Page 1

Het meisje met de rode paraplu en andere verhalen bij kunst in Leeuwarden

•1•


Het meisje met de rode paraplu

Jubileumproject Aed Levwerd 2015

•2•


en andere verhalen bij kunst in Leeuwarden Lida Dijkstra • Harm de Jonge • Marian De Smet Edward van de Vendel • Mindert Wijnstra Met illustraties van Roelof van der Schans

Wijdemeer & Aed Levwerd Leeuwarden 2015

•3•


Deze uitgave is mede mogelijk gemaakt door Boelstra-Olivier Stichting Douwe Kalma Stifting Gemeente Leeuwarden Leeuwarder Ondernemersfonds Meindertsma-Sybenga Stichting Prins Bernhard Cultuurfonds Fryslân Provinsje Fryslân P.W. Janssen’s Friesche Stichting Stichting Albino Stichting het Nieuwe Stads Weeshuis Stichting het Old Burger Weeshuis Stichting Woudsend Anno 1816 Stifting FLMD

Aed Levwerd serie nummer 5 nur 280 isbn 978 949 205 214 8 © 2015 De auteurs Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. www.wijdemeer.nl

•4•


Inhoud

Lida Dijkstra

Het meisje met de rode paraplu

6

Harm de Jonge

Het geluk van de kleibijters

8

Edward van de Vendel

Een ijsbeer

10

Marian De Smet

De Yserman

12

Mindert Wijnstra

De winskput

14

Lida Dijkstra

De dromenwinkel

16

Edward van de Vendel

Stom of eng

18

Harm de Jonge

De paradijsvink van Shinkie

20

Marian De Smet

Zomer 1815

22

Lida Dijkstra

Thialfi syn skuld

24

Mindert Wijnstra

jaspers’ ochtendvoeder

26

Edward van de Vendel

Zoek achter de muziek

28

Marian De Smet

SOS, Sinterklaas

30

Harm de Jonge

De dropharing van Kees Poon

32

Lida Dijkstra

De vispijp

34

Mindert Wijnstra

Sjoukje Oldehove, koerierster foar it ferset

36

Edward van de Vendel

Boekendierendag

38

Marian De Smet

De smoeskoe

40

Mindert Wijnstra

Een appeltje van oranje, 1962

42

Lida Dijkstra

Folgje de raven

44

Harm de Jonge

Het varkentje van Sint Antonius

46

Lida Dijkstra

Het meisje met de rode paraplu (vervolg)

49

Plattegrond van Leeuwarden met de kunstwerken Over auteurs en illustrator

50-54 55

•5•


Het meisje

‘W

at ben jij een zeur,’ zei de broer van het meisje vaak. ‘Je kunt nergens tegen. Ongekookt ei!’ Want het meisje had een hekel aan lawaai. Als ooms en tantes op een feestje allemaal door elkaar heen praatten, ging ze de kamer uit. Voor ballonnen was ze bang, want die knalden als ze knapten. Voor ze moest gaan slapen, zette het meisje de slinger van het klokje boven haar bed stil. Het was op zichzelf een mooi klokje. Pauwblauw, met twee gouden dennen­appelgewichtjes eronder. Maar het meisje haatte het getik. Iedere ochtend gaf haar moeder de slinger een zetje, waardoor het venijnige tiktakken weer begon. ’s Avonds zette het meisje de slinger weer stil. Tot haar moeder het mopperend opgaf, en het klokje voor eeuwig zweeg. Als het meisje weer eens bij de sloot lag met een boek of met haar gouden schrift, schold haar broer: ‘Saaie muis! In dat boek staan niet eens plaatjes.’ of ‘Slome schrijfslak! De tv is veel toffer. Lekker cartoons kijken! Wawawaaam.’ Hij sloeg op zijn luchtgitaar en schreeuwde vals het beginliedje van een tekenfilm. Het meisje zei maar niet dat bij het lezen van het boek de plaatjes vanzelf in je hoofd kwamen. En dat je mooie ideeën kreeg van schrijven in het schrift. En dat je, als je stil was, buiten juist heel veel hoorde. Koolmeesjes die af en toe klonken als een piepend fietswiel. De ritselende bladeren van de populier. Soms kon je bijna je eigen gedachten horen. Als je je mond eens even hield. Dat dacht ze, maar dat zei ze niet tegen haar broer. Dan zouden ze maar weer ruzie krijgen. Op een zondagochtend, zo vroeg dat mama nog in bed lag, zat haar broer een tekenfilm te kijken. De regen tikte tegen de ruiten. Het meisje ging haar boek zoeken. Het boek zonder plaatjes, waarvan ze de twee laatste hoofdstukken wilde uitlezen.

•6•


Haar broer keek als een kat die van de slagroom had gesnoept. ‘Zeg het dan. Waar is het?’ vroeg het meisje. Pesterig trok haar broer zijn schouders op. ‘Heb je het verstopt? Ik zeg het tegen mama, hoor. Geef mijn boek terug.’ ‘Als je het echt wilt weten, mama heeft het gisteren onder de tuintafel gelegd,’ zei de broer. ‘Die wipte.’ ‘Wat?’ Het meisje smeet de tuindeur open en rende naar het terras. Het was waar. Onder een van de tafelpoten lag haar boek. Doordrenkt. Verzopen. Ze kiepte de tafel een stukje en trok het boek naar zich toe. De bladzijden waren week en gebobbeld, en zaten aan elkaar geplakt. Verslagen liet ze het boek uit haar handen vallen. Dat kon ze nooit meer lezen. Niet eerlijk, dat mama het had afgepakt. Zomaar, zonder te weten waarom, liep ze de tuin uit. Gemeen, gemeen, gemeen, stampten haar voeten bij iedere pas. Ze begon te rennen, terwijl de regen in haar gezicht striemde. De steeg door. Langs de ligusterheg. De straat uit. Het was zo vroeg, dat ze niemand tegenkwam. De stad was nog niet wakker. Bij een beeld van een koe bleef ze hijgend staan. Ze kon niet meer. Plotseling viel haar oog op een prullenbak. Er stak iets uit. Een rode paraplu. Rood was een blije kleur. Hoewel ze al nat was, nam het meisje de paraplu uit de bak. Ze bekeek hem van alle kanten en stak hem op. Hij was nog heel. Ze draaide de paraplu in haar hand. De kap danste rond, maar bleef in evenwicht. Het meisje lachte hardop. ‘Mijn paraplu!’ zei ze. ‘Ik ga je uitproberen.’ Maar zodra ze weer ging lopen, gebeurde er iets vreemds. Woorden gonsden haar hoofd binnen. Het meisje keek verbaasd rond. Waar kwam dat vandaan? Hoorde ze misschien een radio door een open raam? De

• Lida Dijkstra •

woorden in haar hoofd werden zinnen, werden een verhaal. Ze luisterde en luisterde. Tot het uit was. Het was spannend geweest. Ze wandelde verder. Door de regen glommen de straatstenen en rimpelde de gracht. Ze stak het stille plein met de Oldehove over, de rode paraplu hoog boven zich. En opnieuw dwarrelden woorden haar hoofd binnen. Eerst wat rommelig, maar al snel vonden ze allemaal het juiste plekje en vormden weer een verhaal. Het is net …, dacht het meisje. Het is net of er verhalen door de lucht vliegen. En omdat het zo stil is, kan ik ze horen. Maar waarom nu? Het is zo vaak stil om me heen. Waarom hoor ik anders geen verhalen? En toen wist ze het. Het kwam door de paraplu. ‘Jij bent een verhalenvanger,’ zei het meisje tegen de paraplu. Even keek ze betrapt rond. Stel je voor dat iemand haar had zien praten. Ze nam de proef op de som. In een stevig tempo wandelde ze verder tussen hoge huizen. Ze kwam op de Nieuwestad. Omdat haar arm wat moe werd, wisselde ze van hand, maar de paraplu hield ze hoog. Bij een klein poortje hoorde ze weer een verhaal in haar hoofd. Het meisje luisterde vol verwondering. Toen het uit was, wist ze dat ze het voor altijd zou onthouden. De uren die volgden bleef ze de stad doorkruisen. Ze merkte niet eens dat het droog was geworden, zo verrukt was ze door alle verhalen die de paraplu bij haar bracht. Over een scheepsjongen en over een broedende steenbok. Over een ridder in een rammelend harnas en over een vleesetende dinosaurus. Hingen er altijd zoveel verhalen in de lucht? Waarom wist niemand dat? …

•7•

HEt meisje met de rode paraplu

met de rode paraplu


• Harm de Jonge •

Het geluk van de kleibijters

N

iemand had ooit van de kleibijters Urbe en Orke gehoord. En toch woonden de dieren al jaren in de stad, diep onder de grond in de klei. Urbe had daar een hol gegraven met een vloer van zacht zand. ’s Avonds als ze moe waren, gingen ze in de gang voor de deur zitten. Urbe stak dan de buitenlamp aan en zo konden ze het plankje op de deur goed zien:

Toen hij het zeven keer gezongen had, kwam Urbe alweer naar beneden glijden. Hij had grote haast en de woorden knarsten als zand tussen zijn tanden. ‘Het zijn de tweepoters, Orke. Ze bouwen een toren boven ons hoofd.’ De broers gingen die avond laat naar bed. Ze kropen in hun hol dicht tegen elkaar aan en zongen samen het Oegelied. Orke droomde over keelsnijders en tweepoters met messen. Urbe hoorde midden in de nacht de klei weer steunen en maakte zich zorgen. De volgende dag gingen ze niet graven. Ze zochten de plek waar de klei pijn had. In het noordwesten raakte het plafond bijna de vloer. Klei had daar een kromme rug en kon zichzelf bijna niet overeind houden. Urbe en Orke vroegen zich bezorgd af hoe het verder moest. ‘Waarom wonen we niet in een nest in een boom, Urbe?’ ‘We moeten de tweepoters wegjagen.’ ‘Ze worden bang als jij hard roept, hè? O, lieve broer, sterke Urbe.’ Urbe gaf geen antwoord. Hij dacht diep na. ‘De tril zit in West,’ mompelde hij. ‘De kopdruk is daar hoog.’ En ineens wist hij wat ze het beste konden doen. Het was een gevaarlijk plan. Urbe durfde het niet eens hardop te zeggen. Hij fluisterde het in het oor van zijn broer. Die kreeg er wiebel van in zijn poten. In de verte kreunde de klei. Ze dronken een bakje kleisap en gingen aan de slag. Orke bracht manden mee. Urbe groef in West klei uit de vloer en laadde die in de manden. Orke sleepte ze naar een fijne plek zonder kopdruk, ver in Oost. Na drie dagen hadden ze een groot gat gemaakt. De vloer in West was gezakt en het plafond kwam weer los. Maar boven de kop van Urbe kwam nu zoveel tril dat hij niet verder durfde graven. Plotseling begon de klei te schreeuwen. Urbe en Orke stoven weg. Het plafond kraakte en scheurde los. Het geluid holde door alle gangen. Orke waaide in een hoek. Urbe struikelde en viel. ‘Het gat valt vol,’ riep Orke. ‘Nou snap ik wat je wilde, Urbe.’ Ze hielden elkaar vast en luisterden naar de grom van het lawaai. Er blies een koude wind door de Westgang. Ver weg schreeuwden tweepoters. Urbe en Orke wachtten tot het wat stiller werd. Toen klom Urke weer omhoog. Boven was de gang breed

urbe en orke 2x bellen

Ze praatten over hun werk. Urbe vroeg of het graven in Oost al opschoot. En Orke of de klei in West nog lekker zacht was. Later op de avond ging het ook over de suis in het oor van Orke. En als ze naar bed gingen, belde Urbe 2x, gewoon omdat er anders nooit iemand belde. Zo waren alle dagen gelijk en vol rust. Tot het midden in de zomer anders werd. Urbe was de eerste die merkte dat er boven hun kop iets aan de hand was. Dat kwam natuurlijk omdat hij de jongste was en oren zonder suis had. Maar het bleef gek, dat Orke niets gemerkt had. Je hoorde het immers niet alleen, je voelde het ook. ‘Er zit bibber en tril in de grond,’ zei Urbe. ‘Bij de bocht naar West krijg je druk op je kop.’ Orke dacht dat het de klei was. De laatste tijd was die stenig, bijna te hard voor een kleibijter. Maar Urbe had ook geluiden gehoord. Alsof er nagels over steen krasten. En de klei kreunde soms alsof ze pijn had. ‘Je weet nooit waar de pijn bij haar zit,’ zei Urbe. ‘Klei is overal,’ zei Orke. ‘En waar moet je dan pleisters plakken?’ ‘Maar tril in de grond is niet goed,’ vond Urbe. Ze klommen niet vaak naar boven. Eigenlijk deed ook alleen Urbe dat. Hij had de beste ogen om boven de grond wat te zien. Dus klom Urbe die avond toch maar omhoog. Orke bleef zenuwachtig achter en plukte wat haren uit zijn vacht. Misschien zijn er boven vreemden, dacht hij, keelsnijders die op onze plek willen wonen. Hij rilde toen hij er aan dacht. Keelsnijders, dat waren woeste scheurders met bijtbekken en wroetpoten. Orke begon zachtjes het Oegelied te zingen. Dat hielp altijd als je alleen was: Ik ben Orke en jij bent Urbe. Oege, oege, oet, wij hebben het hier zo goed. Ik ben ik en jij bent jij. Samen zijn we wij.

•8•


Ik ben Orke en mijn broer is Urbe. Oege, oege, oet, wij hebben het zo goed. Er was een beef. Dikke Toren staat nu scheef. Maar lieve Klei is blij. Zij is van ons allebei.

Dikke Toren stond zo scheef dat geen tweepoter er nog een steen op durfde te lijmen. Nooit zou Dikke Toren groot worden. De kleibijters Urbe en Orke leefden in alle rust verder. Ze moesten in West even met een boog om een domme voet heen. Verder was er niets veranderd.

•9•

Het geluk van de kleibijters

en open. Urbe keek over de rand. Er lagen hopen steen en overal renden tweepoters rond. Urbe gleed snel weer naar beneden. ‘Dikke Toren is in West door de vloer gezakt,’ zei hij kalm. ‘Het is gelukt, Orke.’ Die avond dronken ze veel kleisap en ze knabbelden op zoute kleikoek. Ze keken af en toe bij West om het hoekje naar de scheve voet van Dikke Toren. Het was een lelijke voet met stompe tenen. Ze streelden de klei in alle andere gangen. En laat in de avond zongen ze zomaar vanzelf een nieuw Kleibijterslied:


• Edward van de Vendel •

Een ijsbeer

M

are had een raar broertje. Hij heette Danko, hij droeg altijd groene kleren en hij had een brilletje. Het kwam niet door dat brilletje dat Mare hem vreemd vond. Ze had zelf ook een bril, een Armani. Toen ze hem voor het eerst op had, was de helft van haar klas jaloers, en die van haar broertje was eigenlijk nog mooier. Maar hij zag er wel behoorlijk wijs uit, als iemand die alles wist – en dat terwijl hij een kleuter was. Danko was pas vier. In de trein naar papa begon hij altijd tegen onbekenden te praten. ‘Ken jij dingo’s? Dat zijn wilde honden.’ Of: ‘Weet jij wat een okapi is? Die heeft strepen, maar het is geen zebra.’ Of: ‘Dino’s zijn dood.’ Ja, hij wist alles van dieren. Hij wilde voorgelezen worden uit natuurboeken en hij keek naar wildseries op de televisie. ‘Sorry,’ zei Mare soms tegen de mensen in de trein, en dan glimlachten die mensen, maar intussen zag ze in hun ogen wat ze dachten: wat een vriendelijk meisje – maar dat broertje is een beetje raar. Natuurlijk was Danko ook gewoon lief. Als Mare verdrietig werd omdat ze papa miste – sinds hij ergens anders was gaan wonen zagen ze hem maar eens in de twee weken, en het was echt best ver met de trein –, dan kroop Danko zonder iets te zeggen tegen haar aan. Fijn broertje. Fijn, vreemd broertje.

worden, of droevig. Ze hadden al zo weinig tijd als ze bij hem op bezoek waren, daar kon geen boos en droevig bij. Waarom een ijsbeer? IJsberen leefden toch op de Noordpool? Papa woonde gewoon in Leeuwarden. IJsberen waren harig en dik. Papa was niet dik en hij had ook niet zoveel haar. Soms, als Danko weer ‘Papa is een ijsbeer’ kwam zeggen, stompte ze hem. En soms trok ze hem juist op haar bed, om eens extra te knuffelen. ‘Het is waar,’ zei hij dan, als hij uit haar armen tevoorschijn kwam, ‘hij is het echt. Ik zeg het toch de hele tijd.’ ‘Ja,’ zuchtte ze dan, ‘maar wáárom zeg je het? Hij heeft gewoon een mensenvel, hij houdt niet van sneeuw, je moet er eens mee ophouden. En hij eet toch geen zeehondjes?’ Dan zuchtte Danko ook en zei: ‘Papa is een ijsbeer die geen zeehondjes eet.’ En toen – het was vrijdagavond 7 juli, de grote vakantie was die middag begonnen – toen werd alles in één klap duidelijk. Mare en Danko waren bij papa. Ze mochten dit keer tot en met dinsdag blijven, want woensdag gingen ze met mama op vakantie. Mama’s nieuwe vriend, die Bert heette, ging mee. En zijn kinderen, die Joy en Akkie heetten, ook. Mare had ze nog nooit gezien, dus hoe kon ze weten of ze áárdig waren? Bert had een kampeerwagen en hij zei dat ze helemaal naar Spanje zouden rijden en daarna nog verder, en ze kwamen pas over vijf weken terug en al die tijd zouden ze papa niet zien, dus nu moesten ze het fijn hebben met z’n drieën, nu, nu het nog kon. Papa had pannenkoeken gebakken. Hij had er met stroop een clowntje op getekend. En nu keken ze natuurtelevisie. Papa zat tussen Mare en Danko in. Hij had zijn armen aan twee kanten om hen heen gelegd, en Mare hield bijna de hele tijd haar adem in. Want het programma dat ze zagen ging over baby-ijsberen. Die worden in een hol geboren. Dat hol is van sneeuw en helemaal, helemaal dicht. Wekenlang drinken de kleintjes bij hun moeder. De moeder gaat nooit naar buiten, ze eet niks, ze is er alleen maar voor haar kinderen. Pas in het voorjaar steekt ze haar snuit uit het hol en dan mogen haar baby’s naar buiten. Ook de twee jaar daarna blijven de jonkies in haar buurt. Maar de vader… De vader ziet zijn kinderen nooit. Hij zwerft in zijn eentje over het ijs, hij kent zijn jonkies niet, en zijn jonkies kennen hem niet. Mare staarde naar de beelden van die wandelende vaderijsbeer, er stormde een sneeuwbui om hem heen, en toen keek ze opzij en zag dat papa zat te huilen. Hij deed het heel stil en stiekem, maar zijn wangen waren nat.

In papa’s nieuwe appartement lagen Mare en Danko bij elkaar op de kamer. En op een mooie, warme april-avond gebeurde het. Mare kon niet slapen. Danko was ook nog wakker. En opeens zei hij: ‘Papa is een ijsbeer.’ Mare reageerde niet. En toen zei Danko het nog eens. ‘Papa is een ijsbeer.’ ‘Wat?’ zei Mare. ‘Het is wáár,’ zei Danko. ‘Papa is een ijsbeer.’ ‘Dan, hou op met die onzin. Doe je ogen dicht en denk aan iets leuks.’ Maar hij bleef het zeggen. De dagen erna en de weken erna. Niet als er andere mensen bij waren, nee, hij zei het alleen ’s avonds. Als ze bij papa waren, mompelde hij het vanuit de andere kant van de kamer. En als ze in hun eigen huis sliepen kwam hij zodra het donker werd zijn bedje uit en fluisterde het in Mare’s oor: ‘Papa is een ijsbeer.’ Mare werd er gek van. Ze wilde het tegen mama zeggen, maar mama had het druk en als ze het niet druk had, had ze hoofdpijn. En tegen papa kón ze het niet zeggen. Misschien zou hij boos

• 10 •


Maar Danko was wél een beetje raar. Want papa zei niks, en zijn wangen waren alweer opgedroogd, maar Danko gaf hem antwoord, alsof hij wél iets had gezegd. Hij zei: ‘Nee, papa. Jij bent geen ijsbeer. Echt niet. Want wij zijn hier. En wij weten heus wel wie jij bent.’ En toen begon papa Danko te kietelen. En hij kietelde Mare ook, en ze kietelden elkaar allemaal, en daarna moesten ze met z’n drieën zo ontzettend giechelen, dat het de hele avond gezellig bleef, en ook lekker warm. Zo warm, dat de hele Noordpool ervan smolt.

• 11 •

Een ijsbeer

Mare schrok ontzettend. ‘Papa?’ zei ze. Ze pakte zijn hand. Danko keek nu ook, en pakte papa’s andere hand. Papa’s tranen hielden meteen op. Hij lachte en zei: ‘Ha.’ Danko drukte op de rode knop van de afstandsbediening. De ijsbeerfilm floepte weg. En Mare kroop nog wat dichter tegen papa aan dacht opeens: hij is wel een ijsbeer. Ze dacht: misschien is hij toch een beetje dik. En hij heeft ook een paar witte haren, ze komen boven zijn overhemd uit. Papa is een ijsbeer, dacht ze. En ze dacht ook: Danko heeft het al veel eerder gezien. En: Danko is dus helemaal niet raar.


• Marian De Smet •

De Yserman

K

ling, klang, kling, klang, redeng, redang, redeng, redang. Hoor je dat? Wat klinkt daar door de straten van Leeuwarden? Wat voor gerammel weergalmt tussen de huizen van de stad? Kling, klang, kling, klang. Het is de Yserman. Mensen sluiten hun ramen en deuren voor de herrie, klanten van de kruidenier stoppen hun vingers in hun oren. Yserman rammelt tot aan het park en gaat daar – kriep – op een bankje zitten. Hij klapt zijn vizier open – iek – en krabt even aan zijn neus -i-u-i-u-i-u. Zelfs de zucht die hij slaakt maakt lawaai, want ook zijn borst zit verpakt in staal. De stad herademt, de ramen worden weer opengezet, de kruidenier helpt de volgende klant. Yserman is alleen. Altijd. Iedereen vindt hem te lawaaierig, ze blijven liever uit zijn buurt. Maar hij kan het niet helpen, het is zijn harnas, en dat harnas hoort bij hem. Zonder harnas is hij de Yserman niet meer, en als hij de Yserman niet meer is, wie is hij dan wel? Lang geleden waren er wel meer ridders, de mensen waren gewend aan het geluid. Ze gingen met ontzag opzij en bogen hun hoofd. Maar nu is alleen hij nog over. ‘Sta nou eens stil, Yserman,’ zeggen de mensen, ‘We willen rust.’ ‘Laat je smeren, riddertje,’ roepen de kinderen. ‘Je roest nog vast!’

verderop in de straat. De apotheker stopte vlug twee watjes in zijn oren en gaf Yserman zijn recept. Toen Yserman weer naar buiten wilde, zag hij dat het regende. Ook dat nog. Water was zijn grootste vijand, zijn harnas ging ervan roesten. En natuurlijk was hij zijn paraplu vergeten. ‘Zou ik even mogen schuilen?’ vroeg hij zielig aan de apotheker. ‘Dat mag, op voorwaarde dat je stilstaat. Daar, naast de weegschaal bijvoorbeeld.’ Yserman ging naast de weegschaal staan en verroerde zich niet. De apotheker ging weer aan het werk, floot een wijsje en vergat Yserman helemaal. Toen de bui over was en Yserman van zijn plaats kwam, schrok de man zich dan ook een hoedje. ‘Goh, Yserman. Je maakt zoveel lawaai dat mijn haar er recht van overeind gaat staan.’ ‘Ik weet het. Excuseer.’ En zo stil mogelijk opende hij de deur en liep hij de straat weer op. De pilletjes hadden niet geholpen en ook het kwartiertje zon maakte hem niet vrolijker. Yserman kijkt naar de duiven die rond zijn voeten koeren. Ze pikken broodkruimels. Yserman denkt aan het stuk koek dat hij nog in zijn tas heeft zitten, maar als hij het wil pakken maakt hij zo’n kabaal dat de duiven verschrikt opvliegen. Yserman laat zijn schouders zakken kraak en klapt zijn vizier dicht tsjekang. In het duister van zijn harnas voelt hij zich veilig. Langzaam rolt er een traan over zijn wang. Hij mag niet huilen. Hij zal roesten. Maar op dat moment kan het Yserman niet schelen. Dan roest hij maar. Dan blijft hij daar maar eeuwig zitten. Niemand zal nog last hebben van zijn lawaai. Yserman huilt tot hij gestoord wordt door rumoer in de verte. Kling, klang, kling, klang. Hij richt zijn hoofd op kriep. Kedeng, kedang, kedeng, kedang. Wie maakt daar toch zo’n kabaal? Het klinkt alsof iemand met een kar vol lege melkbussen over een hobbelig paadje loopt. Yserman staat op en kijkt het pad af. Het lawaai wordt steeds luider. Dan ziet hij een meisje de bocht om komen. Een meisje met een wit kapje op, een blauwe jurk aan en blozende wangen. Het is het mooiste meisje dat hij ooit gezien heeft. Ze trekt een houten kar met melkbussen erop. Ze wiebelen heen en weer, botsen tegen elkaar en maken een kabaal van jewelste. Yserman vergeet zijn verdriet en stapt op het meisje af.

Yserman had zelfs een dokter opgezocht, misschien wist die een oplossing voor zijn eenzaamheid. ‘Komt u binnen,’ zei de dokter en wachtte geduldig tot Yserman zich rinkelend en rammelend op de behandeltafel had gezet. Yserman stortte zijn hart uit: hij was eenzaam, hij verlangde naar gezelschap. Hij had zelfs nog nooit een meisje gekust. De dokter keek hem ernstig aan, scheen met een lampje in zijn ogen en klopte eens met een hamertje op zijn ijzeren knie. ‘Tja,’ zei hij na een poos. ‘Het loopt een beetje stroef allemaal. Ik kan u wat ijzerpilletjes voorschrijven. En u hebt tekort aan vitamine D. Elke dag een half uurtje met open vizier in de zon zitten, dat zal helpen.’ ‘En die kus?’ De dokter zuchtte. ‘Daar kan ik je niet bij helpen, Yserman. Het belangrijkst is dat je gewoon jezelf blijft, uiteindelijk kom je de ware wel tegen.’ Yserman nam het voorschrift aan en verliet de dokters­ praktijk. Krakend en piepend liep hij naar de apotheek

• 12 •


aangekomen waar Frauke woont, geeft ze hem een zoen. Zo. Recht op zijn mond. ‘Kom je nog even binnen voor een glaasje melk?’ vraagt Frauke. Dat wil Yserman graag. Hij gaat naar binnen, drinkt een glaasje melk en besluit te blijven. Frauke vindt dat best, ze houdt van haar koene ridder. Een poosje later is er een grote bruiloft en ze leven nog lang en lawaaierig.

• 13 •

De Yserman

Ze kijkt hem aan en glimlacht. ‘Wat heb jij een mooie pluim op je helm,’ zegt ze. ‘Dank je. Zal ik je helpen trekken?’ ‘Graag’. Ze lacht lief naar hem en zegt: ‘Ik ben Frauke.’ ‘Dag Frauke. Ik ben Yserman.’ ‘Wat ben je stoer, Yserman,’ zegt ze en ze voelt eens aan zijn ijzeren arm. Rammelend en ratelend wandelen ze verder, het park uit, de stad weer in, waar de mensen hun ramen sluiten, hun vingers in hun oren stoppen en mopperen over het kabaal. Maar het kan Yserman niets schelen, omdat het Frauke niets kan schelen. En als ze bij de boerderij zijn


• Mindert Wijnstra •

De winskput

‘M

einte jonge … wat sille wy no beleve! Kinne wy hjir net mear lâns?’ Pake stjit mei de rollator tsjin it stek. It jout net mei. Nee, fansels net. It is in izeren stek, wol twa meter heech. De gemeentemannen hawwe it delset oer de hiele breedte fan it plein. ‘Se brekke alles op.’ ‘Alles?’ Pake skrikt. ‘De put ek?’ ‘Ja, dy stjonkput ek.’ Pake lit him op ’e rollator sakje as op in stoel. Hooplik hat er him op ’e rem set. Mei ien hân hâldt er him oan it stek fêst. Skodholjend stoarret er foar him út. ‘Dan hoege se dit pleintsje ek net langer Bij de Put te neamen,’ suchtet er. ‘Witste Meinte, dat dy put hjir al hûnderten jierren west hat?’ Ik knik. ‘Dêrom stjonkt er ek sa, tink?’ Pake skodhollet. ‘Doe’t wy jong wienen, stonk er net. Yn de oarloch hellen de minsken der noch wol wetter út. Skjin wetter. Mar foar ús wie it de winskput.’ ‘De winskput? Hat pake dan wolris in winsk dien?’ ‘Ja, ien kear.’ Pake syn eagen wurde wiet. ‘Smite se him no ticht?’ ‘Ik tink it al. Mar der komt in nije foar yn it plak. Ien fan beton.’ ‘Nep?’ ‘Ja, in bytsje wol .’ Opnij stoarret Pake in skoftsje foar him út. Dan seit er ynienen: ‘Meinte, doarsto oer it stek te klimmen?’ ‘Hoecht net. Dêr by de hûzen kin ik der gewoan omhinne rinne. Dogge de gemeentemannen ek. Hoesa?’ ‘Soest ek yn dy put doare? Mei in ljedder of sa?’ ‘As der net tefolle wetter yn stiet … Mar wêrom?’ ‘Doe’t ik sa âld wie as dy - of in bytsje âlder - ha’k in winsk dien. Ik ha wat makke fan izer en dat ha’k yn de put goaid. Ik soe graach witte wolle oft it der noch yn leit.’ ‘In ding fan izer? Mar dan is it al lang ferrustke!’ ‘Under wetter rustket it net sa gau. As se de put tichtgoaie, kinne wy der noait wer by.’ ‘Okee,’ sis ik, ‘ik doar der wol yn. Sille wy it jûn daliks mar dwaan? Foardat se mei dy put begjinne?’

Troch it plûnzjen fan de ljedder yn it wetter begjint de put wer te stjonken. Skuon en sokken doch ik út. ‘Kinst de broek ek better mar útlûke,’ seit Pake, ‘der stiet noch aardich wat wetter yn.’ ‘Rêdt pake my, as ik kopke ûnder gean?’ ‘Ast nei in healoere noch net boppe bist, dan spring ik deryn,’ laket er. ‘Pff,’ systerje ik en stap foarsichtich by de earste triemmen del nei ûnderen. ‘Hoe grut is it ding eins?’ Pake hâldt de hannen in eintsje útelkoar. ‘Sa sawat, in sintimeter as tsien. Mar tink derom, der sitte skerpe punten oan.’ It wetter is kâlder as ik tocht hie. Mar djip is it net. Al gau fiel ik modder, weake modder, dêr’t ik oan de ankels ta yn weisakje. Ik stean no op ’e boaiem. ‘Bist der?’ Pake kipet oer de râne fan de put. Fan ûnderen sjoch ik syn gesicht as in sylhûet. ‘En?’ ‘Stiennen en oare troep.’ Mei de mouwen opstrûpt taast ik yn de modder om. Tusken de stiennen grabbelje ik muntsjes op. Ald jild, gjin euro’s, neat wurdich, jammer. Mei bleate fuotten baggerje ik troch de blubber. It wetter komt my krekt boppe de knibbels. Goed dat ik de broek útlutsen ha. ‘Au!’ Myn grutte tean stjit tsjin wat skerps. Foarsichtich taast ik mei de foet it skerpe ding ôf. Dit is gjin stien. Hjir leit wat oars. ‘Ik ha wat!’ rop ik nei boppen. Pake syn gesicht komt wer oer de râne. Mei de fingers fiel ik in skerpe punt, ik lûk in izeren stankje út de modder. Der komme mear stankjes mei omheech. ‘Is dit it, pake?’ ‘Ja, wrachtich!’ Pake krijt it modderige ding fan my oan. Triennen rinne him oer de wangen, hy skodhollet súntsjes. Oars hat er altyd praatsjes, mar no wit er eefkes neat te sizzen. Sa gau as we thús binne skrabet pake mei in file alle rust en smoargens fan it ding ôf. Dan leit er it foar my del. ‘Sjochst wat it is?’ Ik lûk oan de skouders. ‘It liket wol in dûbele M.’ Pake knikt. ‘Ja jonge, dat hast goed sjoen. In dûbele M.’ Eefkes stoarret er nei bûten, dan sjocht er my oan en seit: ‘Ik hie krekt laskjen leard op de ambachtskoalle en doe ha’k dit makke fan sân izeren staafkes. In monogram.’ ‘In monogram? Wat is dat?’

It begjint al te skimerjen as ik in ljedder yn de put sakje lit. Gjin minske op strjitte. Gelokkich mar. Wy hoege der gjin pottekikers by. Ik ha sels ús heit net ferteld wêr’t ik de ljedder foar noadich ha. Hy siet sa drok te kompjoeterjen dat er der ek net nei frege.

• 14 •


is oppakt yn de oarloch, gjinien is weromkaam. Mirjam ek net.’ Pake set it monogram op de wurktafel. Ik lit him eefkes allinnich. As de nije put in pear wike letter feestlik yn gebrûk naam wurdt, is pake der net by. It is net langer sýn put, fynt er. Op de nije put stiet in keunstwurk. In gedicht fan izeren letters. Ik sjoch it wurd MAMME stean. As it nei it feest wer stil is op it plein, rin ik der hinne mei in potsje ferve. Ik jou de MM in gouden rântsje.

• 15 •

De winskput

‘Dat binne de earste letters fan in namme. Yn dit gefal de M fan Meinte en de M fan Mirjam, oan elkoar ferbûn.’ ‘Mirjam?’ ‘Dat wie myn faam. Wy hienen ferkearing, al langer as in jier. Doe ha’k dit dinkje makke. Tegearre ha wy it yn de put goaid mei de winsk om foar altyd by elkoar te bliuwen.’ ‘Eh … mar, dy winsk is dus net útkaam.’ Ik tink oan beppe, dy’t foarich jier stoarn is. Pake skodhollet. ‘Dit wie hjir de Joadske buert destiids. Al dizze strjit­ sjes hjirre, mei de synagoge, de Joadske skoalle … Mirjam wenne hjir yn de Breedstrjitte. Hast elkenien út dizze buert


• Lida Dijkstra •

De dromenwinkel

E

r werd thuis te veel geschreeuwd. Dus Luuk was weer een half uur te vroeg, met een lege maag, de deur uitgegaan. Zo langzaam mogelijk slenterde hij naar school. Zou hij vandaag weer de eerste op het plein zijn? Moest hij zich weer een tijdlang bovenin het klimrek gaan zitten vervelen, voor de anderen kwamen? Luuk schopte tegen een kiezel die daardoor voor hem uitstuiterde en uiteindelijk tegen de stenen onderrand van de kiosk aanketste. Die kiosk kende hij goed. Het was het kleinste winkeltje van de stad, met popperige zuiltjes en gouden engelenkopjes, met dakkapelletjes en twee slangenvogels die met gebogen koppen de ingang bewaakten. Maar vanochtend zag de kiosk er anders dan anders uit. Luuk kon eerst niet ontdekken waardoor. Tot hij het zag: de hoekdeur stond op een kier. Hij gluurde naar binnen. In plaats van de saaie huizenposters die normaal tegen de wand hingen, zag hij honderden bellen zweven. Kleintjes, maar ook heel grote. Ze bewogen niet naar de grond. Ze knapten niet. In een wonderbaarlijk bellenballet bleven ze langs elkaar, door elkaar, tussen elkaar drijven. Aangetrokken door de glanzende kleuren duwde hij de deur wat verder open. ‘Kom snel binnen,’ zei de man die tegen de achterwand geleund stond. ‘We moeten niet teveel luchtverplaatsing hebben.’ Hij droeg een scharlakenrood pak dat glom van ouderdom. Of misschien wel van de viezigheid, dacht Luuk. De pijpen waren in hoge, zwarte laarzen gepropt. Een beetje in de stijl van een circusdirecteur. ‘Kom je een droom uitzoeken?’ vroeg de man. ‘Ik mag hier zeker niet komen,’ zei Luuk. ‘Nonsens,’ zei de man. ‘Jij hebt net zo veel recht op een goede droom als ieder ander. Kijk gerust rond. Over de prijs worden we het wel eens. Is het voor jezelf, of voor een vriendje? Als je trouwens een pestkop van school wilt opzadelen met een nachtmerrie, ben je aan het verkeerde adres. Nachtmerries verkoop ik niet meer. Zulke zwarte dingen. Die gaan met je aan de haal voor je het weet.’ ‘Ik wist niet dat je dromen kon kopen,’ zei Luuk. ‘Ik maak ze altijd zelf. ’s Nachts, als ik slaap. Maar ik ben er niet zo goed in. Vannacht droomde ik dat al mijn tanden uitvielen.’ ‘Schulddroompje,’ zei de man knikkend. ‘Poets je wel tweemaal per dag?’ Luuk besloot geen antwoord te geven. ‘Hoe moet je een droom kiezen?’ vroeg hij in plaats daarvan.

‘Simpel,’ zei de man. ‘Je wandelt door het winkeltje en bekijkt de bellen goed. Opeens vind je dan je favoriet. Of eigenlijk vindt hij jou.’ Wat strenger voegde hij eraan toe: ‘Maak geen wilde bewegingen. Je zou niet de eerste zijn die met zijn neus een droom doorprikt.’ Luuk schoof zo voorzichtig mogelijk tussen de bellen door. Ze zweefden beurtelings naar hem toe. In een grote bel zag hij een weerspiegeling van zijn eigen gezicht, met een lachspiegelneus. Maar wat hem bijna de adem benam, in diezelfde bel zag hij ook een tafereeltje met bewegende mensjes. Alsof zich er een klein filmpje in afspeelde. Luuks mond viel open van verbazing. ‘Ik zou hem maar dichtklappen,’ zei de man. ‘De bellen smaken niet prettig.’ Een kleinere bel zweefde tot vlak voor Luuks ogen. Opeens wist hij wat hij zag. Of liever gezegd, wie hij zag. Hij was het zelf. Op een paard jakkerde hij door de heuvels, met een grote stofwolk achter zich aan. ‘Dat is een mooie droom,’ zei hij ademloos. ‘Ik wilde altijd al cowboy worden. Doe mij deze maar. Komt hij uit als ik hem aanraak?’ ‘Kies niet te snel,’ waarschuwde de man. ‘Kijk vooral rustig rond. Tijd speelt geen rol.’ Nou was dat niet helemaal waar, bedacht Luuk. Als hij te laat op school zou komen, kreeg hij problemen. Te vroeg was niet fijn, maar te laat was nog veel erger. Een derde bel dreef voorbij, helderblauw omdat hij gevuld leek met water en lucht. Luuk herkende zichzelf aan het roer van een groot zeilschip. Mini-meeuwtjes scheerden langs de gebogen hemel. ‘Zal ik deze nemen, dan?’ vroeg hij, iets minder overtuigd dan zonet. Zwalken over een wijde oceaan leek hem ook best fijn. Geen huiswerk. Geen vuilnisbak om buiten te zetten. ’s Ochtends wakker worden van gekabbel in plaats van gekibbel. ‘Wie weet. Wie weet,’ zei de man. Maar Luuks aandacht werd alweer getrokken door een bel van teer pastel, alsof er voorjaarslicht in scheen. Hij zag zichzelf aan de keukentafel. Hij speelde met lego. Zijn moeder stond bij het fornuis. Plotseling draaide ze zich om. Zijn vader stapte in beeld. Luuks schouders spanden aan van de zenuwen. Maar wat hij verwacht had, gebeurde niet. Zijn moeder lachte blij. Papa liep op haar af en kuste haar op haar wang. Ze leken gelukkig. ‘Deze wil ik,’ zei Luuk.

• 16 •


Luuk boog voorover. Hij zag de binnenkant van de kiosk. Hij zag zichzelf tegenover de man in het rode pak. Tussen de bellen. Hij zag dit moment. ‘Nu ben ik in de war,’ zei Luuk. ‘Dus ik droom?’ ‘Zoiets weet je pas achteraf zeker, is het niet?’ vond de man. Luuks vinger kroop omhoog. Zijn ogen zochten de bel met het lieve gezin, zíjn lieve gezin. Hij richtte … Pang!

• 17 •

De dromenwinkel

‘Weet je het zeker?’ vroeg de man. ‘Heel zeker,’ zei Luuk. ‘Wat kost hij?’ ‘Je hebt hem allang betaald,’ zei de man. ‘Met je geduld.’ ‘Echt waar? Hoe laat ik hem uitkomen? In het echte leven, bedoel ik? Gewoon doorprikken?’ ‘Maakt een droom niet deel uit van het echte leven?’ vroeg de man. ‘Wat als je nu sliep? Wat als je nu droomde in je slaap?’ De man stak zijn hand uit. Een bel landde erop, beheerst als een vogeltje. ‘Kijk.’


• Edward van de Vendel •

Stom of eng

W

e deden Stom of Eng. Je weet wel, dat je mag zeggen welke taak je wil, en als je gekozen hebt dan móét je hem doen. Bouke was eerst. Hij zei: ‘Stom’ en ik wist niks beters dan dat hij zes keer onder het prikkeldraad bij de kinderboerderij door moest. Makkie, zijn shirt haakte niet eens. Daarna (ik koos ook Stom) moest ik achter een of andere mevrouw aanrennen en tegen haar roepen dat ik van haar hield. Ze reageerde niet eens. Nadat Bouke – ook weer Stom – in de sloot was gaan staan en zijn schoenen met kroos had gevuld, was ik opnieuw en na al die Stoms nam ik Eng. ‘Oké,’ zei Bouke. Hij dacht een tijdje na, en hij keek nogal arrogant. Dat doet hij altijd. ‘Oké, Sufi,’ zei Bouke. Dat doet hij ook altijd. ‘Ik heet Sufian,’ zei ik. ‘Sufi,’ zei hij, ‘jij gaat naar de oude stadsbegraafplaats.’ ‘Wat?’ zei ik. ‘Die bij de Spanjaardslaan?’ ‘Ja,’ zei Bouke, ‘en daar blijf je een tijdje.’ ‘Pff,’ zei ik, ‘het is allang geen kerkhof meer.’ ‘Er liggen wel duizend dooien,’ zei Bouke. ‘Uit de vorige eeuw. Allemaal skeletten met wormen erdoorheen. Maar daar gaat het niet om. Ieder halfuur maak jij een foto van jezelf met een vreemd iemand. En ik moet er duidelijk op kunnen zien dat je nog op het kerkhof bent. Die foto’s stuur je naar mij.’ ‘Simpel,’ zei ik. ‘Wacht maar,’ zei hij. ‘Ik ga bij je ouders langs en zeg dat je bij mij eet, en dat je alvast naar ons huis bent omdat je moest poepen. Dan kun jij op het bottenkerkhof blijven tot…’ – hij keek nogal fonkelend – ‘…tot négen uur. En elk halfuur bewijs.’ Ik dacht na. Van vier tot negen, dat waren tien foto’s. Ik vond het gek dat hij gewoon wegging en me alleen liet, maar zo was Bouke soms. ‘Prima,’ zei ik, ‘geen probleem.’

Ik slenterde wat rond, er waren bijna geen mensen. Gelukkig had ik een tennisballetje bij me. Ik gooide over met mezelf, keek ondertussen uit naar iemand voor mijn volgende halfuur, en toen opeens verscheen er een hand. Boven mijn hoofd. ‘Ay,’ zei die hand en ving de tennisbal op. Ik draaide me om en zag een jongen. Van mijn leeftijd. Met kleren waar je niet in gezien wil worden. En dat was bijzonder, want hij kleedde zich dus behoorlijk fout, maar zo was hij niet, dat zag je meteen. Hij had een vrolijk gezicht, en was grappig en aardig en alles tegelijk. Een soort Bouke, maar dan beter. En hij zei iets raars. Hij zei: ‘Vrienden worden? Ik leer je waar de eekhoorns zitten en dan gooien we dit balletje tegen hun kont, ik heb geoefend, kom.’ Ik moest lachen, en ik weet niet waarom, maar ik zei meteen: ‘Goed. Kunnen we eerst een foto van ons samen maken, het is bijna half vijf.’ ‘Goed,’ zei hij, ‘rare.’ En hij lachte ook. Hij sloeg zijn arm om mijn schouders, ik zocht de camera op mijn mobiel, richtte, drukte af, stuurde hem naar Bouke, mijn mobiel viel uit, ik zei: ‘Sjips, batterij leeg,’ maar het kon me niks schelen, want hij vroeg: ‘Hoe héét je?’ Ik zei: ‘Sufian Ouaais.’ Hij zei: ‘Sibren. Zo heet ik. Sibren Sibrandi.’ En ik weet niet hoe het kon, ik vergat de opdracht, ik vergat alles, want ik wilde eekhoorns gaan schieten, en overgooien, en slalommen om de grafstenen heen, nu ik er achteraf over nadenk ging het allemaal onbegrijpelijk snel. Hij wist alles van de oude begraafplaats. Hij liet het lijken­huisje zien – we konden er gewoon ín! Hij kende de verhalen van de graven, ze waren spannend en grappig, net wat je wilt van verhalen die je door een nieuwe vriend verteld worden, en we speelden. Ik weet dat het kinderachtig klinkt voor een achtstegroeper, maar we spéélden. En terwijl we dat deden wist ik opeens zeker dat deze begraafplaats de mooiste plek van Leeuwarden was. Toen we – het was zomaar een paar uur later – in het gras lagen zei ik: ‘Waar woon je eigenlijk?’ zei hij: ‘Joh, hier en daar.’ En toen ik zei: ‘Ik ben elf jaar en twee weken,’ zei hij: ‘Twee maanden.’ En daar moest ik om lachen en ik zei: ‘Nee, twee wéken. Maar hoe oud ben jij?’ Hij zei weer: ‘Twee maanden.’

Ja, dat zei ik. En nu ben ik thuis, op mijn kamer, het is kwart over tien en ik heb zitten googelen en al mijn haren staan overeind.

En toen stond Bouke daar opeens. Hij hijgde. ‘Gek! Je ligt gewoon hier! Ik kreeg geen foto’s meer, en ik ging naar je huis, maar je was er niet, ik dacht dat je door een viezerik mee was …’ ‘Bouke!’ zei ik. ‘Is het al negen uur dan?’ ‘Half tien, gek!’ schreeuwde Bouke. Zijn gezicht was rood.

Even later liep ik op de begraafplaats, die eigenlijk meer op een park lijkt, met bomen en bankjes en brokkelige grafstenen die omvallen van ellende. Er kwam een jogger langs, ik legde alles uit en het was oké en ik stuurde de foto naar Bouke. Doei. Dit was eerder Stom of Saai.

• 18 •


‘O,’ zei ik, ‘sorry, Bou. Kijk, dit is …’ En ik draaide me om naar Sibren. Maar hij was weg. Helemaal weg. Geen afdruk in het gras, geen briefje, geen telefoonnummer, geen niks. En opeens zag ik dat het intussen angstaanjagend donker geworden was.

En nu zit ik dus op mijn kamer en al mijn haren staan overeind. Want dit is wat ik heb gevonden:

Ik kreeg op mijn kop, natuurlijk. Mama gromde en papa ook. Maar het ging allemaal langs me heen, want mijn hoofd barstte van de vragen. Over wat er was gebeurd. Over waar Sibren gebleven was. Over hoe je een vriend kon winnen en verliezen, allemaal in één avond.

“Op 3 juli 1833 werd de stadsbegraafplaats in gebruik genomen. De eerste die er begraven werd was de kleine Sibren Sibrandi. Hij was twee maanden oud.”

• 19 •

Stom of eng

En toen legde ik mijn mobiel aan de oplader en checkte ik onze foto. Er stond niemand op. Ja, ik. Alléén. En toen begon ik als een razende te googelen en het werd doodeng, want ik wilde Sibren terugvinden, ik typte zijn naam in…


• Harm de Jonge •

De paradijsvink van Shinkie

A

ls ik uit school kom loop ik altijd door het park naar huis. Daar komen de anderen nooit. Daar is niemand die me iets afpakt, niemand die me laat struikelen of uitscheldt voor Stille Jille. Vandaag ben ik vroeg. Ik ken de weg: eerst de boom die boven het water hangt, het oude nest van de zwaan en dan komt Shinkie. Midden in de vijver, een vogeltje op zijn hand. Het vogeltje zit daar natuurlijk omdat Shinkie een standbeeld is. Zo’n beestje is ook niet gek, dat gaat alleen op je hand zitten als je heel lang stilstaat. Ik ga in het gras zitten. Alle mensen zouden eigenlijk een standbeeld moeten zijn, denk ik. Voor altijd stilstaan in de mooiste houding van je leven: bevroren, uit marmer gekapt, in metaal gegoten. Bossen en steden vol beelden, allemaal doodstil. Niemand zit achter je aan. Ik heb een hekel aan mensen die rennen. Ze pakken je in volle vaart iets af, geven je een stomp en rennen door. Ondertussen schreeuwen ze woorden die als stenen tegen je hoofd ketsen. Ik vind Shinkie aardig zoals hij daar staat. Hij is iemand die je niet pest, dat zie je zo. Hij is vast een echte jongen geweest. Een beeldenmaker verzint niet zomaar zo’n jongen. Die heeft Shinkie gezien, ver weg natuurlijk, in de buurt van China. Daar dragen ze van die vreemde punthoedjes. Daar komt ook dat vogeltje vandaan. Ik heb opgezocht welke vogels er leven. Ik denk dat het een rode paradijsvink uit Tibet is. Die leven van houtwormen in de balken van oude tempels. ‘Hoe heb je hem gevonden, Shinkie, dat vogeltje?’ Ik merk ineens dat ik weer hardop praat. Laatst hoorde iemand dat. Die dacht meteen dat ik gek was. En nu glipt het er ook zo weer uit. Ik praat wel zacht: de woorden waaien in wolkjes over het water. Het is niet erg dat Shinkie niks terug zegt. Je kunt ook met iemand praten zonder iets te zeggen. Als je stil bent hoor je de ander in je hoofd. Ik vraag of er in de tempels genoeg houtwormen voor de vinken zijn. En ik hoor Shinkie in mijn hoofd zeggen dat de monniken altijd extra rijst rondstrooien. Maar hier is het eten geen probleem: standbeeldvogels hebben nooit honger. Shinkie ook niet.

Ik schrik even als ik naar hem kijk. Bewoog zijn hoofd nu? Stel je voor dat zo’n beeld af en toe tot leven komt. Dwaalt hij ’s nachts door het bos? Op zoek naar die tempel in Tibet? ‘Zou je hier ook wel zo’n tempel willen?’ vraag ik. ‘Een stil schuurtje is ook goed,’ hoor ik hem zeggen. ‘Zoiets als het knutselhokje van je vader.’ Hij vertelt dat zo’n schuurtje goed is om herinneringen rustig te bekijken. Als je oud bent zit je hoofd er vol mee. Dan hoef je ook niks nieuws meer te doen. Het meeste wat je kunt bedenken heb je al gedaan en is al een herinnering. Shinkies stem klingelt als een belletje. Er trekken rimpels over het water. In mijn borst bibberen spiertjes. Mijn vingers grijpen in het gras. ‘Jouw hoofd zit vol nare herinneringen,’ zegt Shinkie. ‘Van Beryl bijvoorbeeld, die een tube lijm leegkneep tussen de boeken in je tas, hè?’ ‘Hoe weet je dat?’ fluister ik. ‘Heb je dat gezien?’ Daar geeft hij geen antwoord op. De paradijsvink fluit een Tibetaans wijsje. ‘Je moet die herinneringen weggooien of repareren. Dan is het verdriet weg, Jille.’ ‘Je kunt herinneringen toch niet uit je hoofd halen?’ ‘Doe ze in een apart hersenzakje, met een touwtje naar je oor. De paradijsvink trekt ze dan ’s nachts weg.’ Ik houd even mijn adem in. Wat hij nu zegt komt niet uit mijn hoofd, denk ik. Ik ken het woord ‘hersenzakje’ niet eens. Shinkie praat echt! ‘De vink begraaft het zakje in het bos,’ zegt Shinkie. ‘Nooit opgraven, hoor! Het is allemaal ellende.’ Ik geef geen antwoord en kijk strak naar zijn gezicht. Zijn hand met het vogeltje beweegt nu. Ik wacht tot hij verder gaat. ‘Soms repareren we herinneringen,’ zegt hij. ‘De paradijsvink pikt ze uit je hoofd en zet er iets moois voor terug.’ Ik hoor Shinkies stem als een echo over het water. Ik moet denken aan Sybold die mijn benen vol blauwe plekken schopte. Aan Minke die riep dat ik nog in bed plaste. Vreselijke herinneringen zijn dat. En herinneringen zorgen dat het nare steeds weer gebeurt. ‘Zet het raam van je slaapkamer op een kier, Jille. Als je het wilt, komen we vannacht langs.’ Ik voel dat het op mijn wang nat wordt. Kan Shinkie me echt helpen? Nare herinneringen opruimen of repareren? Ik kan zijn ogen zo moeilijk zien. Die zitten in de schaduw van dat hoedje. Zal ik door het water naar hem toelopen? ‘Ik kan herinneringen ook laten glimmen,’ zegt Shinkie. ‘Die van Charlotte kunnen we oppoetsen. Je vindt haar toch zo lief ?’ Ik blijf lang in het gras zitten. Het is licht in mijn hoofd geworden. Het trekt bij mijn mond, alsof ik moet glimlachen. Soms lijkt glimlachen een beetje op huilen. Ik zie wat niemand

• 20 •


Daarna is hij stil en wat ik ook zeg, er komt geen antwoord meer. Het vogeltje is verdwenen. Shinkies hand is leeg. Zijn wijsvinger beweegt. Alsof hij me dichterbij wenkt, me roept.

• 21 •

De paradijsvink van Shinkie

kan zien. De paradijsvink vliegt op en gaat op mijn hand zitten. Ik weet het nu zeker: paradijsvinken kunnen nare herinneringen wegnemen en er fijne dromen voor terugzetten. Dat hebben ze in die tempels in Tibet geleerd. ‘Ik zit vol mooie herinneringen,’ zegt Shinkie. ‘Dat kan bij jou ook, Jille. Ik ga morgen met je mee naar school.’ Sybold en Minke moeten uitkijken, denk ik. Morgen loop ik rechtop over het schoolplein. Gewoon over het midden, niet langs de bosjes, recht op Charlotte af. Ik sla een arm om haar heen en lach vrolijk. ‘Je moet geloven dat je het kunt, zegt Shinkie. ‘Dan kun je het.’

Inkijkexemplaar binnenwerk Meisje met de rode paraplu  
Advertisement