Issuu on Google+

Staan in het einde Plano

09-02-2009

11:53

Pagina 1

de grote lijnen van de spiritualiteit tijdens de ouderdom en de nieuwe kwaliteit van leven die kan worden opgeroepen als het einde voor de deur staat. Hij brengt thema’s als verwondering en verdriet, lijden en dood, eigenwijsheid en eigenwaarde aan de orde, plaatst ze in het licht van het overkoepelende thema ‘in het einde staan’ en geeft daar voorbeelden bij.

Een boek over de nieuwe taken die de ouderdom met zich meebrengt, over verzoening en het overstijgen van de leeftijd.

Herman Andriessen (1927) studeerde theologie, filosofie en klinische psychologie. Hij doceerde psychologie van de menselijke levensloop, spiritualiteit, pastorale psychologie en supervisie aan verschillende instellingen.

www.uitgeverijmeinema.nl

ISBN 978-90-211-4219-7

9 789021 142197 NUR 748; 728

Herman Andriessen Staan in het einde

In Staan in het einde bespreekt Herman Andriessen

herman andriessen

Staan in het einde Over het beamen en verdiepen van de ouderdom


Staan in het einde Over het beamen en verdiepen van de ouderdom

Herman Andriessen

Uitgeverij Meinema, Zoetermeer


www.uitgeverijmeinema.nl Ontwerp omslag: Mulder van Meurs ISBN 978 90 211 4219 7 NUR 748; 728 Š 2009 Uitgeverij Meinema, Zoetermeer Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieÍn, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Inhoudsopgave

Voorwoord

7

Hoofdstuk 1. Spiritualiteit en levensverlangen

9

Hoofdstuk 2. Ouderdom, een eigen weg

19

Hoofdstuk 3. Zin en levenstijdperk

31

Hoofdstuk 4. Eerste en tweede zin

39

Hoofdstuk 5. Ouderdom en zin

47

Hoofdstuk 6. Het beamen van de ouderdom

53

Hoofdstuk 7. Hoofdthema’s van de ouderdom Het geheel van het leven Verwondering en droefenis Tussenschakel De ‘Innerheit der Welt’ Lijden en dood Eigenwijsheid en eigenwaarde Verzoening Transcendentie

61 61 69 75 77 82 83 85 86 5


Hoofdstuk 8. Zin – Verlangen – Ouderdom

89

Hoofdstuk 9. Ouderdom en spiritualiteit Het lichaam Het leven als geheel Het eigen geheim Wijsheid De sinistere zijde Innerlijke vrijheid Vergeving Transcendentie Besluit

97 98 102 105 107 109 111 113 116 118

6


Voorwoord

Dit boek gaat over de spirituele kant van de ouderdom. Het is gebaseerd op een aantal kenmerken én mogelijkheden van die levensperiode. Over deze periode worden in hoog tempo steeds meer wetenschappelijke feiten bekend. Deze ‘gegevens’ zijn nauwelijks nog te overzien, maar hiermee houden deze hoofdstukken zich niet in de eerste plaats bezig. Eerder worden er in dit boek op basis van de feitelijke gegevens een aantal mogelijkheden en opdrachten overwogen die uit deze gegevens voortvloeien, en wel in geestelijk opzicht. In die zin bevat dit boek een aantal beschouwingen over de ouderdom die bij voorkeur op een meer meditatieve wijze moeten worden gelezen. Leidraad is daarbij steeds de vraag wat lezers en lezeressen erin herkennen en niet herkennen en wat zij er op hun eigen manier mee ‘kunnen’. Het geheel is een uitwerking van een lezing, die op de studiedag Oud maar niet af door de Universiteit van Tilburg werd georganiseerd in de zomer van 2005.1 Het thema van de beaming van het ouder-worden heb ik op een eigen manier uitgewerkt. Ik meen daarover iets te mogen schrijven, omdat ik mij lang en intens met 7


de hier besproken thematiek heb beziggehouden, in onderwijs, geestelijke begeleiding en in een vorm van psychotherapie die de zinsvragen niet schuwt. Bovendien sprak ik in andere verbanden met veel oude mensen en onderhield ik met velen van hen een uitgebreide correspondentie (voor alle citaten daaruit is door de betrokkenen uitdrukkelijk verlof gegeven). Ik betuig hen hier mijn oprechte dank voor hun welwillendheid en vertrouwen. En ten slotte probeer ik ook zelf mij op spiritualiteit toe te leggen en ben ik zelf oud. Omdat het thema van de spiritualiteit voortdurend ter sprake komt, opent het boek hiermee. In het eerste hoofdstuk wordt aangegeven wat ik onder spiritualiteit versta. Bij de vele betekenissen die het woord langzaamaan gekregen heeft, lijkt me dat nodig. Het boek is bedoeld voor iedereen die op de een of andere manier voor oude mensen werkt: in de verzorging, in sociale en geestelijke begeleiding, in het pastoraat of anderszins; en last but not least natuurlijk voor oude mensen zelf, die in de geestelijke dimensie van hun ouderdom ge誰nteresseerd zijn. Wanneer het hier en daar een handreiking en wat inspiratie biedt, voel ik me voor de moeite van het schrijven rijkelijk beloond. De schrijver

8


Hoofdstuk 1 Spiritualiteit en levensverlangen

Spiritualiteit is een dimensie van ons leven. Ons leven heeft vele dimensies: het speelt zich af op lichamelijk, psychisch, sociaal en cultureel terrein. We zijn bezig met ons werk, onze relaties, met ontspanning en maatschappelijke inzet, met opvoeding en zorg. In dat alles verwerkelijkt zich de persoon die wij aan het worden zijn. Een aantal mensen wijdt zich ook aan spiritualiteit. Deze spiritualiteit staat niet los van de andere dimensies maar verwerkelijkt zich juist daarin. Niettemin is het een eigen dimensie met een eigen inzet, eigen vorm en een eigen perspectief. Aan de grondslag van heel deze, onze, levensbeweging ligt ons levensverlangen. Levensverlangen is precies wat het woord zegt: verlangen om te leven. Het woord duidt de impuls aan die ons in ons leven beweegt en die ons gaande houdt op de levensweg. Meestal zijn we ons dit verlangen niet bewust. Het werkt in ons van meet af aan en werkt in ons door tot in het einde. Wanneer het uitvalt, is er een impasse. Er is dan nog wel leven, maar het is alsof dit buiten ons om gaat. We ervaren de aandrift tot leven niet meer, zijn levens-‘moe’. 9


Dan valt het leven stil en soms wordt het ondraaglijk. Hoe zwaar dit is, ziet men aan mensen die het treft. In de ouderdom noemen we dit taedium vitae, ‘weerzin tegen het leven’. Spiritualiteit is een dimensie van ons levensverlangen. Zij is niet een soort spirituele bovenbouw, integendeel: ze vloeit voort uit ons levensverlangen zelf. Zij ontstaat daar waar wij ons in ons levensverlangen verbinden met het Levensgeheim. Met dit woord verwijzen we naar het Geheim dat het leven draagt en dat zich uit in de geheimzinnige, wonderlijke, afschrikwekkende en stimulerende kant van ons leven, in ons levensverlangen en in de dingen om ons heen. Het woord ‘geheimzinnig’ geeft zelf fraai aan waarover het hier gaat. Het duidt aan, dat er in ons leven en in de dingen om ons heen een zin verborgen ligt, die zich wel laat benaderen maar nooit geheel laat ontdekken. Deze zin heeft vele namen: God, Levensgeest, Kracht, Mysterie, Goden, ‘Iets’, Systeem, Licht, Geheim. Het gaat om een Zin die zich principieel niet laat ontraadselen – en die als zodanig verschilt van de geheimen die de wetenschap probeert te ontraadselen. Het ervaren van deze Zin vraagt om een levenshouding van ontvankelijkheid en openheid die de vanzelfsprekendheid van ons dagelijkse doen onderbreekt, opschort. In deze ontvankelijkheid wordt ons ‘gegeven’ te ervaren dat het – met de woorden van een kerklied – ‘vol wonderen om ons heen is’. In het Duitse ‘Es gibt’ is dit fraai uitgedrukt. Onze ontvankelijkheid voor het Geheim kan worden gevoed door de vele vragen die we stellen en die we niet kunnen beantwoorden: vragen over leven en 10


dood, over de oorsprong van de dingen, over de zin van ons leven en de geschiedenis, over de roerselen van ons gemoed, het geheim van de liefde, de bestemming van ons leven, de zin van de dingen die ons overkomen, over goed en kwaad en schuld. De antwoorden die we op deze vragen vinden, zijn ons niet genoeg en we zijn evenmin tevreden met de antwoorden die de wetenschap of de traditie ons geeft. Dergelijke vragen verwijzen in de spiritualiteit naar het Levensgeheim, dat als de bron van deze geheimzinnigheid en onoplosbaarheid wordt beschouwd. Het Levensgeheim is voor deze vragen geen ‘oplossing’. We worden ernaar verwezen en geloven erin. Ook ons verlangen zelf deelt in deze geheimzinnigheid en verwijst ons naar de geheimzinnige Bron. Augustinus vindt voor deze dimensie van ons levensverlangen de naam ‘onrust van het hart’.2 Wij kennen de oorsprong van ons verlangen niet en weten ook niet waarop we in ons verlangen staan gericht. Maar het drijft ons voort. We kunnen daarbij allerlei concrete dingen verlangen en nastreven. Wanneer we die bereikt hebben of wanneer ze ons geschonken worden, komt ons verlangen even tot rust. Het is dan voor kortere of langere tijd vervuld. Zo’n vervulling van een concreet verlangen wordt als ‘zin’ ervaren. Maar een dergelijke vervulling is niet blijvend. Na verloop van tijd melden zich nieuwe verlangens, die op hun beurt vervulling vragen. Een mens kan daar zijn hele leven mee doorgaan. Maar er zijn ook mensen die zichzelf de vraag stellen: waar gaat mijn levensverlangen nu zélf over, want ik ben toch meer en anders dan alle concrete dingen die ik verlangen kan? Dit is de eer11


ste stap op weg naar spiritualiteit. Het is de vraag naar de ‘onrust van het hart’. Wanneer wij nu ons levensverlangen en de wijze waarop we het in ons leven uitwerken met het Geheim verbinden, spreken we van een persoonlijke spiritualiteit. Omdat veel mensen deze verbinding op het ogenblik op een heel eigen manier vormgeven, is spiritualiteit zeer verscheiden geworden en kent zij allerlei vormen. In vroegere jaren was zij veel meer gebonden aan tradities en daardoor eenvormiger. Op het ogenblik is de band met deze tradities veel losser geworden en valt de nadruk veel meer op het eigen, individuele en persoonlijke karakter van spiritualiteit. Menigmaal kan men lezen dat het woord ‘spiritualiteit’, gezien deze verscheidenheid, zoveel verschillende betekenissen heeft gekregen dat we het maar beter kunnen afschaffen. In het licht van onze gedachtegang is dit niet juist. Omdat een persoonlijke spiritualiteit nauw samenhangt met de gang van ieders levensverlangen, krijgt ze de verscheidenheid die het levensverlangen kenmerkt. Juist die verscheidenheid wijst erop dat spiritualiteit een dimensie van het leven is en niet een conceptueel systeem. Veel oude mensen cultiveren op het ogenblik een geheel andere spiritualiteit dan zij in het begin van hun leven hebben meegekregen. Vandaar dat het terecht is te spreken van de spiritualiteit van de ouderdom. Ook daarin moet dan recht worden gedaan aan het levensverlangen zoals het zich bij déze oude mens heeft ontwikkeld. We zullen hier nog op terugkomen. Verscheidenheid pleit dus niet tegen spiritualiteit. Zij stelt ons wél voor de vraag, hoe het woord dan toch 12


een zinnige betekenis kan behouden. De filosoof L. Wittgenstein merkt op dat niemand de betekenis van woorden gezaghebbend kan voorschrijven. Taal is uitdrukking van het leven. Wel kan men trachten de regels van een bepaald woordgebruik vast te stellen, om op die manier aan te geven waarover men het heeft. In dit boek worden in dit verband drie regels aangehouden. De eerste is dat het moet gaan over het levensverlangen; de tweede dat dit verlangen door de persoon in kwestie in relatie wordt gebracht met het Levensgeheim; de derde dat het moet gaan over de ouderdom die wordt gekarakteriseerd als een ‘staan in het einde’. Persoonlijke spiritualiteit moet gaan over een doorlééfd verlangen. Zij is niet iets incidenteels dat ons bij tijd en wijle overvalt. Dan gaat het hoogstens over een spirituele erváring. Ook kan zij niet blijven staan bij een louter uiterlijk voltrekken van gebaren en rituelen. In dat geval gaat het om lege hulzen waaraan ons verlangen vreemd is. Tegelijkertijd vraagt persoonlijke spiritualiteit dat dit doorleefde verlangen wordt verbonden met het Levensgeheim. Gebeurt dit niet, dan wordt dit Geheim heel gemakkelijk tot een ideologisch gegeven waaraan mensen ondergeschikt worden gemaakt en dat komt los te staan van hun eigen ervaringen. Zo’n spiritualiteit kan dan aan mensen worden opgelegd en respecteert de vrijheid niet die het hart is van ons levensverlangen. Met betrekking tot het Geheim treffen we op het ogenblik allerlei opvattingen aan. Zoals het levensverlangen als uiting van onze vrijheid ontkend kan worden en gereduceerd tot een welhaast mechanisch gebeuren, 13


zo kan ook het Geheim eenvoudig worden ontkend. De dingen die ons geheimzinnig en raadselachtig voorkomen, worden dan toegeschreven aan ons nog onbekende oorzaken. De verwachting is dat ze vroeg of laat door de wetenschap wel duidelijk zullen worden en men kan daarbij openhouden of ze ooit helemaal zullen worden doorgrond. Een andere schakering is het welbekende ‘ietsisme’. ‘Er moet wel iets zijn’. Wat dat dan is, valt buiten onze waarneming en ons inzicht en we moeten leren daarmee genoegen te nemen. Het lijkt ons zeer wel mogelijk dat er in deze opvatting toch een stille verwijzing ligt naar het Levensgeheim. Francois Arouet (Voltaire) schrijft: ‘Er bestaat iets, dus is er een eeuwig wezen. Zonder dat zou er een gevolg zijn zonder oorzaak. Alle Ouden hebben dan ook zonder uitzondering geloofd in de eeuwigheid van de materie (…). Op dit terrein kan ik slechts met waarschijnlijkheden werken en me dan overgeven aan de meest sterke waarschijnlijkheden. Omdat alles in de natuur samenhang vertoont – althans voorzover ik weet – zie ik er een ‘design’ (‘dessin’) in. Dit wijst me op een beweger. Deze beweger is zonder twijfel erg machtig. Machtig wel. Maar zelfs een simpele filosofie leert me niet dat hij daarom al-machtig moet zijn. Een huis van veertig voet hoog bewijst me dat het een architect moet hebben. Maar het leert me niet dat die architect ook een huis van tienduizend voet hoog kan bouwen. Het kan evengoed in zijn aard liggen om alleen maar huizen van veertig voet te bouwen (...). Metafysica is het terrein van de twijfel en het is de roman van de ziel.’3 Het 14


lijkt op zijn bekende verhaal van de Zwitserse kapitein, die vóór het begin van de veldslag in de struiken bad: ‘Mijn God (als er een is) ontferm U over mijn ziel (als ik er een heb).’ Het gaat me hier nu niet over de inhoudelijke redenering van de auteur maar om de gedachte die hij naar voren brengt, namelijk dat er ‘iets moet zijn’, terwijl wij daarover verder nauwelijks een verstandig woord kunnen zeggen. Veel mensen denken op het ogenblik in dezelfde geest. De een verbindt het iets met ‘de Evolutie’, een ander met de ‘Eeuwige Materie’, weer een ander met ‘Het Opperwezen’ of ‘De Bouwheer van het heelal’, en weer een ander met ‘De Geschiedenis’ of met ‘Het Lot’. Dit laatste is bij de zojuist aangehaalde auteur een beslissende categorie. Voor spiritualiteit nu is het van belang of dit ‘iets’ daadwerkelijk van invloed is op het levensverlangen van de betreffende persoon. Voltaire meent dat een mens zich aan het Lot slechts kan onderwerpen; hij moet zich schikken, of hij wil of niet. Wanneer het dan toch moet, is het ’t verstandigste om zich er maar zo goed mogelijk aan over te geven. De manier waarop Voltaire dit doet, is indrukwekkend. Althans van de ene kant. Van de andere kant is hij een geweldige hypochonder en in zijn latere brieven wemelt het dan ook van klachten over zijn belabberde lichamelijke toestand (terwijl uit talloze andere berichten blijkt dat hij het uitstekend maakt, opgewekt is, plezier maakt en van het leven geniet…). Over de ouderdom als zodanig is hij uitgesproken pessimistisch. Het is een lot en een mens moet zich erin schikken. 15


Maar er zijn ook mensen in wier leven dit ‘iets’ wel degelijk een rol speelt en hun leven en de dingen hult in een waas van geheimzinnigheid. De grote mystici spreken over het Geheim als ‘Niets’. Zij zijn – om zo te zeggen – ‘nietsisten’. Bij hen is de werking van het Geheim overduidelijk. Het is beslissend voor de wijze waarop zij met hun levensverlangen omgaan. Hun leven maakt heel duidelijk dat spiritualiteit geen denk-ding is: het Geheim wérkt. Het doet iets met hen, ook al begrijpen zij dat niet. Het vraagt iets van hen en richt hun leven én denken. Niettemin leven zij onder ‘De Wolk van niet weten’.4 De uitdrukking is afkomstig van een onbekende Engelse auteur die een leerling inleidt in de christelijke contemplatieve spiritualiteit. Hij legt er grote nadruk op, dat de leerling er niet op uit moet zijn iets te willen wéten over God. Veel belangrijker is dat hij zijn verlangen zuivert en zich daar helemaal op concentreert. Uit hun geschriften blijkt dat ook mystici, rationeel gesproken, over God nauwelijks meer weten dan Voltaire. Hun weten is een gelovig weten, zelfs een gelovig ervaren. Zij hebben het rationele weten achter zich gelaten, in het besef dat het Geheim er te groot voor is en buiten onze rationele categorieën valt. De klassieke ‘naam’ voor het Geheim in onze cultuur is ‘god’. Oorspronkelijk betekent het woord ‘god’: ‘dat wat wordt aangeroepen’. In deze aanroep klinkt ons levensverlangen door. Voor ons thema ligt hier een belangrijke vingerwijzing. Er wordt namelijk door de oorspronkelijke woordbetekenis zelf al gesuggereerd dat wij ons tot het Geheim moeten wenden, wil het voor ons iets gaan betekenen.5 Of dit aanroepen ergens 16


aankomt, wordt er niet mee gezegd. Maar er wordt wel uitgedrukt wat de mens ten overstaan van ‘god’ te doen heeft, namelijk aanroepen. Voor grote groepen mensen wordt ‘god’ dan tot God. Als zodanig krijgt hij allerlei namen: De Welwillende, De Barmhartige, De Eeuwige, De Alwetende, De Sterke, De Naamloze, Niemand, De Vader, De Heer, De Aanbedene enzovoorts. Kenmerkend voor al deze namen is, dat ze vooral iets zeggen over de mens die aanroept. In de naamgeving kiest degene die aanroept een bepaalde positie. Vanuit die positie wendt hij of zij zich tot God. Anders gezegd: er is een nauw verband tussen ons persoonlijke leven en God, Het Geheim. Waar dit verband beaamd wordt, begint spiritualiteit.

17


staan in het einde