Page 1

RELIGIE NA DE RELIGIE


Reeks FILOSOFIE IN DIALOOG onder redactie van Jacques De Visscher

Reeds verschenen: Martin Heidegger / Der Spiegel

Alleen nog een God kan ons redden Heidegger in gesprek met Der Spiegel Jürgen Habermas en Jacques Derrida

Filosofie in een tijd van terreur Gesprekken met Giovanna Borradori 2de druk Friedrich Nietzsche en Malwida von Meysenbug

‘U heeft nooit een woord van mij begrepen’ Briefwisseling Jean-Paul Sartre en Benny Lévy

Wat blijft is de hoop De gesprekken van 1980 Slavoj Žižek en Glyn Daly

De politiek van het genot Gesprekken met Slavoj Žižek


Luc Ferry & Marcel Gauchet

RELIGIE NA DE RELIGIE Gesprekken over de toekomst van het religieuze

Vertaald door J.M.M. de Valk

KLEMENT / PELCKMANS


Oorspronkelijke titel:

Le religieux après la religion © 2004, Editions Grasset & Fasquelle, Parijs Vertaling J.M.M. de Valk © Nederlandse uitgave, 2005, Uitgeverij Klement, Kampen Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Omslagontwerp: Rob Lucas ISBN 90

77070 78 8 (Nederland) 289 4076 6 (België) D/2005/0055/174

ISBN 90


INHOUD

Ter inleiding 7 Eric Deschavanne en Pierre-Henri Tavoillot

Openingswoord 15 Pierre-Henri Tavoillot

Inleiding door Luc Ferry 16 AFSCHEID VAN DE RELIGIE EN VOORTBESTAAN VAN HET RELIGIEUZE 36

DE RELIGIEUZE AANLEG VAN DE MENS 44 WAT IS HET HEILIGE? 48 IS HET AARDSE ABSOLUTE HEILIG? 48 DE DISCUSSIE 60 METHODOLOGISCHE KWESTIES 87 Namenregister 103

5


Ter inleiding

Beleven wij de ‘dood van God’ of juist de terugkeer van het religieuze? Deze vraag blijft zich opdringen. Enerzijds zien wij een verzwakking van kerken en dogma’s ten gunste van meer persoonlijke geloofsinhouden – een geloof à la carte, heeft men het wel genoemd. Anderzijds moeten wij vaststellen dat het integralisme en het fundamentalisme nog nimmer zo sterk zijn geweest als nu. Wat moeten wij denken van dergelijke tegenstrijdige ontwikkelingen? Luc Ferry en Marcel Gauchet doen een poging onze verwarring te beëindigen door het ontwikkelen van een visie op de lange termijn. Beiden zijn het erover eens dat wij een dubbele ontwikkeling meemaken, zoals Marcel Gauchet die beschreven heeft in zijn boek Le désenchantement du monde (1985). Enerzijds het ‘afscheid van de religie’, en anderzijds ‘de individualisering van het geloven’. Wat inderdaad definitief op de terugtocht is, is een visie op de wereld als volkomen gestructureerd door de godsdienst (als heteronome factor), een visie waarin het religieuze alle terreinen van het publieke en persoonlijke leven 7


doordringt. Wij hebben definitief afscheid genomen van dit wereldbeeld, en eisen voortaan het recht op om uit vrije persoonlijke keuze een godsdienstig geloof te omhelzen – dan wel dit niet te doen. Maar het is evenzeer waar dat het religieuze – als een streven naar het absolute, als een zoeken naar zin en een nadenken over de dood – in onze tijd allerminst verdwenen is. Het blijft aanwezig als een open vraag, die zelfs de meest radicale vormen van reductionisme moeilijk kunnen beantwoorden. Daarom is het begrijpelijk dat in onze tijd het afkalven van de georganiseerde godsdienst hand in hand kan gaan met het voortbestaan van het religieuze. Wat overblijft is het nadenken over de positie van deze verontruste, problematische en onzekere religiositeit in een geseculariseerde wereld. Hoe moeten wij ons het religieuze na de religie denken? Op dit punt lopen de analyses van Luc Ferry en Marcel Gauchet radicaal uiteen. Hun meningsverschil was al gebleken uit verschillende van hun boeken, maar toen nog enigszins impliciet en in het voorbijgaan.1 Het Collège de Philosophie heeft hen uitgenodigd om hun verschil van inzicht toe te lichten tijdens een openbaar seminar. Hun gedachtewisseling vond plaats in de Sorbonne op 19 januari 1999; dit boek is het door de auteurs herziene en verbeterde verslag daarvan. Teneinde de lezers te helpen om de respectieve standpunten te begrijpen, schetsen wij hier kort het kader waarin de discussie plaats vond.

1 Luc Ferry, L’homme-Dieu. Grasset, Parijs 1996, blz. 54 (voetnoot). Marcel Gauchet, La religion dans la démocratie. Gallimard, Parijs 1998, blz. 64, voetnoot.

8


Voor Luc Ferry wordt onze tijd gekarakteriseerd door het samenkomen van twee processen. Enerzijds is er wat hij ‘de vermenselijking van het goddelijke’ noemt, dat wil zeggen dat de gehele moderne culturele ontwikkeling bestaat uit de vertaling van de theoretische en praktische inhoud van de religie in termen van het humanisme, anders gezegd in termen die een centrale plaats toekennen aan het individu. Anderzijds is er de ‘vergoddelijking van de mens’, dat wil zeggen dat zich in het hart van dit autonome individualisme – de toestand van de moderne mens – opnieuw het transcendente voordoet: niet langer een verticale transcendentie (tussen de mensen en het bovenaardse), maar een horizontale (tussen de mensen zelf). Dit dubbele proces zou het hedendaagse humanisme tot een humanisme van de mens-God maken. Binnen dit humanisme, dat het enige alternatief voor een materialistische en immanentistische interpretatie van het menselijk leven vormt, zou het religieuze niet gedoemd zijn om te verdwijnen, maar zou het integendeel zijn meest authentieke vorm vinden. Voor Luc Ferry ligt de ‘ware religie’ – dat wil zeggen de religie die het beste past bij het menselijk streven – niet achter, maar vóór ons, als een horizon die bereikt moet worden. Van zijn kant betwist Marcel Gauchet deze tweedeling tussen het materialisme en het humanisme van de mens-God, omdat hij van mening is dat het mogelijk is om het transcendente op een radicaal niet-religieuze wijze te interpreteren. Hij houdt dus vast aan het idee dat wij in een tijd leven die gekenmerkt wordt door een steeds grotere verwijdering en scheiding tussen de 9


mens en God. Deze scheiding zou vandaag haar grootste omvang bereikt hebben, zodat het moderne humanisme dat thans doordacht en geformuleerd moet worden, niet dat van de mens-God zou zijn, maar dat van de mens zonder God, van de mens die definitief en onherroepelijk zonder God leeft. Het historische concept van het heilige is gedoemd om te verdwijnen en plaats te maken voor het ‘aardse absolute’, waarvan de aard en de vormen nog moeten worden vastgesteld. Welke vorm zal het menselijk zoeken naar een laatste zin aannemen, nu het niet meer kan terugvallen op de traditionele religieuze voorstellingen? Dit zijn de termen van het debat. De lezer zal zelf moeten beslissen welke weg hij zal inslaan in deze eeuwenoude discussie, waarvan de uitkomst ook beslissend zal zijn voor de verdere ontwikkeling van de mens. Maar hij zal, denken wij, onder de indruk komen van de kwaliteit van deze gedachtewisseling, die nimmer afglijdt naar een ijdele polemiek of naar een gemakkelijk compromis streeft. Hoewel elk van de auteurs tenslotte bij zijn standpunt blijft, komt geen van beiden geheel ongeschonden uit deze discussie. De aard van het meningsverschil, zijn betekenis en zijn implicaties worden erdoor verdiept en verhelderd. Dit wordt bewezen door de uitwerking die zij aan deze gedachtewisseling hebben gegeven in hun latere boeken. Inderdaad is het oeuvre van beide auteurs er sinds 1999 aanzienlijk door verrijkt. Luc Ferry publiceerde Qu’est-ce qu’une vie réussie ? (Grasset, 2002), waarin hij het idee van een humanistische herinterpretatie van het religieuze vraagstuk uitwerkt. Van zijn kant heeft 10


Marcel Gauchet, naast andere boeken, een interview in boekvorm, La condition historique (Stock, 2003) doen verschijnen. Dit is niet slechts een inleiding tot zijn werk, maar een waarachtige synthese; het bevat de sleutel tot zijn filosofische en historische inzichten. Wanneer men deze twee werken leest, vindt men er een vervolg op, en een verdere uitdieping van de hier gepresenteerde stellingen in. De vraag ‘wat is een geslaagd leven?’ verschaft Luc Ferry een leidraad om de gedaanteveranderingen te bestuderen van hetgeen hij hier ‘het metafysische gezicht van het religieuze’ noemt. Dit gezicht doet zijn intrede in de Griekse wijsbegeerte in zijn drie dimensies: het theoretische, het praktische en het soteriologische. Het ontwikkelt zich verder in het christendom – dat zichzelf beschouwt als een verbeterde vorm van de antieke wijsheid – tot aan moderne stelligheden die op het eerste gezicht ver van dit gedachtegoed af staan, te weten het nietzscheaanse ‘materialisme’. Welke vorm kan een humanistische en individualistische herformulering van deze voor het persoonlijk leven richtinggevende vraag aannemen? Aan de omschrijving hiervan wijdt Luc Ferry het laatste deel van zijn boek, waarbij hij zijn stellingen in het hier weergegeven debat verder uitwerkt. De wijsheid van de mensGod, verre van hem tot trots en overmoed (de hubris van de Grieken) te leiden, zal juist trachten om in het eindige en sterfelijke individu de bronnen te vinden waaruit zijn rechtvaardiging, zijn heil en zijn grootsheid voortspruiten. Van zijn kant heeft ook Marcel Gauchet verschillende aanvullingen gegeven die het mogelijk maken om na11


der te preciseren welke vorm het ‘aardse absolute’ zou kunnen aannemen in een onttoverde wereld. Er zijn in onze tijd, zegt hij, profane ervaringen van het religieuze, een ‘religiositeit die zichzelf niet als zodanig herkent’ (La condition historique, blz. 311-312). ‘Vele jonge dromers die tot in de toppen van hun tenen modern willen zijn, en die menen zich losgemaakt te hebben van deze nauwelijks voorstelbare ouderwetse ideeën, zijn zonder het te beseffen mystici op zoek naar een spirituele ervaring. Feesten, trances, roesbelevingen, een ander bewustzijnsniveau door muziek of drugs, – steeds gaat het erom, toegang tot een hogere werkelijkheid te krijgen. Dit verklaart voor een belangrijk deel de rol van drugs in onze samenleving. Het heeft te maken met het verlangen om te ontsnappen aan de gevangenis van het alledaagse.’ Maar dit zijn er niet de enige uitingen van. ‘In dezelfde zin kan ook gesproken worden over de ascese die de sport vergt … het werken aan het lichaam, de ethiek van de inspanning, het trachten zichzelf te overtreffen.’ Zo ook de ‘artistieke ervaring’ die, losgemaakt van haar speculatieve band met het heilige, ‘voor vele mensen een intieme spirituele ervaring betekent.’ ‘Wat men zoekt in de muzikale extase of in het zich laten bedwelmen door het woord is de toegang tot een ongrijpbare en rijkere wereld dan die ons normaal gegeven is.’ Kortom, besluit Gauchet, ‘het metafysische dier herkent zichzelf niet meer als zodanig, maar dat belet het niet om te bestaan.’ Hoe moeten wij ons dit metafysische dier dat de mens is, indenken? En hoe moeten wij hem ons vandaag voorstellen, nu de religieuze stelligheden hun over12


tuigingskracht verloren hebben? Dit is de kern van het vraagstuk en van het dilemma. Moeten wij dit menselijk ‘teveel’ met betrekking tot zijn eigen natuur uitleggen als een teken dat er meer in hem schuilt dan hemzelf: iets goddelijks, in de zin van Luc Ferry; of, integendeel, zoals Marcel Gauchet denkt: moeten wij er niets anders in zien dan een simpele uiting van de menselijke natuur, iets typisch menselijks? Kortom: gaat het om een mogelijke resacralisatie of om een radicale desacralisatie, die zich aan de horizon van de toekomst aftekent? Eric Deschavanne Pierre-Henri Tavoillot

13

Religie na de religie  

Een inkijk exemplaar

Advertisement