Issuu on Google+

Interview Special vrijdag 21 oktober


‘KEET’ Midden in de recessie begon Sabine Mutsaerts haar eigen bedrijf. Samen met een vriendin richt ze te koop staande huizen in om de verkoop te stimuleren. Sabine Mutsaerts (28) is eigenaresse van “KEET, styling and organizing”. Samen met Emilie van Eck richten zij woningen in die te koop staan. Het doel is dat het interieur met een neutrale en warme uitstraling een zo groot mogelijke groep aanspreekt. Naast het inrichten van modelwoningen adviseren en begeleiden ze ook de inrichting van huizen, kantoren, hotelkamers, vakantiehuizen of horecagelegenheden. In het programma ‘Huizenjacht’ van SBS6, maken ze elke week een item waarin ze in verschillende plekken in Nederland zijn om het interieur van mensen her in te richten. Na een jaar gewerkt te hebben voor “Mart Visser Haute Couture”, was Sabine opzoek naar een nieuwe baan. Op dat moment vroeg Emilie of zij met haar wilde werken. Emilie had een keer een makelaar over de vloer gehad die vond dat ze haar huis zo leuk had ingericht. Hier kwam de vraag uit voort of zij niet zijn huizenbestand van stylingadvies wilde voorzien. “Wat is er nou leuker dan binnenkijken bij andere mensen en je ook nog met de inrichting te mogen bemoeien?” , zegt Mutsaerts. Ze vertelt hoe ze bij een kop koffie de eerste plannen voor hun bedrijf hebben bedacht. Ze zijn allebei creatief, makkelijk en opgewekt. Samen zijn ze aan het werk gegaan met een wederzijds vertrouwen en loyaliteit. Met een investering van een paar duizend euro spaargeld zijn ze naar de Kamer van Koophandel gestapt. “We keken elkaar met grote ogen aan toen die meneer vroeg hoeveel winst we dachten te maken het eerste jaar. We zijn met een makelaarskantoor gaan samenwerken en toen is het balletje gaan rollen”. De financiële crisis kwam voor hun als een kans. “In deze moeilijk tijd hebben veel woningen iets extra nodig om verkocht te worden. Laatst hebben we een woning aangepakt die al zeven maanden in de verkoop stond. Binnen vier dagen was het huis verkocht, boven de vraagprijs. Een groter compliment kan je niet krijgen”. Iets wat ze vervelend vindt om te doen is kritiek geven op het interieur van mensen “Soms is het lastig kritiek te geven, want het is toch iemands persoonlijke smaak. Uiteindelijk hebben we allebei hetzelfde doel: het huis moet verkocht.” Ook zijn er soms lastige klussen met weinig tijd om een project af te krijgen. De tijdsdruk is er bijna altijd en dat kan ervoor zorgen dat ze ook concessies moeten doen. “Wij zijn super kritisch en niet snel tevreden, soms rijden we voor één lamp weer terug naar een winkel die op een uur rijden van


Amsterdam ligt. Er zijn zeker projecten die er anders uit zouden zien als we langer de tijd hadden gehad. Gelukkig hebben we nooit klachten gehad van opdrachtgevers. Tot nu toe hebben we aan het eind van elk project gezegd: konden we dit huis maar houden”. De eerste opdracht die Sabine met Emilie deed, was van makelaar Rik Bisschof van Heemskerk vd Makelaardij De Nederlanden. Hij biedt verkoopstyling aan als extra dienst. Voor zijn kantoor stileerden ze al eerder huizen die verkocht moesten worden. Vervolgens vroeg hij of ze ook leegstaande objecten wilde inrichten. Dat hadden ze nog niet gedaan en vonden ze uiteraard een leuke uitdaging. Van hieruit zijn ze verder gegroeid en is KEET nu voor de meeste projecten bezig met het inrichten van modelwoningen. “Wij zijn heel erg afhankelijk van onze connecties. Gelukkig kende ik toen we begonnen al een paar makelaars in Amsterdam die ik kon benaderen en gelukkig open stonden voor onze diensten. We hebben geïnvesteerd in echt mooie meubels, we hebben een eigen stijl en werken snel”. Het afgelopen jaren heeft de verkoopstyling zich enorm ontwikkeld in Nederland. Er zijn inmiddels allerlei cursussen en workshops. Veel vrouwen vinden dit werk leuk om te combineren met hun gezin en zien het ook als hobby. KEET heeft behoorlijke concurrentie gekregen. “Wat ons zo sterk maakt is dat we met z’n tweeën zijn, we zijn jong en redelijk onafhankelijk. Niet geheel onbelangrijk is dat we inmiddels een goed netwerk hebben van makelaars en project ontwikkelaars die vast met ons werken. We hebben een paar vaste klanten waar we veel voor mogen doen. Er komen nog steeds altijd nieuwe klanten bij die via via over ons horen. De dag na de Amsterdamse makelaars borrel worden we bijvoorbeeld altijd gebeld door nieuwe makelaars of projectontwikkelaars. “Het leukste project wat we gedaan hebben? Ik ben het meest trots op het project in New Amsterdam, op de zuidas. Hier mochten we vier appartementen inrichten in vier verschillende stijlen, een 'witte', een 'natuurlijke', een 'blingbling' en een zakelijke. Bij dit project was het budget groot genoeg voor de mooiste meubels, verlichting, gordijnen en kunst. De inspiratie haalt ze overal vandaan, zo staat ze wel eens bij mensen door het raam te kijken omdat ze een mooie kleur verf op de muur ziet. Tussen het bedenken van het concept KEET en het opstarten van het bedrijf, heeft niet veel tijd gezeten. En dat terwijl het beginnen van een eigen onderneming de nodige spanning met zich meebrengt. “Omdat we van de een op de andere dag zijn begonnen was er niet echt tijd om stil te staan bij wat er allemaal komt kijken bij een eigen bedrijf.. Voor ons is dat misschien ook wel heel goed geweest, anders waren we misschien wel niet begonnen! Het feit dat je volledig afhankelijk bent van jezelf is soms wel spannend. Je bent zelf als enige


verantwoordelijk voor je inkomen, nieuwe projecten, resultaat van modelwoningen etc..” De creativiteit van het werk en de samenwerking met Emilie hebben de doorslag gegeven, vanaf het begin af aan hebben ze enorm veel plezier in wat ze doen. “We zitten enorm op één lijn maar kunnen elkaar ook goed aanvullen. Het helpt natuurlijk ook dat we veel aanvragen hebben, klanten tevreden zijn, geen dag hetzelfde is, en creatief bezig zijn. Ik kan me geen leukere baan bedenken!” Kijkend naar de toekomst is KEET nog lang niet klaar met zich verder te ontwikkelen. We barsten van de plannen en dromen! We willen van Keet een bedrijf maken wat 'iedereen' kent en waar je niet omheen kan. Een soort platform met alles op het gebied van interieur en lifestyle. Misschien een eigen tv-programma waarin we mensen blij maken met een nieuw interieur, een beetje in de richting van ‘Huizenjacht’. Een accessoire lijn, (web)Winkel, Een Keet Café waar je alles wat je ziet kan kopen? The sky is the limit, maar wel alles op z'n tijd!”  


Het beste van oma in een moderne tijd ROTTERDAM- Het winkeltje van Granny´s Finest zit verstopt op de Meent. De bank met gebreide sjaals en een kleine open haard vullen de winkel. Hier werken de vrienden Niek van Hengel en Jip Pulles aan hun nieuwe project dat deze maand van start ging: Granny´s Finest. Granny´s Finest is een modemerk die een sociaal maatschappelijk probleem probeert op te lossen. Jonge ontwerpers worden gekoppeld aan dames op leeftijd, oftewel de grannies, die het ontwerp breien. Op deze manier komen ze uit een sociaal isolement en krijgen jonge ontwerpers de kans om op een goedkope manier hun kleding te produceren.

Niek en Jip kennen elkaar van de studie Retail Management op de Hogeschool Rotterdam. Niek is vervolgens verder gegaan met Bedrijfskunde aan de Erasmus Universiteit. Het plan voor Granny’s Finest hebben zij samen gemaakt. Niek vertelt, “Het is ontstaan toen ik bij mijn opa op bezoek kwam, die zat in een verzorgingstehuis. Ik kwam daar regelmatig en daar zat dan altijd een dame heel enthousiast te breien. Ik vroeg dan aan haar wat het moest worden, en voor wie maak je het? Het was ongeveer dezelfde periode als nu en het begon wat kouder te worden, ik wilde eigenlijk ook wel een gebreide sjaal van mijn oma. Toen nam ik mijn oma dezelfde dag nog mee naar de wolwinkel en die heeft toen een sjaal gebreid. Zo zijn er natuurlijk heel veel senioren in dezelfde positie, die in een verzorgingstehuis zitten en graag breien maar niet echt iemand hebben om het voor te doen, terwijl ze het juist heel leuk vinden en goed kunnen. En daar hebben we nu een mooi project voor gestart.” Jip is afgestudeerd in zelfstandig ondernemen en had al een bedrijfsplan gemaakt voor zijn scriptie. Hier hebben zij later het bedrijfsplan voor Granny’s Finest van gemaakt. Niek heeft hen opgegeven voor de ondernemerswedstrijd ‘Enterprize’. Hier kwamen leuke reacties op en toen wisten ze dat ze goed zaten. Jip had contacten bij Laurens, een van de grootste aanbieders van zorg aan huis in Rotterdam. Bij Laurens waren zij erg

enthousiast over het plan en hebben zij meegewerkt aan een communicatieplan. Er zijn toen 1000 flyers verspreid in de omgeving van het centraal liggende verzorgingstehuis en zij hebben 2 presentaties gehouden. “Er kwamen veel mensen op af. Vooral vrouwen natuurlijk, maar mannen zijn ook gewoon welkom. Ja, het zou wel mooi zijn om een sjansman er tussen te hebben “, lacht Jip. Volgens Niek zijn er zijn 2,6 miljoen mensen in Nederland die lijden onder eenzaamheid. Ruim een miljoen daarvan valt onder de leeftijdscategorie van de granny’s. Verzorgingstehuizen proberen deze eenzaamheid te voorkomen maar hebben last van de bezuinigingen. “Laurens had voor de crisis acht medewerkers om activiteiten te begeleiden, en nu zijn dat er twee. Dus juist initiatief van buitenaf wordt door zorginstellingen in het algemeen op prijs gesteld”, zegt Niek. “De eenzaamheid kan bestreden worden door te zorgen dat deze mensen ergens bij horen en door hun talenten en creativiteit te stimuleren”. “In eerste instantie waren er 30 aanmeldingen, maar uiteindelijk viel er een aantal af door bijvoorbeeld medische oorzaken, de een vond toch het niveau te hoog, of had er toch geen zin in.” Er waren van te voren geen eisen gesteld aan het niveau van het breien. Niek en Jip gingen ervan uit dat de dames het breien nog wel onder de knie hadden, zij hadden dit immers geleerd op de huishoudschool. Daarnaast hebben zij ontwerpen van verschillende niveau’s, beginnende breiers kunnen een stropdasje breien en gevorderden kunnen een sjaal of tas maken. De dames zijn zelf heel enthousiast en nemen het werk heel serieus. “Die dames leren het zichzelf eigenlijk, als ze vragen hebben over patronen bellen ze elkaar op of ze vragen het aan onze ontwerpsters”, zegt Jip. “Er ligt een heel groot risico bij de dames in. Hebben ze wel de juiste kwaliteit? Maar het blijkt nu we zijn gestart dat juist zij het oplossend vermogen te hebben binnen het project. Ze zijn allemaal heel enthousiast en ze werken echt keihard. Mevrouw Bakker kwam bijvoorbeeld niet uit het patroon en kon er een nacht niet van slapen.” Het vinden van ontwerpers die affiniteit met wol hebben was een lastigere klus. Tegenwoordig breien ontwerpers niet zelf meer en gebeurt alles machinaal. Maar uiteindelijk hebben

Niek en Jip twee ontwerpsters gevonden, een is net afgestudeerd aan de Amsterdam Fashion Institute en de andere aan de Willem de Kooning Academie in Rotterdam. Op donderdagmiddag komt het hele team, de ontwerpsters, de fotograaf, de communicatieman en de styliste en de dames bijeen in het verzorgingstehuis om de gang van zaken te bespreken. Deadlines zijn niet nodig voor de grannies, want zij zijn heel enthousiast. De producten zijn wat aan de prijzige kant. De prijs categorie varieert van 29,95 tot 129,95. Het pronkstuk van de winkel is de gebreide tas van mevrouw Groen. Zij heeft 2 weken aan deze tas gewerkt en de tas is van goede kwaliteit wol gemaakt. Iedere sjaal of tas heeft een label met de naam van de granny die het gemaakt heeft. Het is in de toekomst de bedoeling dat de koper een kaartje stuurt naar de granny om haar te bedanken. Maar dit proces is nog in ontwikkeling. Wat krijgen deze dames voor hun werk? “Alle inkomsten die we genereren gaan weer terug naar het hele team, zowel naar het jonge talent maar ook naar de grannies. Bij de grannies kan je dat zien in een gemeenschappelijk uitje, dan gaan we bijvoorbeeld naar het theater. Zij vinden het heel belangrijk om samen te zijn en om betrokken te zijn bij het

project. Dus we zorgen dat ze met de mooiste wol kunnen werken. Op die manier kunnen ze sociale contacten opdoen maar ze krijgen er niet echt geld voor.” De dames zitten daarom niet vast aan een contract. Als zij om een keer haar werk niet kan doen, zitten hier geen gevolgen aan. Zij krijgen niet in salaris uitbetaald omdat dit, volgens Niek, een grote administratieve rompslomp met de belasting meebrengt. Daarnaast zitten de grannies hier niet op te wachten. “Ze doen het om het samen zijn”. In de toekomst willen Niek en Jip graag uitbreiden naar andere zorginstellingen. Volgens Niek staat ‘bewustzijn’ centraal in deze tijd en hij denkt dat het modemerk ‘Granny’s Finest’ met een sociaal betrokken achtergrond kan groeien. “Waarom zou je voor 200 euro Nike schoenen kopen die door kinderen gemaakt worden, terwijl je met hetzelfde geld een kwalitatief goed product kan kopen met deze betrokkenheid?” De mannen hebben nog 3 weken te gaan in hun winkeltje op de Meent voordat de ruimte vrij moet komen. “Wellicht gaan we weer op zoek naar een eigen ruimte. Maar we hebben sowieso een webshop die we nog willen uitbreiden en we willen ook spullen verkopen via retail. Dat is toch wel de combinatie waar we naar op zoek zijn.”


“Vrouwelijke vormgeving werd toen niet de moeite waard gevonden” Kunsthistoricus Marjan Groot over de rol van vrouwen in de vormgeving Aankomend weekend is Eindhoven het epicentrum van design, tijdens de tiende Dutch Design Week. In de categorie Product Design zijn er 16 mannen en 5 vrouwen genomineerd voor de Dutch Design Awards. Mannen hebben de overhand. Toch zijn er diverse vrouwelijke vormgevers actief die internationaal succes genieten: Patricia Urquiola, Paola Navone maar ook de Nederlandse Hella Jongerius, Ineke Hans en Pieke Bergmans. Dit was een eeuw geleden nog anders. Bovendien was er weinig tot geen inzicht in de rol van vrouwen in de vormgeving. Marjan Groot bracht daar met haar publicatie Vrouwen in de vormgeving in Nederland 1880 – 1940 verandering in. Door PRISCILLA DE PUTTER. ROTTERDAM. Als kunsthistoricus heeft ze verschillende publicaties op haar naam staan. Vormgeving behoort tot haar vakgebied en in een van haar laatste publicaties richt Marjan Groot (1959) zich op de rol van vrouwen in de vormgeving, in de periode 1880 – 1940. Een onderwerp waar tot op heden weinig aandacht aan is besteed, terwijl het een periode betreft waarin de emancipatie van vrouwen grote vooruitgang boekte. “Vrouwen zijn gemarginaliseerd, ze werden niet de moeite waard gevonden” aldus Groot. Ze geeft sinds 1990 kunstnijverheid colleges aan de Universiteit Leiden. Een van haar laatste publicaties leent zich ook voor vrouwen- en genderstudies. “Stereotype rollen worden steeds weer benadrukt. Ik ben benieuwd naar wat er aan deze rollen ten grondslag ligt” zegt Groot over de reden van haar onderzoek. In haar kamer aan het Leidse Rapenburg sieren designposters de muur, ze tonen een overzicht van belangrijk modern

design. Haar overvolle boekenkast getuigt van passie voor de vormgeving. Haar eigen boek, Vrouwen in de vormgeving in Nederland 1880 – 1940 (2007), ligt op tafel.

“Het is een uit de hand gelopen onderzoek!” Hoe is het vandaag de dag gesteld met de rol van de vrouw binnen de toegepaste kunst? “Er is een handvol succesvolle Nederlandse ontwerpsters zoals Hella Jongerius en Claudia Jongstra. Toch zit er naar mijn mening nog te weinig beweging in de ontwikkeling van de rol van vrouwen. Er zijn nu wel meer opgeleide vrouwen en de vrouw wordt als gelijke behandeld, maar in Nederland voeren mannen nog steeds de boventoon. Gelukkig is het wel een gunstige tijd voor typische ‘vrouwendingen’ in de vormgeving. Decoratie, ornamentiek en textielkunst zijn weer geoorloofd en zelfs populair. Dit komt de rol van de vrouw binnen de vormgeving ten goede.” Hoe kan het dat de rol van vrouwen in de vormgeving tussen 1880 – 1940 zo lang onderbelicht is gebleven, terwijl de emancipatie toen grote vooruitgang boekte? “Er bestaat nog steeds de onbewuste norm dat mannen de kunstgeschiedenis bepalen. Zowel mannen als feministes krijgen de kriebels van handwerk, het is typisch vrouwelijk en daarom zwakker. Typisch vrouwelijke kunsten, zoals textielkunst, werden minderwaardig bevonden en daarom buiten beschouwing gelaten. Gelukkig is er in de archieven nog genoeg informatie terug te vinden over deze vrouwen en hun kunstwerken.” Hoe bent u tot die ontdekking

Cover van Vrouwen in de Vormgeving door Marjan Groot (2007).

gekomen? Ze lacht. “Eigenlijk is het een uit de hand gelopen onderzoek, maar toen ik eenmaal bezig was wilde ik alles naar boven krijgen. Ik onderzocht destijds de iconografie van dieren in de toegepaste kunst. In het RKD – het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie – zocht ik naar informatie over een bepaalde ontwerper. Hij bleek samen te werken met zijn zus. Ik vroeg me toen af hoe uniek de rol van de vrouw hierbij was en kwam tot de ontdekking dat ik haar rol niet in een context kon plaatsen, ik wist er te weinig vanaf. De rol van de vrouw binnen de toegepaste kunst in die periode was nog nooit geïnventariseerd!” Ze kijkt me half lachend en half verbaasd aan, alsof ze opnieuw tot deze bizarre conclusie komt. Tijdens het gesprek pakt ze er een aantal boeken bij, waaronder haar eigen publicaties. Vol trots toont ze me de kunstwerken die erin staan; allemaal door vrouwen gemaakt. “Ja, dit is toch wel een heel leuk boekje geworden,” concludeert ze. Heeft u persoonlijke favorieten? Ze denkt na, terwijl ze me op een aantal geborduurde werken wijst, maar besluit dat ze geen favorieten heeft. “Ik mag van mezelf geen voorkeur hebben, omdat ik dan een bepaald criterium moet aanleggen.

Dat mag niet als je onderzoek doet. Ik kan de werken niet op esthetisch vlak beoordelen. Het gaat mij erom ze in een context te plaatsen en daar is een objectieve blik voor nodig. Ik zie het zo: de vrouwelijke kunstenaars die tussen 1880 tot 1940 hun werken exposeerden en terug zijn te vinden in de archieven, zijn al door een bepaalde selectie heen. Ze werden in hun eigen tijd goed genoeg bevonden, daar gaat het om.” Toch komt ze met een naam. “Voor Ans van Zeist heb ik bewondering. Zij heeft rond 1920 een aantal goede ontwerpen gemaakt voor een zilverfabriek. Helaas is er weinig werk van haar bekend want ze is uiteindelijk non geworden, ze hield het zware kunstenaarsbestaan niet vol. Ik zie de moeilijkheden en de tragiek van die tijd wel. Een vrouwelijke kunstenaar kon maar moeilijk overleven.”

“Een huwelijk betekende toen het einde van het kunstenaarschap” Waarom kozen sommige vrouwen dan toch bewust voor die lijdensweg van het kunstenaarschap? Was het idealisme? “Ja. Ze hadden de kunst als ideaal en stelden alles in het teken van de kunst, ook het leven zelf. Ze verkozen bijvoorbeeld de kunst boven het huwelijk. Eenmaal gehuwd mochten ze hun werken niet meer tentoonstellen, geen eigen inkomen hebben. Men zou anders kunnen denken dat de man zijn vrouw niet kon onderhouden, daarom was het not done.” Dus het huwelijk betekende het doodvonnis voor de creativiteit? “In zekere zin wel. Vrouwelijke kunstenaars konden moeilijk overleven en traden daarom in het huwelijk.


Carole Baijings en Stefan Scholten,winnaars van de Dutch Design Awards 2010 in de categorie “Best product autonomus design.” Het creatieve duo vormt ook in het dagelijks leven een stel. Ze kregen de award voor hun serviesgoed “Paper Table”. Dit jaar zijn ze wederom genomineerd. Dit keer in de categorie “Best consumer product” met hun Colour Carpets (tapijten) en bedtextiel voor het merk HAY. Dat betekende vaak het einde van het kunstenaarschap. Dit is ook waarom deze kunstenaressen en hun werken vandaag de dag niet meer bekend voor ons zijn.” Misschien was het vinden van een creatieve partner hier wellicht een goede oplossing geweest? Er zijn momenteel een aantal succesvolle designduo’s actief, die ook in het dagelijks leven een stel vormen. Neem Scholten & Baijings, die vorig jaar een Dutch Design Award kregen. Of Studio Job (Job Smeets en Nynke Tynagel) en Van Eijk & Van der Lubbe, die onder andere voor Droog design ontwierpen. “Dat kan,” besluit Groot. “Het zou een interessant onderzoek zijn. Ook Charles & Ray Eames (en populair designduo uit de jaren vijftig) zijn hier een goed voorbeeld van.

”Wilde u met uw onderzoek een grotere erkenning voor de rol van de vrouwen in de vormgeving bereiken? “Ik wilde vooral een compleet overzicht creëren. Ik wist van het bestaan van een aantal vrouwelijke kunstenaars maar deze werden bijna niet genoemd in overzichtswerken. Ze werden buiten de kunstgeschiedenis gelaten. Ik vond de algemene overzichten daarom te eenzijdig en niet correct.” De motivatie was dus meer historisch dan feministisch? “Jazeker! Ik ben in de eerste plaats kunsthistoricus. Maar ik vind het wel goed hoor, het feminisme,” voegt ze er snel aan toe. “Ze leggen de nadruk op het feit dat de bijdrage van vrouwen systematisch buitengesloten wordt. Het staat als een paal boven water dat feministen gelijk hebben over

mannen en het in stand houden van deze typische rolverdeling. Vrouwen zijn gemarginaliseerd!” Groot is rechtop gaan zitten en praat harder dan een paar minuten geleden. Ze noemt de systematische buitensluiting van vrouwen belachelijk en lijkt zich toch in de feministische denkbeelden te kunnen vinden, meer dan ze aanvankelijk wil toegeven. Volgens mij bespeur ik daar toch wat feministische overtuigingen... “Ja, door dit onderzoek ben ik misschien toch wel iets meer feministe geworden.” Pakt u dit onderzoek in de toekomst weer op of heeft u het afgesloten? “Ik wil graag ook nog over andere dingen schrijven, zoals symboliek binnen de vormgeving. Ik wil niet een bepaalde stempel opgedrukt krijgen. Al zal ik er denk ik nog

wel op terug komen hoor, bijvoorbeeld door me te richten op de hedendaagse vrouwelijke ontwerper,” zegt ze terwijl ze voor zich uit tuurt. Ze lijkt al na te denken over een interessante invalshoek. Zelf wordt Marjan Groot, net als de vrouwelijke kunstenaars die ze bewondert, ook gedreven door de kunst. Haar leven wijdt ze volledig aan de kunstwetenschap. Ze is wel getrouwd, maar heeft geen kinderen. “Dat is nooit een bewuste keuze geweest hoor, ik heb er gewoon nooit de tijd voor gehad.”

Meer weten?

Van 22 tot en met 30 oktober staat Eindhoven in het teken van de Dutch Design Week. Kijk op dutchdesignweek.nl of dutchdesignawards.nl voor meer informatie.


Klassiek ballet is cool dankzij Rinus Sprong Ayla van Eekelen Het is zondagochtend. De zon schijnt. Een perfecte dag voor een boswandeling met Rinus Sprong, bekend van o.a. het televisieprogramma The Ultimate Dance Battle. Rinus is een van de eerste choreografen/theatermakers die in Nederland Community Art heeft geïntroduceerd. Je draait al een aardige tijd mee in de theaterwereld? Kun je hier meer over vertellen? “Ik ben pas op mijn zeventiende begonnen aan de danserij. Pas met mijn negentiende ben ik aan de opleiding begonnen en al op mijn eenentwintigste zat ik bij het Nederlands Dans Theater. Jiri Kylian zag mijn talent en hij gaf mij een kans. Dit had ik nooit verwacht. Als je eenmaal bij een topgezelschap hebt gedanst gaan er heel veel deuren voor je open. Ik kreeg een aanbieding uit Frankrijk om bij Théâtre Choréographique de Rennes te dansen. Daar ben ik op in gegaan. Zo is het allemaal begonnen.” Eigenlijk heb je het begin van je carrière als danser te danken aan Jiri Kylian? “Zo zou je dat wel kunnen zeggen ja. Voor een deel dan. Altijd wilde ik het theater in, al vanaf dat ik vier jaar was. Dus dat wist ik wel. Alleen niet met dans, ik wilde eigenlijk meer ‘gewoon’ theater Toen kwam dans op mijn pad. Ik zat op de kleinkunstacademie, daar heb ik een jaar gezeten in de voorselectie samen met Albert Verlinden en Karin Bloemen in de klas. In dat jaar was ik meer met dans bezig. Ik kreeg een andere dansjuf en toen dacht ik ‘dans is eigenlijk wel goed voor mijn lijf, dan ontwikkelt dat lichaam een beetje’. Het was meer voor de training, niet voor de passie. Uiteindelijk greep het me zo dat het passie werd. Het grappige van mijn carrière is dat de meeste dansers beginnen als klassieke dansers en gaan daarna moderner dansen of ze gaan karakterrollen dansen. Bij mij was dat net andersom. Ik was al snel als karakter gecast. Ik was natuurlijk heel erg in theater geïnteresseerd en kon ook wel acteren. De meeste dansers hebben daar dan nog geen kaas van gegeten. De techniek van mijn dansen was dan misschien nog niet goed, maar het acteren wel. Daardoor werd ik altijd ingezet om de gek te spelen, of de oude

man. Dat was voornamelijk in het begin zo. Toen ik in Amerika bij onder andere de New York Dance Group kwam om te dansen zeiden de mensen daar, ‘Wauw, je moet klassiek gaan dansen!’, ondertussen was ik natuurlijk wel wat meer ontwikkeld qua kracht en techniek. Boven mijn dertigste ging ik pas echte klassieke stukken dansen zoals de Notenkraker. Ik heb op een gegeven moment gekozen om niet meer in een gezelschap te dansen. Ik woonde nog in New York en ging toen meer show en cabaretachtige dingen doen en een beetje regisseren. En zo komt van het een het ander.” Sinds 1996 heeft Rinus, samen met zijn echtgenoot Thom Stuart, passie en talent voor dans en theater gebundeld. Het resultaat: De Dutch Don’t Dance Division (DeDDDD). Doelstelling van DeDDDD is de samenwerking tussen amateurdansers en professionele dansers bevorderen en een groot en nieuw publiek voor dans te bereiken. Ook willen DeDDDD educatieve activiteiten op het gebied van dans stimuleren. De samenwerking tussen amateurs en professionals heet ook wel Community Art. Een van de grote Community Art projecten die Rinus en Thom met DeDDDD hebben geproduceerd is ‘De Notenkraker in de Grote

Kerk’. Deze voorstelling hebben ze vier opeenvolgende jaren, van 2006 tot en met 2009, tijdens de kerstdagen uitgevoerd. In de voorstelling werd het Notenkraker ballet van Tchaikovsky Tsjaikovski gedanst door amateur én professionele dansers van alle leeftijden. Het werd een groot succes. Omdat de subsidies na vier keer ‘de Notenkraker’ niet meer toereikend genoeg waren zijn Rinus en Thom opzoek gegaan naar een nieuw ballet om op dezelfde manier uit te voeren. Daarom is met kerst 2010 de voorstelling ‘Abdallah en de Gazelle van Basra’ in première gegaan. Deze nieuwe voorstelling is gebaseerd op het werk van choreograaf August Bournonville en wordt gedanst op de muziek van de Deense componist Holger Simon Paulli. Ook in deze ‘Community art voorstelling’ van DeDDDD dansen amateurs en professionals samen.

“Daardoor werd ik altijd ingezet om de gek te spelen”


“Kinderen op dansacademies zeggen: ‘Het is ineens cool dat ik aan ballet doe’ ” Je hebt samen met Thom Stuart DeDDDD opgericht. Hoe zijn jullie op het idee gekomen? “In Amerika, waar ik anderhalf jaar heb gewoond en tien jaar lang op en neer heb gereisd, om onder andere te dansen, danste ik tien jaar lang als gastdanser bij een Notenkraker ballet. Daar werkte het zo dat je amateurdansers en professionele, oudere en jongere dansers allemaal door elkaar gooide. Dat was heel normaal daar, een soort traditie. Vervolgens hebben wij gezegd ‘laten we dat eens in Nederland proberen’. Niemand geloofde daarin. We hebben een soort ‘ding’ proberen te vinden dat er nog niet was in Nederland. Zo is DeDDDD eigenlijk ontstaan.” Ondanks het succes, hebben jullie een nieuwe inkomstenbron moeten aanboren, Crowdfunding. Kun je hier wat meer over vertellen? “Kijk, wij deden vier jaar lang de voorstelling ‘De Notenkraker in de Grote Kerk’ wat een mega succes was. Het verkocht aan het publiek, mensen wilden er aan mee doen, het zag er goed uit, het was een nieuwe productievorm in Nederland en het was een leerschool voor kinderen en voor aanstormend talent. Maar na vier jaar verwachten fondsen en sponsors dat je eens wat nieuws doet. Het moet altijd maar nieuw zijn. Het vernieuwende aan dit project was juist dat er iedere keer nieuwe mensen mee dansen en zich verder zouden ontwikkelen.Dus toen zijn we ‘Abdallah en de Gazelle van Basra’ gaan doen. Dat doen we nu voor de tweede keer, en het geld wordt dus weer minder. Men is zo snel uitgekeken op het project terwijl het publiek het nog steeds geweldig vindt. Het VSB fonds dat bij ons garant stond voor €60.000,- heeft minder te besteden en dus kunnen zij ons niets meer geven. Dan ben je toch mooi 60% van je sponsoring kwijt. Daarom zijn we onder andere begonnen met Crowdfunding. Het is daarbij de bedoeling dat een grote groep mensen die bekend is met het doel of project een financiële bijdrage doet en dat daarmee een grotere som geld opgehaald wordt. We zijn begonnen en hebben al meer dan 20% binnen van het bedrag dat wij met de Crowdfunding willen binnenhalen. Dus dat is wel heel leuk. De target is €10.000,- we hebben nu over de €2.000,binnen. Het werkt dus wel, maar het is iets dat zich nog wel veel verder zou moeten ontwikkelen.”

In het voorjaar van 2011 was Rinus te zien in het televisieprogramma The Ultimate Dance Battle, op RTL5. In dit programma streden vijf topchoreografen geschoold in vijf verschillende dansstijlen, met hun team van vijf dansers, tegen elkaar. Naast hun eigen stijl moesten de choreografen ook dansen buiten hun eigen ‘comfort zone’ choreograferen. In dit programma trad Rinus als klassiek choreograaf op met als doel klassiek ballet weer op de kaart te zetten. Met je optreden in de The Ultimate Dance Battle wilde je klassiek ballet weer ‘hip’ maken. Is dit gelukt? “Wat ik het mooiste vind van het hele televisie gebeuren is dat je ziet dat er zoveel interesse voor ballet is gekomen. Kinderen op dansacademies zeggen ‘het is ineens cool dat ik aan ballet doe’. Mijn doel was het beeld dat men heeft rond ballet te verbreken en dat is me echt helemaal gelukt.” Op je website staat dat je in november choreografieën gaat maken voor het dansprogramma So You Think You Can Dance. Heeft RTL jou daar speciaal voor gevraagd? “De producent van The Ultimate Dance Battle had al gezegd dat hij in de toekomst graag nog eens met mij zou willen werken, misschien wel voor So You Think. Ook Dan Karaty (Amerikaans choreograaf ) zei ‘Yeah we’re going to work more together, I’m sure’ maar dat weet je nooit. Je moet altijd maar afwachten of het gaat lukken. En nu hebben ze me toch gevraagd. Eigenlijk was het nog een soort van geheim dat de dansers in de vijfde liveshow klassiek ballet moeten doen. Dat het geheim was wist ik ook niet toen ik het op mijn website zette. De klassieke choreografie moet een heel technisch en flitsend stuk worden. Maar hoe het allemaal precies gaat lopen weet ik nog niet.” Hoe sta je tegenover alle danstalentenjachten op televisie? Denk je dat hierdoor dans in Nederland aan populariteit wint, of dat het niveau misschien opgekrikt wordt? “Het dansniveau in Nederland was al heel erg hoog in de gezelschappen. Op amateurniveau is er wel heel veel te winnen. Dans wordt absoluut populairder. Of het niveau hoger wordt weet ik niet. Maar moet het niveau altijd maar hoger en hoger worden? Moet dans altijd maar beter? Het wordt, in mijn ogen, soms te bedacht

en te abstract. Het is hetzelfde als cocktails maken. Een goede pina colada is heerlijk, maar moet je dan denken: we gaan nu nog dit en dat er bij doen, nog een cocktail dit nog een fruitje dat, nog een bloemetje, een plantje, een parasolletje? Op een gegeven moment denk ik, waarom? Waarom moet er nog meer? Want dit is al zo fantastisch lekker. Zo is het ook met dans. Experimenteren is goed en moet ook zeker blijven bestaan, maar als iets goed is is het goed.” Heb je nog plannen voor de toekomst? “Eigenlijk vinden wij (Rinus en Thom) het wel heel leuk om een soort eigen gezelschap te hebben. Misschien een bestaand gezelschap overnemen of zo. De bestaande gezelschappen doen allemaal een beetje hetzelfde als twintig jaar geleden, niet qua choreografie maar meer qua denken. Een gezelschap hebben waarin je ook amateurs betrekt, zeg maar een beetje wat we nu doen, maar dan wel met een vaste structuur met meer vaste dansers waar je op kan bouwen. Dat willen we nog wel!”

De voorstelling Abdallah en de Gazelle van Basra is deze kerst te zien in het Lucent Dans Theater in Den Haag. Voor meer informatie over deze voorstelling of andere projecten van Rinus en DeDDDD: www.ddddd.nu .


BINNENLANDS NIEUWS

IN DE WERELD VANDAAG

‘Dat is toch waar je het allemaal voor doet’ Een interview met filmregisseur André van Duren over zijn film De Bende van Oss. Al sinds hij zijn eerste filmpjes maakte en het vak leerde als regieassistent op de set van serie Het wassende water, droomde hij van wat een paar weken geleden de openingsfilm werd op het Nederlands Film Festival: De Bende van Oss. Een op historische feiten gebaseerd misdaaddrama over een beruchte bende boeven en bandieten die vlak voor de Tweede Wereldoorlog roofde, stal en moordde zonder dat de Marechaussee hier iets aan kon doen. Niemand verlinkte elkaar, want “meh zwijge is Oss groat geworre”. Zelf is André van Duren, geboren en getogen in 1958 in het Brabantse dorpje Reek, vlakbij Oss, alles behalve zwijgzaam. Hij praat graag over zijn droomproject. De Bende van Oss lééft namelijk in Oss, ‘en dat is toch waar je het allemaal voor doet’, concludeert de trotse regisseur. ‘De film is dan precies geworden wat ik ervan gehoopt had.’ Een droomproject gerealiseerd. Door: Arnoud Goos Heeft U altijd al een film willen maken over Oss? Ja, zeker. Ik groeide op in Reek en ging naar school in Oss. Dus ik kreeg van jongs af aan verhalen te horen over de bende van Oss. Mijn vader was huisschilder in Oss en hoorde daardoor van alles. Hij kwam met de spannendste verhalen thuis. Geen details. Daar werd geheimzinnig over gedaan. Maar het was genoeg om als klein kind spannend te vinden. Sowieso groeide ik op in een milieu waarin een groot anti-Holland sentiment heerste. Een hechte gemeenschap waar de Katholieke Kerk de baas was. Het huis van mijn opa stond ook in een overloopgebied van de Maas, dat werd gebruikt om overstromingen in Holland te voorkomen. Ik mocht ook nooit zeggen dat ik uit Holland kwam, maar uit Nederland. En wanneer werd het plan concreet om hier een film over te maken?

Toen ik nog Nederlands studeerde in Nijmegen [later studeerde Van Duren nog Theaterwetenschap aan de Universiteit Utrecht, red.] raakte ik bevriend met een jongen die ook uit Oss kwam en zijn vader wist echt heel veel van de Bende van Oss. Dus de interesse voor die geschiedenis bleef bestaan. Maar het was pas toen ik een aantal jaar regieassistent was, dat ik dacht dat er daadwerkelijk een speelfilm over het onderwerp in zou zitten. Waarom heeft het dan zo lang geduurd voordat hij uiteindelijk werd gemaakt? Zo’n twaalf jaar geleden heb ik met Egmond Film [vijf jaar geleden overgenomen door Eyeworks, red.] een eerste poging gedaan om de boel rond te krijgen. We hebben toen subsidie gekregen voor de ontwikkeling van het script, maar zijn daarop vastgelopen. Ik was tegelijkertijd bezig met een

André van Duren op de set van‘De Bende van Oss’- Foto: IMDb ander project bij dezelfde producent, namelijk de film Mariken. De Bende van Oss liep vast en zoals dat dan gaat in de film, verdringt het ene project het andere. Maar dat was uiteindelijk ook een hele leuke film, die nog altijd op festivals wordt vertoond en bovendien de Gouden Kalf Publieksprijs won. Uiteindelijk kwam de film er toch. Ja. Het was de eerste keer dat ik zelf een script heb geschreven. Dus ik heb eerst een jaar zelf aan het script gewerkt en ben er vervolgens mee naar Paul Jan Nelissen [schrijver van o.a. Van God Los, Oorlogswinter en TBS, red.] gestapt om het verder uit te werken. Historisch feiten André van Duren ziet er tevreden uit als het gaat over

de receptie van zijn film in Oss. De film trekt daar al weken volle zalen en is een echte beleving onder de inwoners. In de lobby van de plaatselijk bioscoop is een kraampje opgezet waar boeken worden verkocht over het ‘echte verhaal’ van de bende van Oss en door de speakers galmt carnavaleske muziek met woorden “we hebben messen van een halve meter lang, loat ze mar komme godverdomme, we zijn niet bang!”. Na afloop van de film hebben mensen het over opnamelocaties en het merendeel van het publiek blijft tijdens het rollen van de aftiteling zitten om namen te ontdekken van mensen die ze kennen. Toch klinken er ook negatieve geluiden. ‘Historisch klopt er natuurlijk geen fuck van’, meldt één bezoeker. Ook in het Brabants Dagblad wordt de

historische accuraatheid in twijfel getrokken. Lichtelijk gepikeerd zegt Van Duren over dit laatste: Wat een nepjournalistiek is dat. Een journalist mag iets over de film zeggen, dus dan mag het ook andersom. Tijdens een debat dat in Oss was georganiseerd, kwamen de enige kritische vragen van iemand van Brabants Dagblad, die zelf maar matig verstand van zaken heeft, waarna zij een artikel schrijven waarin staat dat er vanuit de zaal allemaal kritische vragen werden gesteld. Verder kreeg ik uit de zaal enkel complimenten. Historicus Jos Smeets heeft ook een boek geschreven over de Bende van Oss, namelijk ‘De Affaire Oss’. Hij heeft ook kritiek op de historische accuraatheid van de film en gebruikt stevige woorden als “Van

Wereld Vandaag 21 oktober 2011


BINNENLANDS NIEUWS

IN DE WERELD VANDAAG

Duren glijdt af naar een uiterst bedenkelijk peil. Zijn verbeelding van de Marechaussee is karikaturaal en lachwekkend.” Wat vindt U hier van? Ik ben wel blij dat deze rel naar buiten ettert en zweert. Het is alleen maar publiciteit voor de film. Jos Smeets [naast schrijver van het boek, ook archiefbeheerder van het Marechausseemuseum] stelt dat wij de Marechaussee niet goed verbeelden in de film, maar zelf weigert hij de archiefstukken publiekelijk te maken. Daarmee maakt hij zijn eigen standpunt nogal verdacht. Ik vind het wel leuk dat na zoveel jaar de Marechaussee nog steeds een strijd voert met Oss. Ik dacht alleen maar ‘bedankt Jos’.

ook heeft U tijden door elkaar gehaald? Ik heb inderdaad historische feiten uit eind negentiende eeuw en feiten uit de jaren dertig samengebracht. Alle feiten in de film kloppen, maar niet precies met deze mensen en niet precies in deze tijdspanne. Deze gebeurtenissen zijn zo bijzonder dat het voor mij rechtvaardigt dat je daar het tijdsaspect uithaalt en samenvat. Het seksueel misbruik door de kerk en de fabrieksbazen, de corruptie van de burgemeester en de grote misdaden gebeurden niet tegelijkertijd. De kritiek hierop vind ik een beperkte visie op wat dan geschiedenis zou zijn. Soms heb je fictie nodig om feiten te vertellen.

Los van de Marechaussee is het natuurlijk wel zo dat U feiten samentrekt in Uw film. Ja, inderdaad. Maar een puur feitelijke verfilming van wat er is gebeurd moet je ook niet willen maken. Dan wordt het te veel een droge opeenstapeling van feiten. Als je te dicht bij de werkelijkheid blijft, zijn zaken bovendien vaak veel te specifiek en worden ze als ongeloofwaardig gezien. Ook kan de Osse bevolking door deze anonieme aanpak beter leven met zijn eigen geschiedenis. Veel mensen uit Oss hebben nu hun medewerking verleent aan de film en ik denk dat de film een eind heeft gemaakt aan de zwijgcultuur. Overlevenden en hun nageslacht zijn zelfs een beetje trots op hun geschiedenis. Ik benijd Maarten Treurniet [collega-regisseur met wie Van Duren samenwerkte bij de serie Pleidooi, en nu De Heineken Ontvoering heeft gemaakt] dan ook niet. Zijn onderwerp is hele andere koek wat dat betreft.

“Ik ben wel blij dat deze rel naar buiten ettert en zweert. Het is alleen maar publiciteit”

Niet alleen de personages zijn opgebouwd uit meerdere bestaande figuren,

Dat is ook wel een terugkerend thema in Uw filmcarrière. Vrijwel al Uw films spelen zich af in het verleden. Is daar een speciale reden voor? Het is een soort ambitie om tijd en mentaliteit in fictie vast te leggen. Het is ook heel gek dat het in Nederland zo weinig is gebeurd. In Amerika is de hele misdaadgeschiedenis vastgelegd. Er zijn talloze westerns over indianenverdrijving en films over maffiabazen gemaakt. Maar nu je het zo stelt, denk ik er ineens aan dat ik vroeger lange tijd heb getwijfeld of ik geschiedenis zou gaan studeren. Daar was ik wel goed in op de middelbare school. Dus er is altijd wel een fascinatie geweest voor een andere plaats en een andere tijd. Het probleem bij een hedendaagse film is, dat wanneer je de

tijdsgeest raakt, hij over twee jaar weer oubollig is. Maar, dan is hij dertig jaar later juist wel weer interessant. Matthijs van Heijningen Na De Bende van Oss mag André van Duren zich rekenen tot het lijstje filmregisseurs dat blijft plakken aan producent Matthijs van Heijningen (De Lift, De stilte rond Christine M., Een Vlucht Regenwulpen). Wellicht Neerlands bekendste en zeker meest ervaren, nog altijd werkende filmproducent heeft sinds begin jaren zeventig een reputatie opgebouwd. Steevast strak in pak, sigaar in de mond en werken vanuit een sjiek grachtenpand aan de Singel in Amsterdam. Matthijs van Heijningen speelt zelfbewust graag zijn rol als producent, maar het mag niet vergeten worden dat de inmiddels 67-jarige filmmaker ook een bijzonder succesvol is. Hoe was het om na Kees de Jongen voor de tweede keer samen te werken met Matthijs van Heijningen? Ik ben me bewust van zijn reputatie, maar Matthijs en ik kunnen prima door één deur. Juist omdat we zo van elkaar verschillen denk ik dat we zo goed samen kunnen werken. Mat-

thijs vecht voor je film. Als hij besluit dat hij een film wil maken, gaat hij er volledig voor en zal hij hem ten alle tijden verdedigen. Matthijs maakt alleen wat hij wil maken, zonder daarbij op de regiestoel plaats te nemen. In een verfilming van Joe Speedboot [het populaire boek van Tommy Wieringa] zag hij bijvoorbeeld helemaal niets.

teurs in de rij om mee te mogen werken? Ik heb voor alle rollen mijn eerste keuzes kunnen krijgen. Dat was vrij uniek. Ook waren er wel Brabantse acteurs die achteraf teleurgesteld waren dat ze niet gevraagd waren, zoals Monic Hendrickx en Joost Prinsen. Maar ik had gewoon niet genoeg rollen!

Van Heiningen maakte zich nogal boos om de gang van zaken bij de Gouden Kalveren [de film won alleen voor Beste Muziek] en het mislopen van de Oscarnominatie. Hoe belangrijk zijn die prijzen voor U? Natuurlijk is het een droom ooit een Oscar te winnen, maar als regisseur bemoei ik me niet te veel met dit soort zaken. En over de Kalveren: als je met de Olympische Spelen meedoet, dan wil je die gouden medaille. Als je dan brons haalt, mopper je in eerste instantie. Eenmaal thuis ben je blij met je medaille. Van de 27 films zijn de prijzen onder vijf films verdeeld. Dan moet je niet zeiken als je daar tussen zit. Natuurlijk had ik voor mijn acteurs meer prijzen willen zien, misschien zelfs een soort ensemble-prijs.

U heeft ook veel reclamefilms gemaakt in Uw carrière. Blijft U die ook maken? Ik heb er leuk van kunnen leven en ik heb er veel van geleerd, maar mijn prioriteit voor de komende jaren ligt echter bij mijn filmcarrière.

Stonden de Brabantse ac-

De toekomst

Kunt U al iets zeggen over komende projecten? Je moet opletten dat je niet in een zwart gat terecht komt. Ik ben heel lang bezig geweest met deze film en dan is hij nu ineens klaar. Maar vanavond ga ik weer met scenarioschrijver Paul Jan Nelissen om tafel om opties te bekijken en te bedenken wat het volgende project wordt. Wel kan ik vertellen dat de volgende keer dat ik op de set sta, zal zijn voor het tweede seizoen van Van God Los, waar ik een grote waargebeurde misdaad ga verfilmen.

Matthijs van Heijningen (l) en André van Duren (r) op de set van ‘De Bende van Oss’- foto: IMDb


BINNENLANDS NIEUWS IN DE WERELD VANDAAG

‘Ik denk dat het heel lang gaat duren voordat zij als een goed samenhangend leger kunnen gaan opereren.’ De afgelopen jaren zijn de Nederlandse militairen flink in opspraak geraakt. Porno, wangedrag, en groeiende kritiek jegens de missies in Irak en Afghanistan. Politici roepen om het hardst dat er onderzoek gedaan moet worden. Volgens marinier en voormalig Irak-ganger Sven E. S. zal dit ongetwijfeld weer met een sisser aflopen: een onderonsje tussen de onderzoekscommissie en de legerleiding. De jongens onderaan de ladder weten echter wel beter. V: ‘Hoe voel jij je als er in de politiek wordt gesproken over de ‘zinloosheid’ van de Irak- en Afghanistan operaties?’ A: ‘Ik voel me niet aangevallen, al zou dat misschien wel terecht zijn. Ik denk dat de meeste politici die schandaal maken, geen enkel benul hebben waar ze over praten. Maar aan de andere kant: ik weet wie het zegt. Ik weet uit welke hoek het komt.’ V: ‘Wat bedoel je daarmee: Ik weet uit welke hoek het komt?’ A: ‘Het zijn toch een beetje de partijen als SP en GroenLinks. Ik krijg het idee dat als het aan hen ligt, er niets gebeurt totdat de bevolking van idealisme dood gehongerd is.’ V: ‘Zijn er veel collega’s die links stemmen?’ A: ‘Zelf stem ik op de VVD. Hoe het stemgedrag onder collega’s is weet ik niet, maar ik zou zeggen dat er overwegend rechts gestemd wordt.’ V: ‘Wat was de aard van de missie in Irak?’ A: ‘Wij hadden vooral een beschermende taak. Maar we hebben ook militairen opgeleid.’ Door Ramon de Groot

V: ‘Een nobele taak. Ze moeten jullie wel met open armen hebben ontvangen daar.’ A: ‘Ik denk niet dat de bevolking het heel erg vond dat we er waren. Aan de andere kant zijn die mensen natuurlijk erg wantrouwig, en ook een beetje achter de ellebogen.’ V: ‘Waaraan merk je dat?’ A: ‘Als je bijvoorbeeld in een dorp komt, staat iedereen je langs de weg toe te juichen, maar zodra je voorbij bent gereden steken ze hun middelvinger op. Nou valt dat natuurlijk wel mee, we zijn ook wel eens met stenen bekogeld.’ V: ‘En wat is dan de tactiek?’ A: ‘Als je omkeert dan rennen ze vaak al weg. Of ze doen net of ze achterlijk zijn. Dan trekken ze een rare kop, en beginnen een beetje schaapachtig te lachen.’ V: ‘Ben je wel eens ‘echt’ in gevaar geweest? A: ‘Ik heb daar nooit mijn wapen gebruikt. En ik heb ook nooit het gevoel gehad dat ik in gevaar ben geweest. Vaak kun je met praten de zaak afhandelen.’

V: ‘Ligt er een taboe op schieten tijdens een missie, na dat incident met Erik O? Erik O werd vervolgd voor het overtreden van de schietinstructie in Irak waarbij een burger werd gedood. A: Er zijn vrij strikte regels over het gebruik van wapens. Alles wordt bijgehouden, je bent verplicht alles te melden. Ik denk dat de meeste jongens geen problemen willen. Daar gaat het vooral om.’ V: ‘Kun je je werk wel normaal doen met dat soort regels?’ A: ‘Je zou het kunnen zien als gebrek aan vertrouwen vanuit de leiding. Ik ben gelukkig niet in een situatie geweest dat ik daarover heb hoeven nadenken. Maar, ik denk ook niet dat je dat soort overwegingen maakt als je wordt beschoten.’ V ‘Zou jij in zo’n geval terugvuren ondanks dat wantrouwen?’ A: ‘Ik kan niet in de toekomst kijken, maar ik denk van wel. Als er geen andere oplossing is. Er zijn wel protocollen voor, maar ik denk dat je theorie en praktijk niet met elkaar kunt vergelijken. Zeker niet als je eigen leven of dat van je collega’s in de waagschaal ligt.’ V: ‘Nu zijn jullie goed getraind. Hoe zit het met de mensen die jullie hebben opgeleid, wat is hun achtergrond?’ A: ‘Een baan bij het leger heeft een hoge status. Dus

de meeste jongens zijn erg gemotiveerd. Maar daar is dan ook alles mee gezegd. Slechts een klein deel heeft ervaring. Die hebben dan meestal al gediend onder het regime van Sadam.’ V: ‘Dat zijn in principe de mensen waar in eerste instantie tegen gevochten is.’ A: ‘Dat hoeft niet. In Irak is er net als vroeger in Nederland een dienstplicht. En bovendien hebben deze jongens zich vrijwillig aangemeld. Natuurlijk kun je dat ook doen om verdenking van je weg te leiden. Als je bloed aan je handen hebt dan ben je in het leger relatief veilig. Hoe het ook zij, er is weinig bekend van de rekruten. De meeste mensen weten niet eens wanneer en waar ze geboren zijn omdat die gegevens vaak niet beschikbaar zijn.’ V: ‘Denk je dat zij op termijn orde en veiligheid kunnen garanderen?’ A: ‘Ik denk dat het heel lang gaat duren voordat zij als een goed samenhangend leger kunnen gaan opereren.’ De mentaliteit van die jongens is gewoon heel anders. We zijn wel wezen patrouilleren, en als er dan iets gebeurde, dan sprongen die gasten uit een rijdende truck en begonnen ze meteen in de lucht te knallen.’ V: ‘Wat is je het meest bijgebleven?’ A: ‘Op een gegeven moment waren we in een dorpje waar allemaal kinderen zich om ons heen hadden geschaard. Allemaal een beetje bietsen

om wat eten, of een sigaretje.Tegen de regels in gaf een van de jongens een ventje een Mars, en ik dacht: dat is de eerste keer dat dat mannetjes een mars proeft. En waarschijnlijk ook de laatste keer.’ V: ‘Is dat de manier waarop de bevolking aan hun brood komt?’ A: ‘Je kunt het zo gek niet bedenken of het komt voor. De werkloosheid is hoog, en als je honger hebt word je creatief. Dat begrijpt een kind.’ ‘Op een gegeven moment moesten we trucks met spullen begeleiden. Ineens gaat een kerel er vandoor met een van die wagens. Het stomme is dat we het paspoort van die gozer bij ons hadden. Dat krijgen ze dan terug als ze de spullen netjes hebben afgeleverd. Het was namelijk al vaker gebeurd dat er trucks verdwenen. Het rotte is dat je er niets aan kunt doen. Je kunt die andere wagens niet uit het oog verliezen, want anders zijn die ook weg, of worden ze geplunderd.’ V: ‘Je had het net over het stiekem geven van een Mars. Gebeurde dat wel vaker, de regels aan de laars lappen.’ A: ‘Je hoort best wel eens over dingen die niet mogen?’ V: ‘Zoals?’ A: ‘Dat er een flesje wijn werd opgestuurd, of een paar “plakboekjes”.’ V: ‘ Er werd dus ook in Irak gedronken, en porno gekeken?’

Wereld Vandaag 21 oktober 2011 Interviewpagina


BINNENLANDS NIEUWS IN DE WERELD VANDAAG A: ‘Het zijn dingen die je hoort. Ik ben er zelf nooit bij geweest, maar ik kan me goed voorstellen dat het gebeurt. Overal gebeuren dingen die tegen regels en wetten ingaan. Het leger is daar geen uitzondering op.’ V: ‘ Wat is het meest bizarre verhaal, van horen zeggen?’ A: ‘Of het waar is weet ik niet. Maar er schijnt wel iets gebeurd te zijn tussen een militair en een meisje van de ziekenboeg. Die zou even zijn afgestoft in een wachttoren, terwijl de boel dan zo’n beetje onbemand is.’

V: ‘Dat zijn dingen op persoonlijke titel. Zijn er ook zaken waar het hele leger op aangesproken is? Het zogenaamde onethische gedrag.’ A: ‘ Op een gegeven moment hadden we wat mensen opgepakt. En om te voorkomen dat ze met elkaar en met anderen zouden gaan overleggen, hadden we ze een geblindeerde skibril opgezet. Daar is toen veel gezeur over geweest. Maar waarom? Joost mag het weten. ‘Ik vond het eerlijk gezegd te soft op bepaalde vlakken. Als we bijvoorbeeld schoten hoorden,

dan moesten we, als we wilden kijken, eerst vragen of we binnen mochten komen. En als ze dan ‘nee’ zeiden dan konden we dus niets doen, terwijl je weet dat er iets niet in de haak is.’ V: ‘heb je daarvan gebaald?’ A: ‘In wezen is dat wel het vervelendste wat er is, ja. Dat je een vak waar je van houdt, niet kunt uitvoeren op de manier zoals het bedoeld is. Je voelt gewoon dat het niet goed is. Het gevoel dat iets niet klopt dat heeft niets met regels te maken, maar met iets van binnen.

V: ‘Heb je ervan wakker gelegen?’ A: ‘Nee, gelukkig slaap ik altijd goed.’ V: ‘Is er nog nazorg voor mensen die naderhand wel trauma’s hebben?’ A: ‘Toen onze tijd erop zat zijn we eerst twee dagen naar Cyprus geweest om ons helemaal gek ze zuipen. En overdag moest je dan even met een psycholoog praten. Dat stelde niet echt veel voor. Maar als je later klachten hebt, dan kun je geloof ik wel contact opnemen.’ V: ‘Zou je weer gaan als je de mogelijkheid had?’

A: ‘Ja’ Sven E.S heeft tien jaar bij het korps mariniers gediend. Hij is uitgezonden geweest naar Engeland, Noorwegen, Suriname, en heeft bij elkaar zo’n drie jaar op Curaçao gewoond. In 2003 werd hij voor vierenhalve maand uitgezonden naar Irak. 2011 is het jaar dat hij “afzwaait.” De beloofde missie naar Afghanistan is nooit doorgegaan. “Veel jongens vinden dat jammer, omdat zo’n uitzending echt lekker verdienen is.” Als goedmakertje volgt Sven momenteel een opleiding tot beroepsduiker in Zuid-Afrika. Op koste van defensie.

Wereld Vandaag 21 oktober 2011 Interviewpagina


Een jonge Rotterdamse ondernemer IN DE WERELD VANDAAG

“In constante competitie met mezelf” Rotterdam, 17 oktober 2011 – Als een echte Rotterdammer komt Douwe Jippes (25) Café Engels binnengelopen; nonchalante houding, open blik en een nuchtere uitstraling. De jonge ondernemer die dagelijks zijn balans probeert te vinden tussen zijn grote droom: financiële onafhankelijkheid en aan de andere kant vooral doen wat hij leuk vindt “omdat het morgen allemaal anders kan zijn”.

is. Daarnaast is gewoon het meest belangrijke voor het werk wat ik doe, dat je bewust bent van wat er belangrijk is voor de klant van je klant. Ik denk dat ik daar ook goed in ben. Ik heb denk ik gewoon een analytische geest. Volgens mij moet ik gewoon vooral heel geïnteresseerd zijn in alles. Als je niet geïnteresseerd bent in simpele dingen, ben je ook niet geïnteresseerd in complexe dingen.

Door Nicky van den Berg Jippes is businessmanager voor het Now & Wow Festival. Hij is bij Now & Wow verantwoordelijk voor de zakelijke leiding en management. Daarnaast organiseert hij de brand partners. “Een positieve, enthousiaste ondernemende man,” zo omschrijft Douwe zichzelf aan het begin van het gesprek. Lastig vindt hij het om zichzelf te profileren en soms zelfs vermoeiend. “Mensen begrijpen me vaak niet. Ik ben een snelle en analytische geest, en daarom ook dus geen stabiele geest. Ik denk niet dogmatisch en dat ik gisteren iets anders dacht dan vandaag vind ik niet relevant, zo lang ik er op dit moment maar achter sta. Dit is lastig voor mijn omgeving.” Jippes begon in oktober 2007 Jong Bloed Communicatie, met deze onderne ming moest hij in juni 2009 alweer stoppen. Het was een avontuur. “Sommige mensen gaan backpacken door Australië en ik startte mijn eigen bedrijf.” Wat is er misgegaan bij Jong Bloed Communicatie? “Ik was te onervaren en ik had destijds moeite met omgaan met sterke karakters.. Daarnaast haalden we te weinig werk binnen en deed eind 2008 de Economische crisis zich aan. Ik was er waarschijnlijk ook gewoon nog niet klaar voor.

Na een korte pauze zegt Jippes onzeker: “Ik heb wel veel geleerd. Bijvoorbeeld dat je altijd onafhankelijk moet zijn. Maak keuzes op basis van je eigen waarnemingen. En tot slot dat het leven ook vooral leuk moet zijn.” Sommige mensen zeggen dat je te naïef was. Hoe ga je om met deze kritiek? “Van alle mensen die kritiek hebben, luister ik alleen naar mensen die ik op waarde schat of dezelfde ervaring hebben gehad of zulke wijsheid hebben dat het onverstandig is om niet naar ze te luisteren. Voor de rest mogen mensen hun eigen projecties hebben. Ik vind het gewoon heel belangrijk dat je om je bek moet gaan om te leren winnen. De meeste mensen die iets roepen zoals je bent naïef, willen vaak zelf ook iets creëren en dat lukt ze niet waar ze een ander op gaan afrekenen en dat is het slechtste wat je kan doen. Trouwens ik denk dat er

meer mensen naïef moeten zijn, omdat naïviteit een positief surrealisme is. Ik weet dat dit wat vaag klinkt, maar mijn geschiedenis is bijvoorbeeld rooskleuriger dan hij was. Dat komt omdat ik het zo heb geïnterpreteerd. Als dat betekent dat ik in de toekomst ook rooskleuriger denk dan dat het zal zijn, nou wat is daar mis mee?” Je bent op het moment werkzaam bij meerdere organisaties. Welke functie past het meest bij jou? “Ik ben nu ook Channelmanager bij Parnassia Bravo Groep en ik zou in de toekomst graag alleen businessmanager van Now & Wow willen zijn. Doe ik wat ik wil? Dat weet ik niet . Ik weet nooit precies wat ik wil, dat is mijn grootste valkuil. Maar ik denk dat als ik andere inzichten, andere beelden kan geven en adviezen kan geven die ze verder helpen in hun eigen leven, in hun eigen carrière dan denk ik wat ik doe goed

Inmiddels werk je samen met Ted Langenbach aan het Now & Wow festival wat in december gaat plaatsvinden. Langenbach staat vooral bekend als de Nederlandse partygoeroe, hoe kijk jij tegen Ted aan?“Ted heeft een briljante visie. Hij kijkt op een geweldige manier tussen de verbinding en beweging tussen mensen. Zakelijk moet ik hem op sommige punten opvoeden maar hij is een enorme provocateur en daar bewonder ik hem heel erg voor.” Wat maakt het Now & Wow festival uniek? “Het is een multidisciplinair festival waar alle subculturen bij elkaar komen. Het draait om muziek, mode en beeldende kunst. Now & Wow is deel van de Rotterdamse cultuur. Er zijn generaties die het heel graag nog een keer willen herleven en generaties die er veel over gehoord hebben en het willen mee maken. Maar het draait niet alleen om nostalgie. We zetten de vroegere Now & Wow-activiteiten in het nu. Wat ik cool vind is dat je echt honger moet hebben om naar binnen te gaan. Je moet een ‘relaxede houding’ hebben en je natuurlijk houden aan de dresscode. Binnen zorgen we voor performance- arts, vette decors, elektronische muziek en coole bandjes. Rotterdam moet weer op de kaart gezet worden. Daarnaast proberen we tegelijkertijd een soort plat-

form te creëren waarmee we hopelijk dit concept ook in het buitenland te willen uitzetten.“ Douwe is duidelijk overtuigt van dit Rotterdam concept en heeft tijdens de uitleg een een bepaalde sprankeling in zijn ogen. “De eerste editie vindt 17 december plaats in het vroegere Now & Wow, nu Maassilo. Het is op het moment alleen maar stressen, maar dat hoort ook een beetje bij dit wereldje en ik geniet ervan.” Hoe ziet jouw leven eruit over 5 jaar? “Over vijf jaar heb ik een vriendin, een kind, een Maserati en een groot huis. Dit is toch wat iedereen uiteindelijk wil? Ik dus ook, denk ik. Ach morgen kan alles zomaar alles zijn. Voor anderen kan ik heel goed vooruit plannen en denken, maar voor mezelf lukt dit me niet. Als ik totaal iets anders doe, is het ook goed. Opgroeiende met een vader regelmatig in het ziekenhuis, heb ik vooral één zekerheid meegekregen: iedereen gaat dood. Je kunt niet anticiperen op iets wat er mogelijk helemaal niet meer is. Ik hoef uiteindelijk helemaal geen eer en respect, Wij zijn allemaal heel erg bezig met sociale conventies. Ik vind het leuk als mensen tegen me op kijken maar eigenlijk wil ik dat niet want het brengt een bepaalde verantwoordelijkheid met zich mee.” Tot slot; wat maakt jou, jou? Deze clichévraag lijkt hem haast te irriteren, of misschien irriteert de zelfbewuste Rotterdammer zich eraan dat hij niet direct een antwoord klaar heeft. Uiteindelijk na lang nadenken zegt hij: “Ik ga altijd op zoek naar competitie met mezelf. Veel mensen zoeken vaak competitie met een ander. Ik vind dat je verantwoordelijk bent voor je eigen leven. Ik bluf mezelf door het leven en dat maakt mij, mij.”

Wereld Vandaag 21 oktober 2011


ZAKENLIJKE ACHTERGRONDEN

IN DE WERELD VANDAAG

De Slavernij pleit voor grijze blik op het verleden

Na de succesvolle geschiedenisreeks De oorlog, zond de NTR vanaf september 2011 de vijfdelige televisieserie De Slavernij uit. De meningen over het programma zijn verdeeld en de discussie over dit beladen thema is nog lang niet voorbij. Een interview met video-editor Erik van Dieren over de totstandkoming van de documentaire en het verhitte debat rondom de serie. Door Esther Audier

Omdat De Slavernij zowel historisch als ethisch een heel beladen thema is, was er al voordat de serie uitgezonden werd grote onenigheid. In hoeverre was er bij de productie ook sprake van onenigheid over de thema’s, de aanpak en de visie die in de serie aan bod moesten komen? “Natuurlijk is er in het proces van programma’s maken sprake van verschillen, maar die liggen niet zozeer in verschillen van inzicht in de problematiek maar meer in het zwaar aanzetten van een bepaald onderwerp of het tegen het licht houden van bepaalde thema’s. Om aan te geven hoelang het traject is naar de uiteindelijke finale versie; van de afleveringen die ik heb gemonteerd was het eindresultaat de tiende of elfde versie. Dat is behoorlijk wat knip- en plakwerk. Ik heb me tijdens het proces heel soms gedicteerd gevoeld, maar nu ik genoeg afstand heb tot het scheppingsproces en de serie opnieuw op de televisie heb gezien, kan ik concluderen dat ik over het algemeen genoeg vrijheid en ruimte heb gehad om mijn vak te kunnen uitoefenen.” Is er bewust voor de algemene benaming De Slavernij gekozen in plaats van bijvoorbeeld een specifiekere titel als ‘de trans-

Atlantische slavenhandel’ of nog specifieker ‘de rol van Nederland in de transAtlantische slavenhandel’? “Voor zover ik weet is er bewust voor de titel De Slavernij gekozen omdat men het kader groter wilde maken dan alleen de transAtlantische slavenhandel. Dat zie je ook terug in aflevering 1 waarin we beginnen met een verbreding over Christenslaven en aflevering 5, waarin er teruggekoppeld wordt naar de hedendaagse slavernij.” In het discussieprogramma Z.O.Z. werd op 3 oktober 2011 een discussie gehouden over het programma. Aspha Bijner, medewerker van het Ninsee en lid van de adviesraad voor de serie, betwijfelde of de serie niet wat focus miste. Kunt u zich in deze kritiek vinden? “Juist door deze algemenere invalshoek, is de kritiek dat de serie focus mist snel gemaakt. Ik vind dat er soms te veel elementen in een aflevering behandeld werden. Dit was eventueel op te lossen door meer afleveringen te maken of de uitzendlengte te vergroten. Ik had het overigens ook niet goed gevonden als de focus alleen op de trans- Atlantische slavenhandel of alleen de Nederlandse inbreng daarin was gegaan. Daarvoor vind ik de andere aspecten veel te belangrijk om ongenoemd te laten.” In datzelfde programma zat Sandew Hira, historicus en vervent criticaster van De Slavernij aan tafel, die vond dat programma zich schuldig maakte aan ‘het bagatelliseren van de misdaad tegen de menselijkheid’. ‘Als je doet alsof alle moorden gelijk zijn dan maak je het minder belangrijk’ zei hij. Is dat een terechte kritiek? Kun je moderne vormen van slavernij eigenlijk wel

vergelijken met vroegere vormen? “In de kritiek van Sandew Hira kan ik me absoluut niet vinden. Ten eerste begrijp ik niet dat je “misdaad tegen de menselijkheid”, zoals de trans-Atlantische slavernij wordt genoemd, überhaupt kan bagatelliseren in een serie over slavernij. Ten tweede probeert hij te beweren dat de serie appels met peren vergelijkt, door de moderne slavernij (hij noemt ze consequent maar foutief Polen) en de christenslaven op een lijn te zetten met de in Afrika tot slaaf gemaakten. Dit doet de serie niet en de serie heeft nooit de intentie gehad om dat te doen. Het wil alleen maar onder de aandacht brengen dat slavernij breder is dan alleen de trans-Atlantische. De trans-Atlantische slavenhandel wordt overigens wel terecht het meest belicht. Vergelijkingen met dit onderwerp moeten we niet willen maken en vind ik zelfs onkies.” Sandew Hira zegt dat alleen al in de keuze van presentatoren gekozen is voor een stereotypering: de slimme, blanke Daphne Bunskoek versus de de domme, vrolijke zwarte comedien Roué Verveer. Waren er nog andere gegadigden om te presenteren of was het van het begin af aan al duidelijk wie het zouden gaan presenteren? “Ook zijn kritiek over de keuze van de presentatoren deel ik niet. De keuze voor Daphne is in een vroeg stadium gemaakt. Waarom ze voor haar gekozen hebben weet ik niet, maar ik vind dat zij zich goed heeft ingeleefd in haar taak als interviewer en duider van diverse onderwerpen. De keuze voor Roué is mede ingegeven door zijn Surinaamse achtergrond, daar is geen twijfel over mogelijk. De verdeling was duidelijk: Daphne zou de grote lijnen

van het verhaal vertellen en Roué was gekozen voor de persoonlijke identificatie. De researchers hadden de stamboom van hem al gecheckt, dus men wist dat hij een lange familiegeschiedenis in Suriname had.”

Waarom is er in de hele zo weinig gebruik gemaakt van het perspectief van de slaven? “De kritiek dat er te weinig belicht is vanuit het oogpunt van de slachtoffers deel ik. Ik had zelf ook graag iets meer vernomen van het zogenaamde “slavenperspectief”. Het gebruik van de bronnen was echter in sommige gevallen niet zozeer het resultaat van een keuze als wel van noodzaak. Er is zo weinig over de slaven gedocumenteerd dat het vrijwel onmogelijk was om daar dieper op in te gaan. De slavencultuur was een orale cultuur, waarvan naderhand ook weinig is opgeschreven. Daarom waren wij ook zo blij dat mevrouw Cynthia Macleod haar inbreng kon geven aan het verhaal over hoe het eraan toeging op de plantages in de 18e eeuw in Suriname.” Kan het programma gezien worden als een vorm van Nederlandse boetedoening voor het slavernijverleden? “Ik zou willen dat dat waar was, maar aan de andere kant komen we er dan wel gemakkelijk vanaf. Ik ben bang dat niets, dus ook geen financiële schadevergoeding, ook maar in de buurt kan komen als boetedoening voor wat onder Nederlands recht in Curaçao, Suriname en in Afrika is opgezet en aangericht . Het enige wat we kunnen doen is vertellen over hoe de Nederlandse normen toen blijkbaar waren. Men had het over slaven alsof het over roerende zaken ging, ze mochten volgens de wet geeneens schoenen dragen! De normen zijn in de

loop der eeuwen zo sterk veranderd dat het moeilijk voorstelbaar is dat er toen zo werd gedacht en gehandeld. Dit alleen al is een rechtvaardiging om veel meer programma’s over dit onderwerp te maken, waarin nog meer gefocust kan worden op het perspectief van de tot slaafgemaakte en het zogenaamde “Nederlandse” perspectief.” Heeft het nut om een serie over de slavernij te maken en is het aan een ‘witte zender’ als de NTR om dit te doen? NTR een witte zender? “Wie die programma’s zou moeten maken vind ik niet zo belangrijk. Misschien zou zelfs Sandew Hira een kans moeten krijgen. Wat ik belangrijker vind, is dat zowel de stem van de tot slaafgemaakte als de plantageeigenaar van toen, door ons gehoord en geïnterpreteerd kan worden. De discussie die loskomt na de vertoning van deze serie is wat mij betreft al een belangrijk nut. Ik hoop dat er nog vele bijdragen zullen volgen, omdat het kijken naar de normen van toen ons ook veel kan vertellen over hoe onze normen nu zijn en hoe we die eventueel moeten bijstellen.” Is een vervolg op de serie noodzakelijk of gewenst naar aanleiding van de discussie die erover is opgelaaid of is met deze serie de kous af? “Ik hoop zelf dat de serie het begin is van een groot aantal publicaties en programma ’s, die een deel van wat in de serie is behandeld goed kunnen toelichten. Bij het monteren en het lezen van het nodige materiaal merkte ik dat mijn onwetendheid van de bewuste periode nog groot is. Dat zal ongetwijfeld ook gelden voor de geïnteresseerde kijker.”

Wereld Vandaag 21 oktober 2011


ZAKELIJKE ACHTERGRONDEN

IN DE WERELD VANDAAG

‘100% groei is slecht voor een bedrijf’ Veel mensen dromen ervan uit te groeien van postbezorger tot multimiljonair. Theo Mulder maakte deze droom waar. De stappen die Theo Mulder heeft doorlopen om dit te bereiken zijn te lezen in het boek ‘Eenvoud in Complexiteit’ dat hij samen met zijn zonen uitgaf.

half jaar later is dit onzin want dan zijn er veel nieuwe mensen en taken bijgekomen. De organisatie moet dus voortdurend worden aangepast. Vond u het niet lastig om dit ieder jaar opnieuw uit te voeren?

Door Jim van der Meer Een sober maar degelijk kantoor in Rijswijk is de uitvalsbasis van Theo Mulder. Hij is druk met het helpen van zijn zonen, waarvan de één een eigen softwarehuis heeft en de ander colleges geeft. “80 à 90 procent van mijn tijd wordt gevuld met het ondersteunen van mijn zonen.” vertelt Theo. “De overige tijd gebruik ik voor mijn werkzaamheden als bestuursvoorzitter van Hogeschool NOVI en als directeur van Venture Management.” Venture Management helpt kleine bedrijven door risicodragend kapitaal te verstrekken. Mulder is zelf klein begonnen: na de MULO op de postkamer van een grote verzekeringsmaatschappij. Via die werkzaamheden kwam Mulder in 1964 terecht in de ICT, waarna hij in 1974 een eigen bedrijf oprichtte. U bent opgegroeid in het gezin van een kleine ondernemer, was dit van belang toen u uw eigen bedrijf opstartte? Ja, dat is een verhaal apart. Naar mijn idee moet bij mensen, die een eigen bedrijf willen oprichten, het ondernemerschap in de genen zitten. Voor mij was dat makkelijk aangezien mijn vader een kleine zelfstandige was. Maar de vader van mijn vrouw was

Theo Mulder bij de presentatie van Eenvoud in Complexiteit in 2006

ambtenaar. Die mensen vonden het niets dat je een goede baan opzegde, met drie kleine kinderen en een hypotheek, om voor jezelf te beginnen. Kreeg u veel kritiek te verwerken op uw keuze om voor uzelf te beginnen? Geen kritiek, maar het werd niet op prijs gesteld. Het was natuurlijk ook reuze gevaarlijk. Dat zie je nu nog steeds bij veel mensen terug. Vaak wachten zij totdat ze genoeg geld hebben, de kinderen het huis uit zijn of totdat de studie is afgerond. Dit zijn eigenlijk allemaal excuses om niet voor jezelf te beginnen. Je moet het gewoon doen omdat je vindt dat voor jezelf werken een betere manier van werken en leven is dan wanneer je voor een baas werkt. Desondanks geeft u in uw boek, Eenvoud in Complexiteit, aan dat het van belang is om eerst in loondienst te hebben gewerkt voordat je een eigen bedrijf start, waarom vindt u dat? Het is van belang dat je in

loondienst hebt gewerkt, omdat je dan dingen leert die je niet kunt leren als je alleen begint. Zeker in mijn tijd was de automatisering alleen mogelijk voor grote bedrijven, dus de praktijk in grote organisaties kun je alleen leren in diezelfde grote organisaties, vandaar dat ik toentertijd ook eerst in loondienst ben gegaan. In 1974 richtte u Infohouse op. Wat was dat voor een bedrijf? Infohouse begon als adviesbureau. Het kiezen van computers was in die tijd erg lastig. Het bureau stelde zich hierbij op als adviseur van bedrijven voor het kiezen van de juiste computer. Vervolgens werd Minihouse opgericht, waarna u Infohouse afbouwde, waarom deed u dit? Infohouse was het adviesbureau. In die tijd kwamen echter de minicomputers op de markt. Deze minicomputers waren kleine computers en onderscheidden zich van de grote computers omdat ze veel goedkoper en flexibeler waren. Als Minihouse wil-

© Inventive

den wij gaan werken met minicomputers onder andere door die te verkopen. Het verkopen verhoudt zich niet goed tot adviseren. Waarom niet? Je kunt geen dikke rekening naar een klant sturen voor een advies dat je vervolgens zelf gaat uitvoeren. Op een gegeven moment was het dus niet verenigbaar om een adviesbureau en een uitvoeringsorganisatie te hebben. Vandaar dat het adviesbureau moest wijken. In uw boek geeft u aan dat het ieder jaar nodig was om Minihouse te reorganiseren, waarom moest dit? Minihouse groeide bijna elk jaar met soms wel 30, 40 of 100 procent. Dit betekent dat als je met 20 mensen werkt en een jaar later met 40 mensen, de organisatiestructuur en overlegstructuur niet meer van toepassing zijn. Een gevleugelde uitspraak in die tijd was dan ook: “Een organisatieschema is de vergissing van vandaag”. Je probeert een organisatie in te richten, maar een

Nee eigenlijk niet, meestal deed ik dat tijdens de vakantie onder een palmboom dat werkte het beste. Ik vind ook dat als je echt creatief wil worden en dingen wil bedenken je dit niet moet doen in de routine van de dagelijkse sleur, maar juist aan het strand of op vakantie. Daar waren ze op het bedrijf ook altijd bang voor. “Hij is op vakantie geweest en komt vast weer terug met een idee om de zaak weer overhoop te halen.” was een van de uitspraken. De reorganisaties hadden succes want Minihouse floreerde tijdens een economische recessie, hoe komt dit? Ik denk dat dit te maken had met ons product. Een minicomputer was een nieuw product, daarachter zat een wereldleider (Digital Equipment Corporation), die het product goed in de markt zette. Na het succes van Minihouse werd er besloten dat het bedrijf naar de beurs moest worden gebracht, waarom werd dat besloten? Daar zijn vele antwoorden op te geven maar het meest normale antwoord is dat het bedrijf erg hard groeide, daarnaast was het bedrijf opgericht met een startkapitaal van 20.000 gulden. Aangezien de omzet in de miljoenen ging lopen was het bedrijf niet meer te financieren

Wereld Vandaag 21 oktober 2011


‘Ik ben met mijn bankafschrift naar Quote 500 gegaan om te bewijzen dat ik niet op die lijst thuishoorde’ met dat startkapitaal, vandaar dat er geld nodig was.

het geleidelijker was verlopen.

Minihouse werd naar de beurs gebracht in Londen, waarom gingen jullie niet naar de beurs in Amsterdam?

Uiteindelijk werd Minihouse toch op de beurs gebracht in Amsterdam, wat was de reden hiervan?

Een van de redenen was de situatie in Nederland. Er was in Nederland sprake van een ingeslapen beurs waar jarenlang geen introducties waren geweest. Daarnaast werd er voor de aandelen in Amsterdam een schijntje betaald. In Londen waren ook een aantal andere moderne bedrijven naar de beurs gebracht, die aandelen waren uiteindelijk 20 tot 30x zoveel waard als het in Nederland waard zou zijn. Daarnaast waren de Nederlandse banken niet geïnteresseerd.

Uiteindelijk ging de Nederlandse bankwereld overstag, ze wilden de beurs weer nieuw leven in blazen. Daarnaast is het eigenlijk niet goed voor een bedrijf om een beursnotering aan een buitenlandse beurs te hebben. Je hoort een beursnotering in eigen land te hebben.

Waarom waren de Nederlandse banken niet geïnteresseerd? De bankiers begrepen niet wat het product was en durfden er geen risico’s mee te lopen. Vandaar dat wij besloten naar Engeland te gaan. Door deze keuze kon Minihouse een groei van 100% doormaken. Iedereen stond te juichen bij deze groei. Ik vond dat ook erg mooi, ik kreeg er zelfs een prijs voor, maar eigenlijk is het heel slecht om zo hard te groeien. Waarom is het slecht voor een organisatie om met 100% te groeien? De groei is dan uiteindelijk niet meer te bemannen. Van 10 man personeel naar 20 man en van 20 naar 40 man personeel gaat nog, maar van 100 man naar 200 man in één jaar is niet uit te voeren. De organisatie draaide daardoor dol. Het was beter geweest als

“Door de beurgang kon Minihouse een groei van bijna 100% doormaken’’

ik niet hoe snel ik daar weer vanaf moest komen, want het is geen gezonde lijst om op te staan. Mijn vrouw vond dat helemaal niets. Ik kreeg namelijk telefoontjes van bedrijven die zeiden dat ze een beveiligingsbedrijf zijn. Zij hadden vernomen dat wij op een lijst stonden om aangepakt te worden door criminelen en zij wilden ons wel beschermen. De vraag is dan met wie je praat. Praat je met een echt bedrijf of met criminele bendes. Dit was een zeer onprettig gevoel. Vandaar dat ik ook naar Quote 500 ben gegaan om met mijn bankafschrift in de hand te bewijzen dat ik niet op die lijst thuis hoorde. Het jaar daarop hebben ze mij ook uit de lijst verwijderd.

Door de beursgang verdiende u een flink aantal miljoenen, hoe voelde dat?

Heeft u verder nog hinder ondervonden van het feit dat u op de lijst van 500 rijkste mensen in Nederland heeft gestaan?

Als je de eerste keer een bankafschrift krijgt waarop staat dat er een miljoen op jouw rekening is bijgeschreven dan is dat onwezenlijk. Dat eerste bankafschrift hebben we uitgeknipt en ingelijst. Na verloop van tijd went het echter en ga je je weer normaal gedragen.

Ik heb verder geen echte problemen ervan ondervonden, behalve dat mensen die je kennen het een vrijbrief vinden om geld te vragen, lenen of te willen hebben. Het is heel moeilijk om te weten wie nu uit vriendschap met je om wil gaan of juist omdat het voor hen lucratief is.

Binnen een korte periode verdiende u dus veel geld, zoveel geld dat u zelfs terecht kwam in de Quote 500, de lijst van de 500 rijkste Nederlanders. Weet nu nog in welk jaar dit was en welke positie u bekleedde?

Vlak voor de beursgang van Minihouse, werd besloten dat Minihouse zou gaan fuseren met een concurrent namelijk Multifunction. Deze fusie verliep niet als gepland waardoor u uiteindelijk bent vertrokken bij uw eigen bedrijf, vond u dat moeilijk?

Het ging volgens mij nog in guldens dus het is in ieder geval voor het jaar 2000 geweest, maar om heel eerlijk te zijn wist

Ik vond dat erg moeilijk. Om te beginnen was die fusie verkeerd. De bank-

wereld zei dat wij beter konden fuseren met het bedrijf Multifunction, aangezien deze concurrent exact hetzelfde deed als Minihouse. Deze fusie is niet goed gegaan waardoor een combinatie van de bedrijven slechter presteerde dan Minihouse alleen. De fusie zat niet goed in elkaar, dom dat ik daar niet op gelet heb. Ik heb mij dat ook persoonlijk aangetrokken. Vooral nadat er ook slechte cijfers kwamen bij Minihouse besloot ik dat het tijd was om op te stappen. Zijn er punten in uw zakelijke loopbaan die u nu anders zou aanpakken? Ja. Als je terugkijkt dan weet je waar dingen fout zijn gegaan. Achteraf is het dan makkelijk zeggen dat had ik anders aan moeten pakken. Vaak heb

je bij zulke beslissingen niet de tijd en de mogelijkheid om alles heel goed te bekijken, vandaar dat je weleens eens slechte beslissingen neemt. Daarnaast bestaat er ook zoiets als succesvergiftiging. Als je 15 jaar lang alleen maar meer winst maakt en het gaat ieder jaar beter en beter dan sta je niet meer open voor mensen die zeggen dat het fout kan gaan. Als mensen dat tegen mij zeiden, zei ik: “Oh ja, kijk dan even naar de laatste 15 jaar! Waar is het fout gegaan dan?”. Eigenlijk is dat geen goed antwoord, het goede antwoord had moeten zijn: “Ik ga kijken waarom het fout zou kunnen gaan.” Dit zie je tegenwoordig ook bij bedrijven waarbij het goed gaat. Ze denken dat ze alles kunnen en dat het nooit fout kan gaan, dit is natuurlijk niet zo.

Theo Mulder tijdens seminar NOVI

© Jim van der Meer

Wereld Vandaag 21 oktober 2011


ZAKELIJKE ACHTERGRONDEN

IN DE WERELD VANDAAG

Freek van der Valk, een enthousiaste ondernemer We spreken af in het Van der Valk hotel Ridderkerk waar hij zelf de scepter zwaait. Het hotel uit 2007 is één van de jongste vestigingen van het horeca concern. Freek van der Valk, oudste zoon van Rob en Cécile van der Valk en lid van de derde generatie ‘Valken’, oogt ontspannen wanneer we plaats nemen in de lobby van het hotel. Het hotel wat onder zijn leiding staat doet het goed zo te zien, want ook op deze doordeweekse avond is de bezetting bovenmatig. De geschiedenis van het concern gaat terug naar 1939 waarin grootvader Martien van der Valk in Voorschoten het eerste hotel bouwde. Zijn streven was elk van zijn elf kinderen een eigen hotel te geven. In de volgende generaties zijn de vestigingen als paddenstoelen uit de grond geschoten en inmiddels is Van der Valk het grootste horeca concern van Nederland en heeft het meer dan 80 vestigingen in binnen- en buitenland. Vanaf 1977 hadden uw ouders de leiding over Restaurant Plaswijck. Werd bij u thuis verwacht dat ieder kind in het bedrijf zou gaan werken? “In de eerste generatie gold het idee dat elk van de kinderen als huwelijkscadeau een eigen zaak zou krijgen. In de tweede generatie was dit idee er nog steeds, maar hier gingen meer mensen hun eigen weg. Toch kwam nog rond de 80% in het concern terecht, waaronder mijn vader. In mijn generatie worden de verschillen steeds groter en gaan meer mensen een andere weg, maar zeker de helft is nog werkzaam binnen het concern. Thuis

beteren, maar ook dat is weer leuk. In deze jaren heb ik een hoop lol gehad in het ondernemen zelf. Als ondernemer kun je kiezen in hoeverre je zelf dingen doet. Hoe groter het bedrijf is hoe meer je kunt specialiseren en kunt uitbesteden.”

Freek van der Valk en zijn partner Krystle Hagoort

werden wij vrij gelaten met wat we wilden gaan doen. Ik wilde altijd architect worden. Het plan was ook niet dat dit mijn hotel zou worden. Mijn ouders kochten in 1995 de grond van waar nu hotel Ridderkerk staat. De bedoeling was dat in 1997 het hotel er zou staan, maar na de zoveelste afwijzing waren mijn ouders er een beetje klaar mee.” “Op de keukentafel thuis zag ik steeds tekeningen liggen van hoe het hotel eruit zou moeten zien. In die tijd studeerde ik bedrijfskunde, maar naast mijn studie was ik alleen maar bezig met het bestuderen van die tekeningen. Ik mocht op een gegeven moment bij bouwvergaderingen aanwezig zijn, maar ik mocht nog niet mee vergaderen.” Hoe kwam het dan uiteindelijk tot uw eigen vestiging? “Ik begon mijn ouders steeds meer over de plannen en de tekeningen te vragen. Ik had me er helemaal in verdiept, wist alles uit mijn hoofd en had ook veel ideeën hoe het beter zou kunnen. Door de constante afwijzingen van de plannen waren ze pes-

simistisch geworden. Nadat zij doorkregen dat ik meer wist te vertellen over de tekeningen en nieuwe ideeën kon opperen, lieten ze mij het woord doen. Ze zagen waarschijnlijk dat ik ontzettend enthousiast was en uiteindelijk is besloten het roer om te gooien en mij aan het hoofd van dit bouwproces te plaatsen.” In 2007 opende Van der Valk hotel Ridderkerk haar deuren, nu meer dan vier jaar geleden. Hoe kijkt u hierop terug? “Ik probeer zelf altijd alles van de positieve kant te benaderen. Op de afgelopen vier jaar kijk ik dan ook met veel plezier terug. Natuurlijk liep niet alles altijd vlekkeloos, maar ik denk dat we blij mogen zijn met waar we nu staan. Het hotel loopt goed, is bekend bij veel mensen waaronder veel topsporters en dat is iets waar we trots op mogen zijn. In relatief korte tijd hebben we veel bereikt.” “We hebben een bepaalde status opgebouwd en het is een grote uitdaging om dat niveau vast te houden. We moeten constant bezig zijn dingen te willen ver-

Van der Valk Hotel Ridderkerk heeft bij de bouw een aantal milieuvriendelijke maatregelen genomen. Bent u zo begaan met het milieu? “In de horeca, en ook in andere segmenten is de gedachte lange tijd geweest ‘hoe meer inkomsten hoe beter’. Uiteindelijk is het fijn als de inkomsten rendabel zijn, maar leuker vind ik het als er positief over het bedrijf gepraat wordt en als mensen het leuk vinden om er te werken. Ik moet toegeven dat ik zelf niet de meest groene persoon ben. Ik wil vooral iets goeds doen en dan kun je tegenwoordig niet meer om het milieu heen.” In 2009 nam Freek van der Valk restaurant Blits over. Met het glazen paviljoen aan de Maas lijkt hij een luxe weg in te slaan, iets wat ogenschijnlijk haaks staat op de toegankelijke visie van het Van der Valk concern. Is dit luxe segment de kant waar u uiteindelijk naar toe wil? “Het achterliggende idee is dat onze locaties altijd toegankelijk moeten blijven, ook als het wat luxer wordt. Het toegankelijke heeft te maken met de prijsstelling. Vroeger was het idee ‘veel voor weinig’, waarbij het meer om de kwantiteit dan om de kwaliteit ging. Ik zie het tegenwoordig meer in de zin van ‘meer voor hetzelfde’. Het is niet

meer zo veel goedkoper als Van der Valk vroeger was, maar mensen krijgen nog steeds meer dan dat ze ergens anders kunnen krijgen.” Hoe ziet u de toekomst van het bedrijf verder? “Wij kijken natuurlijk verder dan onze eigen vestiging. We zijn continu bezig het mooier te maken, het hotel is in wezen ook ons huis. Waar je wel tegen aanloopt met de verbeteringen is het idee dat de prijs dan nog wel steeds moet kloppen. De opvatting die bij het concern hoort is toegankelijkheid en al willen we steeds luxer, het moet zeker qua prijs nog wel bereikbaar blijven voor de gasten. Sinds kort bent u vader van een dochter. Als zij ook in het bedrijf verder wil gaan, moedigt u dit dan aan? “Mijn partner en ik vinden dat Lilly helemaal zelf uit moet gaan vinden wie ze is en wat ze leuk vindt. Wij willen haar daar absoluut vrij in laten. Het idee van het concern is dat het er niet voor de komende vijf, maar zeker voor de komende 100 jaar moet zijn. Als mijn dochter onderdeel zou zijn van de volgende generatie Valken die het bedrijf verder voortzetten, zou ik dat erg leuk vinden. Een hotel draait 24 uur per dag, zeven dagen in de week. Je moet er wel veel plezier in hebben, wil je het volhouden. Je kunt niet steeds terugvallen op vaststaande procedures, want er doen zich altijd situaties voor die nieuw zijn. Zo ben je dus continu bezig het bedrijf in goede banen te leiden en verder te ontwikkelen. Het moet wel echt vanuit je hart komen.”

Wereld Vandaag 21 oktober 2011 Pagina 4


Wereld Vandaag Interview Special Groep 2