Issuu on Google+

1

DEPARTEMENT BEDRIJFSMANAGEMENT MERCATOR Henleykaai 84 9000 Gent

Omgaan met wateroverlast Waterbufferbekkens in West-Vlaanderen Eindwerk van: Opleiding: Afstudeerrichting: Academiejaar: Opdrachtgever: Promotor: Copromotor:

Thijs Dobbelaere en Maarten Vanderschaeghe Professionele bachelor Bedrijfsmanagement Milieumanagement 2009-2010 West-Vlaamse Milieufederatie (WMF) Jurgen Meirlaen Danny Schepens


DEPARTEMENT BEDRIJFSMANAGEMENT MERCATOR Henleykaai 84 9000 Gent

Omgaan met wateroverlast Waterbufferbekkens in West-Vlaanderen Eindwerk van: Opleiding: Afstudeerrichting: Academiejaar: Opdrachtgever: Promotor: Copromotor:

Thijs Dobbelaere en Maarten Vanderschaeghe Professionele bachelor Bedrijfsmanagement Milieumanagement 2009-2010 West-Vlaamse Milieufederatie (WMF) Jurgen Meirlaen Danny Schepens


Woord vooraf In het academiejaar 2007-2008 hebben wij aan de Mercator Hogeschool Gent de opleiding Bachelor in Bedrijfsmanagement optie Milieumanagement aangevat. Na drie jaar hard werk zijn we in ons laatste jaar gekomen. We hebben een perfect parcours afgelegd, dit hebben we mede te danken aan de enthousiaste lectoren van onze richting. We mochten beiden stage lopen in een interessante en leerrijke werksfeer. Hier hebben wij onze verworven theoretische milieukennis kunnen toetsen aan de praktijk. De praktische leerschool, met een duurtijd van 12 weken, hebben we beiden goed verteerd. Naast deze stage hebben we ook de mogelijkheid gekregen om een projectwerk op te maken. Onze opdrachtgever hiervoor is de West-Vlaamse Milieufederatie (WMF). De ondersteuning komt van de promotor en tevens lector aan de Mercator Hogeschool Gent, dhr. Jurgen Meirlaen. Dankzij de medewerking en het deskundig advies van mevr. Katty De Wilde en dhr. Frederik Lapeirre van WMF en onze promotor werden wij steeds de goede richting ingestuurd. Hierdoor is het eindwerk vlot verlopen Voor de nodige informatie werden wij geholpen door alle Vlaamse Diensten Waterlopen, waarvoor onze dank. Wij willen ook onze dank uitspreken aan Dhr. Didier Soens en Dhr. Luc De Winne, beide diensthoofd Waterlopen van respectievelijk de Provincie Antwerpen en Oost-Vlaanderen. Deze heren hebben ons persoonlijk te woord gestaan over de werking van het waterbeleid in hun provincie en hebben hun visie over het beheer van wateroverlast verduidelijkt. Dhr. Harold Coens willen wij ook in de hulde betrekken omdat hij ons met zijn kennis van GIS aan de nodige kaarten en informatie heeft geholpen. We mogen ook Dhr. Jan Vandecavey zeker niet vergeten vermelden. Deze persoon heeft ons het waterbeleid van de provincie West-Vlaanderen op een gemotiveerde wijze uitgelegd. Dhr. Jan Vandecavey heeft ons zeer veel nuttige informatie verschaft waardoor wij een duidelijk beeld kregen van de concrete case. Voorts hebben wij een zeer interessant gesprek gehad met dhr. Koen Martens van Vlaamse Milieu Maatschappij (VMM), verantwoordelijke voor het beheer van onbevaarbare waterlopen van de eerste categorie. Een bijzonder dankwoord willen wij richten aan Dhr. Kris Dekeyzer die ons met bijzonder veel passie zijn kijk op de concrete case heeft duidelijk gemaakt tijdens de rondleidingen.


Inhoud 1.

Inleiding ......................................................................................................................................... 13

2.

Wetgevend kader .......................................................................................................................... 15 2.1.

Inleiding ................................................................................................................................. 15

2.2.

Internationaal ........................................................................................................................ 16

2.2.1.

KADERRICHTLIJN WATER (2000/60/EG) VAN 23 OKTOBER 2000.................................. 16

2.2.2.

NITRAATRICHTLIJN (91/676/EEG) VAN 12 DECEMBER 1991......................................... 16

2.3.

Nationaal ............................................................................................................................... 18

2.3.1.

WETGEVING BETREFFENDE DE ONBEVAARBARE WATERLOPEN VAN 28 DECEMBER 1967 .............................................................................................................................. 18

2.3.2.

POLITIEREGLEMENT OP DE ONBEVAARBARE WATERLOPEN (KB VAN 5 AUGUSTUS 1970).............................................................................................................................. 20

2.3.3.

BURGERLIJK WETBOEK ................................................................................................. 21

2.4.

Regionaal ............................................................................................................................... 22

2.4.1.

DECREET VAN 18 JULI 2003 BETREFFENDE HET INTEGRAAL WATERBELEID ................. 22

2.4.2.

UITVOERINGSBESLUIT VAN DE WATERTOETS ............................................................... 28

2.4.3.

BEKKENBEHEERPLAN LEIEBEKKEN (2008-2013) ............................................................ 31

2.4.4.

BEKKENVOORTGANGSRAPPORT 2008 .......................................................................... 35

2.4.5.

BERMBESLUIT (27 juni 1984) ......................................................................................... 36

2.4.6.

VLAAMSE CODEX RUIMTELIJKE ORDENING .................................................................. 37

2.4.7.

UITVOERINGSBESLUIT VAN 14 APRIL 2000 OP VLAAMSE CODEX RUIMTELIJKE ORDENING ..................................................................................................................... 37

2.4.8.

DECREET NATUURBEHOUD (21 OKTOBER 1997) .......................................................... 38

2.4.9.

UITVOERINGSBESLUIT VAN 23 JULI 1998 OP HET DECREET NATUURBEHOUD ............ 41

2.4.10.

MESTDECREET (22 DECEMBER 2006) ............................................................................ 43

2.4.11. BODEMDECREET (27 OKTOBER 2006) EN VLAREBO (14 DECEMBER 2007); AFVALSTOFFENDECREET ( 2 JULI 1981) EN VLAREA (5 DECEMBER 2003) .................................... 44 2.4.12.

CODE VOOR GOEDE NATUURPRAKTIJK ........................................................................ 45

2.4.13.

CODE VOOR GOEDE LANDBOUWPRAKTIJKEN............................................................... 49

2.4.14. BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING BETREFFENDE HET SLUITEN VAN BEHEERSOVEREENKOMSTEN EN HET TOEKENNEN VAN VERGOEDINGEN (6 JUNI 2008) ....... 51 2.5.

Provinciaal ............................................................................................................................. 54

2.5.1.

DEELBEKKENBEHEERPLAN MANDEL 05-03 (ontwerp van het deelbekkenbeheerplan voor openbaar onderzoek) ............................................................................................ 54

2.5.2.

PROVINCIAAL RUIMTELIJK STRUCTUURPLAN WEST-VLAANDEREN (6 MAART 2002)... 56

2.5.3.

DuLo-WATERPLAN DEELBEKKEN MANDEL .................................................................... 58


2.5.4. 2.6.

MILIEUBELEIDSPLAN WEST-VLAANDEREN (2009-2013) ............................................... 60

Gemeentelijk ......................................................................................................................... 62

2.6.1. SAMENWERKINGSAKKOORD GEMEENTEN 2008-2013 Milieu als opstap naar duurzame ontwikkeling .................................................................................................................................. 62

3.

2.6.2.

GEMEENTELIJK MILIEUBELEIDSPLAN ROESELARE ......................................................... 62

2.6.3.

BERMBEHEERPLAN ........................................................................................................ 62

2.6.4.

GEMEENTELIJK EROSIEBESTRIJDINGSPLAN ................................................................... 62

2.6.5.

MILIEUJAARPROGRAMMA ROESELARE 2010 ................................................................ 63

Oplossingen tegen wateroverlast.................................................................................................. 65 3.1.

3.1.1.

Retentiezone ................................................................................................................. 65

3.1.2.

Gecontroleerde overstromingszones of overstromingsgebieden ................................ 66

3.1.3.

Natuurlijke overstromingszones of overstromingsgebieden ........................................ 67

3.1.4.

Stuwdammen ................................................................................................................ 68

3.1.5.

Plasbermen .................................................................................................................... 70

3.1.6.

Waterspaarbekken voor de landbouw .......................................................................... 70

3.1.7.

bufferbekken ................................................................................................................. 72

3.2.

Integraal waterbeheer........................................................................................................... 74

3.2.1.

Modellering en voorspelling van overstromingen ........................................................ 75

3.2.2.

Wateroverlast vermijden............................................................................................... 77

3.2.3.

beheersovereenkomsten en blauwe diensten .............................................................. 92

3.2.4.

Natuurlijke inrichting van waterlopen........................................................................... 99

3.3.

4.

Soorten wateropvangbekkens .............................................................................................. 65

Aanpak verschillende provincies ......................................................................................... 101

3.3.1.

Antwerpen ................................................................................................................... 101

3.3.2.

Oost-Vlaanderen ......................................................................................................... 102

3.3.3.

Limburg ........................................................................................................................ 103

3.3.4.

Vlaams- Brabant .......................................................................................................... 103

3.3.5.

West-Vlaanderen ......................................................................................................... 104

Concrete case: Onledebeek......................................................................................................... 105 4.1.

Inleiding ............................................................................................................................... 105

4.2.

Situering .............................................................................................................................. 105

4.3.

Wetgevend kader Onledebeek............................................................................................ 109

4.3.1.

Inleiding ....................................................................................................................... 109

4.3.2.

Situering....................................................................................................................... 109


4.3.3.

Aanleg bufferbekken ................................................................................................... 112

4.3.4.

Onderhoud bufferbekken ............................................................................................ 113

4.3.5.

Wetgeving van toepassing op Onledebeek ................................................................. 113

4.4.

Reden voor maatregelen tegen wateroverlast ................................................................... 118

4.5.

Gevolgen van de overmatige regenval in concreet stroomgebied .................................... 120

4.6.

Oplossingen provincie en gemeente ................................................................................... 120

4.7.

Het bufferbekken aan de Onledebeek ................................................................................ 122

4.7.1.

Situering....................................................................................................................... 122

4.7.2.

Planning en dimensies ................................................................................................. 123

4.7.3.

Voorstellen tot alternatieven en punten van kritiek ................................................... 125

5.

Conclusie ..................................................................................................................................... 133

6.

Bibliografie................................................................................................................................... 135


Abstract Om de doelstellingen van de Europese kaderrichtlijn Water te verwezenlijken, moeten de lidstaten de nodige inspanningen leveren. BelgiĂŤ wil meewerken aan een integraal waterbeleid, maar door de federalistische structuur van het land is het domein water verdeeld onder de gewesten. In het Vlaamse Gewest zijn het de provincies die zelf invulling mogen geven aan het decreet integraal waterbeleid dat werd opgesteld in navolging van de Europese kaderrichtlijn. Dezelfde doelstellingen worden hier naar voor geschoven. Onze projectgever, WMF, geeft bepaalde bedenkingen bij de aanpak van wateroverlast in de provincie West-Vlaanderen. Het was de vraag van WMF om deze aanpak eens door te lichten. De beste oplossing tegen wateroverlast is de aanleg van bufferbekkens, dit is de stelling van WestVlaanderen volgens WMF. Deze organisatie is ervan overtuigd dat er meer integrale maatregelen zijn voor deze problematiek. Hierdoor heeft WMF de opdracht gegeven om te bekijken welke oplossingen voor handen zijn om wateroverlast te bestrijden. Deze oplossingen worden in een concrete case toegepast. De concrete case handelt over een specifieke waterloop, met name de Onledebeek, waar er concrete plannen zijn om een bufferbekken te plaatsen. Het eindwerk bestaat uit drie delen. In het eerste deel wordt het wetgevend kader, dat een ruim beeld schept over de aanpak van wateroverlast, beschreven. Vanaf internationaal tot aan gemeentelijk niveau worden verplichtingen, doelstellingen en richtlijnen omtrent deze problematiek besproken. De conclusie van dit deel is dat er wel degelijk een wettelijk kader aanwezig is om wateroverlast te bestrijden. Er zijn echter veel verschillende wetgevingen waarmee rekening moet worden gehouden en dit wordt nog niet overal gedaan op dit moment. Hierdoor ontbreekt het in sommige gevallen aan een echte integrale aanpak waarbij aan alle factoren aandacht wordt geschonken. In het tweede deel worden eerst alle soorten wateropvangbekkens besproken met enkele voor- en nadelen. Het gaat hierbij over (gecontroleerde) overstromingszones, bufferbekkens, stuwdammen,enz. Daarna wordt er gekeken naar hoe de aanpak van wateroverlast op een meer integrale manier kan aangepakt worden. De modellering van de waterlopen wordt hierbij eerst besproken en wordt ook aanzien als het belangrijkste punt om op een goede integrale manier te werken. Het tweede punt gaat over het vermijden van wateroverlast door verschillende handelingen zoals erosiebestrijding, beperken van verhardingen, de waterloop ruimte geven, enz. De landbouwers kunnen een grote rol spelen bij integraal waterbeheer. Daarom worden in het derde punt de blauwe diensten en de beheersovereenkomsten besproken. Via deze diensten en overeenkomsten kan de landbouwsector ervoor zorgen dat beken die langs of door hun percelen lopen gevrijwaard blijven van vervuiling of verstoring. Integraal waterbeheer houdt ook in dat er rekening wordt gehouden met de natuur. In het laatste deel van integraal waterbeheer wordt dan ook kort ingegaan over de natuurlijke inrichting van waterlopen. In het laatste punt van deel twee bespreken wij de aanpak van de verschillende Vlaamse Provincies. Bij sommige punten heeft de Provincie West-Vlaanderen een andere aanpak.


In het derde deel komt een concrete case aan bod. Het gaat hier over de aanleg van een off- linebufferbekken aan de Onledebeek in Noord-Roeselare. Het project werd bekeken en getoetst aan de huidige wetten en normen uit deel 1 van dit werk. Door enkele plaatsbezoeken in het concrete gebied is er een duidelijk beeld gevormd van de problemen in het gebied. De plaatsbezoeken toonden aan dat er heel wat kan gedaan worden om tot een meer integrale oplossing te komen van de problemen rond wateroverlast. In het derde deel worden de problemen uitgelegd en worden er ook alternatieven gegeven die eventueel het geplande bufferbekken kunnen vervangen of aanzienlijk verkleinen. In het laatste deel staat de conclusie. Er kan nog heel wat kan gedaan worden om tot een integrale aanpak van het watersysteem te komen. Het werken met modellering lijkt de beste manier om de problemen rond wateroverlast op een integrale manier op te lossen. Om in de toekomst wateroverlast te vermijden is er een gedragswijziging nodig. Om de waterloop de ruimte te geven die het nodig heeft moet er in de ruimtelijke ordening rekening gehouden worden met de waterloop. Ook de landbouwers kunnen een grote rol spelen in de ondersteuning van het watersysteem, eventueel via beheersovereenkomsten en/of blauwe diensten.


13

1. Inleiding Wateroverlast is een problematiek die elke provincie aangaat. In de wetgeving is er een kader voorzien omtrent de bestrijding van dit probleem. Het zijn de provincies die, voor de stromen waarop ze waterloopbeheerder zijn, zelf invulling geven aan de wijze waarop ze dit probleem aanpakken. Er zijn vragen rond de aanpak van wateroverlast in West-Vlaanderen. Daar wordt immers in vele gevallen gegrepen naar een oplossing met waterbufferbekkens. Er bestaan meer integrale manieren om wateroverlast op te lossen. Meer integraal wil in deze context zeggen dat rekening wordt gehouden met zowel water, mens en natuur. Het doel van dit project is om de provincie West-Vlaanderen aan te zetten tot een nog meer integrale aanpak van wateroverlast. Dit onderzoek wordt onderverdeeld in een wetgevend kader, een opsomming van de verschillende manieren om met wateroverlast om te gaan en een derde deel waarbij de eerste twee delen worden getoetst op een concrete case. Alle relevante wetgeving en beleidsdocumenten werden onderzocht om een duidelijk wettelijk kader te schetsen voor de bestrijding tegen wateroverlast. Naast het wettelijke aspect wil dit werk ook een beeld geven van de verschillende manieren om met deze waterproblematiek om te gaan. Hierbij hebben de verschillende Vlaamse provincies hun inbreng gehad. In de concrete case wordt eerst een duidelijk beeld geschept over de huidige toestand en de plannen van de provincie West-Vlaanderen om de wateroverlast in het noorden van Roeselare aan te pakken. Bij de concrete case wordt de situatie binnen het wettelijk kader geplaatst en worden de mogelijke alternatieven aangereikt.


14


15

2. Wetgevend kader 2.1.

Inleiding

In dit eerste deel wordt getracht om een wetgevend kader te schetsen voor (waterbeheerders van) de onbevaarbare waterlopen in Vlaanderen. Het is immers zo dat er op vele niveaus verplichtingen en richtlijnen gelden omtrent de onbevaarbare waterlopen. Hierdoor werd er voor gekozen om dit deel op te splitsen in een internationaal, nationaal, regionaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Door het grote aanbod aan wetgeving worden er enkele conclusies toegevoegd om de relevantie met de concrete case te duiden. Op het internationale niveau zijn er de Europese richtlijnen die werden omgezet in decreten. Deze bieden het kader waarbinnen de Vlaamse overheid zijn beleid kan omzetten. Op het nationale niveau zijn er de wetten en politiereglementen die zowel voor Vlaanderen als voor WalloniĂŤ gelden. Op het regionale niveau zijn er de decreten en beleidsdocumenten. Deze zijn een uitvoering van hoger vermelde richtlijnen. Ook bieden zij een kader waarbinnen de provincie en gemeentes hun beleid moeten integreren. Op het provinciale en gemeentelijke niveau bevinden zich de beleidsdocumenten die van kracht zijn in de provincie West-vlaanderen of in een specifieke gemeente/stad. Deze zijn een uitvoering van de beleidsdocumenten op een hoger niveau. In het derde deel wordt het wetgevend kader toegespitst op de concrete case namelijk het geplande bufferbekken op de Onledebeek.


16

2.2.

Internationaal

2.2.1. KADERRICHTLIJN WATER (2000/60/EG) VAN 23 OKTOBER 20001 De Europese kaderrichtlijn water werd overgenomen door het Decreet Integraal Waterbeleid, behalve artikel 9 van de richtlijn over kostenterugwinning van waterdiensten. Deze diensten worden verderop uitgelegd als blauwe diensten, dit is de meer courante benaming voor waterdiensten.2 Voor het verwezenlijken van waterdiensten moeten de lidstaten een kostenterugwinning voorzien voor de uitvoerder. Hierbij moet men rekening houden met het beginsel van “de vervuiler betaalt”. De prijs om waterdiensten te vergoeden, moet aantrekkelijk zijn en blijven zodat de uitdaging om de efficiënte nuttiging van de watervoorraden aanwezig blijft. Deze kostenterugwinning bevat ook een bijdrage van de verscheidene watergebruikssectoren. Deze bijdrage moet worden gerapporteerd in de stroomgebiedbeheerplannen samen met de stappen die werden ondernomen om de watervoorraden te sparen. Voor de uitwerking van de andere artikels van de kaderrichtlijn water wordt verwezen naar de Vlaamse wetgeving3. 2.2.2. NITRAATRICHTLIJN (91/676/EEG) VAN 12 DECEMBER 19914 Artikel 4 Dit artikel van de nitraatrichtlijn vermeldt dat de lidstaten een code van goede landbouwpraktijk moeten opstellen die de landbouwers in acht moeten nemen. Deze code moet minstens volgende bepalingen bevatten:     

de periodes die niet geschikt zijn voor het op of in de bodem brengen van een meststof; regels in verband met het op of in de bodem brengen van een meststof op steile hellingen; regels in verband met het op of in de bodem brengen van een meststof op drassig, ondergelopen, bevroren of met sneeuw bedekt land; de voorwaarden voor het op of in de bodem brengen van een meststof in de nabijheid van waterlopen; de capaciteit en bouw van opslagtanks voor dierlijke mest, inclusief maatregelen ter voorkoming van waterverontreiniging veroorzaakt door het wegstromen en weglekken in grond- en oppervlaktewater van vloeistoffen die dierlijke mest en afvalwater van opgeslagen plantaardig materiaal zoals kuilvoeder bevatten; methoden voor het op of in de bodem brengen van zowel kunstmest als dierlijke mest, inclusief hoeveelheid en gelijkmatigheid van de verspreiding, waarmee de afvoer van nutriënten naar het water op een aanvaardbaar niveau wordt gehouden.

De code van goede landbouwpraktijk wordt besproken bij de regionale wetgeving.

1

Info verkregen via de website http://eur-lex.europa.eu (2010-02-11) Zie oplossingen tegen wateroverlast: 3.2.3 beheersovereenkomsten en blauwe diensten 3 Zie wetgevend kader: 2.4.1 DECREET VAN 18 JULI 2003 BETREFFENDE HET INTEGRAAL WATERBELEID 4 Info verkregen via de website http://www.vcm-mestverwerking.be (2010-02-13) 2


17 Conclusie In de nitratenrichtlijn worden er eisen gesteld naar landbouwers omtrent meststoffen. Voor de waterlopen is het van belang dat er zo weinig mogelijk meststoffen van de akkers afvloeien. Er moet immers een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater nagestreefd worden volgens het decreet integraal waterbeleid (overgenomen kaderdoelstelling van de Europese kaderrichtlijn water).5 Deze goede kwalitatieve toestand kan mede worden gehaald als er wordt voldaan aan de code van goede landbouwpraktijk waarin adviezen worden gegeven aan landbouwers.6

5 6

Zie wetgevend kader: 2.4.1 DECREET VAN 18 JULI 2003 BETREFFENDE HET INTEGRAAL WATERBELEID Zie wetgevend kader: 2.4.13 CODE VOOR GOEDE LANDBOUWPRAKTIJKEN


18

2.3.

Nationaal

2.3.1. WETGEVING BETREFFENDE DE ONBEVAARBARE WATERLOPEN VAN 28 DECEMBER 1967 78 2.3.1.1. Inleiding De waterlopen zijn onderverdeeld in bevaarbare en onbevaarbare waterlopen. De bevaarbare waterlopen zijn de grote stromen, rivieren en kanalen. Ze worden beheerd door de NV Waterwegen en Zeekanaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. De onbevaarbare waterlopen worden onderverdeeld in geklasseerde en niet-geklasseerde waterlopen. Artikel 3 De geklasseerde waterlopen worden verder onderverdeeld in 3 categorieën.  

1ste categorie: de gedeelten van de onbevaarbare waterlopen, stroomafwaarts van het punt waar hun waterbekken ten minste 5 000 hectare bedraagt. Het beheer is in handen van de VMM. 2de categorie: de onbevaarbare waterlopen of gedeelten ervan die noch in de eerste noch in de derde categorie gerangschikt zijn. Het provinciebestuur is de beheerder (behalve in polders en wateringen). 3de categorie: de onbevaarbare waterlopen of gedeelten ervan, stroomafwaarts van hun oorsprong, zolang zij de grens niet hebben bereikt van de gemeente waar die oorsprong zich bevindt, of tot zij uitmonden, hetzij in bevaarbare waterlopen, hetzij in onbevaarbare waterlopen van de eerste of van de tweede categorie; alsmede elke waterloop waarvan het waterbekken geen 100 hectare bedraagt en waarvan het debiet abnormaal verzwaard wordt, of waarvan het water verontreinigd is door afvalwater. De beheerder is hier de gemeente (behalve in polders en wateringen).

2.3.1.2. Artikel 5

Atlas

Alle onbevaarbare waterlopen zijn opgenomen in een atlas, bestaande uit kaartmateriaal en eventueel beschrijvende tabellen waarin de wettige afmetingen, de opgemeten boven- en bodembreedte en de diepte van de waterlopen zijn opgenomen. De opmaak en updates van deze atlas vallen onder de bevoegdheden van de Bestendige Deputatie. Nu is er ook een digitale versie van de atlas opgemaakt, met name de Vlaamse Hydrografische Atlas (VHA).

7

Info verkregen via de website http://www.vvpw.be (2010-02-10) De Winne Luc, Keuzemodule “Administratief goederenrecht”: Onbevaarbare waterlopen (academiejaar 20092010) 8


19 2.3.1.3. Werken Er zijn twee soorten werken, namelijk:  

Gewone onderhouds- en herstellingswerken Buitengewone werken van verbetering of wijziging

Artikel 6: Gewone onderhouds- en herstellingswerken     

het uitbaggeren van de waterloop tot op de vaste bodem; het uittrekken en verwijderen uit de waterloop van wortels, takken, biezen, riet, kruiden en over het algemeen alle vreemde voorwerpen en het neerleggen ervan op de oevers; het wegruimen uit de waterloop van de aanspoelingen op de bolle oevers en uitspringende hoeken; het reinigen van de doorgangen van de waterloop onder bruggen en overwelfde vakken; het herstellen van de oevers die ingezakt zijn bij middel van palen, rijswerk en ander materiaal; het wegnemen van struik- en houtgewas wanneer dit de loop van het water belemmert; het herstellen en verstevigen van de langsheen de waterloop bestaande dijken en het verwijderen van al hetgeen zich daarop bevindt zo dit de loop van het water zou hinderen, ongeacht of de dijk aan privaat- of publiekrechtelijke eigenaars toebehoort; het onderhouden en herstellen en het verzekeren van de normale werking van de pompstations die zich op de waterlopen bevinden, ongeacht of zij aan privaat- of publiekrechtelijke eigenaars toebehoren.

Het beheer en de kosten voor deze werken aan onbevaarbare waterlopen van de eerste, tweede of derde categorie worden gedragen door respectievelijk het Vlaamse Gewest, de provincie en de gemeente. Maar het onderhoud en herstelling van private kunstwerken op onbevaarbare waterlopen (bv. Duikers, brugjes,…) valt ten laste van de eigenaars van deze kunstwerken. Artikel 10-15: Buitengewone werken van verbetering of wijziging 

Buitengewone werken van verbetering : alle werken zoals uitgraving, verbreding, rechttrekking en over het algemeen alle wijzigingen aan de bedding, het tracé of de kunstwerken die zich op de waterloop bevinden en die er toe strekken de waterafloop gevoelig te verbeteren. Voorbeelden hiervan kunnen zijn: bufferbekkens, ingrijpende herprofileringswerken, het bouwen van kunstwerken (stuwen, pompinstallaties, duiker, vistrappen) enz. Buitengewone werken van wijziging : alle andere werken die de bedding, het tracé of de kunstwerken die zich op de waterloop bevinden, wijzigen en die, zonder de waterafloop te schaden, er niet toe strekken deze te verbeteren. Een voorbeeld hiervan is het inbuizen van een waterloop.

De uitvoerder van de verbeteringswerken is in principe de beheerder van de waterloop. In de wet wordt er echter voorzien dat eenieder die er belang bij heeft (particulieren, openbare instellingen, gemeenten, provincies, het gewest) verbeterings- of wijzigingswerken op onbevaarbare


20 waterlopen kan uitvoeren, op voorwaarde dat een machtiging werd verkregen. Voor onbevaarbare waterlopen van de eerste categorie moet men zich wenden tot het Vlaamse gewest, voor de 2de en 3de categorie is het de Bestendige Deputatie bij wie de machtiging kan verkregen worden. De Bestendige Deputatie verleent of weigert dergelijke machtiging na advies van het schepencollege en na een openbaar onderzoek. Uit informatie blijkt dat het grootste deel van de aangevraagde machtigingen betrekking heeft op het overwelven van waterlopen. De initiatiefnemer draagt de kosten voor verbeterings- of wijzigingswerken. Conclusie Na het aanduiden van een waterstroom als onbevaarbaar, wordt er nog een onderscheid gemaakt tussen drie categorieën. Dit is van belang omdat er per categorie een andere beheerder wordt aangesteld. De beslissing om de wateroverlast aan te pakken bij een onbevaarbare waterloop van tweede categorie ligt bij de dienst Waterlopen van de provincie. Een bufferbekken wordt aanzien als een buitengewoon werk van verbetering omdat ze een ingrijpende wijziging inhouden met als doel het afvoerregime te verbeteren. Bij inbuizingen wordt het tracé gewijzigd maar niet verbeterd, hierdoor is dit een werk van wijziging. Voor beide opgesomde werken moet een machtiging aangevraagd worden aan de Bestendige Deputatie van de provincie.

2.3.2. POLITIEREGLEMENT OP DE ONBEVAARBARE WATERLOPEN (KB VAN 5 AUGUSTUS 1970)9 Artikel 8 Vanaf 1 januari 1973 moeten de gronden die aan een open waterloop palen en als weiland worden gebruikt zodanig afgerasterd zijn dat het vee binnen het weiland wordt gehouden. Het deel van de afrastering aan de zijde van de grond die aan de waterloop paalt dient zich te bevinden op een afstand van 0,75 tot 1 meter, landinwaarts gemeten vanaf de kruin van de oever van de waterloop, en mag niet hoger zijn dan 1,50 m boven de begane grond. De afrastering moet derwijze opgesteld zijn dat ze geen belemmering kan vormen voor het verkeer van de werktuigen die bij de uitvoering van de gewone ruimings-, onderhouds- en herstellingswerken aan de waterlopen worden gebruikt. (Op behoorlijk gemotiveerd voorstel door de gemeenteraad gedaan voor 1 augustus 1972 en op advies van de bestendige deputatie kan, bij koninklijk besluit, geheel het grondgebied van een gemeente aan de toepassing van dit artikel worden onttrokken.) Artikel 10 Het is verboden:   

9

de oevers of dijken van een waterloop op enigerlei wijze te beschadigen of te verzwakken; de waterlopen op enigerlei wijze te versperren of er voorwerpen of stoffen in te plaatsen, die de waterafvoer hinderen; binnen een afstand van 0,50 m landinwaarts gemeten vanaf de bovenste boord van een waterloop grond te ploegen, te eggen, te spitten of op een andere wijze los te maken;

Info verkregen via de website http://www.vvpw.be (2010-03-03)


21 

de in opdracht van een gemachtigde van de bevoegde overheid of van het college van burgemeester en schepenen aangebrachte peilschalen, peilspijkers of andere merktekens te verwijderen, onkenbaar te maken of iets aan de stand of plaats ervan te veranderen; de toestanden die ingevolge de boven opgesomde daden worden geschapen in stand te houden.

2.3.3. BURGERLIJK WETBOEK10 11 Artikel 556 Aanslijkingen en aanwassen die langzamerhand en ongemerkt ontstaan aan bij een stroom of rivier gelegen gronden worden aanspoelingen genoemd. De aanspoeling komt ten goede aan de eigenaar van de oever, onverschillig of het een stroom of een al dan niet bevaarbare of vlotbare rivier betreft; in het eerste geval echter moet het voetpad of jaagpad worden vrijgelaten, overeenkomstig de verordeningen. Artikel 557 Het voorafgaande is ook van toepassing op de droge plaatsen die ontstaan wanneer het lopend water zich ongemerkt van één van zijn oevers terugtrekt en zich naar de andere verplaatst; de eigenaar van de drooggelopen oever heeft het voordeel van de aanspoeling, zonder dat de eigenaar van de andere oever de grond die hij verloren heeft, kan opeisen. Zodanig recht bestaat niet ten aanzien van door de zee verlaten gronden. Artikel 559 Wanneer een stroom of een al dan niet bevaarbare rivier door een plotseling geweld een aanzienlijk en herkenbaar stuk van een aan de tegenoverliggende oever aanwerpt, kan de eigenaar van het afgescheurde stuk zijn eigendom opeisen; hij is echter gehouden zijn eis in te stellen binnen een jaar; na die termijn is hij daartoe niet meer ontvankelijk, tenzij de eigenaar van het land waarmee het afgescheurde stuk verenigd is, van dit stuk nog geen bezit genomen heeft. Opmerkingen12: Het Burgerlijk Wetboek regelt in artikel 556, 557 en 559 de wijzigingen die zich in het eigendomsrecht van erven langs waterlopen op een natuurlijke wijze kunnen voordoen. Door sommigen wordt hieruit de conclusie getrokken dat de overheid geen verdere actie moet ondernemen, en dus geen oeverversterking moet aanbrengen (behalve wanneer de veiligheid van wegen, dijken, kunstwerken of gebouwen in het gedrang komt), indien de oeverafkalving het gevolg is van een natuurlijk proces. Het is echter dikwijls moeilijk te bewijzen dat een afkalving een zuiver natuurlijke oorzaak heeft.

10

De Winne Luc, Keuzemodule “Administratief goederenrecht”: Onbevaarbare waterlopen (academiejaar 2009-2010) 11 Info verkregen via de website http://ccff02.minfin.fgov.be (2010-03-10) 12 De Winne Luc, Keuzemodule “Administratief goederenrecht”: Onbevaarbare waterlopen (academiejaar 2009-2010)


22

2.4.

Regionaal

2.4.1. DECREET VAN 18 JULI 2003 BETREFFENDE HET INTEGRAAL WATERBELEID13 2.4.1.1. Organisatie en planning Er zijn meerdere niveaus verantwoordelijk voor de uitvoering van het integraal waterbeleid. Er is een internationaal niveau, namelijk dat van het stroomgebieddistrict. Voorts is er het niveau van het Vlaams Gewest, daarnaast is er het bekken- en deelbekkenniveau. In Figuur 1 valt af te lezen welk niveau voor welke planning moet instaan.

Figuur 1: Schematische voorstelling van de overlegstructuren en de planningniveaus van het integraal waterbeleid in 14 Vlaanderen

Niveau stroomgebiedsdistrict (artikel 33) Vlaanderen behoort tot twee stroomgebiedsdistricten:  

Het stroomgebiedsdistrict van de Schelde Het stroomgebiedsdistrict van de Maas

De bevoegde autoriteiten voor de coördinatie van het waterbeleid in deze districten zijn de Internationale Schelde – of Maascommissie. Voor de beide stroomgebieden wordt er door de bevoegde commissies een internationaal stroomgebiedbeheerplan opgemaakt dat de hoofdlijnen bepaalt van het integraal waterbeleid voor het betreffende stroomgebied met inbegrip van de voorgenomen maatregelen en de noodzakelijke middelen en termijnen. Bijlage 1: Kaart stroomgebieddistrict van de Schelde en van de Maas

13

Info verkregen via de website http://www.vvpw.be (2010-02-11) Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, 16 december 2008, Stroomgebiedbeheerplannen voor Schelde en Maas (ontwerp Openbaar Onderzoek) 14


23 Niveau Vlaams Gewest (artikel 24; 32) Er wordt er ook een Vlaams stroomgebiedbeheerplan opgesteld. De Vlaamse Regering duidt de onderdelen aan van het stoomgebiedbeheerplan die bindend zijn voor de betrokken diensten en besturen. Het eerste Vlaamse stroomgebiedbeheerplan voor de Schelde had moeten klaar zijn tegen het einde van 2009, dit is echter nog niet het geval. Een stroomgebiedbeheerplan moet om de 6 jaar herzien worden. De coördinatie en de organisatie van de planning van het integraal waterbeleid wordt geregeld door de Vlaamse Regering in een waterbeleidsnota. In die nota worden de krachtlijnen van haar visie op het integraal waterbeleid voor het gewest in zijn geheel en voor elk stroomgebied afzonderlijk vastgelegd. De eerste waterbeleidsnota werd vastgelegd op 8 april 2005 goedgekeurd en moet ten minste om de 6 jaar herzien worden. Er wordt een Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid (CIW) opgericht om tot afstemming met andere beleidsdomeinen te komen. De gemeenten en provincies zullen via de VVSG (Vereniging voor Vlaamse Steden en Gemeenten) of de VVP (Vereniging voor Vlaamse Provincies) in het CIW vertegenwoordigd zijn. De CIW zorgt voor de opmaak van de Vlaamse stroomgebiedbeheerplannen en de waterbeleidsnota. Bekkenniveau (artikel 26-29; 42; 47; 50)) Vlaanderen wordt onderverdeeld in 11 bekkens en per bekken wordt een bekkenbestuur en een bekkenraad opgericht, dit is te zien in Figuur 2. Elk bekkenbestuur richt een bekkensecretariaat op. Een bekkenbestuur wordt voorgezeten door de gouverneur en verder bestaat een bekkenbestuur uit: 

 

5 vertegenwoordigers van het gewest voorgedragen door de ministers bevoegd voor de disciplines leefmilieu en waterbeleid, landinrichting en natuurbehoud, openbare werken en verkeer en ten slotte ruimtelijke ordening; een bestuurlijke mandataris van elke provincie waarbinnen het bekken gelegen is; een bestuurlijke mandataris van elk deelbekken dat deel uitmaakt van het bekken.

De taken van het bekkenbestuur zijn o.a. het bekkensecretariaat te organiseren en aan te sturen, het ontwerp van het bekkenbeheerplan goed te keuren, het bekkenvoortgangsrapport vast te stellen en advies te geven over de investeringsprogramma’s en de ontwerpen van de waterbeheerders. Belangrijke taken voor het bekkensecretariaat zijn onder meer het voorbereiden van het ontwerp van het bekkenbeheerplan en van de bekkenvoortgangsrapporten. De bekkenraad bestaat uit vertegenwoordigers van de maatschappelijke belangengroepen die betrokken zijn bij het integraal waterbeleid en heeft een adviserende rol.


24 Op 30 januari 2009 keurde de Vlaamse Regering het besluit voor de vaststelling van de bekkenbeheerplannen definitief goed. Deze moeten minstens om de 6 jaar worden herzien. Elk bekkenbeheerplan of herziening ervan is onderworpen aan een openbaar onderzoek. De bekkenraad en de waterschappen (voor definitie, zie verder) brengen, zoals eerder gezegd, hun advies uit. Daarna is het aan de CIW om de noodzakelijke wijzigingen aan te brengen als het bekkenbeheerplan niet zou voldoen aan de bindende bepalingen van het stroomgebiedbeheerplan. Het bekkenbeheerplan mag niet in minder strenge zin afwijken van de bindende bepalingen van het stroomgebiedbeheerplan. Het is de taak van het bekkenbestuur om de bindende onderdelen van de bekkenbeheerplannen aan te duiden voor de diensten en besturen. Het bekkensecretariaat maakt een ontwerp van het jaarlijks op te stellen bekkenvoortgangsrapport op. Hierin moeten zeker een voortgangsverslag van de stand van uitvoering van het bekkenbeheerplan, een opgave van de in het komende jaar te verrichten activiteiten en de te nemen maatregelen in opgenomen worden. Na advies van de bekkenraad wordt het bekkenvoortgangsrapport vastgesteld door het bekkenbestuur. Voor meer uitleg over de inhoud van een bekkenbeheerplan of bekkenvoortgangsrapport wordt verwezen naar hoofdstuk 1.3.3. en hoofdstuk 1.3.4.

15

Figuur 2: 11 bekkens van Vlaanderen

15

Integraal Waterbeleid Leiebekken, 30 januari 2009, Het bekkenbeheerplan van het Leiebekken (2008-2013)


25 Deelbekkenniveau (artikel 30-31; 44-46) West-Vlaanderen telt 24 deelbekkens, verdeeld over 5 bekkens (met name IJzer, Brugse Polder, Gentse Kanalen, Leie en ten slotte Boven-Schelde). In Figuur 3 is de onderverdeling in deelbekkens van het Leiebekken te zien.

16

Figuur 3: 6 deelbekkens van het Leiebekken

Per deelbekken, of eventueel meerdere deelbekkens, dient het provinciebestuur een waterschap op te richten, dit is een samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid tussen het Vlaamse Gewest, provincies, gemeenten en eventueel polders en wateringen van de deelbekkens. Een waterschap heeft volgende bevoegdheden:   

opstellen van een ontwerp van het deelbekkenbeheerplan; uitbrengen van een advies over het ontwerp van het bekkenbeheerplan; voorstellen van een adequate bevoegdheidsverdeling van de waterwegen en de onbevaarbare waterlopen om een efficiënter beheer te realiseren.

Eventueel kan aan een waterschap een aantal uitvoeringstaken toevertrouwd worden zoals het beheer van onbevaarbare waterlopen, ondiep grondwater, kleinschalige waterzuivering, etc.

16

Integraal Waterbeleid Leiebekken en Waterschap Mandel-Devebeek, 15 augustus 2009, Leiebekken Ontwerp Deelbekkenbeheerplan Mandel


26 Het secretariaat van een waterschap wordt waargenomen door de provincie en heeft als taken:  

het voorbereiden van het ontwerp van het deelbekkenbeheerplan; de opvolging van de uitvoering van de taken van het waterschap en het voorbereiden van de vergaderingen.

De vertegenwoordiging van de maatschappelijke belangen gebeurt via de provinciale en gemeentelijke adviesraden voor milieu en natuur. Deze instanties brengen ook advies uit over het ontwerp van het deelbekkenbeheerplan. Het plan wordt door het waterschap goedgekeurd, wat wil zeggen dat alle betrokken besturen hun goedkeuring dienen te geven. Dit deelbekkenbeheerplan wordt bezorgd aan het bekkenbestuur dat per bekken, na eventuele aanpassingen, alle deelbekkenbeheerplannen integreert in het bekkenbeheerplan. Het kan 15 maanden duren vooraleer het bekkenbeheerplan door de Vlaamse Regering wordt goedgekeurd na de definitieve vastlegging van het ontwerpdeelbekkenbeheerplan. Het deelbekkenbeheerplan mag niet in minder strenge zin afwijken van de bindende bepalingen van het bekkenbeheerplan of het stroomgebiedbeheerplan. Het waterschap duidt de onderdelen van de plannen aan die bindend zijn voor de diensten en besturen. Voor meer uitleg over de inhoud van een deelbekkenbeheerplan wordt verwezen naar hoofdstuk 1.4.1. 2.4.1.2. Andere aandachtspunten: Watertoets (artikel 8) Zie uitvoeringsbesluit voor de watertoets.17 Oeverzones (artikel 10) Oeverzones worden aangeduid in de bekken- en deelbekkenbeheerplannen. Ze genieten bijzondere bescherming op het vlak van bemesting, gebruik van bestrijdingsmiddelen, verspreiding van ruimingsslib, grondbewerkingen en het aanbrengen van bovengrondse constructies. Er wordt echter enkel voorzien in een vergoedingsregeling indien het niet gaat om maatregelen die gericht zijn op het realiseren van de basismilieukwaliteit. Gelet op de nog steeds slechte toestand van het oppervlaktewater in Vlaanderen, die in de meeste gevallen nog ver onder de basismilieukwaliteit ligt, betekent dit dat slechts uiterst zelden zal worden overgegaan tot de uitbetaling van een vergoeding. Hierdoor wordt het instrument gehypothekeerd en wordt de afbakening van de oeverzones een delicate oefening.

17

Zie verder: hoofdstuk 1.3.2. uitvoeringsbesluit voor de watertoets


27 Verwerving van onroerende goederen, aankoopplicht en vergoedingsplicht (artikel 11-17) De mogelijkheid wordt voorzien om te onteigenen te algemenen nutte om de doelstellingen van het integraal waterbeleid te kunnen realiseren. Het Vlaams Gewest kan eveneens gemeenten en provincies machtigen tot onteigening over te gaan. Anderzijds heeft het Vlaams Gewest een voorkooprecht in afgebakende overstromingsgebieden en oeverzones. In de afgebakende overstromingsgebieden kan door de eigenaars een vergoeding geëist worden van het Vlaams Gewest indien zij inkomstenverlies kunnen aantonen. Interactie met de ruimtelijke planning (artikel 36§3; 42§4) Indien de realisatie van het bindend gedeelte van de stroomgebied- en bekkenbeheerplannen (incl. deelbekkenbeheerplannen) de wijziging van plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen vereist, dienen die in herziening gesteld te worden. Ook kan de opmaak van nieuwe RUP’s noodzakelijk zijn.

Conclusie Het decreet integraal waterbeleid geeft richtlijnen en verplichtingen mee op verscheidene niveaus. De concrete acties, zoals de aanleg van een bufferbekken, bevinden zich op de laagste niveaus. Op de hogere niveaus worden veeleer richtlijnen meegegeven en algemene doelstellingen geformuleerd om integraal waterbeleid te stimuleren en problematiek omtrent water maximaal te beperken of voorkomen. In dit decreet wordt ook veel aandacht besteed aan de organisatie en planning van elk niveau. Het bekkenniveau is zeer belangrijk omdat hier de doelstellingen en richtlijnen van de hogere niveaus moeten worden toegepast. De lagere niveaus krijgen ook richtlijnen en doelstellingen mee van het bekkenniveau. Daarom is het belangrijk om te weten hoe dit niveau is georganiseerd en wie er dus allemaal deel van uitmaakt. Zo moet het bekkenbestuur advies geven over het investeringsprogramma of het voorstel om een bufferbekken aan te leggen om wateroverlast tegen te gaan. Op dit moment zijn er geen oeverzones opgenomen in het bekkenbeheerplan van het Leiebekken. Mocht er ooit op de Onledebeek een oeverzone worden aangeduid, dan gelden daar strengere regels voor de landbouwer inzake bemesting en bestrijdingsmiddelen, maar wordt deze daarvoor ook vergoed. Inzake grondverwerving tracht de dienst Waterlopen van West-Vlaanderen zo veel mogelijk gronden op te kopen om projecten te realiseren. Slechts in laatste instantie wordt de grond onteigent te algemenen nutte om de doelstellingen van het integraal waterbeleid te bereiken. Bij de realisatie van een actie of project opteert men bij de provincie West-Vlaanderen ervoor om geen bestemmingswijziging van de bodem door te voeren via een RUP. Hierdoor moet men echter altijd rekening houden met de adviezen van de relevante instanties waarop de bestemming van de grond betrekking heeft bij stedenbouwkundige aanvragen.


28 2.4.2. UITVOERINGSBESLUIT VAN DE WATERTOETS18 2.4.2.1. Inleiding De watertoets is een instrument dat in het leven geroepen werd om de doelstelling van de Europese kaderrichtlijn water te bereiken. Deze doelstelling duidt op een goede chemische, ecologische(enkel voor het oppervlaktewater) en kwantitatieve (enkel voor het grondwater) toestand van alle waterlichamen. De watertoets kan het best omschreven worden als een proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de mogelijke schadelijke effecten van plannen, programma’s of vergunningsbesluiten op het watersysteem. Door het vroegtijdige karakter kunnen problemen voorkomen worden, hierdoor is de watertoets een belangrijk preventief instrument. 2.4.2.2. inhoud Eenieder die over vergunningen (stedenbouwkundige, milieu- en natuurvergunningen, …), plannen ( RUP’s, BPA’s, natuurinrichtingsplannen, …) of programma’s moet beslissen dient ervoor te zorgen dat er geen schadelijke effecten ontstaan door deze beslissing, of de schadelijke effecten zoveel mogelijk te beperken of desnoods ervoor te zorgen dat de schadelijke effecten worden hersteld. Dit kan door de vergunning, het plan of het programma goed te keuren met eventueel het opleggen van bijzondere voorwaarden ofwel door de goedkeuring te weigeren. Om een goed zicht te hebben omtrent de watertoets kan de vergunningverlenende overheid gebruik maken van volgende gegevens:  

 

  

De goedgekeurde waterbeheerplannen De beschermde gebieden die reeds in kaart gebracht zijn zoals kwetsbare zones water in het Mestdecreet, speciale beschermingszones (habitat- en vogelrichtlijngebieden), VEN of IVONgebied (Vlaams Ecologisch Netwerk en Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk). De kwaliteitsnormen voor water en de bijzondere kwaliteitsnormen voor water met een bepaalde bestemming die terug te vinden zijn in Vlarem II. De geoloketten van Agiv en DOV (overstromingsgevoelige gebieden, infiltratiegevoelige gebieden, grondwaterstromingsgevoelige gebieden, erosiegevoelige gebieden, hellingskaart, winterbedkaart, biologische waarderingskaart, …) Het Digitaal Terrein Model (DTM) De gevoeligheidskaart grondverschuivingen De bodemkaart met drainageklassen

Bij de VMM, de waterbeheerders en de provincie kan er ook een wateradvies worden aangevraagd om een beter zicht te krijgen op de vergunningverlening. Er moet advies gevraagd worden als vergunningverlenende overheid of als overheid die moet beslissen over stedenbouwkundige of planologische attesten.

18

Info verkregen via de website http://www.watertoets.be (2010-03-03)


29 2.4.2.3. Schadelijke effecten en opleggen van voorwaarden en maatregelen De definitie van een schadelijk effect in het decreet luidt als volgt: ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit. De effecten omvatten effecten op de gezondheid van de mens, de veiligheid van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen gelegen buiten de overstromingsgebieden, op het duurzame gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen één of meer van deze elementen. Uit de definitie blijkt dat niet elk schadelijk effect wordt geviseerd, enkel de betekenisvolle schadelijke effecten. Om deze schadelijke effecten te kunnen vaststellen moet er een referentiepunt zijn, dit is de huidige toestand. Hoe is de toestand nu en wat is de te verwachten impact van het plan, de vergunning op deze toestand? Belangrijk is om te vermelden dat als er geen impact is, men de watertoets niet kan gebruiken om iets te doen aan het goed- of afkeuren van een vergunning of plan. Ook al is de aanvraag niet in overeenstemming met het integraal waterbeleid. Is er wel een schadelijk effect mogelijk, dan moet er worden nagegaan of:  

dit kan worden weggenomen of beperkt; dit kan worden hersteld in natura op de plaats waar het zich voordoet. Voor infiltratie van hemelwater of vermindering van ruimte voor het watersysteem is ook herstel op een andere plaats (compensatie) mogelijk.

Door het opleggen van voorwaarden, maatregelen of het aanpassen van plannen of programma’s kunnen de schadelijke effecten weggenomen, beperkt of hersteld worden. De voorwaarden om de schadelijke effecten in te perken of te voorkomen kunnen onder andere betrekking hebben op:     

de locatiekeuze (vb.: geen bedrijventerrein in een natuurlijk overstromingsgebied); de omvang van de activiteiten; de gebruikte materialen (vb.: doorlatende verharding bij parkeerterreinen); de bouwwijze (groendaken, regenwaterputten); het gebruik van bepaalde technieken (vb.: infiltratiesloten, ontwateringssleuven).

Als herstel nodig is dan dienen de maatregelen daartoe genomen worden van zodra dat mogelijk is. Bij compensatie dienen de maatregelen gelijktijdig te worden uitgevoerd met de vergunde activiteiten die schade veroorzaken. Om de uitvoerbaarheid en de controle te vergemakkelijken legt de vergunningverlener best een concrete timing op waarbinnen de maatregelen moeten worden genomen.


30 2.4.2.4. De waterparagraaf De watertoets komt in het beslissingsbesluit tot uiting in de waterparagraaf. In kader van behoorlijk bestuur is het aangeraden om altijd een waterparagraaf op te nemen en uit te werken, ook al kan de vergunning worden geweigerd op basis van andere gronden. 2.4.2.5. Artikel 3

Beoordelingsschema's

De watertoets omtrent een vergunningsaanvraag die betrekking heeft op een of meer van de hierna vermelde ingrepen wordt uitgevoerd aan de hand van de hierna opgesomde relevante beoordelingsschema’s. 1. als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het verkavelen van een stuk grond, het oprichten van een constructie, al dan niet gedeeltelijk of volledig ondergronds, of het aanleggen van een verharding, werkt men met het beoordelingsschema vastgesteld in bijlage I van het watertoetsbesluit; 2. als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de opslag van, het storten van bodemvreemd materiaal of de wijziging van vegetatie, werkt men met het beoordelingsschema vastgesteld in bijlage II van het watertoetsbesluit; 3. als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een reliÍfwijziging, werkt men met het beoordelingsschema, vastgesteld in bijlage III van het watertoetsbesluit; 4. als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het aanleggen van een buffer- of infiltratievoorziening voor de opvang van oppervlakte- of hemelwater, werkt men met het beoordelingsschema, vastgesteld in bijlage IV van het watertoetsbesluit; 7. als de vergunningsaanvraag betrekking heeft op een wijziging van de bedding en de structuurkwaliteit van de waterloop, werkt men met het beoordelingsschema, vastgesteld in bijlage VII van het watertoetsbesluit. Conclusie Bij een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag om een bufferbekken aan te leggen is de watertoets van toepassing.


31 2.4.3. BEKKENBEHEERPLAN LEIEBEKKEN (2008-2013)19 Het bekkenbeheerplan bevat volgende hoofdstukken: 2.4.3.1. Situatieanalyse Dit deel geeft een omschrijving van de aspecten van het Leiebekken via een omgevingsanalyse, sectorale en een economische analyse. 2.4.3.2. Potenties en intersectorale knelpunten De belangrijkste knelpunten zijn wateroverlast of watertekort, slechte kwaliteit van het oppervlaktewater, verontreinigde waterbodems, daling of verontreiniging (door nitraat) van het grondwater. Watoverlast heeft vaak als oorzaak dat er stroomopwaarts een versnelde afvoer is van regenwater. Door middel van het vasthouden en infiltratie van regenwater kan wateroverlast voorkomen worden. Vasthouden en infiltratie van water  

33 % van het Leiebekken is reeds verhard, waardoor infiltratie tegengegaan wordt. De wetgeving in verband met het vasthouden van hemelwater beperkt zich enkel tot de nieuwe of vernieuwde verhardingen. Dit is te beperkt om doeltreffend te zijn.

Berging Er is een tekort aan mogelijke overstromingsgebieden op plaatsen met open ruimte waardoor dorpskernen veel schade ondervinden bij wateroverlast. Afvoeren De waterloop kan soms moeilijk ontdaan worden van slib of overbodige planten omdat sommige oevers onvoldoende toegankelijk zijn voor onderhoudswerken en het onderhoud van privéoevers onvoldoende afdwingbaar zijn.

In het bekkenbeheerplan van de Leie staat letterlijk voor knelpunten i.v.m. de oevers: 

19

“Er is onvoldoende handhaving van de vijfmeterzone (volgens Wet onbevaarbare waterlopen en Decreet 22 dec. 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen) langs de waterlopen. Dit is niet enkel nefast in functie van de toegankelijkheid van de waterloop voor het uitvoeren van onderhoud, ook naar het inspoelen van nutrienten en sedimenten of de structuur van de waterloop heeft dit een invloed. Te hoge oevers leiden tot het verlies van het contact tussen de waterloop en vallei. Ook met het verhogen van de oevers (dijk-jaagpad) langs de Leie heeft men een scherpe scheiding tussen watermilieu en landmilieu gecreëerd. De huidige oeverstructuren van de Leie maar ook die van de meeste zijwaterlopen zijn momenteel ongeschikt voor de ontwikkeling van waardevolle oevervegetaties.

Integraal waterbeleid Leiebekken, 30 januari 2009, Het bekkenbeheerplan van het Leiebekken (2008-2013)


32 

De oever- en bodemstructuur van de Leie wordt aangetast door transport- en recreatieactiviteiten (o.m afkalving van oevers ten gevolge van de golfslag van schepen, vertrappeling van de oevers,…). Het recreatief medegebruik van oevers en het gebrek aan voldoende ingerichte hengelzones leiden tot verstoring van de omgeving. Vooral op plaatsen waar de oevers erg steil zijn, tasten hengelaars de oevers aan. Het overmatig voederen tijdens de hengelwedstrijden kan tot problemen leiden.” (IWC, 2009, pag. 77).

Voorts worden er in dit deel ook visieondersteunende analyses uitgewerkt via ruimtelijke analyse en een prioriteringsanalyse van waterbodems. De ruimtelijke analyse wordt duidelijk door waterkansenkaarten. De omschrijving van waterkansenkaarten luidt als volgt: “Waterkansenkaarten geven weer waar het fysische systeem kansen biedt voor een bepaalde watersysteemfunctie of een sectoractiviteit. Ze tonen ook waar een sector het watersysteem duurzaam kan gebruiken zonder in conflict te komen met het functioneren van dat systeem. Voor een bepaalde sector duiden de waterkansenkaarten dus aan waar er kansen of knelpunten kunnen zijn met het watersysteem. De waterkansenkaart houdt geen rekening met mogelijke technische oplossingen of de actuele ruimtelijke situatie. Ook voor de watersysteemaspecten worden waterkansenkaarten gemaakt. Dat zijn referentiekaarten voor een bepaalde watersysteemfunctie. Deze kaarten tonen het bekken zoals het zou kunnen zijn zonder menselijke invloed, door louter te kijken naar fysische eigenschappen. Ze duiden dus gebieden aan die belangrijk zijn voor het functioneren van de bestaande of te verwezenlijken watersysteemfunctie. Waterkansenkaarten worden opgemaakt m.b.v. objectieve wetenschappelijke gegevens, de basisprincipes van het integrale waterbeleid en de doelstellingen uit de kaderrichtlijn Water.” (IWC, 2009, pag. 82)

Figuur 4: Sectorvisie land- en tuinbouw in de prioritaire zones water getoetst aan de waterkanskaarten voor de 20 landbouw

20

Integraal waterbeleid Leiebekken, 30 januari 2009, Het bekkenbeheerplan van het Leiebekken (2008-2013)


33 Door middel van inventerisatie van de landbouw door de Boerenbond in 1998, de gewenste agrarische structuur en de landbouwtyperingskaart werd de sectorvisie opgesteld. Zoals op Figuur 4 is weergegeven, liggen de consensusgebieden (in het groen) voor de sector land- en tuinbouw in de prioritaire zones water(in het grijs) verspreid over de regio. De evaluatiegebieden (in het rood) bevinden zich in overstromingsgevoelige gebieden of in van nature overstromingsgebieden. In deze gebieden is een samenhang tussen verschillende functies de beste oplossing, hiernaar moet gestreefd worden. 2.4.3.3. Visie De visie van het bekkenbeheerplan bestaat uit volgende onderdelen: 

Wateroverlast en watertekort

Het antwoord op de wateroverlast (en ook op verdroging als bijkomstige oplossing) is de driestapsstrategie “vasthouden-bergen-afvoeren”. (bijlage 3; bijlage 4; bijlage 5)   

Water voor de mens Verbetering van de kwaliteit van het water (zowel oppervlakte- als grondwater, waterbodems en natuur-ecologie) Duurzaam omgaan met water

2.4.3.4. Acties en maatregelen Met acties worden herstelmaatregelen bedoeld die in de loop van 2005-2013 moeten begonnen of afgerond zijn. Bij elke actie wordt de te verwachten timing en het geschatte budget vermeld. Voorts worden in dit deel ook de bindende bepalingen van het bekkenbeheerplan vastgelegd. Overheden zijn verplicht om, op terreinen waarop bindende acties zullen plaatsvinden, de activiteiten die niet overeenstemmen met de geplande ingrepen stop te zetten. Er zijn drie soorten bindende bepalingen in een bekkenbeheerplan:   

bindende bepalingen “voor uitvoering”; bindende bepalingen “voor verdere concretisering”; bindende bepalingen “op te starten”.

Voor het bekkenbeheerplan van het Leiebekken (2005-2013) zijn er echter geen bindende bepalingen “voor uitvoering” opgenomen. Voorbeelden van bindende bepalingen zijn: overstromingsgebieden, oeverzones, bestemmingswijzigingen in functie van overstromingsrisico, acties ter oplossing van knelpunten voor vismigratie, … Ondanks het bindend verklaren van een maatregel of actie is de initiatiefnemer niet juridisch verplicht om deze actie uit te voeren, er is enkel een concreet engagement. Voor zover er wordt voldaan aan de grenzen van de wettelijke procedures en het beschikbare budget worden alle acties en maatregelen die opgenomen zijn in het bekkenbeheerplan immers uitgevoerd. Hierdoor zijn nietbindende bepalingen dus niet ondergeschikt aan bindende bepalingen.


34 Ten slotte worden er in dit deel ook aanwijzingen voor het gewenste beleid, de zogenaamde aanbevelingen, opgesomd. 2.4.3.5. Functietoekenning In dit deel worden overstromingsgebieden, oeverzones, speciale beschermingszones en kwetsbare zones aangeduid op kaarten. In het Leiebekken zijn er echter nog geen overstromingsgebieden of oeverzones aangeduid wegens een gebrek aan exacte perimeters. Voorts worden er ook oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen aangeduid op kaarten, de zogenaamde functies. 2.4.3.6. Opmaak of wijziging van RUP’s of BPA’s In het huidige bekkenbeheerplan van het Leiebekken zijn er geen bestemmingswijzigingen opgenomen. 2.4.3.7. Niet-technische samenvatting Hier wordt alles nog eens overzichtelijk overlopen voor mensen die zich niet thuis voelen in deze materie. Conclusie Een bufferbekken kan zowel voor de functie vasthouden als berging voordelen bieden als het op een correcte manier wordt aangelegd. Hiermee wordt bedoeld dat er geen onnodige verhardingen mogen worden gebruikt. Er moet ook rekening gehouden worden met natuur op en langs de hele stroom en niet enkel in dit ene gebied, waar een bufferbekken gepland is. Natuur kan immers, door zijn capaciteit om water vast te houden, wateroverlast beperken. De bestaande knelpunten in verband met de oevers kunnen hier ook deels mee verholpen worden.


35 2.4.4. BEKKENVOORTGANGSRAPPORT 200821 De volgende hoofdstukken komen aan bod in het bekkenvoortgangsrapport: 2.4.4.1. Uitvoering van bekkenbeheerplan en deelbekkenbeheerplannen Er is een beschrijving van het reeds gerealiseerde en het deel dat nog moet uitgevoerd worden, met name: 8 % van de acties van het bekkenbeheerplan zijn in 2008 uitgevoerd, 38 % zijn in uitvoeringsfase, 19 % zijn in haalbaarheidsfase, 26 % zijn in studiefase en 9 % zijn stilgelegd. Er wordt in dit deel ook meer uitleg gegeven over verscheidene acties die in het oog sprongen of waarbij belangrijke stappen werden gezet. Er is ook een vooruitblik op het volgend jaarprogramma, er is een voorstel tot technische aanpassingen en een voorstel van uitbreiding van bestaande initiatieven/acties uit het bekkenbeheerplan. 2.4.4.2. Opstap naar de volgende (deel)bekkenbeheerplannen In dit hoofdstuk worden er nieuwe initiatieven voorgesteld. Enkel de Vlaamse Regering kan een bekkenbeheerplan aanpassen, maar een bekkenvoortgangsrapport kan een aangepaste actielijst opstellen dat als volwaardig document naast een bekkenbeheerplan kan staan. Het huidige (deel)bekkenbeheerplan wordt geĂŤvalueerd, hierdoor kunnen er aanpassingen plaatsvinden bij de opmaak van het volgend (deel)bekkenbeheerplan. In volgende bekkenvoortgangsrapporten worden de evaluatie, de bevindingen en mogelijke suggesties uitgediept. 2.4.4.3. Rapportering uit de overlegstructuren Deze rapportering geeft informatie over de vergaderingen en beslissingen die daaruit voortkomen van het bekkenbestuur, bekkenraad, bekkensecretariaat en de waterschappen.

21

Integraal Waterbeleid Leiebekken, 31 maart 2009, Bekkenvoortgangsrapport 2008 Leiebekken


36 2.4.5. BERMBESLUIT (27 juni 1984)22 Artikel 1: Dit besluit is toepasselijk op de bermen gelegen langs wegen, waterlopen,… Onder bermen wordt voor de toepassing van dit besluit verstaan : bermen en taluds. Artikel 3: Begraasde bermen mogen niet vóór 15 juni gemaaid worden. Een eventuele tweede maaibeurt mag slechts uitgevoerd worden na 15 september. Het maaisel dient verwijderd te worden binnen de tien dagen na het maaien. Artikel 5: Maaibeheer, hetzij in handwerk, hetzij met machines, dient uitgevoerd te worden zonder de ondergrondse plantendelen en de houtige gewassen te beschadigen. Opmerking:23 Het betreft enkel bermen gelegen in de landelijke ruimte, met uitsluiting van de gesloten bebouwing. Het machinaal afvoeren van maaisel is in de praktijk vaak onmogelijk zonder het aanrichten van aanzienlijke (structuur)schade.

Conclusie Voor een waterloop is het belangrijk dat de bermen onderhouden worden zodat de stroom niet wordt overwoekerd. Door de overwoekering zou onderhoud aan de waterloop moeizaam verlopen en zou er verlanding kunnen optreden. Bij het maaien van de berm moet men rekening houden met de aanwezige planten en gewassen. Er wordt best op een hoogte van 10 cm gemaaid waarbij het maaisel steeds wordt afgevoerd.24

22

Info verkregen via de website http://www.vvpw.be (2010-03-10) De Winne Luc, Keuzemodule “Administratief goederenrecht”: Onbevaarbare waterlopen (academiejaar 2009-2010) 24 Zie wetgevend kader: 2.4.12 CODE VOOR GOEDE NATUURPRAKTIJK 23


37 2.4.6. VLAAMSE CODEX RUIMTELIJKE ORDENING25 Artikel 4.2.1. Niemand mag zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning: 

Het reliëf van de bodem aanmerkelijk wijzigen, onder meer door de bodem aan te vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt.

2.4.7. UITVOERINGSBESLUIT VAN 14 APRIL 2000 OP VLAAMSE CODEX RUIMTELIJKE ORDENING26 Artikel 3 Een stedenbouwkundige vergunning is niet nodig voor de volgende werken, handelingen en wijzigingen, die uitgevoerd mogen worden voor zover ze niet strijdig zijn met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, bouwverordeningen, verkavelingsverordeningen, RUP’s, BPA’s, verkavelingsvergunningen, bouwvergunningen of stedenbouwkundige vergunningen, onverminderd de bepalingen van andere van toepassing zijnde regelgeving: 

het uitvoeren van de volgende werkzaamheden op openbaar domein of op terrein dat na de werkzaamheden tot het openbaar domein zal behoren: o het aanbrengen van een andere verharding op een rijweg, jaagpad, dienstweg of dijk, of de vervanging van de bestaande verharding, zonder verbreding ervan; o de gewone ruimings-, bagger-, onderhouds- en herstellingswerkzaamheden aan de onbevaarbare en bevaarbare waterlopen en kanalen. De ruimings- en baggerwerken zijn gericht op het instandhouden of herstellen van het vergunde of vergund geachte profiel; o waterbeheersingswerkzaamheden die niet zonder gevaar of schade kunnen worden uitgesteld, zoals het doorbreken, verstevigen of herstellen van dijken bij rechtstreeks overstromingsgevaar voor vergunde gebouwen; o de aanleg of herinrichting van kleinschalige nutsvoorzieningen die bedoeld zijn voor de scheepvaartgeleiding en de monitoring plus sturing van de waterkwantiteit en waterkwaliteit, zoals bebakening, peilinstallaties, communicatieapparatuur, kleppen, milieustations, schamppalen, fauna-uitstapplaatsen en paaiplaatsen;

Conclusie Bij het aanleggen van een bufferbekken moet er steeds een groot deel grond worden uitgegraven. De functie wordt ook veranderd. Het reliëf wijzigt dus aanzienlijk en hierdoor is een bufferbekken altijd vergunningsplichtig. Ook al omdat het geen gewoon onderhoudswerk is.

25 26

Info verkregen via de website http://www.rwo.be (2010-03-03) Info verkregen via de website http://www2.vlaanderen.be (2010-03-03)


38 2.4.8. DECREET NATUURBEHOUD (21 OKTOBER 1997)27 Artikel 8 De Vlaamse regering neemt alle nodige maatregelen ter aanvulling van de bestaande regelgeving om over het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest de milieukwaliteit te vrijwaren die vereist is voor het behoud van de natuur en om het standstill-beginsel toe te passen zowel wat betreft de kwaliteit als de kwantiteit van de natuur. Hierin wordt het stand-still principe voor het eerst gebruikt. Dit principe betekent dat de natuur niet verder achteruit mag gaan, zowel qua kwaliteit als kwantiteit. Het zit in het decreet verankerd via artikel 14 (zorgplicht) en artikel 16 (integratiebeginsel): Artikel 14 (zorgplicht): Iedereen die handelingen verricht of hiertoe de opdracht verleent en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat de habitats, ecosystemen, waterrijke gebieden, vegetaties, fauna, flora of kleine landschapselementen daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, is verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen. Artikel 16 (integratiebeginsel): In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen. In het decreet op het natuurbehoud wordt de natuurvergunning in het leven geroepen. Dit wordt verder uitgewerkt in het uitvoeringsbesluit.28 In het decreet wordt ook de basis gelegd voor een vernieuwd gebiedsgericht beleid. De term natuurlijke structuur vindt hier zijn oorsprong, het bestaat uit:  

VEN: Vlaams Ecologisch Netwerk; IVON: Integraal Verwevings – en Ondersteunend Netwerk.

Het VEN bestaat uit:  

GEN: Grote Eenheden Natuur; GENO: Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling.

In VEN gebieden gelden volgende verplichtingen: Artikel 18: De administratieve overheid voert, binnen haar bevoegdheden, in het VEN, een beheer van de waterhuishouding gericht op de verwezenlijking van een duurzaam ecologisch functioneren van een 27

Info verkregen via de website http://www.vvpw.be (2010-03-10) Zie verder: hoofdstuk 1.3.9. uitvoeringsbesluit van 23 juni 1998 op het decreet natuurbehoud

28


39 watersysteem dat bij de bestaande of beoogde natuur behoort. In het bijzonder worden beoogd : het terugdringen van de risico's op verdroging, het herstel van verdroogde natuurgebieden en het beheer van de waterlopen gericht op het behoud en herstel van de natuurwaarden, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de gebieden buiten het VEN. Artikel 25 §3: In de GEN en de GENO gelden de volgende voorschriften : 

behoudens individuele ontheffing, verleend door het Agentschap voor Natuur en Bos of algemene ontheffing, is het verboden : o o o

het reliëf van de bodem te wijzigen; werkzaamheden uit te voeren die rechtstreeks of onrechtstreeks het grondwaterpeil verlagen, alsook maatregelen die de bestaande ont- en afwatering versterken; de structuur van de waterlopen te wijzigen.

Het IVON bestaat uit:  

Natuurverwevingsgebieden: de natuur heeft een nevenfunctie ten opzichte van de andere sectoren (landbouw, bosbouw,…) Natuurverbindingsgebieden: de natuur heeft een ondergeschikte rol en beperkt zich tot strook- en lijnvormige landschapselementen, de zogenaamde kleine landschapselementen (KLE’s).

Artikel 2.6° Definitie kleine landschapselementen: Lijn- of puntvormige elementen met inbegrip van de bijhorende vegetaties waarvan het uitzicht, de structuur of de aard al dan niet resultaat zijn van menselijk handelen, en die deel uitmaken van de natuur zoals : bermen, bomen, bosjes, bronnen, dijken, graften, houtkanten, hagen, holle wegen, hoogstamboomgaarden, perceelsrandbegroeiingen, sloten, struwelen, poelen, veedrinkputten en waterlopen. Op 19 juli 2002 werd het decreet van 21 oktober 1997 gewijzigd29. De belangrijkste wijzigingen zijn:  

29

De natuurvergunningsplicht voor kleine landschapselementen in het zuivere agrarisch gebied; Bijzondere verplichting voor Habitat- en Vogelrichtlijngebied (artikel 36ter §3): Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma's, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone.

De Winne Luc, Keuzemodule “Administratief goederenrecht”: Onbevaarbare waterlopen (academiejaar 2009-2010)


40 De administratieve overheid is er in deze gebieden toe gehouden de nodige maatregelen te nemen om, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de overige functies in de gebieden, de bestaande natuur te beschermen en te ontwikkelen.

Conclusie Een bufferbekken heeft als gevolg dat er schade wordt toegebracht aan vegetatie of kleine landschapselementen (berm, waterloop). Volgens de zorgplicht moet de schade voorkomen of hersteld worden. Dit kan door een bufferbekken met zorg en op een natuurlijke wijze aan te leggen waardoor de schade beperkt blijft en er mogelijkheid bestaat om de geleden schade op een natuurlijke wijze te herstellen. In speciale beschermingszones als in VEN en IVON gebied gelden er strengere voorwaarden voor wijzigingen aan waterlopen. Een bufferbekken is in sommige gebieden (GEN en GENO) zelf verboden zonder individuele ontheffing van ANB. Door dit decreet wordt de wet betreffende de onbevaarbare waterlopen van 28 december 1967 ingrijpend gecorrigeerd omdat nu niet enkel rekening wordt gehouden met de waterafvoerende functie van de waterloop, maar ook met de functie natuur.


41 2.4.9. UITVOERINGSBESLUIT VAN 23 JULI 1998 OP HET DECREET NATUURBEHOUD30 Het uitvoeringsbesluit werkt de voorwaarden voor het wijzigen van kleine landschapselementen verder uit via verbodsbepalingen, natuurvergunningsplicht en meldingsplicht. 2.4.9.1. Artikel 7

Verbodsbepalingen

Wijzigen van bepaalde kleine landschapselementen en vegetaties is verboden. Slechts wanneer voldaan is aan de zorgplicht, het integratiebeginsel, of wanneer het beheersplannen of normale onderhoudswerken betreft, geldt het verbod niet. 2.4.9.2. Artikel 9

Vergunningsplicht

Voor het wijzigen van vegetatie in groengebieden en speciale beschermingszones is er een natuurvergunning nodig. Het betreft andere dan hierboven opgesomde vegetatie, aangezien deze verboden te wijzigen is. Artikel 10 Het wijzigen van vegetatie houdt onder andere in:   

Vernietigen van vegetatie Wijzigen van het reliëf Wijzigen van de waterhuishouding door drainage

Artikel 11 Voor het wijzigen van kleine landschapselementen in groengebieden, speciale beschermingszones, maar ook in agrarische gebieden (met waardevol karakter) en IVON gebieden is er een vergunningsplicht. Kleine landschapselementen worden beter beschermd dan gewone vegetatie omdat ze zowel een landschappelijke functie hebben alsook een functie als natuurverbindingselementen langs waar planten en dieren zich kunnen verplaatsen. Voorbeeld van een vergunningsplichtige activiteit is: 

Uitgraven, verbreden, rechttrekken en dichten van waterlopen en poelen.

Artikel 13 en artikel 14 De vergunning wordt altijd aangevraagd bij het college van burgemeester en schepenen, behalve voor rechtspersonen met een publiekrechterlijk statuut. Deze moeten zich wenden tot de bestendige deputatie. Er dient een openbaar onderzoek te worden gehouden van 30 dagen en advies te worden aangevraagd aan de gemeentelijke (of provinciale) dienst die bevoegd is voor natuuraangelegenheden en aan het Agentschap voor Natuur en Bos.

30

Info verkregen via de website http://www.vvpw.be (2010-03-17)


42 De totale procedure heeft een termijn van drie en een halve maand. Als er binnen de vier en een halve maand geen besluit is, dan wordt de vergunning geacht te zijn verleend. Artikel 17 Bij rechtspersonen met een publiekrechterlijk statuut wordt beroep ingediend bij de Vlaamse minister die bevoegd is voor natuurbehoud. Voor zover uitdrukkelijk voldaan is aan de zorgplicht opgelegd door artikel 14 van het decreet, geldt de vergunningsplicht niet wanneer de activiteiten tot wijziging van vegetatie: 

hetzij worden uitgevoerd op basis van een regelmatige bouwvergunning afgeleverd met toepassing van de wetgeving op de ruimtelijke ordening na advies van het Agentschap voor Natuur en Bos en voor zover uitdrukkelijk is voldaan aan de bepalingen van artikel 16 van het decreet van inzake het tegengaan van vermijdbare schade; hetzij normale onderhoudswerken betreffen31.

2.4.9.3. Artikel 18

Meldingsplicht

Meldingsplichtige wijzigingen zijn niet van toepassing in de volgende gebieden en zones:   

de gebieden die hierboven reeds vernoemd zijn; woongebieden; industriegebieden.

Voorbeelden van wijzigingen waarvoor een melding vereist is zijn:  

het rooien of anderszins verwijderen en het beschadigen van o houtachtige beplantingen langs waterlopen, dijken of taluds; het uitgraven, verbreden, rechttrekken, dichten van stilstaande waters, poelen of beken.

Conclusie Voor de aanleg van een bufferbekken is er een natuurvergunning vereist omdat er zowel een wijziging van vegetatie als van kleine landschapselementen is. Maar aangezien een bufferbekken ook een stedenbouwkundige vergunning behoeft, geldt artikel 17. Dit artikel zegt dat er geen aparte natuurvergunningsaanvraag vereist is als er reeds een stedenbouwkundige vergunning van toepassing is waarbij ANB zijn advies geeft gegeven. Een tweede voorwaarde is dat er uitdrukkelijk voldaan moet zijn aan het integratiebeginsel van het decreet natuurbehoud.

31

Zie wetgevend kader: 2.4.13 CODE VOOR GOEDE LANDBOUWPRAKTIJKEN


43 2.4.10. MESTDECREET (22 DECEMBER 2006)32 Artikel 7 De Vlaamse Regering overeenkomstig de nitraatrichtlijn nadere regels kan vaststellen met betrekking tot de opstelling van een code of de codes voor goede landbouwpraktijken; Artikel 21 Het is verboden meststoffen op of in de bodem te brengen, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij beweiding :   

tot 5 m landinwaarts vanaf de bovenste rand van een waterloop; tot 10 m landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop die gelegen is in het Vlaams Ecologisch Netwerk; tot 10 meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een waterloop, als een helling grenst aan een waterloop.

De waterlopen, vermeld in het eerste lid, zijn de bevaarbare waterlopen en de onbevaarbare waterlopen van eerste, tweede en derde categorie, ingedeeld op grond van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen. Artikel 42 In de kwetsbare zone water, vermeld in artikel 6, kan de Vlaamse Regering beheersovereenkomsten met landbouwers afsluiten ter stimulering van verdere maatregelen ter verbetering van de milieukwaliteit. Het betreft de beheersovereenkomsten water.33 Deze maatregelen betreffen maatregelen die verder gaan dan het naleven van de gebruikelijke goede landbouwmethoden. Opmerking: Aangezien het hele grondgebied Vlaanderen is ingedeeld als kwetsbare zone water, is dit artikel voor elke Vlaamse landbouwer van belang. Artikel 43 De Vlaamse Regering kan, binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten en overeenkomstig de Europese regels inzake staatssteun, stimulerende maatregelen nemen betreffende de opleiding, vorming en begeleiding van landbouwers om de toepassing van de code van goede landbouwpraktijk te bevorderen.34 Conclusie Het mestdecreet vermeldt wettelijke afstanden voor landbouwers i.v.m. het bemesten van akkers. Voorts wordt er hier verwezen naar de beheersovereenkomsten en de code voor goede landbouwpraktijk om schade aan natuur en waterlopen te beperken of te voorkomen. 32

Info verkregen via de website http://navigator.emis.vito.be (2010-03-17) Zie wetgevend kader: 2.4.14 BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING BETREFFENDE HET SLUITEN VAN BEHEERSOVEREENKOMSTEN EN HET TOEKENNEN VAN VERGOEDINGEN (6 JUNI 2008) 34 Zie wetgevend kader: 2.4.13 CODE VOOR GOEDE LANDBOUWPRAKTIJKEN 33


44 2.4.11. BODEMDECREET (27 OKTOBER 2006) EN VLAREBO (14 DECEMBER 2007); AFVALSTOFFENDECREET ( 2 JULI 1981) EN VLAREA (5 DECEMBER 2003)35 Volgende krachtlijnen zijn van belang voor de waterbeheerder: Het ruimen van onbevaarbare waterlopen is niet toegestaan zonder het voorafgaandelijk uitvoeren van laboratoriumanalyses op monsters van de te ruimen waterbodem (behalve indien men zeker is dat de waterbodem niet vervuild is of met andere woorden, dat er na de laatste analyse en/of ruiming geen lozingen meer in de waterloop aanwezig zijn). Deponeren van specie op de oever kan zonder gebruikscertificaat, afgeleverd door OVAM, indien voldaan is aan de normen vermeld in Vlarea. De code van goede praktijk bagger –en ruimingsspecie stelt dat specie binnen de vijfmeterstrook de normen van het Vlarea in beperkte mate mag overschrijden. Voor het deponeren van specie die niet voldoet aan de normen van het Vlarea moet een gebruikscertificaat aangevraagd worden bij OVAM. Voor gewoon “droog” grondverzet (bv. Bij het verbreden van een waterloop) dient vooral aandacht te worden geschonken aan de bepalingen vermeld in het Vlarebo, indien de totale hoeveelheid af te voeren gronden groter is dan 250 m3. Als dit het geval is, dan moet er een technisch verslag worden opgemaakt door een erkend bodemdeskundige en worden goedgekeurd door een bodembeheerorganisatie. Bij een bufferbekken zal dit onontbeerlijk zijn.

35

De Winne Luc, Keuzemodule “Administratief goederenrecht”: Onbevaarbare waterlopen (academiejaar 2009-2010)


45 2.4.12. CODE VOOR GOEDE NATUURPRAKTIJK36 37 De code voor goede natuurpraktijk is een bijlage bij de ministeriële omzendbrief (B.S. van 17/02/1999) betreffende algemene maatregelen inzake natuurbehoud. Hierin staan voor elk klein landschapselement en voor elke vegetatie de normale onderhoudswerken vermeld die voldoen aan de zorgplicht, hierdoor heeft de waterloopbeheerder geen natuurvergunningplicht. In het uitvoeringsbesluit van 23 juli 1998 wordt gesteld dat het normale onderhoud niet onder de verboden handelingen, de natuurvergunningsplicht of de meldingsplicht valt. Maar in de bijlage 1 van de code van goede natuurpraktijk staat letterlijk: “ingrepen zoals werken aan oevers, het verstevigen van de bodem, het bouwen of in werking stellen van installaties voor (kleinschalige) waterzuivering, het aanleggen of veranderen van dijken, het aansluiten van overstorten op waterlopen, het aanleggen van wachtbekkens, het aanleggen van faunapassages, het inrichten van plasbermen, het aanleggen van vispaaiplaatsen, het opnieuw in verbinding stellen van oude meanders met een waterloop, het bouwen of wijzigen van stuwen, sluizen of keerkleppen, het bouwen of wijzigen van bruggen, het plaatsen van stroomdeflectoren of stroomvernauwers, enzovoort behoren niet tot het normale onderhoud van waterlopen.” Door deze wetgeving zou de waterloopbeheerder dus een natuurvergunning moeten aanvragen voor oeververstevigingswerken. Dit wordt echter zelden gedaan omdat de waterloopbeheerder zich kan beroepen op artikel 6 van de wet op de onbevaarbare waterlopen waarin staat dat oeververstevigingswerken wel worden gecatalogeerd onder onderhoudswerken38. Aangezien een wet superieur is aan een ministeriële omzendbrief is dit zeker een juridisch correcte interpretatie. Toch wordt algemeen aangeraden om voor wijzigingen van kleine landschapselementen door oeververstevigingswerken een natuuvergunning aan te vragen omdat deze werken zowel grote landschappelijke als ecologische impact kunnen hebben. Conclusie Voor wijzigingen van vegetatie of kleine landschapselementen aan de waterloop door oeververstevigingen wordt er best een natuurvergunning aangevraagd, ook al is dit niet wettelijk verplicht. De aanleg van een bufferbekken is echter geen oeververstevigingswerk waardoor er geen twijfel kan ontstaan dat hiervoor een natuurvergunning dient aangevraagd te worden.39 2.4.12.1. Waterlopen Beken, rivieren, kanalen of sloten hebben, voor het overgrote deel van het jaar, een zekere stroming. Hierdoor worden ze als waterlopen beschouwd.

36

37

38

Info verkregen via de website http://www.lne.be (2010-03-03) Info verkregen via de website http://www.staatsbladclip.be (2010-03-03)

Zie wetgevend kader: 2.3.1 WETGEVING BETREFFENDE DE ONBEVAARBARE WATERLOPEN VAN 28 DECEMBER 1967 39 Zie wetgevend kader: 2.4.9 UITVOERINGSBESLUIT VAN 23 JULI 1998 OP HET DECREET NATUURBEHOUD


46 Normale onderhoudswerken Bij het onderhoud van waterlopen moet het behoud van de watervoerende functie en de ecologische waarde bewaard blijven. 

 

  

Bij het waterbeheer (waterkwaliteit, waterpeil, waterpeilregime, waterdebiet, enzovoort) houdt men rekening met de ecologische aspecten van de waterloop; in het bijzonder erkent men de rol van de natuurlijke waterberging; de natuurlijke verbinding tussen grotere en kleine waterlopen laat men intact, onder meer met het oog op de uitwijkmogelijkheid voor watergebonden organismen; men behoudt of herstelt de natuurlijke structuur van waterlopen (meandering, oeverstructuur, stroomkuilenpatroon, enzovoort); indien men water- of oevervegetatie verwijdert, dan in de periode van 1 oktober tot 1 maart en via een toerbeurt waarbij men jaarlijks slechts een deel van het waterlopensysteem behandelt; in waterlopen met verhang werkt men van de beneden- naar de bovenloop toe en hier en daar spaart men stukken; men verwijdert de vegetatie; indien men de bermvegetatie van de waterloop maait, dan ten vroegste vanaf 15 juni en het best met een maaibalk of slagmaaier en op een hoogte van 5 tot 10 centimeter boven de grond; het maaisel dient steeds afgevoerd; een eventuele tweede maaibeurt -met afvoer van het maaisel -volgt ten vroegste vanaf 15 september; in elk geval maait men op dezelfde plaats jaarlijks rond dezelfde datum; men baggert (ruimt) de waterloop ten hoogste 1 keer per twee of drie jaar en via een toerbeurt waarbij men jaarlijks slechts een deel van het waterlopensysteem behandelt; in waterlopen met verhang werkt men van de beneden- naar de bovenloop toe en hier en daar spaart men ondiepe en vegetatierijke stukken; men baggert (ruimt) tijdens de periode van 1 oktober tot 1 februari; het manueel onderhouden van kleinere waterlopen met schop, spade en hak verdient de voorkeur, zeker wanneer de aangrenzende grazige of rietoevers moeilijk toegankelijk zijn voor machines; voor de onderhoudswerkzaamheden werkt men zoveel mogelijk vanaf 1 oever; men ziet af van het gebruik van bestrijdingsmiddelen en van het droogzetten van waterlopen voor het onderhoud; in het voorjaar (maart, april, mei) stemt men het beheer van sluizen, pompgemalen en terugslagkleppen af op de trek van paling, in het bijzonder in de polders.

2.4.12.2. Stilstaande waters Stilstaande waters zijn plassen, meren, vijvers, oude rivierarmen, enzovoort met weinig of geen stroming in het water. Stilstaande waters kunnen diep of ondiep (minder dan 3 meter) zijn en vele vormen aannemen. Elk stilstaand water heeft een eigen ontstaansgeschiedenis (opwellen bronwater, verzamelplaats regenwater in een terreindepressie of uitgraven door de mens) en een reeks van topologische en fysisch-chemische kenmerken (ligging, grootte, vorm, bodemtype, watersamenstelling) die samen bepalen welke organismen erin voorkomen. Normale onderhoudswerken Het normale onderhoud van stilstaande wateren is vooral gericht op het tegengaan van verlanding en omvat :


47 

 

 

  

men houdt een waterdiepte van ten minste 0,5 meter aan of van ten minste 2 meter voor open water; men voorkomt hiertoe drainage met een permanente grondwatertafeldaling als gevolg en men pompt geen water weg; men kan in droge periodes eventueel het water opmalen; men kan ook het water opstuwen; men ruimt het organisch materiaal op de bodem van het stilstaande water periodiek om volledige verlanding te voorkomen; afhankelijk van de afmetingen, de vorm, de ligging, enzovoort van het stilstaande water kan dit om de paar tot om de tientallen jaren nodig zijn; men voert de ruimingswerken uit in het najaar, ten vroegste in september of oktober; in elk geval ruimt men per keer slechts de helft van het stilstaande water en de andere helft enkele jaren later; ook behoudt men een afwisseling tussen diepere en ondiepere delen van het stilstaande water; de begroeiing rond het stilstaande water (riet, moerassige begroeiing, opslag van bomen en struiken,...) kan men periodiek verwijderen (maaien en afvoeren van het maaisel of kappen van de houtige begroeiing); ook hier verwijdert men slechts een gedeelte van de begroeiing per keer en het doel is steeds om een te verregaande successie in de begroeiing tegen te gaan; met het maaien van de begroeiing wacht men ten minste tot na het broedseizoen van vogels; houtige beplanting zet men af in de periode van 1 november tot 1 maart, men verwijdert doorgaans het vrijgekomen hout en dan voor 15 maart; om het dichtgroeien van het open water te voorkomen kan men fors groeiende ondergedoken waterplanten verwijderen, ook hier verwijdert men slechts een deel van de begroeiing per keer en men legt de verwijderde vegetatie eerst op de oever te drogen om eventueel meegeschepte dieren de kans te geven naar het water terug te keren en na enkele dagen voert men de plantenresten af; men dempt het stilstaande water niet of gebruikt het niet als stortplaats voor puin, grond, en ander afval; men voorkomt de inspoeling van nutriënten, wasmiddelen, afvalwater of giftige stoffen door een bufferstrook rond het stilstaande water in acht te nemen en door niet rechtstreeks of onrechtstreeks in het stilstaande water te lozen; men gebruikt geen bestrijdingsmiddelen in of in een strook van ten minste 3 meter vanaf de rand van het stilstaande water; men voegt geen kalkhoudende stoffen zoals krijt of verpulverde zandsteen aan het water toe om verzuring tegen te gaan, behalve eventueel als het gaat om een kunstmatige verzuring (niet bij van nature zuur water); men voorkomt volledige vertrapping van de oevervegetatie en voedselaanrijking van het water door desgevallend een deel af te rasteren voor drinkend vee; recreatie, sportvisserij en andere activiteiten in en rond stilstaande waters leidt men in goede banen om biologische verarming te voorkomen; het uitgraven, verbreden, rechttrekken, dichten, afdammen, aanleggen van steigers, aanbrengen van oeverversteviging en andere ingrepen aan de structuur, de helling, de lengte enzovoort van de oevers behoren niet tot het normale onderhoud van stilstaande waters.


48 2.4.12.3. Poelen Poelen zijn kleine, ondiepe watermassa's met weinig of geen stroming in het water. Ze zijn doorgaans ondiep en in tegenstelling tot de in 5.2.3 genoemde stilstaande waters kunnen waterplanten zich over de hele oppervlakte vestigen. De meeste poelen zijn door de mens gegraven of onder menselijke invloed ontstaan (veedrinkputten, bomkraters, uitgravingen, enzovoort). Dezelfde kenmerken als bij de andere stilstaande waters bepalen welke organismen in een poel kunnen voorkomen. In het bijzonder voor amfibieën zijn poelen van belang. Normale onderhoudswerken Voor het normale onderhoud van poelen gelden dezelfde doelstellingen en maatregelen als vermeld bij de stilstaande waters. Bijkomende normale onderhoudswerken zijn : 

als de verlanding al te ver is gevorderd, kan men de poel hergraven in het najaar (septemberoktober), waarbij men een deel van de bestaande watervegetatie en de bestaande oevervegetatie spaart; de grazige begroeiing rond de poel maait men en voert men af in de late zomer of de vroege herfst; maait men vroeger, dan laat men het maaisel enkele dagen liggen vooraleer het af te voeren; als er veel poelen op een korte afstand van elkaar aanwezig zijn, kan men het onderhoud variëren en verschillende stadia in stand houden (permanent waterhoudende/ aan de rand droogvallende poel, beschaduwde/onbeschaduwde poel, kleine/grote poel, enzovoort); onder meer met het oog op de verbreidingsmogelijkheden voor amfibieën handhaaft men in de nabije omgeving van de poel een zo groot mogelijke oppervlakte (vochtig) grasland en zo veel mogelijk vochtige greppels, grachten, struiken, houtkanten en natte ruigtes.

Conclusie De code voor goede natuurpraktijk van waterlopen is van belang voor de beheerder van de waterloop. Vooraleer er een bufferbekken wordt aangelegd, is het zeker van nut om eens de code van goede natuurpraktijk van stilstaande waters en poelen te bekijken. Als de richtlijnen, vermeld in de codes, goed worden toegepast, kan het bufferbekken uitgroeien tot een meerwaarde voor natuur.


49 2.4.13. CODE VOOR GOEDE LANDBOUWPRAKTIJKEN40 Er zijn verschillende brochures van codes voor goede landbouwpraktijken, met name:  

Gewasbescherming Nutriënten o Akkerbouwteelten o Graslanden en voedergewassen o Vollegrondsgroenten en fruitteelt Natuur

In de context waarin dit eindwerk kadert, is vooral de brochure voor natuur interessant.41 Hierin staat veel informatie over het heraanleggen van poelen, hagen en bomenrijen, beken, bermen, akkerranden, … 2.4.13.1. Poelen Door de intrede van grote landbouwmachines in de agrarische sector zijn veel poelen gedempt. Een andere reden was de schrik voor parasieten. Door het verdwijnen van vele poelen is het van belang dat de bestaande poelen behouden worden en dat er geen herbiciden of meststoffen in de poelen spoelen. Er wordt advies over o.a. de locatiekeuze, grootte, diepte, … Wetgeving 

Stedenbouwkundige vergunning:

Zowel voor het graven als voor het dempen van een poel is er nood aan een stedenbouwkundige vergunning. Er geldt een dempverbod in groengebied, parkgebied, buffergebied en bosgebied. Dit verbod kan opgeheven worden als er een stedenbouwkundige vergunning is verleend na advies van Agentschap voor Natuur en Bos. 

Natuurvergunning

In bepaalde gebieden, zoals gewoon agrarisch gebied, is er enkel een meldingsplicht nodig om een poel te dempen. In woongebied, industriegebied en huiskavels is er geen vergunnings- of meldingsplicht. In alle andere gebieden geldt de natuurvergunning. 2.4.13.2.

Beken, sloten en greppels

Er is een landzijde en een waterzijde bij beken, sloten of greppels. De aard en de bodem van de landzijde bepaalt de vegetatie en faunapopulatie. Maar evenzeer belangrijk is het landgebruik van de oeverranden. Bij weilanden wordt de oevervegetatie door het grazende vee kort en open gehouden. Bij akkerranden daarentegen, groeit de oevervegetatie dicht door vooral riet en ruigtekruiden.

40 41

Info verkregen via de website http://lv.vlaanderen.be (2010-03-17) Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, april 2002, Code van Goede Landbouwpraktijken Natuur


50 In de laatste decennia werden steeds meer sloten en greppels gedempt en vervangen door ondergrondse buisdrainage, pompgemalen en grote afwateringskanalen. Door deze ingrijpende maatregelen in de hydrologische toestand ( onvriendelijke oeverprofilering, rechttrekking van beken, …) verlaagt de biologische kwaliteit en kwamen er problemen i.v.m. wateroverlast. Vele verhardingen kunnen er ook voor zorgen dat er minder water infiltreert naar de grondwatertafel, waardoor verdroging optreedt. Aanleg en beheer Vegetatieonvriendelijke oeververstevigingen, zoals betonnen platen en steenslag, moeten bij de aanleg van nieuwe beken, sloten of greppels zoveel mogelijk vermeden worden. Door een asymmetrisch profiel van de watergang is er kans op een grotere biodiversiteit langsheen de oevers. In deze code wordt advies gegeven voor het beheer van beken, sloten en greppels: 

Algemene voorschriften (geen bestrijdingsmiddelen, geen volledige ruiming van slib of kruid, stroomopwaarts werken, …)

Beweiding in de polders

Kruid ruimen (liefst manueel, anders via maaiboot of maaikorf)

Schonen

Slijk ruimen (liefst manueel, anders via cutterzuiger of hydraulische kraan met dieplepelbak)

Wetgeving Het is verboden om meststoffen te verspreiden op een afstand van minder dan 5 meter landinwaarts van een waterloop. Als deze strook hellend is geldt het verbod vanaf 10 meter. Er moet een toestemming gevraagd worden voor werken aan waterlopen of in de omgeving: 

Kappingen

Ruimingen

Aanplantingen

Afsluitingen

Reliëfwijzigingen

Verstevigen van de oever

Lozingen

2.4.13.3.

Bermen

De bermfora en fauna is afhankelijk van het achterliggende land. Akkers zijn over het algemeen negatief voor bermen, als ze al niet mee omgeploegd worden met de akker. Aanleg en beheer Bermen langs waterlopen moeten zo breed mogelijk gehouden worden. Door een prikkeldraad wordt de biologische diversiteit enigszins verhoogd omdat het milieu daar rijk is aan gradiënten, dit noemt het prikkeldraadeffect. Dit kan over de hele berm toenemen als een doordacht hooibeheer wordt gekozen. Voor bermen langsheen privédreven is de eigenaar zelf verantwoordelijk en hiervoor worden een aantal tips opgesomd in de code voor goede landbouwpraktijk. Wetgeving De berm tweemaal per jaar maaien is geen overbodige luxe, hiervoor zijn periodes voorzien in het Bermbesluit (na 15 juni en na 15 september). Conclusie Voor een waterloop is het van belang dat de code van goede landbouwpraktijk wordt nageleefd. Hierdoor wordt immers een goede kwaliteit van het water nagestreefd en wordt overlast tegengegaan. Dit zijn twee doelstellingen van het decreet integraal waterbeleid.


51 2.4.14. BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING BETREFFENDE HET SLUITEN VAN BEHEERSOVEREENKOMSTEN EN HET TOEKENNEN VAN VERGOEDINGEN (6 JUNI 2008)42 Een beheersovereenkomst kan alleen worden gesloten voor landbouwgronden die volgens het GBCS (geïntegreerd beheers- en controlesysteem) worden gebruikt door de landbouwer die de beheersovereenkomst aanvraagt. De duur van een beheersovereenkomst bedraagt 5 jaar, die steeds aanvangt op 1 januari. De landbouwers die hieraan deelnemen moeten de beheersovereenkomst naleven, controle op de naleving aanvaarden en alle gegevens die nuttig kunnen zijn voor de evaluatie van de maatregelen ter beschikking stellen van de maatschappij Er is een combinatie tussen verscheidene beheersovereenkomsten mogelijk als deze overeenkomsten elkaar aanvullen en verenigbaar zijn. Ter uitvoering van de beheersovereenkomsten worden agrobeheersgroepen opgericht. Bijlage 5: voorbeeld van een agrobeheersgroep Artikel 7 De beheersovereenkomst bevat volgende beheersdoelstellingen:      

de soortenbescherming; het perceelsrandenbeheer; het herstel, de ontwikkeling en het onderhoud van kleine landschapselementen; het botanisch beheer; de erosiebestrijding; het verbeteren van de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater.

2.4.14.1. Artikel 10

Herstel, ontwikkeling en onderhoud van kleine landschapselementen

Dit beoogt de aanleg van nieuwe kleine landschapselementen en de ontwikkeling en het onderhoud van bestaande kleine landschapselementen. Bij deze kunnen de volgende beheerspakketten worden uitgevoerd via beheersovereenkomsten, waarvoor een jaarlijkse vergoeding kan gevraagd worden:    

42

herstel, ontwikkeling en onderhoud van houtige landschapselementen; onderhoud van bestaande houtige landschapselementen; aanleg of heraanleg en het periodieke onderhoud van poelen; onderhoud van bestaande poelen.

Info verkregen via de website http://www.vlm.be (2010-02-24)


52 2.4.14.2. Artikel 12

Erosiebestrijding43

Deze beheersdoelstelling beoogt het tegengaan van erosie op erosiegevoelige gronden. De jaarlijkse beheersvergoeding voor de beheerspakketten met betrekking tot erosiebestrijding bedraagt : 1° voor het beheerspakket aanleg en onderhoud van grasbufferstroken : 1.300 euro per hectare grasbufferstrook; 2° voor het beheerspakket aanleg en onderhoud van grasgangen : 1.600 euro per hectare voor de delen van de grasgang die niet langs de perceelsgrens liggen en 1.300 euro per hectare voor de delen van de grasgang die tegen de perceelsgrens liggen; 3° voor het beheerspakket niet-kerende bodembewerking : 80 euro per hectare; 4° voor het beheerspakket directe inzaai : 200 euro per hectare. De jaarlijkse beheersvergoeding voor het beheerspakket aanleg en onderhoud van aarden dam met erosiepoel bedraagt, naargelang van het grondgebruik en de hoogte van de dam : 1° op akkerlanden : a) voor dammen met een hoogte lager dan 0,4 meter : 1 euro per strekkende meter dam; b) voor dammen met een hoogte tussen 0,4 meter en 0,75 meter : 2,60 euro per strekkende meter dam; c) voor dammen met een hoogte hoger dan 0,75 meter : 4,40 euro per strekkende meter dam; 2° op graslanden : a) voor dammen met een hoogte lager dan 0,4 meter : 0,70 euro per strekkende meter dam; b) voor dammen met een hoogte tussen 0,4 meter en 0,75 meter : 1,90 euro per strekkende meter dam; c) voor dammen met een hoogte hoger dan 0,75 meter : 3,40 euro per strekkende meter dam.

2.4.14.3. Artikel 13

Verbeteren van de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater

De beheersdoelstelling het verbeteren van de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater beoogt een verminderde bemesting ten opzichte van de bemestingsnormen, vermeld in het Mestdecreet. Bij deze beheersdoelstelling kan het volgende beheerspakket worden uitgevoerd via beheersovereenkomsten: maatregelen voor een verminderde bemesting. 43

Zie oplossingen tegen wateroverlast: 3.2.2.4 Erosiebestrijding


53 Het beheerspakket maatregelen voor een verminderde bemesting kan enkel worden toegepast op een perceel dat voldoet aan al de volgende voorwaarden : 1° op het perceel zijn de bemestingsnormen van artikel 13, § 1 of § 2 van het Mestdecreet van toepassing; 2° op het perceel geldt geen beperking van bemesting. De jaarlijkse beheersvergoeding voor het beheerspakket maatregelen voor een verminderde bemesting bedraagt voor grasland 685 euro per hectare. De jaarlijkse beheersvergoeding voor het beheerspakket maatregelen voor een verminderde bemesting bedraagt voor akkerland 450 euro per hectare. Conclusie Door beheersovereenkomsten tussen de overheid en landbouwers wordt bemesting in de waterloop, erosie en wijziging of verdwijnen van kleine landschapselementen bestreden. Dit komt de kwaliteit van de stroom ten goede en het helpt om wateroverlast te voorkomen doordat er minder slib in het water terecht komt door erosie. Door erosie en slibvorming is er minder ruimte in de waterloop voor het water waardoor er sneller wateroverlast is.44

44

Zie wetgevend kader: 2.5.3 DuLo-WATERPLAN DEELBEKKEN MANDEL


54

2.5.

Provinciaal

2.5.1. DEELBEKKENBEHEERPLAN MANDEL 05-0345 (ontwerp van het deelbekkenbeheerplan voor openbaar onderzoek) Het deelbekkenbeheerplan omvat volgende hoofdstukken: 2.5.1.1. Niet-technische samenvatting Hier wordt alles nog eens overzichtelijk overlopen voor mensen die zich niet thuis voelen in deze materie. 2.5.1.2. Beschrijving van het deelbekken Dit hoofdstuk bevat een algemene beschrijving en een kaart met de aanduiding van de betrokken gemeenten, de onbevaarbare en de bevaarbare waterlopen binnen het deelbekken van de Mandel. 2.5.1.3. Visie voor het deelbekken Het deelbekken heeft 4 krachtlijnen, namelijk:    

beperken en waar mogelijk voorkomen van schade ten gevolge van wateroverlast en watertekort; een goede kwalitatieve toestand van het oppervlaktewater en waterbodems nastreven; waterafhankelijke ecosystemen beschermen en herstellen; de mensgerichte functies ontwikkelen in afstemming met de draagkracht van het watersysteem.

Deze vier krachtlijnen worden in dit hoofdstuk verder uitgediept. 2.5.1.4. Voorgenomen acties en maatregelen Er zijn acties en projecten. Projecten zijn een bundeling van acties binnen een beperkt gebied. Er zijn drie soorten acties: 

Concrete acties

Deze acties worden uitgevoerd binnen de planperiode. 

Ondersteunende acties

Acties die burgers, deelgenoten van de waterschap of bedrijven ondersteunen bij het uitvoeren van taken, zoals subsidies, sensibilisatie, communicatie, … 

Beleidsvoorbereidende acties

Hieronder vallen studies of overlegprocessen. De actiefiches geven informatie over de acties, maatregelen, middelen en termijn. Er zijn er 36 opgesomd in dit deelbekken.

45

Integraal Waterbeleid Leiebekken en Waterschap Mandel-Devebeek, 15 augustus 2009, Leiebekken Ontwerp Deelbekkenbeheerplan Mandel


55 2.5.1.5.

Overzichtskaarten met aanduiding van de gebiedsspecifieke visie, acties en maatregelen Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de acties en maatregelen door middel van overzichtskaarten. 2.5.1.6. Functietoekenning oppervlaktewaterlichamen en aanduiding oeverzones Er wordt voorbereidend werk gepleegd om tegen de volgende planperiode oeverzones te kunnen aanduiden en functies toe te kennen aan oppervlaktewaterlichamen. Het toekennen van een functie aan een oppervlaktewaterlichaam kan geregeld worden door het provinciaal ruimtelijk structuurplan. Een voorbeeld hiervan is een inkleuring als natuurverbindingsgebied.46

46

Zie wetgevend kader: 2.5.2 PROVINCIAAL RUIMTELIJK STRUCTUURPLAN WEST-VLAANDEREN (6 MAART 2002)


56 2.5.2. PROVINCIAAL RUIMTELIJK STRUCTUURPLAN WEST-VLAANDEREN (6 MAART 2002)47 Het provinciaal ruimtelijk structuurplan bestaat uit drie delen, namelijk het informatief, richtinggevend en bindend gedeelte. In elk deel komen dezelfde structuren terug, namelijk de nederzettingsstructuur, de natuurlijke structuur, de agrarische structuur, de structuur bedrijvigheid, kleinhandel, de structuur van toerisme en recreatie, de structuur van verkeer en vervoer en de structuur van het landschap. Deze worden in het eerste deel beschreven, in het tweede deel worden er doelstellingen per structuur vermeld en in het derde deel worden de beleidsbeslissingen met bindend karakter opgenomen. 2.5.2.1. Informatief gedeelte Het informatief gedeelte heeft als doel om een beschrijving te geven van de structuur van WestVlaanderen. Hierin valt onder andere te lezen dat 68 % van de kadastrale oppervlakte gebruikt wordt voor agrarisch gebruik. Het is verdeeld onder 11 000 landbouwbedrijven. Deze cijfers duiden op het belang van landbouw in West-Vlaanderen. 2.5.2.2. Richtinggevend gedeelte Hierin wordt vermeldt welke doelstellingen er worden gesteld maar er wordt hieraan geen uitvoering gegeven. Dit is voorzien voor de bevoegde instanties. Er worden ook maatregelen en acties bepaald om de gewenste ruimtelijke structuur te realiseren, zoals het afbakenen van natuurverbindingsgebieden, GEN of GENO gebieden of natuurverwevingsgebieden. In natuurverbindingsgebieden wordt de migratie van organismen tussen natuuraandachtszones vergemakkelijkt door de aanwezigheid van kleine landschapselementen en natuurelementen. Volgende elementen zijn van belang bij natuurverbindingsgebieden:       

47

Het zijn aaneengesloten gebieden. Het kan de hoofdfunctie niet regelen. Behoud, herstel en ontwikkeling van kleine landschapselementen staan centraal, samen met het behoud van de open ruimte en de ondersteuning van kleine natuurgebieden. De barrières, die de biodiversiteit van de waterloop verstoren, moeten zoveel mogelijk opgeheven worden. Het nastreven van de natuurlijke loop en het maximaal toelaten of behouden of indien mogelijk herstellen van de meandering. De vallei moet van bebouwing gevrijwaard worden. Het waterbergend vermogen moet behouden of zelfs versterkt worden. Er moet worden gestreefd naar een zo groot mogelijk herstel van de winterbedding als overstromingsgebied.

Provincie West-Vlaanderen, 6 maart 2002, Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan West-Vlaanderen


57 2.5.2.3. Bindend gedeelte In het bindend gedeelte worden de beleidsbeslissingen met een bindend karakter opgenomen. Bij elke structuur wordt per categorie een selectie ingedeeld (vb.: als natuurverbindingsgebied is de Onledebeek ingedeeld)


58 2.5.3. DuLo-WATERPLAN DEELBEKKEN MANDEL48 2.5.3.1. algemeen Naar aanleiding van de samenwerkingsovereenkomsten tussen overheid en gemeenten werd er een samenwerkingsovereenkomst ‘milieu als opstap naar naar duurzame ontwikkeling’ (2002-2004) opgericht. Uit deze samenwerkingsovereenkomst is het DuLo-waterplan ontstaan onder begeleiding van de West-Vlaamse Intercommunale (WVI). De doelstelling van dit plan was het bekomen van een duurzaam lokaal waterbeleid. Het is de voorloper geweest van het deelbekkenbeheerplan van de Mandel. Elk lid moet een doelstellingennota opstellen. Dit kan uitgroeien tot een volledig actieplan, namelijk het DuLo-waterplan en wordt opgesteld per deelbekken dat zich in de gemeente bevindt. Het DuLo-waterplan bestaat uit 7 doelstellingen:       

Maximale retentie (infiltratie, berging en vertraagde afvoer) van hemelwater aan de bron Sanering van afvalwaterlozingen Bewaken en verbeteren van de kwaliteit van de riolerings- en zuiveringsinfrastructuur Voorkomen en beperken van diffuse verontreiniging Voorkomen en beperken erosie en sedimenttransport naar de waterlopen Kwantitatief, kwalitatief en ecologisch duurzaam waterlopenbeheer Duurzaam (drink)watergebruik

Het beschrijft de werking en de taken van de verscheidene diensten die een invloed hebben op het waterbeleid (zoals de Dienst Waterlopen, VMM, …) Er worden ook oplossingen aangeboden om de doelstellingen, die hierboven vermeld staan, te verwezenlijken. Hiervoor worden eerst de knelpunten opgesomd en de kansen om de knelpunten te verkleinen of weg te werken. 2.5.3.2. Erosie Afspoeling van grote hoeveelheden bodem van de akkers naar de waterlopen heeft negatieve gevolgen, namelijk:      

vermindering van de laag vruchtbare teelaarde op de akker; hinder op wegen door modderstromen; hinder door afzetting van de sedimenten in de waterloop; hogere kosten voor onderhoud van de waterloop en het verwerken van bagger- en ruimingsspecie; daling van de buffercapaciteit van de waterloop nutriënten en bestrijdingsmiddelen komen in het oppervlaktewater terecht.

Er worden in dit kader twee doelstellingen naar voor gebracht. 1. Maximaal voorkomen van de afspoeling van bodemmateriaal naar de waterlopen

48

Wvi (West-Vlaamse Intercommunale), 2004, DuLo-Waterplan voor het deelbekken ‘Mandel’


59 Door sensibilisatie en stimulatie van de landbouwers kan er aan perceelsgebonden erosiebestrijding gedaan worden. De landbouwer moet aanzien worden als partner omdat ook hij nadeel ondervindt van erosie. Als de maatregelen ter bestrijding van erosie voor de landbouwer een grote invloed heeft op de exploitatie, zoals het vastleggen van een mestquotum, moet deze hiervoor eerlijk vergoed worden. Dit kan door middel van de beheersovereenkomsten omtrent erosiebestrijding.49 2. Integreren van erosiebestrijding in het landschaps-, het ruimtelijk en het plattelandsbeleid. Erosiebestrijdingsmaatregelen hebben ook een positieve impact op het landschapsbeeld en op de ecologische infrastructuur. Hierdoor is het belangrijk om erosie op een integrale manier aan te pakken.

49

Zie wetgevend kader: 2.4.14 BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING BETREFFENDE HET SLUITEN VAN BEHEERSOVEREENKOMSTEN EN HET TOEKENNEN VAN VERGOEDINGEN (6 JUNI 2008)


60 2.5.4. MILIEUBELEIDSPLAN WEST-VLAANDEREN (2009-2013)50 Volgens het milieubeleidsplan is een deel van de missie en de visie van West-Vlaanderen het integraal waterbeleid. De problematiek van de wateroverlast en watertekort heeft voortdurend de aandacht van de provincie. Het is een blijvende uitdaging om de schade door wateroverlast te beperken of liefst te voorkomen door zowel wateroverlast als watertekort in samenhang aan te pakken. Voorts is de kwaliteit van het oppervlaktewater en de waterbodems en de bescherming van waterafhankelijke ecosystemen van belang voor de provincie. Via een SWOT-analyse (sterktes, zwaktes, uitdagingen en bedreigingen) wordt de huidige milieutoestand van de provincie beschreven. Na de SWOT-analyse worden de beleidsdoelstellingen vermeld met enige uitleg. 2.5.4.1. Beleidsdoelstelling 3 Om de risico’s voor wateroverlast terug te dringen, moet (de omgeving van) het waterlopenstelsel zorgvuldig beheert, ingericht en onderhouden worden. Er zijn de jaarlijkse kosten voor het onderhoud van de onbevaarbare waterlopen van de 2de categorie (lengte van 955 km), zoals maaien van vegetatie en herstellingswerken aan oevers. Ook de bufferbekkens moeten periodiek geruimd worden. Soms is de waterloop onvoldoende bestand tegen grote hoeveelheden water en moet er extra ruimte voorzien worden voor water. Mogelijkheden hiervoor zijn beperkte inrichtingswerken of meandering van de waterloop (her) aan te leggen. Als ook dit onvoldoende blijkt te zijn is er nood aan hardere inrichtingswerken zoals bufferbekkens en het inrichten van overstromingszones. Er wordt echter ook vermeld dat voorkomen van wateroverlast beter is dan zoeken naar oplossingen. Dit kan door het toepassen van verscheidene wettelijke instrumenten zoals de watertoets, machtigingen, vergunningen, ‌ Hiermee wordt bedoeld dat het belangrijk is om illegale situaties, zoals inbuizingen en ophogingen, die de wateroverlast in de hand werken, te herstellen en om zo de wateroverlast te voorkomen. 2.5.4.2. Beleidsdoelstelling 14 Garanderen van het behoud en het multifunctioneel gebruik van de watersystemen door een integrale benadering van het gevoerde waterbeleid rekening houdend met betrokken besturen en wensen van verschillende sectoren. In deze doelstelling wordt gezegd dat de oeverafkalvingen en erosie voorkomen kunnen worden door middel van sensibilisatie naar en samenwerking met sectoren en gebruikers, waarbij landbouwers de belangrijkste groep zijn. Hierdoor zou het niet nodig zijn om het wettelijk instrument oeverzones in te zetten.

50

Provincie West-Vlaanderen, 18 december 2008, Provinciaal Milieubeleidsplan 2009-2013 Provincie WestVlaanderen


61 Om natuurontwikkeling te verbeteren worden projecten opgestart waar het ecologisch beheer en het inrichten van waterlopen te realiseren is en een meerwaarde kan bieden. Het ecologisch en recreatief inrichten van bufferbekkens en oevers en het hermeanderen van waterlopen krijgt hier specifieke aandacht. Ook het realiseren van meer natuurverbindingsgebieden krijgt bijzondere aandacht. Dit staat reeds vermeld in het provinciaal ruimtelijk structuurplan West-Vlaanderen. 2.5.4.3. Beleidsdoelstelling 15 Zorgen voor voldoende water voor land- en tuinbouw en industrie door het voorzien van alternatieve watervoorraden. Land- en tuinbouw en industrie dragen verantwoordelijkheid om aandacht te besteden aan waterbesparing en alternatieve vormen van waterbevoorrading. Toch is het zo dat de provincie West-Vlaanderen waterspaarbekkens zal blijven aanleggen of inschakelen voor het opslaan van oppervlaktewater ter voorziening van land- en tuinbouw en industrie. 2.5.4.4. Beleidsdoelstelling 16 Beschermen van de watervoorraden door het stimuleren van (projecten rond) duurzaam waterbeheer. De POM51 (provinciale ontwikkelingsmaatschappij) biedt bedrijven een gratis waterscan aan. Hierdoor kunnen bedrijven waterbalansen opmaken en worden er haalbare maatregelen voorgesteld om het waterverbruik te doen dalen. Zij bieden ook individueel advies aan landbouwers en helpen hen zo ook om aandacht te besteden aan de gehele bedrijfsinterne waterketen. De voornaamste doelstelling hiervoor is het aantal grondwaterwinningen en de hoeveelheid van deze winningen te doen dalen. Via de vergunningverlening en handhaving kunnen ook beperkende maatregelen opgelegd worden aan land- en tuinbouwers in verband met het (grond)waterverbruik. Conclusie In deze provinciale beleidsdocumenten krijgen de doelstellingen en de richtlijnen van de hogere niveaus hun toepassing. Elke doelstelling wordt nader uitgewerkt met specifieke acties die worden bestudeerd of ten uitvoer worden gebracht. Voornamelijk het beheer van onbevaarbare waterlopen van tweede categorie komen hier ter sprake.

51

Info verkregen via de website http://www.pomwvl.be (2010-05-12)


62

2.6.

Gemeentelijk

2.6.1. SAMENWERKINGSAKKOORD GEMEENTEN 2008-201352 Milieu als opstap naar duurzame ontwikkeling Voor het thema water zijn de doelstellingen dezelfde als deze beschreven in het decreet integraal waterbeleid. De gemeente voert de acties uit die in de deelbekkenbeheerplannen omschreven zijn. Voor acties tegen wateroverlast houdt men rekening met de driestapsstrategie. 2.6.1.1. Basis Het basisniveau bestaat uit een   

risico-evaluatie die moet uitgevoerd worden door de gemeenten om het gebruik van bestrijdingsmiddelen tegen te gaan; pesticidentoets die bepaalt aan welke voorwaarden een (her)aanleg of omvorming van publiek domein moet voldoen inzake pesticiden; passieve sensibilisatie om rationeel watergebruik te promoten.

2.6.1.2. Onderscheidingsniveau In dit niveau worden er geen acties voorzien omdat dit de taak is van de deelbekkenbeheerplannen. 2.6.1.3. Projecten Als projecten worden gerealiseerd met een maximale toepassing van de principes van natuurtechnische milieubouw is er een mogelijkheid tot subsidiëring. Voorbeelden van dergelijke projecten zijn:    

ingrepen op waterlopen om risico’s op overstromingen, die gevaarlijk kunnen worden voor de veiligheid, tegen te gaan; aanleg van overstromingsgebieden om wateroverlast tegen te gaan; ecologische inrichtingswerken aan waterlopen; aanleg van wacht- en bufferbekkens voor de voorziening van de landbouw, met het oog op voorkomen van overstromingen, het vermijden van erosie door afspoeling of het realiseren van een meerwaarde op ecologisch gebied.

2.6.2. GEMEENTELIJK MILIEUBELEIDSPLAN ROESELARE53 Enkel het milieubeleidsplan van 2005-2009 kon geraadpleegd worden. Een momenteel van kracht zijnd milieubeleidsplan werd niet digitaal gevonden en dus ook niet geraadpleegd. 2.6.3. BERMBEHEERPLAN De stad Roeselare zal in 2010 een bermbeheerplan opstellen, dit is op heden nog niet voltooid. 2.6.4. GEMEENTELIJK EROSIEBESTRIJDINGSPLAN Door de opmaak van een erosiebestrijdingsplan kan de ernst van de erosieproblematiek duidelijk worden. Er worden knelpunten, oorzaken en remedies opgesomd. Roeselare heeft nog geen erosiebestrijdingsplan openbaar gemaakt.

52

VVSG en Vlaamse Overheid, 21 december 2007, Samenwerkingsovereenkomst gemeenten 2008-2013 WVI (West-Vlaamse Intercommunale en stad Roeselare, 21 november 2005, Roeselare Gemeentelijk Milieubeleidsplan 2005-2009 53


63 2.6.5. MILIEUJAARPROGRAMMA ROESELARE 201054 Het hoofdstuk water wordt besproken op drie niveaus: basis, onderscheidingsniveau en projecten (dit stamt af van de samenwerkingsakkoorden tussen de overheid en de gemeenten). 2.6.5.1. Basis Het basisniveau geeft informatie over de pesticidenreductie, pesticidentoets en de passieve sensibilisatie die er in 2009 geweest is. 2.6.5.2. Onderscheidingsniveau Dit niveau bevat volgende thema’s: 

Integraal waterbeleid

Hier wordt informatie gegeven over de acties van het waterbeheersingsplan van 2005 die zijn afgewerkt, die worden uitgevoerd of nog in de ontwerpfase zitten op het einde van 2009. Het betreft hier 5 verschillende bufferbekkens. 

Oppervlaktewater

Dit deel bevat veel informatie over subsidies voor o.a. groendaken en groenbemesters. Daarnaast wordt het onderhoud van onbevaarbare waterlopen van de derde categorie uitgelegd, met name dat deze het ene jaar geruimd en het andere jaar gereit worden. Ook baangrachten worden onderhouden (30 km in 2009). Dankzij de realisatie van verkavelingen, groenzones en de aanleg van bufferbekkens worden waterlopen natuurvriendelijk ingericht. Hierbij wordt de code van goede natuurpraktijk gevolgd.   

Grondwater Waterbodems Duurzaam watergebruik

2.6.5.3. Projecten Op het niveau projecten zijn er geen acties ondernomen. Conclusie Op het gemeentelijk niveau worden de doelstellingen omgezet in acties en projecten. Soms worden deze overgenomen van hogere niveaus, soms worden ze op gemeentelijk niveau besproken en beslist. De aanleg van een bufferbekken op een onbevaarbare waterloop van de tweede categorie wordt echter beslist op het provinciaal niveau. Op het gemeentelijk niveau betreft het doorgaans de handhaving van de wetgeving en het beheer van onbevaarbare waterlopen van de derde categorie.

54

Stad Roeselare, 29 maart 2010, Milieujaarprogramma 2010


64


65

3. Oplossingen tegen wateroverlast 3.1.

Soorten wateropvangbekkens

3.1.1. Retentiezone55 Een retentiezone, retentiebekken, retentiegebied of bergingspolder is een gebied dat een onderdeel vormt van het watersysteem. Het wordt aangelegd om voldoende bergingscapaciteit te creĂŤren bij piekbelasting. De retentiezones worden omringd door terreinverhogingen. De zone staat in verbinding met de waterloop door een lokale verlaging. Bij piekbelasting kan de retentiezone de afvoer naar benedenstroomse gebieden verminderen tot dat het gebied volgelopen is. De retentiezone wordt aangelegd in combinatie met bovenstroomse natuurtechnische werken zoals plasbermen. De oevers van de retentiezone worden met een helling van 1:3 aangelegd en zijn dus zeer licht hellend. Hierdoor is geen extra betonversteviging nodig en krijgen fauna en flora optimale kansen. De retentiezone wordt aangelegd met veel aandacht naar natuurontwikkeling. De hoofdfunctie van een retentiezone is waterberging en de nevenfunctie is natuur en zachte recreatie. Om de natuur kansen te geven worden de oevers dus zeer licht hellend aangelegd en worden er poelen en permanent onder water staande plaatsen aangelegd.

Figuur 5: retentiezone Itterbeek (Provincie Antwerpen) bij hoogwaterstand

55

Dienst Waterbeleid Antwerpen, Retentiezone ‘Itterbeek’


66

Figuur 6: retentiezone Itterbeek (provincie Antwerpen) bij laagwaterstand

3.1.2. Gecontroleerde overstromingszones of overstromingsgebieden56 Bij een overstromingsgebied krijgt de waterloop als het ware zijn ruimte terug. De waterloop wordt meanderend door een uitgegraven overstromingszone geleid zoals te zien in Figuur 7. Deze zone doet dienst als winterbedding voor de waterloop. Door dat er een grote overstromingszone voorzien wordt, is het ook onmogelijk om in deze risicozone te bouwen. De hoofdfunctie van de overstromingszone is waterberging maar daarnaast wordt er gekeken naar de optimalisering voor fauna en flora en de opwaardering van het landschap. In Figuur 8 wordt het overstromingsgebied bij droog weer afgebeeld en in Figuur 9 is de winterbedding wel overstroomd na hevige regenval.

Figuur 7: overstromingszone Bernissem op de Melsterbeek (provincie Limburg)

56

Steunpunt Land en Water provincie Limburg, oktober 2009 en juli 2009, Anders omgaan met Land en Water


67

Figuur 8: gecontroleerd overstromingsgebied De Dorpsweide op de Cicindriabeek te Bevingen (provincie Limburg) bij droogte

Figuur 9: gecontroleerd overstromingsgebied De Dorpsweide op de Cicindriabeek te Bevingen bij hoge regenval

3.1.3. Natuurlijke overstromingszones of overstromingsgebieden57 Bij natuurlijke overstromingsgebieden wordt er weinig of niet s uitgegraven of bijgezet. Het betreft hier gewoon laag gelegen historisch permanente graslanden die langs waterlopen liggen. Bij hoge piekbelastingen kunnen deze laag gelegen weilanden heel wat water bufferen. Via beheersovereenkomsten of blauwe diensten58 kunnen landbouwers of eigenaars van deze weilanden vergoed worden.

Figuur 10: natuurlijke overstroming van de IJzer (provincie West-Vlaanderen) ( bron: www.lin.vlaanderen.be) 57

58

Steunpunt Land en Water provincie Limburg, oktober 2009 en juli 2009, Anders omgaan met Land en Water Zie oplossingen tegen wateroverlast: 3.2.3 beheersovereenkomsten en blauwe diensten


68 3.1.4. Stuwdammen59 De stuwdam is een aarden dam die aan de onderkant van een perceel of op plaatsen waar veel water en/of modder naar toe stroomt kan geplaatst worden. Deze dammen bevinden zich , in tegenstelling tot uitgegraven bekkens, boven het maaiveld. Ze kunnen helpen om het afstromend regenwater op te houden en ze helpen ook tegen erosiestromen. De aarden dam kan zo ingewerkt worden in het landschap dat ze bijna niet meer te zien is. Deze damconstructies zorgen er dan voor dat de lager gelegen percelen op natuurlijke wijze overstromen. De stuwdam kan ook dwars op een waterloop aangelegd worden en is dan voorzien van een stuwconstructie, meestal een soort kopmuur met schuifafsluiter. Bij periodes met een te hoge waterafvoer kan de stuwconstructie gesloten worden waardoor de percelen rondom de waterloop en achter de dijk dienst doen als natuurlijk bufferbekken. Hieronder in Figuur 11 is een aarden dwarsdijk in de vallei van de Molenbeek te zien. In de eerste afbeelding is het perceel nog niet voorzien van een dam, in de tweede is de dam aangelegd.

Figuur 11: dwarsdijk in de vallei van de Molenbeek (provincie Limburg)

59

Steunpunt Land en Water provincie Limburg, oktober 2009 en juli 2009, Anders omgaan met Land en Water


69 Hieronder in Figuur 12 is de realisatie van een stuwdam op een landbouwperceel te zien. Op de aarden dam worden grassen ingezaaid. Bij hevige regenval stroomt het aflopend water van het perceel tot tegen de dam.

Figuur 12: stuwdam op een landbouwperceel (provincie Limburg)


70 3.1.5. Plasbermen Plasbermen worden uitvoerig besproken in 3.2.2.1. 3.1.6. Waterspaarbekken voor de landbouw60 Deze bekkens worden vooral aangelegd om water te voorzien voor de land- en tuinbouwsector. De waterspaarbekkens worden aangelegd naast waterlopen. Om water in het bekken te krijgen wordt er op de waterloop een schuif of knijp geplaatst waarmee het debiet dat doorstroomt en het debiet dat in het bekken stroomt kan worden geregeld. Waar het water in het bekken stroomt wordt er versteviging met beton voorzien om erosie te vermijden. Dit is duidelijk te zien in de onderstaande figuur. In periodes van hoge regenval kunnen deze bekkens ook dienst doen als bijkomende buffer. Voor de landbouwers is er een punt voorzien om water op te pompen uit het bekken. De pompput met de aansluitende buis wordt voldoende hoog geplaatst zodat er niet rechtstreeks grondwater wordt opgepompt. De hoofdfunctie is dus watervoorziening voor land- en tuinbouw. De nevenfunctie is waterbuffering bij piekbelasting.

Figuur 13: vulling spaarbekken Ardooie (West-Vlaanderen)

60

Info werd bekomen bij de dienst waterlopen West-Vlaanderen en op www.pomwvl.be (2010-04-20)


71

Figuur 14: gevuld spaarbekken Ardooie

Figuur 15: aftappunt voor landbouwers op het spaarbekken in Ardooie (zie rode cirkel)


72 3.1.7. bufferbekken61 De hoofdfunctie van een bufferbekken is de buffering van water bij hoge piekbelasting op een waterloop. Vele bufferbekkens hebben ook een nevenfunctie als waterspaarbekken voor land- en tuinbouw. Bufferbekkens volgen ongeveer hetzelfde principe als de waterspaarbekkens. Bufferbekkens worden aanzien als symptoomgerichte maatregelen die best als aanvulling dienen op meer brongerichte stroomopwaarts gelegen maatregelen. Er zijn verschillende soorten bufferbekkens. De natte bekkens zijn steeds voorzien van grondwater doordat ze onder het grondwaterniveau worden uitgegraven. De droge bekkens zijn boven grondwaterniveau uitgegraven. De uitgegraven put bevindt zich onder het maaiveld en de buffercapaciteit kan nog vergroot worden door de taluds te verhogen met bedijking. Een bufferbekken bestaat uit een onder het maaiveld uitgegraven put en is altijd voorzien van een knijp en een overloopzone. 3.1.7.1. knijpconstructie De knijpconstructie die zorgt dat het bekken zich kan vullen of legen kan verschillende vormen aannemen: PVC buis: Voor kleine bufferbekkens die op korte afstand aansluiten op de riolering. Betonnen buis met knijpplaat: Betonnen buizen met een diameter van 400 mm zijn de meest voorkomende knijpconstructies. In de buizen wordt een plaat uit roestvrij staal voorzien waarin een knijpopening is gemaakt. Om een hoger of lager debiet te verkrijgen van uitstromen kan, zonder de betonnen buis te moeten veranderen, gewoon een plaat met een andere diameter van knijpopening worden aangebracht.

Figuur 16: betonnen buis met knijpplaat

61

Info verkregen via de website www.lne.be (2010-01-07)


73 Kopmuur met schuifafsluiter Dit principe wordt toegepast bij bekkens met een grotere opvangcapaciteit. De schuifafsluiter wordt op de betonnen kopmuur gemonteerd. In deze kopmuur zit de uitstroombuis. De schuif kan verticaal verschoven worden om het debiet door de buis te regelen. Via de regeling van de schuif kan het leegloopdebiet worden geregeld. Hierdoor kan het bekken dus sneller of trager vullen en/of leeglopen. De schuifafsluiter kan elektronisch van op afstand bediend worden of mechanisch ter plaatse. Dit principe zal bij de concrete case van de Onledebeek ook gebruikt worden. Bij de Onledebeek zal er van op afstand elektronisch kunnen gestuurd worden.

Figuur 17: kopmuur met schuifafsluiter

Kopmuur met wervelventiel Een wervelventiel kan eveneens op de kopmuur worden geplaatst en is een soort trechter die steeds een constant debiet door de uitlaat laat stromen ongeacht de hoogte van het water in het bekken.

3.1.7.2. Overloopzone De overloopzone is een zone in de dijk van het bekken die lager is dan de rest van de dijk. De overstroomzone wordt steeds voorzien op het meest stroomafwaartse talud van het bekken. Bij overschrijding van de opvangcapaciteit zal het water altijd eerst via de overloopzone weg stromen. De overloopzone wordt meestal verstevigd met bvb. erosiewerende mat, schanskorven of stortsteen, dit om erosie te voorkomen.


74

3.2.

Integraal waterbeheer

Hierna volgen een aantal alternatieve oplossingen die kunnen en eigenlijk moeten bekeken worden vooraleer over te gaan tot de aanleg van een wateropvangbekken. Om tot een ideale situatie te komen moet er gekeken worden naar maatregelen in de bovenstroom, middenstroom en benedenstroom van de waterlopen. De belangrijkste zone is dus de bovenstroom van de waterloop, hier moet zoveel mogelijk water worden vastgehouden om het debiet stroomafwaarts te beperken. In de middenstroom moet er gekeken worden naar bergingsmogelijkheden voor het teveel aan water dat in de bovenstroom niet kan vastgehouden worden. Pas als laatste stap zou eigenlijk mogen gekeken worden naar snelle afvoer van overtollig water, dit in de benedenstroom van de waterloop. Dit kunnen we omschrijven als de driestapsstrategie vasthouden, bergen en afvoeren van water62. -

Vasthouden: Neerslag of hemelwater zoveel mogelijk ter plaatse “vasthouden” in de bovenstroom van een waterloop. In de open ruimte moet het hemelwater zoveel mogelijk kunnen infiltreren. Dit kan bijvoorbeeld door bestaande grachten te herwaarderen, door in landbouwgebieden aangepaste teelt- en bewerkingstechnieken (die infiltratie in de hand werken) toe te passen, door nieuwe waterrijke gebieden (wetlands) te ontwikkelen, … Infiltratie zorgt ook voor een aanvulling van de grondwatertafel en gaat verdroging tegen.

-

Bergen: Wanneer er geen mogelijkheid is om water vast te houden in de bovenstroom, kan er buffering voorzien worden langsheen de waterloop. De beste buffering zijn de natuurlijke overstromingsgebieden, daarom is het zeker aangewezen om ook in de toekomst valleigebieden bouwvrij te houden. Op plaatsen waar er reeds gebouwd werd moet de waterbeheerder voorzien in de inrichting van wachtbekkens, plasbermen, herinschakelen van oude meanders en structuurherstel van bepaalde trajecten om de waterloop ruimte te geven en bergingscapaciteit uit te breiden.

-

Afvoeren: Als het vasthouden en bergen niet voldoende blijkt kan water op een veilige en snelle manier stroomafwaarts afgevoerd worden

Voor voorbeelden rond de verschillende maatregelen is te rade gegaan bij verscheidene provincies, nl. Antwerpen, Vlaams- Brabant, Limburg, Oost- en West- Vlaanderen.

62

Danckaert S. & Carels K. (2009) Blauwe diensten door de Vlaamse land- en tuinbouw, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel.


75 3.2.1. Modellering en voorspelling van overstromingen63 Daar er in het verleden weinig gekeken werd naar integraal waterbeheer zijn verschillende waterlopen in een keurslijf gegoten. De waterlopen werden ingebuisd om bijvoorbeeld meer land te creÍren voor landbouw, rechtgetrokken om sneller water te kunnen afvoeren en ook plaats te maken voor bebouwing en landbouw, verhard om zeker geen uitbreiding van de waterloop te hebben na enkele jaren door natuurlijke erosieprocessen, kilometers omgeleid via zware pompgemalen,‌ Daarnaast werd er ook geen aandacht geschonken aan het feit dat bij hevige regenval deze waterlopen toch overstromen op plaatsen waar het niet verwacht werd. Overal rond waterlopen en zelfs vlak waterlopen werden verkavelingen, bedrijventerreinen en andere gebouwen en verhardingen neergepoot die zich bij hevige regenval vlak in de overstromingsgebieden bevinden van de waterlopen, met de nodige ellende voor de mensen die daar wonen tot gevolg. Omdat er dus dikwijls geen plaats is om de waterloop tot zijn vroegere natuurlijke toestand te proberen herleiden, er kan namelijk geen volledige verkaveling worden verwijderd, moet er gekeken worden naar waar de problemen rond wateroverlast bij hevige regenval zich situeren a.d.h.v. de huidige toestand van de waterloop en zijn omringende elementen. Deze elementen zijn bijvoorbeeld dus hoger en lager gelegen gebieden rond de waterloop, dichtbij gelegen verharde terreinen waardoor meer water afgevoerd wordt naar de waterloop, lager gelegen verkavelingen in de buurt,‌ Om een volledig beeld te krijgen over het stroomgebied van een waterloop en waar problemen zich kunnen voordoen bij hevige regenval wordt er in Antwerpen, Oost-Vlaanderen, Limburg en VlaamsBrabant al gewerkt met computermodellen. Eerst wordt er een hydraulisch model opgesteld met alle gegevens van de desbetreffende waterloop en zijn kunstwerken en omgeving. In een tweede fase worden waterpeilen, debieten en neerslaggegevens(bvb. afkomstig van metingen van het KMI) in het model gebracht.

1ste fase: hydraulisch model Om tot een goed model te komen wordt de waterloop en zijn omgeving in de eerste fase volledig opgemeten. Hierbij wordt een rivierbed bijvoorbeeld om de 50 meter zeer gedetailleerd opgemeten. Om tot een volledig beeld te komen worden het lengteprofiel van de waterloop, de vorm van de bedding, de ligging van oevers, dijken, bruggen, sluizen, stuwen in het model opgenomen. Eveneens worden alle externe factoren in het model opgenomen zoals lozingen, onttrekkingen, verhardingen in de buurt, lager en hoger gelegen omringende terreinen en de hellingsgraden van omliggende terreinen ( terreinen met hogere hellingsgraad voeren sneller hun water af naar de waterloop)

63

HIC (Hydrologisch Informatiecentrum), juni 2005, On line voorspellingsmodellen in het hoog- en laagwaterbeheer


76 2e fase: hydrologisch model Nadat de waterloop en zijn omgeving volledig zijn opgemeten worden alle gegevens van aan- en afvoerdebieten, neerslaghoeveelheden, waterpeilen in het model gebracht via de hydrologische gegevens uit databanken en van KMI. De waterpeilen en debieten in het model worden vergeleken met de werkelijke situatie en zonnodig geijkt en afgesteld om een zo goed mogelijk realistisch beeld te verkrijgen. Nadat zowel de hydraulische als de hydrologische gegevens in het model opgenomen zijn kunnen alle effecten worden bekeken, op de waterloop en zijn omgeving, van bvb. het aanleggen van een stuw, een wachtbekken of de ruiming van de rivierbedding. Het belangrijkst wat er via deze modellen kan berekend worden is natuurlijk het effect van hevige regenval op omliggende gebieden en de oplossingen die kunnen aangeboden worden. In verschillende provincies in Vlaanderen wordt gewerkt naar de norm van T25. Dit wil zeggen dat 1 keer op 25 jaar het beheersysteem van de waterloop mag falen bij regenval waar geen enkele beheermaatregel wateroverlast kan vermijden. Om te zien waar en welke beheermaatregelen nodig zijn kan er op het model een simulatie worden uitgevoerd van hevige regenval in een korte tijd om te zien waar de waterloop buiten zijn oevers treedt. Om aan de norm van T25 te voldoen wordt er getest met regenwaterhoeveelheden op een korte tijd die maar 1 keer om de 25 jaar voorkomen ( gegevens via KMI). Via deze testen kan er dus precies berekend worden waar een overstroming kan plaats vinden en hoeveel water er dan moet opgevangen worden. Zo kan er gericht gewerkt worden naar waar er buffering nodig is. Er kan ook berekend worden welke effecten kleinere en minder ingrijpende maatregelen op het watersysteem hebben zoals het aanleggen van plasbermen, natuurlijke meandering toelaten, minder verhardingen in de buurt,‌

Conclusie: Er gaat heel wat werk aan vooraf om tot een goed computermodel te komen, maar een goed computermodel is essentieel om een integraal beeld te verkrijgen van de waterloop en het volledige stroomgebied. Via het model en overstromingstesten op het model kan er gericht gekeken worden waar wateroverlast zich zal voordoen bij hevige regenval en hoeveel water er dan moet opgevangen worden, zodat er niet meer moet gewerkt worden met giswerk. Uit het model kan blijken dat via kleinere maatregelen, die minder ingrijpend zijn dan een bufferbekken, wateroverlast kan vermeden worden. Via de modellering kunnen er ook oplossingen tegen wateroverlast gevonden worden die afgestemd zijn op de onmiddellijke omgeving, rekening houdend met landschap, natuur en landbouw


77 3.2.2. Wateroverlast vermijden Om wateroverlast te vermijden bij zeer hoge neerslaghoeveelheden hebben waterlopen ruimte nodig waar ze kunnen overstromen. Hierna worden alternatieven besproken die duurzamer en ecologisch meer verantwoord kunnen genoemd worden dan bufferbekkens. Via deze alternatieven kan het onnodig aanleggen van bufferbekkens in sommige gevallen ook vermeden worden. De volgende alternatieven zullen worden besproken: plasbermen, goede ruimtelijke ordening, vertragende werking en erosiebestrijding. 3.2.2.1. Lichthellende oevers en/of getrapte profielen met plasbermen64 Deze oevers kunnen gerekend worden bij de natuurtechnische oeverherstellings- of verstevigingswerken. Deze milieugerichte inrichtingswerken hebben het voordeel dat de oeverzone wordt vastgelegd en er is een grote mogelijkheid voor natuurontwikkeling. Licht hellende oevers zijn oevers die geen steile wanden hebben, de helling bedraagt minimaal 1:2 of 8/4. Doordat de oever groter is dan bij een steile helling is er een iets groter waterbergend vermogen. Het grootste voordeel van licht hellende oevers is dat de helling kan beplant worden met planten die een groot oeverstabiliserend vermogen hebben, zoals bvb. riet, of er kunnen biologisch afbreekbare kokosmatten worden opgelegd. Getrapte profielen bieden nog veel meer voordelen. Getrapte profielen bestaan uit: - een dieptewaterzone = de eigenlijke waterloop. - een plasberm - een steile droge oeverzone

Figuur 18: dwarsdoorsnede getrapt profiel (bron: www.polderblankenberge.be)

64

Info verkregen via de website http://www.ecopedia.be (2010-03-10) Info verkregen via de website http://www.polderblankenberge.be (2010-03-10)


78 De belangrijkste zone in het getrapt profiel is de plasberm. Plasbermen kunnen gedefinieerd worden als ondiepe, licht hellende natte oeverzones. De plasbermen vormen de overgang tussen het diepe deel van de bedding en de steile oever. De plasbermen brengen heel wat voordelen met zich mee. Wanneer ze langs de volledige lengte van een waterloop worden aangelegd kunnen ze dienen tot verhoging van het waterbergingsvermogen van de waterloop, weliswaar in geringe mate. Dit principe van een grotere plasberm werd al toegepast in Beveren – Roeselare waar er voor de Onledebeek reeds natuurtechnische werken zijn toegepast. Doordat een zelfde hoeveelheid water door een bredere waterloop moet, verlagen plasbermen ook de gemiddelde stroomsnelheid. Vooral in de begroeide zones van deze ondiepe natte oeverstroken worden de stroomsnelheidswisselingen afgevlakt. Bij hevige regenval worden de hoge piekafvoeren dus geremd en wordt het negatieve doorspoeleffect verminderd. Hierdoor kunnen plasbermen dienen als de ideale paaiplaats, foerageergebied of beschutting voor allerlei soorten inheemse vissen. Als er gewerkt wordt met gradiënten in de plasberm is er een grotere temperatuurstabiliteit die ook belangrijk is voor vissen. Beplante plasbermen kunnen het natuurlijk waterzuiverend vermogen van de waterloop bevorderen en de vegetatie geeft een extra ecologische waarde aan de waterloop. Vooral Riet, Lisdodde, Gele lis en Mattenbies zorgen voor een goed waterzuiverend vermogen. Vegetatie in plasbermen zorgt ook voor nestgelegenheid voor allerlei soorten watervogels zoals de meerkoet, waterhoen, wilde eendensoorten, fuut,… De plasbermen kunnen ook gewoon als leefgebied dienen voor vissen, vogels, amfibieën en andere dieren. Hieronder enkele afbeeldingen van plasbermen. Figuur 19 toont aan hoe een waterloop met plasbermen eruit ziet in dwarsprofiel. Figuur 20 en en Figuur 21 geven een meer uitgebreide plasberm weer bij laagwaterstand en bij hogere waterstand.

Figuur 19: dwarsdoorsnede van waterloop met plasbermen (bron:www.rijnland aquagis.nl)


79

Figuur 20(links): uitgebreide plasberm bij laagwaterstand (bron:www.inbo.be) en Figuur 21(rechts): uitgebreide plasberm bij hoge waterstand (bron:www.inbo.be)

Het is natuurlijk niet makkelijk om zomaar overal plasbermen aan te leggen. Zeker niet de uitgebreide plasbermen. De aanleg van deze plasbermen vraagt veel extra ruimte en dat is nu net waar Vlaanderen een groot gebrek aan heeft. Om ruimte te creĂŤren moet er grond verworven worden van aangelanden van de waterlopen wat veel discussie met zich mee kan brengen. Aankoop van gronden van aangelanden kan ook zeer omslachtig en tijdrovend worden. Om echter tot een mooi natuurlijk en duurzaam watersysteem te komen moet de nodige tijd en moeite in het uitdenken ervan gestoken worden.

Conclusie: Waterlopen met getrapte profielen en plasbermen kunnen een goede oplossing bieden voor beperkte waterbuffering en vertraging van de afvoersnelheid. Eveneens bieden ze de ideale basis voor natuurontwikkeling in en rond de waterloop. Het grootste probleem is dat er in het verleden zo dicht tot bij waterlopen werd gebouwd of gewerkt zodat er weinig ruimte is om waterlopen uit te breiden.


80 3.2.2.2. Een goede ruimtelijke ordening6566 Zie ook 2.4.2 UITVOERINGSBESLUIT VAN DE WATERTOETS In het verleden en nu eigenlijk nog werden huizen, industriezones of verkavelingen te dicht bij waterlopen ingeplant. Dikwijls zijn er zelfs verkavelingen die lager gelegen zijn dan de waterloop. Deze verkavelingen bevinden zich dan in het natuurlijke overstromingsgebied van de waterloop. Een logisch gevolg is dan natuurlijk dat er wateroverlast is in de huizen bij hevige regenval. In de toekomst moet er via modelleringstudies gekeken worden waar de natuurlijke overstromingsgebieden liggen en waar er dus niet mag gebouwd worden. Indien deze overstromingsgebieden gevrijwaard worden kunnen veel onnodige kosten vermeden worden in de toekomst. Als de waterlopen ruimte krijgen om te overstromen zijn er immers geen dure maatregelen tegen wateroverlast, zoals grote bufferbekkens, meer nodig. Wanneer er toch gekozen wordt om dicht bij een waterloop te bouwen moet er zeker een bouwvrije strook voorzien worden rond de waterloop om ze toch een kleine natuurlijke overloop te verschaffen en beheer mogelijk te maken, bijvoorbeeld via slibruiming. Hierbij moet gerekend worden op een strook van minimum 5 meter. Industrie, verkavelingen en andere bouwprojecten die in de onmiddellijke omgeving van een waterloop worden ingeplant moeten ook verplicht worden om maximaal te voorzien in infiltratiemogelijkheden en opvangmogelijkheden van hemelwater door verhardingen tot het minimum te herleiden en hemelwaterputten te installeren. Hemelwaterputten zijn momenteel in het merendeel van de gevallen al verplicht door het besluit van de Vlaamse Regering van 1 oktober 2004 houdende de vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen,‌

Figuur 22: gevolgen van slechte ruimtelijke ordening

65 66

Dienst Waterlopen, provincie Vlaams-Brabant, 2008, Zorg voor water Info verkregen bij dienst Waterlopen Oost-Vlaanderen


81 3.2.2.3. Vertragende werking Plasbermen die eerder al werden beschreven zorgen dus al voor een vertragende werking. Indien deze plasbermen voorzien worden van natuurlijke oevers is er mogelijkheid tot infiltreren van water en ook allerlei natuurlijke remmende structuren zijn aanwezig. In het verleden en nu nog worden waterlopen ingebuisd om bijvoorbeeld land te winnen op een landbouwperceel of om een waterloop langs een bepaalde weg te leiden. Deze inbuizingen kunnen ongedaan gemaakt worden en er mogen zeker geen nieuwe inbuizingen meer bij komen. Een waterloop met een open bedding en natuurlijke lichthellende oevers biedt veel meer kubieke meters ruimte aan de waterloop dan een gesloten buis met bijvoorbeeld een diameter van 50 cm. Het werken met betonelementen geeft de waterloop een zeer onnatuurlijke en industriële look en zorgt voor een kleiner volume van de waterloop. Doordat de waterloop een kleiner volume heeft en een even groot debiet aan water dat erdoor moet zal het water versnellen. Vroeger hadden waterlopen de kans om natuurlijk te meanderen doorheen het landschap. De waterlopen werden door de mensen recht getrokken en in een keurslijf gegoten. Een waterloop die slingert door het landschap heeft veel meer afstand te overbruggen dan een waterloop die in een rechte lijn naar beneden loopt. Door een waterloop recht te trekken is er weer minder volume aan waterloop. Met een even groot debiet aan water dat aangevoerd wordt zorgt dit opnieuw voor een versnelling van het water. Veel beton in de waterlopen zorgt er ook voor dat weinig fauna en flora zich nog wil vestigen in en rond de waterloop.

conclusie: Betonelementen en inbuizingen geven de waterloop een zeer onnatuurlijke look en zorgen ervoor dat éénzelfde debiet door een veel beperktere ruimte moet. Hierdoor wordt het water sterk versneld. Het recht trekken van waterlopen zorgt eveneens voor een beperkter volume en een versnelling van het water. Open beddingen met natuurlijke lichthellende oevers en/of plasbermen in combinatie met de meandering van de waterloop doorheen het landschap zorgen voor een groter volume aan waterloop waardoor dus al meer water op natuurlijke wijze kan gebufferd worden en ook de waterafvoersnelheid beperkt wordt. Werken zonder beton heeft als bijkomend voordeel dat de waterloop een veel mooiere natuurlijke look heeft die ook aantrekkelijk is voor fauna en flora.


82 3.2.2.4. Erosiebestrijding67 Erosie is voor alle partijen een slechte zaak. Landbouwers zien hun vruchtbare grond letterlijk weggespoeld door erosie met inkomensverlies tot gevolg. Jaarlijks worden door gemeenten slibruimingen gedaan. Telkens wordt het slib weer naast de beken op de velden gedeponeerd en telkens spoelt dit slib terug in de beken. Dit is dus een zeer zinloze en dure jaarlijkse operatie. Gemeenten moeten ook instaan voor reiniging van straten die overspoelt worden door modderstromen. Door erosie slibben waterlopen en inbuizingen ook langzaam dicht (zie Figuur 23: dichtslibben inbuizing) zodat bij hevige regenval het volume van de waterloop veel te klein wordt en er sneller een teveel aan water is. Ook voor de vissen, amfibieĂŤn en andere in de waterlopen levende dieren alsook de planten in de waterloop is een teveel aan slib en de jaarlijkse slibruimingen niet goed. Een teveel aan slib in een waterloop kan er voor zorgen dat de waterdiepte zo gering wordt dat in de winter de overlevingskansen van vissen bij ijsvorming sterk dalen. De jaarlijkse ruimingen zorgen telkens voor een grote verstoring of het volledig wegvallen van overlevingsplaatsen van vissen, amfibieĂŤn, watervogels en planten. Het wegspoelen van grond zorgt er ook voor dat planten los gerukt worden of hun voedingsbodem volledig weg valt. Via bestrijding van erosie kan dus veel ellende en onnodige kosten vermeden worden.

Figuur 23: dichtslibben inbuizing

67

Steunpunt Land en Water provincie Limburg, oktober 2009 en juli 2009, Anders omgaan met Land en Water


83 De verschillende kosten die elk jaar terug keren om slib te ruimen: -

Bemonstering om te weten of er sprake is van vervuild slib Proper slib: naast de beek op de eerste 5 m van de beek gesmeten op de aanpalende gronden; Bij ongeveer 15-20 cm slib per meter waterloop een kost van rond de 60 eurocent Vervuild slib; gerekend rond de 50 euro per ton slib

De mensen en dan vooral landbouwers die rondom de waterlopen land bezitten moeten ook rekening houden met minimale afstandsregels die moeten in acht genomen worden bij het bewerken van akkers rondom waterlopen. Er bestaan regels die beschreven staan in politiereglementen en de code van de goede landbouwpraktijk die jammer genoeg niet altijd strikt gevolgd worden waardoor er veel te dicht bij waterlopen nog steeds geploegd en bemest wordt. Om erosie tegen te gaan kan er gewerkt worden met harde (civieltechnische) maatregelen of zachte (natuurtechnische) maatregelen. Er bestaan maatregelen rond waterlopen en ook maatregelen aan de oevers van de waterlopen .Om de natuur kansen te geven en ook een mooier natuurlijk beeld aan waterlopen en omliggende gebieden te geven gaat de voorkeur uit naar de zachte maatregelen. Harde maatregelen De harde maatregelen doen vooral dienst ter bescherming van dicht gebouwde gebouwen, wegenissen en andere infrastructuur. Onder harde maatregelen vallen overwelvingen of inbuizingen, betonnen geprefabriceerde profielelementen die na elkaar geplaatst een volledige waterloop vormen en ook de zogenaamde doorgroei- of mutategels. Deze laatste laten enigszins de groei van wat gras of riet toe maar kunnen niet beschouwd worden als erg natuurlijk. Naast deze harde maatregelen rond oeverversteviging zijn er ook harde maatregelen op het terrein. Deze maatregelen op het terrein kunnen een mooie combinatie vormen met natuurtechnische maatregelen. Vooral op de wegenis die langs landbouwakkers lopen kunnen er civieltechnische maatregelen genomen worden. Deze wegen dienen vaak als snelweg voor modderstromen of waterstromen bij hevige regenval.

Figuur 24: wegen als snelweg voor modderstroom


84 Roosters in het wegdek Ruilverkavelingwegen of wegen langsheen landbouwterreinen kunnen bij hevige regenval dienst doen als echte afvoerkanalen voor regen- en/of modder. Met roosters die dwars over de baan liggen kan een deel van het water en de modder afgevoerd worden naar de zijkanten van de wegen. Wanneer deze roosters geplaatst worden in combinatie met een grasbufferstrook kan de strook dienst doen als waterbuffering.

Figuur 25: rooster in het wegdek gecombineerd met grasbufferstrook

Verkeersdrempels Verkeersdrempels kunnen gezien worden als een soort dijk in de weg. De bedoeling ervan is om afstromende water- en modderstromen te vertragen zodat bijvoorbeeld een dicht gelegen dorp niet meer zo snel overspoeld. Ze kunnen er ook deels voor zorgen dat het water op de plaats van de drempel gebufferd wordt.

Figuur 26: verkeersdrempel


85 Zachte maatregelen Zachte maatregelen kunnen omschreven worden als de natuurtechnische werken tegen erosie.

Oevers Om de oevers op een natuurtechnische manier te verstevigen kan er gewerkt worden met lichthellende oevers en/of getrapte profielen met plasberm. Deze werden eerder al besproken. Doordat de hellingsgraad veel lager ligt bij deze oevers brokkelen de oevers veel minder af. Er is ook veel meer gelegenheid voor planten en dieren om zich te vestigen dan bij steile oevers. De oevers kunnen verder beschermd worden door meer controle op de afstandsregels, met betrekking op het bewerken van akkers dichtbij waterlopen, die landbouwers eigenlijk dienen te respecteren. Vele landbouwers ploegen immers tot aan de waterlijn waardoor oevers zwaar beschadigd geraken.

Minder afspoeling van omringende landbouwgronden Bij voorkeur worden er maatregelen genomen zo hoog mogelijk in het landschap waar de waterlopen zich bevinden. In de hoogste gebieden kan er immers met relatief eenvoudige maatregelen al veel opgelost worden. Om afspoeling van akkerlanden te beperken op het akkerland zelf zijn er verschillende maatregelen. Een eerste maatregel om afspoeling te beperken is een zeer eenvoudige maatregel. Ze bestaat erin om gewoon de randen van de akkers niet te bewerken en zorgen dat er een kleine ophoging ( de zogenaamde kobbe) van ongeveer 20 cm hoog behouden blijft langsheen de randen van akkers grenzend aan waterlopen. Deze ophoging bestaat uit gewone aarde die begroeid is met planten of gras.

Figuur 27: akker met ophoging


86 Een tweede maatregel zijn grasbufferstroken. Bij sterk hellende akkers kunnen ze aangelegd worden onderaan de percelen. Hier kunnen ze al heel wat afspoeling opvangen. Om zware modderstromen op te vangen zal het aanleggen van een grasbufferstrook bij ĂŠĂŠn enkele landbouwer niet voldoende zijn. Daarom is het aangewezen dat op sterk hellende grond elk perceel voorzien wordt van een grasbufferstrook aan de onderkant van het perceel. Grasbufferstroken kunnen piekafvoeren van regenwater enigszins beperken en zorgen er ook voor dat er minder modder in waterlopen of dorpskernen terecht komt.

Figuur 28: bescherming dorpskern met grasbufferstroken


87 De grasbufferstroken zorgen ervoor dat bij hevige regenval de afgespoelde bodem van de bovenliggende akker tegen wordt gehouden. Dit is mooi te zien in Figuur 29 hieronder. Indien ze ingezaaid worden met mooie planten of bloemen en lange grassen zijn ze de ideale plaats voor het overleven, foerageren of schuilen van dieren zoals muizen, patrijzen, vlinders en bijen.

Figuur 29: grasbufferstrook na hevige regenval

Figuur 30: bloemrijke grasbufferstrook


88 Naast de grasbufferstroken die langs de perceelsranden liggen kan er ook gewerkt worden met grasbanen of grasgangen doorheen het perceel. Op plaatsen in de akker waar er veel afstromend water samen komt kunnen deze grasbanen grote afspoeling van grond voorkomen.

Figuur 31: grasbanen of grasgangen


89 Het grootste nadeel van deze grasbanen is natuurlijk de hinder voor de landbouwer om zijn akker te bewerken omdat ze dikwijls midden door de akker lopen.

Figuur 32: hinder landbouwers door grasbanen

Grasstroken kunnen ook naast de beken of kleine waterlopen aangelegd worden. Een grasstrook naast een beek of waterloop heeft enkele zeer interessante voordelen : -

Water dat naar de beek stroomt wordt afgeremd. Het water heeft meer kans om te infiltreren en moet ook eerst door de grasbuffer en wordt dus meer gefilterd. Er treedt minder oevererosie op. Er is minder inspoeling van bijvoorbeeld meststoffen. De grasstroken langs beken kunnen dienen als groen lint door het landschap waardoor allerlei dieren zich kunnen verplaatsen.


90 3de maatregel : dammen van organisch materiaal Met dammen, opgebouwd uit bijvoorbeeld snoeiafval, stro of kokosmatten, die op verschillende plaatsen in een akker worden geplaatst, kan de afstroming en erosie beperkt worden doordat de dammen de stroom tegen houden. Ze kunnen ook zorgen voor filtratie van regenwater die afloopt naar beken toe. De dammen zijn gemakkelijk op te bouwen maar de duurzaamheid van een organisch opgebouwde dam is natuurlijk niet groot.

Figuur 33: dam van organisch materiaal

4de maatregel: aarden dammen De aarden stuwdammen die al besproken werden bij de soorten wateropvangbekkens kunnen tevens dienst doen als opvang van afgespoelde grond.

Figuur 34: opvang erosie door aarden stuwdam


91 5de maatregel: dubbel inzaaien Dubbel inzaaien wil zeggen dat er eerst ingezaaid wordt in langsrichting van de waterstroom en dan nog eens in dwarsrichting. Dubbel ingezaaide akkers houden veel beter water tegen dan enkel ingezaaide akkers.

6de maatregel: ploegloos boeren of niet kerende bodembewerking Bij niet kerende bodembewerking wordt de bodem niet meer volledig omgewoeld en de plantenresten blijven staan. De resterende plantenresten houden de bodem stevig samen waardoor er veel minder grond kan afspoelen. Als bijkomend voordeel heeft de niet kerende bodembewerking dat regenwater veel minder snel afspoelt. De nadelen van niet kerende bodemwerking zijn dat mest moet ge誰njecteerd worden en dat er meer kans is voor onkruid en slakken. Bij het ploegen is het voorts aangewezen om te ploegen in de dwarsrichting van de waterstroom, de ploegvoren zijn immers ideale afvoerkanalen voor waterstromen.

Figuur 35: kerende en niet kerende bodemwerking


92 3.2.3. beheersovereenkomsten en blauwe diensten Beheersovereenkomsten ( groenblauwe diensten) en blauwe diensten zijn vooral gericht op de landen tuinbouwers. Door mee te werken aan een beter milieu verbeteren ze hun eigen percelen doordat ze duurzamer te werk gaan. Door duurzamer om te gaan met de percelen zal de land- of tuinbouwer uiteindelijk minder kosten maken in de toekomst, dus dit kan aanzien worden als een goede investering. Bovendien worden er in het kader van beheersovereenkomsten en blauwe diensten ook nog premies voorzien voor land- en tuinbouwers die een overeenkomst aan gaan. 3.2.3.1. beheersovereenkomsten68 Het Europese landbouwbeleid begint zich meer en meer te focussen op het verlenen van steun aan de ontwikkeling van het platteland en milieu door landbouwers. Om landbouwers te overtuigen om mee te werken aan een mooier en milieuvriendelijker platteland wordt er gewerkt via beheersovereenkomsten. Beheersovereenkomsten zijn overeenkomsten die een landbouwer kan afsluiten met de Vlaamse Landmaatschappij, VLM. De overeenkomst bestaat erin om bepaalde dingen te doen of niet te doen waardoor het platteland en het milieu kan verbeteren rondom de landbouwpercelen. Beheersovereenkomsten starten altijd op 1 januari van het kalenderjaar en hebben een looptijd van 5 jaar. Wanneer de landbouwer effectief de overeenkomst goed naleeft krijgt hij premies. Beheersovereenkomsten mogen ook gecombineerd worden indien ze elkaar kunnen aanvullen en verenigbaar zijn. Beheersovereenkomsten worden in Vlaanderen al veel gebruikt maar nog niet genoeg. Al de beheersovereenkomsten met uitleg, voorwaarden en premies zijn te vinden via de website van VLM.

De meest relevante beheersovereenkomsten naar waterlopen toe zijn de volgende: -

Beheersovereenkomst verminderde bemesting: voor een betere waterkwaliteit Bij deze beheersovereenkomst gaat de landbouwer een verbintenis aan om op bepaalde percelen grond minder te bemesten om zo nitraatresidu’s in bodem, grondwater en oppervlaktewater te beperken. Deze overeenkomst beoogt een bemestingsnorm die nog lager ligt dan de norm in het Mestdecreet. Bij deze beheersovereenkomst zijn de volgende premies voor de landbouwer van toepassing:

68

Info werd verkregen via de website www.vlm.be (19/04/2010)


93

-

Beheersovereenkomst perceelsrandenbeheer: voor meer en beter leven op het platteland Bij deze beheersovereenkomst gaat de landbouwer een verbintenis aan om bepaalde stroken langs waardevolle elementen te beschermen waardoor planten en dieren een plek krijgen om zicht te vestigen of door te trekken of een waterloop een extra beschermende buffer krijgt. De volgende premies zijn van toepassing bij deze beheersovereenkomst:

-

Beheersovereenkomst erosiebestrijding (aanleggen en onderhouden van grasgangen, grasbufferstroken, aarden erosiedam –en poel): voor meer en beter leven op het platteland Bij deze beheersovereenkomst gaat de landbouwer de verbintenis aan om de gevolgen van erosie te verzachten door het aanleggen van vooraf besproken(zie pt. 4 erosiebestrijding) elementen. Deze maatregelen zijn enkel remediÍrende maatregelen waarbij enkel de gevolgen van erosie verzacht worden. Bij deze beheersovereenkomst zijn de volgende premies van toepassing:

-

Beheersovereenkomst erosiebestrijding (niet kerende bodembewerking of directe inzaai): voor meer en beter leven op het platteland Bij deze beheersovereenkomst gaat de landbouwer een verbintenis aan om erosie te bestrijden met maatregelen aan de bron. De maatregelen zorgen voor een betere bodemstructuur waardoor er minder afspoeling en erosie kan optreden. Wanneer de landbouwer op bepaalde percelen deze twee technieken gebruikt zijn de volgende premies van toepassing:


94 3.2.3.2.

Blauwe diensten69

3.2.3.2.1. inleiding De landbouw heeft ondersteunende en regulerende diensten zoals een goede bodemstructuur- en vruchtbaarheid, behoud van goede bodem, genetische diversiteit, een goede waterhuishouding, enz. nodig om te kunnen blijven voortbestaan en om onnodig hoge kosten te vermijden. Daarom hebben landbouwers er alle belang bij om deze diensten goed te onderhouden. Hierbij zijn goede landbouwpraktijken dus van belang. Maatregelen zoals groenbedekking, erosiebestrijding, geïntegreerde gewasbescherming en niet kerende bodembewerking spelen rechtstreeks in op het behoud van de ondersteunende en regulerende diensten. Bij de beheersovereenkomsten werden al enkele maatregelen beschreven waarbij de landbouwer een vergoeding krijgt om volgens goede landbouwpraktijken te werken. De grens met blauwe diensten is soms moeilijk te trekken omdat sommige beheersovereenkomsten ook effect hebben op water. Sommige beheersovereenkomsten kunnen omschreven worden als groenblauwe diensten omdat de maatregelen zoals perceelsrandenbeheer, minder bemesting en erosiebestrijding onrechtstreeks ook inspelen op water. Blauwe diensten daarentegen zijn echt gefocust op water. Blauwe diensten worden gedefinieerd als “watergerelateerde diensten of beheerrollen met een positieve impact op het watersysteem, die een meerwaarde voor de maatschappij leveren en door (groepen van) land- of tuinbouwers worden verleend op vrijwillige basis en waar diezelfde land- of tuinbouwers een marktconforme vergoeding voor krijgen”. (Danckaert S. & Carels K., 2009)

Blauwe diensten gaan boven het referentieniveau of het wettelijk verplichte minimum waaraan landbouwers zich moeten houden. Tot op het referentieniveau moet de landbouwer de kosten dragen om preventieve maatregelen te nemen of schade aan het milieu te betalen. Als de maatschappij eist dat een landbouwer verder gaat dan dit referentieniveau dan moet de maatschappij bereid zijn deze blauwe dienst te betalen. Momenteel wordt er in Vlaanderen nog niet veel over blauwe diensten gesproken of mee gewerkt.

De landbouw is een zeer belangrijke waterverbruiker. In Vlaanderen is de landbouw verantwoordelijk voor 9% van het totale waterverbruik. Hierbij is de verdeling over de verschillende waterbronnen als volgt: 55% grondwater, 25% hemelwater, 14% leidingwater en 6% oppervlaktewater. De landbouw is dus een belangrijke vragende partij van water, maar kan ook aanbiedende partij zijn voor ecosysteemdiensten met betrekking tot water. Via de blauwe diensten kan de landbouwsector meewerken aan de driestapsstrategie vasthouden, bergen en afvoeren van water.

69

Danckaert S. & Carels K. (2009) Blauwe diensten door de Vlaamse land- en tuinbouw, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel.


95 3.2.3.2.2.

soorten blauwe diensten

Hierna volgen de 5 blauwe diensten waaraan landbouwers zouden kunnen meewerken en die meest haalbaar lijken in Vlaanderen. De blauwe diensten “waterconservering” en “waterberging” worden veelal aanzien als aanvullend aan elkaar.

Blauwe dienst “waterconservering” en/of “waterberging” Waterberging betekent dat bij piekbelastingen van hemelwater landbouwgronden kunnen aangesproken worden als overstromingsgebied en dat de landbouwer hiervoor vergoed wordt. Waterconservering bestaat erin dat landbouwers land of percelen ter beschikking stellen om tijdelijk de piekbelasting op te vangen. Dit kan in de vorm van vernatting van percelen of in het aanbieden van ruimte voor water waardoor het omringende gebied kan profiteren van dit water. Bij waterconservering zijn er voordelen voor de natuur, de landbouw en ook de waterhuishouding. Doordat bij piekbelasting het water bij de landbouwers ruimte heeft vermindert de wateroverlast in benedenstroomse gebieden. Deze blauwe dienst kan ook nog omvatten: -

-

-

-

Aanleg en beheer van natuurvriendelijke oevers: het beheer is afhankelijk van het type oever: plas, dras, ruige oeverzones, rietoevers. (Proclam, 2008) Actief peilbeheer: bij actief peilbeheer wordt via constructies ( drempels, stuwen, sluizen, enz.) of via een aangepaste waterloopstructuur het waterpeil actief ingesteld met het oog op een bepaald doel Peilverhoging: via infrastructuurwerken zoals het plaatsen van stuwen en duikers wordt het waterpeil in de beken verhoogd Regelbare drainage: bij regelbare drainage staan de drains onder water. De hoeveelheid water boven de drains kan aan de behoefte worden aangepast zodat bij drogere perioden water kan worden geconserveerd en bij piekbelasting meer water kan door gelaten worden. Herinrichting en beheer van waterlopen en baangrachten: o Meer water vasthouden via het verbreden en verlengen van waterlopen, hermeanderen en het verflauwen van taluds (oeverhelling) o Het maaien van oeverplanten, wat een mogelijk positief effect heeft op het vasthouden van nutriënten o Het maaien en onderhouden van waterplanten, die een positief effect hebben op de waterkwaliteit omdat de stroomsnelheid door de planten afremt o De waterkwaliteit verbeteren door natuurvriendelijk te baggeren, hierdoor verbetert de waterkwaliteit. Het is aangewezen om de baggerspecie niet direct op het talud neer te leggen maar om ze te verspreiden over het land. Het vergroten van bestaande plaatsen voor opvang van water: door plaatsen van open water, bvb. poelen te vergroten kan de opslagcapaciteit voor water groter worden


96 Blauwe dienst “waterlevering” Deze dienst kan inhouden: -

-

water winnen en doorverkopen; infiltratie van meer en ook schoner water naar het grondwater door: o het verminderen van sediment in de waterloop via erosiebestrijding en/of sedimentvangen; o het verminderen van de productie van nutriënten door het verminderen van de veebezetting en de bemesting van percelen; o verminderen van inspoeling van nutriënten in het oppervlakte- en grondwater door bijvoorbeeld oeverrandbeheer, aanleggen van bufferzones tussen waterlopen en percelen en het aanleggen van respecteren van de afstandsregels met betrekking tot waterlopen; water opvangen, vasthouden en doorleveren aan bvb. natuurgebieden door regenwater op te vangen en te bergen in de bodem, in watergangen of in aangelegde bassins. De landbouw kan op deze manier meewerken aan het verminderen van verdroging en aan de toestroom van gebiedsvreemd water.

Blauwe dienst “versterken watergerelateerde landschap” De maatregelen van de blauwe dienst “waterconservering” en/of “waterberging” hebben ook een positieve invloed op het watergerelateerde landschap. Met name de maatregelen rond peilverhoging, peilbeheer, aanleg van natuurvriendelijke oevers en het oeverbeheer zorgen voor een versterking van het watergerelateerde landschap.

Blauwe dienst “afvalwaterverwerking” Een landbouwer kan regenwater opvangen en dit zuiveren en daarna door verkopen aan omringende industrie of aan andere landbouwers die veel water nodig hebben zoals de tuinbouwers. De landbouwers kunnen het water zuiveren door bvb.: -

de aanleg van een zuiveringsmoeras met een vloeiveld en horizontale infiltratievelden met stro en riet. De aanleg van een helofytenfilter of een rietmoeras waarbij zogenaamde helofyten of moerasplanten zoals riet gebruikt worden om stikstof, fosfaat en CO2 op te nemen uit het water en de atmosfeer. Hierdoor kan water met nitraten worden gezuiverd door het afbreken van de nitraten. De fosfaten worden samen met CO2 opgenomen door de planten om biomassa te vormen. Deze biomassa moet om de zoveel tijd worden geoogst en afgevoerd. Deze moerassen kunnen naast het zuiveren van water ook dienst doen voor de berging van overtollig water.


97 3.2.3.2.3.

vragers van blauwe diensten

Private partners Landbouwers kunnen een samenwerkingsovereenkomst aan gaan met bijvoorbeeld een brouwer of een producent van mineraalwater om in de buurt van hun waterwingebieden de hoeveelheid aan nitraten in het water onder een bepaald niveau te houden. Bij een overeenkomst met private partners komt de overheid weinig tussenbeide tenzij als mogelijk onafhankelijk tussenpersoon. De landbouwers leveren in zo een geval de blauwe dienst “waterlevering�. Ze leveren aan hun partners water van goede kwaliteit door bijvoorbeeld: -

Minder en rationeler te bemesten. Minder gewasbeschermingen te gebruiken. De teelt van bodembedekkers om inspoeling te verminderen. Dierlijke mest te composteren en werken met mestvergisting. Waterlopen afschermen van direct contact met dieren Veebezetting verminderen.

In ruil voor deze blauwe dienst kan de landbouwer naast de vergoeding ook advies rond bemesting, pesticidengebruik en mestvergisting krijgen, alsook diensten en investeringssteun al indirecte vergoeding. Drinkwatermaatschappijen Landbouwers die gelegen zijn in en rond beschermde waterwingebieden kunnen met de drinkwatermaatschappijen een overeenkomst afsluiten. De blauwe dienst van de landbouwers bestaat er hier in dat water van goede kwaliteit geleverd wordt. De landbouwers kunnen tegen vergoeding enkele maatregelen nemen om een goede kwaliteit water te garanderen. Enkele maatregelen kunnen zijn: -

Het volledig niet gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen Bemesting verminderen Tussenteelten voorzien Akkers omzetten in weiden Volledig overschakelen naar biolandbouw


98 De overheid/ waterbeheerders Landbouwers kunnen een overeenkomst met de waterbeheerder aan gaan, bijvoorbeeld: -

-

-

Aanleggen van bufferstroken tussen de akkers en de waterlopen waardoor de waterkwaliteit en het landschap verbetert. Beheer van slootkanten door kleine landschapselementen aan te leggen of onderhoud van sloten voor betere waterconservering, waterkwaliteit en een versterking van de landschappelijke waarde. Aanleggen van plasbermen om bij piekmomenten water te kunnen opvangen; deze natuurlijke plasbermen hebben als bijkomstig voordeel dat ze natuur- en landschappelijke waarde hebben. Het conserveren van water door het aanleggen van stuwen,peilbeheer en peilgestuurde drainage hierdoor moet er in droge periodes minder beregend worden.

3.2.3.2.4. aanbieders van blauwe diensten Dit kunnen individuele landbouwers zijn maar ook verenigingen van landbouwers die samen agrarische natuurverenigingen kunnen vormen. In Nederland bestaan er verenigingen van meer dan 400 landbouwers die dan beheersovereenkomsten afsluiten met overheden. Voor de vragers van diensten is dit gemakkelijker omdat er maar met 1 overkoepelend orgaan moet worden overlegd en voor de aanbieders kan het leiden tot meer efficiĂŤntie, kennisuitwisseling en kostenbesparing. De samenwerkende landbouwers kunnen bijvoorbeeld gezamenlijk 1 goede machine aankopen voor het onderhoud van de waterlopen. Enkele voorbeelden van aangeboden diensten kunnen zijn: -

Aanleg en beheer van natuurvriendelijke oevers. Natuurvriendelijk baggeren. Aanleggen van veedrenkplaatsen. Het vergroten van open water. Het plaatsen van veerasters.

Conclusie: Er kunnen verschillende vragers zijn van blauwe diensten maar de meest gebruikelijke is de overheid. Individuele landbouwers of verenigingen van landbouwers kunnen blauwe diensten aanbieden. De vijf belangrijkste blauwe diensten zijn waterberging, waterconservering, waterlevering (kwaliteit), versterken van het watergerelateerde landschap en afvalwaterverwerking. De landbouwers kunnen vergoed worden door financiÍle steun maar ook via adviesverlening en investeringssteun. Om landbouwers te overtuigen dat dit een goed systeem is moet er goed overlegd worden. Om landbouwers goed te informeren en ook te overtuigen van het nut van blauwe diensten kunnen er demo’s en pilootprojecten georganiseerd worden. Het belangrijkste om de blauwe diensten te doen slagen is goede communicatie tussen de vragers en de aanbieders en zorgen dat er een win- win situatie is.


99 3.2.4. Natuurlijke inrichting van waterlopen Vroeger kabbelden de beekjes meanderend door het landschap. Om aan de wensen van de mens te voldoen werden vele waterlopen en beken recht getrokken, verhard, ingebuisd, … Om zoveel mogelijk land te kunnen bewerken en zo dus meer winst te maken wordt er ook nog eens tot vlak bij de oevers van de waterlopen gezaaid, geoogst , bemest en geploegd. Door al deze werken zijn de talrijke beken in landbouwzones herleidt tot rechte beken die moeten verstevigd worden met betonconstructies om de oever te kunnen vrijwaren van instorten. Door het zo dicht ploegen en bewerken worden de oevers trouwens ook beschadigd waardoor er meer kans is tot instorten. Werken tot aan de oeverrand heeft ook nog eens het bijkomend nadeel dat erosie hierdoor bevorderd wordt. De bemesting van de akkers vlakbij een waterloop zorgt ervoor dat hoge concentraties aan nutriënten zich opstapelen in en rond de waterloop. Dit zorgt voor een verrijking van de bodem rond de waterloop waardoor enkel nog netels zich goed voelen op die plaats. De vele nutriënten in de waterloop zelf zorgen voor eutrofiëring in de waterloop waardoor er nog weinig zuurstof in het water aanwezig is. Dit is nefast voor de in het water levende organismen. Al deze bewerkingen zorgen ervoor dat onze prachtige meanderende beken van weleer nu herleid zijn tot uniforme verstevigde waterlopen met weinig biodiversiteit in en rond de waterloop. Deze uniformiteit zorgt er trouwens ook voor dat het water sneller wordt afgevoerd en dat er weinig kans is tot infiltratie in de bodem. Dit kan negatieve effecten hebben op zowel het grondwater als op wateroverlast in de benedenstroomse gebieden. Door de uniformiteit zijn er ook nog weinig planten en organismen die zorgen voor een natuurlijke reiniging van het water. Om te komen tot de prachtige beken van weleer zou er meer rekening moeten gehouden worden met een natuurlijke inrichting van de waterlopen. Om de waterlopen weer natuurlijk te maken moet de waterloop zijn plaats en ruimte krijgen in het landschap. Waterlopen die ingebuisd zijn of volledig ingewerkt in beton zijn hierbij natuurlijk het grootste probleem voor de belevingswaarde en de biodiversiteit. Waar er plaats is kunnen deze betonconstructies verwijderd worden om een mooie bedding met licht hellende oevers en/of plasbermen aan te leggen. Dit zal er niet alleen voor zorgen dat flora en fauna meer kansen krijgen en ook de belevingswaarde opgekrikt wordt. Het zal er ook voor zorgen dat er meer water kan gebufferd worden in de waterloop zelf. Indien er echt veel ruimte is kan de vispopulatie ook geholpen worden door de aanleg van vistrappen en het voorzien van paaiplaatsen( poelen langs de waterloop). Deze poelen langsheen waterlopen zijn ook de ideale plaatsen voor amfibieën en watervogels. Deze poelen kunnen ook zorgen voor buffering bij pieken van regenval. Op plaatsen waar er absoluut geen kans is om de waterloop meer ruimte te geven moet er ook gekeken worden naar de natuurlijke waarde. In plaats van betonelementen kan de oever ook verstevigd worden met meer natuurlijke producten zoals kokosrollen en plantenmatten. Bij het natuurlijk verstevigen moet er dan wel rekening gehouden worden dat de oever moet gevrijwaard blijven van bewerkingen door landbouwmachines. Om deze mooie projecten te kunnen realiseren moet er een wil zijn van de aangelanden van de waterlopen. Veelal wordt er nu weinig naar de wettelijke afstandsregels met betrekking tot waterlopen omgekeken omdat de handhaving rond dit thema weinig of niet wordt toegepast.


100 Voor de landbouwers kan water bij de wijn gedaan worden door hen te vergoeden voor het verlies aan land. Dit kan door middel van beheersovereenkomsten en/of blauwe diensten. De plaatsen rond de waterlopen die wettelijk beschermd worden door de afstandsregels moeten dan vanzelfsprekend niet in rekening worden gehouden bij een vergoeding.

Conclusie: Om waterlopen weer op te krikken tot de mooie meanderende beken van weleer die vol met leven zaten zal er een gedragswijziging moeten komen van iedereen die met de waterloop te maken heeft. Via natuurlijke inrichting van de waterlopen en het ongedaan maken van vroegere betonnering kan de belevingswaarde en de waarde voor flora en fauna snel weer opgekrikt worden. Om de aangelanden bewust te maken van de waarde van de waterlopen moet de handhaving rond de afstandregels opgekrikt worden. Er kan ook gewerkt worden met beheersovereenkomsten of blauwe diensten om eventueel inkomstverlies op te vangen.


101

3.3.

Aanpak verschillende provincies

3.3.1. Antwerpen70 Antwerpen was de eerste provincie die de grote voordelen inzag van modellering en die alle waterlopen dan ook in de modellering stak. In verband met de watertoets kunnen ze zo gemakkelijk voorspellen wat het aanleggen van nieuwe grote verharde oppervlakken kan teweeg brengen aan wateroverlast. Wanneer uiteindelijk toch een nieuwe verharding wordt aangelegd kan de overstromingskaart relatief makkelijk bijgewerkt worden. In Antwerpen wordt er gewerkt met de modellering van Infoworks. Hun modellen zijn gekoppeld aan de bekkenmodellen van VMM. Bij grote wateroverlast kiest Antwerpen uitsluitend voor de aanleg van een retentiezone in combinatie met integrale maatregelen in de bovenstroom van de waterloop. Om de buffercapaciteit die nodig is te bepalen wordt er steeds via de modellen een nauwkeurige berekening gemaakt. Wanneer de Provincie iets aanlegt wordt er steeds gerekend op een veiligheidsniveau van T50. Dit wil zeggen dat in principe maar 1 keer in 50 jaar tijd de buffercapaciteit kan overschreden worden. Bij de aanleg van de retentiezones wordt er zoveel mogelijk getracht om tot een zo natuurlijk mogelijke oplossing te komen. Er wordt hierbij enkel beton gebruikt voor de stuw en de overstroomconstructies. De oevers worden met een erg lichte helling aangelegd zodat extra betonversteviging niet nodig is. Om zeker te zijn dat men genoeg rekening houdt met de natuur wordt vanaf het begin van een groot project meteen de natuursector erin betrokken. Er wordt samengewerkt met ANB en Natuurpunt. In het geval van de retentiezone Itterbeek had Natuurpunt zelfs het goede idee om met de uitgegraven grond een wand te maken waar oeverzwaluwen en ijsvogels hun nest kunnen in maken. Deze wand kwam er met als gevolg dat er inderdaad zwaluwen en ijsvogels nesten. Bij de Itterbeek staat Natuurpunt ook in voor het beheer van de retentiezone. Bij dergelijke grote projecten houdt de Provincie altijd rekening met een minimum realiseringstermijn van 7 jaar. Alle nodige gronden worden aangekocht en via een RUP krijgen de aangekochte gronden een bestemmingswijziging tot overstromingsgebied met als nevenfunctie natuur en zachte recreatie. Bij de dienst waterbeleid kregen we een mooi voorbeeld van alle stappen voor de realisatie van de retentiezone Itterbeek.

1999 17 juni

Goedkeuring deputatie van toewijzing hydraulische studie Itterbeek aan het studiebureau Grontmij (Belgroma)

2000 20 oktober

Goedkeuring deputatie van toewijzing erelooncontract aan het studiebureau Grontmij (Belgroma) voor het ontwerp retentiezone Itterbeek

2001 30 augustus

Goedkeuring deputatie van opmaak bestek voor Prup Itterbeek door Dienst ruimtelijke planning

oktober

Aanstelling studiebureau Grontmij voor opmaak Prup Retentiezone Itterbeek

2002 mei

70

Infovergadering burgers

Info verkregen bij dienst Waterbeleid van de provincie Antwerpen


102 17 mei-15 juli

O.O. PRUP

28 november

Goedkeuring PRUP door provincieraad

2003 22 januari

Goedkeuring PRUP door minister

12 mei

Indiening van bouwaanvraag

mei-juni

O.O. stedenbouwkundige vergunning

30 mei

Ongunstig advies afdeling Bos en Groen ivm boscompensatievoorstel

3 juli

Overleg met afdeling Bos en Groen ivm nieuw boscompensatievoorstel

31 juli

Gunstig advies bos en groen voor aangepast boscompensatievoorstel

2 oktober

Aflevering van bouwvergunning

periode 2003-2004

Onderhandelingen voor aankoop van de nodige percelen

2004 9 december

Toewijzing werken aan aannemer Heyrman-De Roeck

2005 16 februari

Infovergadering burgers

4 april

Aanvangsbevel der werken

mei-december

Aannemer zoekt oplossing voor grondverzet

2006 20 maart-19 april 18 augustus

O.O. bosbeheerplan OfficiĂŤle opening van de retentiezone Itterbeek

Rond erosie heeft Antwerpen weinig problemen omdat de Provincie weinig reliÍf vertoont. Op de erosiegevoeligheidskaarten staat Antwerpen groen aangeduid. De landbouwers moeten wel een ruimte van 1 m onbewerkt laten ten opzichte van waterlopen grenzend aan hun percelen. 3.3.2. Oost-Vlaanderen71 Oost- Vlaanderen werkt eveneens met een volledige modellering van de waterlopen. Voor werken rond wateroverlast rekent de Provincie steeds met een veiligheidsniveau van T25, dus 1 keer falen op 25 jaar tijd. Via de modellering worden er oplossingen gezocht langsheen de waterlopen die voor problemen rond wateroverlast zorgen. Het gaat hierbij over de verschillende integrale maatregelen die vooraf werden besproken. Wanneer echter kleine maatregelen niet voldoende blijken wordt er ook gewerkt met bufferbekkens of gecontroleerde overstromingsgebieden die meteen voor een grote buffercapaciteit kunnen zorgen. Het proces van studie, toewijzing van de werken, aankoop gronden, veranderen van bestemming,‌ wordt ook altijd voorzien op 7 jaar of meer. Dit proces loopt dus ongeveer gelijk met het proces in Antwerpen.

71

Info verkregen bij de dienst Waterlopen van Oost-Vlaanderen


103 3.3.3. Limburg72 De Provincie Limburg is in Vlaanderen zowat de voorloper rond integraal waterbeheer. Het steunpunt Land en Water heeft rond de integrale maatregelen prachtige brochures gemaakt. Omdat er nogal wat heuvelachtige gebieden zijn in Limburg wordt er al enorm veel gewerkt met preventieve maatregelen tegen erosie en modderstromen. Er wordt zoveel mogelijk gekeken naar een brongerichte aanpak van problemen rond water. Limburg werkt al volop met beheersovereenkomsten samen met landbouwers. Er zijn ook al enkele projecten rond blauwe diensten . Bij wateroverlast dat niet meer op te lossen is met kleine maatregelen langsheen de waterloop wordt er in Limburg vooral gewerkt met natuurlijke overstromingszones en gecontroleerde overstromingszones. Ook in Limburg is de modellering toegepast op alle waterlopen. 3.3.4. Vlaams- Brabant73 Het hoofdprincipe bij grote werken tegen wateroverlast is meten is weten. Zowel opmeting, modellering en ecologiestudies worden gedaan bij de aanleg van kleine en grote maatregelen ter preventie van wateroverlast. Net zoals in Limburg probeert men een integrale aanpak na te streven met veel brongerichte maatregelen. Er wordt ook al veel gewerkt met beheersovereenkomsten. Eveneens wordt er voor grote buffercapaciteiten meestal geopteerd voor natuurlijke overstromingszones en gecontroleerde overstromingszones.

72 73

Steunpunt Land en Water provincie Limburg, oktober 2009 en juli 2009, Anders omgaan met Land en Water Dienst Waterlopen, provincie Vlaams-Brabant, 2008, Zorg voor water


104 3.3.5. West-Vlaanderen74 Anders dan bij andere provincies worden integrale maatregelen in West-Vlaanderen niet ingedeeld als investeringen. Maatregelen zoals overstromingszones waarbij landbouwers vergoed worden, vistrappen en hermeandering worden bij de onderhoudskosten van de waterlopen gerekend. WestVlaanderen doet dus wel degelijk ook inspanningen om de waterlopen weer op te waarderen maar ze worden dus niet zo sterk in beeld gebracht omdat ze bij de gewone onderhoudskosten horen. Wat wateroverlastbestrijding betreft rekent West-Vlaanderen vooral op expertise en terreinkennis. Er wordt nog niet gewerkt met modellering die een integrale oplossing makkelijker maken. In de toekomst wil de Provincie evenwel aansluiten op bestaande modellen. Hierbij wil de Provincie enkel de waterlopen in een model steken die effectief voor problemen zorgen en dus niet alle waterlopen. Tegen wateroverlast wordt er meestal gewerkt met bufferbekkens. Deze bufferbekkens hebben als hoofdfunctie het vermijden van wateroverlast maar worden ook dikwijls gebruikt als waterspaarbekken voor land- en tuinbouw. Dit gebruik als waterspaarbekken wordt verklaard doordat tijdens de verwervingsprocedure van de grond er meestal geen bestemmingswijziging gebeurt en de bufferbekkens dus in landbouwgebied liggen. Hierdoor wordt er door de landbouwsector veelal geĂŤist om het bekken ook te gebruiken als waterspaarbekken. Het verwervingsproces en de aanleg van een bufferbekken moet in vergelijking met andere provincies veel sneller gebeuren, wat toch wel vragen oproept of er effectief naar verschillende integrale maatregelen wordt gekeken vooraleer over te gaan tot de aanleg van een bufferbekken. Meestal wordt een bufferbekken aangelegd binnen een termijn van 3 jaar. Er wordt gekeken voor een plaats waar er zo weinig mogelijk moet onderhandeld worden met verschillende eigenaars. De grondverwerving, ontwerp bekken en aanbesteding van de werken gebeuren allemaal binnen de 2 jaar. Een bouwvergunning kan in theorie bekomen worden binnen de 75 dagen maar in de praktijk duurt dit rond de 9 maanden. De werken worden uitgevoerd in ongeveer 100 dagen in de zomerperiode.

74

Info werd verkregen bij de dienst Waterlopen West-Vlaanderen


105

4. Concrete case: Onledebeek 4.1.

Inleiding

In de concrete case wordt een bufferbekken besproken die hoogst waarschijnlijk zal aangelegd worden in de nabije toekomst. Het betreft een bufferbekken voorzien op de Onledebeek die in combinatie met 2 bufferbekkens op de Krommebeek en 1 op de Liebeek wateroverlast moeten vermijden benedenstrooms in Roeselare en Beveren-Roeselare. Deze 4 bufferbekkens worden aanzien als ĂŠĂŠn groot project tegen de wateroverlast in de in 2005 zwaar getroffen gebieden. Overal in West-Vlaanderen waren er grote problemen bij de hevige regenval in 2005 en 2007 en wordt er naar oplossingen gezocht. De hierna volgende problemen,oplossingen en voorstellen zijn enkel toegespitst op het gebied van de concrete case.

4.2.

Situering75

Vlaanderen telt 11 bekkens nl. IJzer, Brugse Polders, Gentse Kanalen, Benedenschelde, Leie, Bovenschelde, Dender, Dijle en Zenne, Demer, Nete en Maas.

Figuur 36: de 11 bekkens van Vlaanderen

75

Info verkregen via de website www.bekkenwerking.be (2010-05-08)


106 Het voor deze case belangrijke gebied bevindt zich in het Leiebekken in West-Vlaanderen. In de bekkens zijn er ook nog deelbekkens. Het voor deze case relevante deelbekken is het deelbekken van de Mandel dat zich in en rond Roeselare bevindt. In Figuur 37 is het Leibekken te zien met zijn deelbekkens, waaronder het deelbekken Mandel.

Figuur 37: Het Leiebekken met zijn deelbekkens

Roeselare is een fusiegemeente met deelgemeenten Roeselare, Beitem, Beveren, Oekene en Rumbeke. In Roeselare monden er van stroomopwaarts naar stroomafwaarts 4 beken uit in de Mandel, nl. De Duivelsbeek ( 2de categorie), de Klauwaartsbeek (2de categorie), de Collievijverbeek (2de categorie) en de Krommebeek (2de categorie). In Roeselare gaat de Mandel over van 2de naar 1ste categorie.


107 In Figuur 38 hieronder duidt de rode cirkel het gebied aan binnen het deelbekken van de Mandel waarover het in deze case gaat. In dit stroomgebied lopen vier stromen die samen komen en uitmonden in de Mandel. Het gaat over de Liebeek (2de categorie) die uitmondt in de Onledebeek, de Onledebeek (2de categorie) en de Uytenhovebeek (2decategorie) die uitmonden in de Krommebeek en de Krommebeek(2de categorie) die uiteindelijk in de haven van Roeselare uitmondt in de Mandel.

Figuur 38: deelbekken Mandel ( bron: www.west-vlaanderen.be)


108

Figuur 39: de verschillende relevante waterlopen


109

4.3.

Wetgevend kader Onledebeek

4.3.1. Inleiding De oorsprong van de Onledebeek zijn drie bronnetjes die afkomstig zijn van de heuvelrug van TieltHooglede. Deze drie bronnetjes zijn allemaal onbevaarbare waterlopen van de 3de categorie, wat betekent dat de gemeente Hooglede moet instaan voor het beheer en onderhoud. Bij het binnenkomen van de drie bronnetjes in de stad Roeselare worden ze gecatalogeerd als onbevaarbare waterlopen van de 2de categorie, wat betekent dat de provincie de beheerder wordt vanaf dit punt. Vanaf de samenstroming van de bronnetjes in 1 beek krijgt het de naam Onledebeek. Iets verder stroomt de Liebeek in de Onledebeek waarna de Onledebeek op zijn beurt in de Krommebeek stroomt. De Krommebeek mondt uit in de Mandel die in Roeselare wordt ingedeeld als onbevaarbare waterloop van de 1ste categorie. Dit wil zeggen dat de beheerder de VMM is. 4.3.2. Situering Volgens het decreet integraal waterbeleid behoort de Onledebeek toe aan het stroomgebiedsdistrict van de Schelde. In bijlage 1 is te zien dat Vlaanderen bijna helemaal en WalloniĂŤ voor een stuk deel zijn van het stroomgebiedsdistrict van de Schelde. De bevoegde autoriteit is de internationale Scheldecommissie. Vlaanderen is door het decreet integraal waterbeleid onderverdeeld in 11 bekkens. Deze zijn het bekken van de IJzer, Brugse Polders, Gentse Kanalen, Benedenschelde, Leie, Bovenschelde, Dender, Dijle en Zenne, Demer, Nete en ten slotte het bekken van de Maas. Elk bekken heeft zijn eigen bekkenbestuur, bekkensecretariaat en bekkenraad die instaan voor de bekkenbeheerplannen. Voor een kaart van de 11 bekkens van Vlaanderen wordt verwezen naar Figuur 2. De Onledebeek is onderdeel van het Leiebekken. Dit bekken is op zijn beurt nog eens opgesplitst in verscheidene deelbekkens, namelijk de Benedenleie, de Devebeek, de Gaverbeek, de Grensleie, De Heulebeek en de Mandel. Op Figuur 3 zijn de 6 deelbekkens van het Leiebekken terug te vinden op een kaart. Het provinciebestuur van West-Vlaanderen coĂśrdineert de werking van het deelbekken van de Mandel, tot dit deelbekken behoort de Onledebeek. Maar het beheer is in handen van de waterschap Mandel-Devebeek. Voor een kaart van het deelbekken Mandel met daarop ook de Onledebeek, zie figuur 36. 4.3.2.1. Gewestplan Volgens het gewestplan Roeselare-Tielt is het gebied gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. In het noorden is de inkleuring ook landschappelijk waardevol agrarisch gebied, met een klein natuurgebiedje (overblijfselen van een bos me een poel), in het oosten is het agrarisch gebied, in het zuiden is er na de R32 een klein deel agrarisch gebied met daarna industriegebied. Na het industriegebied bevindt zich de dorpskern van Beveren-Roeselare. In het westen ten slotte, is er een gebied voor ambachtelijke ruimte en kmo voorzien.


110

Figuur 40: ligging van het toekomstig bufferbekken in het gewestplan

76

Onledebeek

4.3.2.2. Orthofoto Op de orthofoto is te zien dat het bufferbekken in akkerland zal liggen.

Figuur 41: orthofoto met verwijzing naar het bufferbekken

77

76

Info verkregen via de website http://geo-vlaanderen.agiv.be (2010-05-04)

77

Info verkregen via de website http://geo-vlaanderen.agiv.be (2010-05-04)

Bufferbekken Onledebeek


111 4.3.2.3. Watertoets Op deze kaart is te zien dat er veel mogelijke overstromingsgevoelige gebiedjes zijn. Zo ook op de plaats waar het bufferbekken zal komen, en meer specifiek op die plaats waar het spaarbekken voor de landbouw zal komen.

78

Figuur 42: Watertoetskaart

In bijlage 8 zijn de stroomgebiedskaarten van de Onledebeek en Krommebeek te vinden. 79 De Onledebeek heeft een stroomgebied van 6 148 550 m2. Het grootste deel bevindt zich in het industrieterrein en de dorpskern van Beveren-Roeselare. Dit heeft namelijk een grootte van meer dan 2 miljoen m2. Omdat net dit gebied sterk voorzien is van verhardingen, heeft het hemelwater hier weinig kans om te infiltreren en zorgt dit voor een versnelde afvoer naar de beek. Bovendien wordt het industrieterrein ten zuiden van de R32 nog uitgebreid in oostelijke richting. Hierdoor wordt het aandeel verharde oppervlakte nog groter. Een doel van de bekkenbeheerplannen is om de mensen warm te krijgen voor de drietrapsstrategie vasthouden-bergen-afvoeren. Het is de taak van de gemeente om erop toe te zien dat de verhardingen gepaard gaan met compenserende infiltratiemogelijkheden.

78 79

Info verkregen via de website http://geo-vlaanderen.agiv.be (2010-05-04) Info verkregen bij dienst Waterlopen Oost-Vlaanderen


112 4.3.3. Aanleg bufferbekken 4.3.3.1. Stedenbouwkundige vergunning Volgens de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening is men verplicht om een stedenbouwkundige vergunning aan te vragen. Want in artikel 4.2.1.4° staat: Niemand mag zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning het reliëf van de bodem aanmerkelijk wijzigen, onder meer door de bodem aan te vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt. Aangezien er een schadelijk effect80 zal zijn (artikel 3.17° van het decreet integraal waterbeleid), is er nood aan de watertoets als instrument om de vergunning te beoordelen. Dit staat in artikel 3 van het uitvoeringsbesluit voor de watertoets. Het beoordelingsschema van bijlage IX moet worden gevolgd omdat de vergunningsaanvraag betrekking heeft op het aanleggen van een buffer- of infiltratievoorziening van oppervlaktewater en regenwater. 4.3.3.2. Natuurvergunning In de wet betreffende de onbevaarbare waterlopen van28 december 1967 wordt de aanleg van een bufferbekken aanzien als een buitengewoon werk van verbetering en niet als een gewoon onderhoudswerk.81 Het terrein is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied waardoor het voldoet aan Artikel 9 van het uitvoeringsbesluit van 23 juli 1998 van het decreet natuurbehoud. Tevens is de Onledebeek door het provinciaal ruimtelijk structuurplan van West-Vlaanderen82 van 2002 ingekleurd als natuurverbindingsgebied. Hierdoor is het IVON gebied. Volgens het uitvoeringsbesluit moet er ook een natuurvergunning aangevraagd worden voor het wijzigen van kleine landschapselementen. Artikel 11 van hetzelfde uitvoeringsbesluit zegt dat het “uitgraven, verbreden, rechttrekken en dichten van waterlopen en poelen” een vergunningsplichtige activiteit is. Eveneens is er een wijziging van vegetatie en is er hiervoor een natuurvergunningsplicht. In artikel 10 staat immers dat het wijzigen van het reliëf of het wijzigen van het overstromingsregime van de vegetatie natuurvergunningsplichtige activiteiten zijn. Volgens de code van goede natuurpraktijk is de waterloopbeheerder ook verplicht om een natuurvergunning aan te vragen voor oeververstevigingswerken die kleine landschapselementen wijzigen. Deze werken worden zeker uitgevoerd bij de aanleg van het bufferbekken op de Onledebeek. Aangezien er een stedenbouwkundige vergunning moet worden aangevraagd waarbij advies door ANB verplicht is, is de natuurvergunning hierin opgenomen. Volgens de dienst Waterlopen van WestVlaanderen werd ook voldaan aan de tweede voorwaarde om geen aparte natuurvergunning te moeten aanvragen, namelijk dat er uitdrukkelijk wordt voldaan aan het integratiebeginsel.83

80

Zie wetgevend kader: 2.4.2 UITVOERINGSBESLUIT VAN DE WATERTOETS Zie wetgevend kader:2.3.1 WETGEVING BETREFFENDE DE ONBEVAARBARE WATERLOPEN VAN 28 DECEMBER 1967 82 Provincie West-Vlaanderen, 6 maart 2002, Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan West-Vlaanderen 83 Zie wetgevend kader: 2.4.9 UITVOERINGSBESLUIT VAN 23 JULI 1998 OP HET DECREET NATUURBEHOUD 81


113 4.3.3.3. Grondverzet84 Aangezien er voor de aanleg van het bufferbekken meer dan 250 m3 grond zal worden afgegraven en afgevoerd, is er nood aan een technisch verslag. Hierin zal de analyse van het bodemonderzoek vermeld staan. Dit document wordt opgemaakt door een erkend bodemdeskundige en goedgekeurd door een bodembeheersorganisatie. Na een gesprek met de dienst Waterlopen van WestVlaanderen bleek dat er rond de 25 500 m3 grond zal worden afgegraven. Daarvan zal 3 600 m3 worden gebruikt als ophoging van onder meer de dijken, de meerderheid (21 900 m3) zal afgevoerd worden.85 4.3.3.4. Informatie over bufferbekken in officiĂŤle documenten In het DuLo-waterplan van 2002-2004 wordt voor het eerst vermeld dat er een bufferbekken voorzien zal worden bij de Onledebeek aan de Ringweg te Roeselare. Het milieubeleidsplan van Roeselare (2005-2009) vermeldt dit ook. In het deelbekkenbeheerplan van de Mandel is er sprake van een onderzoek voor de aanleg van een bufferbekken om de dorpskern van Beveren-Roeselare te vrijwaren van wateroverlast en in functie van gebruik door land- en tuinbouw op de Liebeek en Onledebeek te Roeselare. De meest recente informatie over het bufferbekken is te vinden in het milieujaarprogramma van Roeselare van 2010. Hierin staat dat het bufferbekken van de Onledebeek aan de ringweg in ontwerpfase is, maar dat het ontwerp aangepast wordt. 4.3.3.5. Aanpassing van het ontwerp van het bufferbekken Na een gesprek met de dienst Waterlopen van West-Vlaanderen is gebleken dat het ontwerp moet worden aangepast omdat de afdeling duurzame landbouwontwikkeling, die advies geeft bij stedenbouwkundige vergunningen in agrarische gebieden, van het departement Landbouw en Visserij zich niet kon vinden in het vorige ontwerp en daardoor dus een negatief advies heeft gegeven. Aangezien het geplande bufferbekken in landbouwgebied ligt, moet er voor de landbouw ook een voordeel aan vastgekoppeld zijn volgens het advies. Het voordeel voor de landbouw is tweezijdig. Enerzijds mogen de nabijgelegen akkers niet overstroomd worden en anderzijds moet er een aftappunt voor de land- en tuinbouwers voorzien worden. De stedenbouwkundige vergunning werd hiervoor dan ook geweigerd. Bij het nieuwe ontwerp wordt er een aftappunt voorzien. 4.3.4. Onderhoud bufferbekken Hier kan worden verwezen naar de hoofdstukken stilstaande waters en poelen die beschreven zijn in de code voor goede natuurpraktijk.86 4.3.5. Wetgeving van toepassing op Onledebeek 4.3.5.1. Onderhoud De normale onderhoudswerken staan opgesomd in de wet betreffende de onbevaarbare waterlopen van 28 december 1967.87

84

DECREET BETREFFENDE DE BODEMSANERING EN DE BODEMBESCHERMING VAN 27 OKTOBER 2006 Info uit de beschrijvende nota bij de aanvraag van de bouwvergunning voor het bufferbekken aan de Onledebeek verkregen bij de dienst Waterlopen van de Provincie West-Vlaanderen 86 Zie wetgevend kader: 2.4.12 CODE VOOR GOEDE NATUURPRAKTIJK 85


114 In de code van goede natuurpraktijk staan de aandachtspunten opgesomd voor normale onderhoudswerken aan waterlopen. 4.3.5.2. Wettelijke afstanden De wettelijke afstand voor:   

een afrastering van een weiland bedraagt 0.75 m tot 1 m gemeten vanaf de kruin van de oever van de waterloop. De afrastering mag een maximale hoogte van 1.5 m hebben88; het ploegen van een akkerland bedraagt 0.5 meter89; het in of op de bodem brengen van meststoffen bedraagt 5 m vanaf de bovenste rand van de waterloop.90

4.3.5.3.

Informatie over Onledebeek in officiële documenten

4.3.5.3.1. DuLo-waterplan In het DuLo-waterplan van 2002-2004 staat dat rond de Onledebeek een project rond ecologische inrichting gepland is met ook aandacht voor poelen en onderhoud van kleine landschapselementen. In de Deken Wallaertstraat te Roeselare wordt het herinrichtingsproject rond de Onledebeek ter uitvoering gebracht. Deze straat bevindt zich in Beveren-Roeselare en is dus stroomafwaarts ten opzichte van het geplande bufferbekken. Dit project voldoet aan een van de doelstellingen van het DuLo-waterplan, met name het streven naar een duurzame inrichting van de waterlopen met aandacht voor herstel naar een natuurlijke staat. Dit project is nu reeds geruime tijd afgerond. Volgens het gewestplan is de Deken Wallaertstraat volledig gelegen in woongebied (rood). Hierdoor is dit zeer dure grond om op te kopen. Toch kwam er hier een hermeandering en werd er een, weliswaar miniem, overstromingsgebied ingericht.

91

Figuur 43: gewestplan Deken Wallaertstraat te Roeselaere

Deken Wallaertstraat

87

Zie wetgevend kader: 2.3.1 WETGEVING BETREFFENDE DE ONBEVAARBARE WATERLOPEN VAN 28 DECEMBER 1967 88

Zie wetgevend kader: 0

POLITIEREGLEMENT OP DE ONBEVAARBARE WATERLOPEN (KB VAN 5 AUGUSTUS 1970) 89

Zie wetgevend kader: 0

POLITIEREGLEMENT OP DE ONBEVAARBARE WATERLOPEN (KB VAN 5 AUGUSTUS 1970) 90 Zie wetgevend kader: 2.4.10 MESTDECREET (22 DECEMBER 2006)


115 Op de volgende figuur is te zien hoe de beek meandert ter hoogte van de Deken Wallaertstraat. Het verloop van de beek stroomopwaarts en stroomafwaarts is echter veel rechter.

Figuur 44: meandering van de Onledebeek thv de Deken Wallaertstraat

92

Onledebeek

Bij de rondleidingen is gebleken dat grote delen van de beek stroomopwaarts tov het geplande bufferbekken ingebuisd zijn of voorzien zijn van betonnen verhardingen. Hierbij moet de vraag gesteld worden waarom natuurinrichtingsprojecten, zoals bij de Deken Wallaertstraat, nooit stroomopwaarts werden overwogen. Nochtans is dit allemaal agrarisch gebied en dus veel goedkoper om er deze wijzigingen door te voeren. Het waterbergend vermogen van de Onledebeek zou al een heel stuk vergroten mochten de inbuizingen of betonnen verhardingen verwijderd worden. Hierdoor zou deze stroom zo geen groot bufferbekken behoeven doordat het water dan meer zou vastgehouden worden en zou infiltreren.

91 92

Info verkregen via de website http://geo-vlaanderen.agiv.be (2010-05-09) Info verkregen via de website http://maps.google.be/maps (2010-05-09)


116 4.3.5.3.2. Deelbekkenbeheerplan De Onledebeek wordt in het deelbekkenbeheerplan als natuurverbindingsgebied omschreven (bindende bepaling van het provinciaal ruimtelijk structuurplan West-Vlaanderen). Het beleid voor natuurverbindingsgebieden komt neer op:   

Het nastreven van de natuurlijke loop en een het maximaal toelaten of behouden of indien mogelijk herstellen van de meandering. De vallei vrijwaren van bebouwing. Het behouden of zelfs versterken van het waterbergend vermogen. Er moet worden gestreefd naar een zo groot mogelijk herstel van de winterbedding als overstromingsgebied.

Hierbij moet wel worden gemeld dat natuur hier maar een nevenfunctie is. Het kan de hoofdfunctie, landbouwgebied in het geval van de Onledebeek, niet regelen! Aangezien er op de Onledebeek ook een bufferbekken gepland is, moet dit een ecologische en landschappelijke meerwaarde hebben door de inkleuring van deze beek als natuurverbindingsgebied. De Onledebeek behoort ook tot een van de prioritaire aandachtsgebieden om tot een goede kwaliteit van het oppervlaktewater en de waterbodem te komen. Bijlage 6: Ruimtelijk concept natuurverbindingsgebieden en ecologische structuur van bovenlokaal belang Ook naar belevingswaarde toe wordt de Onledebeek vernoemd. Er wordt gezocht naar recreatieve mogelijkheden vanaf de Onledebeek en de Krommebeek richting ‘Ter Kerst’ en Huweynsbossen. 4.3.5.3.3. Bekkenbeheerplan (2008-2013) van het Leiebekken Er zijn, volgens het bekkenbeheerplan van het Leiebekken, geen bindende bepalingen op de Onledebeek gepland in de periode tussen 2008-2013.

Figuur 45: Acties op het Leiebekken

93

93

Bufferbekken op Krommebeek

Integraal waterbeleid Leiebekken, 30 januari 2009, Het bekkenbeheerplan van het Leiebekken (2008-2013)


117 Het bufferbekken op de Krommebeek staat echter wel op deze kaart aangeduid, maar het is ook geen bindende bepaling. Zoals eerder gezegd in het wetgevend kader wil de aanduiding als bindende bepaling niet zeggen dat de andere acties ondergeschikt zijn. Het verschil zit hem in de verplichting voor (plaatselijke) overheden om activiteiten die niet stroken met de geplande ingrepen stop te zetten. Aangezien er voor de Onledebeek geen, al dan niet bindende, bepaling werd gepland, heeft dit document ook geen invloed op (het geplande bufferbekken op) de Onledebeek. 4.3.5.3.4. bekkenvoortgangsrapport (2008) van het Leiebekken In het bekkenvoortgangsrapport van het Leiebekken van 2008 is er ook geen sprake van de Onledebeek. 4.3.5.3.5. Milieubeleidsplan Roeselare (2005-2009) Hier worden de herinrichtingswerken aan de Onledebeek ter hoogte van de Deken Wallaertstraat herhaald. De oevers worden er natuurvriendelijk ingericht via een samenwerking van de provincie West-Vlaanderen en de stad Roeselare. In Beveren-Roeselare is er een fiets- en wandeltraject aangelegd. Aangezien de Onledebeek in Beveren een groene as vormt wordt deze route door veel fietsers en wandelaars bebruikt. 4.3.5.3.6. Milieujaarprogramma Roeselare (2010) Langs de Onledebeek worden op twee plaatsen zonnebloemen, vlas, gerst en een speciaal bijenmengsel ingezaaid. Het maakt deel uit van een project met nog 4 andere plaatsen in Roeselare waar deze zaken worden geplant. Het project omvat een totale oppervlakte van 1725 m2. Zowel op het fietspad langs de Deken Wallaertstraat, waarlangs de Onledebeek zoals eerder vermeld ook meer meandert door het natuurinrichtingsproject, als ter hoogte van de Beversesteenweg, iets ten zuiden van de Deken Wallaertstraat en waaronder de Onledebeek stroomt, vinden deze activiteiten plaats. Inzaaien van zonnebloemen, vlas, gerst en een specaal bijenmengsel dient om de bijenpopulatie te vergroten, ook andere insecten zoals vlinders profiteren mee van dit project inzake natuurbeheer. Aansluitend op de inrichting van de Onledebeek met zacht glooiende oevers en een amfibiepoel in 2006, ter hoogte van de dorpskern in Beveren-Roeselare en dus stroomafwaarts tov het geplande bufferbekken, organiseerde de stad een plantactie op de “dag van de natuur”. Streekeigen bosplanten en bomen werden er aangeplant. De beheerswerken op deze specifieke plaats aan de Onledebeek worden uitgevoerd via een sociaal tewerkstellingsproject. De groendienst van Roeselare zorgt voor de deskundige toelichting. Hierna volgen een aantel beheerswerken:   

Via een hooilandbeheer tracht men een bloemrijk grasland te bekomen. Via gefaseerd knotbeheer worden de aanwezige knotwilgen onderhouden. Het resthout wordt ter plaatse verwerkt. Ecologisch beheer van de bermen langs het wandel- en fietstraject waarbij het maaisel wordt afgevoerd.


118

4.4.

Reden voor maatregelen tegen wateroverlast94

In 2005 is tussen 3 juli en 9 juli een abnormaal hoge hoeveelheid neerslag gevallen in WestVlaanderen en het westen van Oost-Vlaanderen. In 2007 werd West- Vlaanderen opnieuw geconfronteerd met bijna even hoge waarden aan regenval. Aminal afdeling water beschikte in 2005 over 5 pluviografen gelegen in West-Vlaanderen. In de volgende gemeenten waren pluviografen voor handen: Oostkamp, Klemskerke (De Haan), Zarren (Kortemark), Ieper en Sint-Joris (Nieuwpoort). De pluviograaf van Ieper gelegen in het Zuiden van West Vlaanderen is voor ons het meest relevant omdat de Onledebeek zich ook in Zuid WestVlaanderen bevindt. De pluviograaf in Ieper registreerde een enorme hoeveelheid aan neerslag in de periode van 3 tot 9 juli 2005. In de nacht van 3 op 4 juli 2005 is het grootste deel van de neerslag gevallen. Tussen 3 en 4 juli registreerde de pluviograaf een hoeveelheid van 90 mm neerslag op 16 u tijd, dit stemt overeen met een herhalingsperiode die hoger is dan 200 jaar ( > T200). De maximaal uurlijkse neerslaghoeveelheid bedroeg 16 mm/uur tussen 00u00 en 01u00, wat overeenstemt met een herhalingsperiode van 2 jaar (T2). Op 5 en 6 juli werd een hoeveelheid van 6,4 mm geregistreerd. Op 7 juli tussen 4u en 11u is er nog eens 9 mm gevallen met maximale uurlijkse hoeveelheid van 3,1 mm/uur tussen 6 uen 7u. Op 8 en 9 juli is dan nog telkens 2,6 mm neerslag gevallen. De waarden vanaf 5 juli kunnen aanzien worden als normale neerslagwaarden.

94

Info verkregen uit het verslag van de overstromingen van Juli 2005 in West-Vlaanderen (opgemaakt in februari 2006 door VMM, afdeling Water) verkregen bij dienst Waterlopen van provincie West-Vlaanderen


119 Figuur 46 hieronder toont de cumulatieve neerslagverdeling aan die opgemeten is in de verschillende stations met pluviografen. De gele lijn is relevant voor het gebied waar de Onledebeek zich bevindt. In deze figuur zie je duidelijk de uitzonderlijke sprong tijdens de nacht van 3 op 4juli. Tijdens de avond van 6 juli is er ook nog een tweede sprong maar die is minder uitzonderlijk. Tussen 4 en 6 juli en vanaf 8 juli heeft het duidelijk minder geregend.

Figuur 46: cumulatief neerslagvolume

Door de extreem hoge neerslagwaarden gevallen op zeer korte termijn moest er een zeer groot volume water afstromen naar de waterlopen. Het gevolg was hoge waterstanden en hoge afvoervolumes. De bevaarbare waterlopen hebben hierdoor weinig problemen ondervonden maar de kleinere waterlopen (1ste, 2de en 3de categorie) waren niet voorzien om zo een groot volume aan water te verwerken met overstromingen en schade in dorpskernen tot gevolg.


120

4.5.

Gevolgen van de overmatige regenval in concreet stroomgebied 95

Het probleem van deze case situeerde zich vooral in Beveren-Roeselare waar het centrum, de Vloedstraat en het busconstructiebedrijf Jonckheere snel onder water stonden omdat de Krommebeek ,Onledebeek en de Liebeek de overvloed van water niet meer aan konden. Deze beken liggen in het stroomgebied van de Mandel dat sterk bebouwd is en waar er volgens het verslag van de overstromingen van juli 2005 in West-Vlaanderen van VMM talrijke knelpunten zijn gesignaleerd op de waterlopen van categorie 2, onder andere dus de Onledebeek en de Krommebeek. Na de extreme regenval in 2005 werden voor de hele stad Roeselare in het kader van het rampenfonds een 220- tal schadedossiers ingediend voor een bedrag van € 1.112.980,42. Wat betreft het stroomgebied Liebeek-Onledebeek-Krommebeek en het centrum van BeverenRoeselare werden er 59 dossiers ingediend met een totaalsom van € 349.811,65. Naast de problemen in Beveren-Roeselare hadden ook de agrarische gebieden stroomafwaarts gelegen van de ring R32, wateroverlast. Dit is de plaats waar in de toekomst de verdere uitbreiding van industriegebied is gepland.

4.6.

Oplossingen provincie en gemeente

Na de grote problemen met wateroverlast moesten er dus oplossingen komen. VMM nam in zijn verslag op dat de mogelijke maatregelen die gemeenten zouden nemen moeten bestaan uit het vasthouden van water en niet het versneld afvoeren. In het verslag haalt VMM ook aan dat de bestaande hydraulische modellen moesten uitgebreid worden om vooraf al de voorgestelde maatregelen aan hun efficiëntie te kunnen toetsen. Er wordt aanbevolen om de hydraulische modellen uit te breiden naar de stroomopwaartse waterlopen van 2de en 3de categorie, waar meestal de problemen met wateroverlast zich voor deden. Door de modellering te vervolledigen zouden dan efficiëntere beschermingsmaatregelen aangewezen kunnen worden waardoor onnuttige werken kunnen vermeden worden zoals bvb. aanleggen van te lage waterkeringsmuren, te kleine wachtbekkens, oplossen van een lokaal knelpunt waardoor stroomopwaarts- of stroomafwaarts nieuwe knelpunten ontstaan. Afdeling water van de provincie meent dat het opmeten van 180 kilometer waterlopen moet volstaan in West-Vlaanderen om de grootste problemen op te lossen. De dienst waterlopen van provincie West-Vlaanderen is van plan om voor de grootste probleemzones modellen op te stellen die aansluiten aan bestaande modellen van andere provincies. VMM nam in hun verslag op dat een uitbreiding van het bestaande hydrodynamische model van de Mandel tot opwaarts Beveren-Roeselare aangewezen was om eventuele maatregelen op de Liebeek, Onledebeek en Krommebeek goed te kunnen inschatten. Voor de Krommebeek, Onledebeek en Liebeek werd er echter nog steeds gewerkt zonder hydrodynamische modellering en voorspelling van de effecten van het aanleggen van vooropgestelde projecten. Er werd gewerkt naar ervaring en terreinkennis.

95

Info verkregen bij de dienst waterlopen West-Vlaanderen en uit de beschrijvende nota bij de bouwaanvraag voor het bufferbekken aan de Onledebeek, verkregen bij dienst Waterlopen provincie West-Vlaanderen.


121 Na overleg met de provincie werd door het stadsbestuur van Roeselare een studie gestart rond het aanleggen van twee bufferbekkens op de Krommebeek, één bufferbekken op de Onledebeek en één bufferbekken op de Liebeek. Studiebureau Demey uit Roeselare werd aangewezen om deze projecten uit te tekenen. Het studiebureau werkt via ervaring, terreinkennis en eigen modellering. Een hydrodynamisch model van de Krommebeek, de Onledebeek en de Liebeek bestaat immers niet. Figuur 47 toont de ligging aan van de vier bufferbekkens alsook de hoogte van het gebied.

Figuur 47: ligging bufferbekkens op hoogtekaart

Het bufferbekken Vloedstraat werd reeds gerealiseerd.


122

4.7.

Het bufferbekken aan de Onledebeek

4.7.1. Situering Het bufferbekken aan de Onledebeek zal ingeplant worden net ten Noorden van de ringweg R32 rond Roeselare. Hier gaat de Onledebeek onder de ringweg door via een tunnel. Ten zuiden van de ringweg gaat de Onledebeek bovengronds verder richting het centrum van Beveren-Roeselare.

Figuur 48: situering bufferbekken Onledebeek


123 4.7.2. Planning en dimensies96 Om tot een extra buffercapaciteit te komen van 32.500mÂł wordt er een bekken uitgegraven van ongeveer 290 meter lang en 60 meter breed. De diepte van het bekken zal overal rond de 2 meter bedragen. Ten oosten van het bekken wordt er ook nog een bijkomend stuk uitgegraven van ongeveer 70 meter lang en 50 meter breed met een verlopende diepte van 2 meter tot niets. Hier kan worden verwezen naar bijlage 7 waar het ontwerpplan voor de aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning te zien is in A0 formaat. Rond het bekken wordt een berm voorzien op een peil van 23,90 meter TAW. Deze buitendijk zal aansluiten op het bestaande maaiveld. De westelijke buitendijk met de bestaande meidoornhaag zal behouden worden. De binnendijk van het bekken wordt aangelegd op een peil van 23,50 meter TAW met een overstroomzone op een peil van 23,30 TAW. Op de plaats waar de Onledebeek onder de ring R32 door gaat zal op de Onledebeek een debietsbegrenzer geplaatst worden met een schuif. Door deze schuif dicht te schuiven naar beneden kan het waterpeil opgestuwd worden tot het overstortpeil bereikt wordt en het water in het bekken stroomt. Deze schuifconstructie werkt volgens het principe van kopmuur met een schuifafsluiter die automatisch van op afstand kan bediend worden. Bij problemen kan dit systeem ook steeds met de hand bediend worden. De Onledebeek zal over de volledige lengte van het bekken verlegd worden en wordt ook voorzien met een verstevigingsprofiel van een meter hoog met riettegels op een zandcementfundering. Deze versteviging zal geplaatst worden onder een helling van 6/4 op de taluds van de beek. De taluds bedragen 4m. Deze verstevigingen worden geplaatst om de nieuw uitgegraven waterloop te stabiliseren . Naast het bufferen van water zal dit bekken ook dienst doen als watervoorziening voor de land- en tuinbouw in periodes van droogte. Hiervoor zal er een aparte tapplaats worden voorzien naast de Ventweg die parallel ligt met de ringweg R32. Door het regelen van de schuifconstructie zal er steeds water van de Onledebeek kunnen opgestuwd worden om het stuk spaarbekken te voorzien. Hierdoor zal er steeds 7.080 mÂł water voorradig zijn in het deel voorzien voor het spaarbekken. In het ontwerp is voorzien om de aanwezige ecologisch interessante kleine landschapselementen te behouden: bestaande poel, historische meidoornhaag, vegetatie. Via het aanleggen van 1 plas en 2 poelen zal er geprobeerd worden om meer kansen te bieden aan watergebonden vogels, amfibieĂŤn en planten. Concreet wil dit dus zeggen dat het bekken van mei tot september zal dienst doen als waterspaarbekken voor de landbouwers. Hiervoor zal de afsluitschuif van het bekken open gezet worden waardoor het water van de Onledebeek bij een stand van 30 cm in het bekken loopt. Door de terugslagklep voorzien aan de kant van het bekken kan het water niet terug naar de Onledebeek lopen.

96

Info uit de beschrijvende nota bij de aanvraag van de bouwvergunning voor het bufferbekken aan de Onledebeek verkregen bij de dienst Waterlopen van de Provincie West-Vlaanderen


124 Om het waterpeil steeds hoger te houden dan de laagste waterstanden van de waterloop is er een uitlaat met schotbalken voorzien. Men hoopt dat het waterpeil dus steeds voldoende hoog zal gehouden worden. Men voorziet dat er hoogstens om de drie jaar, bij langdurige droge periodes, geen water in het bekken zal staan. De studie rond het ontwerp van het bufferbekken werd opgemaakt door studiebureau Demey. De werken werden op 15 september 2009 aanbesteed. De kosten werden geraamd op 421.059,07- EUR (incl. BTW). Men hoopt te starten met de aanleg in de zomer van 2010, de aanleg zou minimaal 70 dagen duren.


125 4.7.3. Voorstellen tot alternatieven en punten van kritiek 4.7.3.1. Algemeen In andere Provincies wordt er gekeken wat de mogelijkheden zijn naar integraal waterbeheer toe. Voor een groot project als dit rekenen ze dan ook op een duurtijd van 7 jaar of meer. Het bufferbekken komt er al in de zomer van 2010. Dit wil zeggen dat het volledige project maar een kleine 3 jaar zal duren tot de realisatie. Dit doet vermoeden dat er toch weinig moeite gedaan is om te kijken of er alternatieven zijn om tot een integrale en duurzame oplossing te komen. Het bufferbekken zal op korte termijn zeker de woonkern van Beveren beschermen maar er is geen aanwijzing gevonden dat er rekening werd gehouden met de gevolgen op het watersysteem van bijkomende verhardingen die er zullen komen door de aanleg van extra industrieterreinen ten Zuiden van de ring R32. Dit terrein te zien in Figuur 49 is nu immers nat grasland. Sommige stukken van dit terrein zijn met plasbermen voorzien maar het volledige terrein is nat grasland en zou ook een ideale plaats zijn als natuurlijk overstromingsgebied. Volgens de beschrijvende nota is het ideaal om te bufferen net voor de plaats waar de problemen zich voordoen. Dit terrein bevindt zich net voor het centrum van Beveren en kan met bijvoorbeeld een stuwdam voorzien worden om dienst te doen als natuurlijk overstromingsgebied. In Stuwdammen wordt het principe van een stuwdam uitgelegd. Op het perceel waar nu het bufferbekken komt kan er ook met het principe van een stuwdam gewerkt worden. Qua grondverzet is een stuwdam veel goedkoper en het bufferend vermogen zal veel groter zijn dan een uitgegraven bekken. De landbouwpercelen die achter de dam liggen kunnen dan dienst doen als natuurlijk overstromingsgebied met een veel groter bufferend vermogen tot gevolg. De landbouwers kunnen in samenspraak vergoedingen krijgen eventueel via beheersovereenkomsten of blauwe diensten.

Figuur 49: toekomstig industrieterrein


126 De twee hoofdfuncties van het bufferbekken zullen vooral inhouden dat de omringende landbouwgronden niet overspoelen en dat er gratis watervoorziening is voor de land- en tuinbouwers. In andere provincies worden er grondverwervingen en bestemmingswijzigingen gedaan met het oog op een integrale aanpak en ook oog voor natuur en zachte recreatie. Het is bovendien de bedoeling dat er vooral in de zomerperiodes water uit het stuk waterspaarbekken zal gepompt worden. Pas na de uitgraving van het bekken zal er echt kunnen vastgesteld worden of er grondwater in de laagste niveaus van het waterspaarbekken insijpelt. Indien er constant water gewonnen wordt uit het bekken zal het grondwater in het spaarbekken constant vernieuwd worden met het gevolg dat er toch grondwateronttrekking is, ook al liggen de pompbuizen boven grondwaterniveau. Enkel via een langdurige monitoring met peilbuizen kan er met 100% zekerheid worden gezegd dat er op de geplande niveaus geen grondwaterinsijpeling zal zijn. Het zakken van het grondwaterniveau kan allerlei problemen naar verdroging toe teweeg brengen. Het omringende landschap en natuur zal uitsterven maar ook de landbouw kan negatieve gevolgen van verdroging van het grondwater ondervinden. Als het grondwater uitgeput wordt zal er ook nog eens meer moeten gesproeid worden. In de zomer zal er sowieso minder water in het bekken aanwezig zijn dan in de winterperiodes wanneer er meer neerslag valt. Net in die zomerperiodes zal er meest water opgepompt worden met het gevolg dat er veel water van de Onledebeek zal nodig zijn. Door de knijpconstructie dicht te houden zal er water van de Onledebeek in het waterspaarbekken gelaten worden. Dit kan als gevolg hebben dat er steeds minder water voorradig zal zijn in de benedenstroom achter het bufferbekken. Dit kan eveneens problemen geven naar verdroging in de benedenstroom van de waterloop. Een verminderde waterstroom of op momenten zelfs geen of bijna geen waterstroom is nefast voor de bestaande fauna en flora in de benedenstroom van de Onledebeek.


127 In de beschrijvende nota bij de bouwaanvraag wordt er vermeld dat onderhandelen met zoveel eigenaars moeilijk is en dat het graven over 2 km duur zou zijn. Dit is echter tegenstrijdig met wat er benedenstrooms al gerealiseerd is in het centrum van Beveren. Daar werden er dure bouwgronden verworven om plaats te maken voor de waterloop via natuurtechnische werken en plasbermen waar er mee gepronkt wordt. Waarom kan er dan geen ruimte gemaakt worden in goedkoper landbouwgebied?

Figuur 50: natuurtechnische werken in centrum van Beveren

Figuur 51: ruimte voor waterloop aan nieuwe wijk in Beveren


128 Er wordt totaal niet gekeken naar de vele problemen in de bovenstroom. In de bovenstroom zorgen allerlei rechttrekkingen, inbuizingen, verhardingen en erosie voor een beperkter volume van de waterloop. De rechttrekkingen zorgen bovendien dat de lengte van de waterloop verkleint. Een beperkter volume zorgt er voor dat het water sneller afgevoerd wordt stroomafwaarts. De waterloop zelf kan ook weinig tot niets meer bijdragen aan de buffering bij hoge regenval. De verhardingen zorgen er bovendien voor dat er geen water meer kan doorsijpelen naar de bodem en dat er weinig tot geen biodiversiteit meer in de waterloop is. Verhardingen zorgen er ook voor dat de ruwheid van de waterloop vermindert, waardoor nog maar eens de waterafvoersnelheid wordt bevorderd. Omdat het bufferbekken zich in natuurverbindingsgebied zal bevinden wordt er rekening gehouden met de natuurlijke inrichting van het bekken. Dit zal ervoor zorgen dat er aan het bekken enkele watervogels en zo meer zullen zijn maar de rest van de waterloop blijft verwaarloosd. Net ten noorden, stroomopwaarts van waar het bekken komt, bevindt er zich een lange inbuizing die er gelegd werd om meer landbouwgrond te creĂŤren. De waterloop hier weer vrij laten en natuurlijk laten overstromen zou al voor een groot bufferend vermogen kunnen zorgen. De aangelande landbouwers zouden via beheersovereenkomsten kunnen vergoed worden voor het overstromen van hun percelen.

Figuur 52: inbuizing ten noorden van het geplande bufferbekken


129 In Figuur 53 is de inbuizing te zien. De waterloop is ingebuisd van aan de boom in de verte tot aan de monding net ten noorden van waar het bufferbekken zal komen.

Figuur 53: inbuizing onder landbouwperceel

Ook in de bovenstroomse gebieden en in andere stukken van de waterloop zijn er veel verhardingen en inbuizingen aangebracht. In Figuur 54 zijn maar enkele voorbeelden te zien van verhardingen en inbuizingen langsheen de waterloop.

Figuur 54: verhardingen en inbuizingen in de bovenstroom


130 Erosie zorgt voor het dichtslibben van de waterlopen waardoor de waterloop in volume vermindert en dus minder zelf kan bufferen. Dit zorgt ook voor een hogere afvoersnelheid. Stroomopwaarts van waar het bufferbekken zal komen zijn er vele percelen die met erosie te kampen hebben. De erosie heeft verschillende oorzaken zoals de vele ophogingen in de omringende percelen van de Onledebeek en de landbouwers die dikwijls veel te dicht bij de oever hun percelen bewerken. In Figuur 55 is een zeer duidelijk hoogteverschil te zien tussen de verschillende percelen. Dit is ten gevolge van verschillende ophogingen van het terrein. Vaak wordt er dan nog tot aan de oever van de waterloop geploegd, zoals ook duidelijk te zien in de figuur, zodat afstromend water en modder eigenlijk nergens meer tegen gehouden wordt. De vele ophogingen in de bovenstroomse landbouwgebieden zorgen dus voor veel erosie en ook opnieuw een versnelde afvoer van hemelwater.

Figuur 55: ophoging van landbouwgronden


131 In Figuur 56 is te zien dat er veel erosie is langs de Onledebeek. Op sommige plaatsen van de Onledebeek moet er jaarlijks of zelfs meermaals per jaar slib afkomstig van erosie geruimd worden. Dit brengt hoge kosten met zich mee. Via maatregelen zoals grasbufferstroken, aarden dammen,‌ die beschreven staan in 3.2.2.4 Erosiebestrijding kunnen veel problemen rond erosie preventief worden aangepakt. Ook de landbouwers dienen meer rekening te houden met preventie. Via eventuele beheersovereenkomsten kan een duurzame oplossing met de landbouwer besproken worden.

Figuur 56: erosie langs de Onledebeek


132 Rond de Huweynsbossen, meer stroomopwaarts van waar het bufferbekken komt, zijn er zeker ook mogelijkheden om water te bergen. Vroeger waren er hier sowieso natuurlijke overstromingsgebieden met prachtige fauna en flora. De landbouwers hebben zich deze overstromingszones toegeĂŤigend. Ze hebben de bestaande bloemenpracht omgeploegd en proberen nu op de natte gronden maĂŻs te kweken met weinig succes. Op deze stukken, die toch weinig opleveren voor de betreffende landbouwers, kan er zeker voor natuurlijke buffering gezorgd worden.

Figuur 57: natte gronden aan de Huweynsbossen

Het opnieuw gebruiken van deze percelen als natuurlijk gebied en niet meer als landbouwgebied zou als gevolg geven dat er snel weer een prachtige fauna en flora terug keert. De poelen die er nu nog zijn zoals te zien in Figuur 58 tonen een mooi voorbeeld van hoe het hier in het verleden was en hoe het met enkele simpele maatregelen weer zou kunnen zijn.

Figuur 58: bestaande poelen aan de Huweynsbossen


133

5. Conclusie Er moet een integrale aanpak bekeken worden om de landschapswaarde en de biodiversiteit rond de Vlaamse waterlopen hoog te houden. In de toekomst zou er niet meer mogen gewerkt worden door meteen op de plaats van het probleem een bekken aan te leggen en dan te kijken wat er gebeurt. Dit is nu veelal het geval in West-Vlaanderen waardoor na enkele jaren vastgesteld wordt dat er nog wateroverlast is op andere plaatsen en dat er opnieuw nood is aan een extra bekken. Andere provincies proberen via modellering een integraal beeld van het watersysteem te krijgen en beslissen dan de beste en meest duurzame oplossing. Hier moet er dus weer op gewezen worden dat het best kan gewerkt worden door het volledige stroomgebied van een waterloop met zijn overstromingsgevoelige plaatsen in kaart te brengen via modellering. Wanneer blijkt uit modellering en de overstromingstesten op de computermodellen dat kleinere, meer natuurlijke werken aan de waterloop gewoonweg niet voldoende zijn, dan is een waterbufferbekken een mogelijkheid naast de meer natuurlijke oplossingen zoals stuwdammen, retentiezone en gecontroleerde overstrominsgebieden die in andere provincies meer gebruikt worden. Indien er een waterbufferbekken aangelegd wordt moet er gekeken worden naar een oplossing waarbij het bekken zich kan integreren in het landschap en op termijn een deel kan worden van de natuur. Een waterbufferbekken mag dus niet gewoon een rechthoekige of cirkelvormige betonnen bak zijn. Een bekken met een meer natuurlijke grillige vorm zal niet alleen mooier ogen in het landschap maar is ook aantrekkelijker voor fauna en flora. Hierbij is de aanleg van een nat bekken met gradiënten de beste oplossing. Omdat er constant water aanwezig is, is dit de ideale plaats voor vissen, amfibieën en waterplanten. De gradiënten geven ook een meer natuurlijke toets aan het bekken. Natuurlijke oevers van vijvers gaan immers ook niet steil naar beneden. Deze gradiënten kunnen dan dienen voor verschillende soorten waterplanten en ook als paaiplaats voor vissen. De diepste gradiënten kunnen dan eventueel gebruikt worden om water op te pompen voor de landbouw. Om tot een integrale aanpak van het watersysteem te komen, zal er ook goede wil nodig zijn van alle betrokken partijen. In het verleden werd er nauwelijks rekening gehouden met de natuurwaarde van een waterloop of de ruimte die een waterloop nodig heeft. In het verleden werden waterlopen in een keurslijf gegoten waardoor de waterloop geen ruimte meer krijgt om natuurlijk te overstromen. Nog steeds wordt er tot vlak bij de waterloop gebouwd en worden er landbouwpercelen bewerkt tot vlak bij de oevers. Een goede handhaving van de wetgeving en een goede ruimtelijke ordening kan vele waterproblemen oplossen. De landbouwers die percelen bezitten naast waterlopen hebben een maatschappelijke verplichting om deze waterlopen te beschermen en te vrijwaren van vervuiling en verstoring. Via beheersovereenkomsten en/of blauwe diensten worden de landbouwers een middel aangereikt om zonder veel inkomstenverlies mee te helpen aan een goed watersysteem.


134


135

6. Bibliografie Cursus De Winne Luc, Keuzemodule “Administratief goederenrecht”: Onbevaarbare waterlopen (academiejaar 2009-2010)

Brochures Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, april 2002, Code van Goede Landbouwpraktijken Natuur Dienst Waterbeleid Antwerpen, Retentiezone ‘Itterbeek’ Steunpunt Land en Water provincie Limburg, oktober 2009 en juli 2009, Anders omgaan met Land en Water HIC (Hydrologisch Informatiecentrum), juni 2005, On line voorspellingsmodellen in het hoog- en laagwaterbeheer Dienst Waterlopen, provincie Vlaams-Brabant, 2008, Zorg voor water

Beleidsdocumenten Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, 16 december 2008, Stroomgebiedbeheerplannen voor Schelde en Maas (ontwerp Openbaar Onderzoek) Integraal Waterbeleid Leiebekken, 30 januari 2009, Het bekkenbeheerplan van het Leiebekken (2008-2013) Integraal Waterbeleid Leiebekken en Waterschap Mandel-Devebeek, 15 augustus 2009, Leiebekken Ontwerp Deelbekkenbeheerplan Mandel Provincie West-Vlaanderen, 6 maart 2002, Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan West-Vlaanderen Wvi (West-Vlaamse Intercommunale), 2004, DuLo-Waterplan voor het deelbekken ‘Mandel’ Provincie West-Vlaanderen, 18 december 2008, Provinciaal Milieubeleidsplan 2009-2013 Provincie West-Vlaanderen VVSG en Vlaamse Overheid, 21 december 2007, Samenwerkingsovereenkomst gemeenten 20082013 WVI (West-Vlaamse Intercommunale en stad Roeselare, 21 november 2005, Roeselare Gemeentelijk Milieubeleidsplan 2005-2009 Stad Roeselare, 29 maart 2010, Milieujaarprogramma 2010

Andere Danckaert S. & Carels K. (2009) Blauwe diensten door de Vlaamse land- en tuinbouw, Departement Landbouw en Visserij, afdeling Monitoring en Studie, Brussel.


136 beschrijvende nota bij de aanvraag van de bouwvergunning voor het bufferbekken aan de Onledebeek verkregen bij de dienst Waterlopen van de Provincie West-Vlaanderen het verslag van de overstromingen van Juli 2005 in West-Vlaanderen (opgemaakt in februari 2006 door VMM, afdeling Water) verkregen bij dienst Waterlopen van provincie West-Vlaanderen DECREET BETREFFENDE DE BODEMSANERING EN DE BODEMBESCHERMING VAN 27 OKTOBER 2006

Internet Europese kaderrichtlijn water: Info verkregen via de website http://eur-lex.europa.eu (2010-02-11) Nitraatrichtlijn: Info verkregen via de website http://www.vcm-mestverwerking.be (2010-02-13) Wet op de onbevaarbare waterlopen, politiereglement op de onbevaarbare waterlopen, decreet integraal waterbeleid, bermbesluit, decreet natuurbehoud, uitvoeringsbesluit natuurbehoud: Info verkregen via de website http://www.vvpw.be (2010-02-10) Burgerlijk wetboek: Info verkregen via de website http://ccff02.minfin.fgov.be (2010-03-10) Uitvoeringsbesluit watertoet:s Info verkregen via de website http://www.watertoets.be (2010-03-03) Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: Info verkregen via de website http://www.rwo.be (2010-03-03) Uitvoeringsbesluit Ruimtelijke Ordening: Info verkregen via de website http://www2.vlaanderen.be (2010-03-03) Mestdecreet: Info verkregen via de website http://navigator.emis.vito.be (2010-03-17) Code voor goede natuurpraktijk: Info verkregen via de website http://www.lne.be (2010-03-03) Code voor goede natuurpraktijk: Info verkregen via de website http://www.staatsbladclip.be (2010-03-03) Code voor goede landbouwpraktijk: Info verkregen via de website http://lv.vlaanderen.be (2010-03-17) Besluit van de Vlaamse Regering betreffende de beheersovereenkomsten: Info verkregen via de website http://www.vlm.be (2010-02-24) Waterspaarbekken Ardooie: Info verkregen via de website http://www.pomwvl.be (2010-05-12)


137 Algemene informatie bufferbekkens: Info verkregen via de website www.lne.be (2010-01-07) Definitie plasbermen Info verkregen via de website http://www.ecopedia.be (2010-03-10) informatie lichthellende oevers en plasbermen: Info verkregen via de website http://www.polderblankenberge.be (2010-03-10) Gewestplan, orthofoto, watertoets op plaats van gepland bufferbekken: Info verkregen via de website http://geo-vlaanderen.agiv.be (2010-05-04) Situering Onledebeek in dorpskern Beveren-Roeselare: Info verkregen via de website http://maps.google.be/maps (2010-05-09)


138


139

BIJLAGEN


140


141

Bijlage 1: Kaart stroomgebieddistrict van Schelde en Maas 97

97

Coรถrdinatiecommissie Integraal Waterbeleid, 16 december 2008, Stroomgebiedbeheerplannen voor Schelde en Maas (ontwerp Openbaar Onderzoek)


142


143

Bijlage 2: Overzicht van de doelstellingen( OPD: operationele doelstelling), herstelmaatregelen (M), aanbevelingen (R) en acties (A) voor vasthouden 98

98

Integraal Waterbeleid Leiebekken, 30 januari 2009, Het bekkenbeheerplan van het Leiebekken (2008-2013)


144


145

Bijlage 3: Overzicht van de doelstellingen (OPD: operationele doelstelling), herstelmaatregelen (M), aanbevelingen (R) en acties (A) voor bergen 99

99

Integraal Waterbeleid Leiebekken, 30 januari 2009, Het bekkenbeheerplan van het Leiebekken (2008-2013)


146


147

Bijlage 4: Overzicht van de doelstellingen(OPD: operationele doelstelling), herstelmaatregelen (M), aanbevelingen (R) en acties (A) voor afvoeren 100

100

Integraal Waterbeleid Leiebekken, 30 januari 2009, Het bekkenbeheerplan van het Leiebekken (2008-2013)


148


149

Bijlage 5: voorbeeld van een agrobeheersgroep

ECO KWADRAAT101

Voor de uitvoering van de beheersovereenkomst werd ECO KWADRAAT opgericht. Dit is een samenwerking tussen de Boerenbond, de Vlaamse Landmaatschappij, agro|aanneming met de steun van het Agentschap voor Natuur en Bos, het Limburgs Steunpunt Rurale Ontwikkeling vzw en Rurant vzw. De naam komt voort uit het gezamenlijk ecologisch als economisch project. Het doel is dat landbouwers, tegen betaling door beheerders (gemeentebesturen, overheidsinstanties, vzw’s,…), bij derden natuur- en landschapswerken uitvoeren. Het voordeel voor landbouwers, naast het bijkomend inkomen dat ze verdienen, is dat zij de nodige machines reeds tot hun beschikking hebben en dat zij ervaring hebben met dit soort werken. Een ander voordeel is dat zij kunnen afspreken met andere leden wie welke werken tot uitvoering brengt om zo tot een efficiënte werking te komen. Door werken uit te voeren als vennoot van agro|aanneming komt er voor de boer weinig administratie aan te pas en worden alle werken gecoördineerd. Door hierbij aan te sluiten kan de landbouwer een bijkomende verdienste innen zonder teveel administratie of zonder dat de werken zijn hoofdactiviteit nadelig beïnvloeden op het vlak van btw en fiscaliteit. Het voordeel voor de beheerder is dat bekwame en flexibele mensen met de juiste machines aan natuur- en landschapsbeheer meewerken. Door de steun van agro|aanneming aan de landbouwers wordt de tevredenheid van elke opdrachtgever nog vergroot. De vergoedingen worden besproken in een beheerscontract dat individueel afgesloten wordt tussen de overheid en de landbouwer. Deze vergoedingen worden bepaald in de beheersovereenkomst. De agrobeheersgroepen bieden ondersteuning, begeleiding, advies en een kenniscentrum voor de landbouwers. De eerste agrobeheersgroep werd opgericht in het West-Vlaamse Sint-Denijs bij Zwevegem. Het telt ongeveer 15 vennoten en is gericht op akkervogelbeheer.

101

Info verkregen via de website http://www.ecokwadraat.be (2010-04-14)


150


151

BIJLAGE 6: Ruimtelijk concept natuurverbindingsgebieden en ecologische structuur van bovenlokaal belang 102

102

Provincie West-Vlaanderen, 6 maart 2002, Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan West-Vlaanderen


152


153

Bijlage 7: Plan bufferbekken


154


155

Bijlage 8A: Kaart Onledebeek en Krommebeek met aanduiding van categorieĂŤn en afstroomgebieden


156

Bijlage 8B: stroomgebiedkaart Onledebeek en Krommebeek


Omgaan met wateroverlast