Page 1

Verhalenbundel met 25 korte verhalen, geselecteerd door Abdelkader Benali.


Colofon Dit is een uitgave van dewebschrijvers.nl te Groningen. dewebschrijvers.nl is een onderdeel van de Kunstencentrum Groep. Ontwerp: Wild Sea Vormgeving: Robert Mijdendorp Drukker: Drukkerij van der Eems Redactie: Jan Brouwer, Gonnie Tutelaers Eindredactie: Gonnie Tutelaers Oplage 300 stuks Juni 2013 Met dank aan het Prins Bernhard Cultuurfonds Groningen.

dewebschrijvers.nl

1


2

dewebschrijvers.nl


Voor Dominic van Vree

dewebschrijvers.nl

3


Inhoud Voorwoord

Buigen voor Bandung 8 Dansen met papa 10 De appelboom 13 De laatste paradijsvogels 16 De slag 19 De vos 22 Een brief voor jou, mijn lieve zoon 25 Fred 28 Friso 31 Ge... 32 Mijn alles 36 Grootvaders klok 39 Kopgeld 42 La vie en noir 44 Noem mij 47 Onalledaagse gezinsuitbreiding 50 Ontcijferd 54 Sporen 57 Twee gezichten 60 Veenkoloniaal verlangen 63 Verborgen verleden in tranende ogen 67 Vertrouwen 71 Voorbij oorlog 74 Zwarte kapitein 78 Afscheid van Nederlands Nieuw-Guinea 81

4

dewebschrijvers.nl


dewebschrijvers.nl

5


Voorwoord Schrijven is een vaardigheid die ieder mens ontwikkelt, in elk geval in de technische zin van het woord. Dat begint al op school met het tekenen van de letters en het rangschikken ervan, zodat ze betekenis krijgen. Daarom staat niemand er eigenlijk nog bij stil dat we allemaal kunnen schrijven. Niemand realiseert zich meer dat we hulpeloos verloren zouden zijn als we niet konden schrijven. Geen boodschappenlijstjes, geen koopcontracten, geen liefdesverklaringen, geen mailverkeer, geen nieuwsberichten. En geen verhalenbundels zoals deze. Verhalen schrijven, dat is minder vanzelfsprekend. Hoewel, het is bekend dat heel veel mensen zich eraan bezondigen. Voor de lol, in het geheim, of als verwerking van dingen die ze op geen andere manier kwijt kunnen. Verhalen schrijven is minder vanzelfsprekend omdat we dan opeens vinden dat het moet voldoen aan normen, dat het lekker moet lezen, mooi geschreven moet zijn en het liefst ook zonder taalfouten. Dan is schrijven plots niet meer weggelegd voor ieder mens. Althans, dat denken we zelf. Dat is jammer. Want ieder mens heeft een eigen verhaal. Een verhaal dat de moeite waard is en dat het verdient om gehoord en gelezen te worden. Heel vaak gebeurt dat niet, uit angst dat je dan wel echt goed moet kunnen schrijven. En dan wordt vergeten dat je ook dát kunt leren, verhalen schrijven. Deze bundel is daarvan het bewijs. Soms werkt het als mensen worden uitgedaagd om te schrijven. Zoals nu. Het thema ‘Gouden tijden, zwarte bladzijden’ heeft bij veel mensen geraakt aan hun persoonlijke verhaal. Er kwamen heel veel inzendingen, deze bundel bevat daaruit slechts een selectie. Versterkt met foto’s die speciaal hiervoor werden gemaakt, wordt het verhaal van deze mensen verteld. We zijn verheugd dat zij het voor ons hebben willen opschrijven.

6

dewebschrijvers.nl


Dewebschrijvers.nl is een initiatief geweest van Dominic van Vree. Hij heeft de laatste jaren met hart en ziel aan deze site gewerkt omdat ook hij geloofde dat ieder mens zijn eigen verhaal zou moeten willen opschrijven. Helaas heeft hij het verschijnen van deze bundel niet meer kunnen meemaken. Zo heeft het thema ‘Gouden tijden, zwarte bladzijden’ ook zijn eigen verhaal geraakt.

Jan Brouwer Directeur Kunstencentrum Groningen

dewebschrijvers.nl

7


Buigen voor Bandung Karin Brugman, Utrecht Dat ze hier is geboren, zag ik een keer in haar paspoort. Er stond een naam van een stad waar ik nog nooit van had gehoord. Ze zegt altijd dat ze gewoon uit Nederland komt. En als mensen vragen ‘hoe kom je dan aan dat zwarte haar?’, antwoordt ze: ‘Het is niet zwart, het is heel donkerbruin.’ Dankzij haar genen lijk ik Spaans in Barcelona, Turks in Istanbul en Joods in Tel Aviv. Dankzij haar pas ik overal. Alleen voor deze plek is mijn postuur te grof, zijn mijn bewegingen te weinig sierlijk. Ik heb niets met deze bestemming. Niets met de klank van de gamelan. De zon brandt fel. Het verkeer is druk en lawaaierig. Ik denk aan mijn ooms en tantes. Zoals de auto’s bumper aan bumper de straten van deze stad blokkeren, zo dicht opeen gepakt zijn hun woorden als zij spreken. Je komt er met geen mogelijkheid tussen. Met hun gesprekken voeren ze je naar alledaagse beslommeringen. Weg van dit land. Ver weg van de stilte. Hun zwijgen is luidruchtig. Toch hebben zij hier jaren gewoond. Mijn oma kon nog ‘dweil de vloer!’ zeggen in het Maleis. Met mijn rugzak op loop ik over wat eens de Grote Postweg heette. In andere steden is het makkelijker om toerist te zijn. Die staan niet gedrukt in het paspoort van mijn moeder. Hier is zij kind geweest, al herinnert zij zich dat nauwelijks. Hier heeft ze moeten buigen. In de zon. Voor de Jappen. Ik heb er over gelezen in een boek over de interneringskampen. Ergens hier. Ik heb geen idee waar. Ze vertelt er nooit over.

8

dewebschrijvers.nl

foto Siert Wieringa


De geur van zoetigheid en versgemalen koffie verdringt mijn gedachten. Ik neem plaats in een van de plastic stoelen op het terras van café Braga Perma. Aan de tafel naast me tuurt een jongen in de Lonely Planet. Het is aangenaam in de schaduw. Uit de boxen klinkt zachtjes gamelanmuziek. Ik sluit mijn ogen. Littekens hebben ze niet. Noch mijn moeder, noch haar broers en zussen. Hoe kun je schade hebben van iets dat niet tot je herinnering behoort en dus geen deel uitmaakt van je geschiedenis, van wie je bent? Ik moet niet overal wat achter zoeken, vindt mijn moeder. Het is zo gemakkelijk je verleden als excuus te gebruiken. Botontkalking hoort er nu eenmaal bij als je ouder wordt. Ik vraag niets over de brief die ik heb zien liggen. Over een toegekende compensatie. Wegens de gevolgen van ondervoeding in de kindertijd. Afkomstig van de stichting vervolgingsslachtoffers jappenkampen. ‘Terima Kasih’, zeg ik als de serveerster spekkoek en koffie neerzet. De jongen aan de tafel naast me kijkt op. ‘Are you from here?’, vraagt hij. No, just a tourist, wil ik zeggen. Maar ik knik. In de ruit van het café zie ik hoe zwart mijn haar lijkt in de zon. Zwart. Niet eens donkerbruin, zoals dat van mijn moeder.

dewebschrijvers.nl

9


Dansen met papa Sandra Di Bortolo, Zwolle Ik koester de periode dat mijn vader nog zijn goede momenten had. De tijd voordat hij gekweld werd door zijn steeds ernstiger wordende depressies. Voordat hij behandeld werd met slaap- en sluimerkuren en elektroshocktherapieën die hem gemaakt hebben tot een teruggetrokken, in zichzelf gekeerde sombere man. Ik zie hoe hij behoedzaam een elpee uit de hoes schuift. Heel voorzichtig steekt hij zijn rechterhand in de papieren hoes waarop een afbeelding van een gelukzalig glimlachende Victor Silvester prijkt. Wanneer hij de elpee eruit neemt, leunt de elpee met het gaatje op zijn rechter middelvinger. Met zijn duim houdt hij hem in balans. Dat is best lastig, want er mogen geen vingerafdrukken op komen. Ik spreid de vingers van mijn eigen rechterhand en zie dat ik dat nooit zou kunnen. Met twee handen legt hij de plaat voorzichtig op de platenspeler en wanneer hij de arm van de pick-up optilt en naar buiten duwt, gaat de plaat vanzelf draaien. Met de precisie van een plastisch chirurg laat hij de naald zakken, precies op het gladde randje aan het buitenkant van de elpee. Volgens papa zit er een échte diamant aan het puntje van de naald, maar die is zo klein dat ik hem niet eens kan zien. Eerst hoor ik nog geen muziek, alleen maar een zacht geruststellend geruis. Het ritselende, knisperende geluid dat het begin aangeeft van muziek waar papa altijd gelukkig van wordt. Of eigenlijk moet ik zeggen, het moment dat papa gelukkig ís. Wanneer papa overeind komt zie ik dat mama glimlachend naar hem staat te kijken, alsof ze wacht op iets dat komen gaat. Papa weet dat ook en loopt met uitgestoken armen naar haar toe. Zonder iets te zeggen pakt hij haar rechterhand en zijn andere hand legt hij heel voorzichtig, nee, geluidloos haast, als om een zeepbel niet te laten spatten, op haar rug. Mama leunt met haar hoofd tegen papas wang. Ze heeft haar ogen dicht en glimlacht als papa haar op de maat van de muziek heen en weer wiegt. Ik kijk naar papa en mama en zou willen dat dit moment nooit voorbij zou gaan.

10

dewebschrijvers.nl


Papa ziet dat ik naar hen zit te kijken en blijft plotseling staan, waarna ook mama mijn kant op kijkt. Hij laat mama los en gaat tegenover me staan. Zijn ene hand legt hij op zijn buik en zijn andere hand steekt hij uit, naar mij, terwijl hij ietsje voorover buigt. ‘Mag ik deze dans van u?’, vraagt hij deftig. Ik moet een beetje lachen en kijk onzeker naar mama, die glimlachend naar ons kijkt. Met mijn ogen vraag ik haar wat ik nu moet doen. Mama knikt en zonder geluid zie ik aan haar lippen dat ze zegt: toe maar! Als ik zo dicht tegenover papa sta, zie ik ineens hoe groot hij eigenlijk is. Mijn hoofd is bij zijn buik en ik moet mijn hoofd achterover doen om hem te kunnen aankijken. ‘Maar papa, ik kan toch helemaal niet dansen zoals mama?, zeg ik zachtjes. Ik zou zo graag net als mama willen zweven in

dewebschrijvers.nl 11 foto Korrie van Leeuwen


papa’s armen, maar ik weet niet hoe. ‘Nou’, zegt papa, ‘dan gaan we jou dat toch gewoon leren.’ Hij legt zijn ene hand op mijn rug en ik leg mijn hand op papa’s arm, net zoals ik dat zo-even bij mama zag. Terwijl papa mijn andere hand vastpakt, kijk ik onzeker naar de grond. Ik heb geen idee wat ik nu moet doen. ‘Weet je wat’, zegt papa, ‘zet je voeten maar op die van mij.’ ‘Doet dat niet zeer dan?’, vraag ik verbaasd. Ik kan toch niet zomaar op zijn voeten gaan staan. ‘Doe maar’, zegt papa. Heel voorzichtig zet ik mijn voeten bovenop die van papa. Ik sta nu heel dicht bij hem en kijk verwachtingsvol naar boven. Uit de luidsprekers klinkt nog steeds de muziek van Victor Silvester als papa heel voorzichtig begint te dansen. Mijn voeten op zijn voeten. Net echt. Nu weet ik waarom mama net zo blij keek toen ze met papa danste. Ik kijk haar trots aan. Kijk eens mama. Ik dans!

12

dewebschrijvers.nl


De appelboom Paul Janssen, Midwoud

Gewoon een boom kappen. Zo moeilijk is dat toch niet. Takken snoeien, kettingzaag erop, stam in mootjes. Klaar. En dan de grond vlakken en bouwrijp maken voor een huis. Mijn huis. En toch twijfel ik weer nu ik hier zit. Het is een mooie boom, een appelboom. Hij geeft grote, sappige rode appels die perfect zijn voor tufahije, onze traditionele gevulde appel. Uiteraard volgens het recept van mijn oma. Ze heeft het mij geleerd toen ik oud genoeg was om het fornuis te bedienen. Ik maak dit gerecht sindsdien elk jaar in juli. We zijn dan samen met wat er over is van de familie. Daar word ik gelukkig van. Nu ja, een beetje dan. En daarom weet ik niet of ik de boom wil kappen.

dewebschrijvers.nl 13 foto Jan Halmingh


Maar misschien moet ik eerst wat meer over mijzelf vertellen. Ik ben geboren in Joegoslavië. En nu woon ik in Bosnië. Daar zit een geschiedenis tussen. Een hele geschiedenis. Eentje die begint bij geluk. Het geluk van onbekommerd buiten spelen, van geiten, schapen en kippen om het huis. We woonden wat afgelegen, moet u weten. Een mooi huis, niet zo groot, maar groot genoeg voor mijn ouders, mijn grote broer en mijzelf. Het kleine stukje land eromheen gaf ons groente, en de beesten zorgden voor melk en eieren. En soms verdween er een beest en dan hing de geur van gerookt vlees om het huis. Een lucht van thuis, van samenzijn. We hadden het goed. Pas later begreep ik dat het land toen al in grote problemen verkeerde. Ik merkte daar weinig van, ik was een peuter. Ja, er kwamen steeds meer mensen naar de stad en van mijn moeder moest ik zuinig doen met water. En op een dag liepen er allemaal soldaten met blauwe helmen door de straten. Ik was drie jaar en ik mocht met papa mee kijken. Ik vond het machtig. Als ik groot was wilde ik ook zo’n pak en zo’n geweer, dat wist ik zeker. Ze bleven, beloofden ze. En ze zouden op ons passen. Safe area, dat waren wij, al had ik toen geen idee wat dat betekende. Ze waren aardig, die Blauwhelmen. Vooral die twee die vaak bij ons langskwamen. Gewoon omdat we wat afgelegen woonden, en gewoon om te kijken of alles goed ging. En natuurlijk om een stukje gerookt vlees mee te eten, denk ik. Ik mocht bij ze op schoot, ik mocht hun helm op, ik mocht hun geweer vasthouden. Een hele kleine jongen met een heel groot moordwapen. Toen was ik trots, nu weet ik beter. En toen was het goed, want ik voelde mij veilig. Tot de dag dat alles anders werd.

14

dewebschrijvers.nl


Ik was vijf jaar, ik at een appel en mijn opa was er. ‘Neem Sandór mee’, siste mijn moeder tegen opa. Ze klonk bang. ‘Laat je appel maar staan’, sprak ze gehaast tegen mij. Dat vond ik jammer, ik was nog niet eens bij het klokhuis. En ik vond het altijd leuk om op de pitjes te zuigen. Het waren haar laatste woorden. De volgende dag hoorden we dat ons huis in brand was gestoken door woedende Serviërs. Ik begreep er niets van, maar mijn vader, moeder en mijn grote broer heb ik nooit meer gezien. Gelukkig mocht ik bij opa en oma blijven. ‘Het blijft jouw grond’, zeiden ze. ‘We gaan er weer een huis op bouwen.’ De eerste keer dat we terugkwamen op de plek van het huis was alles zwart. Er stond niets meer. En het stonk naar gerookt beest. Daarom eet ik geen vlees meer. Ik heb die dag ook besloten nooit meer te huilen. Die belofte aan mijzelf heb ik een jaar later al verbroken. Zomaar midden in de nog steeds gitzwarte aarde stond een klein, sprietig stammetje met groene blaadjes. ‘Appel’, zei mijn opa direct. En ik bedacht dat het misschien mijn appel was die ik op tafel had laten staan. Ja, dan komen de tranen wel. Nu, bijna dertig jaar later, is het sprietje een grote volle boom en staat er nog steeds geen huis. Ieder jaar kom ik terug, ieder jaar denk ik aan de laatste woorden van mijn moeder en ieder jaar kan ik niets anders doen dan tufahije maken van de vrucht van zonde en kennis, die gevoed is door de as van de doden. Mijn doden.

dewebschrijvers.nl

15


De laatste paradijsvogels Anoek Dool, Leiden ‘Je bent de eerste die hier komt’, had Silas gezegd. Nu we er zijn, na een volle dag klimmen door de dichte jungle van de hooglanden, geloof ik het pas echt. Ik ben eindelijk aangekomen in het dorp Yugum. Bezweet van de lange mars bij dertig graden, voel ik mij een indringer. Ik zet mijn rugzak neer in het verborgen paradijs en volg mijn gids Silas naar de open plek waar we ontvangen worden, omringd door ronde honai hutten. Rook stijgt uit de rieten daken, die een geur van brand verspreidt. Het begint zachtjes te regenen. ‘Wacht hier’, fluistert Silas. Ik durf al geen stap te verzetten. Acht guerrillastrijders staan stokstijf aan weerszijden van de zojuist gehesen vlag, met hun wapens tegen hun hart. De vlag die in 1961 voor het eerst is gehesen en nu door iedereen wordt gevreesd en begeerd, staat hoog op stok. De vlag die vijftien tot twintig jaar gevangenisstraf kan opleveren. Steeds meer mannen en vrouwen komen vanuit de bossen tevoorschijn. Ze zetten hun speren en kapmessen naast hun blote voeten op de aarde. Sommigen hebben een oud geweer. Een kleine, oude man draagt een peniskoker en een rode vilten soldatenpet. De mannen hebben zich met een krans van witte of zwarte veren getooid en hebben verse vuurrode bladeren in hun gevlochten armband gestoken. Anderen dragen een haarnet, waar hun lange kroeshaar onder schuilgaat, en hebben verfstreken op hun gezicht, armen of benen. Kettingen met kralen van noten, zaden, schelpen en varkenstanden hangen om hun hals over oude verkleurde kleding met opschriften als HIV/AIDS, Tamoil en Billabong. Een paar kinderen, die waarschijnlijk nooit een blanke hebben gezien, verschuilen zich achter de lange rieten rokken van hun moeders, die hun gezichten met modder hebben besmeurd. Een van de mannen is een albino. Zijn lichte huidskleur steekt af tegen die van de anderen.

16

dewebschrijvers.nl


Het is doodstil. Alleen de geluiden van vogels en cicaden zijn hoorbaar, naast het wapperen van de Morgenster, de vlag waarvan het touw voortdurend tegen de paal aan tikt. Dan brengen de mannen en vrouwen hun handen naar hun gezicht om gezamenlijk te bidden. Pas nu dringt de ernst van de ontvangstceremonie tot mij door. Elk jaar, elke dag, elk uur, is er nog hoop. Het vuur in hen is nog lang niet gedoofd. Het zijn de laatste paradijsvogels. Een vreemd gevoel van onmacht nestelt zich in mijn keel. Dit zijn de gevolgen van de politiek van hun moederland. Na bijna vijftig jaar is hun land, mijn vaderland, zijn belofte nog niet nagekomen. De onafhankelijkheid is nog steeds geen feit, slechts een droom voor de honderdduizenden mensen die nog in verzet leven. Ik kijk naar Silas, die naast me staat en bidt. Het gaat steeds harder regenen, maar niemand die zich eraan stoort. Statige veren gaan hangen en T-shirts kleuren donker door de regen.

dewebschrijvers.nl 17 foto Jan Halmingh


Dan, ineens, hoor ik iemand huilen. Woest uitziende krijgers, vrouwen en jonge soldaten, iedereen doet mee. Ook Silas huilt. Tranen vloeien over hun natte wangen, samen met de regendruppels, en vallen van hun natte gezichten op de goudgele aarde. De brok in mijn keel slik ik moeizaam door, maar ook in mijn ogen wellen de tranen op. Ik huil mee, zoals ik nog nooit gehuild heb, met zoveel mensen. Maar niemand lijkt het vreemd te vinden. Als iedereen is uitgehuild, loopt Silas naar de mannen toe. Het is tijd voor de begroeting. Ik volg hem, pak de stevige schouders van de mannen en kneed die zachtjes. Ik beweeg langzaam naar beneden tot onze handen elkaar ontmoeten. ‘Wa, wa, wa, wa...’, zeggen zij. Als vrouwelijke gast voel ik mij veilig tussen deze Papoea’s, die bereid zijn om hun leven voor mij te wagen. Van dichtbij kan ik de geur van varkensvet ruiken, dat ze tegen de kou op hun huid smeren. Verrast door mijn aanpassing, accepteren ze het gebaar met een hartelijke glimlach en maken geluiden van waardering. ‘Wa, wa...’, antwoord ik. Het is alsof ze mijn ziel aftasten en luisteren naar het gevoel dat ik overbreng, iets waar ze alle tijd voor nemen. Ik heb nooit zulke zachte, aardse warme handen gevoeld...en tegelijk het verdriet om hun land en de verwoestende geschiedenis van valse hoop op zelfstandigheid.

18

dewebschrijvers.nl


De slag Sjoerd Stellingwerf, Apeldoorn Vanavond eet ik met mijn vrouw op de plek waar mijn vader het zeventig jaar geleden op een lopen zette. Dit verstilde stukje Rijnoever is van een geweldige landschappelijke schoonheid. Hier zit je aan het eind van een bocht in de rivier, die sierlijk westwaarts om Arnhem buigt. Een prachtig zicht over het water naar de stad. Naast de hoge Eusebiustoren zie je duidelijk de oude brug over de Rijn, richting Nijmegen. Rond 1944 zal dit natuur- en stedenschoon vergelijkbaar fraai zijn geweest. Totdat. Totdat de geallieerden vanuit het nabijgelegen Oosterbeek het vuur openden op de door de Duitsers bezette stad. Deze plek, deze oude oever, ligt dan precies in de vuurlinie tussen de strategische brug en Oosterbeek. Oorverdovend is het lawaai van bommen, kanonsvuur en granaten. Het is alsof de wereld hier vergaat. Mijn vader vertrekt met vier andere leden uit zijn ouderlijk huis halsoverkop in de enige richting die nog veilig is en haalbaar: ze trekken zuidwaarts de Veluwe op. Ze belanden op de Apeldoornsche Weg. Met honderden andere vluchtelingen gaat het te voet richting Terlet en verder. In 1952 trouwt mijn vader met de vriendin die hij nog uit Arnhem kent. Zij wordt mijn moeder. Ons gezin telt drie kinderen. Werk kan mijn vader wel vinden in de tijd van wederopbouw van ons land. Is mijn vader in een bloeifase van zijn leven terechtgekomen? Behouden uit de oorlog, getrouwd met een geweldige vrouw en gezegend met een gezin en een baan? Als Godsgeschenk alsnog een gouden tijd?

dewebschrijvers.nl

19


20 dewebschrijvers.nl foto Arjo Stokman


In de eerste jaren van het huwelijk zijn er plotselinge onweersbuien in huis. Dan schreeuwt mijn vader vol woede tegen zijn vrouw en tegen de peuters aan tafel. Hij stampt op de vloer en gooit met deuren. In de jaren die volgen nemen zijn ontladingen bizarre vormen aan. Tijdens de maaltijd slaat hij hysterisch met zijn vuisten op tafel en zijn stem buldert als Donar zelve. De kinderen krijgen het zwaar te verduren. Zij moeten lijfstraffen ondergaan. Dagelijks wordt de jongste, een jochie nog maar, mishandeld en met woorden van razernij vernederd. Jaar na jaar. Vanavond eet ik met mijn vrouw op de plek waar zeventig jaar geleden mijn vader oorlogsslachtoffer werd. Zijn lichaam heeft het inferno van de Slag om Arnhem doorstaan, maar in zijn wezen bleef de oorlog woeden. Hij bracht de oorlog naar zijn gezin en werd zelf een ongeleid projectiel. Vanavond zit ik met mijn trouwe vrouw aan tafel in de kalme bocht van de Rijn. De bocht van mijn vader, de natuur die hij liefhad, nabij zijn oude stad.

dewebschrijvers.nl

21

Fotografie - Arjo Stokman


De vos Els Smidt, Den Helder Heel vroeg, op een zilveren zomerochtend om een uur of zes, half zeven, zag ik haar. Ik stond met een kop koffie op de drempel van onze terrasdeur, uitkijkend over het weiland, waar nevels dansten boven het lange gras. De stilte oversteeg de geluiden van de vogels in de bossen rondom en van het riviertje beneden, dat toch onafgebroken van zich liet horen. Voortdurende achtergrondgeluiden, die wegvielen in die oorverdovende stilte van de uitgestrekte V채rmlandse bossen. De nevel bewoog zich speels, als noorderlicht, maar na een poosje brak de zon door. Het blauw van de hemel kwam tevoorschijn en de waterdamp loste op.

22 dewebschrijvers.nl foto Erik Nienhuis


Ik liet mijn ogen verder dwalen, zonder haast. Langs de zijkant van ons zelfgebouwde terras, langs de bloeiende lupines, de wilde margrieten. Langs de nepeta die ik het jaar daarvoor had geplant en waaromheen nu al druk gezoemd werd door ijverige bijen. Langs de balustrade met de houten blokken en de dubbele balk. Grof, maar tegelijkertijd van een natuurlijke, tijdloze sierlijkheid. Stoer en karaktervol. Gemaakt van onze eigen bomen, door hem zelf omgehaald, zelf versleept, gezaagd en geschaafd. Zomaar op een middag in elkaar bedacht en getimmerd, met een lach en een vloek, met sloten koffie en steevast met een peuk in z’n mondhoek. Ik zag de slordige afwerking van de ornamenten, de plekken waar de witte verf niet helemaal dekte, de gemorste druppels op de houten terrasvloer. Ik zag de vanzelfsprekendheid waarmee het bouwsel opging in de omgeving. De fraaie lijnen tegen het groen van het junigras. Toen was ze daar plotseling. Vlak naast de trap van het terras, op nog geen vijf meter van mij vandaan. Een prachtige rode vos. Net als ik nam ze alles om zich heen in zich op. Alles, behalve mij. Ze stond daar alsof ze alleen op de wereld was, volkomen op haar gemak. Ik hield me heel stil en ik keek naar haar. Ik bewonderde de spitse, intelligente snuit, de gevoelige oren. Stugge zwarte haren vermengden zich met een onwaarschijnlijk dieporanje pels, dik en glanzend. Lang bleef ze daar staan. Nu denk ik zelfs dat het gemakkelijk een kwartier kan zijn geweest, maar zo gaat dat met momenten die indruk op je maken. Die hebben de neiging steeds groter te worden, alsof iedere gedachte eraan de herinnering zelf doet groeien. Zo zaten we samen eind juni van het jaar erna bij dokter Svensson in zijn rommelige hoekkantoor in het streekziekenhuis in Torsby. Net zoals we allemaal wel eens ontboden worden in de spreekkamer van een arts, terwijl onze levens zich afspelen aan de andere kant van de deur. Bezigheden waar we mee verder gaan zodra we die deur weer achter ons dicht slaan. Zo gaat dat meestal. ‘Het ziet er niet goed uit’, zei Svensson. ‘Ik denk dat het kanker is.’

dewebschrijvers.nl

23


En weer is het juni. Of de lupines al bloeien in Värmland? Ik kan het niet met zekerheid zeggen; het huis in de bossen is niet langer van ons. Soms lees ik nog wel eens over Zweden. Gisteren nog, vond ik een artikel over de heidense rituelen en de overtuigingen van de vroegere boerenbevolking daar. Er stond dat het ongemerkt bespieden van een vos die zich vlak bij huis bevindt, gezien werd als een voorbode van de dood. Ik keek op van mijn boek en ik nam de tijd om mij voor te stellen hoe die felblauwe ogen zouden hebben samengewerkt met de halve grimas rond z’n mond, om hier schamper op te reageren. Hij had kunnen rekenen op mijn instemming. Want hoewel ik de goden vals kan horen lachen, ben ook ik ervan overtuigd dat mijn ontmoeting met de vos toeval is. Het is een prachtige herinnering aan onze tijd in Zweden. Meer niet. En meer is ook niet nodig. Toch weet ik dat het goddelijke gegrinnik gemeen in mijn hoofd zal blijven naklinken.

24

dewebschrijvers.nl


Een brief voor jou, mijn lieve zoon Claar Griffioen, Utrecht en Sandik (Lombok, Indonesië)

Met heel mijn hart schrijf ik je vanuit het verre land van onze voormoeders. Het is het land van geheimzinnige waringinbomen waarin geesten spelen tussen de lange luchtwortels, het land van de groene rijstvelden en de wuivende palmbomen. Het land van tempo doeloe waarin een taal wordt gesproken vol Hollandse woorden. Het land van vervuiling, armoe, rijkdom en van de vele, vele kinderen. Zodra je geboren was raakte ik vervuld van het zuiverste geluk dat je maar kunt bedenken. O, wat was ik blij en ik draaide samen met je in het rond en vond zo een zegenrijk evenwicht in mijn leven. Wanneer ik terugdenk aan die eerste jaren van ons samen, dan voel ik nog steeds die onbezorgde lichtheid. Je was zo’n aanminnig jochie, zo nieuwsgierig naar wat er om je heen gebeurde, zo avontuurlijk en vol energie. Maar toen je ouder werd begon je je terug te trekken. Je wilde niet meer in mijn armen komen. Er kwam iets donkers over je en je zweeg urenlang. Was het de schaduw van onze Indische voorouders die over je heen gleed? De schrik sloeg me om mijn hart! Later zei je een keer: ‘Er is zoveel pijn onderweg naar de leegte.’ Toen was je al aan de antidepressiva. Jouw opa, een Hollandse soldaat, trouwde in Indië met een inlands meisje. Het einde van het koloniale tijdperk kwam toen al in zicht. Ik, hun enige kind, werd in Nederland geboren. En bij deze gebeurtenis hang ik de vlag halfstok. Was mijn moeder maar kinderloos gebleven, dan was het monster voorgoed de kop ingedrukt. Van mijn vader leerde ik dat elk mens een schakel vormt in de lange keten die iedereen met elkaar verbindt. Ik was toen nog kind en juist bezig familierelaties uit te pluizen. Mijn jonge hersenen knarsten van inspanning bij het tellen van al die familiekettingen die er op de wereld moesten zijn en hoe ze dan met elkaar verbonden waren. Toen ik me realiseerde dat

dewebschrijvers.nl

25


de mensheid een onontwarbare kluwen was geworden schoot er even een zwart moment van onbehagen door me heen. Om te ontsnappen aan de chaos in haar geest, pleegde mijn moeder op jonge leeftijd zelfmoord. Ze was, net als haar vader voor haar, de zee ingelopen, de branding tegemoet. Voordat mijn ouders trouwden was mijn vader voor die duistere gekte in haar familie al gewaarschuwd, maar hij had er niets van willen weten. Elke keer wanneer ik daaraan denk krijg ik het gevoel dat ik naar iets ongrijpbaars reik. En nu jij. Na je dood, na je dood... Mijn verdriet was grenzeloos en ik voelde hoe ik me om de wereld kromde van pijn. Mijn kern was verdwenen, ik voelde me uiteenvallen. Wat kon ik anders doen dan gaan zoeken naar de schakels die ooit waren losgeraakt? Toen ik in het land van je grootmoeder kwam was ik met stomheid geslagen. Ik had de bron gevonden waaruit ik als kind te drinken kreeg. Weet je nog de verhalen die ik je vertelde over Poes Mimik? Je kon er, net als ik vroeger, geen genoeg van krijgen. Mimik woonde met alle dieren in het oerwoud. De hele dag speelden ze samen en stopten zich vol met lekkernijen, ‘s avonds zaten ze gezellig bij elkaar. Tot Mimik de machtige kasuaris tegen het lijf liep. Ze rende voor haar leven en kon nog net op tijd aan boord van het stoomschip springen. Mimik voer over de grote zeeĂŤn en bezocht alle wereldwonderen, maar ze voelde zich altijd

26

dewebschrijvers.nl

foto Sara Oosterhoff


opgejaagd en bevreesd. In haar ooghoek zag ze steeds de boosaardige kasuaris. Zijn messcherpe klauwen zaten al in haar nek. Maar jij, mijn zoon, je liet je grijpen door een trein. Je koos voor de spoorwegovergang waar we vroeger stuivers op de rails legden om ze glad en ovaal te laten pletten door de zware gietijzeren wielen. Amuletten maken, noemden we dat. De gevolgen van het verleden zijn niet tegen te houden en ontvouwen zich soms tegen alle redelijkheid in. Onrechtvaardig? Jij werd niet geboren om koning te worden. Het is maar net hoe het leven je toevalt. En wie kan zeggen het verleden overwonnen te hebben? Jij mijn zoon? Jouw dood wiste het spoor uit naar mijn toekomst. Er valt niets meer te winnen en niets meer te verliezen. Kom me halen, mijn zoon, daal af langs die geurige luchtwortels die jou die donkere Indo-floers gaven. Mama is elke avond onder de grote waringin.

dewebschrijvers.nl

27


Fred Dirk Straaijer, Anerveen Het schriftje met de olijfgroene kaft vind ik terug in een kist op zolder, waar het lag verstopt tussen oude lakens en dekens. Het vergeelde krantenbericht over het voorval zit er los in. Vol ezelsoren en kreukels, waardoor de tekst moeilijk te lezen is. Maar ik heb slechts flarden van zinnen nodig om het spannende jongensgevoel van toen weer terug te krijgen. De woorden kwamen van ver. Uit een andere wereld die verder reikte dan het saaie leventje van thuis en het kattenkwaad op school. Het was het échte leven. Gevaarlijker, dat wel. Wat het woord ‘lynchen’ inhield, vroeg ik aan de meester. Hij schrok, vroeg waar ik het vandaan had. Ik hield mijn mond. ‘Je bent nog veel te jong’, zei hij, en weigerde te vertellen wat het betekende. Op een dag toen mijn moeder mij bij hoge uitzondering van school had opgehaald, zei ze: ‘Je zet die zottigheid uit je hoofd, hoor je me?’. Ik knikte braaf, maar wist het meteen. Ze had met de meester gesproken. Nog diezelfde week hield ik wat van mijn zakgeld apart, om zo in een paar weken genoeg geld bij elkaar te sparen voor een stevig schrift, waar ik in mijn mooiste handschrift alles overschreef wat ik er in de encyclopedie over kon vinden. Op de krantenfoto zie je het stuk touw dat bungelt van de spoorbrug. Daar heeft de zwarte man gehangen. Een daad begaan door het leger van God, een geheimzinnige club van verklede mannen. Kon het spannender? Het was hoegenaamd de eerste keer dat ik me gewaarwerd dat wat mijn klasgenoten en ik na schooltijd hadden uitgespookt deel uitmaakte van een groter geheel. Fred heette de nieuwe jongen. Eigenlijk een veel te Hollandse naam voor zijn huidskleur, vonden we. Zijn grote witte tanden vielen op, de meisjes uit de klas waren weg van hem en probeerden zijn aandacht te trekken.

28

dewebschrijvers.nl


dewebschrijvers.nl 29 foto Simone Schuitema


Elke pauze weer. ‘Hij moet weg’, zei Frits. ‘Hij hoort hier niet’, viel ik hem bij. De anderen knikten. Het liep tegen het eind van het schooljaar en de hele winter hadden we tandenknarsend toegekeken hoe deze bruine bonenstaak de harten van zo’n beetje alle lekkere meiden van ons dorp op hol had doen slaan. We smeedden een plan. Een afstraffing, dat moest het worden. Zonder dat hij zou weten van wie. Frits kwam met het idee van de kussenslopen. ‘We maken er gaten in’, zei hij, ‘zodat we zien wat we doen.’ Dat had hij van zijn zus, wist ik, die de hoofdrol speelde in de schoolmusical Casper het witte spook. Frits was onze leider, we gehoorzaamden hem blindelings. Hij was zeker een kop groter dan wij en al een keer blijven zitten. Tijdens de lange schooldagen stond hij het vaakst in de hoek. Met zijn vollemaansgezicht naar de muur gekeerd. En dan liet hij stiekem scheten. Ik kreeg de opdracht om Fred een week lang te volgen na schooltijd, om een geschikt moment uit te zoeken. Dinsdagmiddag na zijn extra taallessen bij juf Van de Poel thuis aan de andere kant van het dorp, moest Fred een eind alleen door het Engelse bos. Ik bracht rapport uit. Nadat we hem stevig aan boom hadden vastgebonden, ging het slaan eigenlijk vanzelf. We waren met zijn zessen en hadden allemaal een stevig stuk hout meegenomen, zoals afgesproken. Jezus wat gingen we te keer. We stootten oerwoudgeluiden uit en renden op hoge poten om hem heen. Maar Fred gaf geen kik. In plaats daarvan keek hij ons om de beurt recht in de ogen. Totdat hij niet meer kon kijken. Frits had gezegd dat hij daarmee moest stoppen en hem toen bovenop zijn gezicht geslagen. Er werd over bericht in de plaatselijke krant. Fred werd de volgende morgen pas gevonden. Op de foto zag je zijn bebloede kop. De veldwachter bezocht ons een week na het gebeuren één voor één thuis. We ontkenden alles. Het onderzoek liep dood. Fred zagen we niet meer terug op school. Ik leg het schriftje voorzichtig terug en denk aan mijn dochter, die onlangs aan haar moeder vroeg of ze buiten papa nog wel eens verliefd was geweest op een andere man. Ik wist van te voren het antwoord, maar kromp toch ineen bij het horen van de naam.

30

dewebschrijvers.nl


Friso Marleen van Erp, ‘s Hertogenbosch In witte stilte het zachte pantser In duistere begrenzing zijn zoekende geestesoog en tastend brein Snelle uitweg een hallucinatie Zo dichtbij zo begrensd Opgesloten in zichzelf

dewebschrijvers.nl 31 foto Sara Oosterhoff


Ge... Martijn Couwenhoven, Zaandam De man in de spiegel kijkt me verwijtend aan. Een half jaar is voorbij gegaan. Op de plank boven de wastafel ligt een zwangerschapstest klaar. Zo denkt Babette het op te lossen. Ik knijp tandpasta op de roze tandenborstel van mijn dochter en denk na over haar cadeau. Volgende week wordt ze zeven. Ze wil graag een paard. Of een hamster, als een paard echt niet kan. En gaatjes in haar oren en een trampoline. Ze verdient een mooi cadeau. Zij kan er ook niks aan doen. In haar pyjama komt ze zingend de badkamer binnen. Voordat ik begin met poetsen, zeg ik dat we een spel gaan doen. Als ze zelf poetst kan ze haar mond niet houden, praat ze honderduit over haar dag, haar vriendje. Ze heeft verkering. ‘Hij is zo schattig’, vertelt ze dan, terwijl ze de tandpasta door de badkamer spuugt. Nu mag ze tijdens het poetsen alleen nee schudden of ja knikken. Ze opent haar mond. Ik begin met poetsen. ‘Goed, ik ga raden wat je net op je kamer hebt gedaan toen je je pyjama aandeed en ik tijdens het wachten bijna in slaap viel omdat het zo lang duurde.’ ‘Niet! Je viel niet in slaap!’ ‘Niet praten, alleen kort nee schudden of ja knikken. Klaar?’ ‘Ja.’ ‘Niet praten!’ Ze knikt. ‘Goed zo. Heb je gedanst?’ Ze schudt haar hoofd. ‘Gezwommen?’ ‘Gezongen?’ ‘Gebiecht?’ ‘Getreuzeld?’ ‘Gestofzuigd?

32

dewebschrijvers.nl


‘Geslapen?’ ‘Gekamd?’ ‘Gekookt?’ ‘Genoten?’ ‘Gevlogen?’ ‘Gekieteld?’ ‘Gepoept?’ ‘Gezond?’ ‘Gezoend? ‘Gehoelahoept?’ ‘Gelezen?’ ‘Gepuzzeld?’ ‘Geniesd?’ ‘Gepiest misschien?’ Maar ze schudt op alles haar hoofd, spuugt nu van het lachen de tandpasta in de wasbak. ‘Wat heb je dan gedaan?’ ‘Geverrekijkt!’ ‘Geverrekijkt. En waar keek je naar?’ ‘Naar de maan.’ ‘Heb je ook wat gezien op de maan?’ ‘Marsmannetjes.’ ‘Marsmannetjes? Op de maan?’ ‘Natuurlijk!’ ‘En wat waren ze aan het doen?’ ‘Dansen. En ze hebben gevoetbald en gezongen, en toen gezwaaid, nou goed.’ Als ik haar optil gilt ze het uit. We lopen naar haar kamer. Ik leg haar in bed en kijk voordat ik het gordijn sluit naar de maan, die bijna vol is, en naar de tuin, waar volgende week een trampoline zal staan. Als ik op de rand van haar bed zit, slaat ze de deken van zich af en strekt haar benen. ‘Kijk pap, hoe ik gegroeid ben!’ Het kan haar niet snel genoeg gaan. Ze heeft het al over lippenstift, oogschaduw, over het krijgen van borsten, als ze groot is dan hè, net als mama. Ze doet soms onder een T-shirt haar

dewebschrijvers.nl

33


34 dewebschrijvers.nl foto Judith Lechner


bikini aan, als bh. En ze wil ook kinderen, een jongen en een meisje. Of nou ja, het maakt eigenlijk niet uit, als ze maar lief zijn. ‘Dan ben jij opa, pap!’ En dan nodigt ze ons uit en steekt ze kaarsjes aan, gezellig muziekje erbij, en dan gaat ze lekker voor ons koken, terwijl haar man de open haard aansteekt. Ik pak haar voet en druk er een zoen op. ‘Je bent inderdaad enorm gegroeid. En je wordt alleen maar groter en op een dag kan ik je niet meer optillen.’ ‘Wel als ik oud ben, want dan krimp ik weer’, zegt ze. ‘ Dan ben ik.…gerimpeld en gekrompen!’ Het beeld van mijn dochter als oude gerimpelde vrouw. Ik zal er niet meer zijn om dat mee te maken. Een gedachte die schuurt en steekt en prikt en me vervult van afschuw. ‘Weet jij nog een ge-woord pap?’ Ik schud mijn hoofd. Geboren, denk ik als ik haar een zoen op haar voorhoofd geef. En gestorven. Voor haar broertje twee voltooid deelwoorden, met slechts drie weken ertussen. ‘Hoeveel nachtjes nu nog?’ ‘Nog maar zes.’ ‘En dan krijg ik een paard!’ ‘Dat had je ge... droomd!’ Lachend kruipt ze onder haar dekbed. ‘Komt mama me zo ook nog een zoen geven?’ ‘Als ze thuiskomt vraag ik of ze nog even bij je komt kijken, goed? Slaap lekker.’ Ik doe het licht uit en sluit de slaapkamerdeur. ‘Geyogaat’, hoor ik haar zeggen. Beneden zet ik thee. Een blik op de klok. Babette zal zo thuiskomen. Ik blader door de rij elpees naast de bank. Jack Johnson, iets te zonnig. Agnes Obel maar. Ik steek de kaarsen op tafel aan, de waxinelichtjes in de boekenkast. Ik doe mijn best.

dewebschrijvers.nl

35


Mijn alles Saida Bentoumi, De Meern Alsof het in mijn hoofd en hart staat gegraveerd deze herinnering. Zij hield mij met beide handen vast en al druk pratend liet zij mij geen moment los. Als vanzelfsprekend pasten wij in elkaar. Het was zo veilig tegen haar borst aangedrukt. Ik had geen enkele angst, want mijn moeder was mijn beschermengel. Niemand kon mij pijn doen; ik hoorde bij haar. Zij was mijn wereld, al was het pas drie jaar. Tijdens het offerfeest van 1972 werd ik van haar gescheiden. Een foto van ons werd in een rechte lijn verscheurd. Er werd een keuze gemaakt. De gevolgen daarvan zijn nog altijd springlevend. Mijn vader ontvoerde mij en mijn oudste broer naar Nederland. Vaak zal ik nog aan het moment denken dat ik veilig en gekoesterd tegen haar borst in korte slaapjes viel. De zoektocht naar die veiligheid en onvoorwaardelijke liefde duurt voort. Als ik door de kinderbescherming word weggehaald bij mijn vader, is dat na drie jaar niet te laat. Ondervoeding en verwaarlozing waren zijn laatste daden wat mij betreft. Een gelukkiger leven begint in een tehuis waar meer kinderen wonen die al op jonge leeftijd getekend zijn. In het tehuis leer ik een andere god kennen. Het verwart me. Maar op zesjarige leeftijd is het ook best een goede god en ik doe het ermee. Mijn oudste broer verzet zich. Zijn Allah is immers beter. Dat is moeilijk, want ik wil de vervanger van mijn alles niet teleurstellen. Ik besluit dat het er niet meer toe doet, want de God, Allah waarin ik zo hard geloof, weet het toch wel. Alles wat ik denk, alles wat ik voel. Dat is goed, ik ben goed. Mijn grootste en angstigste moment was het eten van boterhamworst. Mijn eerste varkensvlees smaakte niet verkeerd. Alleen het schuldgevoel dat het me bezorgde was heftig. Had ik iets heel erg verkeerd gedaan? Hield God, Allah nu niet meer van mij? Ik heb geleerd dat God, Allah altijd van mij zal houden. Ik doe het op mijn manier.

36

dewebschrijvers.nl


dewebschrijvers.nl 37 foto Judith Lechner


In 1978 kwam mijn moeder naar Nederland. Ik voelde me euforisch: Mijn alles was er en ze kwam mij halen. Hier had ik God, Allah altijd om gebeden. In een kleine kamer zat ik bij haar op schoot en ademde haar zoete, bekende geur. We hadden net gewandeld buiten en ik had haar hand geen seconde losgelaten. Er gingen mensen in een uniform mee. Een vrouw in uniform begon mij uit mijn moeders armen te trekken. ‘Nee!’, riep ik, ‘nee!’, schreeuwde ik, ‘Nee, Nee!’. Schreeuwde ik? Want ik hoorde geen geluid. Mijn keel zat dicht. Maakte ik wel geluid? Mijn handen wilden haar niet loslaten, niet nog een keer. Ik hoorde ze zeggen ‘geen papieren’, maar ik begreep niet waar die uniformen het over hadden. Dit is mijn moeder, mijn alles, ik kan haar niet nog een keer verliezen begrijpen jullie dat dan niet! Door een grijze stalen deur verdween ze weer uit mijn leven. De deur viel met een metalen dreun dicht. Alles viel met een dreun dicht. Toen ze uiteindelijk in 1982 voorgoed naar Nederland kwam,was het gevoel voor deze vreemde vrouw voorgoed veranderd. Vergeten in de metalen dreun. Inmiddels was ik dertien jaar oud en sprak ik letterlijk en figuurlijk haar taal niet meer. Mijn moeder en ik waren niet meer vanzelfsprekend. Weg wilde ik van haar liefde, verdriet en afkeuring. Zij had een hoofddoek, ik niet. Mijn broer en zij waren wel kameraden. Ik hoorde er niet bij. Accepteer mij toch want ik ben, dat is toch goed? God en Allah zijn goed. In 1997 overleed mijn moeder aan een ernstige ziekte. Ik mis haar. De strijd om het geloof duurt voort met mijn broers. Dit kan alleen als de liefde en hoop diep en groots zijn. Soms, ergens in de verte na de zoveelste ruzie met mijn broers, hoor ik de metalen deur dicht slaan. Ik negeer het geluid. Niet nog meer verliezen. De vraag voor mij is niet: Is God of Allah? Maar de vraag is: Is liefde? Nog niet gevonden, nog niet opgegeven. Ik bid nog wel eens. God, Allah laat mij alsjeblieft mijn liefde tegenkomen die mij met beide handen vasthoudt en geen moment loslaat. Mijn alles.

38

dewebschrijvers.nl


Grootvaders klok Jaap van den Bold, Amstelveen Het was het laatste jaar van de oorlog, de hongerwinter van 1944-1945. Het leven was ijskoud, donker en naar. Ik woonde als zesjarig jongetje met mijn zusje en ouders in een klein flatje in Amsterdam -West. Vooral het eten was een dagelijks probleem. Wij aten als zovelen soep uit de gaarkeuken, bloembollen en suikerbietenstroop, die door mijn moeder urenlang werd gekookt op een klein noodkacheltje, dat gestookt werd op hout dat mijn zusje en ik samen met andere kinderen elk dag in de buurt verzamelden. Mijn vader werkte in een door de Duitsers gevorderd hotel in het centrum van Amsterdam. Hierdoor bezat hij een vergunning om op verschillende tijden met zijn fiets naar en van zijn werk te rijden. Op slinkse wijze wist hij, meestal ‘s nachts, vaak met gevaar voor eigen leven iets eetbaars uit het hotel mee te smokkelen. Zo bracht hij een keer een grote baal kapucijners mee, waar wij de rest van de winter van hebben gegeten. Meestal wist hij echter aan wat zuur Duits brood te komen, wat in onze beleving smaakte als cake. Er waren te veel mensen die niets te eten hadden. Zij gingen bedelend door het leven. Zo kwam er vanaf een zekere dag drie keer per week een haveloze man aan de deur, aan wie mijn moeder tot grote woede van mijn vader altijd een boterham gaf. ‘Ik heb dat brood met gevaar voor eigen leven buitgemaakt op de moffen’, zei hij, ‘en jij geeft dat zomaar weg aan een wildvreemde vent. Je lijkt wel gek. De kinderen komen te kort en jij speelt de barmhartige Samaritaan. Stop ermee, ik sta het niet meer toe!’. Toch bleef mijn moeder het doen. De man bedankte haar altijd met tranen in zijn weemoedige ogen. Hij zong het bekende liedje Grootvaders Klok voor haar. Hij was broodmager en had lang, vies, grauwgrijs haar tot op zijn schouders. Hij droeg altijd dezelfde kale, gescheurde bontjas. Aan zijn voeten had hij afgetrapte schoenen met grote gaten erin. Zijn handen waren vies en zaten vol kloven. In zijn mond had hij nog twee zwarte voortanden, die schots en scheef in zijn mond stonden.

dewebschrijvers.nl

39


Hij zat op de stenen trap naar onze flat en at zijn boterhammetje langzaam op. Hij genoot met volle teugen. Vaak vroeg hij dan om meer. Dat stond mijn moeder wel eens toe, maar toen mijn vader hier lucht van kreeg, ontstond er een vreselijke scène. Ik stond er als zesjarig jongetje verbijsterd bij. Ik begreep mijn moeder, want als klein jongetje brak mijn hart bijna als ik naar de treurige man keek. Het raakte me als hij met zijn gebarsten stem Grootvaders Klok ten gehore bracht. Ik begreep ook mijn vader. Ik wist dat hij zijn leven waagde voor zijn vrouw en kinderen, terwijl mijn moeder het geroofde brood zomaar weggaf aan een vreemde. Bijna iedere dag schuifelde hij bij ons langs en altijd zong hij zijn bekende deuntje als hij ergens weer een stukje brood had gekregen. Hij ging er steeds slechter uitzien, werd steeds magerder en beklom steeds moeizamer de trap naar onze flat. Totdat hij plotseling niet meer verscheen. Mensen hebben hem vlak om de hoek van onze straat gevonden, als oud vuil onder een paar takken aan de kant van de weg. Hij had de strijd in het zicht van de haven opgegeven. Twee weken later begonnen de voedseldroppings, die hij niet meer mocht meemaken. Arme, oude man. Nooit ben ik je vergeten. Elk jaar als er wordt stilgestaan bij de bevrijding, denk ik aan hem. Nog steeds zie ik hem voor me met zijn grote trieste ogen, zijn onverzorgde haar, zijn twee zwarte voortanden, zijn lange bontjas en zijn afgetrapte schoenen. En als het Wilhelmus wordt gespeeld hoor ik in mijn hoofd voortdurend en monotoon het oude liedje Grootvaders Klok.

40

dewebschrijvers.nl


dewebschrijvers.nl 41 foto Mayke Zandstra


Kopgeld Josephine Noort, Amsterdam Mevrouw Vaz Dias was mijn moeders bovenbuurvrouw. Ze was klein, krom en tenger. Haar gezicht bestond uit duizend vlakjes, afgebakend door scherpe lijnen als een rommelig geslepen diamant. Ik was bang voor haar. Ze had een scherpe stem die zachter werd als ze me zag. Ze riep me vaak binnen voor snoep. Ik deed dan net of ik haar niet hoorde. Ik dacht dat ze een heks was. Mevrouw Vaz Dias had maar één verhaal dat ze herhaalde voor wie maar wilde luisteren. Dat waren er niet veel, ik denk dat mijn moeder op den duur de enige was. Soms hoorden wij haar boven ons hardop in zichzelf praten. Aan de klank en cadans herkenden we haar verhaal. Toen ik groter werd was ik niet meer bang voor haar. De inhoud van het verhaal was me altijd ontgaan, als zij binnenkwam was ik weg. Een keer was ik ziek thuis en lag op de bank toen zij mijn moeder bezocht. Ik was verzwakt door de koorts en had geen andere afleiding. Ik verzette me niet meer tegen haar verhaal. ‘Ik woonde aan de Zuider Amstellaan, nu de Rooseveltlaan. Het was zondag. De auto’s van de Grünen reden de straat in. Het was een overmacht. Mensen werden uit hun huizen getrokken. Mijn man en dochter zijn meegenomen. Ik was bij mijn moeder die ziek was. Ik heb hen nooit meer teruggezien, nooit meer. We zijn verraden door de buren voor zeven gulden vijftig per persoon. Kopgeld noemden ze dat. Wilt u dit geloven buurvrouw? Kopgeld! Alsof we beesten waren, varkens... kopgeld!’ Ik ging studeren en uit huis. Bij een bezoek aan mijn moeder viel me een stilte op die er nooit was. Ik vroeg haar hoe het met de buurvrouw ging. ‘Weg’, zei ze, ‘weggehaald.’ Mijn ogen werden groot bij haar laatste woord. Ze zag het. ‘Ze zou me de kop kosten, het ging niet meer. We hadden levend kunnen verbranden. Ze liet het gas branden, telkens weer. Toen heb ik de instanties gewaarschuwd.’

42

dewebschrijvers.nl


foto Siert Wieringa

Die nacht droomde ik over mevrouw Vaz Dias. Ze was jong en mooi. Ze liep rechtop over de trambaan van de Rooseveltlaan richting de Berlagebrug. De gouden ster op haar jas was een schijnwerper op haar pad. Aan weerszijden reden jeeps met soldaten. Onaangedaan liep mevrouw Vaz Dias verder. Over de Berlagebrug verdween ze in het niets.

dewebschrijvers.nl

43


La vie en noir Carla Engelen, Amstenrade ‘Mam!’ Er kwam geen reactie. Ik probeerde het opnieuw. ‘Mam, toe nou, je kunt het! Eén hapje. Alsjeblieft!’ Gele room balanceerde uitnodigend op het vorkje dat ik omhoog bracht. ‘Kijk eens, speciaal voor jou, mam. Ik weet dat bananensoezen je favoriete gebakjes zijn.’ De pudding naderde langzaam haar mond. Zonder een woord te zeggen, duwde ze mijn hand weg. Ze sloot haar ogen en wendde haar hoofd af. Een geel kloddertje viel op de tafel. ‘Toe nou, mam!’ . Mijn stem trilde. Ik knipperde met mijn ogen om de frustratie en het verdriet weg te knijpen, maar het was een vergeefse poging. Vocht baande zich een weg over mijn wangen. Mijn moeder draaide haar hoofd weer langzaam naar me toe. Ze keek dwars door me heen, alsof er niemand bij haar was, alsof ik niet bestond. De vrouw die in het ziekenhuisrestaurant tegenover me zat, herkende ik niet. Ze was een zielloos wezen geworden. Al dagen had ze nauwelijks een hap gegeten. Haar blauwe lievelingsjurk zwabberde rond haar magere lijf. De fijne lijntjes die van haar neus naar haar mond liepen, waren diepe groeven geworden. Van haar ooit zo dikke, donkerbruine haardos was weinig overgebleven. De chemische medicijnencocktail die ze dagelijks nam, had duidelijk zijn sporen achtergelaten. Haar haar was dof geworden, droog, het leek net stro. Bij haar slapen en haar voorhoofd was de kleur vervaagd van bruin tot lichtgrijs. Wat me echter het meest van alles trof was haar blik. Haar ogen weerspiegelden een eindeloze leegte. Koude wanhoop en chaos las ik erin. Ze zag het leven door een vertekenende bril, zoals Edith Piaf zong over ‘La vie en rose’. Alleen hadden haar glazen een andere kleur. Beter gezegd: Alle kleur was eraan onttrokken. In plaats daarvan had zich een roetwaas aan de glazen vastgehecht. Wat zou er zich allemaal in haar hoofd afspelen, vroeg ik me vaak af. Haar gedachten waren onpeilbaar. Elk contact met haar was moeilijk. Ik keek om me heen. De witte ruimte die was gevuld met tafels en stoelen van het

44

dewebschrijvers.nl


foto Erik Nienhuis

type instellingsmeubilair, was vrijwel leeg. Een paar meter verderop zat een oudere vrouw. Ik schatte haar ongeveer zeventig jaar, maar misschien was ze wel jonger. Alle grijze mensen leken oud. Later zou ik nooit grijs haar hebben, dat wist ik zeker. Zo’n zilveren coupe was niets voor mij. De vrouw zoog driftig aan haar sigaret. Het stompje paste nauwelijks tussen haar wijsvinger en middelvinger. Als ze niet uitkeek, dan zoog ze zometeen nog de as mee naar binnen. Boven haar hoofd hing inmiddels een blauwgrijze waas.

dewebschrijvers.nl

45


Ik draaide me om. Het restaurant was verder leeg. De medewerkster achter de vitrine keek me aan alsof ze zeggen wilde: ‘Ik wil naar huis, dus schiet een beetje op.’ Haar gezicht straalde niet bepaald dienstbaarheid en gastvrijheid uit. Ik sloeg mijn ogen neer en ging weer recht op mijn stoel zitten. Mam had al weken geen sigaret meer aangeraakt. Dat was een teken dat het niet goed met haar ging. Haar sigaret was haar houvast, de basis van haar functioneren. Alle keren dat ze hier was geweest, had ze geen afstand kunnen doen van haar peuken. ‘Mam, ik moet naar huis gaan.’ Er kwam geen reactie. Haar blik was nog steeds van me afgewend, gericht op iets interessants in de verte. Alles was boeiender in haar andere wereld, waarvan ik geen deelgenoot meer was. Daar was ik na haar vierde opname in de psychiatrische kliniek Bellevue inmiddels achter gekomen. Waar deze fraaie naamkeuze op gebaseerd was, is me altijd een raadsel gebleven. ‘Morgen heb ik Engels proefwerk en ik moet nog veel doen. Kom, ik breng je terug naar de afdeling.’ De eeuwige glimlach achter de balie had het licht al uitgedaan. Een subtiele hint dat alle gasten geacht werden huiswaarts te keren. Langzaam draaide mams hoofd in mijn richting. Ze legde haar rechterwijsvinger tegen haar lippen en boog zich naar me toe. ‘Sssttt’, fluisterde ze. Haar ogen waren wijd geopend. ‘Het is hier niet veilig.’ ‘Tot morgen, mam.’ Ik zwaaide naar haar, maar wist dat ze me toch niet zag. Tenminste niet echt. Eenmaal buiten, ademde ik de late decemberlucht gretig in. Ik haatte de kou, maar nu kwam elk spoor van verfrissing als een verlossing. De duf makende ziekenhuisgeur moest uit mijn systeem. In het donker fietste ik zonder licht huiswaarts. Tranen prikten achter mijn ogen. Weer kneep ik met mijn ogen toen ik terugdacht aan die koude decemberdag, dertig jaar geleden. Gelukzalige gevoelens en intens verdriet wisselden elkaar af. Mijn eerste psychologische thriller had ongekend hoge verkoopcijfers. Niemand wist aan wie ik mijn inspiratie voor een groot deel ontleende. ‘Kijk eens, speciaal voor jou, mam!’

46

dewebschrijvers.nl


Noem mij Lilian Kars, Midwoud Meer dan ik nu ben, zal ik nooit worden. Al wat ik meer bedacht, weet God alleen en dat laat ik liever zo. Mijn handen zijn verwrongen en rood, kapot gewassen. Mijn rug krom zodat ik vaker de modder zie dan de zon. Hoewel ik lichter ben dan vroeger, kunnen mijn benen mij nog amper dragen. Waarom zou ik dan in hemelsnaam mijn hart verzwaren? Of jouw gemoed? Nee, dromen zijn alleen onschadelijk voor jonge vrouwen met geld. Niet voor de dochter van een hopeloze gelukszoeker uit Duitsland. Mij hebben ze niets gebracht, alleen ontnomen. Maar wie had mij dat moeten leren? De laatste keer dat ik mijn moeder zag was ik acht. Ik heb haar nooit mooier gezien dan die dag. Haar huid leek van porselein, haar ogen schitterden als het kristal dat ik dagelijks moet poetsen. De volgende dag was ze dood. Het leerde mij dat niets is wat het lijkt, Matthijs. Zoals toen mijn vader mij vier jaar later vertelde dat hij zoveel hoestte vanwege een kou. Hem heb ik niet meer gezien. Mijn zus ging uit werken; ik kwam terecht bij de aalmoezeniers. De eerste nacht heb ik geschreeuwd, maar dat leerden ze me snel af. Ik ontdekte mijn stem pas weer door het zingen. Niet daar natuurlijk, bij de aalmoezeniers was er niets om over te zingen, maar later, bij de Diaconie. Ik had het geluk dat mijn vader als hervormd stond ingeschreven. Binnen een jaar werd ik overgeplaatst van de hel naar een mindere hel. Ik waande me in de hemel. Hemel genoeg om te gaan zingen. Verder houd ik mijn hart licht en volsta ik met te zeggen dat ik er mijn naam leerde schrijven: Josina Roomer. Toen ik voorzichtig opmerkte dat mijn vader RĂśmer heette, leerde ik dat protesteren in een weeshuis gelijk staat aan schreeuwen. In de zomer van 1815, het jaar van mijn drieĂŤntwintigste verjaardag, opende het weeshuis haar deuren naar mijn vrijheid. Maar omdat niets is wat het lijkt, werd ik verhuurd aan de familie Koster in de Langestraat voor dertig

dewebschrijvers.nl

47


48 dewebschrijvers.nl foto Marieke de Jonge-Janmaat


gulden per jaar. De stad lag in puin na het vertrek van de Fransen en hield zichzelf met alcohol in een langdurige, misplaatste roes van onoverwinnelijkheid. Het zorgde ervoor dat de jongeheer Koster zijn handen niet van me af kon houden. Het zaad van mannen moet vloeien anders worden ze ziek. Maar moest dat nou in mij? Vier maanden later kreeg ik een jaarsalaris, wat kleding en een hand. Vijf maanden daarna een dochter, Johanna. Mijn stem heeft me misschien niet het leven gegeven waar ik in het weeshuis van droomde, ze hield me wel van de straat. Het was het moment waarop ik mijn naam veranderde in Rosina, zong waar men maar wilde betalen en woonde tussen muzikanten. Eén van hen, Machiel, zorgde voor Johanna alsof ze van hem was. Ze kreeg zijn naam, ik was zijn vrouw en niemand wist dat het anders was. Machiel was al ver in de vijftig, een weduwnaar en te oud om een gezond kind te maken. Onze Johannes heeft nauwelijks een dag geleefd. We woonden in de Slijkstraat toen hij stierf. Hij en later ook Machiel. De achterkamer verhuurden we aan Abraham en Pieter. Abraham Rusconi was een kleine man, donker, met een stem die je tot ver over de Achterburgwal kon horen. Die twee waren van de herenliefde, maar met een Italiaanse vader vond Abraham het lastig zich te beperken. Eerst kwam je zus, toen jij en vier jaar later Petrus. Rosina Rusconi ben ik nooit geworden. Na de dood van jouw broertje is Abraham naar Italië vertrokken. Ik ben inmiddels de zestig gepasseerd en niet veel verder dan het armenhuis waar ik geboren ben. De droom van mijn vader, een goed en welvarend leven, heb ik niet waar kunnen maken. Misschien jij. Met zijn naam. Meer dan ik nu ben zal ik niet worden maar ik kan wel weer worden wie ik ben. Op 23 mei 1854 erkende Rosina Roomer haar 26 jarige zoon Matthijs als enige van haar kinderen, vlak voor zijn verjaardag en zijn huwelijk als Matthijs Römer. Niemand weet waarom. Zij ondertekende de akte met ‘Josina Römer’. Vijf generaties later leef ik haar vaders droom.

dewebschrijvers.nl

49


Onalledaagse gezinsuitbreiding Floris Verveen, Utrecht Zondag 3 maart 1985, 14:10 Het voelt koud. Hier was ik niet op voorbereid, zo ken ik het niet. Kunstmatig of niet, je verwacht iets warms, 37° Celsius schoon aan de haak alstublieft. Dat had die gynaecoloog wel even mogen zeggen. Maar ja, dat weet hij dan natuurlijk weer niet. Kom op Sas, het doel heiligt de middelen. De weg hier naartoe is te lang en te moeilijk geweest om over futiliteiten te zeuren. Het is toch ongelooflijk dat er in deze moderne tijd van emancipatie en feminisme nog steeds maar één ziekenhuis in Nederland is waar je als weduwe met een kinderwens terecht kunt voor inseminatie? Twee als je Leiden meetelt, maar in hun psychologische tests had ik mooi geen zin. Iedere halve zool mag zich na een avondje stappen al dan niet per ongeluk door de plaatselijke, getrouwde alcoholist laten bezwangeren, maar een weldenkend mens dat er bewust voor kiest moet zich eerst aan volkomen arbitraire testjes onderwerpen? Deze dame niet gezien. Het zal de laatste uitwas van de christelijke moraliteit wel zijn, een man en een vrouw, gaat heen en vermenigvuldigt u, dat werk. Hij het gezinshoofd, zij de dienstbare vrouw. Je hebt je vaderlandse geschiedenis niet voor het uitzoeken. Pas op, concentreren nu, anders loopt het er zo weer uit. Lig ik hier over een maand weer te kleumen. Shit, heb ik vanochtend de katten wel eten gegeven? Donderdag 3 maart 2011, 19:45 Dit méén je niet!! Amper thuisgekomen van kantoor, pak nog aan en lenzen nog in, staar ik ongelovig naar het scherm van mijn laptop. Als ik de mail drie keer heb gelezen, stuur ik mijn vriendin, die natuurlijk uitgerekend vanavond met een vriendin uit eten is, een kort sms’je: ‘Ik zou wel eens twee halfzusjes gevonden kunnen hebben... X.’ Tevreden met dit literaire epistel van formaat druk ik op send. Een reactie blijft niet lang uit: ‘Dus toch... oh liefje, ik ben zo blij voor je! Ik kom er NU aan! Ily!!!’ Typisch vrouwen, meteen sentimenteel en bij het minste of geringste over hun stekker. Een ‘Sapje’ noemen we dat op de zaak. De mail staart me nog altijd koel tegemoet. Ik klik op reply, haal diep adem, en begin te typen.

50

dewebschrijvers.nl


dewebschrijvers.nl 51 foto Simone Schuitema


Wellicht behoeft bovenstaande enige toelichting. Ik ben een donorkind, verwekt door een anonieme spermadonor, vermoedelijk in samenwerking met mijn moeder, in wat zesentwintig jaar geleden de krochten van een katholiek ziekenhuis moeten zijn geweest. Daar was in die tijd een verdwaalde doch welwillende (en schijnbaar zeer progressieve) gynaecoloog werkzaam. Dat zijn praktijken niet strookten met de levensbeschouwelijke opvattingen van de werkgever nam deze moderne Tesla op de koop toe. De spermadonor was anoniem bij gratie van het feit dat dat nog kon in die tijd, vóór de ellenlange wachtlijsten. Op een brief met wat basale gegevens zoals lengte (1.80m), gewicht (70 kg), haarkleur (blond) en kleur ogen (blauw) na, weet ik niets van mijn biologische vader. ‘Mis je dat dan niet?’, vragen mensen altijd als ik het vertel, met een welgemeende, quasiernstige blik in hun ogen. Nou nee, maar nu ik toch je aandacht heb, geef de mayo even door wil je? Voor het pad van de mayo naar de halfzussen moeten we -hoe kan het ook anders- op Facebook zijn. Er was eens een tv-programma in de maak, getiteld Wie is mijn vader? Het bedrijf achter deze productie (bekend van DNA Onbekend) had een Facebookpagina voor de nieuwe show opgetuigd. Daarop werd uitgelegd dat het programma, op basis van matches in de landelijke DNA-databank, voor donoren en donorkinderen kennismaking tussen onbekende bloedverwanten ging faciliteren. Ik had de vriendelijke redactrice al weken daarvoor te kennen gegeven niet geïnteresseerd te zijn in deelname (violen, wáárrrrrr blijven mijn violen, ja, aftellen 3, 2, 1 en nu tranen! Móóóóiiii!!). Ik was vooral geïnteresseerd in hoe ze aan mijn telefoonnummer kwam. Maar uiteindelijk kon ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen. Ik belandde op de bewuste pagina en zag dat andere bezoekers al lustig berichtjes aan het uitwisselen waren. In het bovenste berichtje, het meest recente, had een meisje uiteengezet wat ze van haar donor wist. Slik. Hier werd vrijwel woordelijk mijn donor omschreven. Ken je dat extatische gevoel dat je krijgt op het moment dat alle puzzelstukjes van je leven ineens perfect in elkaar lijken te passen? Ik niet, en het gevoel dat me nu bekroop leek er ook in de verste verte niet op.

52

dewebschrijvers.nl


Ik stuurde de plaatster van het bericht een korte, zakelijke mail met de constatering dat er behoorlijk wat feiten overeen leken te komen, met de vraag of ze ook de overige haar bekende informatie wilde opsturen. Het was de avond van woensdag 2 maart 2011, en ik kon nog niet bevroeden dat haar volbloed zusje (zelfde moeder, zelfde donor) mij de volgende dag namens hen beiden terug zou mailen. Vrijdag 21 oktober 2011, 12:45 De deur gaat open. Met ons hart in onze keel kijken we wie er binnenkomt. Als we de gezette dame van middelbare leeftijd in het oog krijgen slaken we beide een hoorbare zucht van verlichting. Schuldbewust kijken we elkaar aan en lachen zenuwachtig. De hele situatie is ook te raar voor woorden. Je ontmoet niet elke dag een nieuwe halfbroer. Hoewel, nieuw... Na ruim een half jaar zijn we wel enigszins aan het idee gewend, al heeft de DNA-test pas deze week definitief uitsluitsel gegeven. Toch zitten we hier als schoolmeisjes te giebelen. De deur gaat weer open. Een lange jongen van ongeveer onze leeftijd stapt binnen. Zoekend kijkt hij rond. Zijn blauwe ogen vangen de onze. Met een schuldbewuste blik en een heimelijke lach loopt hij ons tegemoet.

dewebschrijvers.nl

53


Ontcijferd Els den Os, Witteveen Voordat ik het gemerkt had stond Rijnsburger maandag in de les ineens achter me, terwijl hij verder praatte over katholieke schrijvers of een van zijn andere stokpaardjes. Het briefje griste hij van mijn schoot, zonder er een woord aan te wijden. De straf stond bij voorbaat vast: een opstel schrijven over het belang van literatuuronderwijs. Of zoiets. Dat was nog het minst erg. Je kon daarna rekenen op een sarcastische voordracht van de inhoud, want dat was zijn stijl van lesgeven: Grootbrengen door klein houden. Tot ieders verbazing volgde er echter geen spottende declamatie; Rijnsburger had na een korte blik op het briefje zijn verhaal afgemaakt. Voordat de bel ging had ik de opstelopdracht binnen. Verder gebeurde er niets. Het was een hele kluif om vier bladzijden vol te schrijven over de vraag of Godfried Bomans wel of niet literatuur produceert. Over mijn schouder keek de misprijzende geest van Rijnsburger mee. Ik maakte me geen enkele illusie over zijn kwaliteitsoordeel. Zorgen over de inhoud van mijn briefje maakte ik me niet. Hij zou nooit kunnen lezen wat er op stond. De hoofdletters en getallen waren goed gecodeerd. Dankzij onze nieuwe godsdienstleraar wisten we dat je de Bijbel kon gebruiken voor het versleutelen van teksten. Elk ander boek zou ook werken, maar Carina Vonk en ik hadden de Bijbel op dat moment bij de hand, en waren meteen begonnen. Het zag er wel ijverig uit: twee meisjes bladerend en schrijvend. Het had ons zelfs goedkeurende blikken van de docent opgeleverd. Onze boodschappen werden met behulp van de Heilige Schrift omgezet in geheimtaal. ‘Hoi Meike, hoe vind je De Jong? Ik mag hem wel. Apolonia.’ Dat soort meidenpraat. We gebruikten schuilnamen voor elkaar. Apolonia is mijn tweede naam. Niemand kent die.

54

dewebschrijvers.nl


foto Hans Pama

Vandaag volgt mijn uiteindelijke straf. We zitten klaar voor de Nederlandse les en wachten af. Gaat Rijnsburger mijn opstel afkraken, krijg ik een preek of heeft hij een toepasselijk verhaal? Ze zeggen dat je tienerjaren de mooiste jaren van je leven zijn, maar ik voel me onzeker en ellendig. Met een hoofd dat te zwaar is voor mijn romp, voel ik de grote vernedering aankomen. Alle fouten in mijn opstel zullen zwaar uitvergroot worden, tot groot vermaak van de klas. Rijnsburger haalt niet het opstel, maar het afgenomen briefje te voorschijn en begint te praten: ‘Juffrouw Mos, dames en heren, heeft een paar geheimen. Ze moet zich schamen voor wat ze allemaal denkt en schrijft. En dan heb ik het niet over haar strafopstel; dat ligt al in de prullenbak. Juffrouw Mos heeft trouwens een eigenaardige tweede voornaam, Apolonia, waardoor ik haar boodschap kon ontcijferen. Ik stel voor dat u als klasgenoten haar voortaan met die voornaam gaat aanspreken. Zelf zal ik dat in elk geval doen. En... Juffrouw Mos is verliefd.’ Ik ril van angst.

dewebschrijvers.nl

55


‘Dit schrijft ze in haar gecodeerde boodschap: Hoi Meike, (dat zal Juffrouw Vonk wel zijn) Ik snap wel dat je verliefd bent op De Jong. Heeft hij een ring? Ik ben ook verliefd, maar je mag het aan niemand vertellen. Beloof je dat! Ik denk dat je het wel weet. Het is Mw. de Groot van wiskunde. Ik vind haar geweldig Ze mag het niet weten hoor! Anders krijgen we de conrector op huisbezoek Straks meer. Apolonia’ Hij schept er genoegen in om een lange stilte te laten vallen. Triomfantelijk kijkt hij de klas in. Maar het blijft stil, weldadig stil. Een paar klasgenoten knikken me toe in zwijgende solidariteit. Daan durft het meest. Hij steekt z’n vinger op en vraagt: ‘Meneer Rijnsburger, hoe lang heeft u erover gedaan om Fiens briefje te ontcijferen?’ Dan voel ik mijn schouders ontspannen; de klas zal achter me staan. En mijn liefde voor taal krijgt geen leraar kapot.

56

dewebschrijvers.nl


Sporen

Baukje Zijlstra, Arnhem Na een vruchtbare zomer ligt de volvette klei van de Beemster uit te rusten in de milde herfstzon. De wandeling door dit weidse land heeft me niet voorbereid op wat er achter het roestige hekwerk ligt te wachten: een bruingrijs betonnen monster met holle, hongerige ogen. Hij heeft net een groep kinderen naar binnen gewerkt, van een leeftijd waarop je alles nog wilt weten. Het is open dag bij Fort Spijkerboor, onderdeel van de wereldvermaarde Stelling van Amsterdam. De gids vertelt ons dat het een erkend cultuurmonument is, een voorbeeld van innovatieve verdediging en waterbeheersing. Voor mijn vader was het een gevangenis. Hij had zich aangemeld als oorlogsvrijwilliger in wat toen voor veel mensen nog Nederlands-Indië heette. Na het benauwde leven in de onderduik voor de Arbeitseinsatz was het tijd voor actie. Het beeld van de met gejuich binnengehaalde Canadezen lag nog vers in zijn geheugen. Maar de werkelijkheid op Java pakte iets anders uit. Na de eerste zogenaamde ‘politionele actie’ was het op een dag domweg genoeg en weigerde hij een bevel. Voor de Krijgsraad te Velde in Garoet werd hij tot anderhalf jaar gevangenisstraf veroordeeld, waarvan hij één jaar in Indonesië en een halfjaar in Fort Spijkerboor doorbracht. De schemerige gangen van het fort ademen vocht en kilte. Na de officiersverblijven en de observatiekoepels komen we bij de gevangenislokalen. Hier sliepen ze met z’n achttienen in de tijd dat het fort een gevangenis was. Terwijl de gids vertelt dat de kast naast de stalen celdeur een wc was met, heel modern voor die tijd, een stankafsluiter, probeer ik me voor te stellen hoe mijn vader in de propvolle ruimte op zijn brits lag te woelen. Hier ligt het roemloze einde van zijn Indische avontuur. Militaire oefening was verplicht voor de militairen die in het fort gevangen zaten, maar mijn vader piekerde daar niet over. Bij zijn vertrek uit Indonesië was hij officieel ontslagen als oorlogsvrijwilliger, dus wat nou militaire

dewebschrijvers.nl

57


58 dewebschrijvers.nl foto Willem Knot


oefening. Uiteindelijk moest hij in plaats daarvan in de moestuin van het fort werken. Het was als strafmaatregel bedoeld, maar voor mijn vader was er geen mooiere klus denkbaar: lekker buiten, met zijn handen in de aarde, kijken hoe de aardappelplanten groeien. Bovendien kon hij het goed vinden met de bewaker van de tuin, de oude B. Met die man kon hij praten. Naderhand schreven ze elkaar nog een brief, al was dat eigenlijk verboden. Bewakers mochten geen contact onderhouden met ex-gedetineerden, maar mijn vader wilde graag vertellen hoe het hem na zijn vrijlating was vergaan. B. begreep eigenlijk ook niet wat voor kwaad daarin stak, al drukte hij mijn vader wel op het hart er verder met niemand over te praten. De brief van B. heb ik in mijn tas, een tastbaar overblijfsel van een ongrijpbaar verleden. Het is niet zo’n lange brief geworden, want het was zaterdagavond en B. moest schaken met zijn zoon; het bord stond al een kwartier op tafel. Er staan voornamelijk alledaagse dingen in: het rantsoen tabak is omhooggegaan, Sinterklaas is op bezoek geweest in het fort, ze krijgen nog steeds nieuwe jongens uit Indië binnen en de opzichter van de tuinen heeft een nieuw stuk grond om laten spitten. De rondleiding is ten einde. Ik sta buiten op de aarden wal die het terrein van het fort omsluit. Het is gek, maar hier heb ik het gevoel dat ik veel dichter bij mijn overleden vader ben dan in Indonesië, waar ik een maand lang heb geprobeerd zijn voetsporen te volgen. In het tedere strijklicht gloeit het gouden haantje van de kerk van De Rijp op. Dit landschap zal mijn vader, op zijn knieën tussen de aardappelplanten, vast en zeker aan Friesland hebben doen denken. Aan thuis. De gids, die hier al meer dan zeventig jaar woont, komt naast me staan. Ik twijfel of ik hem de brief zal laten zien, zal vragen of hij die bewaker heeft gekend. Voorzichtig begin ik met een inleidende vraag: ‘Was de moestuin van het fort binnen of buiten de wal?’ De gids kijkt me verbaasd aan, laat zijn ogen even over het landschap gaan, alsof hij zich de precieze plaats probeert te herinneren. Dan schudt hij langzaam zijn hoofd. ‘Moestuin?’ Alsof hij het woord voor het eerst hoort. ‘Er is nooit een moestuin geweest bij het fort.’

dewebschrijvers.nl

59


Twee gezichten Iris Houx, Eindhoven ‘Tien guldens, meer kan ik u niet geven.’ Ze ademt een keer hoorbaar in. ‘Het is dat haar vader het zo graag wil.’ Johannes aarzelt even, maar knikt dan. Doorgaans vraagt hij meer voor een portret. Hij weet echter dat het er de tijden niet naar zijn om werk te weigeren. ‘Toe, geef die meneer eens een hand.’ De vrouw duwt het meisje naar voren. Een zachte hand wordt voorzichtig in de zijne gelegd. ‘Johannes Vermeer’, stelt hij zich voor. Het meisje kijkt weg. ‘Doe geen moeite, ze praat niet.’ Johannes kijkt de vrouw even aan, wat ze blijkbaar opvat als een vraag. ‘Tot haar zesde heeft ze gesproken, maar toen gebeurde er iets, niemand weet wat, en van het een op het andere moment zweeg ze.’ Ze haalt haar schouders op. Als de vrouw is vertrokken, gebaart Johannes naar het krukje onder het hoge zijraam. Hij heeft bedacht dat hij het meisje in het halflicht wil schilderen: Helder licht aan de ene zijde van haar gezicht, schaduw aan de andere. Alsof ze het aanvoelt, gaat ze direct in de juiste houding zitten. Ze schikt het kapje op haar hoofd terwijl Johannes zijn penselen pakt en de eerste contouren opzet. Gelaten staart ze naar een punt achter hem. Soms voelt hij hoe ze hem observeert wanneer hij zijn aandacht bij het doek heeft. Johannes vraagt zich af wat er toch met haar gebeurd is dat ze haar spraak verloren is. ‘Heb je het niet te koud daar bij het raam?’, vraagt hij. Ze schudt haar hoofd. ‘Hoe oud ben je?’. Een kort schouderophalen, alsof het hem niet aangaat. Gelijk heeft ze, denkt Johannes. Zwijgen heeft zijn voordelen, niemand verwacht iets van je. Veel van zijn klanten zijn mensen die nogal vol zijn van zichzelf en allerlei eisen stellen. De neus mag niet te geprononceerd, is de belichting wel flatteus? Om tijd en stilte te doden wordt hij vergast op de laatste nieuwtjes. Mientje is er vandoor met de knecht, Hans heeft al zijn geld verspeeld met dobbelen. Het gaat zijn ene oor in, het andere uit.

60

dewebschrijvers.nl


dewebschrijvers.nl 61 foto Marieke de Jonge-Janmaat


Meer dan ooit is Johannes zich nu bewust van het geluid van zijn penseel over het doek, een prettig geluid. Na een tijdje pakt hij een homp brood en neemt er een hap van, gedachteloos. Haar ogen volgen hem. ‘Honger?’, vraagt hij. Ze knikt en slaat de ogen weer neer. Johannes geeft haar de helft. In stilte geniet hij, van geluiden die hem normaal niet opvallen, van het zonlicht dat haar in een hoek van vijfenveertig graden beschijnt, en hoe het haar twee gezichten geeft. Hij lacht, net op een moment dat zij hem aankijkt. Onwennig lacht ze terug. Daarna gebeurt het opnieuw, alsof ze was vergeten dat ze het kon. En nog een paar keer, steeds langer. Als Johannes haar vraagt om even te gaan verzitten of haar kin wat hoger te houden, geeft ze daar met een kleine glimlach gehoor aan. Waren al zijn klanten maar zo. En met dit prachtige schepseltje voert hij mooiere conversaties dan met de meesten van hen. Hij deelt nog een stuk brood, met kaas deze keer. Als haar hand daarbij per ongeluk de zijne raakt, trekt ze die snel terug. Johannes knikt een keer geruststellend en neemt weer plaats achter zijn ezel. Een heerlijke rust komt over hem en hij betrapt zich erop dat hij zich verheugt op de volgende sessie. Het portret is nog lang niet af. Hij wil alle lagen van haar persoonlijkheid ontdekken en in het portret aanbrengen. Ze verdient een meesterwerk. Veel te snel staat de vrouw weer voor de deur. Johannes toont haar de eerste opzet. Ze werpt er een korte blik op en tast dan zonder commentaar naar haar geldbuidel. ‘Was het een beetje uit te houden?’ , mompelt ze. Johannes knikt. ‘We hebben prachtige gesprekken gevoerd.’ De vrouw kijkt hem ongelovig aan. ‘Heeft ze gesproken?’. Zonder het geld aan te nemen, steekt Johannes zijn handen in de zakken. ‘Jazeker.’ Over het hoofd van de vrouw staart hij naar het meisje op het krukje. Ze slaat haar ogen neer, maar niet voordat ze hem nog een glimp van haar lach heeft getoond. ‘Alleen niet met zoveel woorden.’

62

dewebschrijvers.nl


Veenkoloniaal verlangen Annemieke Zaan, Zutphen Op een avond langs het kanaal van mijn geboortedorp, was het landschap waarin ik stond eeuwenoud. Alles wat ooit bestaan had hing in de lucht. Ik ademde het in en uit. Mammoet, berk, populier en ik waren hetzelfde. IJs, veen, de geur van voorjaar. Roze en ceruleum in de avondlucht, die langzaam overging naar indigo, werden vormgegeven tijd. Onsterfelijk was ik, en het centrum van de wereld. Een kind nog. Ik had er geen woorden voor toen. Die waren niet nodig, de ervaring sprak voor zich. Dit was het begin van mijn leven. Zo luchtig en kleurrijk stelde ik me het leven na de dood voor. Ik was nog volop verbonden met mijn omgeving, met mijn vader; met de namen van de eerste Hanoveranen. Deserteurs, ruig volk. Honderdveertig jaar geleden waren ze gekomen om het hoogveen te ontginnen. Mijn vader droeg niet de naam die hij had moeten hebben, vanwege de statenloosheid door desertie van een voorvader in die eerste generaties sloebers. We dragen de naam van mijn overgrootmoeder. Enkele jaren daarna op zo`n zelfde voorjaarsavond, werd alles wat kleur had zwart. Het was het begin van verdriet dat lang weggestopt zou blijven. Verdriet dat geen naam kreeg en geen plek zou vinden. In een dorp zonder woorden, want mensen in Zuidoost Drenthe praten niet. De houten veenklompen van mijn vader bleven vanzelfsprekend in de schuur van ons huis staan. De droge oostenwind uit Polen waaide over moorzwarte veensloten naar het Meerstal moeras in een leeg landschap. Het einde van de wereld. De dood van mijn vader. Zijn afwezigheid waarover niemand sprak. Wij niet, het dorp niet. En mijn vriendinnetje Carin heel soms: ‘Joen pappe.’ In deze fossiele wereld, nam mijn eerste liefde warm en werelds de streekbus: lijn 45 van Athene naar Bargercompascuum. Vooral het feit dat hij uit een andere wereld kwam, was mijn ontsnapping. We spraken over literatuur, de Muppets en muziek. Ik streelde zijn lippen, zijn zwarte krullen. In het zachte gras zocht hij fris groene klaver. Hij bewonderde

dewebschrijvers.nl

63


64 dewebschrijvers.nl foto Korrie van Leeuwen


mijn blauwe ogen en verbaasde zich over mijn bevochten authenticiteit in dat achterlijke grensdorp, waar ik die voorgaande jaren beklemming en zwaarte had gevoeld. Na zijn vertrek naar zijn vuile miljoenenstad, hielden we contact in een intensieve briefwisseling. Mijn oma was analfabeet en niet in staat haar eigen naam te schrijven. Ik had me het lopend schrift eigen gemaakt. Op school had ik geleerd van mijn docent Nederlands dat men in het ABN de -n- niet uitspreekt, dus ik moest ‘lere prate’ in plaats van ‘leerun praatun’. Een waardevolle les. Ik sprak niet alleen mijn eigen dialect en verstond Grensduits in die tijd, maar sprak ook Nederlands, Hoogduits en Engels. Telepathie was naast vaste telefoon, telegram en PTT Post in de jaren tachtig nog een vanzelfsprekend communicatiemiddel. Zoals het openen van mijn e-mail nu vanzelfsprekend voor me is. Dat hij me zomaar verliet voor een ander, en ik nooit het recept van zijn moeders moussaka heb kunnen achterhalen, heeft me lang dwarsgezeten. Ik verliet mijn geboortegrond, zoals veel generaties voor mij, voor een betere toekomst elders. Ik ontdekte de wereld en leerde een ander leven kennen. Tijdens mijn werk met dak- en thuislozen ontmoette ik een man, die de naam droeg van een naburig dorp uit mijn jeugd. Een aan lager wal geraakte nazaat van de grote veenbaas O. Door psychisch lijden was hij niet alleen zijn status, sociale netwerk en miljoenenbezit kwijt, maar ook zijn vrouw en dochter. De man verbleef anoniem in onze opvang, zonder identiteitskaart en onder de radar van alle instanties. Voor zichzelf hield hij de schijn van waardigheid op met een arrogante en autoritaire houding. Hij wees ons regelmatig de deur. Een querulant met vlinderstrik.

dewebschrijvers.nl

65


Ik kon het goed met hem vinden. Wanneer hij me weer eens uit zijn schimmelige kamer had verbannen, zocht ik keer op keer het contact op. Ontroerd waren we beiden, toen bleek dat onze geschiedenis een gezamenlijke veenkoloniale oorsprong had. Hij als nazaat van een grote veenbaas, ik als de dochter van een turfsteker. Tot tranen geroerd pakte hij mijn hand. Een arbeidersdochter, die de kans had gekregen een opleiding te volgen en de grauwe veenkoloniën te ontvluchten. Nu zag hij de rollen omgedraaid in ons dagelijks bestaan, waarin hij afhankelijk was van de zorg van de liefdadigheidsinstelling waar ik werkte. Ik verlang naar een stil leven. Ik ben tenslotte een bescheiden arbeider, eigenlijk niemand, stateloos en zonder identiteit. Dat is iets. Ik ben het landschap van de leegte, van grijs en bruin, van het einde van de wereld, waar menselijke beschaving komt en gaat en er heel misschien iets is dat blijft. Eeuwen daarvoor was het in mijn provincie dat mensen mysterieuze hunebedden oprichtten. Later bouwden bewoners een hut van plaggen in één dag. En wanneer er bij het vallen van de avond vuur gemaakt kon worden, was het recht op verblijf en een bescheiden bestaan verdiend. Ik moet mijn hut bouwen, zorgen dat mijn vuur brandt, dat de schoorsteen rookt en de wind laten waaien.

66

dewebschrijvers.nl


Verborgen verleden in tranende ogen Stephanie Freij, Tilburg Verborgen verleden in tranende ogen. Spreken is zilver, zwijgen is Indisch. ‘Mijn opa flikkerde Indië in een hutkoffer, maar juist die hutkoffer schreeuwde het hardst’, hoor ik Adriaan van Dis nog zeggen. Ik besef dat er in mijn familie weinig of eigenlijk niets tastbaars is overgebleven. Mijn verleden zit niet in een hutkoffer. De huiskamer ruikt naar een mengeling van Sajoer Lodeh, Gado Gado en Saté. Ik kijk naar oma. Ze ziet er eigenlijk helemaal niet zo uit als de typische oude Indische omaatjes die ik ken van de televisie. ‘Oma, gaan wij naar de Pasar Malam in Den Haag?’. Ik kijk hoopvol naar de glimmende donkere ogen die plots wijd open sperren. ‘Adoeh, kind! Je weet toch wel wat een Pasar is?’, schreeuwt oma verschrikt. Ik vertel haar dat ik heus wel weet dat het een Indische markt is maar dat ik er gewoon nog nooit geweest ben. Oma luistert niet eens naar mijn antwoord. Ze is al lang in de keuken verdwenen en ik hoor haar driftig in de pan met Sajoer roeren terwijl ze Maleis brabbelt. De klanken klinken boos maar ik weet dat ze het niet zo meent. Opa vertelt over het kattenkwaad dat hij als jongetje uithaalde, maar zodra het gesprek diepgang krijgt verstart hij. Zijn ogen glazig. Ik krijg letterlijk het zwijgen opgelegd. ‘Hier, neem nog wat kroepoek.’ Mijn mond vol zodat ik niets meer kan vragen. Opa staat alweer buiten de saté te draaien. Wat zou ik graag na elke hap dat ik van het geurig fruit neem, de sappen langs mijn mond voelen druipen in de zwoele tropische hitte. Ik wil het lawaai horen en me manoeuvreren tussen krioelende auto’s, bussen, becaks. Als er een ‘verkeersregelaar’ is, voor 1000 rupiah voorrang willen kopen. En ik wil langs smetteloze witte huizen, de kretek gemengd met de geur van durian en zwetende mensen ruiken. Tussen de schier eindeloze krotten, de spelende kinderen willen begroeten. Ik wil me nietig voelen in de overweldigende schoonheid die Moeder Aarde Indonesië heeft gegeven. Het land dat ook bij mij hoort maar dat ik eigenlijk niet ken.

dewebschrijvers.nl

67


68 dewebschrijvers.nl foto Harry Klingenberg


‘Waar kom jij vandaan?’, werd me gevraagd op de basisschool waar kinderen met een andere dan blanke huidskleur op een hand te tellen waren. ‘Gewoon. Uit Nederland’, zei ik dan. ‘Maar waar kom je dan écht vandaan?’, was standaard de vervolgvraag. Ik voel me en ben Nederlands, maar dat kleine deel dat mij Indisch maakt, maakt mij enorm trots. Al weet ik nu ik bijna dertig ben nog steeds niet precies wat dat stukje Indisch in mij precies inhoudt. Hoe meer ik zoek, des te groter het mysterie lijkt te worden. Ik schep wat rijst op mijn bord. ‘Oma, waarom vertellen jullie niet over vroeger zoals opa’s en oma’s van mijn vrienden? Zij hebben in Nederland toch ook mensonterende gebeurtenissen meegemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog?’, vraag ik met aarzeling in mijn stem. ‘Adoeh, zulke moeilijke vragen, lieverd!’, zegt oma terwijl ze me in mijn wang knijpt. Gelukkig gaat ze verder. ‘Toen wij in Nederland kwamen moesten we het verleden wegstoppen en vergeten.’ Ze schept extra sambal op haar bord. ‘Indië is niet meer’, gaat oma door, ‘je verlangt wel terug, maar je verlangt naar iets wat er niet meer is. Waarom zou ik erover praten?’ De geheimzinnigheid rondom het verleden in het verre Nederlands-Indië lijkt te zijn vermengd met eenverdrongen gevoel van schaamte en verdriet. Het was een onzekere, ontwrichtende tijd die uit hun geheugens verbannen lijkt. Daarover praten is haast taboe. Je aanpassen in het nieuwe land en vooral niet terugkijken was voor hen de enige mogelijkheid de draad van het leven weer op te pakken. Dat heeft niets met cultuur of generatie te maken, het is overlevingsdrang. Die spanning is voor mij altijd voelbaar geweest. Maar hoe ouder ik word, des te groter wordt mijn honger naar Indonesië. Natuurlijk bedoel ik dan niet de honger naar Indische gerechten. Mijn oma weet écht wel dat liefde door de maag gaat. Nee, het is de honger naar verhalen van mijn familiegeschiedenis die aan me blijft vreten. Ik zie dat oma het moeilijk krijgt. Haar handen trillen, ze stopt met praten. Haar ogen staren strak vooruit en ik zie haar in gedachten teruggaan naar een ver verleden. Mijn enthousiasme en nieuwsgierigheid maken plaats

dewebschrijvers.nl

69


voor een gevoel van spijt en verdriet. Dit is het dus. Dit is wat mij er al die tijd van heeft weerhouden om teveel vragen te stellen. Ik zwijg. Van horen zeggen is dat typisch Indisch. Ik glimlach. Typisch Indisch. Er zit zoveel van dàt in mij. In bed schijnt het lampje op foto’s van onze familie van vroeger. Ik toets op de iPad mijn achternaam in op genealogie websites, zoals ik al zo vaak heb gedaan. Ook nu geen resultaat. Ik mompel in mijzelf dat opa mijn zoektocht naar het verleden ook niet gemakkelijk maakt. In mijn paspoort sta ik met puntjes, maar volgens opa is dat flauwekul. ‘Frey, zonder puntjes, adoeh zeg’, hoor ik hem al brommen. Keer op keer word ik tijdens het lezen over het verre Nederlands-Indië overvallen door een mengeling van afschuw, fascinatie, verwondering, beroering en soms ook ergernis. Na wat bizarre zoekcombinaties zie ik plots ‘Carl Hendrik Ernest Frey’. Mijn overgrootvader! Ik geloof dat ik eindelijk ‘mijn hutkoffer’ heb gevonden. Mijn verborgen verleden schuilt nu in tranen én op een Japanse interneringskaart.

70

dewebschrijvers.nl


Vertrouwen Marianne Lookman, Epe In de mensenmenigte is hij even alleen met zijn gedachten. Als kind kwam hij hier ook al. Eerst samen met zijn ouders, later met zijn eigen gezin. Afgelopen jaar overleed zijn vrouw. Zonder haar werd het leeg en stil in zijn leven. Ruben, zijn kleinzoontje, staat samen met zijn dochter en schoonzoon naast hem. Dit jaar werd hij zes en het is de eerste keer dat hij mee mag naar deze plechtigheid. Vertederd kijkt hij naar het ernstige snuitje. Familie biedt troost. Gedeelde herinneringen zijn zo belangrijk voor hem geworden. Het wordt acht uur. Twee minuten stilte. Het voelt alsof er een glazen stolp over de Dam wordt geschoven. De geluiden van trams en auto’s dringen niet meer door. Toen de oorlog uitbrak was hij nog maar net geboren. Hij denkt aan z’n grootouders, die hij zich niet herinnert. Ze werden in de oorlog weggevoerd en zijn nooit meer teruggekomen. Op het dressoir in zijn ouderlijk huis stond vroeger hun vergeelde foto. Ook denkt hij aan de mensen die de oorlog wel overleefden, maar de angst en het verdriet hun levenlang meedroegen. Mensen zoals zijn ouders, die nooit over die tijd spraken. Een meeuw scheert boven het Monument en slaakt een angstaanjagende kreet. Dat geluid wordt niet tegengehouden door de denkbeeldige stolp. Mensen kijken verschrikt omhoog. Misschien zou het veel indrukwekkender zijn als we in plaats van twee minuten stilte een Nationale Schreeuw zouden geven, denkt hij. Stel dat alle aanwezigen voortaan twee minuten gaan gillen, schreeuwen en krijsen. Een kakofonie van pijn. Zo zouden we voor even onze stem lenen aan alle slachtoffers. Een koor van verzet tegen oorlog en oorlogsmisdaden uit het heden en verleden.

dewebschrijvers.nl

71


72 dewebschrijvers.nl foto Arjo Stokman


Als het Wilhelmus heeft geklonken fluistert Ruben: ‘Opa, mag ik nu weer praten?’ ‘Heel even, maar wel zachtjes hoor. Er komen nog toespraken.’ ‘Wanneer gaan we de bloemen neerleggen?’ ‘Dat duurt nog wel een poosje jongen.’ Eindelijk komt de menigte in beweging. Langzaam lopen we met elkaar richting bloemenzee. ‘Opa, komt er nu nooit meer oorlog?’ Kon hij daar maar volmondig ja op zeggen. De wereld is nog geen dag zonder oorlogen en brandhaarden geweest. ‘Dat hoop ik Ruben, dat hoop ik met heel mijn hart.’ Even drukt hij het handje van zijn kleinzoon. Hoop. We mogen de hoop en het vertrouwen niet verliezen, denkt hij. Het is of een donkere wolk oplost in zijn hoofd. Zijn sombere gedachten worden gewist. Een bijna vergeten geluksgevoel komt ervoor in de plaats. Hij leeft. Hij is niet alleen. Hij heeft familie!

dewebschrijvers.nl

73


Voorbij oorlog Gerry van Rheenen, Groningen Een groene legerjeep passeert mij. Ze zijn er dus nog? Begin jaren vijftig hadden mijn broers zulke auto’s, groot en van hout. Je kon er stalen frames op zetten en met zeildoek de wagens dicht maken. Spelen met legergroen. Ik rijd de spoorbaan over. Een trein dendert voorbij. Herinneringen. Verhalen met verre, vage beelden. Ik stop. Laat maar komen die beelden. Het tweesporenbeleid van het gevoel, leidt onherroepelijk naar een goederentrein over glimmende rails. Verdwijnpunt. Eindpunt met commando’s: links, rechts. Ik hoor een sirene, vliegtuigen gaan over. Een nachtverscheurend hoog fluitgeluid. De voortrazende trein. Oorlog. Als de sirene gaat moet je je kussen pakken en snel naar de kelder gaan. De oorlog is toch voorbij? We zitten stil naast elkaar op de stenen treden van de keldertrap. We horen onszelf ademen boven de straatgeluiden uit. Misschien ben ik in slaap gevallen. Ik lig gewoon in bed, want de oorlog is voorbij. Later zitten we alleen op de trap als er onweer is. De andere trap, naar boven. Ik loop die soldaten achterna, want zij geven mij chocoladerepen. Chocolade is lekker. Ik heb het nooit eerder geproefd. Ik volg de soldaten tot in het nauwe steegje tussen de huizen. Ik proef en ruik, veeg langs mijn mond. Ik ben niet bang voor vreemden. Mijn moeder wel, zij durft niet met een Jood in huis. Ze zegt dat het gevaarlijk is, levensgevaarlijk. Ze voelt zich schuldig en mijn vader is er ook niet. Ik vraag wat schuldig is en waar mijn vader is. ‘Hongertocht’, hoor ik, maar dat begrijp ik niet. Mijn broers hebben nog geen groene jeeps. Er zijn nu echte soldatenwagens, afgeladen vol met Canadezen. Vrolijke gezichten onder groene baretten. Waarom kijkt bij ons niemand vrolijk? Alleen mijn kleine zusje lacht. Zij is nog te klein voor oorlog. Ik ga met mijn broers spelen. De juffrouw op school vraagt ook al waar mijn vader is. ‘Hongertochten’, zeg ik gehoorzaam. Zij lacht achter haar hand en fluistert met de andere juf.

74

dewebschrijvers.nl


dewebschrijvers.nl 75 foto Kim van Giessen


Ze kijken naar mij. Dat voelt niet prettig. Ik durf niets meer te zeggen, ze geloven mij toch niet. Ik zal mijn moeder nog eens vragen. Nu moet ik vooral op mijn zusje passen. Mijn moeder vindt het vervelend dat ik zoveel vraag. Ze gaat over iets heel anders praten. Vertelt over zo’n groene soldatenmevrouw, een hele hoge. Ze heeft in ons huis gewoond. Mijn ouders vinden dat eigenlijk niet goed, maar als het oorlog is heb je niks te vertellen. Wat raar, zeg ik, want ik heb haar nooit gezien. Het lijkt alsof mijn moeder nu een beetje boos wordt. Ik kan er toch niets aan doen, dat ik die mevrouw niet ken, dat de juffen lachen en dat er vrolijke soldaten zijn, die je zomaar chocola geven? Ik heb zelfs bij die mevrouw op schoot gezeten. Zij heeft een muziekdoosje voor mij gemaakt. Een lucifersdoosje met elastiekjes erom heen om te tokkelen. Ze zingt erbij voor mij en ik lach. Is mijn moeder misschien boos omdat ik niet bij haar op schoot wil? Boos, of verdrietig? We gaan ook logeren, bij tante in Oosterbeek. Daar zijn bijna alle huizen kapot. In brokken liggen ze. Wat een puinhoop. Misschien kun je er leuk spelen, springen van de ene steen naar de andere. Dat is gevaarlijk, zeggen de grote mensen. Levensgevaarlijk. Zij trekken ons weg. Daar liggen mijnen, zeggen ze. Als je erop trapt, word je helemaal zwart. Daar willen we meer van weten. Hoe, zwart? Omdat we tussen die brokken steen spelen? Net als die man, zwart en dood, waarschuwen ze. We begrijpen het niet, we willen het eerst zien. Stiekem spelen we daar toch. We worden steeds gestoord door de grote mensen die dreigen en aan ons blijven trekken. Het is toch leuk in Oosterbeek. Mijn moeder wijst naar het gemeentehuis. Is mijn vader daar? Lampjes. Kijk maar naar de lichtjes, zegt mijn moeder. Water en brood, zeggen mijn broers. Omdat de koningin jarig is. Koningin? Is dat die groene soldaten- mevrouw? Muziekdoosjes en lampjes, soldaten en juffen, jeeps en treinen. Ik knijp mijn ogen stijf dicht. Mijn zusje huilt, trekt aan de arm van mijn moeder. We houden elkaar stevig vast. We zijn bang en verdrietig en blij. Mijn vrolijke broers maken een trein van stoelen. De lijnen op het vloerkleed zijn de rails. Ze maken ruzie, willen conducteur zijn en kaartjes knippen. Geen machinist. Die laat de trein ontsporen. Dan is het oorlog.

76

dewebschrijvers.nl


Ik hoor een fluit. De trein stort in elkaar. Mijn broers vechten als soldaten. Mijn moeder zegt niets. Mijn zusje kruipt op haar schoot. Ik ben al groot, ik denk aan mijn vader. Aan de lichtjes. Als het voorjaar wordt, in de meimaand, moeten we stil zijn, zeggen onze ouders. Zij willen aan de oorlog denken en kijken somber. Ssst, je mag niets zeggen. Wat hoor je veel als het zo stil is. Ik hoor in de verte een auto. Ik hoor meubels kraken, de klok tikken. De kerkklokken zijn stil geworden. Mijn vader vouwt de krant op en mijn moeder friemelt aan haar schort. Mijn kleine zusje laat een blokje vallen. Ssst, zegt mijn moeder. Mijn broers staan voor het raam, maar er is niets te zien op straat. Dan klinkt er heel langzame, plechtige muziek uit de radio. De oorlog is voorbij.

dewebschrijvers.nl

77


Zwarte kapitein Marlen Beek-Visser, Leiderdorp Zolang ik me kan herinneren heb ik een pesthekel aan de winter. Niet vreemd voor een jongen wiens wortels in de tropen liggen. Met de oversteek naar Nederland liet ik het Surinaamse klimaat achtduizend kilometer achter me. Mijn ouders hadden bedacht dat december een handige maand was om te emigreren. Dan konden we de feestdagen doorbrengen bij familie. Oftewel: bij mensen die ik nog nooit had gezien, maar waar we wel minimaal een half jaar bij moesten inwonen nadat we de grote oversteek hadden gemaakt. Samen met mijn ouders en mijn drie jongere zusjes in een flatje met drie slaapkamers. Bij mensen die ook nog eens twee grote zonen hadden. En een hond. ‘We gaan een gouden tijd tegemoet’, zei mijn moeder overdreven enthousiast. ‘Het wordt heel gezellig daar.’ Zo jong als ik was, wist ik dat zoveel gewenste gezelligheid zomaar kon omslaan in irritatie en harde woorden. Het Zuid-Amerikaanse temperament zou heel wat vuurtjes doen oplaaien. Wat prompt gebeurde nadat we drie dagen hutje mutje op elkaar hadden gezeten. Maar dat was niet de grootste schok. Ik was wel wat gewend. Het was de gemene, intense kou die me vastgreep vanaf het moment dat ik Schiphol uit liep. ‘Ze zijn de vrieskast vergeten uit te zetten’, riep ik naar mijn fronsende vader, die met zijn ene hand een loodzware koffer achter zich aan sleepte en met zijn andere hand het armpje van mijn jongste zusje omklemde. ‘Mond dicht en niet zeuren! Waarom doe je altijd zo ondankbaar?’, hoorde ik mijn moeder achter me schreeuwen. Mijn andere twee zusjes kibbelden over een knuffel, wat één van hen een halfslachtige tik voor haar achterhoofd opleverde. Ik haal uit waar nodig, dan is het altijd wel een keer raak, was mijn moeders motto. Ik gokte dat papa en mama ook last hadden van de doordringende kou.

78

dewebschrijvers.nl


Op de middelbare school snapte ik ineens waarom de Hollandse kou mij zo raakte. Het was het equivalent voor de kilte die plotseling kon ontstaan als ik onbekende mensen ontmoette. ‘Kruip in een donkere huid en je snapt hoe het voelt’, zei mijn enige Surinaamse schoolgenoot. Nu, zoveel jaren later, ben ik in veel opzichten Hollandser dan mijn roomblanke echtgenote. Ik ben stipter dan zij is en ken alle teksten van Hazes. Ik zou waarschijnlijk niet meer kunnen aarden in Suriname. Op één, niet onbelangrijk punt na: Ik mis de zon die 365 dagen per jaar mijn lijf verwarmt. Ik haat ijs, sneeuw en treurige kille regenbuien. Tenminste, dat dacht ik. Gisteren is er iets gebeurd. Ik moest voor mijn werk naar een onbetekenend dorpje in Limburg. Onderweg begon het hevig te sneeuwen. Toen ik aankwam parkeerde ik mijn auto aan de rand van een glooiend dal. De sneeuw had een witte deken gedrapeerd over de aflopende aarde. Op dat moment kwam een jongen van een jaar of negen aanlopen, met een knaloranje, plastic kuipje. Hij keek me onbevangen aan en glimlachte. Toen zette hij het oranje gevalletje op de rand van de heuvel en ging erop zitten. Hij duwde zich af en zoefde razendsnel naar beneden. Zo’n veertig meter lager kwam de slee tot stilstand. De jongen rende met rode konen de heuvel weer op. De slee hobbelde mee. ‘Dat gaat snel!’, zei ik bewonderend. ‘Ja hè? Wilt u het ook eens proberen?’ Ik keek hem ongelovig aan. ‘Ik?’ ‘Ja, u past er wel op, hoor.’ Het was alsof iemand anders de regie van mijn lichaam overnam. Ik knikte alleen maar en zette mijn koffer naast de auto neer. Ik nam de oranje slee, die de jongen uitnodigend aanreikte, over en keek de diepte in. Ik was geen mietje. Nooit geweest. Ik had voor hetere vuren gestaan in de jungle. Behoedzaam nam ik plaats op het plastic zitje, in mijn maatpak van Van Gils. Ik zette me af, precies zoals ik de jongen had zien doen. De sneeuw liet mijn vingers sensationeel tintelen.

dewebschrijvers.nl

79


foto Hans Pama

En toen zoefde ik van de heuvel af. Een zwarte kapitein op een oranje schuitje in een witte zee van sneeuw. ‘Wat nou koud?!’, riep ik uitgelaten, terwijl ik achterom keek. De jongen keek me niet-begrijpend aan. Zodra de slee tot stilstand kwam, tilde ik hem op, rende naar boven en ging er opnieuw op zitten. De jongen tikte op mijn schouder. ‘Meneer, wanneer mag ik weer?’ ‘Nog één keer, jongen, nog één keer!’

80

dewebschrijvers.nl


Afscheid van Nederlands Nieuw-Guinea Joop Huisman, Rotterdam Fak Fak, 4 oktober 1962

In het voormalig Nederlands Nieuw-Guinea begint een dag als alle andere, warm en vochtig als altijd. Hetzelfde uitzicht, dezelfde palmen, hetzelfde gekuch in de wasplaats. Of bespeurde ik een soort spanning onder de mannen? Leken de bomen toch anders? Gaf de opkomende zon meer licht dan anders? Of kwam het door de wetenschap dat we morgen zouden vertrekken naar Nederland? De Charlie Compagnie van het 41e Pantserinfanteriebataljon Stoottroepen zou morgenvroeg inschepen op de Seven Seas. Maanden daarvoor was ik als soldaat gewondenverzorger naar Indonesië vertrokken ter versterking tijdens de op handen zijnde invasie. We werden afgezet bij een kampong genaamd Kokas, om daar oude jappenbunkers uit te graven, die we vervolgens opnieuw gebruikten ter verdediging. De conferentie van Genève werd met voeten getreden: als eenvoudige hospik bewaakte ik ’s nachts met een geweer over de schouder de opslagplaats voor munitie. Het werd nog erger toen we met vier gewondenverzorgers de beschikking kregen over een mitrailleur. De eerste keer dat we hem schoon moesten maken schoot er een veertje weg in het gras. Het apparaat werkte niet meer en de sergeant was in alle staten. De middagrust werd niet lang daarna ingetrokken, omdat de bunkers gereed moesten worden gemaakt voor de aanval. Na twee weken was alles klaar. Bij de eerste fikse hoosbui stond de bunker vol water. De bunker die we met vier man kregen toegewezen, stelde niet veel voor. De Punt Vijftig, een krachtig wapen dat we moesten bedienen, was te groot voor de kleine ruimte. Bij het eerste salvo vulde de bunker zich in een mum van tijd met kruitdamp. Het was een uitdaging om er nog een oog dicht te doen die nacht.

dewebschrijvers.nl

81


Uiteindelijk kwam de verlossing en werd ik naar Fak Fak overgeplaatst, een dorpje dat ongeveer dertig kilometer verderop langs de kust lag. Bij een ander peloton werd ik opnieuw ingedeeld als hospik. Ik ging mee op patrouille om Indonesische para’s op te sporen, hetgeen niet zonder gevaar was. Korte vuurgevechten met de vijand kwamen regelmatig voor. We namen zoveel mogelijk para’s gevangen. Ik had een gewoon Nederlands uniform aan, dat vreselijk opviel tussen alle tropenpakken. In de kampongs vroegen de Papua’s of ik luitenant was. Wat moesten de Indonesiërs dan wel niet denken? Ik voelde me een schietschijf. Als ik niet op patrouille was, werkte ik in de ziekenboeg in Fak Fak. Met een goede Papua vriend waste ik lakens met borstel en zeep. Hij stelde voor om te deserteren en samen de rimboe in te vluchten. Een carrière als luitenant in het bevrijdingsleger wachtte op me. Wapens hadden ze genoeg, en een vrouw was ook geen probleem. Ik weigerde. Mijn Papua vriend heb ik nooit meer gezien. Waarschijnlijk viel het afscheid hem te zwaar. De foto van mijn vriend met zijn gitaar, koester ik nog steeds als een waardevolle schat. Ik was blij dat ik naar huis kon. Maar mijn hart huilde, omdat we dit lieve volk in de steek moesten laten. De hele dag waren we bezig met pakken. De jeep en de ééntonner kregen een witte kleur. Vlak voor de overdracht aan de VN gooiden de chauffeurs een lading bouten en moeren in de olievulling en suiker in de benzinetank, zodat de motoren vanzelf zouden stoppen. We wachtten in spanning af. Om negen uur ‘s avonds zagen we de lichtjes van de grote boot in de baai opdoemen. Het anker viel. We hadden de bedden al ingepakt, dus deden we een poging om gehuld in een klamboe, te slapen op het beton. Tevergeefs. Eindelijk kwam de zon op. Het werd bloedheet, en ik voelde hoe het zweet in straaltjes langs mijn rug liep. Het was tijd om aan te treden. We haastten ons naar onze plek en begonnen de afmars. De Papua’s langs de weg sloegen ons met gemengde gevoelens gade. Ik zag bedroefde gezichten. Veel mensen zagen ons met weemoed in hun hart weggaan. Hier en daar zag ik Papua’s schonen de gelederen

82

dewebschrijvers.nl


dewebschrijvers.nl 83 foto Dirk Duipmans


induiken om briefjes weg te moffelen in de handen van hun vroegere geliefden. Vrouwen met betraande gezichten droegen getinte baby’s op hun rug en riepen ‘stuur een pop uit Holland!’. Een beklemmend gevoel bekroop me. Wat zou er van deze mensen worden? ‘Halt!’. Met een schok keerde ik terug naar de werkelijkheid. We stonden op de steiger. Met kleine boten werden we aan boord van de stalen kolos gebracht. Het anker werd opgehaald en we voeren naar open zee. Ik stond nog lang aan dek. Langzaam zag ik het land waar ik zoveel heb meegemaakt, achter de horizon verdwijnen. Ineens verlangde ik naar huis. Ik pinkte een traan weg. Zoveel jaren zijn inmiddels voorbij gegaan. Mijn gedachten zijn altijd bij het volk der Papua’s gebleven. Elke keer als ik iets zie of hoor over Nederlands Nieuw-Guinea word ik emotioneel. Dat zal nooit meer veranderen.

84

dewebschrijvers.nl


Over HET project In maart 2013 schreef de digitale schrijfwerkplaats dewebschrijvers.nl een verhalenwedstrijd uit in samenwerking met het CPNB, onder het Boekenweekthema ‘Gouden tijden, zwarte bladzijden’. De opdracht: schrijf een verhaal van maximaal 700 woorden over gouden tijden en/of zwarte bladzijden. Voor- en tegenspoed zijn inherent aan de Nederlandse geschiedenis, maar ook aan een mensenleven. Het thema gaf de schrijvers daarmee alle vrijheid. Maar liefst 350 schrijvers uit heel Nederland en daarbuiten, zonden hun verhaal of gedicht in. De auteurs schreven veelal een persoonlijk verhaal of gedicht, waarin zowel ‘gouden tijden’ als ‘zwarte bladzijden’ goed vertegenwoordigd waren. Na een strenge voorselectie kwamen de beste vijftig verhalen terecht bij auteur Abdelkader Benali. Benali koos uit deze voorselectie de beste vijfentwintig verhalen. Deze verhalen krijgen een plek in een verhalenbundel, die als e-book en hardcover wordt uitgebracht. Fotografiecursisten van de Kunstencentrum Groep Groningen maakten de foto’s bij de winnende verhalen. Gonnie Tutelaers

Dewebschrijvers.nl - Gouden tijden Zwarte bladzijden  

In maart 2013 schreef de digitale schrijfwerkplaats dewebschrijvers.nl een verhalenwedstrijd uit in samenwerking met het CPNB, onder het Boe...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you