België en de Bahama’s, die allemaal werden ingericht in de typische Ashley-stijl. Dit herenhuis in Brussel was een van hun eigendommen, met een inrichting die wordt gedomineerd door florale patronen en de geruststellende kenmerkende look. Ashley, vaak onderschat als ontwerper en smaakmaker, had een diepgaand effect op talloze woningen in de jaren zeventig en tachtig. Het merk blijft vandaag actief en is enorm invloedrijk geweest voor de ontwikkeling van andere lifestyle merken.

Inleiding




1985 Lorenzo Mongiardino (1916–1998) Peretti Tower / Porto Ercole, Italië Wat voor Renzo Mongiardino het belangrijkste was in een interieur was de ambiance en sfeer. Mongiardino, erudiet en onderlegd in historisme en neoclassicisme, was niet erg bezig met de authenticiteit en de herkomst van de stukken die in zijn ruimtes werden gebruikt: vaak zouden de ‘oude’ zuilen, stenen muren, marmeren schouwen en plafonds een illusie blijken te zijn, het werk van gespecialiseerde schilders en trompe l’oeil-experten. Mongiardino werkte voor de beroemde rijke families van Europa en Amerika – de Brandolinis, Rothschilds en Agnellis – maar voegde er zijn eigen element van subliem bedrog en drama aan toe. Zijn ruimtes waren doordrenkt met dezelfde filosofie als die die in zijn werk als decorontwerper voor theaterstukken en films van onder andere Franco Zeffirelli, Peter Hall en Gian Carlo Menotti te vinden was. Mongiardino studeerde architectuur in Milaan samen met Giò Ponti, maar keerde al snel zijn rug naar het modernisme, en ging in plaats daarvan inspiratie zoeken in het verleden en bezielde zijn werk met een sfeer van perioderomantiek. Zijn werk was weelderig en vol drama en speelsheid, en een ware mix van verschillende invloeden. Onder de vele projecten van Mongiardino waren er twee huizen voor de juweelontwerpster Elsa Peretti, best bekend voor haar werk voor Tiffany. Een van hen was haar appartement in Rome, dat pas na vijf jaar afgewerkt was, het andere een middeleeuwse toren in Porto Ercole bij de Toscaanse zee, waar Mongiardino de beroemde open haard creëerde in de vorm van de kop van een monster.

1991 Shoei Yoh (1940–) Another Glass House Between Sea and Sky (Nog een Glazen Huis Tussen de Zee en de Hemel) Itoshima schiereiland, Fukuoka, Japan Het huis van Shoei Yoh, gelegen op een klif, geeft uit op het spectaculaire uitzicht op de steeds veranderende Genkai Zee. Het huis is een belvedère, nauw verbonden met de natuur, het water en de lucht. Het huis, aan de achterzijde verankerd aan de grond, stuwt uit naar voren op een vrijdragend platform dat de belangrijkste leefruimtes en een terras omvat, alle omzoomd met glas. De combinatie van deze elementen geeft het huis een verleidelijk gevoel van lichtheid, alsof het zweeft in het levendige landschap waar land en zee samenkomen. In de vroege jaren zeventig, net na de oprichting van zijn eigen architectenbureau, bouwde Yoh een huis voor zichzelf en zijn familie in glas en staal, deels geïnspireerd door Mies van der Rohe’s Farnsworth House. Twee decennia later herneemt hij opnieuw het idee van een glazen huis, hier op het Itoshima schiereiland, op een plek waar hij en zijn familie ooit kwamen picknicken en over het water uitkijken. Het huis wordt gekenmerkt door strakke lijnen en heldere materialen en zorgt voor een gevoel van directe verbinding met de omringende natuur door middel van glazen wanden. De belangrijkste leefruimtes zijn open, om de eenvoud en samenhang van de woning niet te verstoren: keuken, eethoek, zithoek en een muziekruimte zijn allemaal vervat binnen dezelfde ruimte. Het huis is ook een voorbeeld van een samengaan van architectuur en techniek, en maakt deel uit van een lopend onderzoek naar materialen en vorm. Het is karakteristiek voor een reeks van experimentele, minimalistische en visueel opvallende Japanse gebouwen die in de jaren negentig een internationale impact hebben gehad.


Russel Wright, Dieter Rams, Robin en Lucienne Day en Marc Newson, of figuren uit de mode-industrie, zoals Bill Blass, Donna Karan en Todd Oldham, wiens stijlbenadering meer dan alleen maar de manier waarop we ons kleden heeft beïnvloed en wiens passie voor interieurs hen naar het ontwikkelen van eigen collecties meubilair en huishoudelijke artikelen heeft geleid. Interieurdesign is nooit een ‘gesloten winkel’ geweest; het is lang een ongebonden ontwerpvorm geweest die alle nieuwkomers heeft verwelkomd, zolang ze talent en verbeelding hadden. Dit heeft uitgebreide mogelijkheden voor kruisbestuiving tussen de verschillende vormen van design en ook buitengewone samenwerkingen gecreëerd, zoals die tussen Madeleine Castaing en Jean Cocteau, die samen hebben gewerkt aan zijn huis in Milly-la-Forêt in Frankrijk. Andere zeer creatieve partnerschappen zijn die die worden gesmeed tussen ontwerpers en verlichte opdrachtgevers zoals Alvar Aalto en kunsthandelaar Louis Carré, die opdracht gaf voor een buitengewoon huis op het platteland ten zuidwesten van Parijs, of het

1995 Calvin Tsao (1952–) & Zack McKown (1952–) Tsao McKown Appartement / New York, Verenigde Staten De architecten Calvin Tsao en Zack McKown halen inspiratie uit de hele architectuur- en designgeschiedenis. De intrinsieke benadering van de inrichting van hun ruimtes kan modernistisch genoemd worden, maar ze staan ook open voor neoclassicistische en andere invloeden uit oost en west. Ze zien geen tegenstrijdigheid in deze openheid, en hun werk heeft een doordringende helderheid en zin voor orde, maar is ook comfortabel en sfeervol. Wat het meest opvalt aan hun ontwerpen is de liefde voor detail, vakmanschap en het op maat gemaakte ontwerp in heel verfijnde en complexe maatruimtes. Hun eigen duplexappartement in Manhattan, gelegen in een gebouw uit 1930 met uitzicht op Central Park, werd volledig opnieuw ontworpen naar hun eigen smaak en specificaties, en de onderste verdieping heeft het open gevoel van een gesofisticeerde loft ondanks het feit dat de ruimte wordt verankerd door een sculpturale trap naar Tsao en McKowns eigen ontwerp. De vloeren zijn in Braziliaans kersenhout, net als de op maat gemaakte eettafel. Een aantal andere stukken, zoals de zitbank, zijn ook zelf ontworpen. De hele mix is eclectisch en bevat achttiende-eeuwse Schotse eetkamerstoelen, een Siciliaans kruis op een muur, een dagbed gekocht op de vlooienmarkt en Napoleontische stoelen uit Parijs. Rijen ingebouwde opslagkasten geven de ruimte een gevoel van ordelijkheid en bevatten ook een aantal van Tsao en McKowns collecties keramiek, curiosa, historisch-technische prototypes en modellen, en boeken. De stukken worden continu gewisseld en uit de kasten genomen om uit te stallen, zodat het appartement voortdurend verschuift en verandert, terwijl de fundamenten constant blijven.

Inleiding




2000 Ron Arad (1951-) Piper Building Appartement / Londen, Verenigd Koninkrijk Een ruime, lege huls in het Piper gebouw heeft Ron Arad verleid tot het realiseren van een zeldzame residentiële opdracht. Hij is vooral bekend voor zijn meubelontwerpen en grotere opdrachten, zoals het Design Museum in Holon, Israël, maar het project bood de mogelijkheid om een interieur te creëren dat architectonische elementen en zijn eigen meubelontwerpen zou combineren binnen een vrij open projectomschrijving. In eerste instantie leek het erop dat de hoge plafonds van het appartement een duplexruimte mogelijk zouden maken, maar al snel werd duidelijk dat het verdelen van de ruimte over twee verdiepingen het grootschalige gevoel zou teniet doen. In een poging om de behoefte aan bruikbare ruimte en een verlangen naar openheid met elkaar te verzoenen, creëerde Arad een opvallende mezzaninegalerie die door de achterzijde van het appartement snijdt, als een verwrongen vliegtuigvleugel, om zo het belangrijkste deel dichtst bij de Thames open te houden voor een dubbelhoge leefruimte. Arad vergelijkt de dynamische vorm van de metalen romp, die gedeeltelijk een intieme lounge en een studie omsluit, met een cabriolet. De hoofdruimte van het appartement is losjes verdeeld in zit-, kook- en eetzones, met een keuze van meubels waaronder een spiegelglad gepolijste roestvrijstalen eettafel en de beroemde Bookworm boekenplanken van Arad. De ruimte laat zien hoe de liefde van de ontwerper voor biomorfische vormen met succes wordt vertaald naar het huiselijke domein.

baanbrekende Haus Schminke in Löbau, Duitsland, dat werd uitgevoerd in opdracht van Hans Scharoun door een familie van pastamakers (zie pagina 72). Het doel van dit boek is de rijke diversiteit van het interieur in de twintigste eeuw weer te geven en te eren. De brede lijst van in het boek opgenomen huizen wijst op het belang van individuele verbeelding, originaliteit en karakter alsook esthetische schoonheid en stijl. De interieurs werden ook gekozen als voorbeelden van een internationale en chronologische mix van projecten die de belangrijkste stilistische bewegingen vertegenwoordigen en een onderling verbonden verhaal van het twintigste-eeuwse design vormen. Van elk van de geselecteerde ontwerpers en architecten werd slechts één project geselecteerd, en de keuzes waren beperkt tot interieurs die goed bewaard en toegankelijk waren, of waar archiefbeelden in kleur van bestonden. Voor sommige begin twintigste-eeuwse ontwerpers waren de



Inleiding


2004 Seth Stein (1959-) Robberg Huis / Plettenberg Bay, Zuid-Afrika Voor de architect Seth Stein, betekende het Robberg Huis een belangrijke stap naar een meer internationaal cliënteel, en een meer contextuele benadering van de materialen en de manier waarop het landschap in het ontwerp wordt verwerkt. Tot dan was Stein het meest bekend voor een reeks van heldere, stedelijke gebouwen met een nadruk op strakke lijnen en verfijnde detaillering. Met dit Zuid-Afrikaanse project creëerde hij een serie landhuizen die de omgeving en de schoonheid van lokaal beschikbare materialen accentueren. Het huis was een opdracht van de mode impresario Lucille Lewin en haar man Richard, die de populaire Britse modeketen Whistles had opgericht. Stein had al eerder met de Lewins gewerkt, had winkelontwerpen gemaakt en hun huis in Londen ingericht alvorens hij de opdracht kreeg om het huis in Plettenberg Bay, met zicht op het Robberg Nature Reserve te ontwerpen. Het sterke, lineaire ontwerp van de woning maakt optimaal gebruik van het uitzicht en de binnen/buiten verbindingen. De ruimtes worden helder gehouden met een aards kleurenpalet en geïntegreerde meubelelementen, zoals baden en sofa’s en zelfs nachtkastjes. Het gebruik van organische materialen zoals zandsteen en panelen met stroken eucalyptushout voor de luiken en getextureerde muren rond het terras, helpen de vorm van het huis te verzachten en verbinden het met de buitengewone natuurlijke schoonheid die het omringt.

opties natuurlijk beperkt, gezien de vluchtigheid van de interieurruimte, die de neiging heeft om door de jaren heen sneller te evolueren en meer ingrijpend te veranderen dan andere vormen van architectuur. Mijn vorige boek, The Iconic House: Architectural Masterworks from 1900 to the Present (Thames & Hudson, 2009), kan gezien worden als een aanvulling bij dit boek: het is een meer architectonische benadering van de grote huizen van de twintigste eeuw, waaronder Frank Lloyd Wrights Fallingwater, Le Corbusiers Villa Savoye, Richard Neutra’s Kaufmann House en Mies van der Rohe’s Farnsworth House. Dit boek richt zich op het vrije, open en positieve karakter van interieurdesign en de manier waarop het voortdurend nieuwe inspiratie, ideeën en benaderingen uit alle hoeken van de wereld heeft verwelkomd. Dit aspect gaat veel verder dan loutere mode – vele interieurs in dit boek hebben een tijdloze kwaliteit die de trends overstijgt, hoewel interieurdesign ook een cyclische kwaliteit heeft, met occasioneel een

Inleiding




2004 David Adjaye (1966-) Lost House / Londen, Verenigd Koninkrijk The Lost House is misschien wel de meest visueel dramatische realisatie in een reeks van Londense woningen, ontworpen door architect David Adjaye. Ze zijn effectief afgesloten van de buitenwereld, en de nadruk van het ontwerp ligt geheel op de kwaliteit van de interieurruimten en de manipulatie van het licht. In het Lost House kregen de ruimtes een nieuwe dimensie door het contrast tussen de zwarte oppervlakken en wandkleuren en de sleuven natuurlijk licht die diep in het hart van het gebouw doordringen. Het huis werd ontworpen in opdracht van modeontwerper Roksanda Ilincic en haar man Philip Bueno de Mesquita. Het echtpaar had een ongewoon stuk grond gekocht op een oud vrachtterrein gelegen tussen voormalige industriële gebouwen. Met Adjaye’s ontwerp werd dit een afgesloten gelijkvloers huis omzoomd door een mezzanine en andere verborgen ruimtes. Het open plan van de belangrijkste leefruimte werd doorgesneden en gedeeltelijk gescheiden door een centrale binnenplaats met glazen wanden, een vijver (extra binnenplaatsen werden aan weerszijden van het huis gecreëerd), en lichtkoepels. Deze centrale glazen kamer is als een kunstinstallatie, met circulerend licht en reflecties in een context van zwarte vloeren en wanden. Veel elementen, zoals de zitbanken en banquettes in de woonkamer en de aangrenzende verzonken bioscoopruimte zijn geïntegreerd in het ontwerp, en verlenen dit bijzondere en enigszins surrealistische huis gevuld met optische trucs een galerie-achtige zuiverheid.

���

Inleiding


File-1359385564