Issuu on Google+

tilburgs prentebuukske deel 9

mee jèùn meej èèrepel

Cees Robben tekende tussen 1953 en 1989

een ‘Prent van de week’. Aanvankelijk voor het weekblad Rooms Leven/Kerknieuws, vanaf 1970 voor het Nieuwsblad van het Zuiden. Met zijn prenten gaf Robben elke week een treffend en humoristisch beeld van het leven van de gewone Tilburger.

Ed Schilders maakte voor dit Prentebuukske

een keuze uit het werk van Robben dat over eten, tafelen en koken gaat, en schreef er toelichtende teksten bij. Over het telen van groente in de achtertuin, de jaarlijkse varkensslacht, over lawaajsoep, petòzzie, kaoikes, en het höske.

code-x in samenwerking met cees robben stichting

slaoj meej aaj mee jèùn meej èèrepel aan tafel met c. robben

slaoj meej aaj

tilburgs prentebuukske deel 9

slaoj meej aaj

mee jèùn meej èèrepel aan tafel met c. robben Toegelicht door Ed Schilders


tilburgs prentebuukske deel 9

slaoj meej aaj mee jèùn meej èèrepel Aan tafel met C. Robben Toegelicht door Ed Schilders

Een uitgave van code-x in samenwerking met cees robben stichting Tilburg | Goirle | 2008


soep

11

De eerste prent van dit negende Prentebuukske begint met een detail dat kenmerkend is voor de sfeer waarin Cees Robben zijn prenten wilde plaatsen: een kromme spijker. In al zijn kleinheid is die kromme spijker toch een groot symbool van een tijd en een manier van leven die ver achter ons liggen: een leven van eenvoud, vaak zelfs armoede, van bescheidenheid, en zelfs onhandigheid, maar nooit zonder trots. Er komen in dit ‘buukske’ veel van die kromme spijkers voorbij. Wie die tijd zelf nog beleefd heeft, weet ook wat je in deze prenten níet kunt zien: dat het roestige spijkers zijn. Aan zo’n spijker hangt altijd een lijst aan een koord – ook al zoiets dat uit het modernere interieur verdwenen is. Net als het kruisbeeld boven de deur, de levensgrote portretten van opa en oma aan de muur of op de schoorsteenmantel, en het heiligenbeeld onder de glazen stolp. Cees Robben is met zijn ‘Prent van de week’ bijna veertig jaar lang de kroniekschrijver geweest, in woord en beeld, van dit leven. En zo nu en dan hangt er aan de muur dus een prent ín de prent. Ook hier. We zien een pan met daarin een pollepel, en die pan staat onder een kraan. En doordat Robben die pan daar en nergens anders heeft neergezet, en omdat er uit diepe borden gegeten wordt met lepels, weten we wat het hier aan tafel verenigde gezin aan het eten is: ‘lawaajsoep’. Lawaajsoep was de volksnaam voor soep die uit zuinigheid, dat bijverschijnsel van armoede, verdund is met water. De tekst is daarop een wrang commentaar: we zijn blijkbaar beland in een van die huishoudens waar het eten uit noodzaak nogal magertjes is. Om het allemaal nog wat slanker te maken heeft Robben ook nog eens een karaf met water op tafel gezet. Waarom dit verdunnen van de bouillon met water heeft geleid tot de aanduiding ‘lawaaj’ is nooit bevredigend verklaard. Ook Pierre van Beek, die erover geschreven heeft in zijn krantenrubriek ‘Tilburgse

pag i n a 2 | 3


pr e nt 1 2 8 ju n i 1 9 7 4


Taalplastiek’, weet het niet. Wel kent hij, naast de soep, het recept voor ‘lawaajsaus’. We zouden nu kunnen denken dat lawaajsaus bestaat uit jus die met water is aangelengd, maar dat is niet juist. Wie ‘aardappelen met lawaajsaus’ at, die hád zelfs geen jus. Die had alleen het kooknat van de aardappelen als ‘saus’. Het klinkt schrijnend als Van Beek schrijft dat dit ‘een alledaags weversgerecht’ was. Overigens, die pollepel (in de pan, in de prent aan de muur, in de Prent van de week) is ook niet onbelangrijk. Van Beek vermeldt dat verdunde soep ook wel ‘soep mee den heiligen pollepel’ werd genoemd. Een verklaring voor deze uitdrukking heeft hij niet – behalve dat het een schrale troost was. Ik denk dat het, in het dialect, soep ‘meej den hèllege pòlleepel’ was. ‘Hèllege’ komt van ‘heiligen’, ofwel ‘wijden’. In dit geval is de pollepel echter niet door een priester geheiligd met wijwater, maar door moeder de vrouw met water uit de kraan.

vòrse wòrst

21

Vader heet Wout. Moeder heeft er ook vandaag het beste van gemaakt. Aan de kromme spijker hangt nu een afbeelding van een smakelijk gerecht in wording. Alsof Robben wilde zeggen: in dit huishouden is óók het ‘freete’ lekker en vet. ‘Vòrse wòrst’ was dan wel geen luxe maar wel echt vers, in tegenstelling tot ingemaakt of gezout vlees. Wie wat minder te besteden had, at de stamppot met ‘kaojkes’, uitgebakken spekzwoerd. Ook lekker. Stamppot van boerenkool werd ook wel ‘gruunstamp’ genoemd, groene stamp. Stamppotten werden door Tilburgers meestal aangeduid met ‘petòzzie’, afgeleid van het Franse ‘potage’. De moeder in deze prent maakt het gerecht dat zij serveert een beetje deftiger dan het is door het ‘boerekôole-toppestamp’ te noemen, want dat is dubbelop. Deze prent is bovendien seizoensgebonden, gezien het ‘Goei weer’. Nog steeds weten moeders dat boerenkool het best smaakt als ‘de vorst eroverheen is gegaan’. Deze prent van Robben verscheen dan ook op 1 november 1985. Mogelijk was de vorst in dat jaar aan de

pag i n a 4 | 5


pr e nt 2 1 1 januar i 1 9 85


vroege kant. In zijn teksten heeft Robben nooit iets aan het toeval overgelaten. Het ‘vòrse’ van de worst aan tafel heeft hij zonder twijfel bedoeld als een woordspeling op de vorst van het jaargetijde.

s ta m p p ò t

31

Vader heeft vandaag ‘petòzzie’ gekregen, en zijn echtgenote is daar maar wat trots op. ‘Petòzzie’ is een dialectische verbastering van het Franse ‘potage’, dat tegenwoordig als hoofdbetekenis ‘soep’ heeft. Maar met ‘soep’ heeft het Tilburgse ‘petòzzie’ niets te maken. Het wordt in het Tilburgs uitsluitend gebruikt om stamppotten aan te duiden. Dat komt doordat de afleiding al bestond voordat het Franse woord ‘potage’ de betekenis ‘soep’ kreeg. Van oorsprong (13e eeuw) is het een aanduiding voor alles wat in een pot bereid wordt, met name ook groenten. Het grondwoord is dus het Franse ‘pot’ (spreek uit als ‘po’). De verbastering komt veel voor in de Meijerij, de Kempen, en het Antwerps, en wel in de meest uiteenlopende vormen: betassie, petosie, petazzie, peteus, betazzie, petos, petuis. Behalve ‘stamppot’ kan het ook ‘aardappelpuree’ betekenen, maar niet in Tilburg. Toen deze prent in het weekblad Rooms Leven verscheen op 15 november 1963, behoorde ‘petòzzie’ blijkbaar al niet meer algemeen tot de woordenschat van dialectsprekers. De krant plaatste er namelijk, bij wijze van uitzondering, een verklaring bij: ‘stamp waarbij de aardappels niet voldoende zijn afgegoten’. Dat culinaire detail ben ik nergens anders tegengekomen. Mogelijk heeft het betrekking op het idee dat je met het kooknat ook veel van de smaak weggooit. Werd het nat bewust niet afgegoten? Hoe dan ook, de man heeft ‘de plooien uit zijn buik’ gegeten, en dat zegt genoeg. In deze vorm ben ik de uitdrukking nergens anders tegengekomen. Wel is een vergelijkbaar verband aanwezig

pag i n a 6 | 7


pr e nt 3 1 5 no v e m b e r 1 96 3


in de uitdrukking ‘’n plooi in z’n buik naaien’, wat volgens het spreekwoordenboek van H. Mandos gezegd werd als men verwachtte dat men ergens niet voldoende te eten zou krijgen. In een van zijn jeugdherinneringen in Robben en Rooms (1981) heeft Robben het idee van de smakelijke overdaad nog wat uitgebreid. Hij vraagt zich af wat de katholieke Kerk in haar voorschriften voor de vastentijd bedoelde met ‘een volle maaltijd’: ‘Ik veronderstel een maaltijd in ruime mate... een overvloedige maaltijd waarbij ge de plooien uit je buik at en ge op ‘t gespannen buikvel een luis kondt doodknippen.’

swirskaante

41

Dit is met voorsprong de ‘vetste’ prent die Cees Robben ooit getekend heeft. Opa’s smaakpapillen maken overuren, tot verbijstering van zijn kleindochter. En alsof dat nog niet lekker genoeg was, laat de tekenaar het vet ook nog eens van de muur druipen. Zo zijn in deze prent de onder- en bovenlip allebei ook visueel aanwezig. Beide kanten van de mond, onder en boven. ‘Swirskaante.’ Maar let toch ook op een detail dat typisch is voor de aandacht die Robben aan zijn verbeelding schonk: hoe de kleindochter netjes haar brood heeft gesneden, en opeet met vork en mes. Deze prent laat ook zien hoe de tijden veranderen, en onze gewoontes. De vraag blijft: wie eet hier nu eigenlijk het lekkerst?

pag i n a 8 | 9


pr e nt 4 4 d e ce m be r 1 9 8 1


slabbe

51

‘Sòppe’ en ‘prakke’ zijn tafelmanieren die net zo bij de eettafel horen als het ‘költje’ in de stamppot waarin de jus gegoten werd. Of de stamppot met de vork over het hele bord ‘britse’, zodat het laagje op de rand sneller afkoelde en gegeten kon worden. Vooral in gezinnen met veel kinderen was het vaak zaak je bord snel leeg te eten om als eerste een nieuwe portie te kunnen opscheppen. In de prent die op 5 oktober 1957 verscheen, moppert de huisvrouw tegen haar man: ‘Vat unne verket en britst oew èèrepel, semmelèèr die ge zèèt...’ Daarnaast zijn er in het Tilburgs werkwoorden die betrekking hebben op wat je ‘de stijl’ van het dineren zou kunnen noemen. ‘Pielieje’ bijvoorbeeld en ‘pitse’, die allebei bedoelen dat de eter lange tanden heeft of kieskeurig is. ‘Knèlle’, tòttere’ en ‘dabbe’ getuigen van morsigheid. ‘Vergimmese’ lijkt sterk op de bastaardvloek ‘verdimme’, de afgezwakte vorm van ‘verdomme’ of ‘verdoeme’. Maar ‘vergimme’ is nog aardiger, want de spreker slaat daarmee twee vliegen in één klap: een berisping en tegelijk de mededeling ‘vergeef me’. ‘Slabbe’ betekende oorspronkelijk ‘slobberen, slurpen, en kwijlen’ maar uiteindelijk is alleen ‘morsen met eten’ overgebleven. Ook de etiquette die bij het afsluiten van de maaltijd behoorde, is door Cees Robben verwoord, en wel in zijn rijmprent over de ‘Tilbörgse kost’ (zie ook prent 25): Laot ’n boerke… dan nie kleuren… Zegt gewoon… Ik heb gedaon… Ik ben dik… en slaot ’n kröske Vur degge wir op meut staon…

pag i n a 1 0 | 11


pr e nt 5 29 mei 1987


dabbe

6

Ook ‘dabklôot’ is vriendelijk bedoeld, want ‘klôot’ heeft de onwelvoeglijke betekenis van ‘kloot’ (dat eigenlijk alleen maar ‘kluit’ betekent) al heel lang geleden verloren. In het Tilburgs werd ‘klôot’ algemeen gebruikt om op sympathieke wijze iets te zeggen over de tekortkomingen van mannen. Die man was eigenlijk best wel ‘ene goeie klôot’. Wie arm was, was een ‘èèreme klôot’. Wie morst is dus een ‘dabklôot’, en wie tegen heug en meug eet een ‘pielieklôot’. Het negatieve van ‘klôot’ – dat bijvoorbeeld nog wel aanwezig is in de verwensing ‘klootzak’ – is in het Tilburgs van vroeger nog te vinden in de merkwaardige samenstelling ‘klôotvèèger’, ‘klootveger’. In de prenten van Robben vond ik nog ‘wiebel-klôot’, voor een kind dat niet stil kan zitten. Het Tilburgse woord ‘klutje’, om een klein kind aan te duiden, is het verkleinwoord van ‘klôot’. Waarom ‘dabbe’ een werkwoord voor ‘morsen’ of ‘knoeien’ is geworden, is nog nooit verklaard. Het is echter wel zeker dat ‘dabben’, net als ‘slabbeke’, ‘babbelen’ en ‘zabbere’ allemaal familie van elkaar zijn, en dat ze betrekking hebben op de wereld van het kleine kind, het ‘klutje’. Al deze woorden hebben door het dialectisch gebruik hun oude betekenis verloren en zijn eerder koosnamen geworden dan beledigingen of terechtwijzingen. Cees Robben heeft dat gevoel prachtig verwoord in de tekst van een van zijn ontroerendste prenten, een ouder echtpaar dat elkaar losjes omhelst, en de vrouw die zegt: ‘Och munne lekkere doerak… m’n dingske ding… m’n bruurke-bruur… en m’n klutje klôot. (12 december 1975)

pag i n a 1 2 | 13


pr e nt 6 3 0 no v e m b e r 1 98 4


kaones

7

In de tijd waarin Robben zijn prenten plaatste, was het huishouden nog een fulltime baan. De enige werkneemster was ‘die van ons’, zoals mannen hun echtgenote noemden. De zorg voor de maaltijden was een van haar hoofdtaken, en haar grootste voldoening vond zij in de schone kunst waarmee zij elke dag weer smakelijk en vooral genoeg voedsel op tafel kon zetten. Als dat lukte, dan was ze een ‘pronte vrouw’. In deze prent is dat gelukt, hoewel ik me ook niet aan de indruk kan onttrekken dat Robben hier een soort van ‘wurgconstructie’ heeft getekend. De blik in haar ogen, haar woorden die beginnen met ‘stik’ – een dialectische woordspeling op ‘steken’ maar ook op ‘stikken’… Ik heb dit altijd ook een wat angstaanjagende prent gevonden. Het woord ‘kaones’ heeft hier duidelijk de algemeen geworden betekenis van ‘kanis’, ofwel ‘kop’. Die betekenis is zowel in de dialecten als in de standaardtaal gekomen via het Amsterdams, en in het bijzonder het Amsterdamse bargoens, de taal van de onderwereld. De eigenlijke betekenis van ‘kanis’ is trouwens niet ‘hoofd’ of ‘gezicht’ of ‘kop’, maar ‘lichaam’ of ‘buik’. Het woord is afgeleid van het Latijnse ‘canis’ ofwel ‘mandje’ en ‘korf’.

pag i n a 1 4 | 15


pr e nt 7 2 7 au g u s t u s 1 96 5


bontjes

8

Die ‘pronte’ huisvrouw duldde geen tegenspraak, dat is duidelijk. De boontjes niet gaar? Dan knauw je maar! Met ‘boontjes’ zijn hier ‘prinsessenbonen’ bedoeld en die werden vaak in de eigen achtertuin geteeld (‘getuld’ of ‘geteuld’). Tuinieren was mannenwerk. De ‘boonstaken’ moesten in de tuin (‘den hòf’) opgezet worden, en in augustus werd er geoogst. Bonen die wat later rijpten hadden de vervelende eigenschap dat ze minder smakelijk waren, en vooral taai. Er ging veel tijd zitten in het ‘polen’ (pellen), schoonmaken, en conserveren. Bonen en andere peulvruchten werden geweckt of gedroogd bewaard. In de Prent van de Week van 12 juli 1958 vraagt een vrouw die een grote teil met bonen op schoot heeft aan een andere vrouw: ‘Witte wek-wek… Wies?...’ Dat weet die andere vrouw wel: ‘Knaauwbôone…’ Daarmee doelde Robben ongetwijfeld ook op het platte Tilburgs: het ‘knauwen’ op de taal. Er is geen boon die zoveel ‘bijnamen’ heeft als de tuinboon, de ‘knaauwbôon’. De geur ervan heeft aanleiding gegeven tot het vrij algemene ‘boerentenen’, terwijl Frans Verbunt in Tilburgs vur Tonpraoters ook het verder onbekende ‘zwêethiele’ noemt. Algemeen waren ook ‘labbôon’ en ‘flòdderbôon’. ‘Labboon’ is gevormd naar ‘labkruid’, het bonenkruid waarmee melk gestremd kan worden. ‘Lab’ is daarbij volgens A. Weijnen afgeleid van ‘leb(be)’, een enzym uit de lebmaag van een kalf dat dezelfde stremmende werking heeft. ‘Flodder’ is van ‘fladder’, zoals een vlinder fladdert; de tuinboon behoort namelijk tot de familie der vlinderbloemigen. Cees Robben heeft heel wat prenten getekend waarop het (volks) tuinieren een rol speelt. Dat deze vorm van zelfvoorziening vaak ook leidde tot een oogst die veel meer opleverde dan voorzien was, komt mooi tot uiting in een prent die op 17 mei 1985 in de krant stond. Zegt de ene tegen de andere hoftuinder: ‘Ik beteul zelf munnen hof en win veul. ’s Middags hek vort driederaand sôort gruuntes op taofel… peekes, peeje, en wortele…’

pag i n a 1 6 | 17


pr e nt 8 5 au g u s t u s 1 9 77


zibbedeejus

9

Soms moet die culinaire heerschappij van moeder de vrouw de bijbehorende mannen te veel geworden zijn. Zoals in deze prent. Zelfs als het alleen maar ging om de aardappelen. Als je zelf wat mager bent en je vrouw toch je bord vol schept met aardappelen. Dan wil zo’n aardappel wel eens per ongeluk van je bord springen. Niet met opzet of ‘uitsprès’. Het aardige van deze prent is dat moeder daar best begrip voor heeft. ‘Liegen als een bidprentje’ is een voor Brabant algemene uitdrukking geworden, doordat op de achterkant van bidprentjes de overledene altijd in zijn beste hoedanigheid beschreven werd. De milde katholieke spot zit ook in de naam ‘Zibbedeus’. Zebedeüs is in het evangelie van Markus een visserman. Zijn twee zonen, Jakobus (de meerdere) en Johannes, sluiten zich aan bij Jezus, zonder dat Zebedeüs daartegen protesteert. Terwijl hij daardoor toch twee van zijn vissersknechten verliest. Daardoor is ‘Zebedeüs’ in het Nederlands een spotnaam geworden voor een ‘onnozele hals’ en een ‘sul’. In de Brabantse dialecten komt de naam in allerlei varianten voor, en wat daarbij opvallend is: ook voor vrouwen. Jan Naaijkens noemt voor Hilvarenbeek een ‘zibbediske’ voor ‘dutseltje’. In de oudste Tilburgse woordenlijst van N. Damen (1916) vinden we een ‘zebedeeuske’ met als verklaring: ‘simpel onnozel meisje’.

pag i n a 1 8 | 19


pr e nt 9 1 1 o kt o be r 1 9 6 3


m ö l l e k e pa p

10

Mannen die aan het fornuis staan, zijn in de tijd van Robbens prenten zo ongeveer de meest beklagenswaardige pantoffelhelden. Robben laat in een prent, waarop de vrouw staat te koken, haar man zeggen: ‘Ik zit onder den pantoffel… en men vrouw die heetem aon’ (12 mei 1961). Er is ook een Prent van de Week waarin een vrouw haar man toeroept: ‘Niks kunde, dè kunde.’ En zo was het inderdaad, als het om huishoudkunde gaat. ‘Möllekepap’ is ‘melksepap’, pap van karnemelk. In het Tilburgs was ‘mölk’ namelijk het woord voor ‘karnemelk’. Gewone melk was ‘rôome’, en ook daar kon je pap van koken, maar dat was dan natuurlijk ‘rôome-pap’. Op de vraag of iemand een ‘scheut’ of een ‘schutje’ melk in zijn koffie wilde, was het antwoord ‘Gif mar unne scheut… Ik ben nog aaltij goed rooms…’ (17 oktober 1969) Maar Robben laat in prent 10 ook een gewoonte zien. In haar kookboek met Brabantse gerechten Aerpel in ’t potje (1982) schrijft Nan Oomen namelijk dat de bereiding van karnemelksepap weliswaar zeer eenvoudig was – je hoefde alleen maar constant te roeren – maar dat het ‘boven een haardvuur of op een plattebuiskachel’ behoorlijk lang duurde voordat de pap klaar was. Het roeren, zegt Oomen, werd daarom vaak overgelaten aan huisgenoten die op dat moment toch niets anders om handen hadden. Het lijkt erop dat de vader in deze prent het ‘slachtoffer’ van deze praktische huishoudelijke gewoonte is geworden. En dat hij niet blij is dat zijn zoontje hem in die gedaante ziet.

pag i n a 2 0 | 21


pr e nt 1 0 2 mei 1959


gin zaand

11

Was de huisvrouw in prent 3 nog content dat haar man de plooien uit zijn buik had gegeten, in deze prent wordt het laadvermogen zelfs haar te machtig. Haar bedoeling met ‘Je zult geen zand meer afgaan’ is duidelijk, en H. Mandos vermeldt dat de uitdrukking ‘Algemeen Brabants’ is: ‘Flink gegeten hebben’. Maar hij noemt ook een variant: ‘Er zand van in oew kont krijgen’, wat gezegd wordt als het eten karig is of niet lekker. Slecht of weinig eten wijst blijkbaar op problemen met de stoelgang. Deze prent verscheen in Rooms Leven van 28 november 1959, en er werd een toelichting bij geplaatst waarin de aandacht wordt afgeleid van die stoelgang: ‘Gin zaand mir afgaon is een oude Tilburgse uitdrukking voor Ge hebt nu wel genoeg gegeten.’ Pierre van Beek schreef heel kort over de uitdrukking in zijn taalrubriek, en maakt ons ook niet echt wijzer: ‘Een smulpaap, die zijn ‘kanus’ goed had volgestopt, hoorde zich toevoegen: “Nou, gij zult ook geen zand meer afgaon!” Dit had betrekking op de stoelgang.’ Robben zelf had blijkbaar plezier in de uitdrukking, want hij gebruikte die nogmaals als Prent van de Week (11 april 1967): ‘Schaai-uit-Jaon… Ge zult gin zaand mir afgaon…’ Mogelijk is ‘zand’ eenvoudigweg gekozen als beeld voor een slechte stoelgang, al sluit ik niet uit dat de taalgebruikers van toen er toch meer van begrepen hebben dan wij, de lezers van nu. De volkshumor is meestal verfijnder dan je denkt. Vergelijken we ons ‘zand’ eens met andere Brabantse uitdrukkingen. Het verband tussen maaltijd en stoelgang wordt ook gelegd in uitdrukkingen als ‘Wè goed èt, dè goed schèt’, en ‘Ge zult gin kaaie mir kakke’. Misschien is de vastheid van ‘zand’ en ‘kaaie’ wel bedoeld als verwijzing naar het tegengestelde: ‘gin zaand’, ‘gin kaaie’, en dus een waarschuwing voor ‘den dunne’?

pag i n a 2 2 | 23


pr e nt 1 1 2 8 no v e m b e r 1 95 9


gerammel

12

In de tijd waarheen Cees Robben ons terugbrengt met zijn prenten, was er voor de gewone mens weinig gelegenheid om kieskeurig te zijn. Boerenkool was de kost, en als er de vorst overheen was gegaan, was dat een traktatie. Goed eten betekende vooral veel eten en vet eten. De slacht van het varken was een feestdag. Zult was een delicatesse, net als balkenbrij en het konijn met de feestdagen in december. Groenten kwamen uit de eigen ‘hof’. Men hield kippen voor eieren, geiten voor melk, en konijnen voor de feestdagen. Men at met de seizoenen. Veel te kiezen viel er niet. Altijd zat de kalender aan tafel. Wie in het leven van alledag dan toch kieskeurig is, moet wel een beetje bespottelijk zijn. Is de man die geen beschuit bij zijn ontbijt blieft een mopperkloot? Beschuit was immers toch een zekere luxe, iets extra’s, net als krentenbollen of een ‘plèkbrôojke’ (bolus). Niet voor niets schreef Cornelis Verhoeven over de eetgewoonten van vóor de oorlog: ‘Een andere zonde (…) was kieskeurigheid.’ Toch is de man in deze prent niet zomaar een mopperende zondaar. Hij verzet zich namelijk ook tegen die luxe, tegen de verandering die de welvaart met zich meebrengt. Hij blijft trouw aan zijn bakkes. Hij is, zou je kunnen zeggen, een jonger familielid van de broodsoppende opa uit prent 4. Deze prent gaat dus vooral over de kwaliteit van het voedsel. Zijn standpunt is duidelijk: goed voedsel hoort niet te rammelen. Een toevallige maar treffende overeenkomst met dat standpunt werd door Damen (1916) opgetekend met betrekking tot het woord ‘kwaansel’, dat ‘morsen’ betekent en nog steeds gebruikt wordt voor minder smakelijk, met water aangelengd bier. Damen tekende toen een uitspraak op die een bijschrift bij een prent van Cees Robben had kunnen zijn: ‘Ik drink nie mee. Ik wil al dè gekwaansel nie in m’n buik hebben…’

pag i n a 2 4 | 25


pr e nt 1 2 10 mei 1980


v e e g e ta a r i e s

13

Deze prent verscheen in 1981 (17 juli). Nederland was zich bewust geworden dat er ook nog andere consumptievormen mogelijk waren dan de traditionele. Met maatschappijkritiek of politiek commentaar heeft Cees Robben zich niet vaak ingelaten. Ook in deze prent geeft hij liever een humoristisch commentaar dan een voorschrift. Het ging hem niet zozeer om uitroeptekens, als wel om vraagtekens bij de waan van de dag. En dus zien we hier het opkomende vegetarisme door de ogen van een huisvrouw die in 1981 eigenlijk al niet meer bestond. Een herinnering aan de tijd waarin boer en arbeider nog zelf hun konijnen fokten. Uit pure noodzaak. In dit verband mag ook nog de prent genoemd worden die op 7 april 1964 verscheen. Een huisvrouw bij een groentekraam. Zegt de vrouw tegen de koopman: ‘Ge kunt me nog meer vertelle meej-oe vietemiene… ik zeg mar… slaoj is goed vur de kenèène…’

pag i n a 2 6 | 27


pr e nt 1 3 1 7 ju l i 1 9 8 1


t i e ta a j k e s

14

Met zijn allen, inclusief de trouwe viervoeter, uit eten in een heus restaurant! Dat moet een bijzondere luxe geweest zijn voor veel Tilburgse gezinnen. Maar hier zien we er een. Of het wat mag kosten weten we niet, maar het is wel duidelijk dat pa nu de regie over de maaltijd heeft overgenomen. Het is nog net geen slaoj meej aaj mee jèùn meej èèrepel, maar wat er op tafel komt, moet vooral vertrouwd zijn. Kippensoep als entree, kippenragout als voorgerecht. Dan ‘poelepetaat’ ofwel ‘waterhoen’ (uit het Franse poule-pintade, letterlijk ‘waterkip’). En als nagerecht een ‘tiet-aaj’, een kippenei. Daarna nog even ‘kakelen’ en dan op stok. ‘Tiet’ en ‘tieteke’ zijn in vrijwel geheel Brabant gebruikelijk geweest voor ‘kip’ en ‘kuiken’. Damen noteerde in 1916 voor Tilburg nog een ongebruikelijke samenstelling: ‘aajketiet’ voor ‘ei’. De aanduiding dateert uit de tijd dat kippen nog vrij rondscharrelden – in plaats van in een ren en nog later de legbatterij. Als ze gevoerd werden, werden ze gelokt met ‘tiet tiet tie-iet’ of een vergelijkbare roep. Uiteraard betekende ‘tiet’ ook ‘borst’. Damen tekende het in die betekenis op samen met ‘tietkorf’ voor ‘boezem’. Dialectsprekers waren zich bewust van die dubbelzinnigheid maar hadden er geen moeite mee. Op één na. Pater Piet Heerkens, geboren op Korvel, schreef een dialectgedichtje over het onzelieveheersbeestje (in De knòrrie, 1949). In het dialect werd dit beestje ‘lievenheeretietje’ genoemd, maar pater Piet had daar moeite mee. Hij hernoemde het in zijn gedicht liever een ‘lievenheeretientje’!

pag i n a 2 8 | 29


pr e nt 1 4 9 ju l i 1 9 7 1


fraans

15

In vergelijking met die hoge Tilburgse kiepekwiezien moet het bezoek aan een Chinees restaurant een exotisch avontuur geweest zijn. Het Tilburgs met de ‘kiep’, de ‘poele’, en het ‘tietaajke’, dat was duidelijke taal. Maar gelukkig bleek die vreemde taal toch ook goed te worden verstaan door de volkstong. De vreemde taal die de keuken en de menukaart van Tilburg het meest bepaald heeft, is het Frans. Het land van de poelepetaat. De oorzaak daarvan is ongetwijfeld het gegeven dat de hogere klasse van Tilburg eeuwenlang onderwijs heeft genoten in het Frans – de zogenaamde Franse scholen – en dat de zakelijke en politieke voertaal in Nederland zeer vaak het Frans was, zeker ook in de textielindustrie. Voor de Franse taal van voor 1900 gold precies hetzelfde als voor het Chinees van deze prent: het smaakte best, maar lezen kon de gewone, dialectsprekende Tilburger het niet. Maar hij kon het wel nazeggen. En dus kent het Tilburgs onder andere: Petòzzie – eenpansgerecht – potage Kèrmenaaj – karbonade – carbonate Sjelòt – uitje – échalotte Zjuu – jus – jus Tas – kopje (voor koffie of thee) – tasse Krèp – karbonade van de rib – crêpe Sesies (siesie) – worst, metworst – saucisse Knèèn – konijn – conin (Oudfrans) Zjeneever – jenever – genièvere Kejak – cognac – cognac Toepertoe – le tout pour le tout – heel gretig alles ineens opeten of opdrinken. En niet te vergeten het woord waar Robben deze prent mee begint: ‘Novvenaant’, van het Nederlandse ‘navenant’, dat afgeleid is van het Franse ‘à l’avenant’: ‘naar verhouding’. Er waren rond 1965 in Tilburg slechts twee Chinese restaurants (China en Hong Kong), maar de hele stad stond vol met tafels waarop elke dag wel iets Frans geserveerd werd. Al was het maar een ‘verkèt’, een vork.

pag i n a 3 0 | 31


pr e nt 1 5 7 fe br uar i 1 9 86


èèrepel

16

In het officieuze volkslied van Tilburg, ‘Zèède gij ne pronte meens’ is het eten van aardappelen een van de kenmerken van de echte Tilburger: Zèède gij ne pronte meens? Lopte wèl es hèrs èn geens? Luste gèère goej petatte? Gaoder wèl es êene vatte? Pròtte aaltij èffe plat, En zègde ‘gatverdikke’? Dan zèède gij van onze stad, Van Tilburg nèt as ikke! Toch lezen we ‘petat’ in het Tilburgs dialect vrijwel nooit om aardappelen aan te duiden, behalve als het gaat om ‘petat frut’, gefrituurde aardappelen, frites. Tilburgers aten ‘èèrepel’. ‘Slaoj meej aaj mee jèùn meej èèrepel’ is waarschijnlijk het beroemdste recept uit de Tilburgse volkskeuken. De naam is het recept. Het was smakelijk en goedkoop. De veldsla, de uien, en de aardappelen konden in de eigen achtertuin geteeld worden, en de eieren kwamen van de ‘tietekes’ die in diezelfde tuin rondscharrelden. Deze doodgewone delicatesse is echter ook onlosmakelijk verbonden met het katholieke Tilburg. Op vrijdag mocht de katholiek geen vlees eten, en niet iedereen kon wekelijks vis betalen. ‘De vis wordt duur betaald’, zei Kniertje al. Dus kwam er ‘aaj’ op tafel als vleesvervanger. De prent van Cees Robben brengt ons bovendien naar de tijd waarin in arbeidersgezinnen de warme maaltijd ‘tussen de middag’ genuttigd werd. Het jongetje komt recht uit school. Nog even, en vader komt uit ‘et febriek’ om thuis te eten.

pag i n a 3 2 | 33


pr e nt 1 6 3 1 m aar t 1 9 7 2


slacht

17

In een bijzondere categorie prenten wilde Cees Robben met zijn tekst het dialectisch woordgebruik vastleggen dat bij bepaalde rituelen of situaties hoorde. Zulke prenten zijn er bijvoorbeeld van het handboogschieten, het biljarten, en kinderspelletjes. De prent waarop de vader een varken aan het slachten is, verwijst naar de slachtmaand (november), een cruciaal moment om ervoor te zorgen dat er gedurende de winter vlees op tafel kon komen. Het speciaal daartoe opgefokte varken werd dan meestal door een thuisslager ‘gestoken’, en ‘op de leer’ gehangen voor verdere verwerking. In Robbens prent is het varken één grote fabriek van delicatessen. Ik zal ze kort toelichten: Platte ribben – karbonade; gesneden van de ribben, ook wel ‘kèrmenaoj’ genoemd. Kaoikes – kaantjes; uitgebakken spekzwoerd. Balkenbrij – gerecht; de hoofdbestanddelen zijn stukjes lever, hart, mager spek, varkensniertjes, en vette spekblokjes. Andere ingrediënten zijn boekweitmeel, rommelkruid, peper, zout, en nootmuskaat. Klöfkes – kluifjes. Kienebak – de slager liet meestal de kinnebak aan de varkenskop zitten; op verzoek kon de kinnebak ook van de kop losgesneden worden; hij bleef dan aan de schouder; vandaar Robbens toevoeging ‘uit de nek’; aan de kinnebak zit het kop- of kinnebakspek. Krep – dunne plak ribkarbonade. Haoske – de haas; malse, magere spier uit de lendenen; zeer goed vlees. Van de vang – het vlees tussen bil en buik; vlees uit de liezen. Vurstuk – voorstuk; de voorham. Nierkes – niertjes. Naar de betekenis van het door Robben genoemde ‘smòdderpötje’ heb ik lang moeten zoeken, totdat ik haar uiteindelijk vond bij… Cees Robben zelf. Niet in een van zijn prenten, maar in een van de teksten in Robben en rooms (1981). Daar schrijft hij over de varkensslacht: ‘Daags (na het slachten) werd het varken afgekapt. De grote stukken gingen de kuip in en het klein goed ging terzijde voor de bloedworst, pag i n a 3 4 | 35


pr e nt 1 7 5 fe br uar i 1 9 55


de zult, de kaoikes en de balkenbrij. De hersens en ‘de steek’ werden het eerst gegeten... dat was het ‘smodderpötje’. Met ‘de steek’ bedoelt Robben het vlees rond de steekwonde, die door de slager op de kop of in een slagader in het oksel werd toegediend. In 1916 tekende de Tilburgse dialectverzamelaar Damen een ouder woord op voor precies datzelfde smakelijke wondvlees: ‘zuutekrep’. Vrijwel niets van het varken werd weggegooid. Wat er overbleef bliefde de kat nog wel. De kinderen, althans de jongens, hadden vooral belangstelling voor de blaas, de ‘frutblaos’. Daarvan kon een ‘foekepot’ of ‘rommelpot’ gemaakt worden, een primitief muziekinstrument waarop ze zichzelf begeleidden als ze al zingend van deur tot deur gingen op vastenavond. ‘Smodderen’ betekende in het Middelnederlands ‘bevuilen’ of ‘besmeuren’. Ons woord ‘modder’ is daarvan afgeleid. Dat besmeuren zit dus ook in ‘smodderpötje’. Robben vermeldt dat uitdrukkelijk als hij beschrijft hoe zijn vader van het smodderpotje genoot: ‘dan glommen z’n kien en z’n wangen van al dat kösselijk vet.’ (Robben en rooms; 1981)

zult

18

Na de frutblaas komt de rest van het varken. Vooral als er enige indruk gemaakt moet worden op een aardig ‘mèske’ of ‘mèdje’, soms zelfs op een ‘durske’ of een ‘zebedeeuske’. Echte mannen lustten alles van het varken! Weg met de jam en de hagelslag. Robben heeft ook een prent getekend met hetzelfde motief – jongen probeert indruk te maken op meisje – maar dan met kinderen die net een paar jaar ouder zijn. Die prent verscheen op 11 april 1959 en toont een opgeschoten jongen die blijkbaar slagersknecht geworden is. Hij heet Fransje en hij is bij het aan huis bezorgen van vlees blijkbaar een aardig meisje tegengekomen. In zijn korf zien we een varkenskop en een saucijs liggen (‘sesies’ zegt de Tilburger). Het meisje heeft ook wel oog voor hem en vraagt: ‘Ben-de al lang in ’t vak, Fraanske…?’ Waarop Fraanske uitgerekend het verkeerde antwoord geeft: ‘Hoejee… Ik kan al zult uitbeene en alles…’ Ik denk dat het tussen die twee wel goed gekomen is.

pag i n a 3 6 | 37


pr e nt 1 8 4 fe br uar i 1 9 66


snèrt

19

Ook snert is zo’n gerecht dat de gewone man door de winter moest helpen. Het overschot aan verse groenten uit eigen hof werd ‘ingemaakt’ in Keulse of geweckt in glazen potten. Peulvruchten hadden het voordeel dat ze zonder veel moeite gedroogd en geconserveerd konden worden. Er is een brief bewaard gebleven van Peerke Donders, waarin hij beschrijft wat hij te eten kreeg tijdens zijn overtocht naar Suriname. Na twee weken is de verse etenswaar die aan boord was op, en worden de reizigers op een dieet van geconserveerd voedsel gesteld. Een van Peerkes biografen, J. Dankelman, schrijft: ‘Dan bestond de scheepskost uit grauwe erwten met pekelvlees, witte bonen met spek, zuurkool met aardappelen en worst, erwtensoep en stokvis.’ Er zit nogal wat snert in de prenten van Robben. Hij heeft die delicatesse opgenomen in zowel het zogenaamde ‘schabberdebonkmenu’ voor daklozen, als in het gedicht ‘Tilburgse kost’. Een van de aardigste ‘snertprenten’ laat ons meekijken en -luisteren in de biechtstoel, waarin een huisvrouw de penitentie krijgt van de pastoor. Haar boetedoening bestaat uit ‘drie weesjegroetjes en mee de slacht unne hiel vur de snert’ (5 februari 1988). En wie de gewoonte nog kent dat meneer pastoor van elk geslacht varken in zijn parochie een mooi stuk vlees ontving – het ‘zielstuk’ – die weet ook dat dit een zeer bescheiden penitentie is! ‘Snert’ is geen dialect maar Standaardnederlands, en het is ook ouder dan ‘erwtensoep’ (de Tilburgse dialectspreker sprak dan van ‘èrtsoep’). Het verschil is van sociale aard. Toen de snert verhuisde van de tafel van de boeren en arbeiders naar de keukens van de beter gesitueerde burgerij, was er meteen een deftiger woord voor nodig. Hetzelfde is gebeurd met ‘zult’ dat ‘hoofdkaas’ ging heten. Met ‘hiel’ dat wat netter is dan ‘pootje’. Met ‘kiep’ voor ‘tiet’. Cees Robben heeft die verdeftiging vastgelegd in een prent waarop we een huisvrouw zien die bij de slager is, en die blijkbaar niet weet

pag i n a 3 8 | 39


pr e nt 1 9 1 8 d e ce m b e r 1 98 7


wat ‘zult’ is. Waarop de slager uitlegt dat zult een varken is dat ‘gelèèk in de frut zit… mar wel lekker’. (7 december 1984) Het ultieme voorbeeld daarvan is natuurlijk de prent waarop een man tegen zijn vrienden zegt: ‘Toen den import bij ons tege pisse plasse begos te zegge… is ’t gezèèk begonne…’ (23 mei 1980)

toelaog

20

In deze prent zijn de schaarste en de armoede onontkoombaar. Kinderen die meer brood dan beleg op hun ontbijtbordje krijgen. Mogelijk eten ze hedenmorgen ‘een boterham met tevredenheid’, met boter en suiker. Jam of kwattastrooisel is er vandaag niet bij, laat staan iets ‘van het varken’. ‘Toelaag’ staat voor alles wat op een boterham gesmeerd of gelegd wordt, en tegelijk is het ook zo’n oud woord (15e eeuw) dat nog niet zo heel lang geleden plaats heeft moeten maken voor het deftiger en vooral welvarende ‘beleg’. In het Woordenboek van de Brabantse dialecten lezen we wat de armsten in vroeger eeuwen op hun ‘botram’ legden: ‘Het broodbeleg van de armen bestond uit stroop, vet, reuzel of uitgestreken aardappel. Alleen de rijken konden zich boter en kaas veroorloven.’ In oorsprong is ‘toelaag’ niet zozeer wat je op je boterham kunt leggen, als wel wat je op een boterham moest toeleggen. ‘Toelaog’ voor ‘broodbeleg’ is in de vorige eeuw vrijwel uitsluitend nog in Tilburg gebruikt.

pag i n a 4 0 | 41


pr e nt 2 0 1 5 fe br uar i 1 9 63


hartjesbrôod

21

Misschien kregen Misschien kregen de broertjes van prent 20 dan wel geen beleg, hun brood kan toch een delicatesse geweest zijn, een ‘hartjesbrood’. ‘Hartjesbrood’ is in Brabant de benaming geweest van diverse soorten brood. Het maakt blijkbaar niet uit waarvan het brood gemaakt werd of waarmee het besmeerd dan wel belegd werd, als het maar goede herinneringen oproept. Volgens het Woordenboek van de Brabantse Dialecten kan hartjesbrood gebakken worden van tarwemeel, van tarwemeel met roggemeel (en dan heet het soms ‘half om half’), van zemelen, en komt het in Reusel uit de oven als een witbrood. Volgens Cees Robben werd ‘hartjesbrood’ gebakken van ‘klaoren bloem’ en ‘enkelt rog’. Dus: de zuivere bloem die uit rogge gewonnen werd. Robben heeft over dit brood ook geschreven in verband met een bedevaart, en dat fragment leert ons iets over de rituelen van vroeger: ‘Ik viel op een middag na schooltijd bij tante Jana binnen. Ze bekruiste net een groot Hartjesbrood en sneed er het korstje af. In het binnenste van het aangesneden brood groef zij een diep pijpje en zij vulde de ontstane ruimte met malse boter. Toonôom bracht het afgesneden korstje weer op zijn plaats, stak er een lange spijker in diep tot in de boter en het kruim, ‘t korstje kon nou niet meer weg en Toonôom grinnikte... , da’s goei eten jonge…’ (Robben en rooms; 1981) Het ‘bekruisen’ waarvan hier sprake is, verdient toelichting: met de punt van het mes één of meer kruistekens maken op het brood alvorens het aan te snijden. Toen deze prent in 1960 verscheen, was hartjesbrood al nostalgie. In 1970 hielden Robben en de Goirlese volkszanger Jo Hoogendoorn een lezing in Tilburg. Op die avond droeg Robben enige van zijn nostalgische gedichten voor. In het tijdschrift Actum Tilliburgis verscheen een verslag van dat optreden:

pag i n a 4 2 | 43


pr e nt 2 1 2 4 ju n i 1 9 6 0


Zowel de ouderen, die met weemoed aan hun jonge tijd dachten, als wel de jongeren, leefden intens mee (…) Alleen voor de jongeren was het moeilijk te ‘pruuven’ wat hartjesbrood eigenlijk was.’ Hartjesbrood is nog steeds (2008) verkrijgbaar bij de bekendste bakker van Udenhout. Of het bereid wordt volgens dezelfde receptuur die Robben kende, is twijfelachtig. ‘Mar wel lekker…’

ge-eet

22

Wie ‘eten’ zegt, zegt per definitie ‘gezondheid’. Moeder kookte maar was ook dokter en diëtiste. Kinderen die niet genoeg aten, waren zorgenkindjes; kinderen die veel en graag aten waren… zorgenkindjes. Cees Robben heeft de heilzame werking van voedsel meer dan eens in zijn tekeningen verwerkt. Voor het Elisabeth-ziekenhuis maakte hij tekeningen die op de menukaart voor de patiënten werden afgedrukt. Een van die prenten laat zien hoe de gezondheid van een kind vooruit is gegaan doordat het tegen de dokter zegt: ‘Een naa lus ik… slaoi mee juin meej aai meej èèrepel… mee pap toe…’ Deze tekening verscheen in 1983, niet als Prent van de week maar als illustratie in het boek Op dokters advies, een verzameling krantencolumns van de in die tijd bekende Tilburgse arts Michel de Grood.

pag i n a 4 4 | 45


pr e nt 2 2 2 1 s e pte m be r 1 9 7 3


bökpènt

23

Er lijkt in de tijd die Robben in zijn tekeningen opriep een verband te zijn geweest tussen gastronomie en meteorologie: ‘buiten-buiks’, meer dan er in een buik kan, opgegeten ‘mee dees weer’. Volwassenen hadden tenminste nog plooien in hun buik, en daarmee speel- of eetruimte, kinderen nog niet. Ik heb van deze aanduiding nergens een bevestiging gevonden dat zij algemeen gebruikt is voor ‘te veel eten’. Deze prent verscheen op 4 augustus 1967, in de zomer, en die was blijkbaar warm. Het volksgeloof wilde dat het na een ‘volle maaltijd’ op een warme dag niet aan te raden was verkoeling te zoeken in het water, want ook dat zou kunnen leiden tot nare gevolgen. Indigestie is, als je het met een vaste uitdrukking mag zeggen, de aandoening die veroorzaakt wordt doordat de ogen groter zijn dan de buik. Dat kan inderdaad gevaarlijk zijn doordat de spijsvertering ontregeld wordt. Behalve ‘buiten-buiks’ is voor het Brabants nog een hele reeks van mooie woorden en uitdrukkingen opgetekend voor maagklachten: ‘de vuile kobus, de vuile opbot, overetendheid, muik’, en in Tilburg ook ‘overvreten zijn’ en ‘ongaans’. Een deel ervan verwijst dus rechtstreeks naar de oorzaak – te veel eten – andere woorden naar de gevolgen, meestal het opboeren van maagzuur. In het Tilburgs worden voor die klacht meestal ‘aopezuur’ en ‘bökzuur’ gebruikt. Bij Cees Robben vinden we een uitdrukking die waarschijnlijk ouder is: ‘de vèùlen opbölk’. Dat het maagzuur betreft, en niet slechts het opboeren van lucht, mogen we afleiden uit het woord ‘vuil’: de vieze smaak die het zuur in de mond veroorzaakt. Robben heeft ook een prent getekend met een vrouw die aan de drogist vraagt: ‘vur ’n dubbeltje vur d’n vuilen opböllik’ (20 juni 1975). Daarnaast is er een prent waaruit we mogen afleiden dat de uitdrukking ‘de vuile opbulk’ gebruikt kon worden in figuurlijke zin voor ‘overvloed’ of ‘overdaad’. Een vrouw neemt een andere vrouw in vertrouwen over de gierigheid van haar man: ‘Nou daor zak ginnen vuile opbölk van krèège…’ (16 april 1965)

pag i n a 4 6 | 47


pr e nt 2 3 4 au g u s t u s 1 9 67


pèns

24

Heel veel prenten van Cees Robben spelen zich af rond de eettafel, het huiselijk centrum waar het dagelijks leven besproken kon worden. In dit negende buukske heb ik me beperkt tot tafelgesprekken over het eten, zoals het jongetje dat geen snert blieft in prent 19. En dan hebben we hier zijn oudere zusje. Dat wil hot pants. Deze prent verscheen op 30 april 1971. Hot pants waren in de mode. Vader snapt het niet. De zogenaamde generatiekloof wordt hier subtiel getoond als een ‘generatiekluif’. ‘Pens’ komt van het Franse woord ‘panse’ dat ‘maag van een dier’ betekent. In de slagerij is het woord later gereserveerd voor de eerste afdeling van de rundermaag. Die is niet voor gewone consumptie geschikt, maar net als bijvoorbeeld de darmen is ze wel goed bruikbaar om als omhulsel te dienen voor ander vlees. In het Handboek voor de slager (1955) lees ik hoe arbeidsintensief het reinigen van de pens is. Maar als dat gedaan is, kan de zo ontstane ‘zak’ naar believen gevuld worden met vlees en kruiden, en gebakken worden. In Brabant wordt dit slagersgerecht ‘rolpens’ genoemd. In Frankrijk heet het ‘tripe’. Er zijn vele variaties mogelijk. Mogelijk denkt de vader in deze prent bij het woord ‘pens’ echter niet aan rolpens maar aan bloedworst. In die betekenis is ‘pens’ in geheel Brabant en aangrenzend Oost-Vlaanderen ook gebruikt, om de eenvoudige reden dat ook het varkensbloed, samen met de ingrediënten, door de slager in een darm, in dit geval de dunne darm, geperst werd. En om de spraakverwarring nog te vergroten: ook het woord ‘beuling’ werd gebruikt voor ‘rolpens’. Bij beuling is het hoofdingrediënt echter een mengsel van het slachtafval van het varken: hart, nieren, en vooral lever. Vandaar ook de benaming ‘bakleverworst’. Maar al met al had die vader in onze prent ook geen ongelijk. De hot pants die zijn dochter wil dragen, hebben wel iets weg van de ‘pens’: goed bruikbaar om als omhulsel te dienen voor ander vlees.

pag i n a 4 8 | 49


pr e nt 2 4 3 0 apr i l 1 9 7 1


menuuke

25

Hier is hij dan toch: de man die zelf kookt. Waarom hij dat doet, is niet duidelijk; mogelijk is hij weduwnaar, want blijkbaar zijn ‘die strontjong’ de enige tafelgenoten. Voor Robben was deze prent waarschijnlijk vooral een gelegenheid om nog eens te spelen met de samentrekkingen die het Tilburgs zo welluidend en voor buitenstaanders tegelijk zo raadselachtig maken. De strontjong zouden het niet eten als ze wisten wat ze aten. Over zijn gerechten heeft de kok geen hoge muts op, maar hij heeft zo te zien wel flink opgeschept. De kans is groot dat er het een en ander op tafel staat dat door Robben genoemd is in zijn gedicht ‘Tilbörgse kost’ dat drie dagen voor Kerstmis 1961 in de krant verscheen als ‘kooktip’: Bruine bôone meej wè kaoije… Kapecijners… maoger spek… Bloedworst… krooten… praai… selotte Snert meej klöfkes… des nie gek… Mèèrig-pepkes… schenken… knooken Boere-toppen… zoere zult Peejen… knolraop… en goed smôoren Aanders bender meej gekuld… Heeten bliksem… keelen… slôoren Zuurkôol uit d’n inmaokpot… Die van vis haauwt… stokvis… bukkem Spiering… herring… ofwel sprot… Krabben… kneukels… blende vinken Zwoertjes… juin-stamp… des nie mis Nogal preèzig… en ge snapt wel Dè dees vur gegoeden is Om de gaotjes aon te vullen Vatte nog wè mölleke pap Of ’n locht en smeuig aaike Meej wè zoer morellensap… pag i n a 5 0 | 51


pr e nt 2 5 6 ju n i 1 9 7 5


knèèn

26

De culinaire kalender bereikte na de varkensslacht een nieuw hoogtepunt rond Kerstmis en de jaarwisseling. Tijdens die feestdagen was konijn een geliefd gerecht. Een Tilburgse anekdote verhaalt over een man die twee konijnen opfokt voor de feestdagen. Als een kind vraagt hoe die konijntjes heten, zegt de man: ‘D’n dieje, die hiet Irste Kèrsdag, èn dan witte gij wèl hoe diejen aandere hiet!’ Robben heeft meer dan eens een prent getekend waarop die lekkernij niet zelf gefokt was, maar gestroopt moest worden. Bijzonder is de prent waarop een jager in het veld een konijn probeert af te schieten, mist, en zich verontschuldigt met de woorden: ‘Hij keek om’. (23 november 1979) Robben was geen voorstander van de jacht, zo lijkt het. Met kennelijk genoegen heeft hij een prent gemaakt waarop de jager niet het wild maar zijn eigen hond afschiet en die meesleept terwijl de konijnen toekijken. Met als bijschrift: ‘Ze krèège tirrisworrig de honden mar nie aongesleepe…’ Op 24 december 1976 liet hij een prent verschijnen waarop de konijnen aan het woord zijn terwijl de jagers aanleggen: ‘Meej den korsemis is’t oppaasse geblaoze jonges…’ Een van de bekendste Tilburgse uitdrukkingen is ‘Kèkt is of ie kèkt, èn assie kèkt, nie kèèke…’ Robben heeft die uitspraak nieuw leven ingeblazen met zijn kerstprent van 24 december 1954. Een man en een jongen lopen zonder blikken of blozen (‘dôodgemoedereerd’) het bos uit. De man met een gestolen kerstboom op de schouder. Een politieagent kijkt verbaasd toe. Wie deze prent wat nader bekijkt, ziet dat de jongen een gestroopt konijn op de rug heeft hangen. Een vergelijkbare situatie tekende Robben op tweede kerstdag van 1976. Een jongetje is in het bos aangehouden door de boswachter. Die vraagt wat het jongetje, dat ook nu weer achter zijn rug een konijn verbergt, hier aan het doen is. Waarop het jongetje

pag i n a 5 2 | 53


pr e nt 2 6 2 3 d e ce m b e r 1 97 7


‘straol’ beweert: ‘Spèlle schèère vur ’t stalleke, meneer…’ Ofwel ‘kerstgroen rapen voor de kerststal, meneer…’ De nieuwjaarsprent van 3 januari 1973 is in de betere kringen van Tilburg gesitueerd, want ‘Madelèèn’ moet het konijn bereiden. Ze vraagt: ‘Weffer wèèn wildopt kenèèn… Of heddem liever in azèèn…’ Waarna Madeleine zich voorneemt beide smaken toe te passen, met de woorden: ‘Zoo zal ’t wel zuur-zuut-zat-zèèn…’ Voor wie zelf geen konijnen fokte en wie niet genoeg geld had voor de poelier of een stroper, was er nog deze mogelijkheid: de ‘dakhaos’. Robben maakte er een prent van op 7 januari 1956, over een kater genaamd Karel die kort voor de jaarwisseling binnen dacht te dringen in de schuur van boer Pigge. Met rampzalige gevolgen: ‘Schoon hij slechts vulgair gemept wier.. in het Westend zijn domein… lag hij later kloek en nobel… op de feestdis… as kenijn’. Deze prent (26) bevat in de tekst een stille verwijzing naar al dat overdadige eten tijdens de feestdagen: herinneringen komen omhoog, maar het voedsel gaat naar beneden…

höske

27& 28

Anders gezegd: ‘laoje’ en ‘lòsse’ zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, en dat is door Robben plastisch in beeld gebracht in deze kerstprent die op ‘driede kèrsdag’ 1985 in het Nieuwsblad van het Zuiden verschenen is. ‘Kòrsemis’ of ‘Kòrsmis’ was dialect voor ‘Kerstmis’. ‘Toepertoe’ is afgeleid van de Franse uitdrukking ‘le tout pour le tout’, een kaartterm die ‘alles op alles zetten’ betekent maar die in het Tilburgs uiteenlopende betekenissen heeft gekregen: alles ineens opeten of opdrinken, overdadig, gulzig, voortdurend. Robben gebruikte het woord ook in een prent waarin de huisvrouw het bord van haar man weer eens volledig vol schept met aardappelen,

pag i n a 5 4 | 55


pr e nt 2 7 2 7 d e ce m b e r 1 98 5


waarop de man zegt: ‘Ge hoeft er nie toepertoe bij te laoie troela… unne kop is unne kop.’ (22 november 1974) Maar de hoofdrol in deze prent wordt niet met name genoemd: het ‘höske’. Het stond in de tuin en had een deur met een gefiguurzaagd hartje erin. Waarschijnlijk waren kort na de oorlog de meeste ‘huisjes’ al uit de Tilburgse achtertuinen verdwenen, maar ook de stoelgang heeft zo zijn eigen nostalgie. Het huisje voerde in de tijd van vóor het rioolstelsel ofwel rechtstreeks af op een blauwsloot, of ving de uitwerpselen op in de ‘beerton’. Het laatste systeem had als voordeel dat de mest gebruikt kon worden om de eigen tuin te bemesten. Een van Robbens mooiste prenten laat een man zien die met een ‘strontschepper’ de ‘beer’ uit het ‘höske’ aan het ‘lichten’ is. In de bijbehorende, berijmde tekst zegt de man: ‘Ik zie m’n selotte (sjalotten; uien) al staon / M’n kiendjes vur slaoi al d’n hofpad op gaon…’ (9 maart 1957) Nu de ‘aaj meej èèrepel’ nog. Robben heeft het huisje nog tweemaal een prominente rol gegeven in zijn prenten. In de eerste waarschuwt een man (met de kruk van de deur al in zijn ene hand en de andere hand voor de zekerheid op de ‘zolder’ van zijn broek) zijn vrouw: ‘Och meens gao uit de licht staon want ik blaos de plaanke van ’t höske…’ (23 juli 1967) Frans Verbunt verklaarde dit als een uitdrukking voor ‘aan de diarree zijn’, maar ik geef er de voorkeur aan te denken aan exploderende darmgassen. De andere prent, met alleen een man die blijkbaar net ‘geweest’ is, heeft als bijschrift: ‘En vur ’t höske maoket niks uit of ge reerug of peestamp het gegeete…’ Daarmee gaf Robben fijntjes de overeenkomst aan van arm met rijk. (17 april 1987)

pag i n a 5 6 | 57


pr e nt 2 8 2 januar i 1 9 7 0


k a r n e va l

29

Belangrijke momenten op de eetkalender waren vastenavond en Aswoensdag: het einde van carnaval en het begin van de veertigdaagse vastentijd. Tot aan Pasen was het de katholieke volwassene officieel niet toegestaan vlees te eten, en katholieke kindjes spaarden hun snoepgoed op in een ‘vastentrommeltje’, waaruit ze dan na die veertig dagen van zoete onthouding buitenbuiks aten. Robben: ‘Wij hadden onze nieuwjaarskoeken... paaseieren... oliebollen op vastenavond, en we hadden ons vastentrommeltje...’ (Robben en Rooms; in het verhaal ‘We droegen ons scapulier onder het hemd op ons bloot lèèf’.) Ik heb nooit iets gelezen dat erop wijst dat die vastentijd ook een uiterst beroerde bedrijfseconomische periode geweest moet zijn voor slagerijen en snoepwinkeltjes. Dus ik concludeer dat ook de katholieke Tilburgers de Roomse voorschriften soepel en creatief geïnterpreteerd hebben. De meest gangbare verklaring voor het woord ‘carnaval’ is dat het een afleiding is van het Latijnse ‘carne vale’, een afscheidsgroet (vale) aan het vlees (carne). Dat afscheid werd op vastenavond gevierd met geschrans, dabben, smodderen, totteren, en ‘swirskaante sòppe’. Alles was dan vet, niet alleen het eten, maar ook het leven. Vanaf de volgende dag, die begon met het halen van het askruisje om boete te doen voor zoveel vet- en drankzucht, stond er officieel geen vlees meer op het menu. Ei en vis waren de vleesvervangers. Dat is ‘’t zilte naa’ waarover Robben het in deze prent heeft: de harde realiteit, de werkelijkheid met een zilte bijsmaak. De prent verscheen op 6 maart 1954; carnaval viel dat jaar aan de late kant. Maar hoe goedgezind de vis ook door moeder de huisvrouw opgediend wordt, de prent heeft toch ook die bijsmaak van ‘door de strot douwen’. Het dialect van ‘boven de rivieren’ dat Robben gebruikt, heeft te maken met het feit dat op de Tilburgse markten de verse vis – vooral paling en haring – veelal aangeboden werd door vishandelaren uit de regio rond de Zuiderzee.

pag i n a 5 8 | 59


pr e nt 2 9 6 m aar t 1 9 5 4


spèkbukkem

30

Met deze prent speelde Cees Robben op 20 februari 1987 bewust in op het eten van vis in de vastentijd: ‘Gin spek of vlees meneer…’ Nee, ze eten ‘gebakke jaop’ en als nagerecht ‘gerukte spekbukkum’. De ‘spèkbukkem’ is niet zomaar een flinke, vette, gerookte haring. Hij is een zogenaamde ‘volle haring’, en dat is de tegenhanger van de veel bekendere ‘maatjesharing’ die wij tegenwoordig zo graag eten. De maatjesharing bevat nog geen hom of kuit. Hij wordt vroeg in het seizoen gevangen, is qua leeftijd wel geslachtsrijp, maar nog ‘maagdelijk’, een ‘maagdje’, vandaar ‘maatje’. De volle haring wordt later in het seizoen gevangen en de mannetjes hebben de hom (de miltklieren die het teelvocht bevatten) al ontwikkeld om te paaien. De vrouwtjes dragen kuit (eitjes) in zich. Daardoor zijn de spekharingen veel vetter en voedzamer, zeg maar zwanger, en volgens liefhebbers ook lekkerder. ‘Gebakke jaop’ is ook een haringgerecht, al valt het te betwijfelen of het ooit ergens in een Tilburgs restaurant te bestellen is geweest. Waarschijnlijk was het gewoon een gebakken haring, een ‘panhèrring’, verse haring die vooral vanaf de vissersplaatsen aan de Zuiderzee werd aangevoerd op markten. De verklaring van ‘jaop’ was mij echter niet bekend totdat in 2008 Piet Pijnenburg enige korte jeugdherinneringen publiceerde. Over het Broekhoven van circa 1930 schrijft hij: ‘Ook reed ’s zomers een man te venten met een karretje met verse bokking om in de pan te bakken. Die vis werd ‘jaap’ en ‘gebakken jaap’ genoemd. De man riep: “Hier is jáááp!’, maar in een merkwaardige mineurstemming (mi fa sol).’ Het heeft er alle schijn van dat de naam van de ambulante visboer ‘Jaap’ was, en dat die is overgegaan op de vis die hij op zijn kar had.

pag i n a 6 0 | 61


pr e nt 3 0 2 0 fe br uar i 1 9 87


soep 2

31

We besluiten dit negende buukske met een van Robbens vele nieuwjaarswensen (deze is van 30 december 1983). De tekst geeft aan hoe belangrijk ooit het voedsel op het bord, de dagelijkse kost, geweest is toen de welvaart nog niet vanzelfsprekend was. En al was het soms behelpen, vooral voor de vrouwen die de keuken bestierden, er is in deze prent ook volop optimisme. Zolang er water uit de kraan komt, zal er soep zijn. Ach ja. Soms is dat lawaajsoep. Maar soep zal er altijd zijn. Soep is hoop. En hoop is vertrouwen in de toekomst.

pag i n a 6 2 | 63


pr e nt 3 1 3 0 d e ce m b e r 1 98 3


Bronnen Waar verschijningsdata van de Prent van de week genoemd zijn, geldt het volgende voor de bron: prenten van vóor 1970 verschenen in het weekblad Rooms Leven. Vanaf 1970 verschenen de prenten in het Nieuwsblad van het Zuiden. Voor zover niet nader aangegeven in de tekst, berusten de citaten op de volgende bronnen: Actum Tilliburgis – 1970, nr. 1 Pierre van Beek – ‘Tilburgse Taalplastiek’ – krantenartikelen uit het Nieuwsblad van het Zuiden (vanaf 1964). Deze teksten zijn gepubliceerd op www.cubra.nl onder redactie van Ben van de Pol. Adriaan de Boer en Wouter Klootwijk – Haring en zijn maatjes; 2003 N. Damen – Handschrift in de dialectcollectie van de Universiteit van Nijmegen; 1916 J.L.F. Dankelman cssr, Peerke Donders – Schering en inslag van zijn leven; 1982 Handboek voor de slager – Amsterdam; 1956 H. Mandos – De Brabantse Spreekwoorden; 1992 Jan Naaijkens – Dè’s Biks; 1992 Piet Pijnenburg – Vruuger op Broekhoven; 2008 Paul Spapens e.a. – Goedgetòld, diksjenèèr van de Tilbörgse taol; 2004 Frans Verbunt – Tilburgs vur tonpraoters, zeuvende perbeersel; 1996 C. Verhoeven – Herinneringen aan mijn moedertaal; 1978 A.A. Weijnen – Etymologisch dialectwoordenboek; 1996 Woordenboek van de Brabantse dialecten; met name Deel III, Algemene woordenschat, Sectie 2, Het huiselijk leven, Aflevering 3, Eten en drinken; 2004

Colofon Slaoj meej aaj mee jèùn meej èèrepel – Aan tafel met Cees Robben werd in november 2008 gepubliceerd door uitgeverij code-x in samenwerking met de Cees Robben Stichting. Met dank aan Wil Sterenborg voor zijn dialectadviezen. De teksten van Cees Robben zijn geciteerd zoals Robben ze schreef. De overige dialectteksten zijn geschreven volgens de ‘Spelling Sterenborg’. isbn: 978 90 78233 04 6 Copyright beeld: Cees Robben Stichting, Goirle. De prent op de titelpagina verscheen op 18 juli 1980. Copyright tekst: code-x & Ed Schilders. Vormgeving: Hans Lodewijkx • x-hoogte – Tilburg Letter: Arnhem (Fred Smeijers) Papier: Munkenprint Cream fsc Mixed Sources Druk: BibloVanGerwen – ’s-Hertogenbosch Voor meer informatie over Cees Robben: www.ceesrobbenstichting.nl en www.cubra.nl Meer informatie over de uitgaven van code-x: www.code-x.nu


Slaoj meej aaj mee jèùn meej èèrepel | Tilburgs Prentebuukske Deel 9