Issuu on Google+

Biologie 1BK Leerwerkboek

Pagina 1


Pagina 2


Colofon ISBN 90-80-70-1 Redactie: Willy Stein - Workbooks4

Dit leerwerkboek is ook verkrijgbaar als digitale module voor zowel laptop, desktop en tablet. Elke paragraaf wordt ingericht als een aparte module die door de docent voor de leerlingen klaargezet kan worden. De modules kijken zich zelf na en geven de leerling en docent inzicht in de resultaten en de voortgang.

Vormgeving: Workbooks4 Illustraties: Shutterstock Uitgave: Workbooks4 Batavenstraat 55 7041 VA ‘s-Heerenberg

©2016 - Workbooks4 - ‘s-Heerenberg Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, in enige vorm of op enige wijze in welke vorm dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Pagina 3


INHOUD H1 Inleiding in de biologie H1.2 Levenskenmerken …………………………………….…………. 8 H1.3 Tekeningen maken ……………………………………….…….. 12 H1.4 Tabellen, grafieken en diagrammen …………………….…….. 17 H1.5 Onderzoek doen ………………………………………….……… 26 H1.6 Vergroten en verkleinen ………………………………………… 33 H1.7 Een preparaat maken …………………………………………… 36 H1.8 Met een microscoop werken ………………………….………... 35 H1.9 Practica …………………………………………………………… 38

H2 Van cel tot organisme H2.1 Cellen en weefsels ..………………………………….…………. 8 H2.2 Organen en orgaanstelsels ..…………………………….…….. 12 H2.3 Organismen ………………………….…………………….…….. 17 H2.4 Bacteriën ………………………………………………….……… 26 H2.5 Schimmels ………………..……………………………………… 33 H2.6 Planten …………………………………………………………… 36 H2.7 Dieren ……………………….………………………….………... 35 H2.8 Determineren ……………………………………………………. 40

H3 Stofwisseling H3.1 Energie ,,,,………..…………………………………….…………. 8 H3.2 Verbranding ……………..…..…………………………….…….. 12 H3.3 Brandstof …………………………….…………………….…….. 17 H3.4 Opslag …………………………………………………….……… 26 H3.5 Fotosynthese ...…………..……………………………………… 33 H3.6 Verdamping ……………………………………………………… 36 H3.7 Water en lucht ..…………….…………………………….……... 35 H3.8 Het milieu …. ……………………………………………………. 40

Pagina 4


H4 Groei en ontwikkeling H4.1 Celdeling …………….………………………………….…………. 8 H4.2 Groei ……………….……………………………………….….….. 12 H4.3 Ontwikkeling …………………………….…………………….….. 17 H4.4 Groei en ontwikkeling bij planten ……...……………….….…… 26 H4.5 Groei en ontwikkeling bij dieren …..………….…………...….… 33 H4.6 Groei en ontwikkeling bij mensen ...……………………………. 36 H4.7 De levenscyclus ……………………………………….…….…... 35

H5 Stevigheid en bewegen H5.1 Stevigheid bjj planten ………………………………….…………. 8 H5.2 Stevigheid bij dieren ..…………………………………….….….. 12 H5.3 Het geraamte …..……………………….…………………….….. 17 H5.4 Beenverbindingen ……………………………………….….…… 26 H5.5 Spieren …..……………………………….…….…………...….… 33 H5.6 Houding ...………………………………...………………………. 36 H5.7 Sport en blessures …………...……………………….…….…... 35 H5.8 Conditie …………………………………………………………… 42

H6 Onze schoolomgeving H6.1 Abotische factoren ……………...…………………….…………. 8 H6.2 Ecosystemen ……….…………………………………….….….. 12 H6.3 Planten …..………………………….….…………………….….. 17 H6.4 Planten en dieren ……………………………………….….…… 26 H6.5 Voedselketens ………………………….…….…………...….… 33 H6.6 Dieren ...……………………….………...………………………. 36 H6.7 De mens …………………......……………………….…….…... 35 H6.8 Eigen onderzoek………………………………………………… 42

Pagina 5


Pagina 6


HANDLEIDING Dit leerwerkboek bevat de leerstof die hoort bij het eerste leerjaar van het vak biologie. Elk hoofdstuk bestaat uit paragrafen met leerstof en daarbij horende vragen en practica.

Info

Leerstof De leerstof bestaat uit informatie op papier maar ook wordt geregeld, via een link met zoekterm, verwezen naar aanvullende bronnen op het internet.

Vraag

Vragen De verschillende soorten vragen toetsen of je de leerstof begrepen hebt. Er zijn vragen die je basiskennis toetsen maar je moet ook geregeld iets uitleggen.

Practicum

Een tekening maken De practica leren je op een praktische manier hoe iets in elkaar zit. Ze kunnen soms in plaats van leerstof en vragen worden gebruikt om je iets te leren.

Opdracht

Opdrachten Opdrachten zijn grotere practica, die je met andere leerlingen uitvoert, die meestal langer dan ĂŠĂŠn les duren en die afgesloten worden met een verslag of presentatie.

Pagina 7


Pagina 8


H1 Inleiding in de biologie Bronnen youtube Zoekterm: Introduction to Biology HD

Je gaat dit jaar kennismaken met het vak biologie. Biologie is één van de natuurwetenschappen. Andere natuurwetenschappen zijn natuurkunde, scheikunde, aardrijkskunde en astronomie. Het vak biologie bestudeert de levende natuur. Als inleiding gaan we een korte Engelstalige Youtube video bekijken. De video laat in vogelvlucht zien wat er allemaal bij biologie aan de orde komt. Veel plezier!

Biologie bestudeert de levende natuur op onze aarde

MENSEN en DIEREN

PLANTEN

Pagina 9

BACTERIËN en SCHIMMELS


H1.2 Levenskenmerken De Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA probeert met behulp van robotwagentjes vast te stellen of er buitenaards leven op de planeet Mars voorkomt. Volgens sommige wetenschappers staan we op het punt buitenaards leven te ontdekken, is het niet op Mars dan wel op een andere plek in het heelal. Zal het leven er op een andere planeet of maan net zo uit zien als bij ons? Op aarde zie je enorme verschillen tussen de levende wezens maar ze hebben zeven dingen gemeenschappelijk, daar gaat deze paragraaf over. Uiteindelijk gaat elk levend wezen dood.

Info

Levenskenmerken Het vak biologie bestudeert de levende natuur, waarin levende wezens (organismen) voorkomen. Planten, dieren en mensen zijn levende wezens. De mens wordt door biologen vaak tot het dierenrijk gerekend. Ook bacteriën en schimmels horen bij de levende wezens. Levende wezens kunnen zeven levensverschijnselen vertonen:

Een paardenbloem is een levend wezen en vertoont levensverschijnselen.

Ademhalen

Bewegen

Groeien

Voeden

Waarnemen

Voortplanten

Uitscheiden (stoffen kwijtraken)

Niet alle levensverschijnselen vinden voortdurend en tegelijkertijd plaats. Ook zijn ze niet altijd goed te zien.

Info

Levend, dood, levenloos Als we naar de levenskenmerken kijken kunnen we drie groepen onderscheiden:

 Een organisme dat levensverschijnselen vertoont noemen we levend.

 Een organisme of een deel van een organisme, dat geen enkel levensverschijnsel meer vertoont maar vroeger wel geleefd heeft noemen we dood. Uiteindelijk gaan alle levende organismen dood.

 Dingen die nooit geleefd hebben, zoals glas of steen, noemen we levenloos.

Een gebakken ei is dood.

Pagina 10


Vragen 1

Vul in: Een ander woord voor een levend wezen is ____________________ Tot de levende wezens behoren de p _________________________ de d ___________________ en de m _________________________ Ook de schimmels en de bacteriĂŤn horen er bij.

2

Een levend wezen vertoont levensverschijnselen. Welke zeven levensverschijnselen zijn er? 1. ____________________________________________________ 2. ____________________________________________________ 3. ____________________________________________________ 4. ____________________________________________________ 5. ____________________________________________________ 6. ____________________________________________________ 7. ____________________________________________________

3

Sommige levensverschijnselen zijn niet altijd duidelijk waar te nemen. Hieronder wordt een aantal dingen genoemd die bij planten kunnen plaatsvinden. Zet het goede levensverschijnsel er achter:

1.

’s-Morgens is een grasveld nat. _____________________________________________________

2.

Een bamboeplant kan in korte tijd meters hoger worden. _________________________________

3.

Een tuinder zet stekjes in een plastic potje. ___________________________________________

4.

Een plant draait zijn stengel en bladeren naar het licht. __________________________________

5.

Een vleesetende plant voelt het insect op zijn blad. _____________________________________

6.

Een boer gooit kunstmest over zijn land. _____________________________________________

4

Een bal beweegt, toch is een bal geen levend wezen. Waarom niet? ______________________________________________________ ______________________________________________________ Pagina 11


5

Bij het vak biologie gebruiken we de woorden levend, levenloos en dood. Zet het goede woord achter de volgende omschrijvingen:

1.

Organismen die levensverschijnselen vertonen zijn ______________________________________

2.

Organismen die geleefd hebben maar geen levensverschijnselen meer vertonen zijn ___________

3.

Dingen die nooit geleefd hebben zijn ______________________

6

Zet een kruis in de goede kolom. Kies uit levend, levenloos of dood. Levend

Levenloos

Dood

Een houten tafel Een glazen ruit Water Een platgereden egel Een gebakken ei Een koe Een wollen trui Een paardenbloem

7

Welke levende dingen zie je?

_______________________________________________________

Welke levenloze dingen zie je?

________________________________________________________

Welke dode dingen zie je?

________________________________________________________ Pagina 12


H1.3 Tekeningen maken Bij een stripfiguur als Donald Duck heeft de tekenaar duidelijk zijn fantasie gebruikt. Je kunt wel zien dat je te maken hebt met een eend, maar er is een behoorlijk aantal onderdelen in de tekening die in werkelijkheid heel anders zijn. Zo zul je natuurlijk nooit eenden met kleren zien maar ook de poten en de snavel zijn veel groter dan in werkelijkheid. Bij het maken van biologische tekeningen is het juist de bedoeling dat je de werkelijkheid weergeeft. In deze paragraaf leer je dus je fantasie niet te gebruiken!

Info

Biologische tekeningen maken

Bronnen youtube Zoekterm: Tekenregels

Je maakt bij het vak biologie tekeningen om dingen die je onderzoekt te beschrijven. Biologische tekeningen moeten voldoen aan een aantal tekenregels:  Teken met potlood (niet met kleurpotlood, stiften of een pen).  Teken niet te klein. Maak tekeningen minstens 6 cm groot  Trek strakke lijnen, schets niet.  Teken wat je ziet, gebruik geen fantasie.  Geef onderdelen aan met horizontale lijnen naar rechts.  Gebruik bij de aanwijslijnen liniaal of geodriehoek.  Werk netjes Op youtube vind je een instructiefilmpje over biologische tekeningen.

Teken alleen wat je ziet en gebruik je fantasie niet.

Teken alleen met potlood en maak er geen kunstwerk van.

Pagina 13

Teken alleen wat belangrijk is. Laat details weg!


Info

Bijschriften Je maakt tekeningen op een tekenblad, dat op een vaste manier is ingedeeld. In vak 1 komt de titel te staan. Zeg ook of je te maken hebt met  Een buitenaanzicht,  Een dwarsdoorsnede of  Een lengtedoorsnede

In vak 2 zet je de vergroting. Bij een tekening op ware grootte schrijf je 1x. In vak 3 komt de tekening. In vak 4 schrijf je de namen van de onderdelen die je in de tekening aangeeft met een rechte lijn. Voorbeeld van een tekenblad.

Info

Natuurgetrouw of schematisch? Er zijn twee soorten tekeningen, natuurgetrouwe tekeningen en schematische tekeningen. Schematische tekeningen zijn tekeningen waarbij de belangrijkste onderdelen zijn aangegeven. Bij natuurgetrouwe tekeningen zijn veel details getekend. Biologische tekeningen zijn meestal schematische tekeningen. waarbij we alleen de belangrijkste kenmerken tekenen.

‘Minder is meer!’ Bij een schematische tekening laat je vooral zien wat belangrijk is. Natuurgetrouwe tekening van de nieren

Pagina 14

Schematische tekening van de nieren


Info

Van buiten of doorgesneden? Je kunt organismen op verschillende manieren bekijken en tekenen. Van de buitenkant: we noemen dat een buitenaanzicht. Doorgesneden: als een lengtedoorsnede of een dwarsdoorsnede.

Buitenaanzicht van een appel

Info

Dwarsdoorsnede van een appel

Lengtedoorsnede van een appel

Veel gemaakte fouten bij het tekenen Aanwijslijnen met liniaal en horizontaal!

Niet te klein! Geen steel als er geen is!

Geen halve tekening!

Pagina 15

Niet schetsen!


Opdrachten Welke tekenregels zijn er? Streep het foute alternatief door.

7

Practicum Practicum:

V2 Een tekening maken Voer het practicum uit en beantwoord daarna de vraag.

A.

Teken altijd met pen / potlood.

B.

Teken klein / groot.

C.

Gebruik je fantasie / teken wat je ziet.

D.

Trek strakke lijnen / schets.

E.

Gebruik bij aanwijslijnen de geodriehoek / teken uit de losse hand.

F.

In een schematische tekening teken je veel / weinig details.

G.

Bij een dwarsdoorsnede snijd je het voorwerp in de lengte / breedte door.

8

Bekijk de volgende tekeningen. A.

Schrijf boven de tekening of je te maken hebt met een lengtedoorsnede, een dwarsdoorsnede of een buitenaanzicht.

B.

Schrijf onder de tekening of de tekening schematisch of natuurgetrouw is.

Pagina 16


H1.4 Tabellen, grafieken en diagrammen Blond, blond, rood, bruin, blond, zwart, bruin, bruin, bruin, bruin, zwart, rood, blond, bruin, bruin, blond, blond, zwart, zwart, zwart, zwart, rood, bruin, bruin, bruin, blond, zwart, bruin, rood. De kleur haar van de leerlingen uit je klas op een rijtje. Het wordt overzichtelijker als we deze kleuren in een tabel of een grafiek zetten. Je kunt dan in één oogopslag zien welke kleur het meest voorkomt. In deze paragraaf leren we tabellen, grafieken en diagrammen te maken.

Info

Tabellen Jan heeft elke dag genoteerd hoeveel eieren zijn kippen gelegd hebben.  In een tabel kan hij zijn waarnemingen en resultaten overzichtelijk weergeven.  Een tabel bestaat uit kolommen en rijen.  Hiernaast staat de tabel van Jan, met 2 kolommen en 7 rijen.  In een kolom staan de gegevens onder elkaar, in een rij staan ze naast elkaar. Boven elke kolom staat een titel.

Info

Het staafdiagram

Met grafieken en diagrammen kun je waarnemingen en resultaten uit een tabel overzichtelijk weergeven. Er zijn verschillende soorten grafieken en diagrammen. Je gebruikt een staafdiagram als je aantallen moet weergeven. Een staafdiagram maak je als volgt:  Teken een horizontale en een verticale as.  Geef het staafdiagram een naam.  Geef de assen een naam  Verdeel de assen met strepen in gelijke stukjes  Zet de gegevens in het staafdiagram.  Teken de staven.  Geef ze eventueel een kleur.

Pagina 17


Info

De lijngrafiek Met een lijngrafiek kun je waarnemingen en resultaten uit een tabel overzichtelijk weergeven. Je gebruikt een lijngrafiek als je veranderingen zoals bv groei of verandering van temperatuur moet weergeven.

Hoe maak je een lijngrafiek?  Teken een horizontale en een verticale as en geef de lijngrafiek een naam. Geef de assen een naam. Zet de eenheid er bij (bv. lengte in meter, temperatuur in ° Celsius)  Verdeel de assen met strepen in gelijke stukjes.  Zet de gegevens in de lijngrafiek.  Zet de getallen bij een lijngrafiek onder de streepjes.  Verbind de punten met elkaar door het trekken van een vloeiende lijn

Pagina 18


Opdrachten Hoeveel kolommen en rijen gebruik je in de tabel over de schoenmaat?

9

Practicum

______________ kolommen en ______________ rijen.

Practicum:

V7 Een tabel maken Voer het practicum uit en beantwoord daarna de vraag.

10

Een onderzoeker heeft een maand lang gemeten wat de lengte van een groeiende bonenplant is. Hij wil de gegevens in een grafiek zetten. De assen van de grafiek moeten een naam krijgen. Wat staat er bij de verticale as?

11

A Lengte bonenplant

B Tijd

C In cm.

D In m.

E In dagen

F In maanden

Bij een opdracht in het biologieboek moet een grafiek worden gemaakt van de groei van een bamboeplant. De plant is intussen 5 meter (500 cm) hoog. Vier leerlingen hebben getallen bij de verticale as van een grafiek gezet. Welke leerling heeft een fout gemaakt? A.

Jan: 0-1-2-3-4-5-6

B.

Piet: 0-50-100-150-200-250-300-350-400-450-500-550

C.

Ilse: 0-50-100-200-300-400-500-600

D.

Indy: 0-2-4-6-8-10

Pagina 19


Welke eenheid gebruik je in een diagram als je de volgende zaken onderzoekt:

12

Kies uit: gram, uur, millimeter, jaar, kilogram, °C, milliliter. Onderzoek

Eenheid

De leeftijd van een mens De leeftijd van een eendagsvlieg. De lichaamstemperatuur. De dikte van de stengel van een paardenbloem. De inhoud van een reageerbuis. Het gewicht van een mens.

Zet de dingen die je moet doen bij het maken van een staafdiagram of lijngrafiek in de goede volgorde:

13

A.

Gegevens in het diagram zetten.

B.

Assen tekenen.

Practicum:

C.

Staven tekenen of een lijn trekken.

V8 Een staafdiagram tekenen

D.

Getallen bij de assen zetten.

Voer het practicum uit en beantwoord daarna de vraag.

E.

De assen benoemen en er eenheden bij zetten.

Practicum

De goede volgorde is: _____________________________________ Wat is het antwoord op de onderzoeksvraag van practicum V9?

14

A.

De temperatuur van het water blijft gelijk.

B.

Het water koelt gelijkmatig af.

Practicum:

C.

Het water koelt steeds sneller af.

V9 Een lijngrafiek tekenen

D.

Het water koelt steeds langzamer af.

Voer het practicum uit en beantwoord daarna de vraag.

E.

Het water wordt warmer.

Practicum

Pagina 20


H1.5 Onderzoek doen Een groep Zweedse onderzoekers onderzocht hoeveel kinderen er elk jaar in Zweden geboren werden. Ze ontdekten dat het aantal geboorten afnam. Een andere groep onderzoekers telde het aantal ooievaars dat de zomer in Zweden doorbracht. Ook dat aantal nam af. Mag je uit deze onderzoeken de conclusie trekken dat een ooievaar toch iets met geboorten te maken heeft? In deze paragraaf leer je hoe je onderzoek doet en goede conclusies trekt.

Info

Onderzoek doen Een onderzoek doen we volgens de natuurwetenschappelijke werkwijze. Elke onderzoeker pakt een onderzoek steeds op dezelfde manier aan. Achtereenvolgens worden de volgende stappen gedaan:  Er wordt een onderzoeksvraag bedacht.  Er wordt een verwachting (hypothese) uitgesproken.  Er wordt een werkplan gemaakt.  De resultaten van het onderzoek worden verzameld.  Er wordt een conclusie getrokken.

Een checklist helpt om een onderzoek steeds op dezelfde manier aan te pakken

Info

De conclusie is altijd een antwoord op de onderzoeksvraag!

Opzoeken of onderzoeken Als je iets wilt weten moet je vragen stellen. Het antwoord op een vraag kun je krijgen door iets op te zoeken of door zelf een onderzoek te doen. Er zijn dus twee soorten vragen:  Opzoekvragen:

Het antwoord vind je door te zoeken op internet of door boeken als naslagwerk te gebruiken. Een voorbeeld van een opzoekvraag is: Waarom groeit een bonenplant niet als hij geen water krijgt? Groeit een bonenplant beter in het licht of het donker? Zoek het zelf maar eens uit!

 Onderzoeksvragen:

Het antwoord vind je door zelf onderzoek te doen. Een voorbeeld van een onderzoeksvraag is: Groeit een bonenplant beter in het licht of in het donker? Pagina 21


Info

De onderzoeksvraag Wanneer is een onderzoeksvraag een goede onderzoeksvraag?  Als de vraag er voor zorgt dat je een onderzoek gaat doen.  Als je door de vraag een werkplan kunt maken.  Als het onderzoek uitvoerbaar is. (Heb je alle benodigde spullen?)  Als je twee dingen vergelijkt.

Je kunt alleen goed onderzoek doen als je onderzoeksvraag goed is!

 Als de vraag past bij het thema waar je mee bezig bent.  Als je het antwoord op de vraag nog niet weet.  Als de vraag niet begint met ‘waarom’ of ‘hoe’.  Als het antwoord op de vraag geen ja of nee is.

Bij een goed onderzoek heb je maar één onderzoeksvraag!

Info

Het werkplan Een werkplan voor een onderzoek bestaat uit drie onderdelen:  Een lijst met benodigdheden.

(materialen).  Een beschrijving van het

onderzoek: Hoe ga je het aanpakken, welke proefopstelling ga je maken? (werkwijze).  Een uitleg hoeveel tijd je voor

het onderzoek nodig hebt, hoe vaak je het onderzoek doet en op welk moment. (tijdsplanning).

Stel je voor dat een aannemer een huis gaat bouwen zonder goede bouwtekening en afspraken over de uitvoering. Wat zou er dan gebeuren?

Pagina 22


Info

Waarnemingen vastleggen Als we de natuur bestuderen kunnen we onze waarnemingen op verschillende manieren vastleggen:  Door er een verhaal van te maken.  Door er een grafiek van te maken.  Door er een tekening van te maken.  Door er een foto van te maken.  Door er een video van te maken.  Door er een geluidsopname van te maken.

Hoe zou jij de beweging van een danseres vastleggen?

Info

Conclusies trekken De conclusie is bij een onderzoek het antwoord op de onderzoeksvraag. Controleer dus altijd of onderzoeksvraag en conclusie bij elkaar passen. Vaak wordt het resultaat van een onderzoek verward met de conclusie. Een conclusie legt de resultaten uit! Een goede voorbereiding is het halve werk!

Pagina 23


Opdrachten Een proefverslag bestaat uit een aantal onderdelen.

15

Zet de onderdelen van het proefverslag in de goede volgorde:

Practicum Practicum:

1.

__________________________________________________

2.

Wat denk je dat het antwoord is

V9 Een proefverslag maken Voer het practicum uit en beantwoord daarna de vraag.

__________________________________________________ 3.

Wat heb je nodig? __________________________________________________ __________________________________________________

16

Welke hulpmiddelen gebruik je bij het vak biologie als je organismen wilt waarnemen? Zet de volgende woorden op de juiste plaats: Een verrekijker, een loep, het blote oog, een microscoop Waarneming

Hulpmiddel

Vogel Vlieg Eencellig diertje Olifant

17

Je wilt gaan onderzoeken of de schoenmaat iets zegt over de lengte van iemand. Welke materialen heb je voor dit onderzoek nodig? _______________________________________________________ _______________________________________________________ _______________________________________________________ _______________________________________________________

Pagina 24


H1.6 Vergroten en verkleinen Cellen zijn de kleinste bouwstenen van levende wezens. Ze zijn zo klein dat je ze met het blote oog niet kunt zien. Om cellen zichtbaar te maken heb je een microscoop nodig. Een blauwe vinvis is het grootste dier dat ooit op aarde geleefd heeft. Blauwe vinvissen kunnen wel 30 meter groot worden. Als je dus een tekening van een blauwe vinvis wilt maken zal je hem verkleind moeten tekenen. Deze paragraaf gaat over vergroten en verkleinen.

Info

Vergroten en verkleinen

Bronnen URL: http://learn.genetics.utah.edu/ content/cells/scale/

We kunnen waarnemingen vastleggen met tekeningen. Hele grote organismen zullen we verkleind moeten tekenen. Wat vaker voorkomt is dat we kleine organismen en onderdelen daarvan vergroot moeten tekenen. Bij het vergroten gebruiken we hulpmiddelen als een loep of een microscoop. Loepen vergroten 6 tot 10x, Schoolmicroscopen vergroten meestal tot zo'n 400x. Elektronenmicroscopen kunnen wel tot 1 miljoen keer vergroten.

Als je iets wilt vergroten gebruik je een loep of een microscoop. Met de loep kun je meestal 6 tot 10 x vergroten

Info

Met een loep werken Een loep of vergrootglas gebruik je om dingen beter te bekijken. Je gebruikt een loep als het voorwerp te groot of te dik is voor de microscoop. Ook als je buiten veldwerk doet is een loep handiger dan een microscoop. Hoe werk je met een loep?  Houd de loep dicht bij je oog.  Beweeg het voorwerp dat je wilt bekijken naar de loep toe, totdat

je een scherp beeld hebt. Je gebruikt een loep voor dingen die te groot of te dik zijn om onder microscoop te onderzoeken

Pagina 25


Opdrachten Je moet een tekening maken van een organisme.

18

Teken je het organisme vergroot, verkleind of op ware grootte? Dier

Vergroot

Verkleind

Op ware grootte

Konijn Sprinkhaan Teek Vlieg Muis Haas

Je wilt een voorwerp met een loep bekijken.

19

Hoe gebruik je de loep op een goede manier?

Practicum Practicum:

A.

Je beweegt de loep van je oog naar het voorwerp.

B.

Je beweegt de loep van het voorwerp naar je oog.

C.

De loep is vlak voor je oog, je beweegt het voorwerp naar de loep toe.

D.

De loep is vlak voor je oog, je beweegt het voorwerp van de loep af.

V3 Met een loep werken Voer het practicum uit en beantwoord daarna de vraag.

20 Teken de teek in het vak hiernaast 2x vergroot.

Pagina 26


H1.7 Een preparaat maken Isa legt haar vinger onder de microscoop. Ze ziet alleen een zwart vlak. Ook als je een steen beter wilt bekijken dan gaat dat niet met een microscoop. Schoolmicroscopen werken met licht. Om iets door de schoolmicroscoop te kunnen bekijken moet het dus zo dun zijn dat er licht doorheen kan. Wil je een onderdeel van een mens, dier of plant door de microscoop bekijken dan moet je een preparaat maken. Wat dat is en hoe je dat doet leer je in deze paragraaf.

Info

Een preparaat maken Om iets onder de microscoop te bekijken maak je een preparaat. Een preparaat bestaat uit een voorwerpglaasje (objectglaasje) waar iets op ligt dat je wilt bekijken. Op dit voorwerp ligt een druppel vloeistof (water of kleurstof). Daar boven op ligt een heel dun glaasje, het dekglaasje. Het voorwerp dat je bekijkt moet heel dun zijn om er zo veel mogelijk licht door te laten gaan.

Info

Hoe maak je een preparaat?

Bronnen

 Leg het voorwerp midden op het voorwerpglaasje.  Doe met een druppelflesje een druppel water of kleurstof op

het voorwerp.

youtube

 Pak het dekglaasje voorzichtig aan de randen vast en zet het

Zoekterm: Hoe maak je een preparaat?

schuin tegen de vloeistof aan. Houd het dekglaasje met de prepareernaald tegen.  Laat met behulp van de prepareernaald het dekglaasje

langzaam op de vloeistof zakken. Hoe beter je dit doet hoe minder luchtbellen je krijgt!  Haal met het filtreerpapiertje het teveel aan vocht naast het dek-

glaasje weg. Bekijk de instructievideo op Youtube.

Info

Wat is een goed preparaat?

Wat is een goed preparaat?  Een preparaat waarbij het dekglaasje niet wiebelt.  Een preparaat met weinig luchtbellen.  Een preparaat waar veel licht doorheen valt.  Een preparaat waar het vocht en het voorwerp onder het dekglaasje zit.

Pagina 27


Opdrachten Vul in: Iets dat je door een microscoop bekijkt, noem je een

21

_______________________________________________________ Welke van de volgende dingen kun je onder de microscoop bekijken?

22

A.

Een steen

B.

Een haar

C.

Een stukje hout

D.

Potloodslijpsel

E.

Slootwater

F.

Een heel dun blaadje van een plant

Welke zaken zorgen voor een minder duidelijk preparaat?

23

Practicum Practicum:

V5 Een preparaat maken Voer het practicum uit en beantwoord daarna de vraag.

A.

Een schoon voorwerpglaasje.

B.

Het dekglaasje in het midden vastpakken.

C.

Vier druppels jodium op het voorwerpglaasje doen.

D.

Het dekglaasje snel op het voorwerpglaasje laten vallen.

E.

Luchtbellen.

Pagina 28


H1.8 Met een microscoop werken De eerste mens, die hele kleine diertjes in slootwater ontdekte, rode bolletjes zag in bloed en menselijke zaadcellen bekeek, was een Nederlander. Antoni van Leeuwenhoek, in 1632 geboren in Delft, maakte lenzen, die zo goed waren dat ze wel tot 400x konden vergroten. Er waren in zijn tijd al wel microscopen maar veel verder dan een vergroting van 30x kwamen ze niet. In deze paragraaf leren we te werken met een microscoop en gaan we de microwereld ontdekken.

Info

De schoolmicroscoop

Een schoolmicroscoop bezit een aantal lenzen en vergroot tot ongeveer 400x. Het oculair is de eerste lens waardoor je kijkt. De andere lenzen (objectieven) zitten aan een draaischijf, de revolver. Wat je door de microscoop bekijkt noem je een preparaat. Het preparaat ligt op de tafel, vaak vastgeklemd door preparaatklemmen. In de tafel zit een opening, waar het licht van het spiegeltje of het lampje doorheen gaat. De opening kan groter en kleiner worden gemaakt door het diafragma. Met de stelschroeven stel je het beeld scherp.

Huidmondjes in het blad van een plant bekeken onder de microscoop.

Pagina 29


Info

Hoe werk je met een microscoop? Een microscoop gebruik je om dingen beter te bekijken. Voorwaarde is dat het voorwerp heel dun is anders kan er niet genoeg licht doorheen en zie je niets. Met een microscoop bekijk je hele kleine dingen zoals cellen. Klaar zetten voor gebruik:  Houd de microscoop als je hem draagt stevig vast aan het statief.  Zet de microscoop met het statief naar je toe op tafel.

Bronnen

 Draai de tafel zover mogelijk van het objectief af.  Probeer zoveel mogelijk licht door de microscoop te krijgen door

youtube

het spiegeltje zo te draaien dat het midden van het beeld wit is of door het lampje aan te zetten.

Zoekterm: Beeldbank bio. Hoe werk je met een microscoop? deel 2

Info

 Draai het kleinste objectief voor.

Bekijk de instructievideo voor een uitgebreide uitleg over het werken met de microscoop.

Lenzen en vergrotingen Een microscoop heeft verschillende lenzen.  Je kijkt door het oculair. Deze lens vergroot meestal 5x of 10x  Verder heb je meestal drie objectieven aan de revolver zitten. Het

kleinste objectief vergroot het minst, het grootste objectief het meest.  Je berekent het aantal keren dat de microscoop vergroot als volgt:

Als het oculair 5x vergroot en het objectief 20x vergroot, dan vergroot de microscoop 5 x 20 = 100x

‘Even puzzelen’ Het is soms even puzzelen om de juiste vergroting te berekenen. Probeer eens verschillende instellingen van het oculair en de objectieven.

De microscoop heeft verschillende objectieven. Probeer ze allemaal maar eens uit.

Pagina 30


Info

Scherp stellen  Draai aan de grote schroef om een scherp beeld te krijgen.  Schuif het deel dat je wilt bekijken naar het midden van het beeld.  Draai een groter objectief voor.  Stel opnieuw scherp, weer met de grote schroef.  Schuif het deel dat je wilt bekijken naar het midden van het beeld.  Draai het grootste objectief voor.  Stel opnieuw scherp maar gebruik nu de kleine schroef!

Met de microscoop kun je op verschillende manieren scherp stellen. Probeer het maar eens uit.

Info

Microscoop opruimen

Als je de microscoop gaat opruimen, draai je eerst het kleinste objectief voor.

Je draait daarna de tafel zo ver mogelijk van het objectief af.

Dan pas haal je het preparaat onder de microscoop uit.

Je ruimt tenslotte alles netjes op.

Opdrachten 24 Benoem de onderdelen in de afbeelding van de microscoop. 1.

= _________________________________________________

2.

= _________________________________________________

3.

= _________________________________________________

4.

= _________________________________________________

5.

= _________________________________________________

6.

= _________________________________________________

7.

= _________________________________________________

Pagina 31


25

Vul het schema over de onderdelen van de microscoop in.

Onderdeel

Taak

Statief Hiermee stel je ongeveer scherp Diafragma Grote schroef Hiermee zorg je voor licht Lamp/spiegel

26

Bekijk de video en beantwoord de volgende vraag: Welke onderdelen hadden de eerste microscopen?

Bronnen schooltv.nl

A Lens

D Scherpstelschroef

B Statief

E Preparaatklemmen

C Revolver

F Spiegel

Zoekterm: Pionier van de microscopie

27 Met het oculair en het objectief maak je verschillende vergrotingen. Vul de tabel in.

28

Oculair

Objectief

10 X

4X 10 X

10 X

Vergroting 100 X 400 X

Voordat je met de microscoop gaat werken moet je een aantal dingen regelen. Vul in onderstaande tekst de juiste woorden in:

Pak de microscoop vast bij het _______________

Zet de microscoop met het statief ___________ je _______________

Draai het __________objectief voor.en draai aan de _____________ schroef.

De tafel moet zo veel mogelijk bij het _____________ vandaan.

Daarna leg je het ___________ op de ___________

Zorg dat er zoveel mogelijk licht op het preparaat valt.

Dit doe je door het lampje aan te zetten of het spiegeltje te draaien.

Het _____________ moet open staan.

Pagina 32


29

Als je met een microscoop werkt zijn een aantal zaken belangrijk. Welke dingen zijn juist?

Practicum

A.

Bij de grootste vergroting gebruik je de kleine schroef.

B.

Bij de grootste vergroting gebruik je de grote schroef.

C.

Als je iets bij een grotere vergroting wilt bekijken, schuif je dat naar het midden van het beeld.

D.

Als je iets bij een grotere vergroting wilt bekijken, schuif je dat naar de rand van het beeld.

E.

Als je het preparaat naar links schuift, zie je het beeld ook naar links gaan.

F.

Als je het preparaat naar links schuift, zie je het beeld ook naar rechts gaan.

Practicum:

V4 Met een microscoop werken Voer het practicum uit en beantwoord daarna de vraag.

30

Als je met de microscoop werkt is een aantal zaken belangrijk. Streep het foute antwoord door!

A.

Bij de grootste vergroting gebruik je de kleine / grote schroef.

B.

Als je iets bij een grotere vergroting wilt bekijken schuif je dat naar het midden / de rand van het beeld.

C.

Hoe groter de vergroting hoe lichter / donkerder het beeld.

D.

Als je het preparaat naar links schuift dan zie je het beeld naar links / rechts gaan.

31

Een donker of onduidelijk beeld kan een aantal oorzaken hebben:

Je hebt het s _______________ niet goed staan of je hebt het l ___________ niet ingeschakeld.

Het d ____________________ staat dicht en laat geen licht door.

Je gebruikt een te g ____________________ vergroting.

Je hebt de r ____________________ niet tot de klik gedraaid. Het objectief staat niet recht boven de opening.

Je ziet allemaal dikke zwarte strepen of rondjes, dit zijn L ________________.

Je hebt het dekglaasje dan te snel op de druppel laten zakken.

32

Opruimen van de microscoop gaat ook in een bepaalde volgorde: Zet de letters in de goede volgorde:   

Haal het preparaat onder de microscoop vandaan (A) Draai met de grote schroef de tafel naar beneden (B) Draai het kleinste objectief voor (C)

De goede volgorde is: _____________________________________ Pagina 33


H1.9 Practica Een practicum is een actieve manier om nieuwe dingen te ontdekken. Lees de practicumbeschrijving altijd goed door. Pak de spullen die je nodig hebt en controleer of je alles hebt. Voer daarna het practicum stapje voor stapje uit. Sla geen stappen over en werk nauwkeurig en veilig! Schrijf de resultaten van je onderzoek in het werkboek en trek een conclusie. Ruim na afloop alles netjes op!

Practicum V2

Een tekening maken

Wat wil je onderzoeken? Hoe maak je op een overzichtelijke manier een goede biologische tekening? Wat heb je nodig?  Een vrucht (bv een appel, peer, tomaat, kiwi)  Een schilmesje  Een snijplankje  Tekenmateriaal (potlood, gum en geodriehoek)

Wat moet je doen?  Snij de vrucht van het steeltje naar beneden door. Dit is een lengtedoorsnede.  Schrijf de titel van de tekening en wat het is (buitenaanzicht / dwarsdoorsnede / lengtedoorsnede) in vak 1 op het tekenblad op de pagina hiernaast. (Tekening 1)  Maak in vak 3 een schematische tekening van de lengtedoorsnede.  In vak 2 komt de vergroting te staan.  Trek met de geodriehoek een horizontale lijn van een pitje naar vak 4 en noteer daar de naam van het onderdeel.  Houd de twee helften tegen elkaar en snij nu de vrucht over dwars door.  Maak op het tekenblad hiernaast een tekening van de dwarsdoorsnede. (Tekening 2)  Vul alle vakken, houd je aan de tekenregels!  Als je klaar bent eet je de vrucht lekker op! Wat neem je waar? Zie de tekeningen hiernaast.

Pagina 34


Tekening 1

Tekening 2

Pagina 35


Practicum V3

Met een loep werken

Een loep of vergrootglas gebruik je om dingen beter te bekijken. Je gebruikt een loep als het voorwerp te groot of te dik is voor de microscoop. Ook als je buiten veldwerk doet is een loep handiger dan een microscoop. Hoe werk je met een loep? a. Houd de loep dicht bij je oog. b. Beweeg het voorwerp dat je wilt bekijken naar de loep toe, totdat je hem scherp ziet.

Wat wil je onderzoeken? Hoe werkt een loep? Wat heb je nodig?  Een loep  Een boek

Wat moet je doen?  Leg de loep op een stukje tekst in je boek.  Beweeg de loep langzaam naar boven.

Wat moet je doen?

Wat neem je waar?

 Houd de loep vlak voor je

oog en beweeg je wijsvinger naar de loep toe.  Maak een natuurgetrouwe

tekening van het topje van je wijsvinger. Teken de vingertop 2x zo groot. Maak de tekening in vak 3.  Geef in de tekening

volgens de tekenregels de nagelriem en de nagel aan.

Pagina 36


Practicum V4

Werken met een microscoop

Wat ga je onderzoeken? Hoe werkt een microscoop? Wat heb je nodig?  Een microscoop  Een geodriehoek  Twee voorwerpglaasjes  Twee haren, één van je zelf en één van een klasgenoot

Wat moet je doen?  Zet de microscoop voor je neer met het statief naar je toe en draai het kleinste objectief voor.  Draai met de grote schroef de tafel zo ver mogelijk van het objectief af.  Zet het lampje aan of draai de spiegel zodanig dat je een zo licht mogelijk beeld krijgt.  Leg de geodriehoek onder de preparaatklemmen.  Kijk door het oculair, draai aan de grote schroef tot je een scherp beeld hebt.  Schuif de geodriehoek zodanig dat de millimeterstreepjes van links naar rechts horizontaal door het

midden van het beeld lopen. Vragen: 1.

Hoeveel millimeter kun je in beeld zien? Zet het aantal mm in de tabel onder aan deze pagina.

2.

Wat gebeurt er met de cijfers van de geodriehoek, als je door de microscoop kijkt? De cijfers worden ____________________ en ____________________ .

 Draai nu een vergroting van 100x voor en stel met de grote schroef scherp.  Tel weer het aantal millimeterstreepjes dat in beeld is en zet het in de tabel.  Draai tenslotte de vergroting van 400x voor en stel met de kleine schroef scherp.  Hoeveel millimeterstreepjes staan er nu in beeld?  Ga daarna terug naar een vergroting van 40x, draai de tafel weer zover mogelijk van het objectief en

haal de geodriehoek er onder uit.  Leg de twee haren kruiselings tussen de twee voorwerpglaasjes en leg dit preparaat onder de microscoop. Stel met de grote schroef scherp.  Zoek de plaats op waar de haren elkaar kruisen. Vragen: 3. Zijn allebei de haren scherp in beeld? Ja / nee. Zien ze er hetzelfde uit?

Ja / nee.

4. Kun je verschillende lagen tegelijkertijd scherp in beeld krijgen?

Ja / nee.

Vergroting

Aantal mm streepjes in beeld

40 X 100 X 400 X

Pagina 37

Diameter beeld in mm


Practicum V5

Een preparaat maken

Om iets onder de microscoop te bekijken maak je een preparaat. Een preparaat bestaat uit een voorwerpglaasje (objectglaasje) waar iets op ligt dat je wilt bekijken. Hierop ligt een druppel vloeistof (water of kleurstof) en daarop ligt weer een heel dun glaasje (dekglaasje). Het voorwerp dat je bekijkt moet heel dun zijn om er zo veel mogelijk licht door te laten gaan. Hoe maak je een preparaat?  Leg het voorwerp midden op het voorwerpglaasje.  Doe met een druppelflesje een druppel water of kleurstof op het voorwerp.  Pak het dekglaasje voorzichtig aan de randen vast en zet het schuin tegen de vloeistof aan. Houd het

dekglaasje met de prepareernaald tegen.  Laat met behulp van de prepareernaald het dekglaasje langzaam op de vloeistof zakken. Hoe beter je dit doet hoe minder luchtbellen!  Haal met het filtreerpapiertje het teveel aan vocht weg, naast het dekglaasje is.

Wat is een goed preparaat?  Een preparaat waarbij het dekglaasje niet wiebelt.  Een preparaat met weinig luchtbellen.  Een preparaat waar veel licht doorheen valt.

Wat ga je onderzoeken?

Wat moet je doen?

Hoe maak je een preparaat?

 Strijk met het roerstaafje langs de binnenkant

Wat heb je nodig?  Een voorwerpglaasje (objectglaasje)  Een dekglaasje  Een prepareernaald

  

 Een druppelflesje met eosine of jodium

 Een houten of plastic roerstaafje

 Een filtreerpapiertje

van je wang. Breng het vocht midden op het voorwerpglaasje. Maak het preparaat af. Haal de microscoop en zet hem klaar voor gebruik. Leg het preparaat onder de preparaatklemmen. Voer verder het practicum ‘M1 Cellen van het wangslijmvlies’ uit.

Pagina 38


Practicum V6

Een proefverslag maken

Een proefverslag bestaat uit een aantal onderdelen in een vaste volgorde. Hierdoor zijn experimenten vergelijkbaar. Hoe ziet een proefverslag er uit?  Onderzoeksvraag – Wat wil je onderzoeken?  Hypothese – Wat verwacht je dat het resultaat van de proef is?

Werkplan:  Materialen – Welke spullen heb je nodig?  Uitvoering – Hoe pak je de proef aan?  Tijdsplanning – Op welk moment doe je de proef en hoe lang duurt de proef?  Resultaat – Wat neem je waar?  Conclusie – Het antwoord op de onderzoeksvraag

Onderzoeksvraag (Wat ga je onderzoeken?) Hoe sterk is mensenhaar? Hypothese (Verwachting): Ik denk dat mensenhaar een gewicht van _______________________ kilogram kan dragen. Materialen (Wat heb je nodig?)  Video SBB ‘Hoe sterk is mensenhaar’?  Een bos mensenhaar  Een hijskraan  Een schaar  _______________________

Uitvoering (Wat moet je doen?)  Maak de bos mensenhaar aan de ene kant vast aan de hijskraan.  Hang er aan de andere kant met behulp van een kabel een gewicht aan.  Maak het gewicht elke keer groter totdat het haar knapt. Resultaat (Wat neem je waar?)

Het haar knapt bij een gewicht van ________________ kilogram.

Conclusie: Je kunt het volgende over de sterkte van mensenhaar zeggen: Mensenhaar is niet erg / heel sterk. Streep het foute alternatief door.

Pagina 39


Practicum V7

Een tabel maken In een tabel kun je waarnemingen en resultaten overzichtelijk weergeven. In een klas hebben de leerlingen verschillende schoenmaten. Wat ga je onderzoeken? Welke schoenmaat komt in mijn klas het meest voor? Wat moet je doen?  Vraag aan de leerlingen van je klas de schoenmaat.  Turf het aantal keren dat een bepaalde maat voorkomt. (Zet de turf-streepjes in de tweede kolom)  Schrijf in de laatste kolom de aantallen op. 1.

Hoeveel kolommen zie je in de tabel? _____ Kolommen

2.

Hoeveel rijen zie je in de tabel?

_____ Rijen

Wat neem je waar? Schoenmaat

Turven

Aantal

33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 Welke conclusie kun je trekken? __________________________________________________________________ __________________________________________________________________ __________________________________________________________________ __________________________________________________________________

Pagina 40


Practicum V8

Een staafdiagram tekenen

Met een staafdiagram kun je waarnemingen en resultaten uit een tabel overzichtelijk weergeven. Je gebruikt een staafdiagram als je aantallen moet weergeven. Wat moet je doen? Gebruik de gegevens uit de tabel met schoenmaten. Maak in het vak hieronder een staafdiagram. Wat neem je waar?

Pagina 41


Practicum V9

Een lijngrafiek tekenen

Met een lijngrafiek kun je waarnemingen en resultaten uit een tabel overzichtelijk weergeven. Je gebruikt een lijngrafiek als je veranderingen zoals bv groei of verandering van temperatuur moet weergeven. Wat ga je onderzoeken? Koelt water gelijkmatig af of gaat het steeds sneller/langzamer? Wat heb je nodig?  Een bekerglas met water van ongeveer 60 °C  Een thermometer  Een stopwatch Wat moet je doen?    

Zet de thermometer in het bekerglas, wacht totdat je de temperatuur niet meer ziet stijgen. Zet de begintemperatuur in de tabel. Kijk 25 minuten lang, om de 5 minuten, wat de temperatuur van het water is. Zet de gevonden waarden in een tabel en maak daar een grafiek van.

Wat neem je waar?

Tabel: Tijd in minuten

Grafiek: Temperatuur in °C

0

Welke conclusie kun je trekken? ____________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________ ____________________________________________________________________________________________________

Pagina 42


Workbooks4 - Biologie Leerwerkboek VMBO 1BK - Demo