Page 1

WAS

Z 01 Wetenschappelijk tijdschrift Albert Schweitzer ziekenhuis Jaargang 10 | Nummer 1 | Juni 2018


www.novonordisk.nl

NL/VT/0218/0069 Novo NordiskÂŽ en Changing DiabetesÂŽ zijn geregistreerde handelsmerken van Novo Nordisk A/S.


WAS

Z VoorWoord

Geachte lezer

Colofon

In een lange winter met ‘volle bedden’ en de inzet van iedereen om goede zorg te leveren is ons wetenschappelijk werk gewoon doorgegaan. Voor u ligt het voorjaarsnummer van 2018 van het Wetenschappelijk tijdschrift van de Albert Schweitzer ziekenhuis (WASz).

WASz is het wetenschappelijk tijdschrift van de Wetenschapscommissie van het Albert Schweitzer ziekenhuis, onderdeel van het Leerhuis. Het blad verschijnt twee keer per jaar.

Wij beginnen met een artikel van Wetenschapscoördinator Joke Bosch, die ons het nieuws van het wetenschapsbureau brengt. Joke schrijft over de grote belangstelling voor het bemachtigen van een stipendium voor onderzoek, over de SOP’s (Standard Operating Procedures - de richtlijnen voor het uitvoeren van klinisch wetenschappelijk onderzoek) en over de AVG (Algemene Verordening Gegevensbescherming), die gaat over de privacy van persoonsgegevens, ook in relatie tot geneesmiddelenonderzoek. Als u zich afvraagt wat de effectiviteit is van gestandaardiseerde laboratoriumaanvragen versus handmatige diagnostiekaanvragen, dan moet u lezen over het onderzoek van Annemarie Schop over anemie in huisartsenpraktijk. Het levert interessante inzichten op. Verder neemt Christian van Bommel ons mee in de wereld van een trialcoördinator in de ziekenhuisapotheek, onderzocht oncologieverpleegkundige Ingrid Steenis-Vonk de kwaliteit van de kennis over ouderen onder verpleegkundigen en schrijft Kelly Niggebrugge-Mentink in de rubriek Diagnostiek in beeld over groene urine. In dit nummer van WASz ook aandacht voor innovatie. We spreken met Ralph Bouman, die met drie andere collega’s in het ASz het IDEASz Innovatieteam heeft opgezet. Eén van hun doelen is, dat het ASz in 2020 bij de meest innovatieve ziekenhuizen van Nederland hoort. In dit artikel leest u over lopende

projecten en hoe iedereen een bijdrage kan leveren aan ‘het ziekenhuis van de toekomst’. Onderzoek is prachtig en uitdagend, maar vaak ook is het een eenzaam bestaan. Net zoals in de afgelopen jaren blijft het ASZ welvarend in stages, studies en samenwerkingen. Dit komt voor een groot deel tot stand met dank aan het doorzettingsvermogen van de onderzoekers en de steun van hun omgeving. In deze editie van WASz is Nathalie Bouwer de hoofdpersoon in Onderzoeker aan het woord. Jeroen Venhovens (neuroloog) en Elske Massolt (internist) komen beiden aan het woord over hun promotietraject. En vanwege het belang van statistiek in veel onderzoek, neemt Sten Willemsen (biostatisticus) ons mee in de wereld van de survival analyses.

Fotografie Frederike Roozen-Slieker Redactionele begeleiding Math de Vaan, Delfgauw Creatie carenza*

Tot slot, in het kader van technologie geven we een paar handige links en websites: www.ideasz.nl voor technologische innova-

Realisatie Multiplus BV, Drachten

ties in het ASz en BrowZine om wetenschappelijke literatuur gemakkelijk bij te houden.

Redactieadres Albert Schweitzer ziekenhuis Afdeling Leerhuis Postbus 444, 3300 AK Dordrecht E-mail: tijdschrift.wasz@asz.nl

Wij willen graag iedereen bedanken die een bijdrage heeft geleverd aan deze gevarieerde WASz-editie. Namens de Wetenschapscommissie wensen wij u veel leesplezier! De hoofdredactie Krista Kuitwaard, Joey Lam, Joyce Olsthoorn, Cedric Lau, Jelena Kamilić en Inge Geelen

Bezoek de WASz-pagina op intranet voor eerdere edities en aanvullende informatie.

V.l.n.r.: Krista Kuitwaard, Joey Lam, Joyce Olsthoorn, Cedric Lau, Jelena Kamilić en Inge Geelen

03

Hoofdredactie Joyce Olsthoorn, clinical research coördinator Jelena Kamilić, ANIOS Interne Geneeskunde Cedric Lau, AIOS Ziekenhuisapotheek Joey Lam, AIOS Radiologie Inge Geelen, AIOS Interne Geneeskunde Krista Kuitwaard, Neuroloog

De redactie behoudt zich het recht voor om brieven en aangeboden artikelen in te korten of niet te plaatsen.


Column

PromotieleVen Wetenschap is boeiend, divers, vernieuwend, maar soms ook vermoeiend, ingewikkeld of weinig zeggend. Voor mij is wetenschap op dit moment vooral heel traag. Al ruim een jaar ben ik met de data-analyse en afronding van een manuscript over hersenbloeding bezig, maar het wil maar niet vlotten. Eerst zes maanden terug de statussen in, toen data-analyse en eerste opzet manuscript. Toen moest de dataanalyse ineens anders en vervolgens zit ik nu alweer vier weken op antwoord van de statisticus te wachten. Enerzijds heeft dit allemaal te maken met mijn status als buitenpromovendus. Ik ben ver weg van het AMC en ik zit niet op een afdeling met andere promovendi of researchmedewerkers. Daarbij is het belang van mijn onderzoek niet zo groot als dat van de Nederlandse collega’s die in 2015 het belang van intra-arteriële trombectomie thrombectomie bij een herseninfarct publiceerden. Anderzijds werkt vertraging en wachten op anderen niet stimulerend. Ik merk dat het me meer moeite kost er steeds weer opnieuw in te duiken en tempo te maken. En het speelt allemaal juist bij dit laatste artikel voor mijn promotieboekje.

”Voor mij is wetenschap op dit moment vooral heel traag” Gelukkig is de weg naar het promotieboekje al in gang gezet. Ik heb toestemming van het AMC om te starten met de afrondende fase. Hoewel ik bij collega’s heb gezien dat het nog erg veel tijd vergt voor alle logistieke zaken en inhoud rond zijn, heb ik er toch best zin in de lay-out zelf te gaan ontwerpen en het af te ronden. De inleiding zal lastig zijn. Mijn artikelen zijn redelijk uiteenlopend. Alles heeft wel te maken met ‘delay in acute stroke care’, maar toch ligt preventief antibiotica geven op de stroke unit ver af van de bewustwording bij patiënten om thuis sneller medische hulp in te schakelen wanneer beroerte-symptomen ontstaan. Voor nu richt ik mij op de afronding van het laatste manuscript, hopelijk voor de zomer, om hierna te pauzeren voor gezinsuitbreiding. Elles Zock

Elles Zock Elles Zock is physician assistant op de afdeling Neurologie van het Albert Schweitzer ziekenhuis en doet promotieonderzoek. In deze column deelt ze het wel en wee van het promoveren met ons.


WAS

Z inhoudSoPgAVe

Inhoudsopgave

28

Column Promotieleven In deze column deelt Elles Zock het wel en wee van het promoveren met ons

04

Nieuws van het wetenschapsbureau

06

Goedgekeurde studies

08 'Geef innovatie de ruimte'

12 Groene verkleuring van de urine bij een

30

intensive-carepatiënt In deze rubriek deelt ziekenhuisapotheker in opleiding Kelly Niggebrugge-Mentink met ons de analyse van een opmerkelijke bevinding: Groene urine. Een uitgebreide uiteenzetting van mogelijke oorzaken volgt.

Hoe effectief is een gestandaardiseerde laboratoriumanalyse in de diagnostiek van anemie? Het werk van een trialcoördinator ziekenhuisapotheek Sinds enkele maanden heeft Christian van Bommel in de apotheek de rol van trialcoördinator op zich genomen. We vroegen Christian wat dit werk inhoudt. Wat moet je allemaal doen voor het opzetten van een klinische studie met medicatie?

16

18

In 250 woorden

33

Zoektocht naar nieuwe biomarkers voor schildklierfunctie Internist Elske Massolt vertelt ons over haar zoektocht naar nieuwe biomarkers voor schildklierfunctie en hoe dit in november 2017 resulteerde in de verdediging van haar proefschrift.

36

Berichten uit de bibliotheek

40

Stages

42

44

Neurovestibulaire dysfunctie en valepisoden bij de ziekte van Parkinson en atypische parkinsonismen

Weten verpleegkundigen genoeg over de oudere patiënt? Oncologie verpleegkunde Ingrid Steenis presenteert de resultaten van het RENursE STZ Verpleegkundig Onderzoek: kwaliteit van zorg - Kennis over ouderen onder verpleegkundigen: is het voldoende?

05

24

"Plezier hebben in je onderzoek vind ik het allerbelangrijkste"

Analyse van overlevingsdata Biostatisticus Sten Willemsen geeft ons een spoedcursus over censureren, Kaplan Meier-curves en log-rank tests in de context van survivalanalyses.

48

Wetenschappelijke publicaties

50


WetenSChAPSbureAu

Nieuws van het wetenschapsbureau Sinds het vorige nummer van WASz is er op het gebied van onderzoek veel gebeurd. In deze nieuwsrubriek praat ik jullie graag bij. Ik begin met de stipendia-aanvragen en het nieuws van (bijna) toegekende promotieplekken. Daarna gaat het over veranderingen rond de organisatie van onderzoek en schrijf ik over nieuwe regels en procedures, die van het grootste belang zijn bij het doen van bijvoorbeeld een geneesmiddelenstudie.

Joke Bosch Joke Bosch is Wetenschapscoördinator in het Albert Schweitzer ziekenhuis.

Recente ontwikkelingen Begin dit jaar hebben we een oproep gedaan voor het indienen van stipendia-aanvragen, hebben we een promotieplaats uit het Wetenschapsfonds mogelijk gemaakt en is er ook een promotieplaats beschikbaar voor het Beter Keten-verband. Inmiddels liggen er op mijn bureau maar liefst 14 gereviseerde aanvragen voor de stipendia (tot 15.000 euro) en zes gereviseerde aanvragen voor een promotieplek uit het Wetenschapsfonds. Ze zijn klaar om besproken en beoordeeld te worden. Daarnaast is de promotieplaats van het Beter Keten-verband definitief toegekend aan onderzoekers uit het ASz. We feliciteren Henk Kerkhoff en Elles Zock (neurologie) hiermee van harte! Zij hebben immers de eer om de promovendus op te leiden in de Beter Ketensamenwerking met het Erasmus MC, het Franciscus Gasthuis Vlietland, het Maasstad Ziekenhuis en de regioziekenhuizen. Helaas zijn er bij subsidierondes ook altijd mensen die geen financiering hebben gekregen. Ik hoop dat die onderzoekers geloven in de waarde van hun onderzoek, dat ze gemotiveerd zijn geraakt door het schrijven van de aanvraag en dit zien als aanzet om door te zetten. Ik vind het in iedere geval fijn om te zien dat er zoveel mensen in het ASz enthousiast met wetenschap bezig zijn. Er komen verder veel organisatorische ontwikkelingen op ons af. Je moet hierbij denken aan de overgang van registraties van studies en proefpersonen in Chipsoft HiX, een overgang van indiening van studies in een studie- en datamanagementsysteem met Castor Sms en Castor Edc en het vastleggen van standaardprocedures in een kwaliteitshandboek. Daarnaast zijn er veranderingen in wetgeving waar we mee te maken krijgen. Per mei 2018 geldt voor de hele Europese Unie de Algemene Verordening Gegegevensbescherming (AVG). Dit heeft betrekking op de privacy van persoonsgegevens. In het ASz zijn Danny Goedhart (security officer) en Leontien de

Waal (functionaris gegevensbescherming) hier actief mee bezig. Ook gaat in najaar of begin 2019 de European Clinical Trial Regulation (ECTR) in. Hieronder zal ik ingaan op deze ECTR en ook zal ik de Standard Operating Procedures (SOPs) toelichten die in STZ-verband zijn ontwikkeld. European Clinical Trial Regulation (ECTR) Eind dit jaar en begin volgend jaar, gaat er in Europa veel veranderen in de toetsing van het WMO-plichtig geneesmiddelenonderzoek. Dit hangt samen met het van kracht worden van de ECTR. Het doel van deze verordening is, dat patiënten eerder kunnen profiteren van de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen. Patiënten krijgen eerder de beschikking over nieuwe geneesmiddelen. De verwachting is, dat met de verordening het klinisch geneesmiddelenonderzoek binnen Europa wordt vereenvoudigd en versneld. In Nederland zal de Dutch Clinical Research Foundation (DCRF) zich, met steun van het ministerie van VWS, inspannen om de overgang goed te laten verlopen. De DCRF werkt hierbij nauw samen met het CCMO. De veranderingen zullen onder meer zijn, dat het METC-toetsingsproces in Europees verband zal plaatsvinden. Zo zal het EMA (European Medicines Agency) een EUwebportaal ontwikkelen voor de indiening van dossiers voor medisch-ethische toetsing. Via dit portaal zullen ook onderzoekgegevens toegankelijk worden gemaakt voor publiek. Hierbij bepalen beslisregels wat, wanneer openbaar wordt. Het CCMO wordt verantwoordelijk voor de landelijk taken, zoals het beheer en toegang tot het EUportaal, de validatie van onderzoeksdossiers, het toewijzen van dossiers aan METC (specialisatie), het ondersteunen in de beoordeling en het afstemmen met andere lidstaten, de coördinatie van veiligheidsrapportage (SUSAR) en de inning van (nationale) tarieven.

06


WAS

Z WetenSChAPSbureAu

In Nederland zullen er 12 METC’s zijn voor het geneesmiddelenonderzoek. Dit zijn de METC’s van de UMC’s (8) en verder de METCstichting BEBO, MEC-U, METYC AVL en METCBrabant. De overige METC’s zullen blijven bestaan, maar ze zullen geen onderzoek met geneesmiddelen meer beoordelen. Bepaalde documenten zullen Europees worden getoetst en andere nationaal. In Europees verband gaat het dan bijvoorbeeld om de toetsing van de verwachte therapeutische en volksgezondheidvoordelen en in Nederland om het Patiënten Informatie Formulier (PIF). Het DCRF is bezig om de procedure zo in te richten dat Nederland een goede concurrentiepositie heeft ten opzichte van de andere Europese landen. De lokale uitvoerbaarheid speelt hierbij een cruciale rol. Zo is het streven uitgesproken, dat twee weken na indiening van het dossier (inclusief protocol) bij het ziekenhuis, er een voorwaardelijk toestemming van Raad van Bestuur ligt. Om een speler en partner te blijven in het geneesmiddelenonderzoek, is het belangrijk dat we lokaal snel kunnen reageren. Eén van de voorgestelde wijzigingen is daarom dat er standaardtarieven liggen van ondersteunende afdelingen voor onderzoeksverrichtingen. Denk hierbij onder meer aan verrichtingen bij Radiologie, Klinische Chemie en de Apotheek. Landelijk en lokaal zijn de STZziekenhuizen bezig hierover afspraken te maken. Voor het ASz zal dit ook betekenen dat interne procedures voor het indienen en toetsen van studies moeten worden aangepast. Voor de ECTR gaat een transitieperiode van vier jaar gelden. Hierbij worden in het eerste jaar alle nieuwe trials in het EU-portal aangemeld. In het vierde jaar zullen alle andere nog lopende trials ook aan de eisen van de verordening moeten voldoen. De tip is daarom: dien nieuwe WMO-plichtige geneesmiddelenstudies in bij een METC die voor de ECTR erkend is (zie hierboven). Meer informatie vind je bij CCMO en DCRF: http://www.ccmo.nl/nl/nieuwsarchief/overzicht-europese-guidancedocumenten-voorklinisch-geneesmiddelenonderzoek https://dcrfonline.nl/nieuws/brochure-overde-ectr-beschikbaar/

07

Kwaliteitshandboek Wetenschap: Standard Operating Procedures In een van de STZ-werkgroepen van de wetenschapscoördinatoren, houdt men zich bezig met het ontwikkelen van de zogenaamde SOP’s voor wetenschappelijk onderzoek. Toen in 2016 de Inspectie van de Gezondheidszorg (IGZ) de ronde deed langs acht STZ-ziekenhuizen, was men erg onder de indruk van dit ‘kwaliteitshandboek met SOP’s’. Ook in het ASz hebben we deze STZSOP’s beschikbaar. Recentelijk zijn deze SOP’s aangepast, dit wil zeggen ze zijn aangevuld met ASz-specifieke informatie. De Raad van Bestuur draagt de eindverantwoordelijkheid voor het onderzoek dat in het ASz wordt verricht. De SOP’s dienen als richtlijnen en hulpmiddel bij de uitvoering van klinisch wetenschappelijk onderzoek. Het kwaliteitshandboek is opgebouwd uit zes verschillende delen: voorbereiding centraal, voorbereiding lokaal, uitvoering, afsluiting, organisatie en extra. Voor elk onderdeel zijn algemene SOP’s beschreven, conform de geldende wet- en regelgeving voor het doen van klinisch wetenschappelijk onderzoek. Omdat de specifieke werkwijze rondom wetenschappelijk onderzoek in de verschillende ziekenhuizen kan verschillen, zijn bepaalde algemene SOP’s, aangevuld met ziekenhuis-specifieke bijlagen. Voorbeelden van een SOP zijn bijvoorbeeld, het ontwikkelen van een onderzoeksprotocol (volgens de CCMO-richtlijnen), de informed consentprocedure, het archiveren van studies. Er is ook Excel-bestand waarin wordt weergeven voor welk onderzoek, welke SOP van toepassing is. Er zijn dus SOP’s voor WMO-plichtig geneesmiddelen, voor medische hulpmiddelen-onderzoek, voor observationeel onderzoek en ook voor niet-WMO-plichtig observationeel of statusonderzoek. Het kwaliteitshandboek is een dynamisch product, wetgeving en procedures zijn immers aan verandering onderhevig. Daarom houdt de STZ-werkgroep deze SOP’s up-todate. De laatste versie is altijd beschikbaar op het extranet van STZ. In het ASz zal het wetenschapsbureau de SOP’s up-to-date houden. Hierbij wordt input uit het werkveld op prijs gesteld. Alles zal niet alleen via onze eigen intranet beschikbaar zijn, maar ook in iProva worden opgenomen.

Het wetenschapsbureau Voor advies en ondersteuning rond het voorbereiden en uitvoeren van onderzoek kun je terecht bij het wetenschapsbureau. We helpen je graag bij het formuleren van de juiste onderzoeksvraag, de onderzoeksopzet en statische vragen. Ook adviseren wij je graag bij het schrijven van een protocol of een subsidieaanvraag. Je kunt bij ons ook terecht voor feedback op een concept-publicatie of een revisie. Op maandag, dinsdag en donderdagochtend is de wetenschapscoördinator (klinisch epidemioloog) aanwezig. Elke dinsdag vind je de statisticus Joost van Rosmalen of Sten Willemsen in het studielandschap op de tweede verdieping-vergaderzalen (statisticus@asz.nl). Agenda • Wetenschapsdag: donderdag 28 juni 2018 met key note-lecture van Hoogleraar Verplegingswetenschappen Professor dr. Monique van Dijk uit het Erasmus MC. • Wetenschapslunch: elke vierde dinsdag in de maand (met uitzondering van de zomermaanden). • Voor scholing, zie intranet: ASz Leerplein Catalogus (met onder andere GCP, Wetenschappelijk schrijven in het Engels, Statistiek, cursus R). • ASz Promovendi Netwerk-bijeenkomst (informatie: wetenschap@asz.nl). Contact Voor vragen, ideeën of opmerkingen over wetenschap graag een mail naar wetenschap@asz.nl. Je kunt ook wetenschapscoördinator Joke Bosch (j.l.bosch@asz.nl) of de voorzitter van de Wetenschapscommissie Jurgen Riedl (j.riedl@resultslaboratorium.nl) benaderen.


goedgeKeurde StudieS

Goedgekeurde studies

juli 2017 t/m december 2017

Mw. dr. D. Zemel, neuroloog

A national retrospective, multicentre database to investigate the routine clinical practice of alemtuzumab (Lemtrada®) treatment of patients with active relapsing-remitting multiple sclerosis in the Netherlands since approval in 2013 (update).

Dr. H. Rier, arts-assistant Interne Geneeskunde

The value of ongoing cardiac monitoring of patients with stable cardiac function during palliative Her2targeted therapy in patients with Her2 positive metastatic breast cancer.

E.R.E. van Thiel, longarts

First line chemotherapy in KRAS mutated non-small cell lung cancer patients: a phase III comparing cisplatin-pemetrexed with carboplatin-pacllitaxel-bevacizumab: NVALT 22.

S. Hendriks, anesthesioloog-intensivist

Improving pharmacotherapy on intensive care units via computerized clinical decision support and performance feedback (SIMPLIFY-study).

J. Kitzen, internist-oncoloog

MonarchE: Protocol I3Y-MC-JPCF A Randomized, Open-Label, Phase 3 Study of Abemaciclib Combined with Standard Adjuvant Endocrine Therapy versus Standard Adjuvant Endocrine Therapy Alone in Patients with High Risk, Node Positive, Early Stage, Hormone Receptor Positive, Human Epidermal Receptor 2 Negative, Breast Cancer.

E.M. von Meyenfeldt, chirurg

Implementation of a symptom based algorithm for calcium management after total thyroidectomy (IMPACT-trial).

F. Kauer, interventie-cardioloog

MAnagement of high bleeding risk patients post bioresorbable polymer coated STEnt implantation with an abbReviated versus prolonged DAPT regimen – MASTER DAPT.

F. Kauer, interventie-cardioloog

Worldwide registry to assess the STENTYS XPOSITION S for revascularization of coronary arteries In routine cliNical practice.

Dr. M-D. Levin, internist-hematoloog

A phase 2 study of nivolumab combined with daratumumab with or without lenalidomide-dexamethasone in relapsed/refractory multiple myeloma (NIVO-DARA).

Dr. M-D. Levin, internist-hematoloog

Efficacy and tolerability of ixazomib, daratumumab and low dose dexamethasone (IDd) followed by ixazomib and daratumumab maintenance therapy until progression for a maximum of 2 years in unfit and frail newly diagnosed multiple myeloma patients; an open-label phase II trial (HOVON 143).

Dr. Korte, nefroloog

Dutch nocturnal and home dialysis study to improve clinical outcomes (Domestico).

Mw. dr. A. Thijssen, MDL-arts

Evaluation of PET and Laparoscopy in STagIng advanced gastric Cancer: a multicenter prospective study (PLASTIC-studie).

J.J.E.M. Kitzen, internist-oncoloog

COMPLEEMENT-1: An open-label, multicenter, Phase IIlb study to assess the safety and efficacy of ribociclib (LEE011) in combination with letrozole for the treatment of men and pre/postmenopausal women with hormone receptor-positive (HR+) HER2-negative (HER2-) advanced breast cancer (a BC) with no prior hormonal therapy for advanced disease.

R. van Leendert, internist

An observational study to investigate the treatment satisfaction offered by using the accu check insight CGM system (OASIS).

Dr. M-D. Levin, internist-hematoloog

A prospective, multicenter, phase-II trial of ibrutinib plus venetoclax in physically fit patients with creatinine clearance ≥ 30 ml/min who have relapsed or refractory chronic lymphocytic leukemia (RR-CLL) with or without TP53 aberrations, HOVON 141 CLL / VIsion Trial of the HOVON and Nordic CLL study groups. (Hovon141)

Dr. R. Smeenk, chirurg

The use of laser in the treatment of perianal fistulas (ArFiLaS)

Mw. G.M. Marres, chirurg

Mediastinal staging of non small cell lung cancer by endobronchial and endoscopic ultrasonography with or without additional surgical mediastinoscopy: MEDIASTriaI.

Mw. K. Kuitwaard, neuroloog

Intravenous immunoglobulin overtreatment in chronic inflammatory demyelinating polyneuropathy (IOC trial).

Dr. P. Westenend, patholoog PAL, mw. dr. M. Menke-Pluijmers, chirurg

Management of low grade ductal carcinoma in situ (low-grade DCIS): a randomized, multicenter, non-inferiority trial, between standard therapy approach versus active surveillance (LORD).

J. van den Bosch, internist-oncoloog

A randomized, double–blind, placebo–controlled Phase III study of ODM–201 versus placebo in addition to standard androgen deprivation therapy and docetaxel in patients with metastatic hormone–sensitive prostate cancer (Arasens).

E.R.E. van Thiel, longarts

A randomized phase III study of monotherapy docetaxel or intercalated eriotinib docetaxel combination therapy in patients with EGFR wild type, ALK negative non squamous cell carcinoma. study)' (NVALT18).

08


WAS

Z goedgeKeurde StudieS

D.P.A. Vegt, traumachirurg

Epidemiology of injuries, treatment (costs), and outcome in burn patients admitted to a hospital with or without dedicated Burn Center (Burn-Pro); a multicenter prospective observational study (BURN-Pro).

Dr. E.J.Th. Belt, chirurg

Prospective Data Collection Initiative on Colorectal Cancer- a prospective observational cohort study – (PLCRC) (PICNIC).

P. Westerweel, internist-haematoloog

Real world use of idarucizumab for dabigatran reversal.

R. van Leendert, internist

An open label, active comparator extension trial to assess the effect of long term dosing of inclisiran and evolocumab given as subcutaneous injections in subjects with high cardiovascular risk and elevated LDL C (ORION3).

M. van den Dorpel, mw N. Hagendijk, mw J. van Herk, en mw K. Winters, 4e jaars HBO-V studenten

Minor: “Take “The Lead” Ondertitel: overbodige voorraad medicatie bij patiënten thuis na ontslag.

Mw. dr. M. Trajkovic, internist-oncoloog

A multi-centre randomised clinical trial of biomarker-driven maintenance treatment for first-line metastatic colorectal cancer (MODUL).

Mw. dr. A.Y. Thijssen, MDL-arts

The PACAP-POCOP project PAncreatic CAncer Project - Prospective Observational Cohort study of Oesophageal-gastric cancer Patients - A prospective observational cohort study –

Dr. F.H.J. Wolfhagen, MDL-arts

STARDUST (CNTO1275CRD3005): Study of Treat to Target Versus Routine Care Maintenance Strategies in Crohn’s Disease Patients Treated with Ustekinumab.

M.Y van der Vlist, AIOS gynaecologie

Frailty and functional disability in older women with pelvic floor disorders.

R. Schol, kinderarts

Nadelige effecten van complementaire en alternatieve geneeswijzen bij kinderen.

Dr. P.A. Vegt, traumachirurg

Epidemiology, treatment (costs) and long-term outcomes of patients with fireworks-related injuries (ROCKET); a multicenter prospective observational case series.

Dr. M-D. Levin, internist-haematoloog

A Phase 3 Randomized, Multicenter Study of Subcutaneous Daratumumab Versus Active Monitoring in Subjects with High-risk Smoldering Multiple Myeloma (Aquila).

Dr. F.H.J. Wolfhagen, MDL-arts

Lengthening Adalimumab Dosing Interval in quiescent Crohn’s disease patients: the LADI study.

B. van Gelder, P.S. van Dam, R.C. van der Tas, HBO-V 4e jaars studenten

Pijnbeleving na laparoscopische colonresectie

Mw. F. Kloosterman, M. van Lingen, S. Belder, HBO-V 2e jaars studenten

Toepassing van Advanced Care Planning (ACP) bij terminale longkankerpatiënten.

Mw. J.Koppelaar, Mw. M.van der Ham, Mw. L. Marck, Mw. M. Smits, Suzan Vis, 3e jaars HBO-V-studenten

Onderzoek naar de beleving van patiënten t.a.v. MijnAsz met daarbij de beïnvloedende factoren die een toename van het gebruik kunnen stimuleren.

Dr. E. von Meyenfeldt, chirurg

External validation of a risk stratification predicting hypothyroidism after hemithyroidectomy (INFORM-2trial)

Dr. F.H. Jansen, uroloog

Prostate Cancer Biobank ProBio (ProBio study)

Dr. P.E. Westerweel, internist haematoloog

Prevalentie van ziekenhuisgeassocieerde veneuze trombo-embolieën (Ziekenhuis-geassocieerde VTE).

P. de Jong, Physician Assistant Chirurgie

A randomized controlled trial comparing drug-eluting balloons and drug-eluting stents in the treatment of femoropopliteal arterial occlusive disease (FOREST trial).

M.C. Kortekaas, anesthesioloog

Peri-interventional Outcome Study in the Elderly (POSE): European, multi-centre, prospective observational cohort study.

Dr. P.E. Westerweel, internisthaematoloog

COSIMO Cancer associated thrombosis – patient reported outcomes with rivaroxaban. A non-interventional study on patients changing to Xarelto® for treatment of venous thromboembolism (VTE) and prevention of recurrent VTE in patients with active cancer.

Mw. dr. M.B.E. Menke-Pluymers, chirurg

De TESTBREAST studie: Vroege opsporing van borstkanker bij vrouwen met een familiair of genetisch verhoogd risico op het ontwikkelen van borstkanker met behulp van biomarkers in het serum.

09


Genieten in stijl heeft een naam ...

ler

a de

e-

n rli

ta

S ĂŤle

i fic f O

In het perfecte ontwerp komt alles samen: design, detaillering, verlichting en techniek. En Waterstijl is de perfecte partner om het voor u te realiseren. Door intensieve training beschikken we altijd over kennis van de nieuwste technologieĂŤn en trends. Bij ons bent u dan ook zeker van een deskundig advies, vlekkeloze installatie en complete nazorg. Dus wilt u eindeloos genieten van wellness aan huis? Begin dan bij de bron. Uw stijl weerspiegelt in water. Waterstijl.

Aventurijn 196

3316 LB

Dordrecht

(078) 673 73 73

waterstijl.nl


Specialist in centraal neurologische aandoeningen en complexe revalidatie Voor revalideren, herstel of (1e lijns) therapie na een beroerte (CVA), MS of Parkinson staan onze gespecialiseerde behandelteams op twee locaties voor u klaar. Zorg na coma Op onze afdeling Langdurige Neurorevalidatie bieden we intensieve klinische revalidatiezorg voor medisch stabiele cliĂŤnten die in laag bewuste toestand verkeren.

Voor informatie belt u De Zorgwinkel 078 - 652 88 00 Bereikbaar op werkdagen van 8.00 - 20.30 uur of mail naar zorgwinkel@revalidatiezorgdordrecht.nl

RevalidatieZorgDordrecht.nl


WetenSChAP

Hoe effectief is een gestandaardiseerde laboratoriumanalyse in de diagnostiek van anemie? Anemie is een veel voorkomend probleem in de huisartsenpraktijk. Het vaststellen van de onderliggende oorzaak met laboratoriumdiagnostiek, is vaak een uitdaging. Door middel van een enquête is onderzocht of een gestandaardiseerd laboratoriumprotocol huisartsen helpt om de onderliggende oorzaak van anemie beter te diagnosticeren, dan via de weg van het zelf aanvragen van laboratoriumdiagnostiek. Het onderzoek laat zien dat er vaker een juiste onderliggende oorzaak wordt vastgesteld met een gestandaardiseerd laboratoriumprotocol, vergeleken met de weg van de eigen laboratoriumaanvragen van huisartsen. Anemie is vaak een symptoom van een onderliggende aandoening. De meest voorkomende vormen van anemie zijn ijzergebreksanemie, anemie der chronische ziekte en renale anemie1, 2. Het opsporen van

Annemarie Schop Annemarie Schop werkt sinds november 2013 bij de afdeling Interne Geneeskunde van het Albert Schweitzer ziekenhuis. Zij heeft de opleiding biomedische wetenschappen en geneeskunde gevolgd. Annemarie doet er onderzoek naar anemie in de huisartsenpraktijk onder supervisie van Mark-David Levin.

de onderliggende oorzaken wordt gedaan door middel van laboratoriumanalyse. Dit vergt enige kennis en blijft vaak een uitdaging. Bij een groot gedeelte van de patiënten kan geen onderliggende oorzaak van de anemie worden vastgesteld. In ons onderzoek hebben we gekeken of een gestandaardiseerd laboratoriumprotocol, waarbij standaard 14 waarden worden bepaald, efficiënter is bij het vaststellen van de onderliggende oorzaak, dan wanneer huisartsen op eigen initiatief laboratoriumdiagnostiek aanvragen. Methode van onderzoek De effectiviteit van een routine en gestandaardiseerd laboratoriumprotocol, hebben we onderzocht via een online enquête. Voor een

12


WAS

Z WetenSChAP

betrouwbare interpretatie van de resultaten werd het aantal benodigde respondenten geschat op 100. Gebaseerd op de lengte van de enquête en de beoogde doelgroep werd een respons rate van 10-15% geschat3. Aan de hand van deze informatie en de deelnemende zorggroep voor verspreiding van de enquête, werd de enquête verzonden naar 836 huisartsen in Nederland. Elke deelnemende huisarts kreeg zes casussen voorgelegd. De gegevens over deze casussen werden gehaald uit de grote database van het PAGAS-cohort (Project of Anemia analysis from the General practitioner to the Albert Schweitzer hospital) bestaande uit nieuw gediagnosticeerde anemie patiënten van 50 jaar of ouder in de huisartsenpraktijk4. De gegevens bestonden uit leeftijd, geslacht en een gestandaardiseerd laboratoriumanalyse bestaande uit: hemoglobine, MCV, CRP en/of BSE, vitamine B12, kreatinine, ferritine, foliumzuur, LDH, transferrine, reticulocyten, leukocyten, trombocyten en serumijzer. Huisartsen werden gevraagd om bij elke casus de onderliggende oorzaak van de anemie te diagnosticeren. In de eerste drie casussen kreeg de huisarts leeftijd en geslacht van de patiënt en mochten zij vervolgens zelf laboratoriumdiagnostiek aanvragen. Hierbij konden zij kiezen uit de 14 parameters van het gestandaardiseerde protocol en mocht er tweemaal een aanvraag worden ingediend. We noemen dit in het artikel ‘routine work-up’. Voor de laatste drie casussen werd naast leeftijd en geslacht, direct de resultaten van de gestandaardiseerde laboratoriumanalyse weergegeven. Hierbij was er geen mogelijkheid tot verdere diagnostiekaanvraag door de huisartsen. In het artikel noemen we dit ‘gestandaardiseerde work-up’. Tot slot werd er in de enquête gevraagd naar persoonlijke eigenschappen van de huisarts (leeftijd, geslacht, aantal jaren werkzaam als huisarts, het gebruik van standaarden/ protocollen en of er affiniteit bestaat met het onderwerp anemie). De diagnoses van de huisartsen werden vergeleken met de diagnoses volgens een expertpanel (bestaande uit een huisarts, internist en klinisch chemicus met allen als extra aandachtsgebied anemie). Hierbij

Tabel 1. Definities van onderliggende oorzaken van anemie gehanteerd door het expertpanel

Onderliggende oorzaak Definitie Anemie

IJzergebrek anemie Anemie der chronische ziekte

Renale anemie Overige inclusief onbekend

Hemoglobine <8,5 mmol/l (mannen) en <7,5 mmol/l (vrouwen) Ferritine <25 µg/l (mannen) en <20 µg/l (vrouwen) Ferritine >100 µg/l, transferrine <2,0 g/l en/of serum ijzer <14 µmol/l (mannen), <10 µmol/l (vrouwen) MDRD ≤45 ml/min/1,73m2 -

werd gebruik gemaakt van de definities van de onderliggende oorzaken zoals weergegeven in Tabel 1. De effectiviteit werd gedefinieerd als het percentage correct gediagnosticeerd door huisartsen, vergeleken met het expertpanel. De resultaten In totaal werd de enquête compleet ingevuld door 125 huisartsen (15%) en gedeeltelijk door 14 huisartsen (1,7%). Dit resulteerde in 404 casussen voor de routine work-up en 378 casussen voor de gestandaardiseerde work-up. Geslacht en leeftijd van de deelnemende huisartsen was vergelijkbaar met de gehele huisartsenpopulatie in Nederland5. Wanneer huisartsen gebruik maken van de routine work-up, waren zij in staat om 214 van de 404 casussen correct te diagnosticeren (53,0%). Bij het gebruik van de gestandaardiseerde work-up steeg het aantal correcte diagnoses naar 61,9% (234 van de 378 casussen). Een uitge-

Tabel 2. Onderliggende oorzaken van anemie volgens huisartsen en het expert panel en een routine of uitgebreide work-up

13


WetenSChAP

breide versie van de diagnose gesteld door huisartsen versus het expert panel is weergegeven in Tabel 2. De effectiviteit is significant beter wanneer er gebruik wordt gemaakt van een gestandaardiseerde work-up, vergeleken met een routine work-up (OR = 1,56 (95%-BI: 1,12 - 2,17). Verder zijn patiënten ouder dan 64 jaar moeilijker correct te diagnosticeren vergeleken met de overige leeftijdsgroepen. Tot slot is de onderliggende oorzaak van de anemie zelf ook van invloed, waarbij anemie der chronische ziekte het lastigst is om correct te diagnosticeren (OR = 0,37 (95%-BI: 0,19 - 0,73). De persoonlijke eigenschappen van de huisartsen hadden geen significante invloed op het correct diagnosticeren van de onderliggende oorzaak van anemie. Conclusie Een gestandaardiseerde work-up bij patiënten met een nieuw gediagnosticeerde anemie is effectiever bij het vinden van de onderliggende oorzaak, vergeleken met een routine work-up door huisartsen. Het originele artikel is gepubliceerd in Annales of Clinical Biochemistry: Schop A, Kip MMA, Stouten K et al, The effectiveness of a routine versus an extensive laboratory analysis in the diagnosis of anaemia in general practice, Ann Clin Biochem., 2018

Referenties 1. Patel KV. Epidemiology of anemia in elderly adults. Semin Hematol 2008;45(4): 210–217. 2. Eisele L, Durig J, Broecker-Preuss M, et al. Prevalence and incidence of anemia in the German Heinz Nixdorf Recall study. Ann Hematol 2013;92(6):731-737. 3. Survey monkey, Steekproefgrootte enquête. Dordrecht, 2017. https://nl.surveymonkey.com/mp/sample-size/ 4. Stichting Oras, Project of Anemia analysis from the General practitioner to the Albert Schweitzer hospital. Dordrecht; 2017. https://www.asz.nl/professionals/ Projecten/pagas/ 5. Hassel DTP van, Kasteleijn A, Kenens RJ. Cijfers uit de registratie van huisartsen. Peiling 2014 [Internet]. Utrecht; 2015 [cited 2017 April]. Available from: http://www.nivel.nl/sites/default/files/be standen/Cijfers-uit-de-registratie-vanhuisartsen-peiling-jan-2014.pdf

14


Orale behandeling mCRC

Meer mooie 1 momenten

Opg eno Positi me ef a n in dvi de es C rich ie B tlijn OM 2 -up dat eC

RC 3

Lonsurf®is geïndiceerd voor de behandeling van volwassen patiënten met gemetastaseerd colorectaal carcinoom (mCRC) die eerder zijn behandeld met of niet in aanmerking komen voor bestaande therapieën, waaronder chemotherapie op basis van fluoropyrimidine, oxaliplatine en irinotecan, behandeling met anti-VEGFmiddelen en behandeling met anti-EGFR-middelen4.

18 LON RV 1 05

Lonsurf® is door Taiho in licentie gegeven aan Servier, wordt wereldwijd gezamenlijk ontwikkeld en in hun respectievelijke gebieden op de markt gebracht.

oncologie-nl@servier.com www.servier.nl

1) Mayer RJ et al. N Engl J Med. 2015; 372(20):1909-19 2) Advies CieBOM TAS102. Medische oncologie 2016;8:55-57 3) www.nvmo.org/category/richtlijn/ 4) SmPC Lonsurf®


toPKliniSCh ZieKenhuiS

Het werk van een trialcoördinator ziekenhuisapotheek Christian van Bommel werkt als projectapotheker in de ziekenhuisapotheek van het Albert Schweitzer ziekenhuis. Sinds enkele maanden heeft hij in de apotheek de rol van trialcoördinator op zich genomen. We vroegen Christian wat dit werk inhoudt. Wat moet je allemaal doen voor het opzetten van een klinische studie met medicatie?

Wat doe je eigenlijk als trialcoördinator? “Ik zorg ervoor dat de dagelijkse werkzaamheden door de trialapothekersassistenten uitgevoerd kunnen worden. Bij de start van een nieuwe klinische trial is het belangrijk om het proces zo in te richten dat alle betrokkenen in de ziekenhuisapotheek snel op de hoogte zijn van hoe het proces moet verlopen. Daarnaast heb ik het contact met de afdelingen en externe partijen, zoals klinische trialbureaus en farmaceutische bedrijven.”

Christian van Bommel

Hoe gaat dat bij de start van een nieuwe trial? “De ziekenhuisapotheek is zelden initiator van een studie, dat is vrijwel altijd de specialist op de afdeling. Hoewel de ziekenhuisapotheek altijd op de tweede plaats komt, hebben we er altijd wel veel werk aan! Zo gaat er veel tijd zitten in het leggen van contacten met de betrokken partijen en het bemachtigen van essentiële inhoudelijke gegevens van de studie. Deze gegevens worden gebruikt om een contract af te sluiten met de sponsor. De ziekenhuisapotheek moet alle studies onderhouden. Dat is veel werk. Daarom wordt er een

16


WAS

Z toPKliniSCh ZieKenhuiS

vergoeding gevraagd op basis van de tarieven die door de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers (NVZA) zijn opgesteld.” Met welke controles en documentatie heb je te maken? “Aangezien in klinische studies het verschil in behandeling wordt onderzocht, is het belangrijk dat alle overige factoren zoveel mogelijk hetzelfde zijn. Bij studiemedicatie houdt dit bijvoorbeeld in dat een sponsor, vanaf het moment van transport, informatie wil hebben over de opslagcondities van de medicatie. De ziekenhuisapotheek moet deze informatie verzamelen en aanleveren. Bij veel placebo-gecontroleerde studies is de arts en soms ook de ziekenhuisapotheek geblindeerd. Dan is het belangrijk dat de juiste medicatie of placebo wordt uitgeleverd. Daarom werken wij met dubbele controles. Een fout komt gelukkig daardoor vrijwel niet voor.” En als er geen studiemedicatie wordt gebruikt? “Ook als reguliere medicatie in studieverband wordt gebruikt, moet de kwaliteit natuurlijk worden gewaarborgd. Daarnaast worden er per studie specifieke protocollen opgesteld, waarin ook de reguliere medicatie wordt meegenomen.” Wanneer moet je extra alert zijn in je werk? “Voor veel studies proberen wij dezelfde methode te hanteren. Dit is essentieel om de continuïteit van de opeenvolgende studies te kunnen waarborgen. Nu is het hanteren van dezelfde methode helaas niet bij iedere studie mogelijk. Het is dan belangrijk om extra zorgvuldig op de uitvoerbaarheid te letten en alles in goed overleg met de sponsor te regelen. Vaak moeten er dan ook compromissen gesloten worden. Daarnaast zorg ik ervoor, dat er nauwkeurig wordt gewerkt en dat de studie vanuit de ziekenhuisapotheek zo goed mogelijk wordt uitgevoerd.”

17

Wat is je belangrijkste leerpunt als trialcoördinator? “Wat ik vooral heb geleerd, is dat je een rechte rug moet hebben als je over klinische trials in gesprek gaat met verschillende partijen. Vaak spelen er allerlei belangen en dan is het belangrijk dat je jouw zaken goed volgens de wettelijke eisen en richtlijnen regelt.” Wat vind je het leukst aan je werk? “De diversiteit! Als trialcoördinator heb ik contact met veel verschillende contactpersonen binnen en buiten het ziekenhuis. Verder kom ik in aanraking met allerlei aspecten van de ziekenhuisfarmacie, zoals voorraadbeheer, waarborging van opslagcondities en goede ontvangsten. Ook ben ik betrokken bij het opstellen van medicatieprotocollen voor infuusbereidingen, bij het opstarten en afsluiten van de studies en bij de financiële kant!” Moet het thema ‘medicatie in trials’ meer aandacht krijgen? “Jazeker. De ziekenhuisapotheek gaat zorgvuldig om met medicatie in het kader van Good Clinical Practice (GCP), Good Manufacturing Practice (GMP) en de Geneesmiddelenwet. Inzicht in hoe we dit precies doen, zal zorgen voor een betere afstemming met en tussen de afdelingen in het ASz. Ik ben ervan overtuigd dat dit de samenwerking ten goede komt. Er valt genoeg van elkaar te leren!” Aan het eind van het interview vraagt Christian nog bijzondere aandacht voor het werk van de apothekersassistenten. Zij zorgen ervoor dat de ziekenhuisapotheek succesvol in veel trials kan meedraaien, stelt hij. Bovendien moeten we bedenken, dat het uitvoeren van werkzaamheden van de trialassistenten een extra (vrijwillige!) taak is, die bovenop de dagelijkse bezigheden komt.


Neurovestibulaire dysfunctie en valepisoden bij de ziekte van Parkinson en atypische parkinsonismen Mensen met de ziekte van Parkinson en atypische parkinsonismen, hebben te maken met een verhoogd valrisico en posturale instabiliteit. Dit is een groot probleem, onder meer vanwege een verhoogd risico op botbreuken en heupfracturen. Om meer duidelijkheid te krijgen over het voorkomen van neurovestibulaire dysfunctie bij Parkinson(ismen) en om na te gaan of er een verband is tussen neurovestibulaire uitval en een toegenomen valrisico, deed Jeroen Venhovens een promotiestudie. Hij geeft er in dit artikel een korte samenvatting van.

Jeroen Venhovens Jeroen Venhovens is neuroloog in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Op 20 maart 2018 is hij gepromoveerd aan de Radboud Universiteit te Nijmegen op zijn proefschrift getiteld Neurovestibular analysis and falls in Parkinsonâ&#x20AC;&#x2122;s disease and atypical parkinsonism. Dit artikel is gebaseerd op zijn proefschrift. Het promotieonderzoek was in 2012 gestart. Promotor was professor Bas Bloem (neuroloog aan het Radboud UMC Nijmegen). Copromotoren waren dr. Wim Verhagen (neuroloog Canisius-Wilhelmina ziekenhuis Nijmegen) en dr. Jan Meulstee (klinisch neurofysioloog, Canisius-Wilhelmina ziekenhuis Nijmegen).

Inleiding Ongeveer 70% van de personen met de ziekte van Parkinson valt minimaal eens per jaar en 50% valt regelmatig1â&#x20AC;&#x201C;5. Door het toegenomen valrisico hebben personen met de ziekte van Parkinson een tweevoudig verhoogd risico op botbreuken en een viervoudig verhoogd risico op heupfracturen in vergelijking met een gezonde populatie van oudere personen met een identieke leeftijd. Daarnaast hebben personen met de ziekte van Parkinson meer complicaties gedurende de opname na de fractuur (bijvoorbeeld hospital-acquired pneumonie, delier, verlengde ziekenhuisopname, urineweginfecties en decubitus) en een verhoogd risico om daardoor te overlijden6. Daarnaast veroorzaken valepisoden angst voor nieuwe valepisoden,

18


WAS

Z PromotieS in ASZ

waardoor patiënten zichzelf beperkingen opleggen in het dagelijks functioneren (angst om bijvoorbeeld nog alleen buitenshuis te lopen) met als mogelijk gevolg sociaal isolement1,3. In de literatuur zijn uitgebreide overzichten te vinden van risicofactoren met betrekking tot valepisoden en van de behandeling hiervan. Het is echter opvallend dat in deze lijst van 31 geïdentificeerde risicofactoren geen vermelding wordt gedaan van neurovestibulaire dysfunctie als oorzaak7. Dit is opmerkelijk aangezien het neurovestibulaire systeem (dus zowel het perifere labyrinthaire orgaan ter hoogte van het middenoor, de nervus vestibulocochlearis en de bijbehorende centrale zenuwbanen in de hersenen) één van de belangrijk-

ste systemen is om de balans te behouden door integratie van multipele sensore informatie (vestibulaire, proprioceptieve en visuele sensore informatie). Aan de hand van de verwerking en integratie van al deze informatie wordt ter hoogte van de vestibulaire kernen in de hersenstam de uitgaande motore respons bijgestuurd door middel van de vestibulospinale reflexen. Zo wordt voorkomen dat een persoon valt wanneer hij of zij dreigt de balans te verliezen8. Het doel van de hier beschreven studie is meer duidelijkheid te krijgen over het voorkomen van neurovestibulaire dysfunctie bij Parkinson(ismen) en na te gaan of er een verband is tussen neurovestibulaire uitval en een toegenomen valrisico.

Tabel 1 Groepskarakteristieken en vergelijkingen met betrekking tot de verschillende klinische variabelen bij personen met de ziekte van Parkinson, atypische parkinsonismen en gezonde controles. * De p-waarde werd berekend aan de hand van een ordinale regressive analyse (bij de categorische variabelen) en de Kruskal-Wallis one-way analysis of variance by ranks (voor de continue verdeelde non-parametrische variabelen). Een significantieniveau van 5% werd aangehouden voor de analyse en de statistisch significante p-waarden werden vetgedrukt aangegeven.

Aantal deelnemers Geslacht (man/vrouw) Gemiddelde leeftijd (jaren, SD) Gemiddelde ziekte duur (jaren, SD) Orthostatische hypotensie (N, percentage) Freezing of gait (N, percentage) Posturale instabiliteit: - Compleet (N, percentage) - Partieel (N, percentage) - Geen (N, percentage) Vestibulair lichamelijk onderzoek (normaal: N, percentage) ABC-16 valangst (gemiddelde, SD) UPDRS score (gemiddelde, SD): - Subscore I - Subscore II - Subscore III - Subscore IV - Subscore V - Subscore VI Berg Balance score (gemiddelde, SD) Dizziness Handicap Inventory (gemiddelde, SD) Vallende patiënten (N, percentage) Gemiddelde aantal valepisoden/jaar: - Alle patiënten in totaal (gemiddelde, SD) - Enkel vallende patiënten (gemiddelde, SD) Verwondingen na vallen (N, percentage): - Geen verwondingen - Kleine (bijv. schaafplekken) - Matige (bijv. fracturen waarvoor gips) - Ernstige (bijv. fracturen waarvoor operatie) Behandeling (N, percentage): - Geen noodzakelijk - Eigen behandeling (bijv. verband) - Huisarts / poliklinische behandeling - Ziekenhuisopname (geen operatie) - Ziekenhuisopname voor operatie

19

Ziekte van Parkinson

Atypische parkinsonismen

Gezonde controles

P-waarde*

30 M: 26 / V: 4 70 (7) 5,0 (4,5) 6 (20) 6 (20)

14 M: 9 / V: 5 68 (8) 3,8 (2,3) 7 (50) 2 (14)

25 M: 15 / V: 10 67 (10) 0 (0) 0 (0)

0,054 0,056 0,609 0,373 <0,001 0,018

8 (27) 13 (43) 9 (30) 29 (97)

8 (57) 4 (29) 2 (14) 12 (86)

1 (4) 1 (4) 23 (92) 24 (96)

<0,001

72,9 (15,4)

63,1 (18,7)

82,3 (18,2)

0,006

1,4 (1,2) 11,4 (6,0) 15,8 (6,3) 1,8 (2,2) 2,3 (0,7) 84,7 (12,0) 52,2 (5,9) 3,5 (8,3) 11 (37)

2,5 (2,9) 12,8 (8,4) 16,0 (7,7) 1,9 (2,0) 2,9 (0,8) 78,9 (12,7) 45,6 (9,2) 13,1 (21,2) 10 (71)

0,4 (1,2) 0,1 (0,3) 0,1 (0,4) 0 (0) 0 (0) 99,2 (2,8) 55,4 (1,6) 7,4 (16,6) 3 (12)

<0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 <0,001 0,239 0,001

6,4 (15,8) 16,0 (22,1)

10,2 (18,1) 14,3 (20,3)

0,3 (0,9) 2,7 (1,2)

0,001

1 (9) 9 (82) 1 (9) 0 (0)

1 (10) 8 (80) 0 (0) 1 (10)

0 (0) 2 (67) 1 (33) 0 (0)

0,714

2 (18) 6 (55) 2 (18) 1 (9) 0 (0)

1 (10) 7 (70) 1 (10) 0 (0) 1 (10)

0 (0) 2 (67) 1 (33) 0 (0) 0 (0)

0,714

0,387


PromotieS in ASZ

Onderzoeksopzet De studie is opgezet als een case-control studie waarin personen met de ziekte van Parkinson en atypische parkinsonismen gematcht werden voor leeftijd en geslacht met een gezonde oudere populatie. In de studie werden 25 gezonde ouderen geïncludeerd, 30 personen met de ziekte van Parkinson en 14 personen met atypische parkinsonismen (zes met multipele systeematrofie, drie met progressieve supranucleaire verlamming en vijf met vasculair parkinsonisme). Alle deelnemers kregen bij aanvang een uitgebreid neurologisch en neuro-otologisch lichamelijk onderzoek, orthostatische hypotensie metingen, balansonderzoek (middels de Berg-Balance scale) en onderzoek naar posturale instabiliteit (middels de pull-test en functional reach test). Verder moesten ze vragenlijsten invullen over vallen en valangst. Daarna volgden neurovestibulaire laboratoriumtesten (onder andere de vestibulair geëvoceerde myogene potentialen metingen, videonystagmografie met calorisatie en draaistoelonderzoek, en de subjectieve visuele verticaliteit bepaling). De groepsuitslagen van de baselinemetingen staan weergegeven in Tabel 1 en de uitslagen van de neurovestibulaire laboratoriumuitslagen in Tabel 28. Resultaten Afwijkende neurovestibulaire functietesten worden opvallend vaak bij zowel personen met de ziekte van Parkinson, als bij patiënten met

atypische parkinsonismen gezien (90% van de personen met de ziekte van Parkinson en 100% bij atypische parkinsonismen). Ongeveer 66% van de patiënten met een milde vorm van de ziekte van Parkinson heeft afwijkende functietesten. Deze testen zijn bij patiënten met een matige tot ernstige vorm van de ziekte in 96% respectievelijk 100% van de gevallen afwijkend. Afwijkende neurovestibulaire functietesten worden vaak aangetroffen bij personen met een mild stadium van de ziekte van Parkinson. De afwijkingen zijn toenemend aanwezig in meer gevorderde stadia van de ziekte. De abnormale neurovestibulaire functietesten hadden voornamelijk een centraal neurologisch vestibulair dysfunctie-profiel in 78-93% van de personen met respectievelijk de ziekte van Parkinson en atypische parkinsonismen. Ook hadden 57-79% van de personen met respectievelijk atypische parkinsonismen en de ziekte van Parkinson anamnestisch geen klachten van duizeligheid of vertigo. Men kan zich echter afvragen of de gevonden neurovestibulaire functieafwijkingen bij deze groep inderdaad asymptomatisch zijn. Ongeveer 10-18% van de personen met atypische parkinsonismen en de ziekte van Parkinson hebben neurovestibulaire functieafwijkingen bij neurofysiologische testen als de enige identificeerbare oorzaak voor vallen (na exclusie van orthostatische hypotensie, posturale instabiliteit, freezing of gait en matige tot ernstige cognitieve problemen). Daarnaast zijn vestibulaire afwijkingen bij neurofysiologische testen sterk gecorreleerd met een verhoogd risico voor vallen wanneer

Tabel 2 Groepskarakteristieken en vergelijkingen met betrekking tot de verschillende neurovestibulaire testen bij personen met de ziekte van Parkinson, atypische parkinsonismen en gezonde controles. * De p-waarde werd berekend aan de hand van een ordinale regressive analyse (bij de categorische variabelen) en de Kruskal-Wallis one-way analysis of variance by ranks (voor de continue verdeelde non-parametrische variabelen). Een significantieniveau van 5% werd aangehouden voor de analyse en de statistisch significante p-waarden werden vetgedrukt aangegeven. ** BAEP: Brainstem auditory Evoked Potentials. *** cVEMP: cervicale Vestibular Evoked Myogenic Potentials, oVEMP: oculaire Vestibular Evoked Myogenic Potentials. α SVV: Subjective Visual Vertical. φ VNG: videonystagmographie.

Aantal deelnemers BAEP abnormale resultaten (percentage) ** cVEMP abnormale resultaten (percentage) *** oVEMP abnormale resultaten (percentage) *** SVV abnormale resultaten (percentage) α VNG + Calorisatie abnormaal (percentage):φ - Calorisatie (percentage) - Saccades (percentage) - Optokinetiek (percentage) - Gladde volgbewegingen (percentage) - Spontane nystagmus (percentage) - Draaistoel onderzoek (percentage) - Fixatie suppressie (percentage) Totale neurovestibulaire test batterij: oVEMP + cVEMP + VNG + calorisatie + SVV, ≥ 1 abnormale test (percentage) VEMP-testing enkel (cVEMP+oVEMP): ≥ 1 abnormale test (percentage) VEMP-testing (cVEMP+oVEMP) + SVV: ≥ 1 abnormale test (percentage)

Ziekte van Parkinson

Atypische Gezonde parkinsonismen controles

P-waarde*

30 9 (30) 12 (40) 16 (53) 12 (40)

14 5 (36) 7 (50) 8 (57) 4 (29)

25 0 (0) 2 (8) 2 (8) 3 (12)

0.054 0.072 0,005 <0,001 0,057

4 (13) 13 (43) 5 (17) 17 (57) 0 (0) 6 (20) 2 (7)

3 (21) 11 (79) 6 (43) 11 (79) 1 (7) 4 (29) 5 (36)

2 (8) 2 (8) 2 (8) 10 (40) 0 (0) 5 (20) 0 (0)

0,627 <0,001 0,035 0,058 0,197 0,795 0,002

28 (93)

14 (100)

17 (60)

0,004

21 (70)

11 (79)

4 (16)

<0,001

25 (83)

12 (86)

6 (24)

<0,001

20


WAS

Z PromotieS in ASZ

vallende personen met de ziekte van Parkinson en atypische parkinsonismen werden vergeleken met niet-vallende personen (p≤0,001). Conclusie en beperkingen Uit de bovenstaande gegevens werd geconcludeerd dat neurovestibulaire dysfunctie veel voorkomt bij personen met de ziekte van Parkinson en atypische parkinsonismen. Deze neurovestibulaire dysfunctie is sterk geassocieerd met een verhoogd valrisico, wat tot op heden niet eerder in de wetenschappelijke literatuur werd gerapporteerd. In deze studie waren de bestudeerde patiëntengroepen relatief klein en heterogeen (met name met betrekking tot de atypische parkinsonismen). De resultaten moeten daarom voorzichtig worden geïnterpreteerd en voornamelijk worden gezien als hypothese-genererend voor toekomstig onderzoek. Dergelijk onderzoek kan een bevestiging van de resultaten in grotere patiëntengroepen opleveren. Verder is het niet bekend of de sterk geassocieerde neurovestibulaire testafwijkingen een direct causaal verband hebben met vallen dan wel een epifenomeen zijn (bijvoorbeeld door deconditionering ten gevolge van het vallen). Het centrale vestibulaire systeem is echter één van de belangrijke systemen in het behoud van balans door de integratie van multimodale sensore informatie (perifeer vestibulaire, visuele en proprioceptieve input) om vervolgens de uitgaande motore respons te moduleren middels de vestibulospinale reflexen. Gebaseerd op theoretische fysiologische evidentie, kan men op basis van bovenstaande redenering hypothetisch concluderen dat vestibulaire dysfunctie niet gebaseerd is op een epifenomeen, maar causaal verantwoordelijk is voor vallen als een mogelijke oorzaak8. Voorts laten de afwijkende neurovestibulaire testen duidelijk zien dat de neurodegeneratie van de hersenstam bij de ziekte van Parkinson niet symmetrisch is, maar een duidelijke asymmetrie laat zien. Hierbij is de medulla oblongata onder het niveau van de vestibulaire kernen ipsilateraal aangedaan (aan de zijde waar de patiënt de meeste klachten van tremoren en bradykinesie heeft). Boven het niveau van de vestibulaire kernen kruist dit over naar de contralaterale zijde, waar naast de vestibulaire banen ook de auditieve banen betrokken lijken te zijn. Hierbij is de aangedane zijde significant meer afwijkend ten opzichte van de niet-aangedane zijde van de hersenstam, dit binnen dezelfde groep en in vergelijking met gezonde controles. Eveneens demonstreren de meetgegevens dat niet enkel axonale neurodegeneratie verantwoordelijk lijkt te zijn voor de afwijkingen, maar dat daarnaast mogelijks nog een centrale synaptische dysfunctie een belangrijke rol speelt. Wanneer we de beschikbare neuropathologische, klinische en neurofysiologische wetenschappelijke kennis bij de ziekte van Parkinson (uit de literatuur en in dit onderzoek verkregen) combineren, lijkt een transneuronale ziekteprogressie via de anatomische zenuwvezelbanen het meest waarschijnlijk. Hierbij wordt de hersenstam asymmetrisch aangetast en speelt naast axonale neurodegeneratie mogelijk ook centrale synaptische dysfunctie een belangrijke rol.

21

Referenties 1. Grimbergen, Y. A. M., Munneke, M. & Bloem, B. R. Falls in Parkinson’s disease. Curr. Opin. Neurol. 17, 405–415 (2004). 2. Bloem, B. R., Grimbergen, Y. A., Cramer, M., Willemsen, M. & Zwinderman, A. H. Prospective assessment of falls in Parkinson’s disease. J. Neurol. 248, 950–8 (2001). 3. Bloem, B. & Bhatia, K. in Clinical disorders of balance, posture and gait. (ed. Bronstein AM, Brandt T, Nutt JG, W. M.) 173– 206 (Arnold: London, 2004). 4. Wood, B. H., Bilclough, J. A., Bowron, A. & Walker, R. W. Incidence and prediction of falls in Parkinson’s disease: a prospective multidisciplinary study. J. Neurol. Neurosurg. Psychiatry 72, 721–725 (2002). 5. Bloem, B. R., Steijns, J. A. G. & Smits-Engelsman, B. C. An update on falls. Curr. Opin. Neurol. 16, 15–26 (2003). 6. Critchley, R. J., Khan, S. K., Yarnall, A. J., Parker, M. J. & Deehan, D. J. Occurrence, management and outcomes of hip fractures in patients with Parkinson’s disease. Br. Med. Bull. 115, 135–42 (2015). 7. van der Marck, M. A. et al. Consensusbased clinical practice recommendations for the examination and management of falls in patients with Parkinson’s disease. Parkinsonism Relat. Disord. 20, 360–9 (2014). 8. Venhovens, J., Meulstee, J., Bloem, B. R. & Verhagen, W. I. M. Neurovestibular analysis and falls in Parkinson’s disease and atypical parkinsonism. Eur. J. Neurosci. 43, (2016).


Advertorial

Sananet maakt van eHealth gewone zorg Sananet is een van de pioniers op het gebied van eHealth. Samen met artsen, verpleegkundigen en patiënten panels maakt ons team online applicaties voor de begeleiding van mensen met een of meer chronische ziekten. Een goed voorbeeld van deze cocreatie is de ontwikkeling van van MijnIBDcoach en van MijnHartfalencoach. Patiënten met chronische darmontstekingen van het Albert Schweitzer ziekenhuis mogen voortaan zelf kiezen of ze meedoen met het online programma ‘MijnIBDcoach’. “We hopen dat in het eerste jaar tussen de 50 en 100 van onze 1600 patiënten met IBD gaan meedoen, maar uiteindelijk een grote meerderheid”, vertelt verpleegkundig specialist en projectleider Thea Korpershoek. “MijnIBDcoach helpt patiënten om zelf hun ziekte te monitoren en geeft hun daardoor een stuk eigen regie.”

Jan Ramaekers: “Onze eCoaches zijn de buddy van de patiënt en de virtuele collega van de behandelaar.”

De resultaten zijn opmerkelijk. Het aantal ziekenhuisopnamen van IBD-patiënten (bijv. ziekte van Crohn) bijvoorbeeld is dankzij het gebruik van de eCoach gehalveerd en het aantal polibezoeken is met meer dan een derde afgenomen. Dit onderzoek van Maastricht University naar de effecten van MijnIBDcoach is gepubliceerd in het internationaal toonaangevende medisch tijdschrift The Lancet. In partnerships zijn we voortdurend op zoek naar wetenschappelijke bewijsvoering voor de resultaten van onze

MijnIBDcoach

applicaties. Bij 17 ziekenhuizen door het hele land zijn eCoaches naar tevredenheid onderdeel van het behandelplan. Via ons platform SananetOnline wordt een breed pallet met eCoaches voor mensen met chronische aandoeningen aangeboden. Alle apps hebben als doel patiënten optimaal te monitoren en te ondersteunen. Dat gebeurt in de vorm van dialoogsessies waarin zij als het ware in gesprek gaan met een virtuele coach. De eCoach is tevens de digitale collega van de behandelaar. Zodra hij signaleert dat het niet goed gaat met de patiënt, of wanneer de medicatie bijvoorbeeld moet worden aangepast, krijgt de behandelaar automatisch een melding. Ook wordt de patiënt geadviseerd meteen contact te zoeken met een verpleegkundige of arts die dan gelijk echte meerwaarde kan leveren.

Sanacoach: complete online begeleiding geïntegreerd in behandeling

De eCoaches van Sananet worden ontwikkeld volgens het value based healthcare-principe (VBHC) en zijn volledig gecertificeerd. Onze gepersonaliseerde programma’s voor de pc, tablet of smartphone laten mensen gemakkelijk communiceren met hun behandelaar. De patiënt beantwoordt met zijn app online vragen. Bijvoorbeeld over medicijnen, eetpatroon en gemoedstoestand. Zo krijgen patiënten en hun behandelaars meer inzicht in het verloop van de ziekte. Ook ontvangen patiënten specifieke informatie en worden zij online gecoacht in het omgaan met hun aandoening. En zij krijgen op het juiste moment de juiste aandacht van hun behandelaars. De opschaling van eHealth trekt aan nu per 1 januari 2018 een eerste stap naar volledige vergoeding door zorgverzekeraars is gezet met een tarief voor eConsult. Betere zorg met eCoaches is een proces van verkenning naar gewenning. Sananet maakt van eHealth gewone zorg.

Sananet Care BV | Rijksweg 37, 6131 AL Sittard | T +31 (0)46 – 458 80 01 | E info@sananet.nl | www.sananet.nl


De Merwelanden: uw partner voor professionele, persoonlijke zorg en ondersteuning De Merwelanden biedt toegewijde zorg die mensen in hun kracht brengt en vitaal houdt. Van zorg op afroep in de wijk tot intensieve zorg in een kleinschalige woning. De Merwelanden is een plaats van ontmoeting, een plek waar de mens ertoe doet.

Kijk snel op www.demerwelanden.nl

078 61 63 222 www.demerwelanden.nl

Hb Habrobouw BOUWEN OP KWALITEIT EN ZEKERHEID Opaal 320 3316 LE Dordrecht 06-19019991 www.habrobouw.nl info@habrobouw.nl


WetenSChAP

Weten verpleegkundigen genoeg over de oudere patiënt? De gezondheidszorg staat voor grote uitdagingen. Als gevolg van de vergrijzing, de verandering in leefstijl en de continue toename van medische mogelijkheden, neemt de vraag naar zorg exponentieel toe. Verpleegkundigen vormen de grootste beroepsgroep in de gezondheidszorg. Zij hebben grote invloed op de uitkomsten van zorg, zowel voor de individuele patiënt als voor de hele patiëntengroep. Internationaal onderzoek laat een duidelijk verband zien tussen professionele ontwikkeling en de mate van toepassing van wetenschappelijke kennis in de verpleegkundige praktijk aan de ene kant en uitkomsten voor patiënten en arbeidstevredenheid van verpleegkundigen aan de andere kant1,2,3,8. Het hier door Ingrid beschreven onderzoek beantwoordt de vraag hoe het staat met de kennis over ouderen onder verpleegkundigen: is die van voldoende kwaliteit?

Ingrid Steenis-Vonk Ingrid Steenis-Vonk is oncologie verpleegkundige in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Dit artikel is gebaseerd op het eindrapport RENursE STZ Verpleegkundig Onderzoek: kwaliteit van zorg - Kennis over ouderen onder verpleegkundigen: is het voldoende?

Onderzoeksvraag In het onderzoek stond de volgende vraag centraal: wat is het kennisniveau van geregistreerde verpleegkundigen werkzaam op een klinische afdeling in een algemeen ziekenhuis over de oudere klinische patiënt? Daarnaast werden de volgende deelvragen geformuleerd. 1. In hoeverre is opleidingsniveau geassocieerd met het kennisniveau van verpleegkundigen? 2. Is werkervaring geassocieerd met het kennisniveau van verpleegkundigen? 3. Heeft leeftijd invloed op het kennisniveau van verpleegkundigen? 4. Heeft het soort afdeling (beschouwend/snijdend) invloed op het kennisniveau van verpleegkundigen?

24


WAS

Z WetenSChAP

Methode In deze studie is gekozen voor een multicenter, cross-sectionele onderzoeksopzet. De onderzoekspopulatie bestond uit verpleegkundigen. De inclusiecriteria waren: een geldende BIG-registratie, een leeftijd van tussen 18-67 jaar, een goede beheersing van de Nederlandse taal, en werkzaam zijn op een reguliere klinische verpleegafdeling (inclusief dagbehandeling, intensive care, spoedeisende hulp en dialyse) waar patiënten ouder dan 70 jaar opgenomen worden. De deelnemende ziekenhuizen includeerden elk verpleegkundigen van minimaal twee beschouwende en twee snijdende afdelingen. Er participeerden 61 klinische verpleegafdelingen aan het onderzoek en bleken 2899 verpleegkundigen geschikt voor inclusie. De deelnemende verpleegkundigen kregen per e-mail een link naar het toestemmingsformulier (informed consent) en de vragenlijst. De data werden verzameld tussen 1 februari en 8 maart 2017. Data-analyse KOP-Q Met behulp van de Kennis over Oudere Patiënten Quiz (KOP-Q) werd de algemene kennis over ouderen getoetst. Thema’s in de KOP-Q zijn de normale veroudering, probleemsignalering, interventies door verpleegkundigen (bijvoorbeeld frequenter aanbieden van drinken) en familie-interventies (bijvoorbeeld mantelzorg), uitgaande van verschillende geriatrische condities4,5. De vragen in de KOP-Q zijn stellingen waardoor er op basis van toeval al 15 punten behaald kunnen worden. Voor het berekenen van een traditioneel cijfer wordt de volgende formule gebruikt: traditioneel cijfer = (somscore KOP-Q −15 )/ 1,5. Een respondent kan een score behalen tussen 0 en 30 punten. De landelijke normering voor een voldoende werd behaald met een score van 23,25 punten5 (equivalent aan 5,5 traditioneel cijfer). Deze cijfers werden berekend voor de totale steekproef en voor alle individuele ziekenhuizen. Variabelen Bij de demografische gegevens werd onder andere gevraagd naar ervaringsjaren, opleidingsniveau en vervolgopleidingen in de Geriatrie. Daarnaast werd ook gevraagd of verpleegkundigen ervaring in de privésfeer hadden met (mantelzorg aan) ouderen. Tot slot waren er vragen die betrekking hadden op de voorkeur om met ouderen te werken. Statistische analyses Statistical Packages for the Social Sciences (SPSS v. 22.0) werd gebruikt voor de data-analyse. De demografische gegevens werden weergegeven in aantallen, percentages, mediaan en range. Voor continue variabelen werden gemiddelden en standaarddeviaties (SD) berekend. Vervolgens werden de KOP-Q-somscores van de individuele respondenten berekend. De somscores werden getransformeerd naar een traditioneel cijfer.

Tabel 1. Resultaten KOP-Q-scores alle STZ-ziekenhuizen.

STZ Aantal deelnemers

n = 2922

Inclusie deelnemers

n = 1743 (59,6%)

Mean Score KOP Q (SD)

25,15 (2,37)

Min-max KOP Q

15-30

Traditioneel cijfer (SD)

6,8 (1,6)

Min-max traditioneel cijfer

0-10

De gemiddelde KOP-Q-scores van de individuele ziekenhuizen werden onderling vergeleken met een ANOVA, die gecorrigeerd werd voor multiple testing met behulp van een Bonferroni-correctie. Voordat lineaire regressieanalyses werden uitgevoerd, is getoetst op normaliteit van de continue uitkomstmaat ‘kennis’. Dit is onder andere gedaan met behulp van de Kolmogornov Smirnov-toets. Univariate lineaire regressieanalyses werden verricht om de invloed te bepalen van de factoren ‘opleidingsniveau initiële beroepsopleiding’, ‘werkervaringsjaren’, ‘leeftijd’ en ‘soort afdeling’ op de KOP-Q-somscore en dus het kennisniveau van alle respondenten. Aannames van lineariteit werden getoetst. Indien er geen lineair verband was, werden voor de onafhankelijke variabelen dummy’s aangemaakt. Bij alle toetsen werd een pwaarde van < 0,05 beschouwd als statistisch significant. Algemene resultaten In totaal zijn er 1901 vragenlijsten ingevuld en waren 1743 cases geschikt voor nadere analyse. In het ASz werden 100 verpleegkundigen benaderd, waarvan er 67 hebben deelgenomen (response rate 67%). In totaal bleken 56 ingevulde vragenlijsten geschikt voor analyse. 1 respondent gaf geen informed consent en 10 respondenten hebben de vragenlijst na informed consent niet ingevuld. De groep uit het ASz was ondanks de kleine aantallen zeer vergelijkbaar met de totale onderzoeksgroep, de uitkomsten waren niet statistisch significant verschillend. Daarom rapporteren we enkel de gegevens van de totale onderzoeksgroep. Demografische gegevens De gemiddelde leeftijd van de deelnemers was 38,7 jaar (SD 12,4). De deelnemers hadden gemiddeld 15,8 (SD 12,3) jaar ervaring als verpleegkundige, variërend van minimaal 0 tot maximaal 48 jaar. Ze werkten gemiddeld 28,0 uur (SD 6,1) per week. Het percentage deelnemende hbo-opgeleide verpleegkundigen

Tabel 2. KOP-Q-scores, uitgesplitst naar verschillende (voor)opleidingsniveaus.

Vooropleiding

KOP-Q (SD)

25

Verpleegkundige opleiding

mavo/vmbo

havo

vwo

inservice

mbo-4

hbo-5

24,8 (2,4)

25,3 (2,3)

26,3 (1,9)

25,6 (2,3)

24,5 (2,4)

25,4 (2,2)


WetenSChAP

(35,1%) was hoger ten opzichte van mbo- en inservice opgeleide verpleegkundigen (respectievelijk 34,8% en 27,5%). Binnen de totale groep verpleegkundigen had 3,1% (n=53) een Geriatrie vervolgopleiding gevolgd (Klinische Geriatrie of Toegepaste Gerontologie) en 2,4% (n=42) een cursus op het vlak van geriatrie. Gemiddelde KOP-Q scores Verpleegkundigen scoorden gemiddeld 25,15 punten op de KOP-Q (SD 2,37). Dit komt overeen met een traditioneel cijfer van 6,8 (SD 1,6), zie ook Tabel 1. Circa 25% van de verpleegkundigen scoorde een onvoldoende. De scores tussen de ziekenhuizen verschilden significant met elkaar (F 3,47; p < 0,001), hoewel de verschillen in scores tussen de ziekenhuizen onderling klein waren. KOP-Q en opleidingsniveau Het verschil in gemiddelde KOP-Q-scores tussen de groepen inservice, mbo en hbo-opleiding was minimaal. Deze gemiddelde scores waren respectievelijk 25,6, 24,5 en 25,4 (zie Tabel 2). Er was een significant verschil in KOP-Q-scores tussen inservice en hbo-opgeleide verpleegkundigen ten opzichte van mbo-opgeleide verpleegkundigen (p < 0,001). Er was geen significant verschil in KOP-Q-scores tussen inservice en hbo-opgeleide verpleegkundigen (p = 0,85). Voor wat betreft vooropleiding leken verpleegkundigen met een vwovooropleiding beter te scoren in KOP-Q: zij behaalden gemiddeld 26,3 punten ten opzichte van 25,3 en 24,8 bij havo en mavo/vmbo. De range van vwo’ers was bij vwo’ers kleiner (22-30 punten) ten opzichte van vmbo’ers en havisten (15-30 punten). Invloed van leeftijd, werkervaring op KOP-Q Aangezien er niet werd voldaan aan de aanname van lineariteit, zijn ervaringsjaren onderverdeeld in vier gelijke categorieën. Univariate regressieanalyse laat zien dat er een significant verband bestond tussen het aantal werkervaringsjaren en KOP-Q-scores. Tabel 3 laat zien dat de kennis per categorie werkervaringsjaren significant hoger was bij meer werkervaringsjaren. De kennis was het grootst bij 13 werkervaringsjaren of meer. De toename per ervaringscategorie was echter klein. Invloed van soort specialisme op KOP-Q Er werd geen significant verschil gevonden tussen de KOP-Q-scores van verpleegkundigen werkzaam op beschouwende, snijdende of gecombineerde (snijdend-beschouwend) verpleegafdelingen

Tabel 3. Verband tussen werkervaring en KOP-Q-scores.

Ervaring (jaren)

Beta

P

95% BHI

0-4 5-12 13-24 25-48

6,39 0,26 0,63 0,63

< 0,001 0,017 < 0,001 < 0,001

6,24-6,53 0,05-0,47 0,43-0,83 0,42-0,83

STZ en verpleegkundig onderzoek STZ staat voor Samenwerkende Topklinische opleidingsZiekenhuizen. Binnen het STZ is door het Netwerk Verpleegkundig Onderzoek een onderzoekslijn opgezet, waarbij wetenschappelijk onderzoek ingezet wordt als middel voor kwaliteitsverbetering. Als concreet uitvloeisel hebben in 2016 tien STZziekenhuizen een gezamenlijke verpleegkundige onderzoeksgroep opgezet. Deze ziekenhuizen (Albert Schweitzer ziekenhuis, Deventer Ziekenhuis, Elisabeth Tweesteden Ziekenhuis, Franciscus Gasthuis & Vlietland, Isala Klinieken, Martini Ziekenhuis, Maxima Medisch Centrum, Medisch Spectrum Twente, Rijnstate en het Spaarne Gasthuis) vormden samen het consortium RENursE: ‘Research, Education, Nursing regarding Elderly’. Het consortium wilde het voorgenomen onderzoek toespitsen op een verpleegkundig thema, dat verbonden was aan het verbeteren van de verpleegkundige zorg aan ouderen. Deze keuze werd ingegeven door de groei van deze groep en de specifieke zorgbehoeften die zij hebben. In het onderzoek dat zo is uitgevoerd en dat in deze WASz beschreven is, heeft het ASz met 67 respondenten deelgenomen, verdeeld over de afdelingen Interne Oncologie (B3), Geriatrie (V05), Orthopedie, geriatrische trauma en KNO (C2) en Algemene chirurgie (C).

Voorkeur voor ouderen Verpleegkundigen in deze studie gaven als voorkeur aan te willen zorgen voor patiënten van 19-69 jaar, opgevolgd door de groep ouderen (>70-jarigen). Bij de vraag in hoeverre het moeilijk is om voor de oudere patiënt te zorgen, gaf 55% van de respondenten - op een schaal van 0 (erg gemakkelijk) tot 10 (erg moeilijk) - een cijfer 6 en hoger en 25% een cijfer 8 en hoger (gemiddelde 3,5; SD 2,04).

26


WAS

Z WetenSChAP

Discussie Dit onderzoek heeft in kaart gebracht wat het kennisniveau van verpleegkundigen over kwetsbare ouderen is. Uit deze studie bleek dat een kwart van alle deelnemende verpleegkundigen onvoldoende scoorde op de KOP-Q, ongeacht de afdeling. De KOP-Q-scores lieten een grote spreiding zien. Dit suggereert dat op dezelfde afdeling verpleegkundigen werkzaam zijn die onvoldoende of uitstekend scoorden. Uit andere studies weten we dat onvoldoende kennis over ouderen en het ouderdomsproces, een negatievere houding ten aanzien van ouderen kan veroorzaken6,7,9. Maar we weten ook dat als verpleegkundigen kennis hebben over het verouderingsproces en de zorg aan ouderen, de houding en daarmee de kwaliteit van zorg verbetert 6,9. Met de inzichten uit dit onderzoek kan in de STZ-ziekenhuizen verder nagedacht worden over hoe de verpleegkundige zorg aan ouderen kan worden verbeterd. Beperkingen Een beperking van dit onderzoek was dat de periode om te reageren op de vragenlijst relatief kort was. Daarnaast speelden in enkele ziekenhuizen complexe organisatorische veranderingen. Mogelijk hebben deze factoren bijgedragen aan het niet invullen van de vragenlijst en missende data. Daarnaast zijn in de betrokken ziekenhuizen niet alle afdelingen benaderd tot deelname. Mogelijk geeft dit een onder- of overschatting van de uitkomsten. Conclusie Uit de studie blijkt dat op de verpleegkundige afdelingen gemiddeld voldoende wordt gescoord op de kennis over oudere patiënten. De zorg voor ouderen geniet niet de voorkeur en een kwart van de verpleegkundigen vindt het ook moeilijk om voor deze categorie patiënten te zorgen. Leeftijd, ervaring en specialisme lijken niet of nauwelijks van invloed te zijn op het kennisniveau. De onderzoeksgroep concludeerde in het rapport dat niet het opleidingsniveau van de initiële verpleegkundige beroepsopleiding van invloed blijkt te zijn op het kennisniveau, maar wel het niveau van het voorafgaande voortgezette onderwijs. Tot slot laat dit onderzoek zien dat wetenschappelijk onderzoek door verpleegkundigen niet alleen in de academie verricht kan worden, maar zeker ook in de perifere ziekenhuizen.

27

Referenties 1. Aiken, L. H., Sloane, D. M., Bruyneel, L., Van den Heede, K., Griffiths, P., Busse, R., . . . Lesaffre, E. (2014). Nurse staffing and education and hospital mortality in nine european countries: A retrospective observational study. The Lancet, 383(9931), 1824-1830. 2. Bruyneel, L., Li, B., Ausserhofer, D., Lesaffre, E., Dumitrescu, I., Smith, H. L., . . . Sermeus, W. (2015). Organization of hospital nursing, provision of nursing care, and patient experiences with care in europe. Medical Care Research and Review, 72(6), 643-664. 3. Cho, E., Sloane, D. M., Kim, E., Kim, S., Choi, M., Yoo, I. Y., . . . Aiken, L. H. (2015). Effects of nurse staffing, work environments, and education on patient mortality: An observational study. International Journal of Nursing Studies, 52(2), 535-542. 4. Dikken, J., Hoogerduijn, J. G., Kruitwagen, C., & Schuurmans, M. J. (2016). Content validity and psychometric characteristics of the “Knowledge about older patients quiz” for nurses using item response theory. Journal of the American Geriatrics Society, 64(11), 2378-2383. 5. Dikken, J., Hoogerduijn, J. G., & Schuurmans, M. J. (2015). Construct development, description and initial validation of the knowledge about older patients quiz (KOP-Q) for nurses. Nurse Education Today, 35(9), e54-e59. 6. Higgins, I., Der Riet, P. V., Slater, L., & Peek, C. (2007). The negative attitudes of nurses towards older patients in the acute hospital setting: A qualitative descriptive study. Contemporary Nurse, 26(2), 225237. 7. Liu, Y., Norman, I. J., & While, A. E. (2013). Nurses’ attitudes towards older people: A systematic review. International Journal of Nursing Studies, 50(9), 1271-1282. 8. Stimpfel, A. W., Sloane, D. M., McHugh, M. D., & Aiken, L. H. (2016). Hospitals known for nursing excellence associated with better hospital experience for patients. Health Services Research, 51(3), 11201134. 9. Wade, S. (1999). Promoting quality of care for older people: Developing positive attitudes to working with older people. Journal of Nursing Management, 7(6), 339-347.


toPKliniSCh ZieKenhuiS

Het IDEASz Innovatieteam aan de slag

Geef innovatie de ruimte Een groter containerbegrip dan ‘innovatie’ is bijna niet te vinden. Dit geldt zeker ook in de zorg. Aan de mensen van het IDEASz Innovatieteam van het ASz de taak om een gezicht aan innovatie te geven. We spraken met Ralph Bouman, één van de leden van het team: “Eén van de ambities van ons ziekenhuis is om in 2020 bij de meest innovatieve ziekenhuizen van Nederland te horen. Wat dat inhoudt en hoe we dat proberen te bereiken, dáár zijn we mee bezig.”

Ralph Bouman

28


WAS

Z toPKliniSCh ZieKenhuiS

Iedere innovatie start met een idee Ralph Bouman is eind 2016 begonnen als Verkenner Innovatie en gaat letterlijk op innovatie-pad in en buiten het ziekenhuis. Ralph: “Innovatie betekent voor mij, dat je iets nieuws of iets heel anders doet dan je daarvóór deed en dat de eindgebruiker daar voordeel of plezier van heeft. Ik geloof dat elke innovatie start met een idee en dat je als organisatie de ruimte moet bieden om die ideeën te laten groeien. Een organisatie moet innovatie-ideeën niet meteen stoppen omdat ze niet passen in bestaand beleid, in een jaarplan of bedrijfseconomisch misschien niet de meest voor de hand liggende route is. Ik denk dat elkaar de ruimte geven een innovatieve organisatie oplevert!” Samen kom je verder Om innovatie een plekje te geven in de organisatie is Ralph met drie andere collega’s het IDEASz Innovatieteam gestart. Zij proberen inhoudt te geven aan de ambitie om een innovatief ziekenhuis te worden. Ralph: “We zijn IDEASz gestart om na te denken over de zorg van overmorgen. We hopen de ideeën die daaruit ontstaan, van niets, naar iets, naar meer te kunnen brengen. Het liefst doen we dat samen, met collega’s in ons ziekenhuis, met patiënten, huisartsen en ook het bedrijfsleven of startups. Dat proces van ideeën naar innovatie ontstaat volgens mij door te beginnen met heel goed luisteren naar mensen, hen te inspireren met voorbeelden en daarna ook echt dingen samen doen.” Mooi voorbeeld Een voorbeeld van zo’n innovatie is de SEH-trackingapp. Dat is een app voor patiënten op de SEH, waarmee ze geïnformeerd worden hoe lang het bezoek op de SEH gaat duren én wat er dan in die tijd allemaal gaat gebeuren. “De SEH-trackingapp is echt een mooi voorbeeld van een idee ontstaan op de werkvloer door SEH-verpleegkundige Arjan van Gent, gecombineerd met ervaringen en feedback van patiënten. Het idee heeft de kans en ruimte gekregen om het ook echt verder te ontwikkelen. Op dit moment is de app bijna klaar en in het voorjaar wordt ze getest op de SEH.” Niet alleen technologisch Er gebeurt enorm veel op het gebied van technologische innovaties in de zorg. De SEH-trackingapp is één voorbeeld. Mooi is ook de applicatie die gemaakt is door Klinisch Fysicus Jeroen Bosman en studente Tessa Klunder voor de Microsoft Hololens, rondom het zichtbaar maken van straling in een ruimte. Ralph: “Tuurlijk kijken we heel erg

29

naar de impact van technologie en digitalisering in de zorg. Ik geloof en zie ook dat daar nog enorm veel te winnen is voor het ziekenhuis en vooral de patiënt. Maar wij vinden dat innovatie niet alleen technologische zaken betreft. Ook anders kijken naar je organisatie en processen behoort tot innoveren. Ik geef een voorbeeld. Medicatie die we normaal in het ziekenhuis toedienen, bij patiënten thuis gaan toedienen, is iets wat we niet gewend zijn te doen, maar wat wel van enorme waarde is voor onze patiënten.“ IDEASz Wil je op de hoogte blijven van innovaties in de zorg en specifiek in en rond het ASz? Dat kan gemakkelijk via de website www.ideasz.nl. Je kunt je daar ook inschrijven voor de nieuwsbrief of ideeën indienen. Het IDEASz innovatieteam bestaat naast Ralph uit: Marcel Wilschut, Maryse Spapens en Jan Christiaan Huijsman.


diAgnoSe in beeld

Groene verkleuring van de urine bij een intensive-carepatiënt Normale urine heeft een gele kleur die wordt veroorzaakt door het pigment urochroom1. Variaties ontstaan als de urine meer of minder geconcentreerd is1. Onlangs is in het Albert Schweitzer ziekenhuis een 29-jarige patiënt opgenomen die groene urine ontwikkelde vier dagen na start van hoge doseringen propofol. Diverse case reports beschrijven een groene verkleuring van de urine bij het gebruik van het anestheticum propofol2-4. Verkleuring van urine wordt in de samenvatting van de productkenmerken (SmPC) van propofol als een zeer zeldzame bijwerking genoemd5. Een overzicht van alle mogelijke oorzaken van groene urine ontbreekt in de literatuur. In dit artikel laten Kelly, Charlotte, Serife en Marieke aan de hand van een casusbeschrijving en bijbehorend literatuuronderzoek zien welke oorzaken ten grondslag kunnen liggen aan groene urine. Kelly Niggebrugge-Mentink, Charlotte van Kesteren, Serife Ozkal en Marieke Beex-Oosterhuis Kelly Niggebrugge-Mentink is AIOS ziekenhuisfarmacie, Charlotte van Kesteren en Marieke Beex zijn ziekenhuisapotheker in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Serife Ozkal is nu AIOS interne geneeskunde in het Erasmus MC. Deze casus is beschreven in samenwerking tussen collega’s uit de ziekenhuisapotheek en van de intensive care. De resultaten zijn eerder - in meer uitgebreide vorm - gepubliceerd in het NPFO (Nederlands Platform voor Farmaceutisch Onderzoek). Niggebrugge-Mentink KL, van Kesteren C, Ozkal S, Beex-Oosterhuis MM. Groene verkleuring van de urine bij een intensivecarepatiënt. Nederlands Platform voor Farmaceutisch Onderzoek. 2017;2:a1663.

Casusbeschrijving Patiënt Z, een 29-jarige man met een psychiatrische voorgeschiedenis, werd door de politie op de afdeling spoedeisende hulp (SEH) gepresenteerd met oncontroleerbare onrust. Wegens gevaar voor letsel was sedatie hierbij noodzakelijk. Er werd gedacht aan een intoxicatie, dan wel een onttrekking van gammahydroxyboterzuur (GHB). Zijn thuismedicatie bestond uit bupropion, eenmaal daags 300 mg. De patiënt was in bezit van een flesje met een doorzichtige vloeistof. Analyse toonde aan dat het GHB betrof en een niet nader gespecificeerde amfetamineachtige stof. Kort na opname is urine afgenomen en deze was normaal van kleur. Hierin werden amfetaminen aangetoond via een immunoassay (Roche, Basel, Zwitserland). Hoewel bupropiongebruik tot een vals-positieve uitslag kan leiden vanwege de amfetamineachtige molecuulstructuur, bevestigde de patiënt later het gebruik van amfetaminen. De aanwezigheid van GHB is niet bepaald in zijn urine, vanwege de korte halfwaardetijd. De patiënt werd op de SEH geïntubeerd en gesedeerd met eenmalig etomidaat 0,3 mg/kg en rocuronium 1 mg/kg. Op de intensive care (IC) werd de sedatie vervolgd met propofol, welke snel werd opgehoogd tot een dosering van 5,3 mg/kg/uur. Hiermee werd onvoldoende sedatie bereikt en daarom is dexmedetomidine (0,7 µg/kg/uur) toegevoegd, bijgesteld op basis van het klinische beeld. Laboratoriumwaarden bij opname waren: creatinine 205 µmol/L (hoog), ureum 13,3 mmol/L (hoog), creatinekinase (CK) 837 U/L (hoog), aspartaataminotransferase (ASAT) 55 E/L (hoog) en alanineaminotransferase 40 E/L (normaal), waarbij de ASAT-, creatinine- en ureumwaarden binnen twee dagen normaliseerden en het CK langzaam daalde. Op dag 4 na opname was de urine van de patiënt groen verkleurd (figuur 1). Patiënt gebruikte op dat moment, intraveneus: propofol 5,3

30


WAS

Z diAgnoSe in beeld

mg/kg/uur, dexmedetomidine 2 µg/kg/uur, lorazepam driemaal daags 1 mg, paracetamol viermaal daags 1000 mg, pantoprazol eenmaal daags 40 mg. Een banale urinekweek werd ingezet, maar microbiële groei als mogelijke oorzaak van de groene urine werd hiermee uitgesloten. De pH van de urine was 7,6 op dag 6 (normaal). Op dag 8 verdween geleidelijk de groene urineverkleuring, gelijktijdig met het afbouwen van de propofol. Beschouwing Een literatuuronderzoek is uitgevoerd in PubMed om de beschreven oorzaken van groene urine te identificeren. Hierbij zijn verschillende combinaties van zoektermen en filters gebruikt: ‘urine’, ‘green’, ‘discoloration’ (zoektermen), ‘review’ en ‘human’ (filters). Vervolgens zijn de referenties van de geselecteerde artikelen gescreend. De diverse oorzaken die in de literatuur worden beschreven, hebben we in een overzicht gezet (tabel 1). In het complete artikel (zie de referentie) worden de oorzaken uitgebreider toegelicht. Propofol Volgens de Naranjo-score voor het bepalen van de causaliteit, is een oorzakelijk verband met propofol ‘waarschijnlijk’ in onze casus [20]. De geregistreerde dosering als sedativum is 0,3-4 mg/kg/uur als continue infusie. Bij onze patiënt was de dosering verhoogd tot 5,3 mg/kg/uur. Propofol wordt voornamelijk gemetaboliseerd in de lever. De belangrijkste (fenolische) metabolieten zijn het geglucuronideerde

Figuur 1. Opvangzak met de groene urine propofol en het geglucuronideerde en gesulfateerde conjugaat van het gehydroxyleerde propofol (2,6-diisopropyl-1,4-chinol)19,21. Het precieze mechanisme achter de verkleuring is nog niet ontrafeld en wordt bij zowel kortdurend als langdurend gebruik beschreven2,20. Hypotheses zijn: het aanwezig zijn van fenolische metabolieten in de urine, het falen van de enterohepatische kringloop door obstipatie of verstoorde peristaltiek en het overschrijden van de maximale hepatische klaring waardoor extrahepatische klaring plaatsvindt3,19,21. Motsch et al. beschrijven een groene kleuring van de lever onder propofoltoediening, maar een verklaring hiervoor ontbreekt. Hierbij werd geen groene urine gezien. De gegeven hypothese voor het ontbreken van de verkleuring was dat deze pH-afhankelijk zou zijn21.

Tabel 1. Oorzaken van groene urine

Categorie oorzaak

Specificatie

Oorzaak

Referentie

Exogeen

geneesmiddel*

• propofol • methyleenblauw • amitriptyline • metoclopramide • indometacine • cimetidine • promethazine • triamtereen • valproïnezuur • verapamil magma (mefenacet en imazosulfuron) cuprex (koper-oleaat en tetrahydronaftaleen) patentblauw en chinolinegeel (in vroegere methadondrank) • briljantblauw • indigoblauw • indigokarmijn • methyleenblauw biliverdine Pseudomonas aeruginosa anatomische malformatie indicanemie ziekte van Hartnup

2-4 6 8 9 1, 6, 10

herbicide pediculocide kleurstof uit geneesmiddel kleurstoffen uit voeding

Endogeen Microbieel Overig

* In Nederland geregistreerde geneesmiddelen.

31

10 11 12 13 1

14 15, 16 17 18 19


diAgnoSe in beeld

Groene urine na propofoltoediening is niet schadelijk3. Ook onze patiënt is zonder restverschijnselen hersteld. Een half jaar later werd onze patiënt opnieuw opgenomen op de IC met hetzelfde klinische beeld. Hierbij is wederom propofol toegediend, echter korter dan bij de eerdere opname. De propofol werd gedurende ongeveer één dag 5 mg/kg/uur toegediend en één dag 2,5 mg/kg/uur. Tijdens deze opname ontstond geen groene verkleuring van de urine. Het gebruik van hoge cumulatieve doseringen propofol kan ook tot een andere, zeldzame bijwerking leiden: het propofolinfusiesyndroom (PRIS). Symptomen hiervan zijn: progressief myocardiaal falen, ritmestoornissen, rabdomyolyse, metabole acidose en hyperkaliëmie22,23. Ondanks het gebruik van hoge doses werd dit bij onze patiënt niet gezien. In de literatuur wordt groene urine ook niet aan dit syndroom gerelateerd2,20,22. Mirrakhimov et al. beschrijven in hun review 37 casussen van PRIS, waarbij in geen van de gevallen groene urine als symptoom genoemd wordt23. Conclusie Deze casus beschrijft een zeldzame maar onschuldige en reversibele bijwerking van propofol na een hoge cumulatieve dosering. Wanneer deze bijwerking van propofol niet bekend is, kan het leiden tot overdiagnostiek en bezorgdheid. Andere oorzaken van een groene verkleuring van de urine behoeven vaak wel aandacht en focusonderzoek.

Referenties 1. Foot CL, Fraser JF. Uroscopic rainbow: modern matula medicine. Postgrad Med J. 2006;82:126-9. 2. Lepenies J, Toubekis E, Frei U, Schindler R. Green urine after motorcycle accident. Nephrol Dial Transplant. 2000;15:725-6. 3. Van Rosmalen J, van Oers JAH. Diagnose in beeld. Een man met groene urine na een val van de trap. Ned Tijdschr Geneeskd. 2016;160:D585. 4. Blakey SA, Hixson-Wallace JA. Clinical significance of rare and benign side effects: propofol and green urine. Pharmacotherapy. 2000;20:1120-2. 5. Samenvatting productkenmerken (SPC) propofol. CBG-MEB, geneesmiddelinformatiebank. Geraadpleegd op 23-8-2017. Beschikbaar op: https://db.cbgmeb.nl/IB-teksten/h11549.pdf. 6. Hasan IA, Hadi, Williamson JS, Bhowmick AK. Green urine in a postoperative patient. BMJ Case Reports. 2014. 7. Samenvatting productkenmerken (SPC) methylthioniniumchloride. CBG-MEB, geneesmiddelinformatiebank. Geraadpleegd op 23-8-2017. Beschikbaar op: http://www.ema.europa.eu/docs/nl_NL/document_library/EPAR__Product_Information/human/002108/WC500107129.pdf. 8. Greenberg M. Verdoglobinuria. Clin Toxicol (Phila). 2008 Jun;46(5):485-6. 9. Jayasree K, Sangeetha B, Chaitanya V, Subramanyam BV, Ram R, Kumar VS. Green urine and extrapyramidal symptoms. Saudi J Kidney Dis Transpl. 2016 Sep-Oct;27(5):1055-1056. 10. Yun-Suk S, Hyo-Wook G, Jong-Oh Y, Eun-Young L, Soo-Hyun K, Sae-Yong H. A Case of Green Urine after Ingestion of Herbicides. Korean J Intern Med. 2008;23:42-44. 11. Grant KD, Zonozi MS, Davoudian S. Emerald-green urine associated with Cuprex therapy. South Med J. 1985 Mar;78(3):365-6. 12. FNA Methadonhydrochloridedrank 5 mg/ml [internet]. KNMP Kennisbank. Geraadpleegd op 26-07-2016. Beschikbaar op: https://kennisbank.knmp.nl/article/Formularium_der_Nederlandse_Apothekers/HEP/PR11619.html. 13. Carpenito G1, Kurtz I. Green urine in a critically ill patient. Am J Kidney Dis. 2002 Apr;39(4):E20. 14. Green jaundice: an unusual case revisited. Science review: the biomedical scientist. June 2011:362. 15. Terence Pok-Siu YIP, Sing-Leung LUI, Wai-Kei LO. Green urine. Hong Kong Journal of Nephrology. 2002;4(2):114. 16. Viswanathan S. Urine bag as a modern day matula. ISRN Nephrol. 2013 May 23;2013:215690. 17. Bolmers MDM, Linthorst GE, Soeters MR, Nio YC, Van Lieshout JJ. Green urine, but no infection. The Lancet. 2009; 374:1566. 18. Cone TE. Diagnosis and treatment: some syndromes, diseases, and conditions associated with abnormal coloration of the urine or diaper. A clinician’s viewpoint. Pediatrics. 1968 Mar;41(3):654-8. 19. Fujii-Abe K, Kawahara H, Fukayama H. An analysis of green discoloration of urine caused by propofol infusion. Journal of Clinical Anesthesia. 2016;35:358– 360 20. Bijl D. Naranjoscore: beoordeling oorzakelijk verband bijwerkingen. Geneesmiddelenbulletin. 2011;45. 21. Motsch J, Schmidt H, Bach A, Böttiger BW, Böhrer H. Long-term sedation with propofol and green discolouration of the liver. European Journal of Anaesthesiology. 1994;11:499-502. 22. Cremer OL, Moons KG, Bouman EA, Kruijswijk JE, De Smet AM, Kalkman CJ. Long-term propofol infusion and cardiac failure in adult head-injured patients. Lancet. 2001;357:117-8. 23. Mirrakhimov AE, Voore P, Halytskyy O, Khan M, Ali AM. Propofol infusion syndrome in adults: a clinical update. Crit Care Res Pract. 2015;2015:260385.

32


WAS

Z boeKbeSPreKing

In 250 woorden In deze rubriek bespreken we telkens een belangrijk boek op het medisch vakgebied. Dit keer bespreekt Lida Reedeker (opleidingsadviseur Leerhuis) het boek Verpleegkundig leiderschap. Lida vindt dat het boek uitdaagt om te reflecteren op de dagelijkse beroepspraktijk en raadt het boek met overtuiging aan voor iedere (student)verpleegkundige.

Invloed op kwaliteit van zorg door leiderschap. Daar gaat dit boek over. Het is het eerste Nederlandse standaardwerk over verpleegkundig leiderschap. Het boek bevat veel vragen en opdrachten, waarmee je zelf op zoek kunt gaan naar antwoorden op vragen als: welke invloed heb ik, hoe kom ik aan die invloed, waarvoor gebruik ik die, hoe ziet mijn werkomgeving er uit, en welk effect heeft die omgeving op mijn patiënt, mijzelf, mijn team en mijn zorgorganisatie?

Verpleegkundig leiderschap Onder redactie van Hester Vermeulen, Gerda Holleman, Anita Huis, Erwin Ista en Pieterbas Lalleman.

In vijf hoofdstukken wordt beschreven dat leiderschap begint dicht bij de patiënt en jezelf. Het boek eindigt met voorbeelden van invloed en macht in een organisatie, bij een beroepsvereniging en in de politiek. Je kunt het hoofdstuk lezen dat bij jou past. Zo wil je misschien kennismaken met je rolontwikkeling als professional, of hoe je leiderschap kunt tonen in je team. De auteurs laten verder zien wat er nodig is om een team goed te laten draaien en wat de invloed van de teamcultuur is op de kwaliteit van zorg. In het laatste hoofdstuk kun je je laten inspireren door verpleegkundigen die een bestuurspositie bekleden. Dit standaardwerk is krachtig, omdat de auteurs de verpleegkundigen laten reflecteren op situaties uit de eigen beroepspraktijk. Zij dagen je uit om zelf de eerste stap te zetten en je niet afhankelijk op te stellen van anderen. Volgens de auteurs is “leiderschap net als de verpleegkunde een 'practice', met andere woorden, je moet het doen, oefenen, leren en proberen”. Ik kan het boek Verpleegkundig leiderschap met overtuiging aanraden voor iedere (student)verpleegkundige! Het is te leen in de bibliotheek en aan te vragen via bibliotheek@asz.nl. Op intranet (5 maart) staat overigens een interessant artikel over ‘Samenwerken aan verpleegkundig leiderschap’ in het ASz. Lida Reedeker Opleidingsadviseur Leerhuis

33


Praktijk starten of ove Goodwill bijdrage fin Uw financiĂŤle plannin Investeren in de besta De Rabo Medicidesk: Financieel advies voor medisch specialisten met een vrij beroep.


ernemen? nancieren? ing gezond houden? aande praktijk? Vrijblijvend een afspraak maken? Bel of mail ons gerust!

Ronald Moerings T: (06) 82 59 87 54 E: ronald.moerings@ rabobank.nl

Sandra Hurkmans T: (06) 10 57 38 97 E: sandra.hurkmans@ rabobank.nl

Rabobank.nl/drechtsteden

Ronald Kornet T: (06) 20 47 96 90 E: ronald.kornet@ rabobank.nl


Zoektocht naar nieuwe biomarkers voor schildklierfunctie Patiënten met een te langzaam werkende schildklier (hypothyreoïdie) worden behandeld met het synthetisch schildklierhormoon levothyroxine. Maar ook als hun schildklierhormoonwaarden in het bloed weer binnen de normaalwaarden zijn, blijft helaas zo’n 10 tot 15% van deze patiënte klachten houden. De oorzaak hiervan wordt nog niet goed begrepen. In mijn proefschrift probeer ik dit probleem beter te begrijpen. Ik heb gekeken naar de relatie tussen de kwaliteit van leven van patiënten zonder schildklier (die worden behandeld met schildklierhormoon) en diverse schildklierhormonen, inclusief schildklierhormonen die we niet standaard meten, zoals reverse T3 en 3,5-T2. Uit het onderzoek bleek dat de kwaliteit van leven verminderd was ten opzichte van die van een referentiegroep, maar er kon geen relatie worden vastgesteld met de gemeten schildklierhormonen. Het lijkt erop dat de schildklierhormonen die we standaard in het bloed meten (TSH en vrij T4) niet altijd goed weergeven hoe het met de patiënt gaat. Daarom hebben we ook gezocht naar nieuwe biomarkers. Elske Massolt Elske Massolt is internist-endocrinoloog in het Albert Schweitzer ziekenhuis. Ze promoveerde op 21 november 2017 op het hier door haar beschreven onderzoek. Het onderzoek werd uitgevoerd door: Elske Massolt, internist-endocrinoloog, Albert Schweitzer ziekenhuis Edward Visser (copromotor), internist-endocrinoloog, Erasmus MC Robin Peeters (promotor), hoogleraar schildklierziekten, internist-endocrinoloog, Erasmus MC Theo Visser (†), professor emeritus, schildklierlaboratorium Erasmus MC Het onderzoek is uitgevoerd in het schildkliercentrum van het Erasmus MC. Er zijn voor dit onderzoek ook patiënten uit het Albert Schweitzer ziekenhuis geïncludeerd.

De schildklier is een klein vlindervormig orgaan dat zich voor het schildklierkraakbeen in de nek bevindt. De schildklier produceert hoofdzakelijk T4 (thyroxine), wat een inactieve vorm van schildklierhormoon is. T4 kan door speciale enzymen (dejodases) worden omgezet in het biologisch actieve schildklierhormoon T3 (trijodothyronine). Het belangrijkste werkingsmechanisme van schildklierhormoon verloopt via binding van T3 aan de T3-receptoren in de celkern. Wanneer T3 bindt aan zijn receptor, kunnen vervolgens schildklierhormoongevoelige genen worden afgelezen. Schildklierhormoon beïnvloedt vrijwel alle cellen en weefsels in het lichaam. Hypothyreoïdie, te weinig schildklierhormoon, kan leiden tot koude-intolerantie, constipatie, moeheid en gewichtstoename. Patiënten met te veel schildklierhormoon, dat wil zeggen hyperthyreoïdie, hebben juist last van overmatig transpireren, hartkloppingen en gewichtsverlies. Patiënten met hypothyreoïdie worden behandeld

36


WAS

Z PromotieS in ASZ

* FDR adjusted P <0,01 ** FDR adjusted P<0,001 Figuur 1. De hypothalamus-hypofyse-schildklieras. Zodra het schildklierhormoongehalte daalt, stijgt het TSH en vice versa.

Figuur 2. Gene ontology: functionele verrijkingsanalyse van differentieel tot expressie komende genen, zonder en met schildklierhormoonbehandeling. De biologische processen zijn te zien op de y-as.

met het synthetisch schildklierhormoon levothyroxine. Helaas blijft een deel van deze patiënten - ook als hun schildklierhormoonwaarden in het bloed weer binnen de normaalwaarden zijn - klachten houden1.

stabiele dosis van levothyroxine. De gezondheid-gerelateerde kwaliteit van leven werd met de RAND-36 vragenlijst bestudeerd2, schildklier-

De oorzaak hiervan wordt nog niet goed begrepen. Met diverse onderzoeken hebben we geprobeerd dit probleem beter te begrijpen.

specifieke kwaliteit van leven met de ThyPRO-vragenlijst en vermoeidheid met de Multidimensionele Vermoeidheids Index3,4. De gezondheid-gerelateerde kwaliteit van leven werd vergeleken met een Nederlandse referentiegroep5. We hebben diverse schildklierhor-

Methode Kwaliteit van leven We hebben onderzoek gedaan bij patiënten van het schildkliercentrum van het Erasmus MC, die worden gecontroleerd voor goed gedifferentieerd schildkliercarcinoom (schildklierkanker). Bij al deze patiënten is de schildklier volledig verwijderd in het verleden. We hebben met behulp van een lineaire regressieanalyse het verband onderzocht tussen een uitgebreid schildklierhormoonprofiel en de kwaliteit van leven van 143 patiënten, die werden behandeld met een

monen bepaald, die niet standaard in de kliniek worden gemeten, zoals reverse T3, totaal T3 en 3,5-T2. Biomarkers Verder hebben we gezocht naar nieuwe biomarkers. Hiervoor werden patiënten met schildkliercarcinoom geïncludeerd, die een behandeling met radioactief jodium nodig hadden. Voorafgaand aan de behandeling met radioactief jodium dienen deze patiënten vier weken te stoppen met het innemen van hun schildklierhormoontabletten.

Tabel 1. RAND-36 scores in studiepatiënten vergeleken met referentiewaarden. Data zijn weergegeven als mediaan (IQR).

RAND-36 Subschalen

Studiepatiënten

Referentiescores

P

Fysiek functioneren Sociaal functioneren Rolbeperkingen (fysiek) Rolbeperkingen (emotioneel) Mentale gezondheid Vitaliteit Pijn Algemene gezondheidsbeleving Gezondheidsverandering

85,0 (70,0-95,0) 75,0 (62,5-100,0) 68,75 (50,0-93,8) 75,0 (58,3-100,0) 65,0 (55,0-80,0) 50,0 (37,5-62,5) 100,0 (67,3-100,0) 60,0 (40,0-70,0) 50,0 (50,0-50,0)

79,9 (72,7-90,0) 86,4 (86,1-88,0) 78,9 (76,5-82,9) 83,6 (82,2-86,8) 76,9 (76,7-77,1) 67,1 (67,0-67,5) 80,5 (74,7-83,8) 71,6 (64,4-74,0) 51,9 (48,7-55,4)

0.35 <0.001 <0.001 <0.001 <0.001 <0.001 0.008 <0.001 0.001

Tabel 2. Schildklierhormoonconcentraties met en zonder behandeling met levothyroxine (LT4). Data zijn weergegeven als mediaan (IQR).

zonder LT4 TSH (mU/l) Totaal T3 (nmol/l) vrij T4 (pmol/l) Dosis LT4 (µg/kg) Tijd tussen testen, weken (range)

37

88,9 0,64 1,6

(56,5-118,5) (0,58-0,70) (0,4-1,8)

met LT4 0,006 2,13 25,7 2,1 24,7

P (0,004-0,015) (2,0-2,3) (22,4-29,3) (1,9-2,6) (11,0-38,8)

0,001 0,001 0,001


PromotieS in ASZ

Hierdoor stijgt de concentratie van het schildklier stimulerend hormoon (TSH), dat de opname van radioactief jodium in de tumorcellen bevordert (Figuur 1). Bij alle patiënten werd op twee momenten (tijdens hypothyreoïdie en tijdens behandeling met schildklierhormoon) extra bloed afgenomen. Hierdoor konden we het effect van extreme verschillen in schildklierhormoongehalte bestuderen. We hebben een biobank opgericht waarin het materiaal van patiënten ligt opgeslagen in een vriezer (-80°C). Eerdere studies hebben aangetoond dat bepaalde microRNA’s worden beïnvloed door schildklierhormoon in spierweefsel6. MicroRNA is een vorm van niet-coderend RNA van 20 tot 25 nucleotiden lang en is onderdeel van de epigenetische mechanismen die de expressie van genen reguleren. MicroRNA is complementair aan een stukje (sequentie) van één of meerdere messenger RNA’s (mRNA). Door op deze plaats een dubbele streng met het mRNA te vormen wordt het aflezen (translatie) van het mRNA tegengehouden. We hebben onderzocht of microRNA’s worden beïnvloed door schildklierhormoon in bloedmonsters (serum) met behulp van TaqMan MicroRNA Array. Verder hebben we met een andere techniek onderzocht wat het effect is van schildklierhormoon op genexpressie in bloedcellen. Hiervoor hebben we next-generation RNA sequencing toegepast. Next generation sequencing (NGS) is een term die wordt gebruikt om de technologieën aan te duiden van het snel in kaart brengen van de volledige genetische code van een mens. Resultaten Kwaliteit van leven We constateerden dat gezondheid-gerelateerde kwaliteit van leven minder was bij onze patiënten ten opzichte van een Nederlandse referentiegroep (Tabel 1). We vonden in onze studiegroep echter geen associatie met diverse schildklierhormonen, inclusief 3,5-T2 en T3concentraties en T4/T3-ratio’s. Onze bevindingen bieden dan ook geen bewijs dat het aanpassen van de dosering levothyroxine leidt tot verbetering van vermoeidheid en welbevinden. Biomarkers We hebben de expressie van 384 microRNA’s gemeten in het serum van 13 patiënten met schildkliercarcinoom tijdens hypothyreoïdie en tijdens therapie met levothyroxine. De schildklierhormonen waren inderdaad significant verschillend (Tabel 2). We vonden echter geen enkele significant verschillende microRNA. Met behulp van next-generation RNA sequencing in volbloedmonsters van een cohort van 8 patiënten met en zonder behandeling met levothyroxine, vonden we wel dat de expressie van 486 genen wordt gereguleerd door schildklierhormoon. We vonden ook een significante overlap met de eerder gerapporteerde genen in spiermonsters van patiënten (2,3-voudige verrijking, Chi-squared p= 4,1 x 10-5 2). Dit

Conclusie Genexpressie in het bloed wordt beïnvloed door schildklierhormoon. We hebben geen nieuwe biomarker voor schildklierfunctie kunnen vinden. Wel hopen we dat ons onderzoek aanzet tot verder onderzoek en dat er uiteindelijk een verklaring wordt gevonden voor de persisterende klachten van sommige patiënten met een hypothyreoïdie.

Referenties 1. Wekking EM, Appelhof BC, Fliers E, Schene AH, Huyser J, Tijssen JG, et al. Cognitive functioning and well-being in euthyroid patients on thyroxine replacement therapy for primary hypothyroidism. Eur J Endocrinol. 2005;153 (6):747-53. 2. Hays, R.D. & Morales, L.S. The RAND-36 measure of health-related quality of life. Ann Med. 2001; 33, 350-357. 3. Watt, T., Barbesino, G., Bjorner, J.B., Bonnema, S.J., Bukvic, B., Drummond, R., Groenvold, M., Hegedus, L., Kantzer, V., Lasch, K.E., Marcocci, C., Mishra, A., NeteaMaier, R., Ekker, M., Paunovic, I., Quinn, T.J., Rasmussen, A.K., Russell, A., Sabaretnam, M., Smit, J., Torring, O., Zivaljevic, V. & FeldtRasmussen, U. Cross-cultural validity of the thyroid-specific quality-of-life patient-reported outcome measure, ThyPRO. Qual Life Res. 2015; 24, 769-780. 4. Smets, E.M., Garssen, B., Bonke, B. & De Haes, J.C. The Multidimensional Fatigue Inventory (MFI) psychometric qualities of an instrument to assess fatigue. J Psychosom Res. 1995; 39, 315-325. 5. VanderZee, K.I., Sanderman, R., Heyink, J.W. & de Haes, H. Psychometric qualities of the RAND 36-Item Health Survey 1.0: a multidimensional measure of general health status. Int J Behav Med 1996; 3, 104122. 6. Visser WE, Heemstra KA, Swagemakers SM, Ozgur Z, Corssmit EP, Burggraaf J, et al. Physiological thyroid hormone levels regulate numerous skeletal muscle transcripts. J Clin Endocrinol Metab. 2009 ;94(9):3487-96.

suggereert dat makkelijk toegankelijke bloedmonsters gebruikt zouden kunnen worden als een model om het effect van schildklierhormoon op andere weefsels te bestuderen. Daarnaast vonden we met behulp van een functionele verrijkingsanalyse van de 486 genen, dat schildklierhormoon de genexpressie in trombocyten (bloedplaatjes) bevordert (Figuur 2). Dit zou een verklaring kunnen zijn voor de verhoogde tromboseneiging die is waargenomen in patiënten met een te snel werkende schildklier (hyperthyreoïdie).

38


De nieuwe volvo xc60 NU IN DE SHOWROOM Ons uitgangspunt is altijd de mens. Daarom is er tijdens het ontwikkelen van de nieuwe XC60 rekening gehouden met iedereen in én rondom de auto. De XC60 is voorzien van het meest geavanceerde pakket aan veiligheidsfeatures. Omdat het gaat om die momenten dat een ongeluk voorkomen wordt. Tijdloos Scandinavisch design, premium geluid, luchtvering, een royale bodemvrijheid en intuïtieve technologie zorgen voor een veilige en inspirerende rit.

Proefrit maken? Bel ons voor een afspraak in onze showroom of op elke andere gewenste locatie.

SvensCar ontzorgd u ook op het gebied van onderhoud aan uw Volvo. Wij halen uw auto bij u op voor onderhoud en/of reparatie op elke gewenste locatie, geheel kosteloos. Benieuwd naar de service van SvensCar? Wij maken graag kennis met u.

àȒǼɮȒ æ!‫ ׎ה‬ɮƏȇƏǔ ‫ דחחِגד ڡ‬٢ƬȒȇɀɖȅƺȇɎƺȇƏƳɮǣƺɀȵȸǣǴɀ٣ Ȓǔ ‫ ד׏חِבד ڡ‬٢ˡɀƬƏǼƺ ɯƏƏȸƳƺ٣ِ nƺƏɀƺ ɮƏȇƏǔ ‫ חאו ڡ‬ȵِȅًِ ƺɴƬǼِ ƫɎɯ ƺȇ ƫȸƏȇƳɀɎȒǔً Ȓِƫِɮِ IɖǼǼ …ȵƺȸƏɎǣȒȇƏǼ nƺƏɀƺً ‫ ׎ה‬ȅȇƳً ‫ ׎׎׎ِד׏‬Ǹȅ ȵِǴًِ àȒǼɮȒ !Əȸ nƺƏɀƺ‫ ׎׏ בוז דהٮ׎א׎ ي‬٢ǸƏȇɎȒȒȸɖȸƺȇ٣ِ áǣǴɿǣǕǣȇǕƺȇ ɮȒȒȸƫƺǝȒɖƳƺȇِ «ƏƏƳȵǼƺƺǕ ɮȒȒȸ ȅƺƺȸ ǣȇǔȒȸȅƏɎǣƺ Ƴƺ ɮƺȸǸȒȒȵɮȒȒȸɯƏƏȸƳƺȇ Ȓȵ ɯɯɯِɮȒǼɮȒƬƏȸɀِȇǼِ Jƺȅِ ɮƺȸƫȸɖǣǸ‫ ׏ًא ي‬٫ ‫ וًו‬Ǽٖ‫ ׎׎׏‬Ǹȅ ٢‫ הًוג‬٫ ‫ ׎ًב׏‬ǸȅٖǼ٣ً Ǖƺȅِ !…‫ٮא‬ɖǣɎɀɎȒȒɎ ȸƺɀȵِ ‫ זו׏ ٮ ׎ד‬ǕٖǸȅِ

Auto SvensCar - Mijlweg 29 - Dordrecht - 078 6322270

svenscar.nl


bibliotheeK

Berichten uit de bibliotheek De bibliotheek van het Albert Schweitzer ziekenhuis biedt diensten aan die niet alleen nuttig zijn voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek, maar ook voor het op de hoogte blijven van de laatste ontwikkelingen in het vakgebied. In deze rubriek delen Rianne en Moniek de mogelijkheden die aangeboden worden. Houd je vakliteratuur gemakkelijk bij via BrowZine! Het bijhouden van vakliteratuur valt niet mee: er verschijnt steeds meer, juist in online vorm. Om die reden is de bibliotheek overgegaan op BrowZine, een app/website waarmee je wetenschappelijke tijdschriften kunt lezen binnen en buiten het ziekenhuis op je tablet, smartphone of pc. Met BrowZine blader je door jouw eigen verzameling en kun je artikelen delen en bewaren. Je stelt als het ware je eigen tijdschriftenplankje samen. Zo heb je altijd toegang tot de nieuwste nummers. Bij het verschijnen van nieuwe artikelen/nummers van de tijdschriften op jouw plankje, krijg je een notificatie, zodat je niets hoeft te missen.

Rianne van Hof en Moniek Kuipers-Freijsen Rianne van Hof en Moniek Kuipers-Freijsen zijn medisch informatiespecialisten in het Albert Schweitzer ziekenhuis.

Met BrowZine op je iOS, Android smartphone of tablet kun je gemakkelijk tijdschriften lezen en op de hoogte blijven van nieuwe publicaties. Je zoekt de BrowZine app op, vervolgens kies je voor het Albert Schweitzer ziekenhuis, je maakt een inlog aan met je ASz-emailadres. Vervolgens bevestig je dit via de toegestuurde link. Ook kun je op je pc in het ziekenhuis BrowZine natuurlijk ook instellen en raadplegen. Ga hiervoor naar: www.BrowZine.com. Weten hoe je je tijdschriftenplankje inricht? Wanneer je een account hebt aangemaakt zie je het aanbod van het ASz, je kunt kiezen per titel of per onderwerp. Vervolgens kun je de gewenste titels op je eigen leesplankje zetten. Dit zijn de Engelstalige instructies: http://thirdiron.com/pairing http://support.thirdiron.com Op de bibliotheekpagina op Intranet vind je Nederlandstalige instructies. Wil je graag een instructie voor je afdeling of specialisme, maak dan een afspraak! Wij verzorgen dit graag. bibliotheek@asz.nl

40


WAS

Z bibliotheeK

Cursus PubMed Er wordt binnenkort weer een klassikale instructie georganiseerd! Op de volgende datum wordt de PubMed-cursus gegeven. Dus schrijf je in. *Maandag 24 september vanaf 16:00 uur ict-lokaal Dordwijk Voor vragen over PubMed kun je altijd in de bibliotheek terecht (ook

Studenten/Onderzoekers gevraagd! Binnen de Onderzoeksdatabank (te vinden op de wetenschap- en de bibliotheekpagina) die misschien bekend is van het onderdeel PubMed-publicaties, is ook het onderdeel ‘Studenten/Onderzoekers gevraagd’ aanwezig. Deze databank wil de verschillende onderzoeken en onderwerpen die vragen om onderzoek koppelen aan de juiste studenten/onderzoekers. Dus op alle niveaus (wetenschappelijk/HBO-V) willen we deze databank gaan vullen zodat geïnteresseerde onderzoekers/studenten een snel en goed overzicht hebben van wat in het ziekenhuis aangeboden wordt. Ook wordt deze databank binnenkort op www.asz.nl aangeboden zodat ook buitenstaanders dit kunnen raadplegen. Ben je nog niet benaderd maar kun je wel een bijdrage leveren dmv het doorgeven van onderzoek, neem dan contact met ons op zodat we je toevoegen aan de verzendlijst. Hopelijk gaat dit mooie onderzoeken/onderwerpen koppelen aan de juiste personen! Rianne van Hof en Moniek Kuipers bibliotheek@asz.nl tst 23579 V02.027

41

wanneer je een attendering via PubMed wil aanmaken voor nieuwe literatuur over een bepaald onderwerp, maak een afspraak!). Ook kun je via het Leerplein een e-learning PubMed volgen.


StAgeS

Kwetsbare ouderen op de Spoedeisende Hulp

Rapid Recovery: is sneller echt beter?

De Spoedeisende Hulp (SEH) is steeds vaker de enige optie voor kwetsbare ouderen in nood. Verschillende beroepsverenigingen en het Seniorvriendelijk ziekenhuiskeurmerk adviseren een gestandaardiseerde screening voor deze patiëntengroep. Dit ontbreekt op de SEH van het ASz. Martine Fens deed kwantitatief praktijkonderzoek op de SEH om de kwetsbaarheid van deze patiëntengroep in kaart te brengen.

Bij de plaatsing van een Totale Knie Prothese (TKP) zijn anesthesiologische technieken ontwikkeld, met als doel een zo goed mogelijke pijnstilling en zo vroeg mogelijke mobilisatie te bewerkstelligen. Een recente ontwikkeling bij een TKP is de toepassing van peroperatieve lokale infiltratie analgesie (LIA) ter vervanging van regionale of epidurale blokkade.

Doel Het doel van dit praktijkonderzoek is inzicht te krijgen in de mate van kwetsbaarheid bij patiënten (≥80 jaar) op de SEH van het ASz. Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre de mate van kwetsbaarheid en achtergrondkenmerken van deze patiënten, invloed hebben op de ligduur en ontslagbestemming vanaf de SEH. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek zullen er aanbevelingen en adviezen gegeven worden om een screeningsinstrument te implementeren bij de oudere patiënt op de SEH in het ASz. Methode Een kwantitatief prospectief cohortonderzoek onder patiënten van 80 jaar en ouder op de SEH. Met dossieronderzoek en de afname van de VMS-screeningsbundel is de mate van kwetsbaarheid onderzocht. Met correlatieonderzoek en regressieanalyses worden de voorspellende waarden voor ligduur en ontslagbestemming berekend. Resultaten Het merendeel van de onderzochte patiënten (N=127) zijn kwetsbaar bevonden op de onderdelen delier (66,9%) en vallen (64,6%) van de VMS-screeningsbundel. Er is een matig positieve correlatie (r = 0,21; p = 0,020) tussen ligduur op de SEH en het onderdeel delier van de VSM-screeningsbundel. Uit multiple regressieanalyses blijken delier en burgerlijke staat de sterkste voorspellers voor ligduur op de SEH, voor ontslagbestemming is woonomgeving de sterkste voorspeller. Conclusie Het op structurele wijze toepassen van de onderdelen delier en vallen van de VMS-screeningsbundel wordt sterk aanbevolen om kwetsbaarheid te screenen op de SEH. Omdat de regressieanalyses aantoonden dat het mogelijk is beperkte voorspellingen te kunnen doen over ligduur en ontslagbestemming vanaf de SEH, is dit een belangrijk onderwerp voor vervolgonderzoek.

Martine Fens Martine Fens is verpleegkundig specialist geriatrie.

Onderzoeksresultaten uit de literatuur laten zien dat er bij patiënten die een TKP ondergaan, een gelijkwaardige of superieure pijnstilling wordt bereikt met behulp van LIA ten opzichte van nervus femoralis blokkade. Daarnaast potentieërt magnesium het pijnstillende effect van de LIA-medicatie. Binnen het ASz is sinds 2015 het Rapid Recovery-protocol van toepassing. Dit richt zich op een snelle en pijnloze mobilisatie bij patiënten met een knie- of heupprothese. Hierbij wordt gebruik gemaakt van magnesium en lokale infiltratie analgesie, ter vervanging van nervus femoralis blokkade. In dit praktijkonderzoek worden de resultaten van deze nieuwe manier van pijnstilling beschreven bij patiënten die in 2015 in het ASz een TKP hebben gekregen. Voor het onderzoek is gebruik gemaakt van een retrospectieve analyse. De patiënten ondergaan in de eerste drie tot zes uur postoperatief de vroege mobilisatie, waarbij de pijnscore volgens Numeric Rating Scale op een schaal van 0-10 wordt geregistreerd. Een pijnscore van ≤4 wordt hierbij in de praktijk gezien als adequate pijnstilling. Tijdens de studieperiode zijn er 54 patiënten geïncludeerd die tijdens een totale knieprothese behandeld zijn volgens het Rapid Recoveryprotocol. De overige inclusiecriteria waren: spinale anesthesie, vrouwelijk geslacht, ASA-klasse 1 en 2 en leeftijd <80 jaar. Van deze 54 patiënten heeft 89% tijdens de mobilisatie in de middaguren en 81% tijdens de mobilisatie in de avond, een pijnscore van ≤4. Met behulp van LIA en magnesium lijkt er dus een adequate pijnstilling bereikt te worden in de eerste zes uren postoperatief. Voor de klinische toepassing van dit protocol is het echter belangrijk om ook de resultaten in de periode na deze vroege mobilisatie te onderzoeken.

Laura Donk en Anouk Lammerts

42


WAS

Z StAgeS

Levercirrose, en nu…?!

ERAS protocol

Op de polikliniek MDL in het ASz geven patiënten met levercirrose aan, te weinig te profiteren van de gezondheidsvoorlichting en -opvoeding (GVO) over het omgaan met het ziekteproces en de leefregels daarbij. Dit praktijkonderzoek over GVO werd uitgevoerd onder twaalf verpleegkundigen van de MDL-afdeling. Hierbij is gebruik gemaakt van semigestructureerde interviews en een groepsinterview.

In het Albert Schweitzer ziekenhuis worden patiënten die colorectale chirurgie ondergaan, behandeld volgens het ERAS-protocol. ERAS staat voor Enhanced Recovery After Surgery, ‘versneld herstel na een operatie’. Het doel van dit protocol is een tijdig herstel van deze patiënten, vermindering van de morbiditeit en een kortere ziekenhuisopname.

Resultaten Uit de literatuurstudie blijkt dat de volgende aspecten vragen om GVO door verpleegkundigen: beweging, vermoeidheid, medicatie, voeding, alcohol, pijn, jeuk, angst en depressie. Daarnaast is het belangrijk om psychosociale zorg en ondersteuning te verlenen, zodat de patiënt een goede coping-stijl kan ontwikkelen in het omgaan met het ziekteproces. Uit het praktijkonderzoek blijkt dat verpleegkundigen weinig tot geen GVO geven aan patiënten met levercirrose. De belangrijkste belemmeringen voor het geven van GVO zijn: werkdruk/tijdgebrek, kennistekort van het ziekteproces. Verder spelen privacy, taalbarrières, sufheid en verwardheid een belemmerende rol. Verpleegkundigen zien het vooral als hun taak om de zorg voor de patiënt te coördineren en de adviezen van de verschillende disciplines uit te voeren. Uit het groepsinterview blijkt dat de verschillende ondersteunende disciplines het als taak van onder andere de verpleegkundige zien, om hen in consult te vragen met concrete vraagstelling en de anamnese volledig af te nemen. Daarnaast is het volgens hun een taak van de verpleegkundige om psychosociale zorg te verlenen en leefregels voor ontslag mee te geven. Conclusie en aanbevelingen Uit het praktijkonderzoek blijkt, dat er geen eenduidigheid en structuur is in het geven van GVO aan patiënten met levercirrose. Aanbevolen wordt om scholingen en casusbesprekingen te organiseren. Hierdoor krijgen de verpleegkundigen meer kennis over het ziekteproces en zijn ze beter in staat om GVO te geven. Ook wordt aanbevolen om een format of zorgpad te ontwikkelen, zodat er eenduidig en gestructureerd GVO kan worden gegeven door verpleegkundigen. Tot slot zou ook het organiseren van een MDO helpend zou zijn om de afstemming en samenwerking met verschillende disciplines in het geven van GVO te verbeteren.

Coralien Baan, Annette Barendrecht, Ruben Eisinga en Annemarij Lammers

43

Uit het literatuuronderzoek blijkt dat de verpleegkundige een essentiële rol speelt in het herstel van de patiënt. De onderzochte fysieke, psychische en emotionele aspecten blijken bepalend te zijn voor het herstel van de patiënt. Daarnaast heeft pijnbeleving ook een grote impact op de herstelperiode van de patiënt. Met verpleegkundige interventies als voorlichting, signaleren en verwijzen, kan zowel fysiek als psychisch een goed herstel gewaarborgd worden. Uit het praktijkonderzoek blijkt dat een aantal onderdelen van het protocol niet goed worden nageleefd. Hierbij gaat het om het krijgen van een epiduraal of PCA-pomp, de uitvoering van ademhalingsoefeningen, toediening van anti-emetica, het geven van tramadol, magnesium en movicolon. Uit het onderzoek blijkt dat het mobiliseren van de patiënt nog niet gaat zoals het protocol voorschrijft. Op basis van de gevonden resultaten vanuit het literatuur- en praktijkonderzoek zijn er aanbevelingen gedaan voor de organisatie en voor vervolgonderzoek. Vanuit de literatuur blijkt dat psychosociale begeleiding en voorlichting, de patiënt cognitief meer controle geeft over de situatie en van invloed is op het herstel. Ook adequate pijnbehandeling heeft hierop een positieve uitwerking, wat regelmatige pijnmeting noodzakelijk maakt. Vanuit de praktijk komt naar voren, dat er naar gestreefd moet worden de pijnbehandeling zo minimaal en kort mogelijk uit te voeren met epiduraal of PCA-pomp. Het verpleegkundig team moet geschoold worden in het belang van het juist uitvoeren van het protocol. Vervolgonderzoek wordt geadviseerd naar effectieve pre- en postoperatieve voorlichting, besluitvorming van verpleegkundige en patiënt bij de naleving van een protocol en het slaappatroon van de patiënt na een darmoperatie.

Corianne van Heteren, Eveline van Kralingen, Anne-Sophie Landwaart en Alice Sommer


“Plezier hebben in je onderzoek vind ik het allerbelangrijkste”


WAS

Z onderZoeKer AAn het Woord

Nathalie Bouwer Nathalie Bouwer is 23 jaar, woont in Rotterdam en doet in haar vrije tijd aan voetballen en hardlopen. Nathalie heeft een bachelor Geneeskunde behaald en is nu als promovenda actief op de afdeling Interne geneeskunde & cardiologie van het ASz. Haar begeleiders zijn Mark-David Levin, Marcel Kofflard en Crista Liesting.

Nathalie Bouwer:

“Statistische analyses doen en inzichtelijke grafieken maken, dat vind ik mooi.” Er wordt in het ASz veel onderzoek gedaan door gedreven wetenschappers. Maar wie zijn die collega’s, wat drijft ze en hoe typeren ze zichzelf? Om die antwoorden te krijgen, leggen we voor elk nummer van WASz aan één van hen een aantal vragen voor. Dit keer is het de beurt aan Nathalie Bouwer. Met welk onderzoek ben je bezig? “Ik houd me bezig met het HERBAS-onderzoek. De afkorting staat voor HERceptin Biomarker in het ASz en Herceptin is de merknaam van trastuzumab. Het HERBAS-onderzoek is een prospectieve studie naar de cardiotoxiciteit van trastuzumab bij patiënten met een bepaald type borstkanker, HER2+ borstkanker. Trastuzumab is een vorm van immuuntherapie, die heel effectief is gebleken tegen borstkanker en de overleving flink heeft verbeterd. Het heeft echter als belangrijke bijwerking dat het bij sommige patiënten hartfalen kan veroorzaken. Dit uit zich vaak in een daling van de ejectiefractie met of zonder cardiale symptomen. Het doel van het HERBAS-onderzoek is om te zoeken naar nieuwe diagnostische mogelijkheden om deze cardiotoxiciteit in een vroeg stadium op te sporen, zodat er met cardioprotectieve medicatie kan worden begonnen en besloten kan worden om de trastuzumab te staken. De diagnostische mogelijkheden die wij onderzoeken zijn de 2D en 3D-echocardiografie, speckle tracking

45

echocardiografie, cardiale-MRI en diagnostiek met biomarkers zoals NT-proBNP, troponine en mogelijk nieuwe andere nieuwe biomarkers.” Waarom ben je ooit aan onderzoek begonnen? “In het tweede jaar van mijn bachelor geneeskunde ben ik in aanraking gekomen met onderzoek. Ik hielp mee aan de telefonische followup van grote multicenter prospectieve studies op de afdeling Cardiologie in het Erasmus MC. Ik ontdekte dat ik het proces van dataverwerking en analyse erg interessant vond. Toen dacht ik al, dat een promotietraject misschien wel iets voor mij zou zijn. Je kunt dan zelf nadenken over je onderzoek, vraagstellingen en zelf de data-analyse doen. Daarna - dat was in 2017 -heb ik mijn masteronderzoek gedaan bij de afdeling Interne Geneeskunde en Cardiologie in het ASz en het EMC. Mijn masteronderzoek ging over het monitoren van de cardiale functie in de gemetastaseerde fase van HER2+ borstkanker. Ik merkte dat ik het leuk vond om statistische analyses te doen en te werken met getallen, zodat je inzichtelijke grafieken en figuren kon creëren. Het werk dat ik deed beviel mij, maar ook het samenwerken met mijn begeleiders in het ziekenhuis. Zo kon ik na mijn masteronderzoek de HERBAS-studie overnemen. De studie liep al een aantal jaar in het ASz en had hetzelfde onderwerp als mijn masteronderzoek, maar dan prospectief en meer verdiepend. Omdat dit allemaal zo mooi samen-


onderZoeKer AAn het Woord

kwam, heb ik besloten om te gaan promoveren vóór ik aan mijn coschappen begin. Deze kans voelde voor mij als een once-in-a-lifetime opportunity.” Heb je al publicaties op je naam staan? “Helaas nog niet, ik ben pas een half jaar bezig met mijn onderzoek. Ik hoop voor het eind van het jaar mijn eerste paper klaar te hebben. Ik ben nu bezig met drie verschillende projecten. Als eerste de HERBAS-studie, die is in de analysefase. Verder ben ik in samenwerking met onderzoekers uit het AVL bezig met een multicentrische retrospectieve studie naar cardiotoxiciteit in de gemetastaseerde fase van HER2+ borstkanker. Die studie is in de dataverzamelingsfase. Als laatste doe ik een reviewstudie naar de diagnostische mogelijkheden die er zijn om cardiotoxiciteit veroorzaakt door trastuzumab op te sporen. Dit laatste project duurt wel wat langer dan verwacht.” Wat zijn de eigenschappen van een goede onderzoeker? “Plezier hebben in je onderzoek vind ik het allerbelangrijkste. Je draagt dan bijna automatisch je enthousiasme over op anderen en bovendien kun je beter omgaan met eventuele tegenslagen. Verder vind ik overzichtelijk te werk kunnen gaan een sleuteleigenschap. Dit speelt vooral als je meerdere projecten tegelijkertijd doet, zoals ik en meerdere onderzoekers doen. Ook goed kunnen communiceren met je onderzoeksteam is een belangrijke eigenschap die je moet hebben. Hierbij hoort ook het communiceren via artikelen en presentaties, zodat ook anderen jou bevindingen kunnen gebruiken voor de praktijk. Tot slot - en dat is zeker niet onbelangrijk - moet je flexibel zijn in de keuzes met wie je werkt, waar je aan werkt en hoe je werkt. Er valt hierin altijd wel wat te verbeteren en te leren.” Wat is de gouden tip voor het starten van onderzoek? “Wees goed voorbereid en geïnformeerd over de mogelijkheden en onmogelijkheden die er in een ziekenhuis en binnen een onderzoeksteam zijn. Daarnaast is het belangrijk dat er qua begeleiding een goede structuur is, waarin het ook voor jezelf plezierig werken is. Als dat goed geregeld is, kun je op anderen terugvallen als er iets vastloopt. Een belangrijke reden voor mij om te starten met promotieonderzoek in het ASz is, dat er een goede begeleidingsstructuur aanwezig is.” Wat is je meest frustrerende onderzoek-moment geweest? “Dat was een aantal keer het afgelopen halfjaar. Ik moest moeilijke analyses maken met het statistische programma ‘R’, wat soms niet lukte. Ik vind het heel leuk om te coderen en te werken met cijfertjes, maar als R niet doet wat je wilt dat het doet, dan kan dat wel heel frustrerend zijn. Gelukkig kan ik bij de andere promovendi terecht met vragen.” Wat was het allerleukste moment? “In maart ben ik naar een cardio-oncologie symposium geweest in Utrecht. Ik vond het heel leuk om te zien hoeveel andere onderzoekers bezig zijn met dezelfde vragen als ik. Het symposium ging over cardiotoxiciteit bij kanker, dus niet alleen bij borstkanker, maar ook bij prostaatkanker en kinderoncologie. Ik vond het ook mooi om te zien hoe onderzoek dat zich achter de computer afspeelt, echt gevolgen heeft voor nieuwe ontwikkelingen in de praktijk. Zo is er in Utrecht een

Cardio-Onco poli opgezet, waarbij patiënten in het verleden behandeld met cardiotoxische chemotherapie, op dezelfde dag een ECG, een echo en bloedcontroles ondergaan, en daarna de dokter zien. Mogelijk dat deze nieuwe ontwikkeling in meerdere ziekenhuizen geïmplementeerd gaat worden.” Wat heeft onderzoek je gebracht? “Onderzoek heeft me de mogelijkheid geboden om me - naast geneeskunde - op een ander vlak met kennis en kunde te ontwikkelen. Dit heeft me verbreding gebracht op het gebied van academische vaardigheden, maar ook op het persoonlijk vlak, omdat je leert omgaan met de druk van resultaten produceren, teksten schrijven en publiceren. Daarnaast moet je een onderzoeksteam managen, ze goed op de hoogte en betrokken houden. Deze vaardigheden ontwikkelen vind ik waardevol. Daarnaast geeft het me ook voldoening dat ik mee kan helpen de medische zorg te verbeteren en te ontwikkelen.”

enKele geWetenSVrAgen Prospectief of retrospectief? “Prospectief.” Farmaceut als sponsor of stipendium? “Stipendium.” Grote onderzoeksgroep of soloactie? “Een combinatie van beide. Ik denk dat je je onderzoeksgroep nodig hebt om te sparren over ideeën en na te denken over analyses en de interpretatie ervan. Maar soms werkt het ook efficiënt om een dag solo achter de computer te zitten en dit vervolgens te bespreken.” Academisch of perifeer?” “Perifeer met contacten in de academie. Dus zoals ik dat nu ook doe. Ik doe het HERBAS-onderzoek in het ASz en wordt begeleid door prof. Eric Boersma en oncoloog Agnes Jager uit het EMC.”

46


#

" !

#

Buiten de gebaande paden in Zuidelijk Afrika met Sable Tours

Ghoha Hills

Rhino Walking Safaris

Zuidelijk Afrika behelst de meest magnifieke oorden in een oneindigheid van natuurschoon. De prachtige variëteit in flora en fauna van dit zonnige continent zijn met geen pen te beschrijven. Dat moet je zelf meemaken. De meest zuidelijke landen herbergen een arsenaal aan magische contreien, waarin contrasten groot zijn. Van bergen tot stranden, woestijnen en savannes; Marcella en Pieter kennen de allermooiste plekjes in Zuidelijk Afrika op hun duimpje. Jarenlange reiservaring én ervaring als reisaanbieder maakt dat ze expert zijn in het toevertrouwen van de schitterendste, maar vooral onwijs bijzondere reizen. Je boekt niet zomaar een reis bij Sable Tours, je boekt een reis die beklijft. Rijk aan unieke herinneringen. Ze blijven voor ’t geestesoog altijd voortbestaan. Het ontstaan van Sable Tours is niet uit de lucht gegrepen. De kiem van dit markante reisbureau werd gelegd door de verbintenis die Marcella en Pieter voelen met Zuidelijk Afrika. Pieter van oorsprong Afrikaans en Marcella door haar voorliefde met het land. Twee bevlogen mensen met dezelfde passie, dat moet wel voorbestemd zijn. Dat bleek wel toen zij elkaar troffen tijdens Marcella’s eerste Zuid-Afrika reis. Dit maakt de visie van dit reisbureau bijzonder en ijzersterk. Marcella: “Wij leveren maatwerk aan onze klanten. Wij voeren de wensen van de klant door in hun reis. Door onze ervaring met het reizen door Zuidelijk Afrika weten we de meest bijzondere plekjes toe te kennen”, vertelt de reisaanbieder vol enthousiasme. “Geen mens is gelijk, en daarmee tevens geen wens gelijk. Wij dragen zorg voor de mooiste bestemmingen, of dat nou een privé reservaat, een groeps- of individuele reis of een doorreis door Zuidelijk Afrika is.” De kennis van de reisaanbieders is omvangrijk en daarmee onderscheiden ze zich als geen ander. Sable Tours weet van de hoed en de rand van Zuidelijk Afrika. Hierdoor ben je verzekerd van een reis die verder gaat dan het bekende en de gebaande paden. Een reis geboekt bij Sable Tours is een reis uit het hart gegrepen. “De accommodaties die wij aanbieden, zijn accommodaties waarvan wij zeker stellen dat de eigenaars het onderkomen goed hebben verzorgd. De wens van onze klant staat centraal en hiervoor investeren wij graag tijd. Door goed te luisteren naar de wensen van de klant kunnen we een geheel uitgestippelde reis aan deze wens koppelen”, gaat Marcella verder. “Doordat we een kleine organisatie zijn, kunnen we extra nadruk leggen op persoonlijk maatwerk. Voor ons van groot belang.”

Kaapstad

“Botswana, Namibië en Tanzania, een kleine greep uit het veelzijdige reisaanbod. In de loop der jaren zijn er steeds meer Afrikaanse landen aan het lijstje toegevoegd.” Marcella geeft een korte bloemlezing over al het moois dat Zuidelijk Afrika te bieden heeft, en vanzelfsprekend te boeken valt bij Sable Tours: “Safarireizen waarbij het treffen van veel wild gegarandeerd is, inheemse diersoorten spotten in Namibië met haar open savannes en oprijzende bergketens. Mooie stranden en lagunes in Mauritius. Eindeloze vlaktes én Afrika’s hoogste berg in Tanzania.” Marcella en Pieter bestieren ’t vak vol geestdrift. Dat blijkt wel uit hun toewijding en onversneden enthousiasme. Het moge duidelijk zijn: als Zuidelijk Afrika op de planning staat om naar af te reizen, dan weet je vanaf nu welk reisbureau je aan de mouw moet trekken!

Sable Tours Slangenburg 202 3328 DV Dordrecht Nederland Tel: +31 (0)78 - 7850702 e-mail: info@sabletours.nl www.sabletours.nl

Van der Stel Manor


toPKliniSCh ZieKenhuiS

Analyse van overlevingsdata Een belangrijke uitkomstmaat in veel onderzoek is de tijd tot overlijden. Er wordt dan een patiëntengroep door de tijd gevolgd en er wordt gekeken of een bepaalde interventie de overlevingsduur verlengt. Deze tijd tot overleving is meestal scheef verdeeld. De normale verdeling, waarop veel statistische technieken zijn gebaseerd, is daarop niet van toepassing. Ook is de uitkomst niet voor alle patiënten exact bekend. Soms is de studie beëindigd vóór alle patiënten overleden zijn en soms zijn patiënten uit het zicht verdwenen en is alleen bekend dat ze op een bepaalde datum nog in leven waren. Als we de echte overlevingsduur niet kennen, maar enkel een ondergrens hiervan, dan wordt dit in de statistiek censurering genoemd. Dit zorgt er ook voor dat veel standaard statistische technieken niet meer valide zijn. Gelukkig zijn er aparte statistische technieken ontwikkeld, die rekening houden met censurering en de niet-normale verdelingen van overlevingsdata. Deze tak van de statistiek wordt survival analysis genoemd, oftewel de analyse van overlevingsdata.

De technieken die bij survival analysis worden gebruikt zijn overigens net zo goed van toepassing op andere uitkomsten dan overlijden, denk bijvoorbeeld aan ‘de tijd tot het vinden van een baan’ of ‘tijd op de intensive care’. Een andere naam voor deze tak van statistiek is dan ook time-to-event analyse. De Kaplan-Meier-methode Een van de eenvoudigste manieren om naar deze data te kijken, is die van het schatten van de overlevingscurve met de Kaplan-Meiermethode. Met deze techniek proberen we de overlevingscurve te schatten, zonder aannamen te maken over bijvoorbeeld de vorm van de verdeling. Dit gaat door op elk tijdstip waarop er iemand overleden is, te kijken naar hoeveel mensen op dat moment nog in de steekproef zaten (en dus zouden hebben kunnen overlijden). Dit is het aantal patiënten at risk. Hiermee is de kans om dood te gaan nu eenvoudig te berekenen, door het aantal overlijdensgevallen te delen door het aantal patiënten at risk. Deze kansen gebruiken we om uit te rekenen hoe groot de kans is om juist te overleven tot een bepaald tijdstip.

Sten Willemsen Sten Willemsen is biostatisticus in het Erasmus Medisch Centrum. Hij is afwisselend met Joost van Rosmalen - op dinsdag in het Albert Schweitzer ziekenhuis beschikbaar voor deskundig advies over statistiek bij medisch onderzoek.

Met een voorbeeld is deze werkwijze eenvoudig te begrijpen. Stel dat we voor een onderzoek tien patiënten hebben geïncludeerd. De eerste overlijdt na één maand en de tweede na drie maanden. Ook is er een patiënt na twee maanden naar het buitenland verhuisd, die we daarom niet meer hebben kunnen benaderen. Bij één maand waren alle patiënten nog onderhevig aan het risico op overlijden. De kans op overlijden is dan ook 1/10 of 10%. De overlevingskans is gelijk aan

48


WAS

Z toPKliniSCh ZieKenhuiS

de kans om niet te zijn overleden dus 100%-10%=90%. Bij drie maanden zijn nog acht patiënten at risk (de overleden patiënt en de verhuisde patiënt niet meer). De kans op overlijden bij drie maanden is 1/8 of 12.5%. De kans om binnen drie maanden te overlijden is gelijk aan de kans om binnen een maand te overlijden plus de kans om binnen een maand niet te overlijden, maar bij drie maanden wel. Dus 10% + 90%* 12.5% = 21.3 %. Omgekeerd is de kans op nog in leven te zijn na drie maanden 78.7%. Op dezelfde manier rekenen we deze kansen uit op de andere tijdstippen waarop er patiënten zijn overleden. De logrank-toets Wanneer we de verschillende overlevingscurven met elkaar willen vergelijken, kunnen we de zogenaamde logrank-toets uitvoeren. Dit is de meest gebruikte toets voor overlevingsdata. De nulhypothese is, dat de overleving niet verschilt tussen de verschillende groepen. In deze toets wordt voor elk tijdstip waarop iemand overlijdt een kruistabel gemaakt, waarin we de werkelijke aantallen overleden patiënten vergelijken met wat we zouden verwachten als de hypothese dat de overleving niet verschilt, waar zou zijn. Vervolgens combineren we de verschillende kruistabellen die horen bij de verschillende overlevingsduren. Deze werkwijze is overigens vergelijkbaar met de MantelHaenszel-methode om naar de relatie tussen een risicofactor en een uitkomst te kijken. Door middel van stratificatie corrigeren we hierbij voor een mogelijke confounder. Het Cox-model Met de logrank-toets kunnen we groepen met elkaar vergelijken, maar we komen niet te weten hoe groot het verschil tussen de groepen nu werkelijk is, we krijgen immers geen duidelijke effectmaat. Ook is het niet goed mogelijk om rekening te houden met andere factoren die de sterfte kunnen beïnvloeden (zoals de leeftijd en de gezondheid

van de patiënten bij aanvang van de studie). Als we dit willen, moeten we een regressiemodel gebruiken. Hoewel er alternatieven zijn, is bij medisch onderzoek het Cox-model het populairst. Bij dit model hoeven we weer geen aanname te maken over de vorm van de overlevingscurve. De effect-maat die we uit dit model krijgen is de zogenaamde hazard-ratio. Dus hoeveel neemt de hazard toe als de exposure één eenheid toeneemt. De hazard is een veelgebruikte risicomaat bij analyse van overlevingsduren. Hij kan grofweg omschreven worden als het risico van een patiënt om op een bepaald moment te overlijden, gegeven, dat hij tot dat moment nog in leven is. In het Cox-model nemen we aan dat deze hazard (afhankelijk van de risicofactoren) met een bepaalde factor verhoogd of verlaagd wordt, ongeacht het tijdstip. Het is dus een aanname die wel gecontroleerd moet worden. Samenvattend De Kaplan-Meier-methode, de logrank-toets en het Cox-regressiemodel zijn methoden die in verschillende statistische programma’s zoals SPSS kunnen worden uitgevoerd. In deze korte introductie zijn veel zaken onbesproken gebleven. Bijvoorbeeld hoe je moet omgaan met risicofactoren die afhankelijk zijn van de tijd. Verder is er geen rekening gehouden met data waarbij de waarnemingen niet onafhankelijk zijn en zijn we ervan uitgegaan dat er maar één mogelijke uitkomst is (bijvoorbeeld in een onderzoek naar overlijden op de intensive care waarbij patiënten ook ontslagen kunnen worden). Om hier goed mee om te gaan, is het vaak noodzakelijk om van andere software gebruik te maken, zoals R. Wanneer je hulp nodig hebt bij een survival analyse, kun je altijd een statisticus raadplegen. Joost van Rosmalen en Sten Willemsen zijn afwisselend op de dinsdagen beschikbaar voor statistisch advies.

Kaplan-Meier-curve van de overleving van HIV-patienten voor wie zidovudine niet werkte en behandeld worden met 500 mg didanosine (ddl) of 2.25 mg zalcitabine (ddC) per dag (p-waarde logrank test 0.15). Op de y-as staat de cumulatieve overlevingskans en op de x-as de tijd van de start van de behandeling tot overlijden of censureren in maanden.

49


WetenSChAPPeliJKe PubliCAtieS

Wetenschappelijke publicaties Juni 2017 t/m Januari 2018 De publicaties zijn aangeleverd vanuit de Onderzoeksdatabank, databank PubMed Publicaties. Het publicatieoverzicht en lopende studies zijn te vinden op de Bibliotheekpagina en op de Wetenschapspagina. Mist u artikelen dan kunt u contact opnemen met de bibliotheek namelijk:. bibliotheek@asz.nl.

Anesthesiologie Hospital variation in allogeneic transfusion and extended length of stay in primary elective hip and knee arthroplasty: a cross-sectional study. Voorn VMA1, Marang-van de Mheen PJ1, van der Hout A1, So-Osman C2,3, van den Akker-van Marle ME1, Koopman-van Gemert AWMM4, Dahan A5, Vliet Vlieland TPM6, Nelissen RGHH6, van Bodegom-Vos L1; LISBOA study group. BMJ Open. 2017 Jul 20;7(7):e014143. Percutaneous Nucleoplasty for the Treatment of a Contained Cervical Disk Herniation. de Rooij JD1, Gadjradj PS, Soria van Hoeve JS, Huygen FJ, Aukes HA, Harhangi BS. Clin Spine Surg. 2017 Nov;30(9):389-391. Spinal Cord Stimulation in Patients With Complex Regional Pain Syndrome: A Possible Target for Immunomodulation? Kriek N1, Schreurs MWJ2, Groeneweg JG1, Dik WA2, Tjiang GCH3, GĂźltuna I4, Stronks DL1, Huygen FJPM1. Neuromodulation. 2018 Jan;21(1):77-86.

registry to assess the STENTYS self-exPanding COronary Stent In AcuTe MyocardIal InfarctiON) registry. Lu H1, Grundeken MJ, Vos NS, IJsselmuiden AJ, van Geuns RJ, Wessely R, Dengler T, La Manna A, Silvain J, Montalescot G, Spaargaren R, Tijssen JG, Amoroso G, de Winter RJ, Koch KT. EuroIntervention. 2017 Aug 4;13(5):e572e577. Comprehensive Cardiac CT With Myocardial Perfusion Imaging Versus Functional Testing in Suspected Coronary Artery Disease: The Multicenter, Randomized CRESCENT-II Trial. Lubbers M1, Coenen A2, Kofflard M3, Bruning T4, Kietselaer B5, Galema T6, Kock M7, Niezen A8, Das M9, van Gent M3, van den Bos EJ3, van Woerkens L3, Musters P6, Kooij S7, Nous F10, Budde R10, Hunink M10, Nieman K11. JACC Cardiovasc Imaging. 2017 Dec 8. pii: S1936-878X(17)30993-2. Fatal elective DDD-pacemaker implantation. Klop B1, van Woerkens LJPM2, Bijl M2. Neth Heart J. 2017 Oct 30.

Cardiologie

High T2-weighted signal intensity for risk prediction of sudden cardiac death in hypertrophic cardiomyopathy. Gommans DHF1,2, Cramer GE3, Bakker J4, Dieker HJ3, Michels M5, Fouraux MA6, Marcelis CLM7, Verheugt FWA3, Timmermans J3, Brouwer MA3, Kofflard MJM8. Eur J Heart Fail. 2018 Jan;20(1):89-96.

Bioresorbable Scaffolds versus Metallic Stents in Routine PCI. Wykrzykowska JJ1, Kraak RP1, Hofma SH1, van der Schaaf RJ1, Arkenbout EK1, IJsselmuiden AJ1, Elias J1, van Dongen IM1, Tijssen RY1, Koch KT1, Baan J Jr1, Vis MM1, de Winter RJ1, Piek JJ1, Tijssen JG1, Henriques JP1; AIDA Investigators. N Engl J Med. 2017 Jun 15;376(24):23192328.

Iodixanol versus Iopromide at Coronary CT Angiography: Lumen Opacification and Effect on Heart Rhythm-the Randomized IsoCOR Trial. Lubbers MM1, Kock M1, Niezen A1, Galema T1, Kofflard M1, Bruning T1, Kooij HS1, van Valen H1, Dijkshoorn M1, Booij R1, Padmos A1, Vogels A1, Budde RPJ1, Nieman K1. Radiology. 2018 Jan;286(1):71-80.

Clinical outcomes with the STENTYS selfapposing coronary stent in patients presenting with ST-segment elevation myocardial infarction: two-year insights from the APPOSITION III (A Post-Market

One-Year Clinical Outcomes of Patients Presenting With ST-Segment Elevation Myocardial Infarction Caused by Bifurcation Culprit Lesions Treated With the Stentys Self-Apposing Coronary Stent:

Results From the APPOSITION III Study. Grundeken MJ, Lu H, Vos N, IJsselmuiden A, van Geuns RJ, Wessely R, Dengler T, La Manna A, Silvain J, Montalescot G, Spaargaren R, Tijssen JGP, de Winter RJ, Wykrzykowska JJ, Amoroso G, Koch KT1. J Invasive Cardiol. 2017 Aug;29(8):253-258. Potentially increased incidence of scaffold thrombosis in patients treated with Absorb BVS who terminated DAPT before 18 months. Felix CM1, Vlachojannis GJ, IJsselmuiden AJJ, Fam JM, Smits PC, Lansink WJ, Diletti R, Zijlstra F, Regar ES, Boersma E, Onuma Y, van Geuns RJM. EuroIntervention. 2017 Jun 2;13(2):e177e184. Recommendations for the use of bioresorbable vascular scaffolds in percutaneous coronary interventions : 2017 revision. Everaert B1,2, Wykrzykowska JJ3, Koolen J4, van der Harst P5, den Heijer P6, Henriques JP3, van der Schaaf R7, de Smet B8, Hofma SH9, Diletti R1, Weevers A10, Hoorntje J11, Smits P12, van Geuns RJ13. Neth Heart J. 2017 Jul;25(7-8):419-428. Recurrent Late Bioresorbable Scaffold Thrombosis as a Presenting Symptom of Underlying Cancer. Leening MJG, Weevers APJD, van Geuns RM, Deckers JW, Levin MD. J Am Coll Cardiol. 2018 Jan 16;71(2):259-260. Serially measured circulating microRNAs and adverse clinical outcomes in patients with acute heart failure. van Boven N1,2,3, Kardys I1,3, van Vark LC1,3, Akkerhuis KM1,3, de Ronde MWJ4,5,6, Khan MAF4, Merkus D1,3, Liu Z7, Voors AA8, Asselbergs FW9,10,11, van den Bos EJ12, Boersma E1,3, Hillege H8,13, Duncker DJ1,3, Pinto YM4, Postmus D13. Eur J Heart Fail. 2018 Jan;20(1):89-96. Risk of misclassification with a non-fasting lipid profile in secondary cardiovascular prevention. Klop B1, Hartong SCC2, Vermeer HJ3, Schoofs MWCJ2, Kofflard MJM4. Clin Chim Acta. 2017 Sep;472:90-95.

50


WAS

Z WetenSChAPPeliJKe PubliCAtieS

An undifferentiated pulmonary carcinoma growing into the left atrium causing cardiac embolism. Klop B1, Kock MC2, Vincenten JP3, Kofflard MJ4. Int J Cardiovasc Imaging. 2017 Jun;33(6):915-916.

Chirurgie Conditional survival in patients with unresectable perihilar cholangiocarcinoma. Gaspersz MP1, Buettner S2, van Vugt JLA2, Roos E3, Coelen RJS3, Vugts J2, Belt EJ4, de Jonge J2, Polak WG2, Willemssen FEJA5, van Gulik TM3, IJzermans JNM2, Groot Koerkamp B2. HPB (Oxford). 2017 Nov;19(11):966-971. Home visits as part of a new care pathway (iAID) to improve quality of care and quality of life in ‘ostomy patients: a cluster-randomised stepped-wedge trial. Sier MF1, Oostenbroek RJ2, Dijkgraaf MG3, Veldink GJ3, Bemelman WA3, Pronk A4, Spillenaar-Bilgen EJ5, Kelder W6, Hoff C7, Ubbink DT3; iAID-study group. Colorectal Dis. 2017 Aug;19(8):739-749. Internet-based Cognitive Behavioral Therapy Realizes Long-term Improvement in the Sexual Functioning and Body Image of Breast Cancer Survivors. Hummel SB1, van Lankveld JJ2, Oldenburg HS3, Hahn DE4,5, Kieffer JM1, Gerritsma MA1, Kuenen MA1, Bijker N6, Borgstein PJ7, Heuff G8, Cardozo AML9, Plaisier PW10, Rijna H11, van der Meij S12, van Dulken EJ13, Vrouenraets BC14, Broomans E15,16, Aaronson NK1. J Sex Marital Ther. 2018 Jan 3:0. Preoperative indication for systemic therapy extended to patients with early-stage breast cancer using multiparametric 7tesla breast MRI. Schmitz AMT1, Veldhuis WB1, Menke-Pluijmers MBE2, van der Kemp WJM1, van der Velden TA1, Viergever MA1, Mali WPTM1, Kock MCJM3, Westenend PJ4, Klomp DWJ1, Gilhuijs KGA1. PLoS One. 2017 Sep 26;12(9):e0183855. The role of ultrasonography of the axilla and fine-needle aspiration cytology in breast cancer patients in the era of neoadjuvant chemotherapy and axillary radiation; prevention of futile sentinel node procedures revisited. Westenend PJ1, Storm R2, Kock M2,

51

Kitzen J3, Plaisier P4, Menke-Pluijmers M4. Eur J Surg Oncol. 2018 Jan;44(1):192-193. Short-term Results of the RAPID Randomized Trial of the Legflow Paclitaxel-Eluting Balloon With Supera Stenting vs Supera Stenting Alone for the Treatment of Intermediate and Long Superficial Femoral Artery Lesions. de Boer SW1, van den Heuvel DAF1, de Vries-Werson DAB2, Vos JA1, Fioole B3, Vroegindeweij D4, Elgersma OE5, Tutein Nolthenius RP6, Heyligers JMM7, Bosma GPT8, de Leeuw B9, Bouwman LH10, Böckler D11, Dovzhanskiy DI11, Vos FWF12, Vink TWF13, Hooijboer PGA14, Hissink RJ15, de Vries JPM2. Colorectal Dis. 2017 Aug;19(8):739-749.

Gynaecologie Endometrial scratching in women with implantation failure after a first IVF/ICSI cycle; does it lead to a higher live birth rate? The SCRaTCH study: a randomized controlled trial (NTR 5342). van Hoogenhuijze NE1, Torrance HL2, Mol F3, Laven JSE4, Scheenjes E5, Traas MAF6, Janssen C7, Cohlen B8, Teklenburg G8, de Bruin JP9, van Oppenraaij R10, Maas JWM11, Moll E12, Fleischer K13, van Hooff MH14, de Koning C15, Cantineau A16, Lambalk CB17, Verberg M18, Nijs M19, Manger AP20, van Rumste M21, van der Voet LF22, PreysBosman A23, Visser J24, Brinkhuis E25, den Hartog JE26, Sluijmer A27, Jansen FW28, Hermes W29, Bandell ML30, Pelinck MJ31, van Disseldorp J32, van Wely M33, Smeenk J34, Pieterse QD35, Boxmeer JC36, Groenewoud ER37, Eijkemans MJC2, Kasius JC2, Broekmans FJM2. BMC Womens Health. 2017 Jul 21;17(1):47. The influence of SNP-based chromosomal microarray and NIPT on the diagnostic yield in 10,000 fetuses with and without fetal ultrasound anomalies. Srebniak MI1, Knapen MF2,3, Polak M4, Joosten M1, Diderich KE1, Govaerts LC1, Boter M1, Kromosoeto JN1, van Hassel DA1, Huijbregts G1, van Ijcken WF5, Heydanus R6, Dijkman A7, Toolenaar T8, de Vries FA1, Knijnenburg J1, Go AT2, Galjaard RH1, Van Opstal D1. Hum Mutat. 2017 Jul;38(7):880-888. A multi-centre, non-inferiority, randomised controlled trial to compare a cervical pessary with a cervical cerclage

in the prevention of preterm delivery in women with short cervical length and a history of preterm birth - PC study. Koullali B1, van Kempen LEM2, van Zijl MD2, Naaktgeboren CA3, Schuit E3, Bekedam DJ4, Franssen MTM5, Nij Bijvank SWA6, Sueters M7, van Baal M8, de Boer MA9, Hooker AB10, Hermsen BBJ11, Toolenaar TAAM12, Zwart JJ13, van der Ham DP14, van der Made FW15, Prefumo F16, Martinez de Tejada B17, Papatsonis DNM18, Huisjes AJM19, Scheepers LHCJ20, van Hoorn ME21, Hasaart THM22, Schuitemaker NWE23, Vollebregt KC24, Müller MA25, Evers IM26, Post MS27, de Boer K28, Visser H29, Mensing van Charante NA30, Langenveld J31, Steemers NYC32, Mol BWJ33, Oudijk MA2, Pajkrt E2. BMC Pregnancy Childbirth. 2017 Jul 6;17(1):215.

Infectieziekten Effectiveness of cleaning-disinfection wipes and sprays against multidrug-resistant outbreak strains. Kenters N1, Huijskens EGW2, de Wit SCJ3, van Rosmalen J4, Voss A5. Am J Infect Control. 2017 Aug 1;45(8):e69e73.

Interne geneeskunde The association of weight loss with oneyear mortality in hospital patients, stratified by BMI and FFMI subgroups. de van der Schueren MAE1, de Smoker M2, Leistra E3, Kruizenga HM4. Clin Nutr. 2017 Aug 31. pii: S02615614(17)30307-2. Changes in body composition and muscle attenuation during taxane-based chemotherapy in patients with metastatic breast cancer. Rier HN1,2, Jager A3, Sleijfer S3, van Rosmalen J4, Kock MCJM5, Levin MD6. Breast Cancer Res Treat. 2017 Nov 17. Digital microscopy as a screening tool for the diagnosis of hereditary hemolytic anemia. Huisjes R1, van Solinge WW1, Levin MD2, van Wijk R1, Riedl JA3. Int J Lab Hematol. 2017 Nov 1.


WetenSChAPPeliJKe PubliCAtieS

Efficacy and safety of subcutaneous and intravenous rituximab plus cyclophosphamide, doxorubicin, vincristine, and prednisone in first-line diffuse large Bcell lymphoma: the randomized MabEase study. Lugtenburg P1, Avivi I2, Berenschot H3, Ilhan O4, Marolleau JP5, Nagler A6, Rueda A7, Tani M8, Turgut M9, Osborne S10, Smith R11, Pfreundschuh M12. Haematologica. 2017 Nov;102(11):19131922. Efficacy of ibrutinib in a patient with transformed lymphoplasmacytic lymphoma and central nervous system involvement. Hiemcke-Jiwa LS1, Leguit RJ1, Radersmavan Loon JH1, Westerweel PE2, Rood JJM3, Doorduijn JK4, Huibers MMH1, Minnema MC5. Leuk Lymphoma. 2017 Aug 29:1-4. First-Line Palliative HER2-Targeted Therapy in HER2-Positive Metastatic Breast Cancer Is Less Effective After Previous Adjuvant Trastuzumab-Based Therapy. Rier HN1,2, Levin MD3, van Rosmalen J4, Bos MMEM5, Drooger JC2,6, de Jong P7, Portielje JEA8, Elsten EMP9, Ten Tije AJ9, Sleijfer S2, Jager A2 Oncologist. 2017 Aug;22(8):901-909. Impact of hospital experience on the quality of tyrosine kinase inhibitor response monitoring and consequence for chronic myeloid leukemia patient survival. Geelen IGP1, Thielen N2, Janssen JJWM3, Hoogendoorn M4, Roosma TJA3, Willemsen SP5, Valk PJM6, Visser O7, Cornelissen JJ6, Westerweel PE8. Haematologica. 2017 Dec;102(12):e486e489. Influence of WHO versus ELN advanced phase chronic myeloid leukemia definitions on overall survival. Geelen IGP1, Thielen N2,3, Janssen JJWM2, Levin MD1, Hoogendoorn M4, Visser O5, Cornelissen JJ6, Westerweel PE1. Eur J Haematol. 2017 Oct;99(4):381-382. Microbiological outcomes and antibiotic overuse in Emergency Department patients with suspected sepsis. Minderhoud TC1, Spruyt C, Huisman S,

Oskam E, Schuit SCE, Levin MD. Neth J Med. 2017 Jun;75(5):196-203. PMID: 28653945 Omitting cytogenetic assessment from routine treatment response monitoring in CML is safe. Geelen IGP1, Thielen N2,3, Janssen JJWM2, Hoogendoorn M4, Roosma TJA2, Valk PJM5, Visser O6, Cornelissen JJ5, Westerweel PE1. Eur J Haematol. 2017 Dec 29. Optimal Duration of Extended Adjuvant Endocrine Therapy for Early Breast Cancer; Results of the IDEAL Trial (BOOG 2006-05). Blok EJ1, Kroep JR1, Meershoek-Klein Kranenbarg E1, Duijm-de Carpentier M1, Putter H1, van den Bosch J1, Maartense E1, van Leeuwen-Stok AE1, Liefers GJ1, Nortier JWR1, Rutgers EJT1, van de Velde CJH1; IDEAL Study Group. J Natl Cancer Inst. 2018 Jan 1;110(1). Recurrent Late Bioresorbable Scaffold Thrombosis as a Presenting Symptom of Underlying Cancer. Leening MJG, Weevers APJD, van Geuns RM, Deckers JW, Levin MD. J Am Coll Cardiol. 2018 Jan 16;71(2):259-260. Risk of misclassification with a non-fasting lipid profile in secondary cardiovascular prevention. Klop B1, Hartong SCC2, Vermeer HJ3, Schoofs MWCJ2, Kofflard MJM4. Clin Chim Acta. 2017 Sep;472:90-95. The role of ultrasonography of the axilla and fine-needle aspiration cytology in breast cancer patients in the era of neoadjuvant chemotherapy and axillary radiation; prevention of futile sentinel node procedures revisited. Westenend PJ1, Storm R2, Kock M2, Kitzen J3, Plaisier P4, Menke-Pluijmers M4. Eur J Surg Oncol. 2018 Jan;44(1):192-193. Severe sarcopenia might be associated with a decline of physical independence in older patients undergoing chemotherapeutic treatment. Rier HN1,2, Jager A3, Meinardi MC4, van Rosmalen J5, Kock MCJM6, Westerweel PE7, Trajkovic M7, Sleijfer S3, Levin MD7. Support Care Cancer. 2017 Dec 15.

Successful transfer of umbilical cord blood CD34+ hematopoietic stem and progenitor-derived NK cells in older acute myeloid leukemia patients. Dolstra H1, Roeven MW2, Spanholtz J3, Hangalapura BN4, Tordoir M3, Maas F4, Leenders M4, Bohme F5, Kok N5, Trilsbeek C4, Paardekooper J4, van der Waart AB6, Westerweel PE7, Snijders TJ8, Cornelissen JJ9, Bos GM10, Pruijt HF11, De Graaf AO4, van der Reijden B4, Jansen JH6, van der Meer A4, Huls G12, Cany J13, Preijers F4, Blijlevens NM4, Schaap NM14. Clin Cancer Res. 2017 Aug 1;23(15):41074118. Treatment outcome in a populationbased â&#x20AC;&#x2DC;real-worldâ&#x20AC;&#x2122; cohort of chronic myeloid leukemia patients. Geelen IGP1, Thielen N2, Janssen JJWM3, Hoogendoorn M4, Roosma TJA3, Willemsen SP5, Visser O6, Cornelissen JJ7, Westerweel PE8 Haematologica. 2017 Nov;102(11):18421849.

Keel-, neus- en oorheelkunde Influence of surface roughness on silicone rubber voice prostheses on in vitro biofilm formation and clinical lifetime in laryngectomized patients. Buijssen KJ1,2,3, Oosterhof JJ1, Basil L4, Waters M4, Duits MA1, Busscher HJ2, van der Mei HC2, van der Laan BF1. Clin Otolaryngol. 2017 Dec;42(6):1235-1240.

Kindergeneeskunde Procalcitonin-guided decision making for duration of antibiotic therapy in neonates with suspected early-onset sepsis: a multicentre, randomised controlled trial (NeoPIns). Stocker M1, van Herk W2, El Helou S3, Dutta S3, Fontana MS1, Schuerman FABA4, van den Tooren-de Groot RK5, Wieringa JW6, Janota J7, van der Meer-Kappelle LH8, Moonen R9, Sie SD10, de Vries E11, Donker AE12, Zimmerman U13, Schlapbach LJ14, de Mol AC15, Hoffman-Haringsma A16, Roy M17, Tomaske M18, Kornelisse RF19, van Gijsel J20, Visser EG21, Willemsen SP22, van Rossum AMC21; NeoPInS Study Group. Collaborators (57): Bakry A, .... Donker A. Lancet. 2017 Aug 26;390(10097):871-881. Sugarsquare, a Web-Based Patient Portal

52


WAS

Z WetenSChAPPeliJKe PubliCAtieS

for Parents of a Child With Type 1 Diabetes: Multicenter Randomized Controlled Feasibility Trial. Boogerd E1, Maas-Van Schaaijk NM1,2, Sas TC3, Clement-de Boers A4, Smallenbroek M5, Nuboer R6, Noordam C2,7, Verhaak CM1. J Med Internet Res. 2017 Aug 22;19(8):e287.

Klinische chemie Digital microscopy as a screening tool for the diagnosis of hereditary hemolytic anemia. Huisjes R1, van Solinge WW1, Levin MD2, van Wijk R1, Riedl JA3. Int J Lab Hematol. 2017 Nov 1. doi: 10.1111/ijlh.12758. [Epub ahead of print] PMID: 29090523 High T2-weighted signal intensity for risk prediction of sudden cardiac death in hypertrophic cardiomyopathy. Gommans DHF1,2, Cramer GE3, Bakker J4, Dieker HJ3, Michels M5, Fouraux MA6, Marcelis CLM7, Verheugt FWA3, Timmermans J3, Brouwer MA3, Kofflard MJM8. Eur J Heart Fail. 2018 Jan;20(1):89-96. doi: 10.1002/ejhf.950. Epub 2017 Sep 25. PMID: 29063221 Risk of misclassification with a non-fasting lipid profile in secondary cardiovascular prevention. Klop B1, Hartong SCC2, Vermeer HJ3, Schoofs MWCJ2, Kofflard MJM4. Clin Chim Acta. 2017 Sep;472:90-95.

Klinische fysica Automated quality control of ultrasound based on in-air reverberation patterns. van Horssen P1, Schilham A2, Dickerscheid D3, van der Werf N3, Keijzers H1, van Almere R1, Kuijer J1, Peters R1, Hofman M1. Ultrasound. 2017 Nov;25(4):229-238. Influence of heart rate on coronary calcium scores: a multi-manufacturer phantom study. van der Werf NR1,2,3,4, Willemink MJ5, Willems TP6, Vliegenthart R6, Greuter MJW6, Leiner T5. Int J Cardiovasc Imaging. 2017 Dec 28. Influence of iterative reconstruction on coronary calcium scores at multiple heart rates: a multivendor phantom study on state-of-the-art CT systems. van der Werf NR1,2,3,4, Willemink MJ5, Willems TP6, Greuter MJW6, Leiner T5.

53

Int J Cardiovasc Imaging. 2017 Dec 28.

Longgeneeskunde An undifferentiated pulmonary carcinoma growing into the left atrium causing cardiac embolism. Klop B1, Kock MC2, Vincenten JP3, Kofflard MJ4. Int J Cardiovasc Imaging. 2017 Jun;33(6):915916.

Maag-, darm- en levergeneeskunde Histologic Factors Associated With Need for Surgery in Patients With Pedunculated T1 Colorectal Carcinomas. Backes Y1, Elias SG2, Groen JN3, Schwartz MP4, Wolfhagen FHJ5, Geesing JMJ6, Borg FT7, van Bergeijk J8, Spanier BWM9, de Vos Tot Nederveen Cappel WH10, Kessels K11, Seldenrijk CA12, Raicu MG12, Drillenburg P13, Milne AN14, Kerkhof M15, Seerden TCJ16, Siersema PD17, Vleggaar FP1, Offerhaus GJA18, Lacle MM18, Moons LMG19; Dutch T1 CRC Working Group. Gastroenterology. 2018 Jan 20. pii: S00165085(18)30063-5. Multicentre prospective evaluation of real-time optical diagnosis of T1 colorectal cancer in large non-pedunculated colorectal polyps using narrow band imaging (the OPTICAL study). Backes Y1, Schwartz MP2, Ter Borg F3, Wolfhagen FHJ4, Groen JN5, de Vos Tot Nederveen Cappel WH6, van Bergeijk J7, Geesing JMJ8, Spanier BWM9, Didden P1, Vleggaar FP1, Lacle MM10, Elias SG11, Moons LMG1; Dutch T1 CRC Working Group. Gut. 2018 Jan 3. pii: gutjnl-2017-314723. The prognostic value of lymph node yield in the earliest stage of colorectal cancer: a multicenter cohort study. Backes Y1, Elias SG2, Bhoelan BS1, Groen JN3, van Bergeijk J4, Seerden TCJ5, Pullens HJM6, Spanier BWM7, Geesing JMJ8, Kessels K9, Kerkhof M10, Siersema PD1,11, de Vos Tot Nederveen Cappel WH12, van Lelyveld N13, Wolfhagen FHJ14, Ter Borg F15, Offerhaus GJA16, Lacle MM16, Moons LMG17; Dutch T1 CRC Working Group. BMC Med. 2017 Jul 14;15(1):129.

Medische microbiologie Fosfomycin: Pharmacological, Clinical and Future Perspectives. Dijkmans AC1,2, Zacarías NVO3, Burggraaf J4, Mouton JW5,6, Wilms EB7, van Nieuwkoop C8, Touw DJ9, Stevens J10, Kamerling IMC1. Antibiotics (Basel). 2017 Oct 31;6(4). pii: E24.

Neurologie Duplex ultrasonography for the detection of vertebral artery stenosis: A comparison with CT angiography. Rozeman AD1,2, Hund H2, Westein M3, Wermer MJH4, Lycklama À Nijeholt GJ2, Boiten J1, Schimsheimer RJ3, Algra A5,6. Brain Behav. 2017 Jun 29;7(8):e00750. International Guillain-Barré Syndrome Outcome Study: protocol of a prospective observational cohort study on clinical and biological predictors of disease course and outcome in Guillain-Barré syndrome. Jacobs BC1,2, van den Berg B1, Verboon C1, Chavada G3, Cornblath DR4, Gorson KC5, Harbo T6, Hartung HP7, Hughes RAC8, Kusunoki S9, van Doorn PA1, Willison HJ3; IGOS Consortium. Collaborators (192): .... Kleyweg RP, ...., Kuitwaard K, .... J Peripher Nerv Syst. 2017 Jun;22(2):68-76. PMID: 28406555 Maintenance IV immunoglobulin treatment in chronic inflammatory demyelinating polyradiculoneuropathy. Kuitwaard K1,2, Fokkink WJR1,3, Brusse E1, Vrancken AFJE4, Eftimov F5, Notermans NC4, van der Kooi AJ5, Merkies ISJ6,7, Jacobs BC1,3, van Doorn PA1. J Peripher Nerv Syst. 2017 Dec;22(4):425-432. Predicting the presence of macrovascular causes in non-traumatic intracerebral haemorrhage: the DIAGRAM prediction score. Hilkens NA, van Asch CJJ, Werring DJ, Wilson D, Rinkel GJE, Algra A, Velthuis BK, de Kort GAP, Witkamp TD, van Nieuwenhuizen KM, de Leeuw FE, Schonewille WJ, de Kort PLM, Dippel DWJ, Raaymakers TWM, Hofmeijer J, Wermer MJH, Kerkhoff H, Jellema K, Bronner IM, Remmers MJM, Bienfait HP, Witjes RJGM, Jäger HR, Greving JP, Klijn CJM; DIAGRAM study group.


WetenSChAPPeliJKe PubliCAtieS

Collaborators (39): De Leeuw FE, Boogaarts HB, van Dijk EJ, Schonewille WJ, Pellikaan W, Puppels-de Waard C, de Kort P, Peluso JP, van Tuijl JH, Hofmeijer J, Joosten F, Dippel DW, Khajeh L, Raaijmakers T, Wermer MJ, van Walderveen MA, Kerkhoff H, Zock E, Jellema K, Lycklama À Nijeholt GJ, Bronner IM, Remmers M, Witjes R, Bienfait HP, Droogh-Greve KE, Donders R, Kwa V, Schreuder TH, Franke CL, Straver JS, Jansen C, Bakker S, Pleiter CC, Visser MC, van Asch C, Velthuis BK, Rinkel G, van Nieuwenhuizen KM, Klijn C. J Neurol Neurosurg Psychiatry. 2018 Jan 18. pii: jnnp-2017-317262. Protocol of a dose response trial of IV immunoglobulin in chronic inflammatory demyelinating polyradiculoneuropathy (DRIP study). Kuitwaard K1,2, Fokkink WJR1,3, Brusse E1, Vrancken AFJE4, Eftimov F5, Notermans NC4, van der Kooi AJ5, Merkies ISJ6,7, Jacobs BC1,3, van Doorn PA1. J Peripher Nerv Syst. 2017 Nov 9.

Orthopedie Concentrations of Blood Components in Commercial Platelet-Rich Plasma Separation Systems: A Review of the Literature. Oudelaar BW1, Peerbooms JC2, Huis In ‘t Veld R1, Vochteloo AJH1. Am J Sports Med. 2018 Jan 1:363546517746112. Frailty in end-stage hip or knee osteoarthritis: validation of the Groningen Frailty Indicator (GFI) questionnaire. Meessen JMTA1,2, Leichtenberg CS3, Tilbury C3, Kaptein BL3, Koster LA3, Slagboom PE4, Verdegaal SHM5, Onstenk R6, van der Linden-van der Zwaag HMJ3, Kaptijn H7, Vehmeijer SBW8, Marijnissen WC9, Damen PJ10, Nelissen RGHH3, Vliet Vlieland TPM3. Rheumatol Int. 2017 Nov 17.

Ouderengeneeskunde Severe sarcopenia might be associated with a decline of physical independence in older patients undergoing chemotherapeutic treatment. Rier HN1,2, Jager A3, Meinardi MC4, van Rosmalen J5, Kock MCJM6, Westerweel PE7, Trajkovic M7, Sleijfer S3, Levin MD7. Support Care Cancer. 2017 Dec 15.

Pathologie

tools PREDICT and Adjuvant! for earlystage breast cancer patients younger than 50 years. Engelhardt EG1, van den Broek AJ2, Linn SC3, Wishart GC4, Rutgers EJT5, van de Velde AO6, Smit VTHBM7, Voogd AC8, Siesling S9, Brinkhuis M10, Seynaeve C11, Westenend PJ12, Stiggelbout AM1, Tollenaar RAEM13, van Leeuwen FE2, van ‘t Veer LJ14, Ravdin PM15, Pharaoh PDP16, Schmidt MK17. Eur J Cancer. 2017 Jun;78:37-44. Breast Cancer Survival of BRCA1/BRCA2 Mutation Carriers in a Hospital-Based Cohort of Young Women. Schmidt MK1, van den Broek AJ1, Tollenaar RA1, Smit VT1, Westenend PJ1, Brinkhuis M1, Oosterhuis WJ1, Wesseling J1, JanssenHeijnen ML1, Jobsen JJ1, Jager A1, Voogd AC1, van Leeuwen FE1, van ‘t Veer LJ1. J Natl Cancer Inst. 2017 Aug 1;109(8). Expression of Contactin 4 is associated with malignant behavior in pheochromocytomas and paragangliomas. Evenepoel L1,2,3, van Nederveen FH4, Oudijk L2, Papathomas TG2,5, Restuccia DF2, Belt EJT6, de Herder WW7, Feelders RA7, Franssen GJH6, Hamoir M8, Maiter D9, Perren A10, Timmers HJLM11, van Eeden S12, Vroonen L13, Aydin S14, Robledo M15,16, Vikkula M3, de Krijger RR2,17, Dinjens WNM2, Persu A1,18, Korpershoek E2. J Clin Endocrinol Metab. 2018 Jan 1;103(1):46-55. Preoperative indication for systemic therapy extended to patients with early-stage breast cancer using multiparametric 7tesla breast MRI. Schmitz AMT1, Veldhuis WB1, Menke-Pluijmers MBE2, van der Kemp WJM1, van der Velden TA1, Viergever MA1, Mali WPTM1, Kock MCJM3, Westenend PJ4, Klomp DWJ1, Gilhuijs KGA1. PLoS One. 2017 Sep 26;12(9):e0183855. The role of ultrasonography of the axilla and fine-needle aspiration cytology in breast cancer patients in the era of neoadjuvant chemotherapy and axillary radiation; prevention of futile sentinel node procedures revisited. Westenend PJ1, Storm R2, Kock M2, Kitzen J3, Plaisier P4, Menke-Pluijmers M4. Eur J Surg Oncol. 2018 Jan;44(1):192-193.

Secondary gastric cancer following a breast cancer diagnosis; beware of metastatic breast cancer. Westenend PJ1. Breast. 2017 Oct;35:220.

Radiologie Association between Patient History and Physical Examination and Osteoarthritis after Ankle Sprain. van Ochten JM1, de Vries AD1, van Putte N2, Oei EHG3, Bindels PJE1, Bierma-Zeinstra SMA1, van Middelkoop M1. Int J Sports Med. 2017 Sep;38(9):717-724. Changes in body composition and muscle attenuation during taxane-based chemotherapy in patients with metastatic breast cancer. Rier HN1,2, Jager A3, Sleijfer S3, van Rosmalen J4, Kock MCJM5, Levin MD6. Breast Cancer Res Treat. 2017 Nov 17. Clinical and radiological predictors for persistent complaints five years after a lateral ankle sprain: A long-term followup study in primary care. Mailuhu AKE1, Oei EHG2, van Putte-Katier N3, van Ochten JM4, Bindels PJE4, BiermaZeinstra SMA4, van Middelkoop M4. J Sci Med Sport. 2017 Jul 23. pii: S14402440(17)30946-5. Comprehensive Cardiac CT With Myocardial Perfusion Imaging Versus Functional Testing in Suspected Coronary Artery Disease: The Multicenter, Randomized CRESCENT-II Trial. Lubbers M1, Coenen A2, Kofflard M3, Bruning T4, Kietselaer B5, Galema T6, Kock M7, Niezen A8, Das M9, van Gent M3, van den Bos EJ3, van Woerkens L3, Musters P6, Kooij S7, Nous F10, Budde R10, Hunink M10, Nieman K11. JACC Cardiovasc Imaging. 2017 Dec 8. pii: S1936-878X(17)30993-2. High T2-weighted signal intensity for risk prediction of sudden cardiac death in hypertrophic cardiomyopathy. Gommans DHF1,2, Cramer GE3, Bakker J4, Dieker HJ3, Michels M5, Fouraux MA6, Marcelis CLM7, Verheugt FWA3, Timmermans J3, Brouwer MA3, Kofflard MJM8. Eur J Heart Fail. 2018 Jan;20(1):89-96.

Accuracy of the online prognostication

54


WAS

Z WetenSChAPPeliJKe PubliCAtieS

Iodixanol versus Iopromide at Coronary CT Angiography: Lumen Opacification and Effect on Heart Rhythm-the Randomized IsoCOR Trial. Lubbers MM1, Kock M1, Niezen A1, Galema T1, Kofflard M1, Bruning T1, Kooij HS1, van Valen H1, Dijkshoorn M1, Booij R1, Padmos A1, Vogels A1, Budde RPJ1, Nieman K1. Radiology. 2018 Jan;286(1):71-80. Preoperative indication for systemic therapy extended to patients with early-stage breast cancer using multiparametric 7tesla breast MRI. Schmitz AMT1, Veldhuis WB1, Menke-Pluijmers MBE2, van der Kemp WJM1, van der Velden TA1, Viergever MA1, Mali WPTM1, Kock MCJM3, Westenend PJ4, Klomp DWJ1, Gilhuijs KGA1. PLoS One. 2017 Sep 26;12(9):e0183855. The role of ultrasonography of the axilla and fine-needle aspiration cytology in breast cancer patients in the era of neoadjuvant chemotherapy and axillary radiation; prevention of futile sentinel node procedures revisited. Westenend PJ1, Storm R2, Kock M2, Kitzen J3, Plaisier P4, Menke-Pluijmers M4. Eur J Surg Oncol. 2018 Jan;44(1):192-193. Severe sarcopenia might be associated with a decline of physical independence in older patients undergoing chemotherapeutic treatment. Rier HN1,2, Jager A3, Meinardi MC4, van Rosmalen J5, Kock MCJM6, Westerweel PE7, Trajkovic M7, Sleijfer S3, Levin MD7. Support Care Cancer. 2017 Dec 15. Short-term Results of the RAPID Randomized Trial of the Legflow Paclitaxel-Eluting Balloon With Supera Stenting vs Supera Stenting Alone for the Treatment of Intermediate and Long Superficial Femoral Artery Lesions. de Boer SW1, van den Heuvel DAF1, de Vries-Werson DAB2, Vos JA1, Fioole B3, Vroegindeweij D4, Elgersma OE5, Tutein Nolthenius RP6, Heyligers JMM7, Bosma GPT8, de Leeuw B9, Bouwman LH10, Böckler D11, Dovzhanskiy DI11, Vos FWF12, Vink TWF13, Hooijboer PGA14, Hissink RJ15, de Vries JPM2. Colorectal Dis. 2017 Aug;19(8):739-749. An undifferentiated pulmonary carcinoma growing into the left atrium caus-

55

ing cardiac embolism. Klop B1, Kock MC2, Vincenten JP3, Kofflard MJ4. Int J Cardiovasc Imaging. 2017 Jun;33(6):915-916.

Reumatologie Can baseline ultrasound results help to predict failure to achieve DAS28 remission after 1 year of tight control treatment in early RA patients? Ten Cate DF1, Jacobs JWG2, Swen WAA3, Hazes JMW4, de Jager MH5, Basoski NM6, Haagsma CJ7, Luime JJ4, Gerards AH8. Arthritis Res Ther. 2018 Jan 30;20(1):15. Effects of psychosocial factors on monitoring treatment effect in newly diagnosed rheumatoid arthritis patients over time: response data from the tREACH study. Kuijper TM1,2, Luime JJ2, Xiong H2,3, de Jong P2, van der Lubbe P4, van Zeben D5, Tchetverikov I6, Hazes J2, Weel A1,2. Scand J Rheumatol. 2017 Oct 2:1-7. Impact of Stopping Tumor Necrosis Factor-inhibitors on Rheumatoid Arthritis Patients’ Burden of Disease. Ghiti Moghadam M1, Ten Klooster PM2, Vonkeman HE3, Kneepkens EL4, Klaasen R5, Stolk JN6, Tchetverikov I7, Vreugdenhil SA8, van Woerkom JM9, Goekoop-Ruiterman YPM10, Landewé RBM11, van Riel PLCM12, van de Laar MAFJ1, Jansen TL13; Dutch National POET Collaboration. Arthritis Care Res (Hoboken). 2017 Jul 10. Limited value for ultrasonography in predicting flare in rheumatoid arthritis patients with low disease activity stopping TNF inhibitors. Lamers-Karnebeek FB1, Luime JJ2, Ten Cate DF2, Teerenstra S3, Swen NWAA4, Gerards AH5, Hendrikx J6, van Rooyen EM1, Voorneman R7, Haagsma C8, Basoski N9, de Jager M10, Ghiti Moghadam M11, Efde MN12, Goekoop-Ruiterman YPM13, van Riel PLCM6, Jacobs JWG14, Jansen TL12. Rheumatology (Oxford). 2017 Sep 1;56(9):1560-1565. Modification of a sonographic enthesitis score to differentiate between psoriatic arthritis and young healthy volunteers. Wervers K1, Vis M1, Rasappu N1, van der Ven M1, Tchetverikov I2, Kok MR3, Gerards AH4, Hazes J1, Luime JJ1. Scand J Rheumatol. 2018 Jan 2:1-4.

No clear association between ultrasound remission and health status in rheumatoid arthritis patients in clinical remission. van der Ven M1, Kuijper TM1, Gerards AH2, Tchetverikov I3, Weel AE1,4, van Zeben J5, Hazes JM1, Luime JJ1. Rheumatology (Oxford). 2017 Aug 1;56(8):1276-1281.

Spoedeisende geneeskunde Lactate ≥2 mmol/L plus qSOFA improves utility over qSOFA alone in emergency department patients presenting with suspected sepsis. Shetty A1,2, MacDonald SP3,4,5, Williams JM6, van Bockxmeer J7, de Groot B8, Esteve Cuevas LM9, Ansems A9, Green M10, Thompson K11, Lander H10, Greenslade J6,12, Finfer S11, Iredell J1. Emerg Med Australas. 2017 Dec;29(6):626634. Paediatric procedural sedation and analgesia by emergency physicians in a country with a recent establishment of emergency medicine. Kuypers MI1,2, Smits GJP3, Baerends EP4, Oskam E5, Reijners EPJ6, Mignot-Evers LAA7, Thijssen WAMH3, Plötz FB8, Korsten EHM9,10. Eur J Emerg Med. 2017 Dec 13. Prehospital antibiotics in the ambulance for sepsis: a multicentre, open label, randomised trial. Alam N1, Oskam E2, Stassen PM3, Exter PV4, van de Ven PM5, Haak HR6, Holleman F7, Zanten AV8, Leeuwen-Nguyen HV9, Bon V4, Duineveld BAM1, Panday RSN1, Kramer MHH1, Nanayakkara PWB10; PHANTASi Trial Investigators and the ORCA (Onderzoeks Consortium Acute Geneeskunde) Research Consortium the Netherlands. Lancet Respir Med. 2018 Jan;6(1):40-50. Safety of a 1-hour Rule-out High-sensitive Troponin T Protocol in Patients With Chest Pain at the Emergency Department. Röttger E1, de Vries-Spithoven S, Reitsma JB, Limburg A, van Ofwegen-Hanekamp CEE, Hoes AW, Poldervaart JM. Crit Pathw Cardiol. 2017 Dec;16(4):129-134.


ECHT GROENE STROOM?

Vergelijk het zelf en stap over via www.wise-energievergelijker.nl Dit is een campagne van WISE ondersteund door


-IHIVIIROER 4EVOMRWSROVMNKIR

'SRRMINEEV

Meer dan 55.000 Nederlanders lijden al aan deze ingrijpende ziekte. Met de alarmerende toename van de ziekte van Parkinson is investeren in onderzoek de enige weg.

7XIYRFEERFVIOIRHSRHIV^SIO +EREEV[[[TEVOMRWSRJSRHWRP IBAN: NL10ABNA0504201530 (IKVSSXWXI½RERGMIVZER[IXIRWGLETTIPMNO SRHIV^SIOREEVHI^MIOXIZER4EVOMRWSR

Fabian hoopt op een échte oplossing. Vraag ons magazine Voortleven aan via nierstichting.nl/nalaten In Voortleven vertellen drie generaties over de impact van een nierziekte en leest u meer over de innovatieve projecten voor nierpatiënten. Ook vindt u in het magazine informatie over nalaten en het werk van de Nierstichting. En, hoe wilt u voortleven?


acil). VVerkorte erkorte productinfor productinformatie matie Lonsurf® (trifluridine/tipir (trifluridine/tipiracil). voorschrijft, Samenvatting Productkenmerken Presentatie: atting tti vvan aan dde PProductk d tkenmerken (SPC) te rraadplegen. aadplegen. Pr VVoordat oordat u dit geneesmiddel voorsc hrijft, dient u de Samenv esentatie: Lonsurf 15 mg/6,14 mg filmomhulde tabletten en Lonsurf 20 mg/8,19 mg filmomhulde tabletten. Indicatie: Lonsurf is geïndiceerd voor de behandeling van volwassen patiënten met gemetastaseerd colorectaal carcinoom (CRC) die eerder zijn behandeld met of niet in aanmerking komen voor bestaande therapieën, waaronder chemotherapie op basis van fluoropyrimidine, oxaliplatine en irinotecan, behandeling met Farmacotherapeutische macotherapeutische categorie: geneesmiddelen voor de behandeling anti-VEGF-middelen en behandeling met anti-EGFR-middelen. Far van kanker, antimetabolieten, ATC code: L01BC59. Dosering en toediening: De aanbevolen startdosis van Lonsurf bij volwassenen is 35 mg/m²/dosis, oraal en tweemaal daags in te nemen op Dag 1 tot en met 5 en Dag 8 tot met 12 van elke 28-daagse cyclus zo lang er verbetering wordt waargenomen of totdat onacceptabele toxiciteit optreedt. De dosering wordt berekend aan de hand van het lichaamsoppervlak. De dosering mag niet hoger zijn dan 80 mg/dosis. Ten behoeve van de individuele veiligheid en verdraagbaarheid kan het nodig zijn de dosering aan te passen. Maximaal 3 dosisverlagingen zijn toegestaan tot een minimumdosis van 20 mg/m² tweemaal daags. Na verlaging van de dosis mag deze niet meer worden verhoogd.. Richtlijnenn voor de aanpassing van de doseringg – zie SPC. Speciale populaties. Er is geen speciale aanpassing van de dosering nodig bij milde of matige nierinsufficientie of milde leverfunctiestoornissen. Niet aanbevolen bij ernstige nierinsufficiëntie of een nierziekte in het laatste stadium of matige of ernstige leverinsufficiëntie. Aanpassing van de startdosis is niet nodig bij patiënten van 65 jaar of ouder. De hoeveelheid beschikbare werkzaamheids- en veiligheidsgegevens bij patiënten van ouder dan 75 jaar is beperkt. Aanpassing van de startdosis is niet nodig op basis van ras. Wijze van toediening. Oraal gebruik. De tabletten Contra-indicaties: innemen met een glas water binnen 1 uur na beëindiging van het ontbijt en de avondmaaltijd. Contr a-indicaties: overgevoeligheid voor Waarschuwingen voorzorgsmaatregelen: gsmaatregelen: Myelosuppressie: toename van de de werkzame stoffen of voor een van de hulpstoffen. W aarschuwingen en voorzor incidentie van myelosuppressie met anemie, neutropenie, leukopenie en trombocytopenie. Vóór aanvang van de behandeling moet een compleet bloedbeeld worden gedaan en ter controle van de toxiciteit moet, waar nodig, vóór elke behandelingscyclus een bloedtelling (minimaal).De behandeling mag niet worden gestart indien het totale aantal neutrofielen lager is dan 1,5 x 109/l, indien het aantal bloedplaatjes minder is dan 75 x109/l, en indien de patiënt een nog niet opgeloste, niet-hematologische, klinisch relevante toxiciteit graad 3 of 4 van voorgaande behandelingen vertoont. Patiënt monitoren i.v.m. infecties en zo nodig adequate maatregelen nemen (bv antimicrobiële middelen, granulocyte-colony-stimulating factor). Gastro-intestinale toxiciteit: xiciteit: toename van de incidentie van gastro-intestinale toxiciteitverschijnselen, waaronder misselijkheid, braken en diarree. Zo nodig antemeticum of antidiarrhoicum toedienen, dosisaanpassingen indien nodig. Nierinsufficiëntie: niet aanbevolen bij patiënten met ernstige nierinsufficiëntie of nierfalen. Bij matige nierinsufficiëntie vaker controleren op hematologische toxiciteitverschijnselen. Leverinsufficiëntie: niet aanbevolen bij matige of ernstige leverinsufficiëntie bij aanvang (criteriumgroep C en D van het National Cancer Institute [NCI] gedefinieerd als totaal bilirubine > 1,5 x ULN), aangezien een hogere incidentie van hyperbilirubinemie van graad 3 of 4 wordt waargenomen bij patiënten met matige leverinsufficiëntie bij aanvang, hoewel dit op zeer beperkte gegevens is gebaseerd. Proteïnurie: voorafgaand aan en regelmatig tijdens de behandeling controleren op proteïnurie d.m.v. teststrip. Interacties: acties: geneesmiddelen die Lactose-intolerantie: bevat lactose. Zwangerschap en borstvoeding: niet aanbevolen, zie volledige SPC. Inter interfereren met transporteiwitten CNT1, ENT1 en ENT2, middelen en die OCT2 en MA ATE1 TE1 remmen, humane thymidinekinase substraten( zoals zidovudine), hormonale anticonceptiemiddelen. Bijwerkingen: Zeer vaak: neutropenie, leukopenie, anemie, trombocytopenie, verminderde eetlust, diarree, misselijkheid, braken, vermoeidheid. VVaak: aak: onderste luchtweginfectie, bovenste luchtweginfectie, febriele neutropenie, lymfopenie, monocytose, hypoalbuminemie, insomnie, dysgeusie, dysgeusie, perifere neuropathie, duizeligheid, hoofdpijn, flush, dyspneu, hoesten, buikpijn, constipatie, stomatitis, afwijkingen in de mond, hyperbilirubinemie, palmoplantaire er ythrodysesthesie syndroom, rash, alopecia, pruritus, droge huid, proteïnurie, pyrexie, oedeem, mucositis, malaise, verhoogde leverenzymen, verhoogd alkalische fosfatase,gewichtsafname. Soms: septische shock, enteritis infectiosa, longinfectie, galweginfectie, influenza, urineweginfectie, tandvleesinfectie, herpes zoster, tinea pedis, candidiasis, bacteriële infectie, infectie, kankerpijn, pancytopenie, granulocytopenie, monocytopenie, erythropenia, leukocytose, dehydratie, hyperglykemie, hyperkaliëmie, hypokaliëmie, hypofosfatemie, hypernatriëmie, hyponatriëmie, hypocalciëmie, jicht, angst, neurotoxiciteit, dysesthesie, hyperesthesie, hypo-esthesie, syncope, paresthesie, branderig gevoel, lethargie, verminderde gezichtsscherpte, wazig zien, dubbelzien, cataract, conjunctivitis, droge ogen, duizeligheid, duizeligheid, oorklachten, angina pectoris, arrhythmia, palpitaties, embolie, hypertensie, hypotensie, longembolie, pleurale effusie, rhinorroe, dysfonie, orofaryngeale pijn, neusbloedingen, hemorragische enterocolitis, gastro-intestinale bloeding, acute pancreatitis, ascites, ileus, subileus, colitis, gastritis, reflux gastritis, oesofagitis, vertraagde maaglediging, opgezette buik, anale ontstekingen, zweervorming in de mond, dyspepsie, gastro-oesofageale reflux ziekte, proctalgia, buccale poliep, tandvlees bloeding, glossitis, periodontale ziekte, tandproblemen, kokhalzen, winderigheid, slechte adem, hepatotoxiciteit, biliaire dilatatie, huidexfoliatie, urticaria, fotosensitiviteitsreactie, erythema, acne, hyperhidrose, blaarvorming, nagelafwijkingen, zwelling van de gewrichten, gewrichtspijn, pijn in de botten, spierpijn, musculoskeletale pijn, spierzwakte, spierspasmen, pijn in de ledematen, gevoel van zwaarte, nierfalen, niet-infectieuze cystitis, mictiestoornis, hematurie, leukocyturia, menstruatiestoornissen, verslechtering van de algemene licha melijke gezondheid, pijn, gevoel van veranderde lichaamstemperatuur, xerosis, verhoogd serumcreatinine, elektrocardiogram QT verlengd, verhoogde INR, verlengde geactiveerde partiële tromboplastinetijd, verhoogd bloedureum, verhoogd bloedlactaatdehydrogenase, verlaagd totaal eiwit, verhoogd C- reactief proteïne, verlaagde hematocriet. Post-marketing ervaring: interstitiële longziekte gemeld bij Japanse Vergoedingsstatus: Add-on toegekend. Houder vvan an patiënten. Zie volledige productinformatie voor verdere details. Afleverstatus: UR. Vergoedingsstatus: de vergunning brengen: an vergunning voor het in de handel br engen: Les Laboratoires Servier, 50 rue Carnot,92284 Suresnes Cedex, Frankrijk. Nummer vvan de vergunning vergunning voor het in de handel brengen: brengen: EU/1/16/1096/001 en EU/1/16/1096/004. Raadpleeg de volledige productinformatie (SPC) voor meer informatie. Voor Voor verdere verdere informatie: informatie: Servier Nederland Farma B.V. Kanaalpark 140 2321 JV Leiden, 071- 524 67 00 . Datum: april 2017. Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via pharmacovigilance@be.netgrs.com.

Als WKC ( Van Wijnen, Kuijpers Installaties en Croonwolter&dros) werken we aan een nog beter en mooier Alber t Schweit zer ziekenhuis. Aandacht maak t het verschil, alleen dan kun je gebouwen en woningen realiseren waar mensen zich thuis voelen.


Verstegen zorgt ervoor dat uw financiën gezond blijven

2

9 4 6 3 5 1 7 6 3

4

0

8

0G V OV BSUT PG TQFDJBMJTU CFOU  IFU JT WFSTUBOEJH PN 7FSTUFHFOEFCBMBOTPQUFMBUFONBLFO8JKIPVEFOVX GJOBODJºMFTJUVBUJFOVFOJOEFUPFLPNTUHF[POE )PFXFEBUEPFO 1VVSEPPSBBOEBDIU8JKMVJTUFSFOOBBS VX XFOTFO 8JK LJKLFO OBBS IFU DPNQMFUF QMBBUKF 8JK

2

U H E E F T TO C H O O K H E T B EST E M E T U W PAT I Ë N T E N VO O R ? De Swinhove Groep is een vooruitstrevende njŽƌŐŽƌŐĂŶŝƐĂƟĞŵĞƚĞĞŶďƌĞĞĚƐĐĂůĂĂĂŶnjŽƌŐ͕ ǁŽŽŶŵŽŐĞůŝũŬŚĞĚĞŶĞŶďĞŚĂŶĚĞůŝŶŐĞŶ͘ DĞƚŽŶnjĞϲϬϬŵĞĚĞǁĞƌŬĞƌƐĞŶϲϬϬ ǀƌŝũǁŝůůŝŐĞƌƐŽƉϱůŽĐĂƟĞƐŝŶĚĞŐĞŵĞĞŶƚĞ ǁŝũŶĚƌĞĐŚƚŝƐĚĞ^ǁŝŶŚŽǀĞ'ƌŽĞƉĂůƟũĚ ĚŝĐŚƚďŝũ͘ŽŝƐƵǁƉĂƟģŶƚŽŽŬďŝũŽŶƐŝŶ ŐŽĞĚĞŚĂŶĚĞŶ͘ DĞĞƌŝŶĨŽƌŵĂƟĞ͗ďĞůŵĞƚϬϳϴͲϲϮϱϱϱϬϬ ŽĨŬŝũŬŽƉǁǁǁ͘ƐǁŝŶŚŽǀĞŐƌŽĞƉ͘Ŷů

5

7

LFOOFO VX TFDUPS FO EF NPHFMJKLIFEFO %JF BBOEBDIU DPNCJOFSFOXJKNFUWFSTUBOEWBO[BLFOFOHFWPFMWPPS EFNFOT;PBMTBMMFFOTQFDJBMJTUFOEBULVOOFO 7FSUSPVXPQEFBDDPVOUBOUTFOBEWJTFVSTWBO7FSTUFHFO EBBSXPSEFOVXHFME[BLFOFFOTUVLCFUFSWBO

/PPSEFOEJKLt1PTUCVT "/%PSESFDIU 5  t'   info@WFSTUFHFOBDDPVOUBOUTOMtverstegenaccountants.nl


AS z

leerPlein Onderstaand een korte samenvatting van het scholingsaanbod voor arts-assistenten. Het gehele scholingsaanbod, inclusief een groot aantal e-learning modules, is te vinden op het ASz Leerplein.

JUNI 12 19 28

OCOO Feedback A(N)IOS Wetenschapsdag

JULI 10

OCOO

AUGUSTUS 21 SEPTEMBER 11 24 25 25 OKTOBER 9 16 16

Feedback A(N)IOS

OCOO PubMed Wetenschapslunch Statistiek (4 bijeenkomsten)

OCOO Feedback A(N)IOS GCP herregistratie

NOVEMBER 13 20 27

OCOO Workshop Opleiden in de dagelijkse praktijk Wetenschapslunch

DECEMBER 18 18

OCOO Feedback A(N)IOS

Heb je vragen, neem dan contact op met het Leerhuis, we helpen je graag! Op werkdagen zijn we van 08.30 uur tot 17.00 uur telefonisch bereikbaar op 45100 of mail ons op leerhuis@asz.nl

WASz | uitgave juni 2018  
New
Advertisement
Advertisement
Advertisement