Page 1

Olie in het paradijs 11.dossier

Een dilemma voor Ecuador


1. Inhoudstafel Inleiding 2 1.

Recente geschiedenis

3

1.1. De Waorani

4

1.2. Petroleumexploratie en de Aucaweg

6

1.3. Het Yasuní Nationaal Park

7

1.4. Het Waorani Etnisch Reservaat

7

1.5. Het Yasuní biosfeerreservaat

8

1.6. De ‘Maxus’ toegangsweg

12

1.7. De ‘no-go’ zone (Zona Intangible) en illegale houtkap

12

2.

14

Het Yasuní/ITT-initiatief

2.1. Petroleumontginning binnen de Ecuadoraanse economie

14

2.2. Milieuverontreiniging en milieuschade door petroleumontginning

15

2.3. Juridische klacht tegen Texaco

17

2.4. Een moratorium op olieontginning in het Yasunípark?

19

2.5. De contouren van het oorspronkelijke voorstel

20

2.6. Blok 31

20

2.7. Een nieuwe strategie via de markt van CO2-emissierechten 21 2.8. Herdefiniëring en verankering van het initiatief binnen de UNESCO

22

2.9. Moeizame onderhandelingen

22

2.10. De concrete werking en financiering van het Yasunífonds

23

2.11. Huidige stand van zaken van het Yasuní/ITT-initiatief

23

2.12. Wat na 2011?

25

2.13. Naar een moratorium op olieontginning in het Amazonegebied?

25

2.14. Klimaatfinanciering voor Yasuní ?

26

Bibliografie

27

Verklarende woordenlijst

28

Colofon Redactie & onderzoek Koen Warmenbol Eindredactie Kilian de Jager Layout Yichalal Kaarten Yichalal (op basis van Wikipedia, publiek domein) Met dank aan Tine Lommez, Hanne Michiels, Rudy De Meyer Foto’s Waorani: Pete Oxford (uit ‘Spirit of the Huaorani’) Andere: Acción Ecológica, , Chris Williamson, Doug Janson, Finding Species.inc, Hungry Hyaena, Myriam Keustermans, Rolf Kolasch, Serge Beel Ver. uitg. Bogdan Vanden Berghe, Vlasfabriekstraat 11, 1060 Brussel Mei 2011

1

Olie in het paradijs

Inhoudstafel


Inleiding Het Ecuadoraanse Yasuní National Park, een natuurgebied in het hart van het Zuid-Amerikaanse Amazonebekken met een oppervlakte van 9820 km², is een van die zeldzame plaatsen op aarde waarvoor de term ‘paradijselijk’ werd uitgevonden.

levenswijze van de Waorani die het gebied al eeuwenlang bewonen.

In het eerste deel van dit dossier gaan we uitgebreid in op het leven in Yasuní en de recente voorgeschiedenis van het gebied. Het is een goede illustratie van de vele conflicten die zich Het is een van de meest biodiverse oerwouden voordoen tussen ontwikkeling, natuurbehoud van de planeet, met een ongeziene variatie en de bescherming van inheemse volkeren. De aan boomsoorten, dieren en planten. Op één geschiedenis van Yasuní toont de complexiteit hectare grond groeien meer boom­variëteiten van verschillende processen die elkaar doorals op het volledige Noord-Amerikaanse kruisen. Ze maakt ook duidelijk voor welke continent. Er is ook geen enkele plaats in enorme uitdagingen landen in het Zuiden staan de wereld waar zoveel verschilende soorten – en in het bijzonder de landen in het tropische vogels, vleermuizen, insecten, amfibiën, vis- gebied – om een duurzaam evenwicht te vinden sen en planten op zo’n kleine oppervlakte tussen economische ontwikkeling en natuursamenleven als in Yasuní. Het is bovendien bescherming, tussen traditie en moderniteit. het woongebied van de Waorani én enkele laatste inheemse volkeren die – geïsoleerd In het tweede deel bekijken we de petroleumvan de moderne wereld – hun eeuwenoude productie in Ecuador en zoomen we in op het Yasuní/ITT-initiatief. De Ecuadoraanse overheid levenswijze proberen te handhaven. is zich heel goed bewust van de waarde van De toekomst van dit unieke natuurgebied Yasuní, maar zit geprangd tussen de wil tot wordt echter bedreigd. In de ondergrond van natuurbehoud en de eis tot een betere levenshet Yasunípark zit namelijk een aanzienlijke situatie voor de Ecuadoraanse bevolking. In hoeveelheid olie, een belangrijk exportproduct een poging een oplossing te vinden voor het voor Ecuador. De ontginning van de olievelden probleem ontwikkelde de overheid het Yasuní/ in Yasuní en de daarbij horende houtkap heb- ITT-project, een plan om het fragiele ecosysben al enorm veel schade toegebracht aan de teem van Yasuní te beschermen door te verzafauna en flora in het gebied en vormen een ken aan olie-exploitatie in ruil voor financiële ernstige bedreiging voor de gezondheid en de compensatie.

2

Olie in het paradijs

Inleiding


1. Recente geschiedenis Yasuní is het woongebied van de Waorani, een vrij recent gecontacteerde groep van Amazone-indianen met een lange en gewelddadige geschiedenis van verdediging van hun grondgebied. Aanverwanten van de Waorani, de Tagaeri en de Taromenane, leven nog steeds diep in het oerwoud, afgezonderd van de buitenwereld. In de ondergrond van het Yasuní biosfeerreservaat (zie verder) liggen verscheidene nog niet ontgonnen petroleumvelden. Daarnaast bezit het natuurpark een overvloed aan waardevolle houtsoorten die tot diep in het woud een grote aantrekkingskracht uitoefenen op illegale houtkappers. Deze combinatie van hoge biodiversiteit en inheemse volkeren naast economische belangen in hout en petroleum heeft in het verleden geleid tot intense conflicten. De internationale belangstelling en de bezorgdheid om het Yasuní biosfeerreservaat is de jongste jaren sterk toegenomen als gevolg van verschillende factoren: een groeiend besef dat dit wel eens één van de meest biodiverse

plaatsen ter wereld zou kunnen zijn; een toenemende waardering voor zowel de Waoranicultuur als deze van de aanverwante nog nietgecontacteerde groepen; het toenemende conflict door de voortdurende uitbreiding van petroleumontginning en houtkap, steeds dieper het reservaat in; en tenslotte het politieke belang dat de regering hecht aan het Yasuní/ ITT initiatief. Het Yasunígebied is een gecompliceerde overlapping van beschermde natuurgebieden, indianenreservaten en concessiegebieden voor exploitatie van olie en hout, hetgeen het erg moeilijk maakt voor nieuwe actoren om een werkbare kennis te ontwikkelen van het gebied. Aan de hand van een beschrijvende samenvatting van de belangrijkste biologische, sociale en politieke elementen en hun wederzijdse beïnvloeding proberen we een kader te scheppen om het Yasuní /ITT-initiatief en de meer algemene uitdagingen voor het Yasuní biosfeerreservaat goed te kunnen plaatsen en inschatten.

Rio Napo Rio Tiputini Rio Yasuní

Rio Curaray

Yasuní nationaal Park Waorani reservaat Biosfeerreservaat

3

Olie in het paradijs

Recente geschiedenis


1.1. De Waorani Het ganse Yasuní biosfeerreservaat behoort tot het oorspronkelijke territorium van de Waorani dat zich uitstrekt van de Naporivier in het noorden en het westen tot aan de Curaray rivier in het zuiden en het oosten over een oppervlakte van om en bij de twee miljoen hectaren. De Waorani hebben vermoedelijk gedurende een lange periode geïsoleerd geleefd, omdat hun unieke taal – het Wao Terero – geen gelijkenissen vertoont met andere gekende talen. Daarnaast wijst de genetische homogeniteit van de Waorani op een lange periode van afzondering. Waorani betekent in het Wao Terero ‘de mensen’ of ‘ ware menselijke wezens’. Het eerste contact met de Waorani vond plaats aan het eind van de 19e eeuw, een periode van intensieve rubberexploitatie. In die tijd werden de eerste gewelddadige confrontaties geregistreerd met rubbertappers, gedood met speren van de Waorani. Deze gewapende confrontaties met Waoranikrijgers werden frequenter tijdens de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Een tweede periode werd ingeluid door de komst van Shell dat in de eerste helft van de vorige eeuw op zoek ging naar petroleum in het westelijke deel van het Waoranigebied. De Waorani vormden een permanente bedreiging voor de arbeiders van Shell dat zich in 1950 plots terugtrok uit het territorium van de Waorani. Vanaf 1955 streken Amerikaanse evangelisten neer die er in 1958 in slaagden om een eerste vreedzaam contact te leggen met één van de vier Waoranigroepen. In 1968 kregen deze missionarissen de toestemming van de Ecuadoraanse regering om de overige Waoranigroepen te contacteren en

4

Olie in het paradijs

Recente geschiedenis


hen allen samen te brengen in een beschermingsgebied of ‘protectoraat’ in het uiterste westen van het Waoranigebied. Gedurende de daaropvolgende vijf jaar werd het merendeel van de Waorani samengebracht in het protectoraat van 16.000 ha (160 km²), bijgestaan door petroleummaatschappijen die helikopters ter beschikking stelden. Meerdere auteurs vermoeden dat er een samenwerkingsovereenkomst tussen de regering, de evangelische sekte en de petroleummaatschappijen heeft bestaan met de bedoeling om het terrein vrij te maken van de vijandige Waorani en zo de weg te openen voor petroleumontginning. Begin jaren zeventig is men begonnen met

5

Olie in het paradijs

petroleumexploratie in gebieden die verlaten werden door de Waoranigroepen. De totale Waoranibevolking werd eind jaren zestig geschat op 600 personen. 80 % van hen werd tegen 1975 verplaatst en bijeengebracht binnen het protectoraat dat minder dan één procent van het oorspronkelijk Waoraniterritorium omvatte. Het leven van de Waorani veranderde drastisch. Van een nomadisch, zelfvoorzienend, sterk verspreid en oorlogvoerend bestaan naar een vast verblijf op een kleine oppervlakte en totaal afhankelijk van de missionarissen. Een van de meest opvallende veranderingen in hun leven die toegeschreven kunnen worden aan de missionarissen, is het doorbreken van de cyclus van wraakdodingen onder de Waorani. Naar schatting 42 % van de overlijdens onder de Waorani – vóór hun contact met de missionarissen – kan toegeschreven worden aan intern geweld en wraakacties tussen groepen, het hoogste aantal interne moorden dat ooit is vastgesteld bij inheemse bevolkingsgroepen.

Recente geschiedenis


1.2. Petroleumexploratie en de Aucaweg De nieuwe golf van petroleumexploratie die volgde op de verhuizing van de Waorani, gaf aanleiding tot de aanleg van de eerste weg in hun territorium. Begin jaren tachtig legde Texaco de Aucaweg aan tot 120 km diep in het Waoranigebied. Auca betekent in de Quetchua-taal ‘wild’, verwijzend naar de Waorani. De aanleg van de weg bracht een massale migratie van kolonisten én een grootschalige kaalslag teweeg. De kolonisatie en de ontbossing bleef niet beperkt tot de onmiddellijke omgeving van de hoofdweg, maar drong via secundaire wegen door tot diep in het woud.

Een van de belangrijkste secundaire wegen liep zelfs tot aan het uiterste noordwestelijke deel van het Yasunípark. De Aucaweg geeft toegang tot verschillende olievelden die nog in productie zijn. Texaco – ondertussen overgenomen door Chevron – bevindt zich al 15 jaar lang in het centrum van een juridische strijd over petroleumontginning in deze streek en de aangebrachte milieuschade in de periode 1967 - 1992. Maar daarover later meer.

Yasuní nationaal Park Waorani reservaat Aucaweg

6

Olie in het paradijs

Recente geschiedenis


1.3. Het Yasuní Nationaal Park Het Yasunípark werd in 1979 opgericht via In 1992 werd het park uitgebreid tot haar km². Hiermee is een regeringsdecreet. Oorspronkelijk omvatte huidige afmetingen, 9820  het park 6797 km² tussen de rivieren Tiputini het ‘Yasuní Nationaal Park’ het grootste en Cononaco in het oostelijke deel van het beschermde natuurgebied in Ecuador en boWaorani territorium. Desondanks ging de vendien het enige Ecuadoraanse natuurpark in Ecuadoraanse regering gedurende de jaren het Amazonegebied. ’80 gewoon voort met het toekenning van concessierechten voor petroleumexploratie in het In 1994 werden in het park twee wetenschapnoordelijke deel van het park. In 1990 werd het pelijke onderzoekscentra opgericht, het park zelfs verkleind om te verhinderen dat er ‘Yasuní Research Station’ en het ‘Tiputini een juridisch klacht zou ingediend worden te- Biodiversity Station’. gen olieboringen in beschermd natuurgebied.

Yasuní nationaal Park Waorani reservaat Biosfeerreservaat

1.4. Het Waorani Etnisch Reservaat Vanaf 1975 verlieten heel wat Waoranifamilies het protectoraat om terug te keren naar hun vroegere woongebieden of naar meer afgelegen bosgebieden rondom het protectoraat. In 1983 werd door de regering in de omgeving van het protectoraat een reservaat voor de Waorani opgericht met een oppervlakte van 665 km². Voor de eerste maal kregen de Waorani zo eigendomsrecht over een deel van de gebieden die ze traditioneel in gebruik hadden. In april 1990 werd het veel omvangrijkere Waorani Etnisch Reservaat gecreëerd (6.126 km²). Hoewel de grond nu officieel werd toegekend aan de Waorani, behield de regering de rechten over de ondergrondse rijkdommen en werd uitdrukkelijk aangegeven dat de Waorani zich niet mochten verzetten tegen door de regering gesponsorde petroleumactiviteiten. Tezamen met een andere uitbreiding in 2001 beslaat het Waorani Etnisch reservaat nu ruim 7000 km², ongeveer een derde van hun voorouderlijk woongebied. Er bestaan tegenwoordig minstens 38 Waorani gemeenschappen, bijna een verdubbeling tegenover tien jaar geleden. Vrijwel alle gemeenschappen liggen nu langs een weg of rivier, in tegenstelling met vroeger toen ze zich op afgelegen heuvels bevonden. De meerderheid

7

Olie in het paradijs

van de grootste gemeenschappen bevinden zich in de omgeving van het voormalige protectoraat, anderen liggen verspreid langs de verschillende rivieren en de twee belangrijkste wegen (de Auca- en de Maxusweg die toegang geven tot de olievelden). Een toenemend aantal Waorani woont nu ook in nabijgelegen steden zoals Puyo en Coca. Het totale aantal Waorani wordt geschat tussen de 1400 en 2000 personen. Hoewel de Waorani steeds meer culturele aanpassingen doormaken – zoals een toenemende integratie binnen de markteconomie – blijven ze in de meeste gemeenschappen hun taal behouden, ook onder de jongere generatie. Zij die de voorkeur gaven aan een terugkeer naar hun vroegere woongebied diep in het oerwoud, behouden voor een groot deel hun traditionele gebruiken. Een groep jonge Waoranileiders richtte in 1990 de Organisatie van de Waorani Nationaliteit van het Ecuadoraans Amazonegebied (ONHAE) op (in 2007 herdoopt tot NAWE – Nacionalidad Waorani de Ecuador). In 2005 richtten de Waoranivrouwen hun eigen organisatie op, de AMWAE (Asociación de Mujeres Waorani de la Amazonía Ecuatoriana).

Recente geschiedenis


1.5. Het Yasuní biosfeerreservaat In 1989 werd het Yasuní Nationaal Park door de UNESCO erkend als biosfeerreservaat. Het beslaat een oppervlakte van 16.820 km², met een kerngebied van 5000 km² (de ‘no-go’ zone) dat zich situeert in het zuidelijk deel van het Yasuní Nationaal Park, rond de rivieren Yasuní en Nashiño. Naast het kerngebied bestaat het biosfeerreservaat uit een bufferzone van 7000 km² en een transitiezone van 4820 km² die de overige gebieden van het Yasuní Nationaal Park bestrijken inclusief het Waorani Etnisch Reservaat en enkele gebieden aansluitend aan het park en het etnisch reservaat. Het Yasunípark en het biosfeerreservaat vormen samen met het Napo Tigre-gebied in Peru het ecosysteem van de Naporegenwouden. Het Yasuní Nationaal Park maakt ook deel uit van het ecosysteem van de ‘Upper Amazon Piedmont freshwater’ waar talrijke rivieren ontspringen die deel uitmaken van het Amazone-rivierbekken. Een eerste vrij uitgebreid onderzoek naar de biodiversiteit van Yasuní werd verricht in 2004 naar aanleiding van het plan om een nieuwe toegangsweg tot de olievelden in het park te bouwen. Uit de gegevens van dit onderzoek – en in vergelijking met gegevens over biodiversiteit van andere plaatsen op de wereld – springt de uitzonderlijke biodiversiteit van het Yasunígebied in het oog. Het gebied heeft ook het potentieel om een groot percentage van de globale biodiversiteit

van het Amazonegebied op lange termijn te bewaren. Kaarten van de verspreiding van amfibieën, vogels, zoogdieren en planten over Zuid-Amerika tonen aan dat Yasuní een unieke plaats inneemt. De concentratiecentra van rijkdom voor elk van deze vier taxonomische klassen bereiken hier hun maximale diversiteit (zie kaart). Voor amfibieën, vogels en zoogdieren zijn dit niet louter continentale maar bovendien wereldwijde maxima. Hetzelfde geldt voor houtachtige planten. Deze kleine vlek op de wereldkaart (28.025 km²), waar vier concentratiegebieden elkaar overlappen, bestrijkt nauwelijks 0,16 % van ZuidAmerika en minder dan een halve procent van het Amazonebekken. Yasuní is het enige strikt beschermde gebied binnen dit viervoudige centrum van biodiversiteitsrijkdom, waarbij het 14 % van dit uitzonderlijke gebied omvat, terwijl 79 % momenteel overlapt wordt door bestaande of vooropgestelde olieconcessiegebieden. Het hoger Amazonebekken van Peru en Ecuador bevat ’s werelds hoogste diversiteit van amfibieën op het vaste land. De 150 amfibieënsoorten die tot nu toe werden geteld in Yasuní zijn een wereldrecord in vergelijking met gebieden met een gelijkaardige grootte. Op een veel kleinere schaal houdt het Tiputini Biodiversity Station (TBS) van 6,5 km² momenteel het

Wat is een biosfeerreservaat? In 1970 richtte de UNESCO het programma ‘Man and the Biosphere’ op met de bedoeling om trainings- en monitorings­initiatieven op te zetten voor de bescherming van ecosystemen en hun genetische waarden. Ondertussen heeft de UNESCO wereldwijd 564 biosfeerreservaten erkend, verspreid over 109 landen. De biosfeerreservaten beschermen niet alleen het milieu, maar ook de inheemse bewoners en vooral een duurzaam evenwicht tussen beide. Elk biosfeerreservaat moet drie complementaire basisfuncties vervullen: 1. bijdragen tot het behoud van landschappen, ecosystemen, soorten en genetische diversiteit 2. economische ontwikkeling bevorderen die zowel op ecologisch als sociaal-cultureel vlak duurzaam is 3. onderzoek, toezicht, vorming en informatieuitwisseling verzekeren in verband met globale problemen inzake natuurbehoud en duurzame ontwikkeling op lokaal, regionaal en wereldvlak

8

Olie in het paradijs

Een biosfeerreservaat bestaat uit een wettelijk beschermd kerngebied, een bufferzone en een transitiegebied. In het kerngebied, de ‘no-go’ zone, mogen geen landbouwactiviteiten of ontginningen plaatsvinden, noch van ondergrondse rijkdommen noch van hernieuwbare natuurlijke rijkdommen. Ook voor de bufferzone gelden deze principes en mogen er enkel activiteiten uitgevoerd worden die de bescherming van het ecosysteem tot doelstelling hebben. Uitzonderingen zijn mogelijk, maar enkel onder zeer strikte voorwaarden om te vermijden dat het kerngebied milieuschade zou ondergaan. In het transitiegebied gelden strikte regels voor landbouw, bosbouw en ontginning van grondstoffen waarbij naar een duurzaam evenwicht gestreefd wordt tussen behoud van biodiversiteit en menselijke activiteiten. De aanvraag voor erkenning door de UNESCO moet gebeuren door de regering van het desbetreffende land. Yasuní werd in 1989 uitgeroepen tot biosfeerreservaat.

Recente geschiedenis


Vogels

Amfibieën Hoog: 137

Hoog: 601

Laag: 1

Laag: 1

Planten >5000 4000-5000 3000-4000 2000-3000 1500-2000 1000-1500 500-1000 200-500 20-200 <20

Zoogdieren Hoog: 211 Laag: 1

Evenaar

Amazone ecoregio’s

Yasuní Nationaal Park

Landgrenzen

wereldrecord voor diversiteit van amfibieën met op één enkele plaats 139 gedocumenteerde soorten. De rijkdom aan reptielen in Yasuní is extreem hoog, met 121 gedocumenteerde soorten. Het TBS is ook hier recordhouder met 108 soorten op één enkele plaats). Tezamen genomen vormen de 271 soorten amfibieën en reptielen in Yasuní de hoogste score van diversiteit van herpetofauna die ooit is geregistreerd. Terwijl het tropische Andesgebied de grootste rijkdom aan vogelsoorten bevat van gans de planeet, lijkt het westerse Amazonegebied de grootste diversiteit te bevatten op meer specifieke plaatsen. In Yasuní leven 593 vogelsoorten, bijna de helft van alle gekende vogelsoorten in gans het Amazonegebied. Enkel het TBS omvat reeds 550 soorten en voor het Napo Wildlife Center (15km² groot) loopt dit aantal zelfs op tot 571 soorten. Het enige gebied ter wereld van vergelijkbare grootte met een nog hogere diversiteit aan vogelsoorten is Explorer’s Inn, een gebied van 50km² in het Zuidelijke Peruaanse Amazonegebied. Op het vlak van zoogdieren zijn Oost-Afrika en de Andes de rijkste regio’s ter wereld, maar het westelijke Amazonebekken waartoe Yasuní behoort, lijkt wereldwijd uniek te zijn in haar capaciteit om minstens 200 soorten sympatrische zoogdieren (diersoorten die samen in een gebied voorkomen) te huisvesten. Het Yasunígebied bevat 48 % van alle zoogdieren uit het

9

Olie in het paradijs

Amazonebekken. Naar schatting zouden meer dan 100 soorten sympatrische vleermuizen voorkomen in het TBS, de grootste diversiteit van vleermuizen over heel de wereld. Yasuní behoort ook tot de negen centra van globale plantendiversiteit van de planeet, met meer dan 4000 soorten planten per 10.000 km2. Op een perceel van 25 ha werden meer dan 1.100 soorten bomen geregistreerd. Met naar schatting meer dan 1.300 boomsoorten bij uitbreiding naar een perceel van 50 ha zou dit veruit het rijkste perceel van 50 ha ter wereld zijn. De verschillende studies doen vermoeden dat één enkele hectare woud in Yasuní gemiddeld 655 boomsoorten bevat. Dit is meer dan alle inheemse boomsoorten in de VS en Canada samen. Het Naporivierbekken bevat 562 gedocumenteerde vissoorten, meer dan de 501 soorten van het ganse Boliviaanse Amazonebekken dat beschouwd wordt als een hotspot voor visbiodiversiteit. Aangaande insectendiversiteit zijn enkel voorlopige gegevens beschikbaar, maar schijnbaar bevat Yasuní een zeer uitzonderlijke diversiteit aan kevers en mieren. Per hectare zouden naar schatting minstens 100.000 insectensoorten voorkomen, wat ook een wereldrecord qua biodiversiteit zou zijn. Het is nog steeds grotendeels een raadsel waarom Yasuní over zulk een uitzonderlijke

Recente geschiedenis


Zwartmaskertangare (Ramphocelus nigrogularis)

biodiversiteit beschikt. Bepaalde onderzoekers schrijven dit toe aan het bijzondere karakter van het klimaat met veel neerslag en nauwelijks seizoenvariaties. De gemiddelde neerslag in Yasuní (3.200mm) is aanzienlijk hoger dan het gemiddelde van het Amazonegebied (2.400mm) en de temperatuur zakt nooit onder de 10ºC – een kritieke temperatuur voor schade aan bepaalde plantensoorten. Deze combinatie van altijd vochtig en warm is te wijten aan de unieke geografische ligging; vlak bij de evenaar en beschermd door het Andesgebergte. Het Yasunípark is bovendien het enige natuurpark van heel het Amazonegebied dat zich op zo’n vierdubbel overlappingsgebied van soortenconcentratie bevindt. Bovendien bevindt het biosfeerreservaat zich in een kern van het Amazonegebied die gekenmerkt wordt door een zeer vochtig klimaat. Men voorspelt dat het biosfeerreservaat deze condities van vochtig regenwoud zal behouden, ondanks de toenemende droogtes in het oostelijke deel van het Amazonegebied, veroorzaakt door de klimaatverandering.

Zwartoorpapegaai (Pionus menstruus)

Rode springaap (Callicebus cupreus cupreus)

Amazone gifkikker (Dendrobates ventrimaculatus)

10

Olie in het paradijs

Recente geschiedenis


Bedreigde soorten In Yasuní komen een aanzienlijk aantal globaal met uitsterven bedreigde soorten (erg bedreigd, bedreigd of kwetsbaar) voor: 13 gewervelde diersoorten en 54 plantensoorten. Een bijkomend aantal van 15 gewervelde diersoorten en 43 plantensoorten worden beschouwd als ‘bijna bedreigde’ soorten. Onder de planten bevindt zich één kritisch bedreigde soort (extreem hoog risico van verdwijning in het wild op korte termijn) en zeven bedreigde soorten (zeer hoog risico van uitsterving in het wild), waaronder drie boomsoorten. In het Yasunígebied bevinden zich nog belangrijke populaties van twee wereldwijd bedreigde zoogdieren, namelijk de witbuikslingeraap (Ateles belzebuth) en de reuzenotter (Pteronura brasiliensis). De populatie van de witbuikslingeraap zou de laatste 45 jaar (3 generaties) gehalveerd zijn door de jacht en het verlies aan woongebied. In Yasuní verblijven ook talrijke globaal kwetsbare soorten (soorten die een hoog risico lopen op uitsterving in het wild) waaronder nog eens zes zoogdieren. Een zevental vogelsoorten in Yasuní staan geklasseerd als kwetsbare of bijna bedreigde soorten. De populaties van deze zeldzame vogels -zoals de harpij (Harpia harpyja) – blijven dalen door jacht, inkrimping en/of degradatie van hun woongebied.

Reuzenotter (Pteronura brasiliensis)

Harpij (Harpia harpyja)

Witbuikslingeraap (Ateles belzebuth)

11

Olie in het paradijs

Recente geschiedenis


1.6. De ‘Maxus’ toegangsweg Begin jaren negentig werd – naast de Aucaweg – een tweede belangrijke weg aangelegd om toegang te verkrijgen tot olievelden tot 140 km diep in het Yasuní Nationaal Park en het ­ Waorani Reservaat. In tegenstelling tot de Auca-toegangsweg werd hier wel een controlepost geïnstalleerd die op een succes­ volle manier heeft kunnen verhinderen dat niet-inheemse kolonisten het gebied zouden binnentrekken. Inheemsen, zoals de Quechuaindianen die in het voorouderlijke Waorani­ gebied langs de Naporivier zijn komen wonen, mogen via deze weg het Yasunípark wel in.

Ondanks de toegangsbeperkingen heeft deze weg volgens bepaalde onderzoekers toch nog aanzienlijke directe schade veroorzaakt aan het park, en zelfs nog meer indirecte schade dan de Aucaweg. Vooral door ontbossing en overbejaging van bedreigde diersoorten door de gemigreerde indianen uit het hoogland die zich langs de weg gevestigd hebben. Waar de jacht vroeger louter voor eigen voedselvoorziening gebeurde, verkopen de Waorani steeds meer wildvlees op de markt en maken ze nu gebruik van vuurwapens om te jagen. Hoewel dit verboden is, wordt er door de plaatselijke autoriteiten nauwelijks opgetreden.

Yasuní nationaal Park Waorani reservaat Maxus-weg No-go zone

1.7. De ‘no-go’ zone (Zona Intangible) en illegale houtkap De meeste Waorani werden begin jaren zeventig geherhuisvest in het protectoraat, maar enkele groepen van de Tagaeri weigerden het contact en bleven geïsoleerd wonen in ver afgelegen gebieden van hun territorium. Deze groepen bleven ongewenste indringers belegeren en in de jaren 70 en 80 werden bij verschillende incidenten arbeiders van de petroleummaatschappijen gedood. Ook een andere groep indianen, gekend onder de naam Taromenane, verblijft nog als niet-­ gecontacteerde inheemse stam in het gebied. De Waorani beschouwen de Tagaeri als leden van hun familie terwijl de Taromenane – ­waarvan vrijwel niets geweten is over hun oorsprong – beschouwd worden als aan­ verwanten. Op basis van de waargenomen woningen en getuigenissen van Waorani en personeel van petroleumondernemingen

12

Olie in het paradijs

wordt het aantal niet-gecontacteerde inheemsen geschat tussen 80 en 300 personen. In 1999 werd bij presidentieel decreet de ‘Zona Intangible’ – een gebied waar ontginningsactiviteiten niet toegestaan zijn – gecreëerd met de specifieke bedoeling om de Tagaeri en de Taromenane te beschermen. Alhoewel werd aangegeven dat deze no-go zone zich in het zuidelijke deel van het nationaal park bevond, werd ze niet precies afgebakend. Het decreet werd nauwelijks geïmplementeerd en gedurende de daarop volgende jaren nam de illegale houtkap in de streek dramatisch toe. In 2003 waren talrijke illegale houtkappers op heel wat plaatsen tot diep in de no-go zone aanwezig en tegen 2006 bestonden er een dozijn kampplaatsen voor houthakkers in de verboden zone. Datzelfde jaar kwamen twee

Recente geschiedenis


houthakkers om bij een aanval van Taromenane. Er waren sterke vermoedens dat hierbij ook Taromenane gedood werden. Op 1 mei 2006 dienden mensenrechtenorganisaties en milieuactivisten een klacht in bij de InterAmerikaanse mensenrechtencommissie om afdoende bescherming te eisen voor de Tagaeri en de Taromenane. Kort daarna eiste deze commissie van de Ecuadoraanse regering voorzorgsmaatregelen om de inheemse bevolking te beschermen tegen ‘indringers’ van buiten. In januari 2007, acht jaar na de erkenning van de no-go zone ondertekende uittredend president Alfredo Palacios een decreet dat de grenzen van de zone vastlegde. Het gebied beslaat 7580 km², bestaande uit het gehele zuidelijke deel van het Yasuní Natuurpark en delen van het aanpalende Waorani reservaat. De no-go zone overlapt gedeeltelijk met 5 concessiegebieden voor olieontginning (‘oilblocks’) en enkele belangrijke olievelden in de blokken 17, 31 en ITT. Zo komt het olieveld Awant – dat geldt als het potentieel meest destructieve olieveld van het Yasuní­reservaat – nu binnen de no-go zone te liggen. De overlapping van de ‘Zona Intangible’ verklaart ook de grote weerstand die de petroleummaatschappijen gedurende jaren boden tegen een afbakening van het gebied.

13

Olie in het paradijs

Ondanks deze vooruitgang bleven illegale houthakkers actief in het gebied en waren er meldingen van conflicten met de Taromenane. Bovendien werden Taromenane en/of Tagaeri gesignaleerd op enkele plaatsen ver boven de noordelijke grens van de no-go zone. Het is dus duidelijk dat de ‘Zona Intangible’ niet het gehele territorium van de niet-gecontacteerde inheemsen bestrijkt en dat de ‘Zona Intangible’ eigenlijk nog verder noordwaarts zou moeten uitgebreid worden tot aan de Tiputini Rivier. In april 2008 installeerde de regering een controlepost bij de Aucaweg, de belangrijkste toegangsweg van de houthakkers tot de Zona Intangible. Uit rapporten blijkt dat deze controlepost effectief werkt en de illegale houtkap sterk heeft teruggedrongen in de verboden zone. De nieuwe Ecuadoraanse grondwet van september 2008 verbiedt de ontginning van bodemrijkdommen op het grondgebied van niet-gecontacteerde inheemse groepen en elke schending van de rechten van deze volkeren wordt beschouwd als ethnocide.

Recente geschiedenis


2. Het Yasuní/ITT-initiatief 2.1. Petroleumontginning binnen de Ecuadoraanse economie Sinds 1972 vormt olieontginning de belangrijkste economische sector van Ecuador. Petroleum vertegenwoordigt 53 % van de globale export en de fiscale lasten op oliewinning bedroegen tussen 2000 en 2008 gemiddeld 26 % van de totale overheidsinkomsten. Ondanks de belangrijke impuls die de petroleuminkomsten gaven aan de nationale ontwikkeling tussen 1972 en 1986, is dat panorama de laatste 25 jaar totaal gewijzigd. De economische groei bedroeg gemiddeld slechts 0,7 % per jaar tussen 1985 en 2007 en het percentage van mensen in de armoede bleef vrijwel ongewijzigd. Zoals het geval is voor de meerderheid van de ontwikkelingslanden die sterk afhankelijk zijn van de productie en export van grondstoffen, wordt ook Ecuador getroffen door het fenomeen van de paradox van de overvloed of de vloek van de natuurlijke rijkdommen. Sinds halverwege de jaren 70 is de petroleumproductie in Ecuador gestegen van 65 miljoen vaten naar ongeveer 190 miljoen vaten per jaar in 2005. In 2009 bedroeg de petroleumproductie 177,4 miljoen vaten (waarvan 57,9 % of 102,7 miljoen vaten door de Ecuadoraanse staatsbedrijven Petroecuador en Petroamazonas) of een gemiddelde van 486.000 vaten per dag. Iets minder dan in 2008 toen de productie 184,3 miljoen vaten bedroeg. Sedert 2007 is president Correa aan de macht en werden verschillende hervormingen doorgevoerd aan het olieontginningsbeleid met als voornaamste doelstelling de staatsinkomsten uit de exploitatie te verhogen en een belangrijkere rol toe te kennen aan het staatsoliebedrijf Petroecuador. De meest ingrijpende hervorming werd doorgevoerd in 2010 toen de buitenlandse oliemaatschappijen verplicht werden van een concessie of exploitatievergunning over te stappen naar een dienstencontract. Dit komt erop neer dat de privémaatschappijen petroleum produceren voor de Ecuadoraanse staat die hen dan een vaste vergoeding betaalt per geproduceerd vat olie. De prijs wordt onderhandeld en kan sterk variëren naargelang de vereiste investeringen en de lokale productiekosten. De vergoeding van de staat varieert van 21 tot 58 dollar per vat. Van het verschil tussen de uiteindelijke verkoopprijs en de productievergoeding gaat 80 % naar de staat en 20 % naar de privémaatschappij.

14

Olie in het paradijs

Negen bedrijven hebben deze nieuwe voorwaarden aanvaard en kwamen tot een akkoord. De bedrijven die de grootste velden uitbaten zijn Andes en Petroriental (China), Agip (Italië), Repsol-YPF (Spanje-Argentinië) en Enap (Chili). Vier bedrijven die grotere olievelden in concessie hadden, haakten af: Petrobras (Brazilië), DEC (VS), Canada Grande (Zuid-Korea) en CNPC (China). Zij gingen duidelijk niet akkoord met de 80/20-verdeling van de winstmarge (of de meerprijs die bekomen wordt) die de Ecuadoraanse staat nu oplegt. Deze hervormingen en de overname van verschillende petroleumvelden door Ecuadoraanse staatsoliebedrijven hebben een negatieve invloed gehad op de investeringen in de sector – die terugvielen van 770 miljoen dollar in 2006 tot ongeveer 400 miljoen dollar in 2010 – met een daling of stagnatie van de olieproductie in het land als resultaat. De huidige regering vreest dat de petroleumproductie – en de daarbij horende fiscale inkomsten voor de staat – verder zouden kunnen afnemen als de dalende productie in de oudere olievelden onvoldoende gecompenseerd zou worden door de ingebruikname van nieuwe olievelden. Dit verklaart waarom de regering sinds de lancering van het Yasuní/ITT initiatief een tweesporenbeleid heeft gevolgd waarbij naast de inspanning voor de erkenning van het Yasuníproject tegelijkertijd verder gesleuteld werd aan de technische en economische ontwerpplannen voor de exploitatie van olie in ITT. Indien Ecuador geen financiële compensaties ontvangt in het kader van het Yasuní-initiatief dan zal het volgens de huidige regering op korte termijn de olievelden in het ITT-blok moeten ontginnen om de staatsinkomsten op peil te houden.

Het Yasuní/ITT-initiatief


2.2. Milieuverontreiniging en milieuschade door petroleumontginning De exploratie naar en de ontginning van aardolie kan een verregaande negatieve milieuimpact hebben. Zowel de directe schade door de aanleg van infrastructuur en het lozen van afvalproducten, als de indirecte schade door het gebied open te stellen voor houtkap en landbouw – kan aanzienlijke kosten veroorzaken. De teweeggebrachte schade kan sterk verminderd worden door het gebruik van andere technologieën, maar ook dan is het risico voor permanente milieuschade nooit volledig uit te sluiten. In het kort beschrijven we hier de belangrijkste oorzaken van milieu­ schade door on-shore petroleumontginning, en de technologieën die voorhanden zijn om deze schade in te perken.

gepompt worden of vervoerd worden naar een afvalbehandelingsinstallatie. Maar het gebruik van eliminatieputten houdt het risico in dat afvalproducten toch nog in contact komen met grondwater of na verloop van tijd door infiltratie terug aan de oppervlakte verschijnen. Het afvalwater dat samen met de aardolie wordt opgepompt, bestaat uit ‘formatiewater’ uit de ondergrond gemengd met injectiewater. In de beginfase van de ontginning van een boorput wordt hoofdzakelijk petroleum bovengehaald. Na verloop van jaren, of wanneer de aardolie een hoge viscositeitsgraad heeft,

De rechtstreekse milieuverontreiniging vormt de belangrijkste bedreiging voor het milieu en de volksgezondheid. Gedurende de ontginning van olie worden drie soorten afvalproducten geproduceerd: afvalstoffen van de perforatie, opgepompt afvalwater en gasuitstoot. De afvalstoffen bij de boring bestaan uit modder en chemische vloeistoffen die geïnjecteerd worden en terug boven komen tijdens het boren. Per boorput wordt tussen de 1.000 en 5.000 ton afval geproduceerd. Dit afval wordt opgeslagen in bekkens in de nabijheid van het boorplatform. In de meeste landen is het op deze manier opslaan van dit soort afval niet meer toegelaten en moeten de afvalproducten in speciale eliminatieputten

15

Olie in het paradijs

Het Yasuní/ITT-initiatief


bestaat het merendeel van de opgepompte vloeistof uit formatiewater. Het gehalte aan formatiewater kan oplopen tot 80 à 90  %. Formatiewater bevat een hoge concentratie aan zouten en zware metalen, is gemengd met fijne partikels petroleum en kan bovendien soms radioactieve stoffen bevatten. Injectiewater wordt gebruikt om de druk onderaan de boorput te verhogen en zo meer petroleum te kunnen oppompen. Veelal worden er chemische additieven toegevoegd aan het injectiewater om de petroleum als het ware los te weken uit de ondergrondse rotslagen. Formatiewater en injectiewater vormen het grootste milieuprobleem bij olieontginning. Vroeger was het gebruikelijk dit afvalwater in rivieren te lozen. Op verschillende plaatsen in ontwikkelingslanden gebeurt dit nog steeds. Meestal wordt nu wel de techniek van reïnjectie van formatiewater gebruikt waarbij speciale putten geboord worden om het afvalwater terug in de ondergrond te pompen. Deze techniek werd al in de jaren 70 ontwikkeld, maar pas tientallen jaren later algemeen toegepast. Niet alle plaatsen zijn door hun geologie of gevoeligheid voor aardbevingen geschikt om deze techniek te implementeren. Er zijn talrijke gevallen gekend van verontreiniging van het grondwater door geïnjecteerd formatiewater. De derde component van rechtstreekse milieu­ schade heeft betrekking op luchtverontreiniging door het verbranden van gassen die vermengd zijn met de petroleum en die vrijkomen bij het oppompen ervan. De verbrandingsgassen bevatten heel wat toxische stoffen en veroorzaken zure regen. De toename van het risico op gezondheidsproblemen bij de lokale bevolking zoals infecties van de luchtwegen, astma en kanker wordt grotendeels toegeschreven aan deze vorm van luchtverontreiniging. In enkele gevallen werden petroleummaatschappijen

16

Olie in het paradijs

Het Yasuní/ITT-initiatief


veroordeeld voor de schade toegebracht aan de volksgezondheid. Er is technologie beschikbaar om de verbranding efficiënter te laten gebeuren of de verbrandingsgassen te filteren, maar deze technieken worden meestal enkel uitgevoerd als de overheid van het betreffende land daartoe ook normen oplegt. Om de indirecte schade aan het milieu (voornamelijk de ontbossing door houtkap en landbouw) in ecologisch waardevolle gebieden in te perken, is het verbieden van de aanleg van wegen en het zo beperkt mogelijk houden van de ontboste oppervlakten in de omgeving van de olieputten het meest doeltreffende middel. Het vervoer van het materiaal per helikopter en bv. het gebruik van directionele boring (het boren van talrijke putten in verschillende richtingen vanuit eenzelfde platform) kunnen de ontginningskosten echter met 40 % doen oplopen en dit valt niet gemakkelijk te onderhandelen met de petroleummaatschappijen.

2.3. Juridische klacht tegen Texaco De petroleummaatschappij Texaco (in 2001 overgenomen door Chevron) begon in 1964 met exploratie naar aardolie in Ecuador en startte drie jaar later met olieproductie. De Ecuadoraanse staat maakte via een meerderheidsparticipatie van Petroecuador ook deel uit van het consortium, maar de productie werd volledig uitgevoerd door Texaco. In totaal werden 339 putten geboord in een gebied van 430.000 hectaren en pompte Texaco ongeveer 1,5 miljard vaten petroleum op tot het zich in 1990 terugtrok uit het consortium en Ecuador. Het was in die periode de belangrijkste buitenlandse petroleummaatschappij in het land. De schade die de petroleumontginning door Texaco-Petroecuador aan de natuur toebracht, wordt beschouwd als één van de grootste aanslagen op het milieu en de volksgezondheid in de geschiedenis van de petroleumindustrie. Het aantal kankergevallen in de onmiddellijke omgeving van plaatsen waar petroleumontginning plaatsvond loopt op tot 31 % terwijl het nationale gemiddelde 12,3  % bedraagt.

17

Olie in het paradijs

De oorzaken van deze vervuiling liggen bij het gebruik van niet aangepaste technologie en het ontbreken van degelijke controlemechanismen. Alle afvalproducten werden gewoon in de natuur geloosd en er waren talrijke olielekken als gevolg van nalatigheid. Eind jaren ‘70 werden nieuwe milieuvriendelijke technieken ontwikkeld voor de extractie van petroleum, maar die werden door Texaco niet toegepast. In de Verenigde Staten werden deze nieuwe technieken wel gebruikt omdat de bedrijven via de CERCLA-wet (Comprehensive Environmental Response, Compensation and Liability Act) van 1980 juridisch vervolgd kunnen worden voor alle veroorzaakte milieuschade en verplicht worden tot remediëring en/of het betalen van een aanzienlijke boete. In 1993 dienden de slachtoffers uit de ontginningsgebieden een klacht in tegen Texaco in de Verenigde Staten. Na een lange procedureslag besliste het gerechtshof tien jaar later echter dat het niet bevoegd was voor de

Het Yasuní/ITT-initiatief


klacht. De rechtszaak werd in 2003 verplaatst naar Nueva Loja in Ecuador. De aanklagers eisten van Chevron een schadevergoeding van 27 miljard dollar, gebaseerd op informatie uit talrijke studies en rapporten over de aangerichte schade aan het milieu, het drinkwater, de volksgezondheid en de inheemse culturen. Op 14 februari 2011 werd Chevron door de rechter veroordeeld tot een schadevergoeding van 8,65 miljard dollar. Het merendeel van dit bedrag – 6 miljard dollar – dient voor het opruimen van afval en herstel van de milieuschade aan de bodem. 200 miljoen wordt gebruikt voor herstel van fauna en flora, 950 miljoen voor ondersteuning van gezondheidsprogramma’s en drinkwatervoorziening en de resterende 1,5 miljard als compensatie voor aangerichte schade aan de gezondheid en de inheemse cultuur. Het is belangrijk om hierbij te melden dat er geen schadevergoeding gevraagd werd of voorzien is voor particulieren maar dat het bedrag voor collectieve doelen moet aangewend worden. Voor de inheemse bevolking en de milieubewegingen is deze uitspraak een grote overwinning. Maar of Chevron deze boete ooit daadwerkelijk zal betalen, blijft een open vraag. Chevron had er ondertussen wel voor gezorgd dat het ingedekt was tegen een mogelijke veroordeling door het Ecuadoraanse gerecht via internationale procedures om de rechtsgeldigheid van de juridische uitspraak niet te erkennen. Deze procedures verhinderen dat goederen of financiële tegoeden van Chevron in andere landen in beslag genomen worden.

18

Olie in het paradijs

Chevron van haar kant schuift de volledige verantwoordelijkheid door naar de Ecuadoraanse staat. Het geeft aan dat de overheid de akkoorden die in de jaren 90 werden afgesloten niet is nagekomen. In die akkoorden werd vastgelegd welk aandeel van de remediëring van het milieu voor rekening kwam van respectievelijk Texaco en de Ecuadoraanse staat. In het akkoord werd ook gesteld dat Texaco na de remediëring gevrijwaard zou zijn van verdere verplichtingen. Tussen 1996 en 1998 werd door Texaco één derde van de afvalbekkens opgeruimd – het overeengekomen aandeel. De nog resterende afvalbekkens uit die periode – meer dan 260 – zijn volgens Texaco de exclusieve verantwoordelijkheid van de Ecuadoraanse staat. Het is duidelijk dat de overheid – hoofd­ aandeelhouder van het consortium – schromelijk is tekortgeschoten in het nakomen van haar verplichtingen in de remediëring. Maar anderzijds kan men zich ook afvragen of het ondertekende akkoord voor de remediëring van de milieu­ schade wel een rechtvaardig akkoord was. Dit akkoord beperkte zich tot het opruimen van de meest zichtbare vervuiling van het milieu, de opslagbekkens voor petroleumafval. Chevron blijft bovendien ontkennen dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de vastgestelde kankergevallen en andere gezondheidsproblemen en de milieuverontreiniging door de petroleumontginning. Hun verdedigingsstrategie concentreert zich op het weerleggen of minimaliseren van de mogelijke milieu-impact van hun activiteiten. Voorlopig halen ze hun slag thuis, maar het lijkt twijfelachtig dat deze strategie voor het ontlopen van enige verantwoordelijkheid aangaande permanente schade aan het milieu, de volksgezondheid en de lokale cultuur nog lang zal standhouden.

Het Yasuní/ITT-initiatief


2.4. Een moratorium op olieontginning in het Yasunípark? In het noordoostelijke deel van het Yasuní- de petroleumvoorraden in het ITT-blok. Toenpark bevindt zich het petroleumblok ITT malig minister van Oliezaken Alberto Acosta waarin men vier olievelden heeft gevonden: – een populaire politicus en tevens mensenIshpingo-Norte, Ishpingo-Sur, Tiputini en rechten- en milieuactivist – nam ontslag als ­ Tambococha. Samen vertegenwoordigen ze minister. Samen met enkele academici en de op één na belangrijkste nog niet aange- milieuactivisten begon hij met het uitwerken boorde olievelden van het land, bestaande van de kernideeën die later de basis zouden uit naar schatting 856 miljoen vaten olie, vormen van een officieel alternatief voor de ongeveer een vijfde van de totale petroleum- ontginning van olie in ITT. reserves van Ecuador. Eens op volle productiecapaciteit zouden de boorputten van ITT Acción Ecológica – één van de meest actieve dagelijks 100.000 vaten ruwe olie produceren, milieuorganisaties in Ecuador – lanceerde al wat overeenkomt met een jaarlijkse productie eind jaren negentig het idee voor een moravan 36 miljoen vaten. De totale productie­ torium op oliewinning in het Yasuníreservaat. periode zou lopen over 25 jaar. 20 tot 30 % Een verdere uitbreiding van petroleumontginvan de olie in het ITT-blok – behorend tot het ning in Yasuní zou aanzienlijke en permanente olieveld Ishpingo-Sur – ­bevindt zich echter in milieuschade aanrichten in die delen van het de ‘Zona Intangible’ waar extractieve activi- reservaat die tot nog toe bijna volledig intact zijn gebleven. Om de olie in het ITT-blok te teiten bij wet verboden zijn. ontginnen zouden zes afzonderlijke boorplatBegin 2007 kwam aan het licht dat het formen moeten geïnstalleerd worden over de staatsoliebedrijf Petroecuador in het geheim ganse lengte van het petroleumblok. aan het onderhandelen was met onder andere het Chinese petrochemische bedrijf Sinopec en het Venezolaanse staatsoliebedrijf PDVSA over een concessierecht voor ontginning van

Olieontginning in Yasuní De contracten voor de ontginning van petroleum in de blokken 14, 15 en 16 werden afgesloten tussen 1985 en 1987. Ondertussen veranderden de exploitatierechten voor elk van deze gebieden al verschillende malen van eigenaar. Momenteel wordt blok 16 geëxploiteerd door Repsol (Spanje), de blokken 14 en 17 door Petrooriental (China) en blok 15 door Petroamazonas (Ecuador). Tezamen produceren deze bedrijven in het Yasunígebied 150.000 vaten ruwe olie per dag. Dat is bijna 1/3 van de totale petroleumproductie van het land (486.000 vaten/dag in 2009).

Blok 15 Blok 7

Blok 14 Blok 16

Blok 21

Blok 17

Blok 31

Blok 42 Blok 10

Yasuní nationaal Park Waorani reservaat Blok 23

No-go zone

Blok 30

Blok 32

Blok 41

Blok 36

nog niet in concessie

19

Olie in het paradijs

Het Yasuní/ITT-initiatief

Blok 38

ITT


2.5. De contouren van het oorspronkelijke voorstel In april 2007 kondigde president Correa aan Naast bijdragen van westerse regeringen en dat zijn regering de voorkeur gaf aan het de- privé-bedrijven gaat men er ook van uit dat finitief in de grond laten van de olievoorraden ‘bewuste wereldburgers’ zich ook zulke certivan ITT in ruil voor internationale compensatie. ficaten zullen aanschaffen. Twee maanden later lanceerde Ecuador officiRegeringsvertegenwoordigers begonnen met eel het Yasuní/ITT initiatief. de promotie van het project op talrijke internaDe voornaamste doelstellingen werden in het tionale bijeenkomsten zoals de VN-klimaattop in New York (sept. 2007), de klimaatconfeeerste ontwerp geformuleerd als 1. respect voor het territorium van de inheem- rentie in Bali (dec. 2007) en tijdens OPECse volken, in het bijzonder van degenen die vergaderingen. Het initiatief kreeg vrij snel politieke steun vanuit verschillende regio’s in vrijwillig isolement leven 2. bescherming van het natuurpark en haar en instellingen zoals de Andesgemeenschap en later ook de Unie van Zuid-Amerikaanse biodiversiteit 3. bijdrage leveren aan de klimaatverandering landen, de Europese Unie, en enkele Eurodoor het verhinderen van de uitstoot van pese lidstaten waaronder Duitsland, Spanje en Frankrijk. Maar de financiële steun bleef 407 miljoen ton CO2. achterwege. President Correa begon ongeDe Ecuadoraanse regering berekende dat duldig te worden en nadat de oorspronkelijke de staat 7,2 miljard dollar aan inkomsten eerste termijn van een jaar voor het bekomen zou mislopen door de niet-ontginning van de van financiering verstreken was, kondigde hij olie in het ITT-blok. Ecuador is bereid om de aan dat de regering enkel bereid was deze helft van de gederfde inkomsten voor eigen termijn met zes maanden te verlengen – tot rekening te nemen, maar vraagt van de in- eind 2008 – en nadien zou overgaan tot externationale gemeenschap een compensatie ploitatie van de ITT-olievelden indien er geen van 3,6 miljard dollar. Dit als tegemoetkoming concrete financiering toegezegd werd. Via voor het definitief in de ondergrond laten van verschillende campagnes van nationale en de petroleumreserves van ITT en de daardoor internationale milieubewegingen en ngo’s kon verwachtte positieve resultaten op het vlak de Ecuadoraanse regering uiteindelijk toch van behoud van biodiversiteit, herbebossing voldoende onder druk gezet worden om af te en vermindering van de CO2-uitstoot die ten stappen van het gebruik van steeds nieuwe goede komen aan gans de wereldbevolking. kortetermijndeadlines voor het project. Begin De staat plant de uitgifte van Yasunícerti- 2009 kondigde president Correa aan dat zijn ficaten die zouden moeten garanderen dat land bereid was de petroleum van ITT voor de overeenstemmende hoeveelheden vaten onbepaalde tijd in de ondergrond te laten. petroleum definitief in de ondergrond blijven.

2.6. Blok 31 Het petroleumblok 31 dat midden in het Yasuní National Park ligt, verdient in dit dossier speciale aandacht omdat het heel wat gelijkenissen vertoont met het ITT-blok. Het beheer van dit gebied is ook van cruciaal belang in het kader van het behoud van de biodiversiteit van het park, want ook hier is de oorspronkelijke vegetatie nog vrijwel intact bewaard gebleven. Blok 31 beslaat ongeveer een vijfde van de oppervlakte van het Yasuní natuurreservaat, en is zelfs nog iets groter dan het ITT petroleumblok. In 1996 verleende Ecuador een concessierecht aan het bedrijf ‘Perez Companc’ voor petroleumexploratie in dit blok. In 2002 kocht de Braziliaanse petroleummaatschappij Petrobras de rechten over van Perez Compac.

20

Olie in het paradijs

In 2003 presenteerde Petrobras de eerste milieu-impactstudie en in mei 2005 begon de petroleummaatschappij met de aanleg van een weg in de bufferzone van het Yasunípark. Na hevig nationaal en internationaal protest van milieubewegingen en organisaties van inheemse volken tegen de aanleg van de weg die de toegang moest verschaffen tot de olievelden diep in het Yasunípark tot vlakbij de ‘Zona Intangible’, werd Petrobras door de Ecuadoraanse regering onder druk gezet om het ontwerp voor de ontginning van petroleum in blok 31 te hertekenen. In september 2006 legde Petrobras een nieuwe milieu-impactstudie voor, waarbij ditmaal afgezien werd van de aanleg van een toegangsweg en al het materiaal per helikopter ter plaatse gebracht

Het Yasuní/ITT-initiatief


zou worden. In oktober van datzelfde jaar verstrekte de Ecuadoraanse regering een nieuwe milieuvergunning aan Petrobras. Nadat Petrobras al een groot deel van de infrastructuur voor olieboring in blok 31 had uitgebouwd – zoals twee olieplatformen voor de ontginning van de olievelden Apaika en Nenke – en al de buizen voor de aanleg van de oliepijplijn tot aan Edén ter plaatse gebracht had, werd het concessierecht van blok 31 in oktober 2008 door de Ecuadoraanse staats­ oliemaatschappij Petroamazonas overgenomen. Petrobras had tot dan toe naar schatting al 200 miljoen dollar in het project geïnvesteerd. De overname, geregeld via een akkoord tussen Petrobras en de Ecuadoraanse overheid, kwam er nadat Petrobras te kennen gaf niet meer geïnteresseerd te zijn in olieontginning in Ecuador omdat het zoals alle andere petroleummaatschappijen verplicht werd om over te stappen van een ontginningscontract naar een dienstencontract.

Petroamazonas zet de voorbereidingen voor ontginning verder en verwacht in 2012 met de eerste exploitatie van olie in blok 31 te kunnen starten. Het productiepotentieel – geraamd op 35.000 vaten per dag – en de geschatte oliereserves in dit blok – tussen de 120 en 150 miljoen vaten – zijn echter beduidend minder dan in het blok ITT. Wetende dat het gebied van blok 31 een even grote ecologische waarde heeft als het ITT-blok, rijst dan ook onmiddellijk de vraag waarom dit petroleumblok niet mee opgenomen werd in het ITTinitiatief. Tezamen met de ‘zona intangible’ in het zuiden van het Yasunípark en het ITT-blok in het oosten zouden deze drie gebieden een aansluitend geheel vormen dat tweederde van het Yasunípark bestrijkt en ook precies dat gedeelte van het natuurpark omvat dat nog bijna integraal in haar natuurlijke staat verkeerd. Dit is ook wat de Waorani en de Ecuadoraanse milieubewegingen momenteel bepleiten bij hun regering.

2.7. Een nieuwe strategie via de markt van CO2-emissierechten Eind 2008 veranderde de Yasunícommissie van de regering van strategie en legde ze de nadruk op het gebruik van de koolstofmarkt voor het bekomen van de vooropgestelde financiële compensaties. Hiervoor zou de erkenning van de Yasunícertificaten als CO2-reductiekredieten moeten bereikt worden (meer bepaald binnen het Europese ETS-systeem). De 3,6 miljard financiële compensatie werd nu gebaseerd op de prijs van CO2-rechten op de Europese markt. Het compensatiebedrag zou moeten overeenstemmen met de prijs die betaald moet worden voor de reductie van 407 miljoen ton CO2, de hoeveelheid koolstofdioxide die overeenkomt met 856 miljoen vaten petroleum. Deze strategie – eigenlijk een logische voortzetting van het basisidee dat het niet ontginnen van petroleum gelijkgesteld kan worden aan het vermijden van de uitstoot van een bepaald equivalent koolstofdioxide in de atmosfeer – stootte echter op heel wat weerstand van

21

Olie in het paradijs

zowel Europese regeringen als de Europese milieubewegingen. Een erkenning van uitstootrechten aan nog niet ontgonnen fossiele brandstoffen zou immers kunnen leiden tot een implosie van het bestaande mechanisme van CO2-reductiekredieten. Daarenboven werd geargumenteerd dat de niet ontginning van bepaalde olievelden zou leiden tot de exploitatie van petroleum op een andere plaats in Ecuador of tot een verhoogde olieproductie in andere landen – het zogenaamde ‘leakage’-effect – waardoor er geen vermindering van broeikasgassen zou plaatshebben, toch niet op korte of middellange termijn. Ook bestonden er twijfels over de garantie die de Ecuadoraanse regering kon bieden voor het eeuwig ongemoeid laten van de ITT-olievelden. Hoe kon de huidige regering verzekeren dat een volgende regering deze beslissing niet zou herzien? Welke garantie boden de Yasunícertificaten dat ze terug ingeruild kunnen worden indien een toekomstige regering toch zou overgaan tot exploitatie?

Het Yasuní/ITT-initiatief


2.8. Herdefiniëring en verankering van het initiatief binnen de UNESCO Bijgestaan door de Duitse Technische Coöperatie (GTZ) gaf de Ecuadoraanse regering verschillende studieopdrachten om alternatieve pistes te onderzoeken en mogelijke oplossingen aan te bieden omtrent de twijfels die over de haalbaarheid van het Yasuníproject waren gerezen. De studies verduidelijkten dat een eventuele erkenning van de Yasunícertificaten door het bestaande Europese ETS-systeem geen optie was. Een voorstel dat wel bruikbaar werd bevonden, was om de fondsen onder te brengen in een Trust Fund, beheerd door een internationale instelling. Hetgeen later verwezenlijkt zou worden via het Trust Fund-mechanisme van de UNESCO, het Multi-Donor Trust Fund Office (MDTF Office). In juli 2009 werd het herziene Yasuní/ITTinitiatief uitgebracht. Het werd een mengvorm waar naast de vrijwillige bijdragen van regeringen, bedrijven en particulieren toch nog

de mogelijkheid werd opengehouden voor een erkenning van de Yasunícertificaten op de koolstofmarkt, zij het dan wel als piloot­ project en onder beperkende voorwaarden om te vermijden dat deze markt overspoeld zou worden met gelijkaardige aanvragen voor koolstofkredieten in ruil voor de niet ontginning van petroleum. Het nieuwe project benadrukt evenwel dat de belangrijkste reductie van CO2-uitstoot op termijn verkregen zal worden door het vermijden van ontbossing, door herbebossing en investeringen in hernieuwbare energie. ­Volgens berekeningen van het consultatiebureau Sylvestrum zou de uitstoot van CO2 op twintig jaar tijd met 820 miljoen ton kunnen worden verminderd, alleen al door het vermijden van ontbossing en door herbebossing. Het dubbele dus van de CO2 die zou vrijkomen bij de verbranding van de ondergrondse olie van ITT. De investeringen in hernieuwbare energie zouden hier bovenop een reductie van 43 miljoen ton CO2-uitstoot opleveren.

2.9. Moeizame onderhandelingen De internationale gemeenschap zat echter te Het zou nog tot juli 2010 duren vooraleer de wachten op de ondertekening van een over- beheersovereenkomst voor het Yasuní Trust eenkomst tussen Ecuador en de UNESCO Fund ondertekend kon worden. De overeenvoor het beheer van het Yasunífonds. Deze komst en bijbehorende statuten tonen aan dat beheersovereenkomst zou immers de be- er heel wat verder gesleuteld werd aan het langrijkste garantie moeten bieden voor een project en dat de vooropgestelde doelsteloptimaal gebruik van de ingezamelde fondsen lingen en actielijnen veel realistischer waren voor het project. De onderhandelingen tussen geworden in vergelijking met het voorstel van de Ecuadoraanse regering en de geïnteres- een jaar voordien. Naast een kapitaalfonds seerde donorlanden – op de eerste plaats – waarop de bijdragen gestort worden – voorDuitsland – verliepen echter moeizaam en ga- ziet de overeenkomst in de oprichting van ven aanleiding tot een politieke crisis binnen een tweede fonds dat de opbrengsten van de regering, met het ontslag van minister van de investeringen vanuit het kapitaalfonds zal Buitenlandse Zaken Fander Falconi en van aanwenden voor de uitvoering van een reeks verschillende commissieleden van het Yasuní/ sociale, economische- en milieuprogramma’s. ITT-initiatief in januari 2010 als gevolg.

22

Olie in het paradijs

Het Yasuní/ITT-initiatief


2.10. De concrete werking en financiering van het Yasunífonds Het kapitaalfonds zal voor 100 % aangewend worden voor investeringen in het genereren van hernieuwbare energie in Ecuador, gebruik makend van het enorme potentieel aan hydroelektrische, geothermische, wind- en zonneenergie. Dit moet de huidige afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verminderen, die momenteel instaan voor de productie van 47 % van elektriciteit in het land. Op deze manier zal het kapitaal van het fonds met een vaste en zekere rentabiliteit geïnvesteerd worden.

4. De sociale ontwikkeling van de invloedsgebieden van de projecten van het Yasuníinitiatief, waaronder onderwijs, gezondheid, capaciteitsopbouw, technische bijstand en creatie van werkgelegenheid in duurzame sectoren zoals ecotoerisme en agroforestry (een doorgedreven combinatie van land- en bosbouw). 5. Onderzoek in technologie en ontwikkeling in functie van de doelstellingen van bovenvernoemde programma’s.

De netto opbrengsten van deze investeringen – beheerd door het tweede fonds – zullen aangewend worden om de volgende programma’s te financieren: 1. Effectieve bescherming van de ecosystemen en tegen ontbossing, meer bepaald door de ondersteuning van het nationaal systeem van beschermde natuurgebieden die bij benadering twintig procent van het Ecuadoraans grondgebied beslaan. Een adequate bescherming van het Nationaal Yasuní Park zal de inheemse gemeenschappen van Tagaeri en Taromenane ook toelaten om verder in vrijwillig isolement te leven. 2. De herbebossing, natuurlijke regeneratie en het aangepast beheer van 1 miljoen hectaren bos op bodems die bedreigd worden door degradatie en die toebehoren aan kleine boeren. Dit zou moeten leiden tot een aanzienlijke daling van het huidige ritme van ontbossing dat beschouwd wordt als één van de hoogste in Zuid-Amerika. 3. De verhoging van de energie-efficiëntie en besparing van het energiegebruik op nationaal niveau.

Voor de financiering van het project wordt gerekend op bijdragen van de geïndustrialiseerde landen. Hiervoor werd vertrokken van de lijst van Annex 1-landen van het Kyoto­ protocol. Zich baserend op de bevolking en het gemiddeld inkomen in elk land werd een verdeelsleutel opgemaakt. Het globale bedrag werd volgens die verdeelsleutel verdeeld over alle landen. Zo staan de VS op de eerste plaats met een aandeel van 37 %, wat neerkomt op een globale bijdrage van 2,66 miljard dollar (7 % van het totaal van 7,2 miljard) over een periode van 13 jaar, of 204 miljoen dollar per jaar. Van België wordt een bijdrage verwacht van 1,1 % of 6,1 miljoen dollar/jaar over een periode van 13 jaar.1

1 De berekeningen zijn gebaseerd op het volledige bedrag van gederfde inkomsten door de Ecuadoraanse staat. Het officiële document van het Yasuní/ITT initiatief geeft aan dat de Ecuadoraanse staat minstens een financiële compensatie van de internationale gemeenschap verwacht van 50 % van dit bedrag, maar dat het streefdoel een solidaire bijdrage van 100 % van de gederfde inkomsten bedraagt.

2.11. Huidige stand van zaken van het Yasuní/ITT-initiatief De veelvuldige activiteiten op internationale bijeenkomsten en talrijke bezoeken van de regeringscommissie belast met het Yasuní/ITTinitiatief aan Europa, de VS en verschillende landen in Azië hebben ervoor gezorgd dat het initiatief een ruime bekendheid verwierf en politieke ondersteuning kreeg van talrijke regeringen en internationale instellingen. De verschillende aanpassingen aan het project en de twijfels over de financieringsmechanismen en de daaraan verbonden garanties hebben echter verhinderd dat er gedurende de periode van drie jaar tussen de lancering van het initiatief en de ondertekening van de

23

Olie in het paradijs

beheersovereenkomst met de VN concrete bijdragen werden geleverd aan het project. Deze onzekerheden over de haalbaarheid van het initiatief verklaren waarom de Ecuadoraanse regering gedurende gans deze periode verder de mogelijkheden onderzocht en onderhandelingen hield met mogelijke geïnteresseerde petroleummaatschappijen over petroleumontginning in het ITT-blok. Ecuador ondertekende zelfs al een ‘memorandum of understanding’ met vier buitenlandse oliemaatschappijen voor een mogelijke exploitatie in ITT. Het ontwerpplan voor olieontginning in

Het Yasuní/ITT-initiatief


blok ITT voorziet in de constructie van zeven platformen en het boren van 113 olieputten en 20 reïnjectieputten. De totale investeringen zouden rond de 3,5 miljard dollar bedragen. Dit plan B voor Yasuní/ITT zou wel afzien van de aanleg van een weg en van de exploitatie van de petroleumreserves van Ishpingo-Sur die in de ‘Zona Intangible’ liggen. Na de ondertekening van de beheersovereenkomst met de UNESCO ging alle aandacht opnieuw naar het bekomen van concrete financiering nu de belangrijkste obstakels klaarblijkelijk weggenomen of twijfels uitgeklaard werden. Alle ogen waren gericht op Duitsland waarvan algemeen verwacht werd dat het snel na de ondertekening van het akkoord met de ­UNESCO over zou gaan tot financiële toezegging voor het project en dit voor het door Ecuador gevraagde bedrag van 40 miljoen euro per jaar. De bevoegde minister van Ontwikkelingssamenwerking tekende echter bezwaar aan met het argument dat de garanties die het project bood ontoereikend waren. En dat zowel op het vlak van het voor onbeperkte tijd onontgonnen laten van de oliereserves van ITT, als op het vlak van de werking van het Trust Fund. Het antwoord van de Ecuadoraanse regering op deze bezwaren benadrukt echter – volgens ons volledig terecht – dat de belangrijkste garantie geboden wordt door het compromis dat de regering is aangegaan met de UNESCO en stelt dat Ecuador heel wat imagoschade zou ondervinden indien het zich niet zou houden aan een afspraak gemaakt binnen de Verenigde Naties. De gesprekken met Duitsland worden voortgezet, maar de kans dat Duitsland nog een financiële bijdrage zal leveren vóór de deadline van eind 2011 lijkt eerder klein. Uiteindelijk kwam Spanje als eerste Europees land in november 2010 met concrete financiële steun over de brug. Ook met Spanje werden al geruime tijd gesprekken gevoerd over het project. Het land had evenals Duitsland technische ondersteuning aangeboden voor de uitwerking van het initiatief.

kanttekening die bij de Spaanse bijdrage geplaatst moet worden, is dat het geld afkomstig is van het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Er is vanzelfsprekend een nauwe band tussen ontwikkelingsprogramma’s van de Europese landen en de specifieke doelstellingen van het Yasuní-initiatief, maar vanuit de ngo’s werd altijd gesteld dat initiatieven in het kader van de reductie van de CO2-uitstoot en de ontwikkeling van groene energie gezien moeten worden als bijkomende inspanningen bovenop de bestaande programma’s en budgetten. Als verzachtende omstandigheid moet hier wel gemeld worden dat Spanje haar budget voor samenwerking met Ecuador voor de volgende periode gehandhaafd heeft. Ondanks sterke besparingen op het globale budget van ontwikkelingssamenwerking. En het is natuurlijk mogelijk dat dit bedrag in de toekomst opgetrokken wordt. De regeringscommissie belast met het Yasuní/ ITT-initiatief voerde ook met Italië al geruime tijd onderhandelingen voor ondersteuning van het project in het kader van schuldenlastvermindering. Italië zal het kwijtgescholden bedrag van 35 miljoen dollar nu integraal ter beschikking stellen van het initiatief. Bij deze bijdrage kan echter de vraag gesteld worden waar deze schuld vandaan komt en wat de huidige waarde van dit schuldbedrag is om de reële bijdrage aan het Yasuní-initiatief te kunnen beoordelen. Tijdens de recente klimaatconferentie van Cancún heeft Philip Henry, minister van Milieu van het Waalse gewest, een bedrag van 300.000 euro toegezegd aan het Yasuní/ ITT-fonds met betrekking tot het jaar 2010. In het akkoord tussen de Waalse en de Ecuadoraanse regering staat ook vermeld dat de Waalse regering bereid is in de toekomst verdere financiële steun te leveren in de vorm van meerjarige bijdragen. Eind 2010 stond er 36,9 miljoen dollar op het Yasunífonds (Italië: 35 miljoen; Spanje: 1,3 miljoen; Chili: 100.000 dollar; Wallonië: 420.000 dollar; privédonaties uit Ecuador: 51.495 dollar).

Volgens het bijdrageschema – vervat in het ontwerp van het Yasuní-initiatief van juni 2009 – wordt van Spanje een jaarlijkse bijdrage verwacht van 18,5 miljoen dollar (+/- 16 miljoen euro) gedurende een periode van 13 jaar (240 miljoen dollar). Tijdens de ondertekening van een nieuw akkoord voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2011-2014 werd het bedrag voor de ondersteuning van het Yasuníinititatief bekend gemaakt: 4 miljoen euro voor de komende 4 jaar. Slechts een fractie van het door Ecuador beoogde bedrag. Een

24

Olie in het paradijs

Het Yasuní/ITT-initiatief


2.12. Wat na 2011? President Rafael Correa heeft de afgelopen maanden meermaals beklemtoond dat hij vóór eind 2011 minstens 100 miljoen dollar aan bijdragen voor het Yasunífonds verwacht. Indien dit bedrag niet ingezameld wordt tegen die datum dan zal de regering waarschijnlijk besluiten om alle bijdragen terug te storten en over te gaan tot exploitatie van de olievelden in het ITT-blok. De strategie van de huidige verantwoordelijken voor het initiatief binnen de Ecuadoraanse regering lijkt zich momenteel bijna uitsluitend te richten op het bekomen van de 100 miljoen dollar tegen het eind van dit jaar. Dit ten koste van het verder uitwerken van een methodologie of het bestuderen van nieuwe pistes voor het bereiken van het globale financieringsobjectief van 3,6 miljard dollar. Het Yasunívoorstel heeft duidelijk nood aan ademruimte – die er hopelijk zal komen na december 2011 – om de financieringsstrategie op middellange termijn te hertekenen. Bijdragen vanuit de bestaande budgetten van ontwikkelingssamenwerking, compensaties door de kwijtschelding van schulden en verschillende vormen van donaties zullen nooit volstaan om het beoogde bedrag bijeen te krijgen. Dit was eigenlijk al geweten bij de opzet van het project waar in eerste instantie gefocust werd op financiering vanuit de markt van koolstofkredieten. Toen nadien duidelijk werd dat dit soort projecten niet in aanmerking kwam voor de reductie van CO2-uitstoot, werden

nieuwe doelstellingen geformuleerd voor het gebruik van de financiële middelen van het Yasunífonds, in overeenstemming met internationale klimaatdoelstellingen. Het behoud van het Amazonewoud als belangrijke opnemer van CO2 en investeren in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie zijn per definitie zaken die onderdeel zijn van een internationaal beleid tegen de opwarming van de aarde. Dergelijke acties in ontwikkelingslanden moeten in principe beroep kunnen doen op financiering vanuit de industrielanden. Om dit mogelijk te maken moeten bijkomende middelen uit nieuwe financieringsbronnen worden gegenereerd. Voor bijdragen aan het Yasunífonds vanuit Europese landen zou bijvoorbeeld gekeken kunnen worden naar het mechanisme van de veiling van emissierechten dat vanaf 2013 geïmplementeerd zal worden. Indien de Europese landen beslissen om een belangrijk aandeel van deze nieuwe inkomsten te besteden aan adaptatie en mitigatie in het Zuiden – wat toch verwacht mag worden tenzij internationale beslissingen andere financieringsbronnen in het leven roepen – dan biedt zich hier de mogelijkheid aan deze budgetten te besteden aan het behoud van het Amazonewoud en het opzetten van projecten voor de productie van groene energie. Dit lijkt ons de belangrijkste opdracht voor het Yasuní-initiatief na de ‘opstartfase’ die hopelijk tot een goed einde komt bij het verstrijken van dit jaar.

2.13. Naar een moratorium op olieontginning in het Amazonegebied? Olieontginning in het amazonebekken is een erg controversieel thema. De oliereserves in het Amazonegebied zijn praktisch verwaarloosbaar in verhouding tot de globale reserves op wereldschaal. We zullen het verbruik van fossiele brandstoffen op termijn drastisch moeten terugdringen om de klimaatdoelstellingen te halen. Eigenlijk heeft de mensheid geen nood meer aan de vrij marginale olievoorraden die zich nog in het Amazonegebied of ander ecologisch kwetsbare of risicovolle gebieden bevinden. Hoe zullen toekomstige generaties de huidige beslissingen van uitbreiding van concessierechten voor olieontginning in waardevolle ecologische gebieden beoordelen? Ook in andere landen van het Amazonebekken zoals Peru en Bolivia hebben zich de afgelopen jaren verschillende conflicten tot

25

Olie in het paradijs

zelfs gewelddadige confrontaties voorgedaan tussen de inheemse bevolking en de overheid naar aanleiding van voorziene projecten van exploratie of ontginning van aardolie in territoria van inheemse volkeren of andere beschermde gebieden. Daarom pleiten steeds meer organisaties in deze landen voor een moratorium op nieuwe concessies voor exploratie en exploitatie van petroleum. Het Yasuní-initiatief heeft het debat heropend over de noodzaak van bijkomende inspanningen vanuit de internationale gemeenschap om zuiderse landen bij te staan voor de bescherming van werelderfgoed en andere ecologisch of cultureel waardevolle plaatsen op onze planeet. In het bijzonder wanneer deze plaatsen vanwege hun aanzienlijk economisch potentieel bedreigd worden door de ontginning van bodemrijkdommen.

Het Yasuní/ITT-initiatief


2.14. Klimaatfinanciering voor Yasuní ? Compenseren voor het in de grond houden van fossiele energiebronnen maakt op internationale VN-klimaatconferenties niet veel kans. Het is ondoenbaar en onbetaalbaar indien bv Canada, Rusland, de VS, SaoediArabië naar het voorbeeld van Ecuador deze vraag zouden stellen. Wat wel op de agenda staat en in Bali (2007), Kopenhagen (2009) en Cancún (2010) werd afgesproken, is dat de industrielanden financiering moeten voorzien voor de aanpassing aan de klimaatopwarming en de financiering van mitigatie (behoud van het tropisch bos en de lage koolstofontwikkeling) in ontwikkelingslanden. Volgens 11.11.11 moeten de industrielanden in evenredigheid met hun historisch aandeel in de opwarming van de aarde bijdragen tot het VN-klimaatfonds dat opgericht werd in Cancún. Zij moeten zich engageren om vanuit nieuwe financieringsbronnen nieuw publiek geld te voorzien bovenop de middelen voor het halen van de millenniumdoelstellingen. Met dit nieuwe publieke geld moeten nationale adaptatie- en mitigatieplannen van ontwikkelingslanden uitgevoerd kunnen worden. Met de laatste beslissing om de bijdragen die worden gestort in het Yasunífonds te gebruiken voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie, kan het Yasuníproject een deel worden van een nationaal mitigatieplan voor Ecuador waarin bosbehoud en lage koolstofontwikkeling worden ingevuld. Eind 2011 – deadline voor de eerste 100 miljoen dollar in het Yasunífonds – zal in Durban hopelijk een internationaal VN-klimaatakkoord getekend worden. Een dergelijk akkoord met

26

Olie in het paradijs

zowel reductieafspraken als nieuwe klimaatfinanciering zal echter maar in werking treden vanaf 2013. In de tussenperiode hebben Europa, Noorwegen, Japan en de Verenigde Staten zich in het Kopenhagenakkoord verbonden om nieuw en additioneel geld te voorzien voor adaptatie (50 %) en mitigatie (50 %) in ontwikkelingslanden. Europa neemt jaarlijks 2,4 miljard euro voor haar rekening, België 50 miljoen euro. In 2010 werd hiervoor in de EU en België voor bijna 100 % geput uit de begroting ontwikkelingssamenwerking. Er werd slechts zeer beperkt besteed in de VN-klimaatfondsen. Vandaag vraagt 11.11.11 dat Europa en België in 2011 hun engagement voor nieuw en additionaal geld zouden honoreren en dat dit nieuwe geld zou gestort worden in het VN-klimaatfonds. In Cancún (dec. 2010) werd de beslissing voor het oprichten van dit VNklimaatfonds genomen en dit project bevindt zich momenteel in de opstartfase. Gezien de voorbeeldfunctie van het Yasuníproject en het nog niet operationeel zijn van het VN-klimaatfonds hebben wij er geen bezwaar tegen dat voor 2011 een deel van de beloofde middelen rechtstreeks naar het Yasuníproject zou gaan op voorwaarde dat de Ecuadoraanse regering dit project aanmeldt als pilootproject van een toekomstig mitigatieplan voor het hele Ecuadoraanse grondgebied. Dit betekent dat het Yasuníproject vanaf 2013 deel zou uitmaken van een nationaal Ecuadoraans mitigatieplan dat beroep moet kunnen doen op financiering vanuit het VN-klimaatfonds.

Het Yasuní/ITT-initiatief


Bibliografie ACOSTA, A., La firma del fideicomiso para la Iniciativa Yasuní-ITT. 3 de agosto del 2010. ACOSTA, A., Sentencia a la Chevron-Texaco, un triunfo de la Humanidad. 14 de febrero del 2011. BASS, M., et al. Global Conservation Significance of Ecuador’s Yasuní National Park. 2009 BOEDT, P., MARTINEZ, E., Conservar el Crudo en el Subsuelo; por el país, por el Yasuní, por su gente. Oilwatch. 2007 CLIMATEFOCUS, Análisis Legal y Financiero de la Implementación de la Iniciativa ITTYasuní. Los Certificados de Garantía Yasuní y el Fideicomiso Mercantil de Transformación Energética. Mayo 2009 FINER, M., et al. Ecuador’s Yasuní Biosphere Reserve: a brief modern history and conservation challenges. 2009. Environmental Research Letters 4 FINER, M., MARTIN, P., A look at Ecuador’s agreement to leave 846 million barrels of oil in the ground. An Analysis of the Historic Yasuní Fund Agreement between Ecuador and the UNDP. Sept. 2010 GOVERNEMENT OF ECUADOR, MINISTRY OF EXTERNAL RELATIONS, COMERCIO E INTEGRACIÓN DEL ECUADOR, Yasuní-ITT Initiative: A big Idea from a Small Country. July 2009 GOVERNEMENT OF ECUADOR, Ecuador Yasuní ITT Trust Fund: Terms of Reference. July 2010 GOVERNEMENT OF ECUADOR, UNDP, Memorandum of Agreement for Management and Other Support Services Related to the Ecuador Yasuní ITT Fund. August 2010 HONTY, G., La iniciativa Yasuní-ITT y las negociaciones sobre cambio climático. La propuesta de una moratoria petrolera en el contexto de la Convención Marco sobre Cambio Climático. CLAES.. Revista Energía Sur. Diciembre 2009. MARTINEZ ALIER, J., El caso Chevron Texaco en Ecuador: una muy buena sentencia que podría ser un poco mejor. 17 de febrero de 2011 MARTINEZ, E., ACOSTA, A., ITT–Yasuní entre el petróleo y la vida. Ediciones Abya-Yala. Julio 2010 OILWATCH, Proyecto ITT. Opción 1: Conservación de crudo en el subsuelo. Abril de 2007 PASTOR, G.H., DONATI, G., WELLS, T. (with) Yasuní Green Gold; The Amazon fight to keep oil underground. New Internationalist. 2008 SILVESTRUM, Análisis de la Iniciativa ITT-Yasuní frente a los Mercados de Carbono. Junio de 2009 S.N., La actividad petrolera en el área del Yasuní lleva más de 20 años. Periódico El Universo. 21 de enero del 2010. S.N., Maquinaria petrolera en el borde del ITT. El manejo del fideicomiso que administrará los fondos fue una causa del fracaso de las negociaciones para dejar el petróleo bajo tierra en el Yasuní. Periódico El Universo. 24 de enero del 2010. SPANHOVE, L., Nieuwe contracten met oliemaatschappijen en maatschappijen die vertrekken uit Ecuador. In: Esmeraldas. Februari 2011 VICEPRESIDENCIA DE LA REPÚBLICA DEL ECUADOR, MINISTERIO DE RELACIONES EXTERIORES, COMERCIO E INTEGRACIÓN DEL ECUADOR Concept Document Government Initiative. Keeping ITT oil Underground. 2007 YASUNI RAINFOREST CAMPAIGN, Ecuador prepara para Crear la “ Zona Intangible. Octubre 2006. ZIBELL, M., Chevron tendrá que pagar más de US$ 9.000 millones por daños ambientales en Ecuador. BBC. 15 de febrero de 2011.

27

Olie in het paradijs

Het Yasuní/ITT-initiatief


Verklarende woordenlijst Adaptatie en Mitigatie Adaptatie aan klimaatverandering is het voorbereiden op en het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Mitigatie is de term die in het klimaatbeleid wordt gebruikt voor maatregelen die bedoeld zijn om klimaatverandering te beperken. Mitigatie kan plaatsvinden door o.a. het reduceren van broeikasgasemmissie, het voorkomen van ontbossing en herbebossing.

Annex 1-landen De Annex 1-landen zijn de geïndustrialiseerde landen zoals vermeld in Annex 1 van het klimaatverdrag dat in 1992 onder verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties werd afgesloten en ondertekend tijdens de ‘Earth Summit’ in Rio de Janeiro. Het klimaatverdrag heeft tot doel de emissie van broeikasgassen te reduceren en daarmee ongewenste gevolgen van klimaatverandering te voorkomen.

Biodiversiteit Biodiversiteit is de samentrekking van de woorden “biologische” en “diversiteit”. Het is de verscheidenheid van alle levende wezens: dieren, planten, zwammen en micro-organismen.

Biosfeerreservaat Een biosfeerreservaat is een door de ­UNESCO aangewezen gebied dat een ecosysteem representeert waarin de ecosystemen en de genetische waarden beschermd worden. De aanduiding komt voort uit de “Biosphere Conference” van 1968, de eerste intergouvernementele conferentie die als doel had de conservering van natuurlijke bronnen en ontwikkeling met elkaar in evenwicht te brengen.

Het is het grootste multinationale systeem van emissiehandel ten behoeve van het milieu ter wereld en maakt deel uit van het Europese beleid voor klimaatverandering. De benadering is eenvoudig. Ieder bedrijf, als bron van emissies, krijgt een quota voor de hoeveelheid CO2 die het mag uitstoten. Als een bedrijf meer vervuilt dan is toegestaan, dan moet het extra CO2-kredieten overnemen van een andere onderneming die onder zijn quota is gebleven. Bedrijven die investeren in vermindering van hun emissies mogen hun overtollige kredieten verkopen en kunnen zo extra geld verdienen. In het eerste jaar werd er 362 miljoen ton aan CO2-kredieten verhandeld op een markt met een waarde van 7,2 miljard euro.

Hernieuwbare energiebronnen In tegenstelling tot fossiele energiebronnen (stookolie, steenkool, gas) leveren hernieuwbare energiebronnen energie die permanent regenereert. De hernieuwbare energie kan ingewonnen worden van de zon, wind, waterlopen, golven, zeestromingen, natuurlijke warmte, biomassa, getijden en de natuurlijke warmte van de aarde.

ITT-blok Het Yasunígebied bevat de grootste olievelden van Ecuador en werd opgedeeld in verschillende consessies. Een van deze concessies is het ITT-blok. ITT staat voor Ishpingo-Tambococha-Tiputini, de namen die aan de verschillende olievelden in het ITT-blok werden gegeven. Eigenlijk gaat het om vier olievelden (Ishpingo is opgedeeld in Ishpingo Norte en Ishpingo Sur) De namen zijn afkomstig van lokale plaatsen en rivieren.

Sympatrische diersoorten Diersoorten die samen voorkomen in een gebied.

ETS Het European Union Emission Trading Scheme (ETS) is een nieuw systeem om de klimaatverandering tegen te gaan. De opwarming van de aarde is een gevaar voor ons allemaal, maar via ETS kan Europa de hoeveelheid aan broeikasgassen die het uitstoot terugdringen.

28

Olie in het paradijs

Het Yasuní/ITT-initiatief


Contactâ&#x20AC;&#x2030;: 11.11.11 Koepel van de Vlaamse Noord-Zuidbeweging Vlasfabriekstraat 11 1060 Brussel (+32) (0)2 536 11 11 info@11.be www.11.be/11

191 landen ondertekenden een akkoord om tegen 2015 de armoede in de wereld te halveren. Voer samen met de Vlaamse Noord-Zuidbeweging actie om de politici aan hun belofte te herinneren ĂŠn de lat hoger te leggen. Armoede moet de wereld uit!

www.detijdloopt.be

11Dossier: Olie in het paradijs. Een dilemma voor Ecuador  

België moet meewerken aan de plannen van Ecuador om olie in de grond te laten en zo een belangrijk natuurgebied te redden. Dat stelden 11.11...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you