Page 1

Beschermd stadsgezicht Molenberg

Datum in procedure:

Datum aanwijzing:

Errata:

06-05-2009

Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd stadsgezicht Molenberg gemeente Heerlen (Limburg) ex artikel 35 Monumentenwet 1988


Heerlen, Molenberg De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister van Infrastructuur en Milieu zijn bevoegd om gezamenlijk beschermde stads- en dorpsgezichten aan te wijzen. Het rechtsgevolg van de aanwijzing is dat de gemeenteraad ter bescherming van een stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan, als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening, vast moet stellen. In die zin kan de aanwijzing tevens een stimulans betekenen voor een te voeren ruimtelijk kwaliteitsbeleid. In totaal zijn er in Nederland meer dan 400 beschermde stads- en dorpsgezichten met een geschiedenis die teruggaat tot v贸贸r het jaar 1850. In het kader van het Monumenten Inventarisatie Project is ook de stedenbouw uit de periode 1850-1940 landelijk ge茂nventariseerd. Het besluit tot aanwijzing van Molenberg in de gemeente Heerlen als beschermd stadsgezicht vloeit voort uit deze inventarisatie.

1


Inleiding

Ontstaan en ontwikkeling: Mijnbouw en mijnkoloniën in Limburg

Het gezicht Molenberg is gelegen in het zuidoosten van de gemeente Heerlen en bestaat uit twee delen: de mijnwerkerskolonie Molenberg (oorspronkelijk 710 woningen en 10 winkelwoningen, ook wel Oud Molenberg genoemd) en Molenbergpark, een ruim opgezette wijk voor middenstanders en hoger mijnpersoneel. De mijnkolonie ligt op de Molenberg, die zijn naam ontleent aan een drietal oude watermolens onder aan de heuvel, in het dal van de Caumerbeek. In het dal ligt ook de 18e-eeuwse hoeve ‘Molenberg’. Molenbergpark ligt grotendeels in het dal van de Caumerbeek, tussen de Molenberg in het oosten en de Akerstraat in het westen. De bebouwing strekt zich uit langs de destijds nieuw aangelegde Molenberglaan en zijstraten. De Molenberglaan eindigt op de Akerstraat tegenover villa Haex, een directeurswoning van de Staatsmijnen. Het beschermd gezicht is in fasen tot stand gekomen in de periode 1912-1955, op basis van stedenbouwkundige ontwerpen van Jan Stuyt, de huisarchitect van de overkoepelende Woningcorporatie Ons Limburg. Ook de bebouwing is voor een groot deel naar ontwerp van Jan Stuyt. In Molenberg betreft dat de eerste twee bouwfasen: 1915 (inmiddels gesloopt) en 1919-1920. In Molenbergpark heeft Stuyt vooral huurwoningen voor hoger mijnpersoneel ontworpen (twee-ondereen-kap en herenhuizen), alsmede de villa Haex (1912) voor Staatsmijnen.

2

Komst van de steenkoolmijnen Vanouds kende Limburg enige steenkoolwinning in de oude abdijmijn van Rolduc, bij Kerkrade. De grootschalige steenkoolwinning begon in Limburg met de opening van de Oranje Nassau I te Heerlen, waar in 1899 de eerste steenkolen naar de oppervlakte werden gehaald (zie kaart 1). De ontginning van het steenkolenveld werd mogelijk gemaakt nadat de eigenaar van het Oranje Nassau concern, de Duitse industrieel Honigmann, een methode had ontwikkeld om de geologische problemen in Limburg te overwinnen. Andere schachten volgden nu spoedig. De steenkoolwinning was in het begin een volledig buitenlandse aangelegenheid. Zo was Oranje Nassau van een Duitse familie en de schachten Willem Sophie (Spekholzerheide 1902) en Laura (Eygelshoven 1907) waren in Belgische handen. In 1906 opende Honigmann de Oranje Nassau II bij Schaesberg. De Nederlandse staat ging zelf ook steenkool winnen, maar pas in 1909 kwam de eerste staatsmijn in productie: de Wilhelmina in Terwinselen, gevolgd door de Emma in Hoensbroek (1914), de Hendrik in Brunssum (1918) en de Maurits in Geleen (1925). Verder werden nog de particuliere schachten Oranje Nassau III (1917, Heerlen), Julia (1929, Eygelshoven) en Oranje Nassau IV (1929, Heerlen) in productie genomen. Huisvesting van de mijnwerkers De opening van de mijnen had een explosieve vraag naar arbeidskrachten tot gevolg. In de gemeente Heerlen vertienvoudigde de bevolking tussen 1891 (5.000 inwoners) en 1937 (50.000 inwoners). De andere mijnstreekgemeenten, Hoensbroek, Schaesberg, Brunssum, Kerkrade, Geleen en Sittard, kenden een vergelijkbare ontwikkeling.


De komst van de eerste mijnwerkers, meest vreemde gasten van buiten Limburg, ging gepaard met veel sociale problemen, die voor een belangrijk deel te maken hadden met de slechte huisvesting van de arbeiders. Men wilde liefst mijnwerkers met een gezin naar Limburg lokken. Daartoe werden speciale wijken gebouwd: de mijnwerkerskoloniën (zie kaart 1). Voor vrijgezellen werden speciale gezellenhuizen gebouwd. Tot 1920 bouwden de mijnen deze woningen zelf, vanaf 1911 werd die taak steeds meer overgenomen door woningbouwverenigingen, die in de meeste gevallen overigens nauwe banden onderhielden met de mijnondernemingen. Van groot belang was de oprichting in 1911 van de woningbouwcorporatie Ons Limburg, door dr. H. Poels, ‘priester en aalmoezenier van den arbeid in Limburg’. Poels was een fervent strijder voor de katholieke zaak. Goede woonvoorzieningen, opgezet volgens het tuindorpconcept, vormden volgens Poels het beste middel om de zedenverwildering en het dreigende socialisme te onderdrukken. De katholieke kerk en de mijndirecties hadden wat dat betreft een gemeenschappelijk belang. Ons Limburg was geen gewone woningvereniging, maar een overkoepelende organisatie, waaronder in Limburg tientallen woningverenigingen zijn opgericht. Deze maakten weer gebruik van diensten van Ons Limburg op het gebied van de bouw, de administratie en het beheer van hun woningcomplexen. Als hoofd van het Technisch Bureau van Ons Limburg werd in 1912 de Amsterdamse katholieke architect Jan Stuyt aangetrokken, een kennis van Poels. In combinatie met de door Poels in 1912 opgerichte bouwgrondmaatschappij Tijdig, die voordelig bouwgrond trachtte te verwerven, gaf Ons Limburg een krachtige impuls aan de bouw van mijnkoloniën in Limburg. In de mijnstreek zijn tussen 1900 en 1936 tientallen mijnkoloniën gebouwd, met in totaal zo’n 11.500 mijnwerkerswoningen, een kleine duizend beambtenwoningen, plus een aantal gezellenhuizen. Dit was goed voor de huisvesting van ongeveer 40% van het mijnpersoneel.

Mijnwerkerskoloniën De Limburgse mijnwerkerskoloniën zijn voorbeelden van arbeidershuisvesting op idealistische grondslag. Weliswaar was het in het belang van de mijnen om voor goede huisvesting van het personeel te zorgen, maar bij de realisering van de koloniën zijn wel degelijk idealistische denkbeelden in praktijk gebracht, die terug te voeren zijn op de in de 19e eeuw in zwang gekomen tuindorpfilosofie. In de ontwikkeling van het tuindorp is een aantal fasen te onderscheiden. De beweging voor betere arbeidershuisvesting kwam halverwege de 19e eeuw op gang als reactie op de schrijnende misstanden in de sloppen van de Europese industriesteden. De gevestigde orde zag de nieuwe brandhaarden van ziekten, zedelijk verval en socialisme met afschuw, maar ook met toenemende onrust aan. Niet geheel zonder eigenbelang pleitte zij voor betere woonvormen. Het waren de fabrikanten zelf die de eerste min of meer idealistisch opgezette arbeidersdorpen realiseerden. In 1853 richtte een elftal ondernemers uit de Elzas, onder leiding van de textielfabrikant Jean Dolfuss, de Société des Cités Ouvrières op, onder leiding van de textielfabrikant Jean Dollfus, met het doel een waardige nederzetting voor arbeiders te realiseren. Enkele jaren later kwam in Mulhouse de eerste Cité Ouvrières gereed, opgezet door de ingenieur Emile Muller. De opzet van de cité gold destijds als revolutionair en het voorbeeld werd hierna veelvuldig toegepast, onder andere in verschillende Siedlungen van de Duitse ijzerbaron Krupp. Kenmerkend voor de Cité in Mulhouse waren allereerst het woningtype van blokjes met vier hoekwoningen, rug aan rug, maar met een eigen entree en een ruime tuin rondom. Een eigen huis en tuin was cruciaal in de strijd tegen de zedenverwildering en het bijbrengen van verantwoordelijkheidsbesef bij het mijnwerkersgezin. De tuin diende verder om het eigen voedselrantsoen aan te vullen en de zorg voor een moestuin en enkele beesten (varken of geit) moest de mijnwerker er tevens van weerhouden zijn heil in het café te zoeken. 3


Een vrijstaand huisje voor ieder gezin was het ideaal, maar ook duur en ruimteverslindend. Het ideale compromis werd gevonden in blokjes van vier rug-aan-rugwoningen (Mulhouser Grundriss). De stedenbouwkundige opzet was primitief, met de woonblokjes gegroepeerd in een strak rasterpatroon, vaak rondom een rechthoekig plein. De hele opzet had een nogal militair karakter. Deze opzet wordt wel verklaard uit de behoefte van de fabrikant tot controle. Aan de andere kant was dit ook typische ingenieursbouw: doelmatig en efficiënt. Aan deze opzet is goed af te lezen dat het ingenieursvak sterke militaire wortels heeft. Het ging de fabrikant vooral om de huisvesting, aan de woonomgeving werd minder belang gehecht. Voor de fabrikant was arbeidershuisvesting een productiefactor: goede huisvesting betekende gezonde, tevreden en vaste arbeidskrachten, en dat betekende een hogere productie. De woninggroepen werden ontworpen door ingenieurs van de fabriek. De eerste generatie fabrieksdorpen kan dan ook worden gezien als een vorm van utiliteitsbouw. Enkele mijnkoloniën van Oranje Nassau - zoals Beersdal en Leenhof in Heerlen - behoren tot de zeldzame Nederlandse voorbeelden van deze Mulhouse-generatie.

In Nederland zijn de meeste fabrieksdorpen in tuindorpstijl gerealiseerd. Vooral onder de eerste generatie tuindorpen, vaak op initiatief van de fabrikanten gerealiseerd, zijn enkele voorbeelden van tuindorpen met veel aandacht voor detail in een uitgesproken landelijke stijl. Voorbeelden zijn de door Staatsmijnen gebouwde, overigens geheel verschillend uitgevoerde mijnwerkerskoloniën Treebeek en Schutterspark in Brunssum. Met de opkomst van de woningcorporaties zien we een duidelijke versobering van het tuindorpconcept intreden. Goede huisvesting stond nog steeds voorop, maar nieuwe eisen ten aanzien van riolering, waterleiding en elektriciteit noopten tot efficiënt bouw. Tegelijk vereiste de bedrijfsmatige opzet van de corporaties dat er ook een bescheiden winst werd gemaakt. Dat betekende dat er soberder en in grotere dichtheden werd gebouwd, waarbij de voortuintjes merendeels verdwenen en de tuindorpen een meer ‘stedelijk’ aanzien kregen. De mijnkoloniën die onder de paraplu van de woningcorporatie Ons Limburg zijn gerealiseerd, waaronder Molenberg, zijn in het algemeen van dit type. Molenberg/Molenbergpark

Tegen het einde van de 19e eeuw verscheen een nieuwe generatie arbeidersdorpen, eveneens op initiatief van bevlogen fabrikanten: het tuindorp. Het Engelse Port Sunlight (1888) en het Delftse Agnetapark (1889) behoren tot de beroemdste voorbeelden. Binnen het tuindorpconcept verschoof de ambitie van doelmatige huisvesting naar realisering van een harmonieuze leefgemeenschap. Hierbij was veel aandacht voor de relatie tussen de bewoner en zijn leefomgeving. Zaken als belevingswaarde en identiteit gingen een rol spelen. Dit was geen zaak voor een ingenieur, maar voor een architect/stedenbouwkundige, die de taak kreeg aan deze nieuwe ideeën vorm te geven. Rationele stratenpatronen maakten plaats voor gebogen lanen en doorkijkjes, de woningen kregen rijkere vormen. Men greep terug op de rurale idylle, met gebruik van veel groen, traditionele materialen en historische bouwstijlen. De cottage-stijl werd de nieuwe standaard. 4

Oud Molenberg Oud Molenberg is een vroeg voorbeeld van planmatig opgezette sociale woningbouw door een woningcorporatie. De corporatie was in dit geval de Bouwvereeniging Heerlen, in 1908 opgericht als eerste woningbouwvereniging in de Mijnstreek. In 1911 sloot de corporatie zich aan bij Ons Limburg. De corporatie had een nagenoeg vierkant stuk bouwgrond op het oog bovenop de Molenberg, ten oosten van de weg naar Kerkrade. Op kaart 3 staat het gebied ook aangegeven als ‘Den Meulenberg’. De bouwgrond lag destijds ruim buiten de bebouwde kom van Heerlen. De architect van Ons Limburg, Jan Stuyt, kreeg opdracht voor dit gebied een stedenbouwkundig plan te maken.


Aan het uiteindelijke stratenplan zijn vermoedelijk meerdere ontwerpen voorafgegaan. Door problemen met het verwerven van de grond moest het oorspronkelijke ontwerp worden veranderd en werd de bouw met tussenpozen, in fasen afgerond. Het oorspronkelijke stratenplan van Jan Stuyt werd gekenmerkt door twee diagonale hoofdwegen (Dr. Schaepmanstraat en Guido Gezellestraat), die vanuit de hoekpunten van het vierkant vanaf de Kerkraderweg naar elkaar toe buigen en bijeenkomen op een vierkant besloten plein (Dr. Schaepmanplein). Deze symmetrische hoofdstructuur werd asymmetrisch ingevuld met woonblokken, waarin aanvankelijk ook plaats was gemaakt voor een jongens- en een meisjesschool, een postkantoor, een politiepost en winkels (zie kaart 2). De eerste groep van 57 woningen werd in 1915 gerealiseerd, in de noordoosthoek van het geplande bouwterrein, vanuit de Molenberglaan gezien de ‘entree’ van de wijk. Een tweede groep van 404 woningen en enkele winkels werd gerealiseerd in de jaren 19191920. Hiertoe moest het oorspronkelijke stedenbouwkundig plan van Stuyt worden gewijzigd, omdat een aantal percelen in het centrale gedeelte van de Molenberg - het gebied tussen de assen Dr. Schaepmanstraat en Guido Gezellestraat - nog niet in eigendom was verkregen. De geplande voorzieningen (scholen, politiepost en postkantoor) werden niet gerealiseerd en ook van de geplande 18 winkels is waarschijnlijk maar een deel gerealiseerd. In 1932 maakt de corporatie in ieder geval melding van 710 woningen en 10 winkelwoningen. De wijk was toen nagenoeg afgebouwd (op een naoorlogs rijtje huizen aan de Kerkraderweg na). Beide groepen woningen en winkels werden ontworpen door Jan Stuyt en gebouwd door de woningcorporatie Ons Limburg voor de Bouwvereniging Heerlen. Na 1925, toen Jan Stuyt niet langer meer voor Ons Limburg werkte, werd Molenberg door andere architecten verder ingevuld.

Uit kaarten kunnen we opmaken dat Stuyt in zijn gewijzigde plan tussen het Schaepmanplein en de Kerkraderweg een derde as had voorzien, onderbroken door een ovaal plein (zie kaart 4). Na realisatie van de eerste twee bouwvolumes werd deze opzet gewijzigd om midden in de wijk ruimte te maken voor een speeltuin. Aan de Kerkraderweg werd uiteindelijk - asymmetrisch ten opzichte van het Schaepmanplein - een tweede, rechthoekig plein gecreëerd (Alberdinck Thijmplein). De derde fase van 129 woningen werd in 1926-1927 gerealiseerd naar ontwerp van W. Tap. In de jaren dertig zijn de laatste delen van Molenberg door Bouwvereniging Heerlen in eigen beheer ingevuld (120 woningen). Behalve de speeltuin en winkels waren er geen voorzieningen binnen de mijnkolonie Molenberg. De door bouwvereniging Tijdig aangekochte hoeve Molenberg deed tussen 1919 en 1927 dienst als noodkerk. In de jaren twintig werden buiten de kolonie, maar wel onmiddellijk grenzend daaraan, enkele nieuwe scholen en kerken opgeleverd. Dit waren de Broederschool en het Broederhuis Molenberg (architect F.P.J. Peutz) aan de Kerkraderweg alsmede het Franciscanenklooster en RK Hogere Burgerschool (architecten J. Seelen en J. Wielders) aan de Akerstraat. De verschillende bouwfasen hebben Oud-Molenberg een eigen historische gelaagdheid gegeven. Niettemin was de wijk een karakteristieke mijnkolonie zoals die de mijnstreek vrij in het landschap werden gesitueerd. De bebouwing van de wijk is met de voorgevel naar de Kerkraderweg en het buitengebied toe ontworpen. Alleen de noordoostzijde heeft achtergevels, dit wordt ook wel de ‘rug’ van de kolonie genoemd. Uiteindelijk heeft de wijk twee pleinen gekregen waarvan de dr. Schaepmanplein als enige voorkomt uit het oorspronkelijke ontwerp en daarom een centrale stedenbouwkundige positie heeft.

5


Kort na de Tweede Wereldoorlog werd de wijk afgebouwd met enkele blokjes woonhuizen langs de Kerkraderweg. Deze vielen echter niet onder de Bouwvereniging Heerlen. Tegelijk werd de tot dat moment nog vrij liggende mijnkolonie ingebouwd door nieuwe uitbreidingen (Nieuw Molenberg), waaronder een strook flatwoningen achter de oostgrens van Oud Molenberg (rond de Nicolaas Beetsstraat) en de beter op de kolonie aansluitende ‘Witte Wijk’. De Witte Wijk telde diverse voorzieningen, waar ook de bewoners van Oud Molenberg van profiteerden. Molenbergpark Molenbergpark is meer geleidelijk ontstaan, grotendeels in de periode 1915-1940, maar wel volgens een duidelijk stedenbouwkundig concept van Jan Stuyt. De opzet van Molenbergpark is duidelijk een afgeleide van het beschikbare terrein. Het gaat om een langwerpige strook grond, aangekocht door bouwgrondmaatschappij Tijdig, tussen de Molenberg (Kerkraderweg) en de Akerstraat. Het terrein strekt zich uit over de volle breedte van het dal van de Caumerbeek, waardoor het naar beide zijden toe omhoog loopt. Deze strook wordt ontsloten door een nieuwe licht slingerende verbindingsweg, de Molenbergweg, die zich aan beide zijden van het dal vertakt, waardoor een verdikking van de bebouwing mogelijk wordt (zie kaart 4 en 6). Via twee zijstraten, de Hofdijkstraat aan de oostzijde en de Caumerbeeklaan aan de westzijde waaiert het gebied aan de uiteinden uit. Bij de ontwikkeling van Molenbergpark heeft Stuyt duidelijk gebruikgemaakt van de eigenschappen van het beekdal, met veel groen en hellende en slingerende lanen. Voor het karakter van de buurt is de relatie met het beekdal en het aangrenzende Aambos dan ook van groot belang. De lineaire bebouwing bestaat uit herenhuizen, villa’s en landhuizen, bedoeld voor de gegoede burgerij en het hogere mijnpersoneel. De architectonische waarde van de bebouwing is hoog. De woningen werden onder meer gebouwd in opdracht van het Beambtenfonds van de Staatsmijnen en de Vereniging Woningbouw (opgericht in 1916 voor de huisvesting van ambtenaren en daarmee 6

gelijk te stellen personen, voorzitter was dr. H. Poels). De meeste woningen werden ontworpen door de architecten van Ons Limburg, zoals J. Stuyt, F.W. de Rooy en A. Knipschild. Een ander deel is in opdracht van particulieren gebouwd naar ontwerp van architecten als H.H.A. Tummers, W. Tap en F. Peutz. Voor de Vereniging Woningbouw bouwde Ons Limburg 33 woningen met voor die tijd zeer moderne sanitaire voorzieningen, zoals bad, douche en watercloset. De huren lagen in 1920 tussen de 100 en 350 gulden, wat alleen de hogere klassen zich konden veroorloven. In 1941 werd de Vereniging Woningbouw opgeheven en werden de huizen overgedaan aan Staatsmijnen. Door gebrek aan bouwmaterialen werd in de periode 1947-1949 als onderdeel van een nationaal wederopbouwprogramma, in Heerlen een aantal houten noodwoningen gebouwd, die bekend staan als Oostenrijkse woningen. Hiervan staat er een viertal op de hoek Bongaertslaan-Caumerbeeklaan (gebouwd in opdracht van de gemeente) en een zevental aan de Caumermolenweg (gebouwd in opdracht van Staatsmijnen) in het verlengde van de Hofdijkstraat. Door de landelijke uitstraling en de bijzondere cultuurhistorische waarde passen deze ‘noodwoningen’ goed in deze omgeving. De Molenberglaan eindigt op de Molenberg op de Kerkraderweg, waar oorspronkelijk een bijzondere zevensprong lag. Hier ging de Molenberglaan in vloeiende lijn over in de Dr. Schaepmanstraat in de kolonie Molenberg, alsof Stuyt de relatie tussen Molenberg en Molenbergpark hiermee wilde benadrukken. Molenberg en Stuyt Molenberg/Molenbergpark wordt wel beschouwd als een schoolvoorbeeld van het architectonische en stedenbouwkundige werk van Jan Stuyt, de huisarchitect van Ons Limburg. De aanleg van Molenberg en Molenbergpark geldt als een schoolvoorbeeld van het hiërarchische denken van Stuyt en zijn opdrachtgever Poels. Volgens


deze op katholieke leest geschoeide gedachte destijds was een goed functionerende samenleving gebaat met standverschillen, diende men elkaar weliswaar te respecteren, maar was het niet de bedoeling te mengen: men diende zijn plaats te kennen. Daarom werden hogere ambtenaren nadrukkelijk op andere locaties gehuisvest dan de arbeiders. Zo werd het ook toegepast door Stuyt in Molenberg. Bovenaan die hiërarchie staat Villa Haex, het huis van de directeur van Staatsmijnen, aan de Akerstraat 126. Hier tegenover ligt de entree van het villapark, de Molenberglaan. Het villapark zelf - bedoeld voor gegoede burgers en het hogere mijnpersoneel - strekt zich uit langs groene en elegant slingerende lanen tot bovenaan de Molenberg. De Molenberglaan eindigt in een splitsing met - als overgang naar de mijnkolonie - aan de ene zijde huizen voor de iets lager ingeschatte ‘ambtenaars’ en aan de andere zijde huizen voor de nog iets lager ingeschatte ‘beambten’. Vervolgens komt op de Molenberg de arbeiderswijk, waarvan de hoekgebouwen de duidelijke entree tot die andere wereld vormen. Tegelijk wilde Stuyt door middel van de doorgaande vloeiende lijn Molenberglaan - Dr. Schaepmanstraat benadrukken dat er wel degelijk een relatie bestaat tussen Molenberg en Molenbergpark. Een verbindingsas tussen Villa Haex als centrum van de macht en het dr. Schaepmanplein als centrum van de ‘arbeiderswijk’.

verschillende delen van de wijk met elkaar te verbinden en de gehele wijk vanuit verschillende hoeken te doorzien. Dit element komt in de uitleg van Molenberg heel duidelijk naar voren in de Dr. Schaepmanstraat en Guido Gezellestraat, uitkomend op het Dr. Schaepmanplein. Dat Stuyt het nooit gerealiseerde ontwerp voor Tuinstad St. JansGeleen als basis voor de bebouwing van Molenberg zou hebben gebruikt, zoals wel wordt beweerd, is niet duidelijk. Ongetwijfeld zal hij bepaalde niet tot uitvoering gekomen ideeën later nog eens hebben gebruikt, onder andere in Molenberg. De woningen van Stuyt op Molenberg hebben een traditionele, maar karakteristieke architectuur. Herkenbaar op Oud Molenberg zijn de symmetrische straatwanden met hoekpartijen, voorzien van schilddaken en hoeklisenen, plus tussenwoningen met zadeldak. Opvallend zijn de hoekoplossingen, waarvan sommige met winkelwoonhuisbestemming. Een enkele keer zijn trapgevels toegepast. De deuromlijstingen zijn geprononceerd. De overige woningen zijn veelal herkenbaar aan gepleisterde geveldelen en ronde vensters. De latere woningen van W. Tap zijn uitgevoerd in eenvoudige baksteenarchitectuur. Variatie wordt verkregen door opvallende dakconstructies in de hoekpartijen.

Binnen de mijnkolonie werden ook subtiele verschillen in bouw en uitvoering doorgevoerd: hoewel gelijk in omvang kregen sommige huizen een beter aanzien door andere beschildering of door een rond raam, dat aan de villabouw was ontleend. Oppassende wijkbewoners konden zo ‘horizontale promotie’ maken naar een woning met meer aanzien.1 Ook de ‘controlerende’ diagonaal uitkomend op een plein is een steeds terugkerend element in de plannen van Stuyt, bedoeld om de 1

N.H.M. Tummers over Jan Stuyt in Het Land van Herle 38-3, 1988 (Jan Stuytnummer). 7


Huidig ruimtelijk karakter De oorspronkelijke structuur van het gezicht Molenberg/Molenbergpark en de relatie met het beekdal is vrijwel geheel intact en ook de oorspronkelijke bebouwing is voor het grootste deel in stand gebleven. In de voormalige kolonie Molenberg zijn enkele bouwblokken gesloopt of vervangen. In de jaren vijftig werden de hoekpanden bij de entree van de wijk vervangen door een nieuw ‘poortgebouw’ met winkels en daarboven woningen. Dit woonwinkelblok bestaat nog steeds. In 1977 onderging de wijk Molenberg een grondige renovatie. Hierbij werden de alleroudste huizen uit 1915 en enkele woningen uit de tweede bouwfase gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Hierbij is de stedenbouwkundige opzet van Stuyt in de noord-westhoek gewijzigd en is ook de doorgaande lijn Molenberglaan - Dr. Schaepmanstraat helaas minder herkenbaar. Herstel van de oude doorgaande structuur zou de historische opzet en beleving opnieuw beleefbaar kunnen maken. De structuur van de zevensprong is verkeerstechnisch aangepast, maar als zodanig nog wel herkenbaar.

tussen Molenberg en de nieuw te ontwikkelen woonwijk Vossekuil. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is juist gepleit voor behoud van het besloten pleinkarakter van het dr. Schaepmanplein binnen Oud Molenberg. Het beeld van Oud Molenberg wordt bepaald door woonstraten uitkomend op twee rechthoekige pleinen, met afwisselende woonblokken variërend van twee tot twintig woningen op rij, met variërende hoekoplossingen, die door bouwstijl en gebruik van bouwmateriaal toch een duidelijke uniformiteit uitstralen. Een uitzondering vormt de noord-westhoek tussen Kerkraderweg en Van Veldekestraat, waar in de jaren zeventig enkele nieuwbouwblokjes zijn neergezet waarbij geen rekening is gehouden met de bestaande structuur en architectuur. Van de hoekpanden met een woon- en winkelfunctie is de commerciële functie op twee gevallen na verdwenen. Alleen langs de Kerkraderweg zijn nog wat winkel- en horecafuncties. Aan de Kerkraderweg staat tevens een kleinschalige bejaardenflat, waarvoor enkele woningen moesten wijken.

De ruimte achter de huizen in het midden van de wijk (speeltuin, speelweide) is na het verdwijnen van de speeltuin bebouwd met (inmiddels weer afgebroken) bejaardenwoningen. Er is nu een volkstuinencomplex, dat sinds kort met stevig hekwerk is beveiligd tegen vandalisme. In de jaren zeventig zijn aan de noordzijde van deze ruimte enkele garageboxen gebouwd. Tussen de woningen zijn ook enkele nieuwe buurtvoorzieningen (wijkbureau, bejaardensoos) gebouwd.

Molenberg maakt geen overdreven groene indruk. In sommige straten ontbreken bomen geheel. De bomen op de beide pleinen en met name op het brede gedeelte van de Van Maerlandtstraat zijn daarentegen inmiddels tot monumentale proporties uitgegroeid. Opvallend is natuurlijk het grote onbebouwde carré in het midden van de wijk, enigszins verborgen achter de huizen, waar nu een moestuinencomplex ligt.

Vooruitlopend op een herstructurering van Molenberg is kort na 2000 een aantal huizenblokken aan de oostzijde van het Dr. Schaepmanplein gesneuveld. De flats daarachter, aan de Nicolaas Beetsstraat (niet tot het beschermd gezicht behorend), zijn eveneens gesneuveld. Hier was beoogd een doorbraak te verwezenlijken, om een verbinding te maken

Het beeld van Molenbergpark wordt grotendeels bepaald door lineaire bebouwing van land- en herenhuizen en villa’s langs de Molenberg- en Caumerbeeklaan. De grote tuinen en het vele groen, de hoogteverschillen en de slingerende lanen geven Molenbergpark een weelderige indruk en laten de verschillen tussen de bewoners van Molenberg en Molenbergpark duidelijk tot uiting komen. Het

8


Nadere typering van te beschermen waarden uitgesproken beginpunt van het gezicht wordt onderaan de Molenberg gevormd door villa Haex (Akerstraat 126). Vervolgens draaien de Molenberglaan en Caumerbeeklaan met zijstraten zich richting de Molenberg. Over de Caumerbeek, vanaf de villa Wijnands (Caumerbeeklaan 80), slingeren de wegen zich omhoog. Langs de Molenberglaan en Caumerbeeklaan staan diverse monumentale panden die op de Rijksmonumentenlijst staan, waaronder diverse villa’s van Jan Stuyt en de zogenaamde Braziliaanse villa van F. Peutz. Opvallende bebouwing binnen het gezicht vormen verder de kort na de oorlog gerealiseerde blokjes ‘Oostenrijkse woningen’ aan de Caumermolenweg en de Bongaertslaan en het ensemble van witte wederopbouw-villa’s langs de Bongaertslaan. Vrijwel alle panden hebben een woonfunctie. Gebouwen met een bijzondere functie waren de 18e-eeuwse hoeve Molenberg en de maatschappelijke en religieuze voorzieningen zoals het Broederhuis Molenberg (tegenwoordig Joseph Wresinki Huis), de Broederschool, het Franciscanenklooster en RK hogere burgerschool (tegenwoordig Bernardinuscollege). Het Broederhuis Molenberg en de kapel van het Bernardinuscollege zijn rijksmonument. De overige gebouwen zijn van belang voor de historisch-functionele opzet en het ruimtelijk karakter. Ook de naoorlogse vleugel van het Bernardinuscollege is karakteristiek te noemen. Villa Haex, het Molenbergpark en de kolonie Molenberg in combinatie met de maatschappelijke voorzieningen zoals kerken en scholen vormen een gaaf ensemble uit de bloeitijd van de Limburgse mijnindustrie en vormen een fraai voorbeeld van het katholiekehiërarchische denken uit die tijd, en de stedenbouwkundige vertaling daarvan door Ons Limburg en zijn huisarchitect Jan Stuyt.

Het gezicht Molenberg is van bijzonder belang als ensemble van maatschappelijke en religieuze voorzieningen (scholen, kloosters) in combinatie met verschillende woonstructuren in een hiërarchische setting, bestaande uit een langgerekte villastrook voor gegoede burgers en hogere mijnbeambten en aansluitend een als eenheid opgezette woonwijk voor mijnwerkersgezinnen, uitgevoerd volgens het tuindorpconcept. Het gezicht is van grote algemeen historische waarde als uitdrukking van een sociaal-economische, politieke en culturele ontwikkeling in de Limburgse Mijnstreek in de eerste decennia van de 20e-eeuw. Het gezicht Molenberg is van groot belang voor de geschiedenis van de ruimtelijke ordening en het stedenbouwkundig denken, met name als voorbeeld van geplande sociale woningbouw, in het bijzonder van de ontwikkeling van het tuindorp, en meer speciaal die van de mijnkoloniën. Het gezicht Molenberg is van architectonisch en stedenbouwkundig belang vanwege de herkenbaarheid van de oorspronkelijke historischruimtelijke structuur, de relatie met het beekdallandschap, de kwaliteit van de architectuur en de relatieve gaafheid van de oorspronkelijke bebouwing. Het gezicht Molenberg is van cultuurhistorisch en stedenbouwkundig belang vanwege de wijze waarop structuur en bebouwing representatief zijn voor de ideeën van de woningcorporatie Ons Limburg en architect Jan Stuyt.

9


Begrenzing

Waardering

Tot het beschermd gezicht behoort het volgende gebied:  Oud Molenberg, dat wil zeggen het gebied tussen de vierhoek Joost van den Vondellaan, Da Costastraat - Bilderdijkstraat, Staringstraat en Kerkraderweg, inclusief de ‘zevensprong’ als scharnierpunt tussen Molenberg en Molenbergpark.  Molenbergpark inclusief enkele uitbreidingen, omvattende de panden aan de Kerkraderweg tussen Molenberglaan en Oliemolenweg, de huizen aan de Oude Bergweg, de huizen aan de noordzijde van de Molenberglaan en de oostzijde van de St. Franciscusweg (grenzend aan Caumerbeekdal).  De aan Molenberg gerelateerde gebouwen met een (voormalige) maatschappelijke en religieuze functie zoals de scholen en kloosters aan de Kerkraderweg en Akerstraat.  De huizen aan de zuidzijde van de Molenberglaan en de Oostenrijkse woningen aan de Bongaertslaan, de huizen aan de Caumerdalsestraat en alle bebouwing aan de Caumerbeeklaan. Verder de huizen aan de noordzijde van de Hofdijkstraat en de zeven Oostenrijkse woningen.  Vanwege de directe relatie met het stedenbouwkundig ontwerp maakt het beekdal onderdeel uit van het beschermd gezicht. Inclusief de Oliemolen, de molenhoeve De Molenberg en de Caumermolen. Het oorspronkelijke beekdallandschap en de daarmee verweven villawijk Molenbergpark worden hiermee in samenhang beschermd.

Het gezicht Molenberg is van grote algemeen historische, cultuurhistorische, ruimtelijk-historische en stedenbouwkundige waarde als voorbeeld van een stedelijke uitbreiding uit de bloeiperiode van de Limburgse Mijnstreek, met enerzijds kwalitatief hoogwaardige woningen voor gegoede burgerij en hoge mijnbeambten in een groene setting, en anderzijds geplande sociale woningbouw voor mijnwerkers volgens een herkenbaar tuindorpconcept. Het gezicht is een fraai voorbeeld van een stedenbouwkundige vertaling van de hiërarchische opvattingen, zoals die destijds in de Mijnstreek door katholieke voormannen als Poels werden uitgedragen.

De exacte begrenzing is weergegeven op de bijgevoegde begrenzingskaart, MSP/58/06.

10


Rechtsgevolg van de aanwijzing

Ter effectuering van de aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht moet ingevolge artikel 36 van de Monumentenwet 1988 een bestemmingsplan worden opgesteld. De toelichting op de aanwijzing kan daarbij voor wat het beschermingsbelang betreft als uitgangspunt dienen. Doel van de aanwijzing is de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de toekomstige ontwikkelingen binnen het gebied. De aanwijzing beoogt op die wijze een basis te bieden voor een ruimtelijke ontwikkeling die inspeelt op de aanwezige kwaliteiten, daarvan gebruikmaakt en daarop voortbouwt. In het aanwijzingsbesluit is bepaald in welke mate de vigerende bestemmingsplannen aan het beschermingsvereiste voldoen.

11


Bronnen

Literatuur     

N. Bullock & J. Read (1985), The movement for housing reform in Germany and France 1840-1914. Cambridge University Press. Diverse auteurs (1988), Het Land van Herle, 38e jg. nr. 3 (Jan Stuytnummer). J.C.G.M. Jansen (1998), Heerlen: Marktcentrum, Mijnstad, Agglomeratie. Hoensbroek, Stichting FCC. A. Stevens-Ruiters (1979), Het werk van Jan Stuyt in Zuid Limburg; sociale betrokkenheid of routine? Doctoraalscriptie (SHC Maastricht). K. Volkers (2001), Arbeidershuisvesting: van Mulhouse tot de Mijnstreek. Basisinleiding (ongepubliceerd, met verdere literatuurverwijzing). RDMZ Zeist.

Kaarten    

  

12

Overzicht oostelijke mijnstreek, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2012. Situatie Oud Molenberg (niet uitgevoerd straten- en bouwplan Stuyt 1918), Stadsarchief Heerlen. Een Limburgs cultuurlandschap, Den Meulenberg omstreeks 1850. In: Grote Historische Provincie Atlas, Limburg 1837-1844, Groningen 1992. Een deel van de wijk is aangelegd voor 1924, het beoogde stratenpatroon van Oud Molenberg is duidelijk zichtbaar (stippellijntjes). Chromotopografische Kaart des Rijks 1:25.000, verkend in 1912 en 1913, gedeeltelijk herzien tot 1924. Een luchtfoto van de mijnkolonie Molenberg in aanleg uit 1926. In: Oud Heerlen vanuit de lucht. Copyright KLM Aerocarto. Molenberg omstreeks 1935. De wijk is grotendeels aangelegd. Chromotopografische Kaart des Rijks 1:25.000, verkend in 1935. Waarderingskaart, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2012.


Colofon

Bijlagen

Uitgave Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Amersfoort 2013

1.

Overzichtskaart Oostelijke Mijnstreek

2.

Situatie Oud Molenberg (niet uitgevoerd straten- en bouwplan Stuyt 1918)

3.

Een Limburgs cultuurlandschap, Den Meulenberg omstreeks 1850

4.

Een deel van de wijk is aangelegd voor 1924, het beoogde stratenpatroon van Oud Molenberg is duidelijk zichtbaar (stippellijntjes)

5.

Een luchtfoto van de mijnkolonie Molenberg in aanleg uit 1926

6.

Molenberg omstreeks 1935. De wijk is grotendeels aangelegd

7.

Waarderingskaart

Onderzoek en tekst  Provincie Limburg  Drs. K. Volkers  Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, ing. P.J. Timmer Kaartmateriaal Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, drs. B.A.R.T. Broex Foto’s omslag Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, K. Roderburg Redactie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, drs. B.A.R.T. Broex Productie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed/Mailfors bv, Amersfoort.

13


Legenda

Geleen Rozengaard

mijnkolonie (met naam)

à S #

De Egge

steenberg voormalige bruinkoolgroeve

't Heufe

Brunssum

huidig spoortracé

11 #

Haansberg

landsgrens

Duitsland

Treebeek

Voormalige mijnzetels Oostelijke Mijnstreek

S #1 S #2 S #3 S #4 S #5 S #6 S #7 S #8 S #9 10 S # 11 S #

Schuter svel d

# à

herkenbaar mijnspoortracé

Mijn 'Oranje Nassau I'

Kloosterkolonie

Mijn 'Oranje Nassau II'

Nederland

Langeberg

# à

10 #

Passart

Mijn 'Oranje Nassau III'

Hoensbroek

Mijn 'Oranje Nassau IV' Domaniale Mijn Mijn 'Laura'

Nuinhof Nieuwdorp

Mijn 'Julia' Mijn 'Willem-Sophia'

Versiliënbosch

Slakken-Horst-Meten

Nuth

Heerlen De Wingerd 3 #

Stationskolonie

Staatsmijn 'Wilhelmina'

Rennemig

Waubach Lauradorp

4 #

# à

Staatsmijn 'Emma' Staatsmijn 'Hendrik'

Ubach over Worms

Maria-Christinawijk Heksenberg

Beersdal

Nieuwenhagen

De Kakert

Musschemig

Meezenbroek 1 #

Schandelen Eikenderveld

Hulsberg

7 #

Grasbroek Leenhof

De Hopel

Schaesberg

Schaesberg

6 #

# à

Eygelshoven

Heerlen

# à " ! 2 #

Laurentiusplein

Chèvremont

Molenberg Eikske

Voerendaal

Terwinselen

Welten

Valkenburg

9 #

Heerlerbaan

Kerkrade Spekholzerheide

0

1

Heilust

2 km

5 #

8#

RCE, e-KS/BB 21-11-2012 Topografische ondergrond © Topografische Dienst Kadaster, Emmen, 2001

Simpelveld Kohlscheid

Kaart 1

Overzichtskaart Oostelijke Mijnstreek


Kaart 2

Situatie Oud Molenberg (niet uitgevoerd straten- en bouwplan Stuyt 1918)


Kaart 3

Een Limburgs cultuurlandschap, Den Meulenberg omstreeks 1850


Kaart 4

Een deel van de wijk is aangelegd voor 1924, het beoogde stratenpatroon van Oud Molenberg is duidelijk zichtbaar (stippellijntjes)


Kaart 5

Een luchtfoto van de mijnkolonie Molenberg in aanleg uit 1926


Kaart 6

Molenberg omstreeks 1935. De wijk is grotendeels aangelegd


Waarderingskaart Molenberg Legenda grens beschermd stadsgezicht directeursvilla woningen hoger mijnpersoneel mijnwerkerswoningen oostenrijkse woningen Oliemolen

school volkstuinen um MOLENBERGerb PARK ee k

watermolen en/of hoeve groenvoorziening

Ca

beekdallandschap

molenhoeve “De Molenberg”

beeldbepalende waterloop pleinachtige ruimte stratenpatroon Caumermolen

Villa Haex

ontbrekende schakel oorspronkelijke rooilijn en bouwmassa van belang topografie 0

125

© RCE, e-KS/BB 6 december 2012

Topografie © Topografische Dienst Kadaster, 2003

Kaart 7

Waarderingskaart

250 m

Toelichting molenberg  
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you