Page 1

DE BEER

DIE GEEN BEER WAS

F R A N K TA S H L I N


DE BEER

DIE GEEN BEER WAS


AAN PATRICIA ANNE, HET KLEINE MEISJE DAT EEN KLEIN MEISJE IS

Frank Tashlin

VOOR MILA & MAX

Dennis Gaens


De Beer die geen Beer was door Frank Tashlin Vertaald door Dennis Gaens colofon

De Beer die geen Beer was is een productie van productiehuis Oost-Nederland in samenwerking met Literair Productiehuis Wintertuin en Theater- en Dansproductiehuis Generale Oost.

tekst en illustr aties ontwerp r edactie

druk

Frank Tashlin

Jos Lenkens

Kim van Kaam & Maike Fleuren

Drukkerij Gianotten BV, Tilburg

oorspronkelijke titel :

The Bear That Wasn’t

© 1946 Frank Tashlin, uitgegeven door E.P. Dutton & Co. © 2011 Nederlandse vertaling Dennis Gaens voor Literair Productiehuis Wintertuin © 2011 Voor deze uitgave productiehuis Oost-Nederland en Literair Productiehuis Wintertuin

isbn

978-90-79571-12-3 nur

280

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op elke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


DE BEER

DIE GEEN BEER WAS DOOR

F R A N K TA S H L I N

productiehuis Oost-Nederland Literair Productiehuis Wintertuin Theater- en Dansproductiehuis Generale Oost


Lang geleden, om precies te zijn op een dinsdag, stond de Beer aan de rand van een groot bos en keek naar de hemel. Hoog in de lucht zag hij een groep ganzen naar het zuiden vliegen.


Daarna keek hij omhoog naar de bomen van het bos. De bladeren waren helemaal geel en bruin geworden en ze vielen van de takken.


Hij wist dat, als de ganzen naar het zuiden vlogen en de bladeren van de bomen vielen, de winter snel zou komen en dat sneeuw het bos zou bedekken. Het was tijd om een grot te zoeken en een winterslaap te houden.


En dat is precies wat hij deed.


Niet lang daarna, om precies te zijn op een woensdag, kwamen er mannen‌ een heleboel mannen, met tekeningen en kaarten en meetapparaten. Ze tekenden en maakten kaarten en maten het hele bos op.


Toen kwamen er nog meer mannen, een heleboel mannen met bulldozers en zagen en tractors en bijlen. Ze bulldozerden en zaagden en tractorden en bijlden het hele bos.


Ze werkten en werkten en werkten, en bouwden uiteindelijk een grote, enorme, gigantische


fabriek. Precies slapende Beer.

BOVENOP

de grot van de


De fabriek draaide de hele, koude winter door.


En toen was het weer

LENTE


Ver onder een van de fabrieksgebouwen werd de Beer wakker. Hij knipperde met zijn ogen en gaapte.

Hij stond op, nog steeds heel erg slaperig, en keek om zich heen. Het was heel erg donker. Hij kon amper iets zien.

Toen zag hij een licht in de verte. “O, dat is de ingang van de grot,� zei hij en hij gaapte nog een keer.


Hij liep de trap op naar de ingang

en stapte in het felle zonlicht van de lente. Zijn ogen waren maar half geopend, omdat hij nog steeds zo slaperig was. Zijn ogen bleven niet lang maar half geopend.

SPRONGEN

ineens Ze helemaal open. Hij keek recht voor zich uit.

Waar was het bos? Waar was het gras? Waar waren de bomen? Waar waren de bloemen?

WAT WAS ER GEBEURD? Waar was hij? Alles zag er zo vreemd uit. Hij wist niet waar hij was.


Maar wij wel, hè? Wij weten dat hij midden in een drukke fabriek stond.


“Ik zal wel dromen,” zei hij. “Natuurlijk! Dat is het! Ik droom.” Hij sloot zijn ogen en kneep zichzelf in zijn arm. Daarna opende hij langzaam zijn ogen en keek rond. De grote gebouwen waren er nog steeds. Hij droomde niet. Dit was echt.


Precies op dat moment kwam er een man door een deur. “Hé! Ga jij eens snel weer aan de slag,” zei de man. “Ik ben de Ploegbaas en ik zal rapporteren dat je niet aan het werk bent.” De Beer zei: “Ik werk hier niet. Ik ben een Beer.”


De Ploegbaas lachte ontzettend hard.

“Dat is de beste smoes die ik ooit van iemand gehoord heb die niet wilde werken.”

“Hij zegt dat hij een Beer is.”

De Beer zei: “Maar ik ben een Beer.”


De Ploegbaas stopte met lachen. Hij werd heel boos. “Probeer me nou niet voor de gek te houden,” zei hij. “Je bent geen Beer. Je bent een rare man die zich eens moet scheren en een bontjas draagt. Ik neem je mee naar de Bedrijfsleider.” De Beer zei: “Nee, u vergist zich. Ik ben een Beer.”


Ook de Bedrijfsleider was boos. Hij zei: “Je bent geen Beer. Je bent een rare man die zich eens moet scheren en een bontjas draagt. Ik neem je mee naar de Derde Onderdirecteur. De Beer zei: “Het spijt me u dat te horen zeggen… U moet begrijpen, ik ben een Beer.”


De Derde Onderdirecteur was nog bozer. Hij sprong uit zijn stoel en zei: “Je bent geen Beer. Je bent een rare man die zich eens moet scheren en een bontjas draagt. Ik neem je mee naar de Tweede Onderdirecteur.” De Beer leunde op de bureautafel en zei: “Maar dat klopt niet. Ik ben een Beer, gewoon een eenvoudige, doodgewone, alledaagse beer.”


De Tweede Onderdirecteur was meer dan boos of bozer. Hij was woedend. Hij wees naar de Beer en zei: “Je bent geen Beer. Je bent een rare man die zich eens moet scheren en een bontjas draagt. Ik neem je mee naar de Eerste Onderdirecteur.” “Wie? Ik?” vroeg de Beer. “Hoe kunt u dat nou zeggen als ik toch gewoon een Beer ben?”


De Eerste Onderdirecteur schreeuwde het uit van boosheid. Hij zei: “Je bent geen Beer. Je bent een rare man die zich eens moet scheren en een bontjas draagt. Ik neem je mee naar de Directeur.”


De Beer smeekte: “Alstublieft, dit is een vreselijke vergissing, weet u, want ik kan me niet anders herinneren dan dat ik altijd al een Beer ben geweest.�


“Luister,” zei de Beer tegen de Directeur. “Ik werk hier niet. En vertel me alstublieft niet dat ik een rare man ben die zich eens moet scheren en een bontjas draagt, want dat hebben de Eerste Onderdirecteur en de Tweede Onderdirecteur en de Derde Onderdirecteur en de Bedrijfsleider


en de Ploegbaas al tegen me gezegd.” “Fijn dat je me dat vertelt,” zei de Directeur. “Ik zal het ook niet zeggen, maar ik denk wel dat dat precies is wat je bent.” De Beer zei, “Ik ben een Beer.”


De Directeur lachte en zei: “Je kunt geen Beer zijn. Beren zitten alleen in de dierentuin of het circus. Ze zitten nooit in een fabriek en dat is precies waar jij bent: in een fabriek. Hoe kun je dan een Beer zijn?”

De Beer zei: “Maar ik ben een Beer.”


De Directeur zei: “Je bent niet alleen een rare man die zich eens moet scheren en een bontjas draagt, je bent ook nog eens heel eigenwijs. Ik ga je bewijzen, voor eens en voor altijd, dat je geen Beer bent.” De Beer zei: “Maar ik ben een Beer.”


En dus stapten ze allema al in de auto van de Directeur en reden na ar de dierentuin


“Is hij een Beer? ” vroeg de Directeur aan de Dierentuinberen. De Dierentuinberen zeiden: “Nee, hij is geen Beer, want als hij een Beer was, zou hij niet buiten de kooi staan, naast u. Hij zou in de kooi zitten, bij ons.” De Beer zei: “Maar ik ben een Beer.”


Een kleine baby-Dierentuinbeer zei: “Ik weet wat hij is. Hij is een rare man die zich eens moet scheren en een bontjas draagt.” Alle Dierentuinberen lachten. De Beer zei: “Maar ik ben een Beer.”


En dus verlieten ze de dierentuin en reden duizend kilometer verder na ar het dichtsTbijzijnde circus


“Is hij een Beer? ” vroeg de Directeur aan de Circusberen. De Circusberen zeiden: “Nee, hij is geen Beer, want als hij een Beer was, zou hij niet op de tribune in een stoel zitten, naast u. Hij zou een kleine hoed dragen met een gestreept lintje, een ballon vathouden en op een fiets zitten, samen met ons.” De Beer zei: “Maar ik ben een Beer.”


Een kleine baby-Circusbeer zei: “Ik weet wat hij is. Hij is een rare man die zich eens moet scheren en een bontjas draagt.” Alle Circusberen vielen bijna van hun fiets van het lachen. De Beer zei: “Maar ik ben een Beer.”


Ze verlieten het circus en reden terug naar de fabriek.


En zo lieten ze de Beer aan een grote machine werken, met een hoop andere mannen. De Beer werkte maanden en maanden aan de grote machine.


Op een dag lang daarna ging de fabriek dicht. De arbeiders vertrokken en gingen naar huis. De Beer liep op een grote afstand achter ze aan. Hij was alleen en had nergens om naartoe te gaan.


Terwijl hij verder liep, keek hij toevallig naar de hemel. Hoog in de lucht zag hij een groep ganzen naar het zuiden vliegen.


Daarna keek hij omhoog naar de bomen van het bos. De bladeren waren helemaal geel en bruin geworden en ze vielen van de takken.


De Beer wist dat, als de ganzen naar het zuiden vlogen en de bladeren van de bomen vielen, de winter snel zou komen en dat sneeuw het bos zou bedekken. Het was tijd om een grot te zoeken en een winterslaap te houden.


Dus liep hij naar een reusachtige boom met grote wortels waaronder een grot was uitgehold. Hij stond op het punt om erin te kruipen toen hij plotseling stopte en zei:


KAN NIET in een grot kruipen en een winterslaap houden. Ik ben GEEN Beer. Ik ben een rare man die zich eens moet scheren en een bontjas draagt.”

“Maar ik


En toen kwam de winter. De sneeuw viel en begon het bos en de Beer te bedekken. Hij zat daar te rillen van de kou en zei: “Maar ik zou wel graag een Beer willen zijn.�


Hoe langer hij daar zat, hoe kouder hij het kreeg. Zijn tenen waren bevroren, zijn oren waren bevroren en zijn tanden klapperden. IJspegels hingen aan zijn neus en zijn kin. Hij had zo vaak gehoord dat hij een rare man was die zich eens moest scheren en een bontjas droeg, dat het wel waar moest zijn. Dus bleef hij daar maar zitten, want hij wist niet wat een rare man die zich eens moest scheren en een bontjas droeg zou doen als hij in de kou dood begon te vriezen. De arme Beer voelde zich alleen en heel verdrietig. Hij wist niet wat hij moest denken.


Toen stond hij plotseling op en begon door de diepe sneeuw naar de grot te wandelen.

Binnen was het warm en knus. De ijzige wind en de koude, koude sneeuw konden hem hier niet bereiken. Hij voelde zich helemaal warm worden.


Hij zakte in een bed van denneboomtakken en viel al snel in een diepe, gelukzalige slaap en droomde zoete dromen, zoals alle beren als ze een winterslaap houden. Dus ook al hadden de en de PLOEGBA AS EERSTE ONDER DIR ECTEUR en de en de BEDR IJ FSLEIDER DIR ECTEUR en de en de DER DE ONDER DIR ECTEUR DIER ENTUINBER EN en de en de T W EEDE ONDER DIR ECTEUR CIRCUSBER EN gezegd dat hij een rare man was die zich eens moest scheren en een bontjas droeg, denk ik niet dat hij dat echt geloofde. Jij wel? Nee, inderdaad, hij wist dat hij geen rare man was,

en hij was ook geen gekke Beer.


F r a nk Ta sh l i n (1913 -1972) werd geboren in New Jersey en groeide op in Queens, New York. Al vroeg werkte hij als k lusjesjongen, inker en animator bij verschillende, voor u itst revende a n i mat iest ud io’s i n New York. L ater verhuisde hij naar Holly wood, waar hij werkte voor o.a. Disney, MGM, Warner Brothers en Screen Gems. Daarnaast schreef en regisseerde hij films en werkte hij samen met o.a. Jerry Lewis en Bob Hope. The Bear That Wasn’t (1946) werd gevolgd door The ‘Possum That Didn’t (1950) en The World

That Wasn’t (1951). Dennis Gaens (1982) schrijft proza en poëzie. Daarnaast is hij programmamaker en redacteur bij Literair Productiehuis Wintertuin en geeft hij les op de Hoge School voor de Kunsten ArtEZ in Arnhem. Hij schreef voor diverse tijdschriften en debuteerde in 2010 met de bundel Ik en mijn mensen , die werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs.


1 3 5 7 9 10 12 13 15 16 18 19 21

Er was eens Ik vind het fijn een beer te zijn Ik ga slapen Het fabriekslied Waar ben ik meneer? Eigenwijze man De circusberen Zo, dat is geregeld! Uren, dagen, weken, maanden De fabriek gaat sluiten De sneeuw valt Wat is er aan de hand? Lente

Verhaallijn (2, 4, 6, 8, 11, 14, 17, 20) ingesproken door Jellie Schippers Tekst en muziek: Anneke van Giersbergen en Martijn Bosman Anneke van Giersbergen - zang, piano, gitaar (annekevangiersbergen.com) Martijn Bosman - zang, orgel, keyboards, accordeon, percussie, samples (martijnbosman.nl) Opgenomen door Martijn Bosman in Homie's Place en Jacques de Haard in The Aguarium Gemixt en gemastered door Dodd & Thomassen (dtaudioproductions.nl) DE BEER DIE GEEN BEER WAS is een productie van productiehuis ON


L

G E L E DE N , om precies te zijn op een dinsdag,” ging de Beer het bos in om aan zijn winterslaap te beginnen. Maar wat is er gebeurd als hij in de lente weer wakker wordt? De bomen zijn weg, het gras is weg, de bloemen zijn weg. In hun plaats staan nu gebouwen, auto’s en hekken. De Beer heeft niet door dat hij midden in een fabriek is beland. “Terug aan het werk!” roept een man vanuit het niets. “Ik werk hier niet,” zegt de Beer, “ik ben een Beer.” Maar de man gelooft hem niet – net zomin als de Bedrijfsleider, de drie Onderdirecteuren en de Directeur. Allemaal vinden ze hem een rare man, die zich eens moet scheren en een bontjas draagt. De Beer die geen Beer was is een modern sprookje, geschreven en geïllustreerd door Frank Tashlin en is nog net zo actueel als toen het in 1946 voor het eerst verscheen. Een verhaal over jezelf zijn en jezelf blijven, wat anderen je ook wijs willen maken. A NG

Het boek vormt de basis voor de gelijknamige voorstelling van productiehuis Oost-Nederland met Anneke van Giersbergen en Martijn Bosman. De liedjes uit die voorstelling staan op de bijgevoegde cd. www.debeerdiegeenbeerwas.nl

De Beer die geen Beer was  

Modern sprookje van Frank Tashlin, opnieuw vertaald door Dennis Gaens voor Literair Productiehuis Wintertuin. Meer info: http://www.wintertu...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you