Issuu on Google+

Samenvatting:

VITA Module 4 – Waarnemen

vmbo-bk

Basisstof 1 Waarnemen met je zintuigen Om te onthouden Bij waarnemen gebruik je zintuigen. Ogen, oren, neus, tong en huid zijn je zintuigen. In je zintuigen liggen zintuigcellen. Zintuigcellen maken seintjes als ze worden geprikkeld. Zo’n seintje heet een impuls. – De impuls wordt afgegeven aan een zenuw. – Via de zenuw gaat een impuls naar je hersenen. – Dan neem je de prikkel waar. Soms moet je heel snel reageren op een prikkel. Zo’n snelle reactie heet een reflex.

1


Basisstof 2 Zien Om te onthouden In de schedel zitten de oogkassen. In de oogkassen liggen de ogen. De onderdelen van het oog: – Het harde oogvlies beschermt het binnenste van het oog. Aan het harde oogvlies zitten oogspieren vast. De oogspieren bewegen de ogen. – Het hoornvlies laat licht het oog binnen. – De iris zorgt voor de grootte van de pupil. – De pupil is de opening in de iris. De pupil kan groter of kleiner worden. – De lens zorgt ervoor dat je scherp kunt zien. – Het netvlies bevat de gezichts-zintuigcellen. – Het vaatvlies is de middelste laag van de wand van het oog. Via het vaatvlies krijgt het oog voedsel. – De oogzenuw is de verbinding van het oog met de hersenen. De gezichts-zintuigcellen zijn gevoelig voor licht. Als er licht op komt, maken zij impulsen. Deze impulsen gaan door de oogzenuw naar het gezichtscentrum. In het gezichts-centrum worden al deze impulsen verwerkt. Daardoor zie je iets. Om te onthouden Bescherming van het oog: – De wenkbrauwen voorkomen dat er zweet in je ogen komt. – De oogleden houden stofjes en vliegjes tegen. – De wimpers houden vuil tegen. Ook beschermen je wimpers je ogen tegen te fel licht. – De traanklieren maken traanvocht. Het traanvocht voorkomt dat de ogen uitdrogen. En het spoelt kleine of prikkelende stofjes weg. Door de traanbuis gaat het traanvocht naar de neusholte. De pupil-reflex is het groter en kleiner worden van de pupil. De pupil-reflex beschermt de gezicht-zintuigcellen tegen te veel licht. Een zonnebril, een eclips-bril en een lasbril beschermen je ogen tegen te fel licht.

2


Om te onthouden Lichtbronnen geven licht. Er zijn natuurlijke lichtbronnen en kunstmatige lichtbronnen. Als er licht van een lichtbron in je ogen komt zie je de lichtbron. Een voorwerp weerkaatst licht. Als dit licht in je ogen komt zie je het voorwerp. Om te onthouden De kleuren van wit licht noemen we een spectrum. Dat zijn de kleuren rood, oranje, geel, groen, blauw en violet. Een gekleurd voorwerp kaatst alleen licht van zijn eigen kleur terug. Er zijn twee soorten gezichts-zintuigcellen: – Door de kegeltjes zie je kleuren. Ze werken alleen als er veel licht op valt. – Door de staafjes zie je wit, zwart en grijs. Ze werken ook nog als er weinig licht op komt. Om te onthouden Het deel van je omgeving dat je ziet is je gezichtsveld. Om te onthouden Veel dieren zien hun omgeving heel anders dan jij.

3


Basisstof 3 Scherpstellen en kleuren zien Om te onthouden Lichtstralen van een lichtbron gaan rechtdoor. Als lichtstralen op een lens vallen, veranderen ze van richting. Er zijn bolle lenzen en holle lenzen. – Een bolle lens buigt lichtstralen naar elkaar toe. – Een holle lens buigt lichtstralen van elkaar af. Om te onthouden Een spiegel weerkaatst lichtstralen. Het spiegelbeeld is wat je in een spiegel ziet. Lachspiegels zijn niet vlak. Daardoor zie je misvormde spiegelbeelden. Om te onthouden De bolle lens in je oog verandert de richting van de lichtstralen. Daardoor ontstaat er een scherp beeld op het netvlies. Door de bolle lens in je oog staan de beelden op het netvlies op zijn kop. In het gezichts-centrum in je hersenen worden de beelden omgekeerd. Bij een digitale foto-camera zorgen de lenzen voor een scherp beeld. Bij een digitale camera komt het beeld op de beeld-sensor. Voor scherpe foto’s moet je een digitale camera scherpstellen. – Als je de camera scherpstelt bewegen de lenzen van de camera. Om scherp te zien moet het oog ook scherpstellen. – Het oog doet dat door de lens boller of platter te maken. Om te onthouden Sommige mensen zien niet alles scherp doordat: – er iets mis is met de vorm van het hele oog; – er iets mis is met de lens van het oog. Bij sommige mensen is de lens niet bol genoeg. Bij sommige mensen is de lens te bol. Met een bril of contactlenzen met bolle of hollen lenzen kunnen zij wel scherp zien.

4


Om te onthouden Als je blind bent zie je helemaal niets. Je kunt blind zijn doordat: – de gezichts-zintuigcellen niet werken; – de oogzenuw niet werkt; – het gezichts-centrum niet werkt. Als je kleurenblind bent, heb je problemen met het zien van kleuren. Er is dan iets mis met de kegeltjes. Als geen enkel kegeltje werkt, ben je helemaal kleurenblind. Je ziet dan alleen zwart, wit en grijstinten. Wanneer een deel van de kegeltjes niet werkt ben je gedeeltelijk kleurenblind. Je ziet dan wel kleuren, maar niet alle kleuren. Om te onthouden In een gloeilamp zit een gloeidraad. Als de lamp brandt, geeft de gloeidraad licht. Elke keer als de lamp brandt, beschadigt de gloeidraad een klein beetje. Uiteindelijk gaat de gloeidraad stuk. Om te onthouden Door gekleurd licht te mengen, krijg je andere kleuren licht. Het beeld op een kleurenbeeldscherm bestaat uit gekleurde blokjes. Er zijn blokjes met de kleuren rood, groen en blauw. Door het licht van deze blokjes te mengen worden alle kleuren gemaakt. Om te onthouden Kleuren kunnen allerlei betekenissen hebben. De betekenis van kleuren kan verschillen per cultuur

5


Basisstof 4 Horen Om te onthouden Er is geluid nodig om iets te kunnen horen. Geluid bestaat uit trillingen. Deze trillingen neem je met je oren waar. Geluid komt van geluidsbronnen. Er zijn natuurlijke geluidsbronnen en kunstmatige geluidsbronnen. Om te onthouden In je schedel zitten oorholtes. Een deel van je oor ligt buiten de oorholtes. Dat heet het uitwendige oor. De onderdelen van het oor: – oorschelp: vangt trillingen van geluid op; – gehoorgang: vervoert de trillingen naar het trommelvlies; – trommelvlies: gaat trillen en laat gehoorbeentjes ook trillen; – gehoorbeentjes: geven trillingen door aan het slakkenhuis; – slakkenhuis: hier liggen de gehoor-zintuigcellen. De gehoor-zintuigcellen zetten de trillingen om in impulsen. De gehoorzenuw vervoert de impulsen naar het gehoorcentrum. In het gehoorcentrum worden al deze impulsen verwerkt. Daardoor ontstaan klanken die je herkent. Om te onthouden Met je stem breng je de lucht om je heen in trilling. – Met je stem kun je de lucht hard of zacht laten trillen. – Daardoor maak je harde of zachte geluiden. Met je stem kun je de lucht langzaam of snel laten trillen. – Trilt de lucht langzaam, dan heeft het geluid een lage toon. – Trilt de lucht snel, dan heeft het geluid een hoge toon. In het slakkenhuis liggen veel gehoor-zintuigcellen. – Sommige gehoor-zintuigcellen zijn alleen gevoelig voor hoge tonen. – Andere gehoor-zintuigcellen zijn alleen gevoelig voor lage tonen.

6


Om te onthouden De geluidssterkte geeft aan hoe zacht of hard de lucht trilt. De gehoordrempel is de geluidssterkte waarbij je het geluid nog net hoort. De pijngrens is de geluidssterkte waarbij het geluid pijn doet aan je oren. Geluiden met een geluidssterkte hoger dan de pijngrens kunnen je gehoor ernstig beschadigen. De geluidssterkte geef je aan in decibel of dB. – Een geluidssterkte boven 90 dB kan je gehoor beschadigen. – De pijngrens is ongeveer 140 dB. Het toonbereik is: alle tonen die je kunt horen. Een toonhoogte noemen we ook een frequentie. De frequentie geef je aan met hertz of Hz. – Een lage toon heeft een lage frequentie. – Een hoge toon heeft een hoge frequentie. Om te onthouden De oorsmeerkliertjes maken oorsmeer. – Oorsmeer houdt stof en vuil tegen. – Oorsmeer houdt het trommelvlies soepel. Harde geluiden van apparaten kunnen je gehoor beschadigen. Oorbeschermers voorkomen gehoorbeschadigingen. Om te onthouden Veel dieren horen hun omgeving heel anders dan jij.

7


Basisstof 5 Geluid en gehoorproblemen Om te onthouden In je keel ligt het strottenhoofd. In het strottenhoofd liggen de stembanden. Als je niet praat is er een brede stem-spleet tussen de stembanden. Als je praat, wordt de stem-spleet tussen de stembanden smal. Als je praat persen je long lucht door de stem-pleet. – De stembanden gaan dan trillen. – Hierdoor trilt de lucht in je keel en ontstaan geluiden. Als de stembanden strak gespannen staan, trillen ze snel. Het geluid dat ontstaat is hoog. Een laag geluid ontstaat als de stembanden niet zo strak gespannen zijn. In de puberteit krijgen jongens de baard in de keel. – De stembanden worden langer. – Hun stem wordt lager. Als de lucht rustig door de stem-spleet gaat, praat je zacht. Als de lucht krachtig door de stem-spleet gaat, praat je hard. Om te onthouden In een microfoon zit een flexibel vlies. Door de trillingen van je stemgeluid gaat het vlies trillen. De trillingen van het vlies worden omgezet in elektrische stroompjes. De mobiele telefoon zet de elektrische stroompjes om in andere signalen. Deze signalen gaan van de ene naar de andere mobiele telefoon. In een mobiele telefoon zit een luidspreker. De luidspreker zet elektrische stroompjes om in geluid. In een luidspreker zit ook een flexibel vlies. Er gaan elektrische stroompjes naar de luidspreker. Het vlies gaat trillen en laat de lucht trillen. Je hoort dan geluid.

8


Om te onthouden Soms komt het geluid niet goed bij het trommelvlies. Je kunt je oren dan voorzichtig schoonmaken. Iemand is doof als hij helemaal niets hoort. De gehoor-zintuigcellen, de gehoorzenuw of het gehoorcentrum werkt niet. Iemand is slechthorend als hij niet goed meer hoort. Het trommelvlies, de gehoorbeentjes of de gehoorzintuigcellen werken niet goed. Je kunt je oren testen met een gehoortest. Sommige slechthorenden dragen een gehoorapparaat of hoortoestel. In een gehoorapparaat zitten een microfoon, een chip, een versterker en een luidspreker. Om te onthouden Bij geluidsoverlast hebben mensen last van te veel geluid. Er zijn regels opgesteld om geluidsoverlast te voorkomen. Door geluids-isolatie blijft het geluid zoveel mogelijk binnen. Om te onthouden Geluiden kunnen allerlei betekenissen hebben. Geluiden kunnen je waarschuwen.

9


Basisstof 6 Ruiken Om te onthouden Het reukzintuig ligt in de neusholte. Reuk-zintuigcellen reageren op geuren. Geurstoffen zijn stoffen die je ruikt. In de neus zitten neusharen. Neusharen houden grote stofdeeltjes tegen. In je neus zit het neus-slijmvlies: – het neus-slijmvlies vangt kleine stofdeeltjes op; – het neus-slijmvlies verwarmt de lucht; – het neus-slijmvlies maakt de lucht vochtig. Om te onthouden Als je verkouden bent, ruik je niet goed. Neusdruppels zijn geneesmiddelen. Een ander woord voor geneesmiddel is medicijn. Een recept is een briefje van de huisarts. Op het recept staan de geneesmiddelen. Met het recept kun je bij een apotheek geneesmiddelen halen. Bij geneesmiddelen zit een bijsluiter. Op de bijsluiter staat van alles over het geneesmiddel. Geuren waarschuwen je. Als je iets ruikt, gaan impulsen naar je hersenen. In je hersenen word je je bewust van de geur. Om te onthouden De lichaamsgeur is de eigen geur van mensen. Je kunt je lichaamsgeur verbergen met parfum of deodorant. Alcohol en water zijn voorbeelden van oplosmiddelen. Geurstoffen kunnen hierin oplossen. Je krijgt dan parfum. Om te onthouden Sommige mensen kunnen niet goed ruiken. Ze hebben een reuk-stoornis. Een reuk-stoornis kan verschillende oorzaken hebben: – aangeboren afwijking; – beschadiging van het reukcentrum; – beschadiging van de reukzenuw; – aantasting van de reuk-zintuigcellen, bijvoorbeeld door giftige stoffen. Het kan gevaarlijk zijn als je niet kan ruiken.

10


Om te onthouden Dieren hebben verschillende manieren om te ruiken. Sommige dieren hebben meer reuk-zintuigcellen dan mensen. Hierdoor kunnen ze meer en beter ruiken. Sommige dieren ruiken op een andere manier. Een slang gebruikt zijn tong bij het ruiken.

11


Basisstof 7 Proeven Om te onthouden De vier smaken die je met je tong waarneemt zijn bitter, zoet, zout en zuur. Voor iedere smaak zijn er smaak-papillen. Deze liggen op je tong. In de smaak-papillen liggen de smaak-zintuigcellen. Smaak-papillen voor één smaak liggen bij elkaar. Op het puntje van je tong liggen de smaak-papillen voor zoet. Vooraan, aan de zijkant, liggen de smaak-papillen voor zout. Achteraan, aan de zijkant, liggen de smaak-papillen voor zuur. Achter op de tong, in het midden, liggen de smaakpapillen voor bitter. Om te onthouden Om te proeven gebruik je ook je neus. Als je minder goed kunt proeven smaakt het eten anders. Je kunt minder goed proeven als je: – ouder wordt; – verkouden bent; – medicijnen gebruikt; – te heet gegeten hebt. Om te onthouden Je weet hoe iets hoort te smaken door smaak-herinneringen. Bij het proeven gebruik je verschillende zintuigen: – je proeft de smaak met je tong; – je ruikt de geur met je neus; – je voelt het voedsel met je tong; – je ziet hoe het voedsel eruitziet met je ogen. De hersenen gebruiken alle informatie. Je weet dan of je het wel of niet lekker vindt. Om te onthouden Smaak-voorkeur betekent dat je bepaalde dingen lekker vindt en andere niet. Smaak-voorkeur ontstaat door wat je regelmatig eet. In andere landen hebben mensen andere smaak-voorkeuren. Een smaak-voorkeur kan veranderen: – doordat je mensen met een andere smaak-voorkeur ontmoet; – doordat je andere dingen kunt kopen; – doordat je ouder wordt.

12


Om te onthouden Je smaak waarschuwt je tegen bedorven voedsel. Overgeven beschermt je tegen giftig of bedorven voedsel. Je leert wat je wel en niet kunt eten. Oudere mensen lusten meer dingen dan jonge mensen. Dieren gebruiken hun smaak ook om voedsel te keuren.

13


Basisstof 8 Voelen met je huid Om te onthouden Waarnemen met de huid heet voelen. Zintuigen reageren op prikkels. Voorbeelden van prikkels zijn: warmte, kou, pijn, aanraking. In de huid liggen verschillende zintuigen om te voelen: – warmte-zintuig: hier voel je warmte mee; – kou-zintuig: hier voel je kou mee; – pijn-zintuig: hier voel je pijn mee; – tast-zintuig: hier voel je lichte aanraking mee; – druk-zintuig: hier voel je harde aanraking mee. Om te onthouden De huid bestaat uit de opperhuid en de lederhuid. De opperhuid bestaat uit twee lagen. De bovenste laag heet hoornlaag. – De hoornlaag beschermt je lichaam. – De hoornlaag bestaat uit dode cellen. – De hoornlaag slijt van boven steeds af. Op plaatsen waar de hoornlaag veel slijt zit eelt. Eelt is een dikke hoornlaag. Onder de hoornlaag ligt de kiemlaag. – De kiemlaag bestaat uit levende cellen. – De kiemlaag vult de hoornlaag van onder steeds aan. De lederhuid ligt onder de opperhuid. In de lederhuid liggen gevoel-zintuigen. In de lederhuid liggen zweetklieren. – Zweet bestaat uit water en zout. – Doordat zweet verdampt, koelt je lichaam af. – Zweet komt via een buisje op je huid. Een porie is de opening van een zweetklier. Om te onthouden Haren groeien in een haarzakje. Aan een haarzakje zit een talgklier. – Talgklieren maken talg. – Talg houdt je huid soepel. Bij kippenvel staan je haren recht overeind. Door hun haren rechtop te zetten lijken dieren groter. Ook blijven dieren daardoor beter warm. Met haren kun je voelen. Bijvoorbeeld met oogwimpers en snorharen.

14


Om te onthouden Je huid moet je regelmatig schoon maken. Door je te wassen – blijft je huid schoon; – heb je minder bacteriën waar je ziek van kunt worden; – was je zweetluchtjes weg. Hygiëne is schoon zijn. In de puberteit kun je veel last hebben van acne. Bij acne raken talgklieren verstopt. Door bacteriën ontstaat een ontsteking. Je hebt dan een puistje. Om te onthouden Je kunt je mooi maken met kleding en sieraden. Je kunt je ook mooi maken met make-up. Make-up is een tijdelijke versiering. Een tatoeage of een piercing is een blijvende versiering. Met henna kun je een tijdelijke tatoeage maken.

15


Samenvatting Module 4 Waarnemen BK