Page 1

Water dat zich laat oversteken


gerard visser

Water dat zich laat oversteken Verkenningen in het stroomgebied van beleving en gelatenheid

sjibbolet µ  a mst er da m  µ  m m x i


© 2011 G. Visser p / a Uitgeverij Sjibbolet, Amsterdam Niets in deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be produced without the written permission of the publisher.

Illustratie omslag Jean Bazaine, Le Baptème II. Saint-Séverin, Parijs. Foto Giel Visser. Boekverzorging René van der Vooren, Amsterdam

isbn 978 94 9111 009 2  |  nur 730


5

Inhoud

Inleiding  9

1 De vraag naar de zin van het leven  31 2 Verzoening — Een zaak van verwerking of van zuivering?  47 3 Of er van buitenaf iets op de muur tikt — Een situering van het werk van Otto Duintjer  59 4 Omtrent rust, ritme & gelatenheid  85 5 Levensfilosofie en religie — De actualiteit van Meister Eckhart  109 6 Je bent woedend hè — Het hechte verband tussen boosheid en liefde  129 7 What’s in a name — Over beleving, sereniteit & gelatenheid  143 8 Moderne kunst en religie — Met bijzondere aandacht voor het werk van Jean Bazaine  161

Literatuur  193 Verantwoording  199 Register van personen  201


Later I became less ambitious in my dreams: Europe was not what I had expected it to be. Its people had no rest in their innermost being. They lacked something. dora diamant *

*

K. Diamant, 2003, p. 259.


9

Inleiding

De eerste vraag van de catechismus die ik als kind uit het hoofd moest leren luidde: ‘Waartoe zijn wij op aarde?’ Antwoord: ‘Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en in het hiernamaals gelukkig te worden.’ Gedurende mijn volwassen leven heb ik nooit meer over de vraag naar de zin van het bestaan — in de vorm van deze vraag en dit antwoord — nagedacht. Recent kwam ik ze bij toeval weer tegen. Ik moet bekennen dat ik een uitleg van deze woorden, op grond waarvan ik ze zou kunnen beamen, niet kon uitsluiten. Een kind mag je het hier boven gegeven antwoord echter nooit zo zonder meer inprenten. In de eerste plaats omdat dit antwoord alle vragen doodslaat. In de tweede plaats omdat het wel zegt waartoe wij op aarde zijn, maar niet waarom ik er ben. Overigens is het antwoord op de vraag na de Tweede Wereldoorlog bijgesteld. Voor die tijd luidde het: ‘Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor in het hiernamaals gelukkig te worden.’ Sinds 1945 is het episcopaat van oordeel dat wij het geluk ook hier op aarde mogen nastreven. Maar dat heeft het tij niet kunnen keren. Het hier en nu heeft zijn rechten zo krachtig opgeëist, dat de religieuze boodschap van de kerken voor velen als sneeuw voor de zon is verdwenen. Ook in mijn leven braken jaren aan waarin het bezoek aan de kerk beperkt bleef tot de Kruisweg op Goede Vrijdag. Maar had daarmee de aarde het ook voor mij van de hemel gewonnen? Mijn trouw aan het ritueel van de Kruisweg verraadt al dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. In dit boek zijn acht essays bijeengebracht die ik in de ondertitel Verkenningen in het stroomgebied van beleving en gelatenheid heb genoemd. Het belangrijkste woord dat in de filosofie aan het eind van de negentiende eeuw werd ingezet om het pleit van het aardse hier en nu te bezorgen, is


10

inleiding ongetwijfeld het Duitse Erlebnis. Als Friedrich Nietzsche er bij monde van Zarathoestra toe oproept de aarde trouw te blijven en geen geloof te hechten aan hen die van bovenaardse verwachtingen spreken, 1 wil dat zeggen: trouw blijven aan dat waar jij met je vlees en bloed voor kunt instaan. Zo geeft Nietzsche zijn eigen duurzame trouw te kennen, als het in een laat fragment heet: ‘Mijn geschriften gaan uitsluitend over mijn eigen belevenissen.’  2 De titel, Water dat zich laat oversteken, is ontleend aan een dichtregel van René Char die een leidraad vormt in het eerste opstel. Binnen het weefsel van mijn betoog duidt dit beeld op de onuitputtelijkheid van het leven die — als eenmaal het standpunt van de beleving is betrokken ten einde hier aan recht te doen — om een houding vraagt van gelaten­heid. Deze verandering — aardverschuiving misschien zelfs — in de wijze waarop wij in het leven staan, heb ik eerder uitvoerig beschreven in mijn boek De druk van de beleving. Filosofie en kunst in een domein van overgang en ondergang (1998). Dit onderzoek resulteerde onder andere in een geschiedfilosofisch inzicht in het overgangskarakter van onze tijd, dat ik in al wat ik nadien schreef tot vertrekpunt bleek te kunnen en moeten nemen. In meerdere essays in dit boek leg ik het uit. Maar ik zal dat hier in de inleiding ook doen. Wat betekent het als eerst in kunst en filosofie en allengs in heel de samenleving te midden van de overgeleverde religieuze en morele geboden, het individuele en esthetische van de beleving tot maatstaf van onze gedragingen wordt? Dan openbaren zich twee tendensen. Een eerste, de maatschappelijke, die we sinds enkele decennia over de hele linie van het bestaan ervaren, is toe te schrijven aan de omstandigheid dat met het recht op de beleving in beginsel heel het leven voor ons openligt. De tendens is er een van steeds massalere exploitatie. Waar experimenteren wij niet mee? Wat is ons nog heilig? Noem een verlangen en de belevenismarkt weet er weg mee. Daar staat echter van

1  F. Nietzsche, ksa 4, p. 15.

2  F. Nietzsche, ksa 12, p. 232.


inleiding meet af aan een tweede, eigenlijke tendens tegenover die blijk geeft van een andere geest. Als Nietzsche zich niet louter met hersenspinsels bezig wenst te houden, maar zweert bij zijn beleving, is dat omdat hem het leven heilig is. Weliswaar beschouwt ook hij het leven als één groot experiment. Dit staat bij hem in beginsel echter in een heel ander teken dan dat van grenzeloze toeeigening. Zich uitsluitend baseren op zijn eigen belevenissen wil voor Nietzsche zeggen: zich volledig en onvoorwaardelijk blootstellen aan het leven. Waartoe? Het antwoord ligt in de volgende vraag besloten: ‘Voor wie bestaat er eigenlijk nog iets wat streng bindt?’ 3 Nietzsche stelt zich in zijn denken radicaal bloot aan het leven, opdat dit een mogelijk nieuwe binding aanreikt. In wezen verwijst deze uitleg ons al door naar gelatenheid. Want betekent deze blootstelling niet dat de denker zich toevertrouwt aan — zich verlaat op — het leven? Vormt zij, in mystieke termen gesproken, niet de spil van de leegte waaromheen eigenwilligheid transformeert in gelatenheid? Het is duidelijk aan aanvechtbare uitgangspunten toe te schrijven dat Nietzsche zelf het dragende van de leegte niet tot het hart van zijn denken heeft kunnen toelaten.4 Desondanks ervaar ik zijn amor fati als een manifestatie van gelatenheid. Kunnen wij tegenwoordig nog wel iets met rust laten? In deze vraag lichten de beide tendensen zij aan zij op. Enerzijds die van een groeiende exploitatie van niet alleen de natuur, zoals we doorgaans denken, maar ook van ons eigen leven dat wordt gepromoot als een project waarin men van belevenis naar belevenis gaat. Anderzijds een waarin de maatstaf van de beleving wordt ervaren als de opdracht juist optimaal recht te doen aan het leven, wat vraagt om een houding van gelatenheid, zoals het bij Meister Eckhart en Martin Heidegger heet. Eckhart, op wiens gelâzenheit het Duitse Gelassenheit en ons gelatenheid teruggaan; Heidegger, die in de twintigste eeuw dit oude woord herneemt.

3  F. Nietzsche, ksa 2, p. 44 (Menschliches, Allzumensch­liches i : 23).

4  Zie mijn In gesprek met ­Nietzsche (Van Tilt 2011), in het bijzonder de studies vi, vii en xi.

11


12

inleiding Zo mag al enigszins duidelijk zijn wat bedoeld wordt met ‘verkenningen in het stroomgebied van beleving en gelatenheid’. Elk van de opstellen tracht voeling te krijgen met dit ondergrondse stroomgebied waar ons gemoed — het fundament van onze houding in het leven — wijdvertakt in wortelt. Maar zij doen dit niet willekeurig. Hoe verschillend de thema’s ook zijn, ze hebben één grondvraag gemeen, namelijk die naar de voorwaarden van een toekomstige spiritualiteit. Bij spiritualiteit kunnen we het beste denken aan het beeld van de levensadem. Een gedicht of een filosofische verhandeling is spiritueel van aard als ze voeling heeft (of krijgt) met een mogelijk transcendente dimensie die het leven bezielt. Als ik nu in één woord de impact moet aangeven van het vertrekpunt van de beleving voor de toekomst van de religie, is dat met een formulering die Wilhelm Dilthey mij ingaf en die ook Nietzsche ongetwijfeld zou hebben onderschreven: als ons al iets met de godheid verbindt, is dat niet alleen het intellect, zoals het metafysische denken aannam, maar moet dat eveneens — hoe dan ook — het geheel van ons bezielde leven zijn.5 Heeft de aarde het van de hemel gewonnen? Dat is nog maar de vraag. In de filosofie vindt de eigenlijke omwenteling niet plaats in de omkering van idealisme naar materialisme. De materie uitroepen tot het allesbepalende is een loze geste die zichzelf niet kan verantwoorden. De revolutie voltrekt zich in de introductie van de transcendentale vraagstelling bij Kant, zijn beslissing zich te beperken tot de vraag naar de mogelijkheidsvoorwaarden in onszelf van de wijzen waarop wij ons als rationele wezens verhouden. Dilthey en alle fenomenologen in de twintigste eeuw sluiten zich hier bij aan, met dit verschil dat zij niet meer alleen het rationele subject ondervragen, zoals Kant, maar het geheel van het bezielde leven. Het is het woord Erlebnis dat voor Dilthey dit geheel behartigt. Daarin openbaart zich een nieuw standpunt — precair maar integer — in de verhouding tussen hemel en aar-

5  Zie het begin van § 2 ‘Wat verbindt ons met de godheid?’ in het hoofdstuk ‘Levensfilosofie en religie’.

Profile for Boekencentrum Uitgevers

Water dat zich laat oversteken  

Een inkijkexemplaar

Water dat zich laat oversteken  

Een inkijkexemplaar

Advertisement