Page 1

De Wallen in de jaren ’60


r a ou l s e r r ĂŠ e

De Wallen in de jaren ’60 Verhalen van prostituees, penoze en de postbode


© 2015 Raoul Serrée Alle rechten voorbehouden Omslagfoto © MAI / Ad Windig Foto’s uit privéarchieven geïnterviewden, tenzij anders vermeld Ontwerp omslag en binnenwerk: Mulder Van Meurs ISBN

978-94-6297-013-7

NUR

402 waargebeurde verhalen; 693 stadsgeschiedenis

www.uitgeverijdekring.nl/de-wallen-de-jaren-’60


Inhoud 7 9 12 15 17 25 28 30 46 49 57 62 66 76 85 95 106 114 125 127 150 164 179 191 196 219 230 243 253 256

Voorwoord Stien Lex 12 Trijntje 15 Suzanne 17 Rietje 25 Trudy 28 Jan de Bollebakker I 30 Mevrouw Philipsen 46 Joep 49 Jan de Timmerman 57 Adrie Ellen Koos Jan de Bollebakker II Henny Jacques Jan Hennie Joke Jan de Bollebakker III Johan Tonia Gerrie Banaan Corry Wil de Paardekop Jan de Bollebakker IV Dick Michel Dankwoord


Voorwoord De rosse buurt van Amsterdam groeit in snel tempo uit tot de grootste kermis van Nederland. Gefilmd door grote hoeveelheden verstopte camera’s dringen elk jaar steeds meer toeristen zich door de nauwe straatjes rondom de Oude Kerk. En allemaal hebben ze honger. Elke week komt er wel een hamburgertent, ijssalon of pizzacorner bij. Er waren er nog nooit zoveel. Bruine kroegen worden Engelse sportcafÊs, animeerbars verbouwt men tot kaaspaleis en oude peeskamertjes zijn inmiddels souvenirshop. Sinds 1997 ben ik stadsgids in dit gebied, en ik heb het voor mijn ogen zien veranderen. De rosse buurt is straks alleen nog in het Red Light Museum te bekijken. Omdat ik in 2008 het Appie Baantjermuseum oprichtte, wist ik dat er in de jaren zestig een heel andere sfeer hing. Dat las ik ook in de boeken van penoze Haring Arie, fascinerend. Die Arie had ik wel willen ontmoeten! Kort daarna sprak ik in de kroeg iemand die hem gekend had, en ook deze man had een bizar verhaal. En toen werd ik wakker. Een boek! Vanaf dat moment ging ik op zoek naar de mannen en vrouwen die de Wallen gekend hebben in de tijd dat de buurt nog Amsterdams was en volks. En ik had geluk, want ergens op een gracht ontdekte ik Jan de Bollebakker (93), hij bleek de oudste nog levende penoze van Nederland. Het ijs tussen ons moest even breken maar daarna ging het hard. Bollebakker bleek van onschatbare waarde en speelde mij al zijn vrienden en relaties door. Bejaarde hoerenmadammen, vrienden uit de gok, collega-pooiers. De meesten spreken in dit boek voor

7


het eerst openhartig over hun leven en dat leverde spectaculaire verhalen op. In de jaren zestig zaten er alleen Hollandse vrouwen achter de ramen, werden ruzies met de vuist beslecht en was iedereen nog aan elkaar gehecht. Dat moest ook wel, want in de kroeg, bij de slager en op de hoerenkast kwam je elkaar tóch weer tegen. Tegenwoordig zijn het twee kampen: de commercie en de bewoners. Grote ketens runnen de horeca en waar vroeger elke hoerenkast zijn eigen baasje had, zijn ze nu in bezit van een paar grote bv’s. De hoerenmadam die boven de kast woont en de meiden een kopje koffie brengt, is bijna uitgestorven. Het is sowieso de vraag of er over tien jaar nog dames achter de ramen zitten. Vroeger hadden ze meer kleren aan en konden ze dus pezen; elk kledingstuk uit kostte geld. Tegenwoordig verdienen de meiden amper de huur nog. Als ze al klanten krijgen, want sex met de webcam is een stuk goedkoper. En thuiswerkers rekenen ook minder. En dan alle regeltjes. Een groen doekje voor de vloer en een bruin doekje voor de gootsteen. En de overheid bepaalt ook nog welk schoonmaakmiddel je gebruiken moet. Daar hadden Tonia (70), Corry (75) en Wil de Paardekop (84) dus geen zin meer in.

8


[*Stien Stien (80) is geboren in de Warmoesstraat, naast het bekende politiebureau. Haar vader was zeeman, dus die was er niet toen haar moeder moest bevallen. Gelukkig kon een hoertje uit de straat een handje helpen. ‘Mijn vader was vaak maanden weg op zee. Moeder was huisvrouw en maakte ook nog schoon in een café naast de Schreierstoren. Later woonden we in de Monnikenstraat bij de Nieuwmarkt. Daar zaten we midden tussen de prostituees en als kind vond ik die vreselijk mooi! Ik had er weinig contact mee maar mijn broertjes deden weleens boodschappen voor ze. Als ze dan gebak hadden gehaald, lieten ze er expres eentje vallen in de hoop dat ze die dan mochten opeten. En dat lukte natuurlijk. Voor Zwarte Lola, een Surinaamse, deden ze geen boodschappen, die werd gepest. Blaka Lola zat in de Stoofsteeg op nummer 9. Haar echte naam was Nicolien geloof ik. Ze was uit Suriname gekomen om hier als kindermeisje te werken. Hoe ze achter het raam belandde weet ik niet, maar ze zat er al in de oorlog. Vanuit het hele land kwamen ze naar de Wallen om Lola te bekijken, veel mensen hadden nog nooit een Surinaamse gezien! En zeker niet één met een hazenlip. Lola was natuurlijk niet blij met al die aandacht, want klanten durfden niet naar binnen. En van Amsterdamse schoffies zoals ik had ze ook last want wij tikten tegen de ramen en dan stoof ze de steeg in. Maar dat was niet de reden waarom die steeg zo heette! Begin jaren negentig is Lola in Suriname overleden.

9


Aan de overkant van ons huis op de Kromme Waal had je Zwarte Kaatje. Dat was een knappe vrouw, haar man was stukadoor. Samen hadden ze één kind, Henkie, en die werd later door iedereen Mooie Henkie genoemd. Het was inderdaad een leuke en knappe jongen, maar wel erg verwend. Hij was al jong het huis uit en pas later kwam ik erachter waarom. Hij reed op zijn vijftiende al in een auto, bleek dat ie pooier was geworden. De jongste uit de buurt! Alle vrouwen vielen op hem, Henkie kon krijgen wie hij wou. En dan gingen ze óók nog voor hem achter het raam! Ik heb nooit veel met hem opgehad, ik kwam hem weleens tegen in een club in de Amstelstraat. Hij droeg altijd maatpakken, ik vond hem een patser. Maar ja, maatpakken hadden de jongens van café De Zon bijvoorbeeld ook. Dat was in die penozekringen normaal. Mijn moeder heeft nooit uitgelegd wat de dames deden, het viel mij ook helemaal niet op dat er steeds maar mannen naar binnen gingen. We groetten elkaar en verder niets. Mijn moeder had nog wel een hele tijd contact met een prostituee die haar hielp bij een bevalling. Vader zat op zee en dat hoertje heeft toen mijn moeder met de taxi opgehaald en is meegegaan naar het ziekenhuis. Zelf was ik veel te druk met allerlei clubjes. Moeder liet ons zoveel mogelijk genieten want ze vond dat wij als kind in de oorlog veel hadden moeten ontberen. Op de Kromboomssloot zat onze school en daar had ik vriendinnetjes van wie de ouders een kroeg hadden. Zo kwam ik wel in koffiehuis Smidje op de Nieuwmarkt; dat werd later de bekende Cottonclub, vanwege de Ame-

10


rikaanse soldaten die in Duitsland gelegerd waren en hier in het weekend kwamen stappen en die jazzmuziek gewend waren. In café De Zon kwam ik ook weleens, maar verder op de Zeedijk niet. Ik kwam daar alleen bij Greetje, dat was een vriendinnetje. Zij trouwde later met Zwarte Joop van Casa Rosso. Het was een gemoedelijke woonbuurt met veel hardwerkende middenstanders. De melkboer bracht zaterdag om elf uur ’s avonds nog even een litertje melk naar drie hoog. Daartussendoor liep dan weer van alles en nog wat aan homo’s, lesbiennes en daklozen. Voor ons de normaalste zaak van de wereld. Onbewust ben je dus heel vrij opgevoed, vooroordelen had je niet, maar dat besef je later pas. Als je door de straatjes liep, gebeurde het een enkele keer wel dat een hoertje een pak op d’r donder kreeg, maar ja, dat hoorde erbij. Wat me opviel is dat de hoertjes vaak meisjes van buiten de stad waren, dat heeft met naïviteit te maken denk ik. Of omdat ze erbij wilden horen. Tegenwoordig zijn er veel minder Hollandse meiden, want je kunt nu ook op een normale manier je brood verdienen. En die meiden zijn veel te bijdehand geworden.’

11


[*Lex Lex (56) is geboren in de Bloedstraat. Boven een glashandel want ja, ramen genoeg. Lex deed als jochie boodschappen voor wel vijftien hoertjes. Maar dat was niets vergeleken bij een vriendje; dat kreeg op zijn zestiende van zijn vader namelijk een hoerenkast cadeau. ‘Kapotjes stonden natuurlijk altijd op het lijstje, die haalde ik op de Zeedijk. Daar waren sexwinkels en daar haalde ik condooms op een strippie. Zo verdiende ik samen met mijn vriendje Henkie Rutte jarenlang een aardig zakcentje. We kwamen bij een stuk of vijftien hoertjes over de vloer. En die waren altijd blij, want als ze zelf boodschappen moesten doen, misten ze misschien een klant. Als ik in zo’n peeskamertje kwam, zag ik er ook weleens eentje huilend in een hoek, bont en blauw geslagen door haar pooier. Zelf voelde ik me nooit bedreigd. Er waren wel knokpartijen natuurlijk maar dat was altijd met de vuist. Soms met een mes, nooit met een pistool; dat is nu wel anders. Boodschappen deden we ook voor Tijgervelletje in de Bloedstraat. Die noemden we zo omdat ze altijd een tijgerrokkie aan had. Dat was de mode in die tijd. Voor ons waren al die meiden de gewoonste zaak van de wereld maar onze visite hing vaak meteen uit het raam om te kijken hoeveel klanten er bij Tijgervelletje naar binnen gingen. “Dat is de vijfde en dat is de zesde!” riepen ze dan. Ja, Tijgervelletje had het druk! Boven ons woonde Martha, ook een hoertje. Omdat ik een rijbewijs had bracht ik haar weleens naar haar raam in de Spuistraat.

12

De Wallen in de jaren 60  

De Wallen in de jaren 60 gaat over de tijd dat ruzies nog met de vuist werden beslecht. Raoul Serrée spoorde veel toenmalige Wallenbewoners...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you