Page 1

filosofie van het voetbal

Filosofie van het voetbal.indd 1

01-05-12 19:31:09


Filosofie van het voetbal.indd 2

01-05-12 19:31:11


MARTIN GESSMANN

FILOSOFIE VAN HET VOETBAL

Klement / Pelckmans

Filosofie van het voetbal.indd 3

01-05-12 19:31:11


Oorspronkelijke titel: Philosophie des Fußballs © Wilhelm Fink Verlag, Paderborn, Duitsland, 1e druk 2011 Vertaald door Jan Sietsma, Job Zinkstok en Marja Nusselder © Nederlandse uitgave: Uitgeverij Klement, Zoetermeer, 2012 Alle rechten voorbehouden. Omslagontwerp Rob Lucas isbn 978 90 8687 095 0 (Nederland) isbn 978 90 289 6684 0 (België) d/2012/0055/294

Filosofie van het voetbal.indd 4

01-05-12 19:31:11


INHOUD

inleiding 7 Naspel

24

voorgeschiedenis van het voetbal: voetbal en tijd

29

Overweging vooraf 29 Voorgeschiedenis 35 Oorsprong in het Engelse volksvoetbal 46 Oorsprong in het Florentijnse voetbal 48

geschiedenis van het voetbal: eerste stadium Of: waarom de Engelsen in wezen nog steeds rugby spelen 55 Voetbal en cultuurkritiek 55 Voetbal in de geest van het pragmatisme 65 Voetbal als vormingsplaats 67 De omgang met het geweldsprobleem 68 Het ‘hacking’ en de splitsing tussen voetbal en rugby 70 Nieuwe argumenten voor een verbod op hands 71 Kick and rush 73 Oneigentijdse beschouwing 76 Van gentleman-voetbal naar arbeidersvoetbal 77 Spelen buiten mededinging 80

Filosofie van het voetbal.indd 5

01-05-12 19:31:11


geschiedenis van het voetbal: tweede stadium Of: waarom de Duitsers de libero wel moesten uitvinden 85 Voetbal en existentialisme 89 Oneigentijdse beschouwing

92

geschiedenis van het voetbal: derde stadium Of: waarom de Nederlanders het modernste voetbal spelen 99 Oneigentijdse beschouwing 101 Een bijzondere ontwikkelingsvorm van het voetbal 108 De stadions van de waarnemers 121 Voetbal aan het eind van de postmoderniteit 129

wat komt er na het systeem? Of: het einde van de oneigentijdse beschouwing in het voetbal 137 De ontevredenheid met het systeemvoetbal Familiarisering met het voetbal I 145 Familiarisering met het voetbal II 152 Actualiteit en geschiedenis 158

Namenregister

Filosofie van het voetbal.indd 6

142

171

01-05-12 19:31:11


INLEIDING

Vrijwel meteen na afloop van het Wereldkampioenschap Voetbal Mannen in 2010, waarbij Spanje kampioen was geworden, Nederland en Duitsland respectievelijk tweede en derde werden, en de Engelsen al tevoren waren uitgeschakeld – door de Duitsers naar huis gestuurd met een spectaculaire 4-1 –, kreeg ik van een studentenradiozender een dringend verzoek om een interview. Ik had in een kort voor het WK verschenen essay, onder dezelfde titel als dit boek, exact deze volgorde in de einduitslag voorspeld, en dat was nu toch wel heel verbazingwekkend. In het interview werd mij vervolgens gevraagd of ik op mijn prognose ook geld had ingezet, waarop ik prompt reageerde met de bekentenis dat geen enkele serieuze filosoof dat zou doen (achteraf bezien wel jammer, natuurlijk). Want bij grote toernooien als deze moest je toch altijd rekening houden met de een of andere toevalligheid: een onuitgeslapen scheidsrechter, een plotselinge windstoot of de hand van God zou er zomaar toe kunnen bijdragen dat het tevoren door iedereen als toernooiwinnaar gedoodverfde team werd uitgeschakeld. Sterker nog, het komt zelfs voor dat een louter uit anachronisten bestaand elftal erin slaagt de titel in de wacht slepen: menigeen zal ook nu nog met ongeloof terugdenken aan het succes van het Griekse nationale elftal onder Otto Rehagel bij het Europees kampioenschap van 2004. Hoezeer deze treurnis over de principiële onbetrouwbaarheid van filosofische prognoses ons ook parten speelde, de bange vraag bleef: hoe was het mogelijk dat de voorspelling deze keer had gefunctioneerd? Hoe het ‘werken’ van een theorie te verklaren die uitging van een consequente ontwikkeling van het filoso-

Filosofie van het voetbal.indd 7

01-05-12 19:31:11


fisch denken in de afgelopen 200 jaar, waarbij dit proces min of meer naadloos toepasbaar leek op de opeenvolging van bijzondere spelconcepten in het voetbal? Temeer daar, zoals ik destijds in het essay al aangaf, aan deze hele aanpak de Hegeliaanse idee van een fenomenologie van de geest ten grondslag lag, volgens welke de geschiedenis zich bijna onontkoombaar in de richting van een bepaald doel beweegt. Zo had ook ik mij gebaseerd op die alom bekende dialectische drieslag en in overeenstemming daarmee drie ontwikkelingsstadia verondersteld: een oorspronkelijke versie van het spel, waarin nog een natuurlijke aanleg van het systeem de boventoon voerde; een vergeestelijkte versie, waarin het spel aan een hogere conceptuele orde moest beantwoorden; en ten slotte een gereflecteerde versie, waarin het spel alleen nog maar begrepen kon worden vanuit een heroriëntatie van het spelgebeuren op zichzelf, in een hedendaagse versie van terugkoppeling en cybernetische zelfsturing. Maar we weten: de pogingen om in het spoor van Hegel met een geschiedfilosofisch concept uiteindelijk ook nog het gelijk aan je kant te krijgen, zijn, om het zwak uit te drukken, doorgaans weinig succesvol gebleken; men denke bijvoorbeeld aan Marx en zijn adepten. Wat moeten we aan met het onbehagen van de filosoof over het feit dat de theorie voor één keer ook in de praktijk blijkt te werken? Het beste antwoord op die vraag lijkt vanuit mijn optiek in elk geval het volgende te zijn – en in mijn essay van vorig jaar heb ik althans de hoop daartoe uitgesproken –: het gaat in dit boek in feite helemaal niet om een poging om door middel van academische filosofie zo’n populair volksvermaak als het voetbalspel te begrijpen, maar omgekeerd: ik probeer hier veeleer om aan de hand van het fenomeen voetbal een zekere consistentie in de ontwikkeling van de filosofie begrijpelijk te maken. Aan het voetbal als overzichtelijk fenomeen zou je exemplarisch kunnen laten zien, waarom het ook in theorie zo moest gaan als het uiteindelijk ging. Kortom de vraag waarom voetbal zich laat verklaren door filosofie steunt op het inzicht dat filosofie zich misschien wel helemaal niet zo slecht door voetbal laat verklaren. In het essay had ik deze idee kracht bijgezet door erop te wijzen dat zo’n omkering

Filosofie van het voetbal.indd 8

01-05-12 19:31:11


van de bewijslast in de filosofie al eens eerder heel goed had gefunctioneerd. Slavoj Žižek had ooit succes met zijn poging om de Hollywood-film niet te verklaren door de moderne psychoanalyse, maar de psychoanalyse door Hollywood. De titel van zijn boek luidde toen: Wat u altijd al wilde weten van Lacan en Hitchcock nooit heeft durven vragen.1 Aangezien we er echter sinds het afgelopen wereldkampioenschap meer dan ooit van overtuigd zijn dat sommige wedstrijden in het betaalde voetbal tot de allerbeste cinema behoren, mogen we nu wel de stap wagen om het ook met een op het geheel gerichte theorie te vergelijken, en wel affirmatief. Op de volgende bladzijden wordt dus gepoogd zo’n parallellie van filosofie en voetbal aannemelijk te maken, en dit niet alleen met de reeds aangehaalde thesen, maar ook met nieuwe evidenties en verder reikende argumenten. 1. Allereerst stellen we ons de preliminaire vraag waarom de filosofie tot nu toe de historische en systematische verbinding met het voetbal niet heeft gezien respectievelijk niet kon zien. Een antwoord zal zich daarbij langs die lijn aandienen, dat de filosofie het voetbal in zijn geheel altijd kritisch tegemoet is getreden, wat tot uitdrukking komt in de gangbare opvatting dat voetbal, hoe dan ook, in het gunstigste geval een vervangingsfenomeen is. Zo werd de voetballerij in eerste aanleg gezien als een substituut voor religie, later als substituut voor natie, of ook als vervanging van een ontbrekend klassenbewustzijn, of het elftal werd beschouwd als een soort surrogaatfamilie, terwijl de sterrencultus rond bepaalde spelers als substituut-ego dienst deed. De kritische pointe van deze beoordeling van het voetbal als een surrogaathandeling was gelegen is de aanname dat de voetballerij, in plaats van een substituut te zijn voor iets wat op zichzelf achtenswaardig of het nastreven waard is, veeleer slechts een slap aftreksel is van iets wat zelf al voor grondig verkeerd of totaal onwaarachtig werd versleten. Was dus vanuit het perspectief van de filosofische Verlichting de religie al niet meer dan ‘opium voor het volk’, zo was de 1

S. Žiżek (ed.), Everything You Always Wanted to Know About Lacan ... But Were Afraid to Ask Hitchcock, Londen 1992.

Filosofie van het voetbal.indd 9

01-05-12 19:31:11


voetballerij, die nu de religie verving, dienovereenkomstig slechts de geseculariseerde versie van een spirituele beneveling van het menselijk verstand ten gunste van verlichtingsvijandige machten en bijbehorende maatschappelijke lagen. Evenzo was het voetbal als substituut voor natie slechts de verlenging van een collectieve levensleugen, voor zover zo’n natie, die in de opstelling van een nationaal elftal moest worden bezworen, in werkelijkheid – dat wil zeggen buiten de internationale toernooien waarin dit elftal als collectief aantrad – helemaal niet bestond. Zelfs een dorpsclub kon het uiteindelijk al niet meer stellen zonder minstens één Braziliaan in het team. De fabriekselftallen moesten bovendien een grootfamiliale samenhang simuleren die door de industriële productiewijze in de fabriek zelf tevoren was tenietgedaan. En kenmerkend voor het zich met voetbalhelden identificerende Ik was, tenslotte, dat het zich daarom zo onvoorwaardelijk met het voorbeeld kon vereenzelvigen, omdat het zelf in feite helemaal niet bestond. De cultuurkritiek heeft gedurende bijna 150 jaar die surrogaatfunctie van het voetbal zo ver gecultiveerd en uitgedifferentieerd, dat het uiteindelijk zelfs bij de postmoderne wending van die kritiek naar een meer welwillende benadering nog moeilijk bleef de kritische toon te matigen. De basisgedachte was toen zo ongeveer dat de duistere machten en de belanghebbenden achter de schermen, die het voetbal hadden geënsceneerd om de massa’s ideologisch te verblinden, niet meer bestonden of nooit hadden bestaan; nu mochten zowel de acteurs als de toeschouwers zelfbewuster gaan optreden – zelfbewust echter slechts in die zin dat ze nu zelf de taak van rolverdeler en regisseur op zich moesten nemen en geheel in lijn daarmee zich de voormalige intellectuele hoon als een soort van ereteken op de borst mochten spelden. De keeper van het nationale team kon dus in praatprogramma’s als mythische geweldenaar en tempelwachter van de natie worden aangesproken, de scheidsrechter kon zich als een buitenaards wezen op het veld presenteren – en was daarom ook niet meer bereid om na afloop van de wedstrijd voor de microfoons z’n zegje te doen –, de clubinsignes mochten als statussymbool zowel in kookprogramma’s als op het operabal gedragen worden en de fan-



Filosofie van het voetbal.indd 10

01-05-12 19:31:11


foto diende al simpelweg als zelfportret, voor zover iedere jongere die toegang heeft tot cosmetica er na de greep naar het stylingproduct altijd al uitzag als David Beckham. De kritiek was de acteurs daarmee kennelijk eenvoudig naar het hoofd gestegen. 2. In de nieuwe aanzet wordt ervan uitgegaan dat de kritische benadering van het voetbal een fundamentele fout begaat wanneer ze dit fenomeen steeds aan dezelfde tijdloze idealen afmeet en in laatste instantie daarmee telkens in een kritisch contrast plaatst met – of in een carnavaleske travestie poneert als één met – een moreel-religieuze praktijk, wat aan het spel op het grasveld onmogelijk recht kan doen. Het lijkt misschien nobel om het gebeuren op het veld tot symbool van een fundamenteel betere wereld te willen verheffen, maar daarmee verspeelt men tegelijkertijd de kans om het te zien als een veelzeggende reflex op de wereld zoals die is. En doordat men zo de kans verspeelt om de wereld te zien zoals hij is, in al zijn gemengde vormen van zin en onzin, is meteen ook de kans verkeken om daarin een reflex op de geschiedenis te zien, waarin iedere bijzondere vorm van een zich historisch ontwikkelend spelconcept is terug te vinden. Als we, zoals tot nu toe, uitgaan van het idee dat voetbal in wezen niets anders is dan een soort van religieus-rituele dynamiek, dan bestaat er slechts één enkel grondpatroon van de voetbal-liturgie, waarin de rituele regels volgens welke gespeeld wordt zijn vastgelegd, en een oneindige hoeveelheid opvoeringspraktijken die al naar gelang plaats en tijd en toevallige verschillen variëren en daarin nu juist door hun historische situering bepaald worden. Volgen we daarentegen het hermeneutische uitgangspunt, dat ik hier wil voorstellen, dan is het betreffende spelgebeuren niet meer primair te herleiden tot de platonische oervorm van een abstract-ideaal spelconcept, maar veeleer tot een ‘ervoor’ en ‘erna’, een herkomst en een toekomst, een traditie en een mogelijke mutatie van het spel, die precies uitgaat van deze traditie. De nieuwe aanzet volgen betekent daarom, dat we niet de blik richten op iets hogers (iets transcendents, goddelijks, verlossends), waarvan de verwezenlijking door het voetbal en zijn profane vertegenwoordigers zou moeten worden nagestreefd, maar op de historische horizon waarin het actuele



Filosofie van het voetbal.indd 11

01-05-12 19:31:11


spelgebeuren is ingebed. Niet de verticale gerichtheid – menselijk spel als moderne afval van goddelijke ernst, of een goddelijk spel als postmoderne afval van menselijke ernst –, maar de horizontale oriëntatie – als de historisch te traceren en te begrijpen overgang naar steeds modernere spelconcepten van een in alle ernst gespeeld spel zonder gespeelde ernst –, zou hier minstens voor één keer maatgevend moeten zijn. In die zin kunnen we dan nu, bij wijze van eerste stap, de kwestie van de moderniteit van het voetbalspel in het algemeen aan de orde stellen. Uitgangspunt daarbij is het feit dat teamspelen zoals het voetbal pas in de afgelopen 200 jaar zijn opgekomen, wat kennelijk te maken heeft met de vorming van een nieuw collectief bewustzijn zoals dat eerst in het spoor van de Franse Revolutie en in samenhang met de industrialisering in de negentiende eeuw kon ontstaan. Dat niet meer slechts individuen sport beoefenen, maar hele teams, valt niet in de laatste plaats te verklaren uit de omstandigheid dat ook bij betaalde arbeid en in de burgerlijke openbaarheid coöperatie van nu af aan onvermijdelijk leek. Richtinggevend daarbij is de these, dat het voetbal, zoals al vaker is opgemerkt, evenwel niet slechts een reflex is op het ontstaan van door arbeidsdeling gedifferentieerde maatschappijen, maar minstens evenzeer ook als een reactie op deze ontwikkeling kan worden begrepen. Dan namelijk, wanneer het zich op meer bepaalde wijze tegelijkertijd richt tegen tendensen tot het ontstaan van een massamaatschappij. Vrij naar Alexis de Tocqueville zou het voetbal dan uit een soort van melancholie zijn voortgekomen die zich vermeit in de berustende gedachte dat het na het einde van alle ‘anciens régimes’ met hun cultus van voortreffelijkheid en uniciteit, in de moderne burgerlijke samenleving niet meer mogelijk is om een groots leven te leiden. En willen we ons bij heel deze nivellering in democratische en economische processen nog een persoonlijke uitzondering kunnen veroorloven, dan hebben we daarvoor midden in deze nieuwe burgermaatschappij een nieuw (oud) veld van eer nodig. Zo zou het groene grasveld een complement kunnen zijn voor de groene tafel waaraan op alle terreinen en bij alle onderhandelingen waarbij het om iets gaat telkens alleen maar compromissen kunnen worden gesloten, terwijl er op



Filosofie van het voetbal.indd 12

01-05-12 19:31:11


het voetbalveld nog een plek voor echte beslissingen en heroïsche overwinningen en nederlagen te vinden is. De voetballerij lijkt zo te zijn ontstaan uit een anachronisme, waarvoor binnen de moderniteit een ruimte werd gecreëerd, die er slechts toe diende dat de tijd er zou kunnen blijven stilstaan. Wat zich later architectonisch ook hierin uitdrukte, dat in de omheining van deze ruimte de reminiscentie aan antieke omstandigheden nog eens zichtbaar kon worden gemaakt. Het moderne stadion valt niet voor niets terug op het beeld van de Romeinse arena als model voor een plaats, waar zich al volgens de wil van de Ouden de gunst der goden in een gevecht om alles of niets openbaart. Voor de vraag naar de achtergrond van de passie voor het voetbal zouden we zodoende van de these van een geboorte van het voetbal uit de geest van de melancholie kunnen uitgaan – een melancholie die bestaat in het verlangen zich in het leven op buitengewone wijze waar te maken en te onderscheiden, dus in een zo goed mogelijke praxis, en die in het voetbal nog eenmaal ingang moet vinden in de moderne omstandigheden van een zich allengs vormende massamaatschappij. Gesteld dat we de uitgangspositie op deze manier juist hebben weergegeven, dan kunnen we voor de drie stadia in de ontwikkeling van het spelconcept van het voetbal het volgende schema hanteren: 1. Het valt redelijkerwijze in te zien waarom het voetbal in de jaren 1830 tot 1860 in Engeland heeft kunnen ontstaan, in zoverre de aristocratische deugden van de zelfbeproeving hier het vroegst en meest indringend geconfronteerd werden met een modernisering, zoals die in het kader van de democratisering van maatschappelijke en de industrialisering van economische omstandigheden gestalte moest krijgen. Eveneens inzichtelijk is de historische omstandigheid, dat het voetbal in zijn oervorm nauwelijks van het rugby te onderscheiden was (of hoogstens door een interpretatie van de regels) en de algemene strategische doelstellingen ervan deelde, namelijk om het individu door zo min mogelijk en daartoe heel ruim geformuleerde regels aan zijn ontplooiing op het speelveld te hinderen en hem zo de beste kansen te bieden om zijn moed, vastberadenheid en doorzettingsvermogen te bewij-



Filosofie van het voetbal.indd 13

01-05-12 19:31:11


zen. Tot de voordelen van zo’n geringe regeldichtheid behoorde ook, dat het uiteindelijk van secundair belang was, of het team een partij won dan wel verloor – tenzij er een ploeg speelde die uit de maatschappelijke elite was gerekruteerd en deze moest aantreden tegen een qua sociale positie achtergestelde equipe. En tenslotte zal dan ook de ontstaansplaats van de eerste voetbalspelen geen verrassing meer vormen, wanneer men er historisch gezien terecht vanuit gaat dat het voetbalspel aan de Engelse Colleges en Public Schools (die in werkelijkheid trouwens particuliere scholen waren) is ontstaan, en dan vooral aan die scholen – zoals bijvoorbeeld Eton – die voornamelijk aan de aristocratische cliëntèle onderdak boden of in ieder geval de aristocratische deugden met grote ernst imiteerden. Tegen de achtergrond van zo’n historische setting mag het dan welhaast als vanzelfsprekend gelden, dat de bij deze Engelse uitgangssituatie van het voetbal passende filosofie die van het pragmatisme is, zoals deze bij John Stuart Mill in zijn essay On Liberty (Over vrijheid) tot uitdrukking komt. Ontstaan aan het eind van de jaren 1850 wordt hier de geest van een opgroeiende nieuwe generatie van eliteleerlingen aangesproken, die gedurende hun opleiding de luxe van aristocratische karaktervorming genieten, ver verwijderd van alle in lagere opleidingen drukkende scholingsdwang. Voorzien van dergelijke karaktereigenschappen zouden zij dan ook na het einde van de schooltijd met glans een passende plek in de samenleving weten te vinden, een die in overeenstemming met hun opleidingsniveau enkel in leidende posities op economisch en diplomatiek terrein en in excellente clublidmaatschappen zou kunnen bestaan – dus in het toebehoren aan een maatschappelijke klasse, waarin een op het speelveld van het College gecultiveerde eigenzinnigheid en het speelse celebreren van extravagantie geen zwakte betekende, maar veeleer het entreebewijs vormde voor hogere maatschappelijke ambten, en waarbij het voetbal dus gespeeld werd op de weg ’to other walks of life’. 2. Vervolgens lijkt een aanpassing en nadere precisering van de regels in het midden van de jaren twintig van de vorige eeuw ertoe te hebben geleid dat het voetbal zich strategisch definitief



Filosofie van het voetbal.indd 14

01-05-12 19:31:11


losmaakte van zijn oorspronkelijke banden met het rugby, wat tegelijk ook een nieuwe filosofische fundering mogelijk maakte. De regelaanpassing betrof de buitenspelkwestie die sinds 1866 zo werd uitgelegd, dat ‘een speler dan buitenspel staat wanneer zich op het moment dat hij de bal speelt minder dan drie tegenspelers tussen hem en de doellijn van de tegenstander bevinden’2. In 1925 werd echter bepaald dat – zoals ook vandaag nog – dan voor buitenspel wordt gefloten, wanneer op het moment dat de bal wordt gespeeld alleen nog de doelman (preciezer: de doelman of een andere speler van de tegenpartij) vóór de aanvallende speler staat. Het gevolg van deze verandering was dat het spel naar voren een nieuwe kwaliteit kreeg, omdat niet meer voornamelijk door breedtepasses en het lopen met de bal ruimte kon worden gewonnen, maar door meer direct spel naar voren. Op die manier stond er (gechargeerd gezegd) bij het plannen van aanvalsacties een extra ruimtedimensie ter beschikking, ofwel de ruimte won aan diepte. Het rugby had (anders dan het American Football) van meet af aan alleen breedtepasses toegestaan en voor wat betreft de gelijkenis met het hardere spel gold met ingang van de nieuwe regels dat hieronder, ook in de grondstructuur van het moderne voetbalspel, een definitieve streep werd gezet. Zoals Andreas Hütig meteen na zijn exposé over de regelaanpassing vaststelt: ‘De consequentie? Van een wild erop losgaan met de bal en een lukraak achterna stormen veranderde het spel in een vloeiende, tactisch gestructureerde beweging waarin de bekende wisselwerking tussen individuele brille en vaardig team- of combinatievoetbal mogelijk werd’.3 Belangrijk is de wisselwerking: het is niet meer alleen de individuele daadkracht die telt, deze telt alleen nog voor zover hij ingekaderd ligt binnen een weldoordachte spelopbouw die het vermogen om te combineren vooronderstelt. Los van de formele regelaanpassing is het uiteraard ook inzichtelijk dat de ervaringen uit de Eerste Wereldoorlog er in niet geringe mate toe

2

3

A. Hütig, ‘Flankengötter und Ballartisten. Fußball zwischen Kunst und Mythos’, in: A. Hütig / J. Marx (red.), Abseits denken. Fußball in Kultur, Philosophie und Wissenschaft, Kassel 2004, p. 66. T.a.p.



Filosofie van het voetbal.indd 15

01-05-12 19:31:11


hadden bijgedragen, dat een verbinding van onderscheidend gedrag of zelfs heldendom met een zich-bewijzen op het een of andere veld van eer als volkomen onbestaanbaar werd beschouwd. In de massale oorlogsvoering die zich toen ontrolde was duidelijk iedere vorm romantisch heldendom, gezien de mechanisering en rationalisering van het geweld en de teloorgang van alle ethische maatstaven in het conflict, temidden van een totaal vernietigingsproces, compleet de bodem ingeslagen. Wilde men bij dit alles nog maar enigszins kunnen vasthouden aan die oorspronkelijke reflex, namelijk om door een bijzondere vorm van voortreffelijkheid in het spel de nuchtere moderne bedrijvigheid nog een soort van eminente betekenis te verlenen, dan was daarvoor blijkbaar een intellectuele tegenstrategie nodig. Niet meer het individu, dat pragmatisch gemotiveerd en op excentrische wijze vanuit zichzelf en zijn tomeloze grilligheid iets opmerkelijks tot stand brengt, kan nog als model van maatschappelijk onderscheidend handelen dienen, maar omgekeerd alleen nog dat individu, dat zich bekommert om de combinatorische structuur van het spel en tegelijkertijd in staat is om de routinematige of stereotype elementen daarin een creatieve wending te geven. Alleen wie de nieuwe buitenspelregel in zijn uiterste consequentie benut en zo gezien dus ook vanuit een principieel ‘buiten’ van het spelbegrip de ruimte voor combinaties opent, kan nu eigenlijk nog inspirerend werken. Dat wil zeggen dat het niet meer de ‘spelerspersoonlijkheid’ als zodanig is die, zoals tot dusver het geval was, alle aandacht verdient, ook niet de qua balvaardigheid meest uitzonderlijke van alle spelers, maar onder hen alleen nog de ‘spelmaker’. En de spelmaker op zijn beurt ook alleen maar, voor zover hij niet eenvoudig de bal volgens een voorspelbare routine naar voren brengt en telkens dezelfde combinaties uitprobeert. Spelmaker zijn betekent nu veeleer, het spel zelf te maken, alsof het in ieder moment waarop de spelmaker zich van zijn taak kwijt, als spel zelf weer opnieuw werd uitgevonden. Als we die nieuwe accentbepaling nog wat verder stileren, dan wordt inzichtelijk, dat hier uiteindelijk een existentialistische lezing aan bod moet komen, maar dan zo één, die niet meer alleen maar een heroïsche uitzondering op de overige loop der dingen wil maken, een gedecideerde ‘homerun’ in de sfeer van



Filosofie van het voetbal.indd 16

01-05-12 19:31:11


persoonlijke roem. Het nieuwe existentialisme betekent veeleer dat de superieure spelprestatie alleen nog zoiets als een algemeen systematisch ontwerp van een allesomvattende spelidee mag zijn. Zo wordt duidelijk dat de inspiratiebron voor dergelijke voor de spelcultuur fundamentele handelingen ook niet schatplichtig kan zijn aan een toevallige oprisping of gril, maar in overeenstemming met het planmatige gehalte van de daad – waarbij in enen al het andere reeds moet zijn beslist en voorzien – slechts vanuit een hogere positie kan worden gedacht. Een actie die door een echte spelmaker in de zin van zulke fundamentele handelingen wordt uitgevoerd, moet zich als een soort van metafysische ‘gebeurtenis’ voordoen. En nu de zaak inmiddels zo’n gestileerde vorm heeft aangenomen, is het duidelijk dat Heidegger zich als tweede kandidaat aandient om met zijn filosofie verdere argumenten te leveren voor wat hier als these naar voren wordt gebracht. Bij het Engelse pragmatisme van een voetbal dat met het ene been nog steeds in het regelveld van het rugby staat, voegt zich daarmee dus een existentialisme, dat zich van de oorspronkelijke aardverbondenheid van het Engelse spel wil losmaken en de zaak in technische zin al veel zuiverder aanvat. Hier denkt het voetbal reeds in de inventionele categorieën van ingenieurs, wier genialiteit daaruit blijkt, dat hun projecties en ontwerpen via lange trajecten en gecompliceerde combinaties niettemin trefzeker hun weg vinden en succes opleveren. Uit soortgelijke gedachten ontsproot, zoals bekend, destijds ook het enthousiasme voor de rakettechniek. Heidegger wil wel degelijk de auteur van zo’n enthousiasme voor techniek en voor zakelijkheid zijn, waarbij hij het spel evenwel begrijpt vanuit momenten, waarin iedere gangbare voorspelbaarheid en mechaniek van het spel faalt en aan de geroutineerd toegepaste techniek door een volkomen onwaarschijnlijke maar uiteindelijk in haar plotselinge en verbazingwekkende functionaliteit werkelijk geworden combinatie opeens een hogere zin wordt verleend. Het gaat hier dus niet slechts om mechanica en een nieuwe fysica van het spel, maar om metafysica, om de technische omzetting van iets mechanisch en fysisch onheugelijks. Het verschil tussen de situatie van het Engelse voetbal in de negentiende eeuw en die van het voetbal zoals dat in Duitsland in de eerste helft van



Filosofie van het voetbal.indd 17

01-05-12 19:31:12


de twintigste eeuw een filosofische betekenis krijgt, blijkt dienovereenkomstig ook uit een nieuwe kleurentheorie. De aardverbondenheid van het spel op het verzorgde Engelse gras kon nog in het ‘racing green’ als shirtkleur worden weergegeven, terwijl het ontwerpkarakter van de voetbalfilosofie à la Heidegger al het duidelijk van elkaar gescheiden zwart en wit nodig had waarin ingenieursontwerpen en bouwtekeningen, evenals de shirts van het Duitse nationale elftal, zijn uitgevoerd. Zwart en wit zijn geen aardkleuren, het zijn strikt genomen helemaal geen kleuren, maar vormen filosofisch beschouwd hier de aankondiging dat er moet worden gespeeld volgens regels die altijd van een hoger plan moeten komen en principieel vers gedrukt zijn. Een volgende verandering in de kleurstelling van het voetbal is dan ophanden wanneer de meest stralende van alle signaalkleuren er ter herkenning van een nieuwe spelfilosofie bij wordt gehaald: het oranje van de Oranje-teams. 3. David Winner heeft in de titel van zijn bestseller Brilliant Orange: The Neurotic Genius of Dutch Football4 al aangeduid, welk dieper geheim er achter de genialiteit van het Nederlandse voetbal van jongere datum schuilt. Het is een geheim dat in terugblik op de Engelse oorsprong van het spel uiteindelijk slechts als ‘neurotisch’ kan worden begrepen. En wel daarom neurotisch, omdat het vanuit het gezichtspunt van de spelers op het veld een praktisch onmogelijke opgave lijkt te zijn dat ieder van hen zich gelijkelijk en vrijwillig ondergeschikt maakt aan een spelsysteem, op het oppermachtige ‘Über-Ich’ waarvan iedere vorm van eigen initiatief bij de spelers onvermijdelijk moet stuklopen. Dat is echter de wending die het voetbal in zijn modernste gestalte blijkbaar moet nemen. Het is noch het een noch het ander: de spelers treden niet meer op als bijna regelloos handelende actoren die alleen aan zichzelf zijn overgelaten, maar evenmin dient zich zoiets als een transcendentaal centraal subject aan, dat van het overige spel4

D. Winner, Brilliant Orange: The Neurotic Genius of Dutch Football, Londen 2001 (Ned. vert. Briljant Oranje: het genie van het Nederlandse voetbal, Amsterdam/ Antwerpen 20062).



Filosofie van het voetbal.indd 18

01-05-12 19:31:12


gebeuren is losgemaakt (libero) en over de hoofden van de uitvoerende spelers heen het spel een beslissende wending en nieuwe ordening geeft. Spelbepalend is vanaf nu veeleer het spelsysteem, dat de input niet meer van de spelers (of hun trainers) krijgt, maar alleen nog vanuit zichzelf. De intelligentie of inspiratie van de deelnemers aan het spel is vanaf nu te verwaarlozen of althans niet meer werkelijk beslissend, ze moet slechts zover reiken, dat ze geen inbreuk kan vormen op de collectieve intelligentie van het team. Geen enkele speler heeft dus nog zicht op het geheel van het spelverloop, maar alleen oog voor wat er in zijn directe omgeving gebeurt, en waarin hij zich zo goed mogelijk positioneert om de bal af te geven of een pass aan te nemen. Alleen de interactie met de momentaan bereikbare medespelers moet hij kunnen overzien, alle verdere coördinatie van de zo gespeelde passes wordt door het spelsysteem zelf overgenomen. Hoe dit over het geheel genomen functioneert heeft verdediger Philip Lahm eens, onder verwijzing naar de spelopvatting van coach Louis van Gaal, met behulp van een bierviltje gedemonstreerd. Hij liet zien dat de nieuwe systeemtheorie in wezen bestaat in het creëren van ‘driehoekjes’ waarin telkens drie spelers onder elkaar een dynamisch aanspeelsysteem vormen, dat geometrisch zodanig moet zijn ingericht dat het altijd mogelijk is een veilige pass te geven. Lukt het op dit microniveau om in balbezit te blijven, dan komt het tot een echte spelopbouw wanneer de driehoekjes beginnen met onder elkaar verder te communiceren. Zo kunnen opeenvolgende spelverplaatsingen tot stand komen die als het goed gaat voor het doel van de tegenstander eindigen en in het beste geval ertoe leiden dat de bal in het doel van de tegenstander wordt gedeponeerd. Zoeken we naar een tijdgebonden evidentie van zulke zichzelf organiserende (in het filosofisch Grieks officieel ‘autopoietisch’ genoemde) systeemeenheden, dan herinner ik aan de rudimentaire spelstructuur van de eerste videospelen zoals die in de jaren zeventig van de vorige eeuw velen wisten te fascineren: op een beeldscherm werd een soort van pingpong gespeeld, waarbij men moest proberen om het naderende beeldpunt weer als een balletje terug te spelen; invals- en reflectiehoek waren daarbij gelijk en van ‘balbehoud’ was uiteraard geen sprake. Het spel werd successie-



Filosofie van het voetbal.indd 19

01-05-12 19:31:12


velijk versneld, en gewonnen had diegene die het langst tegen de computer stand kon houden. Als deze grondoperatie zou worden uitgebreid van een bipartiete naar een tripartiete relatie, dan zou men in de eerste plaats niet meer hoeven te verliezen, want de bal zou dan kunnen rondgaan en men zou in verbinding met de medespelers uiteindelijk dus zelf in de positie verkeren waarin zich tevoren de computer bevond. Bovendien werd hier wellicht ook al gepreludeerd op de speelwijze van het ‘one-touch-voetbal’ – samen met die van een hogesnelheidsvoetbal waarbij op het uitblijven van goals gereageerd wordt met een continue versnelling van het spel. Degenen die tegenwoordig als coaches de systeemtheorie tot trainingsfilosofie hebben verheven, hadden in de jaren zeventig van de vorige eeuw in ieder geval de juiste leeftijd om in de ban te geraken van de gerationaliseerde winstperspectieven van zulke computerstrategieën. Daarmee wordt tenslotte een geheel nieuwe en vooralsnog paradoxaal aandoende oplossing geboden voor de fundamentele kwestie, waarop het voetbal als antwoord kan figureren. Ter herinnering: waar het in wezen om zou moeten gaan is, een buitengewone vorm van menselijke praxis en zelfbeproeving van historische afmetingen nog eenmaal mogelijk te maken in moderne tijden – in een tijd dus, die aan ieder van ons in ons leven van alledag slechts een bestaan in de middelmaat toestaat. Het Engelse voetbal wilde het individu daarbij de mogelijkheid bieden een extravagant spel te spelen waarin hij, niet gehinderd door maatschappelijke regels en beperkingen, nog eenmaal individueel tot grote hoogte en vitaliteit kon opstijgen; daarentegen wilde het existentialisme de discplinerings- en reguleringsbehoefte van de moderniteit tegemoet treden door niet langer een aartsliberale uitzondering voor de enkeling te maken, maar zich boven het hele gebeuren te verheffen, en wel zodanig dat één enkele speler in de zin van de libero het gehele spel een nieuwe wending en oriëntatie geeft. De geniale speler manifesteert zich daarbij als een kunstenaar die, geïnspireerd door iets van hogere orde (wat en hoe dat ook moge zijn), het mensenwerk allereerst van regels voorziet. Deze beide strategieën om de vitaliteit en praktische voortreffelijkheid van de mens te plaatsen tegenover een louter ‘beheer’



Filosofie van het voetbal.indd 20

01-05-12 19:31:12


van de wereld (door zowel het metafysische ‘boven’ als het vitalistische ‘beneden’), worden met de oranje revolutie in het voetbal opgegeven ten gunste van de verbazingwekkende gedachte dat de te herwinnen vitaliteit zich van nu af aan in de spelsystemen zelf moet articuleren. Hiermee wordt dus juist die instantie, die in haar schematische spelopvatting tot dusver altijd als deel van het probleem werd beschouwd, in staat geacht het probleem, met inachtneming van het problematische aan haarzelf, op te lossen. Hoe men zich zo’n ontbrekende vitaliteit en het waagstuk van een echte praktijk binnen een systeemtheorie moet voorstellen, werd al met het kernbegrip ‘autopoiese’ aangeduid. Het betekent dat een spelsysteem niet statisch als een eenmaal vaststaand en daarmee schematisch spelbeheer mag worden opgevat, maar veeleer dynamisch als een schematisme, dat in staat is op veranderende factoren te reageren en in de zin van een feedbackprocedure de gebrekkige resultaten te benutten ten behoeve van een herinrichting van de spelstructuur. De creativiteit die voorheen in de excentriciteit van de held van het veld of in de geniale spelopening van de libero werd gezocht, wordt zo op het systeem als zodanig overgedragen, voor zover het in staat is zich ten overstaan van nieuwe uitdagingen opnieuw te formeren en daarmee zichzelf als het ware opnieuw uit te vinden. Autopoiese wil dus zeggen dat datgene wat creëert, het ‘poietische’, alleen maar in het ‘zelf ’ (‘autos’) van het systeem kan worden gezocht. Dit poietische is enkel nog in grammaticale zin verwant aan de poëzie van een verfijnde balcontrole bij de individuele spelers, niet meer voor wat betreft de feitelijke rol van het uitvoerende subject. Hoever een dergelijke decentrering van de spelbetekenis van de acteurs op het door hen ooit aanvaarde spelsysteem reikt, kan men in laatste instantie aflezen aan het klaarblijkelijk grensoverschrijdende karakter van deze betekenisverschuiving. Het is namelijk zo dat de betekenisverschuiving van de individuele spelerspersoonlijkheden naar het spelsysteem allerminst ophoudt bij de systemisch ingerichte organisatie en reorganisatie van een enkel elftal. Zoals de theorie het wil, wordt ook de zogenaamde ‘omgeving’ van het systeem door de nieuwe confrontatie met het systeem zelf tot systeem. Dit betekent dat ook de spelers van de tegenpartij op het veld alleen nog maar een



Filosofie van het voetbal.indd 21

01-05-12 19:31:12


kans hebben wanneer ze hun oude eigenzinnigheid laten varen en zich eveneens overgeven aan die nieuwe zelfsturingslogica van het spel, die ze bij hun tegenstanders aan het werk zien. Zoiets valt trouwens ook geregeld waar te nemen, bijvoorbeeld wanneer sinds jaar en dag gevestigde hiërarchieën van een club of een land in confrontatie met een sterker spelsysteem plotseling als hopeloos verouderd worden ervaren en men zich opmaakt voor een ‘compleet nieuwe start’. Na eclatante nederlagen, zoals bijvoorbeeld die van het Engelse nationale elftal tegen de Duitse selectie tijdens het WK in Zuid-Afrika, zijn dit soort geluiden te horen. De pointe, waarop ik hier vooraf nog wel wil wijzen, is echter een andere, want die is te vinden in een hernieuwde overbrenging van deze systeembesmetting op uitwendige gebeurtenissen. Het team van de tegenstander is namelijk niet de enige ‘omgeving’ die zich door de autopoietische zelforganisatie van een thuisteam genoodzaakt ziet iets aan de eigen systeemvorming te doen. Ook de omgeving die bestaat in de toeschouwers van het spel tussen beide teams op het veld kan zich overduidelijk niet aan deze trend tot systeemvorming onttrekken. Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw werd met steeds grotere verbazing waargenomen hoe de klassieke supportersliederen, het applaus en uitfluiten zich in deze zin hebben geëmancipeerd. Optisch komt dat het duidelijkst naar voren in de La-Ola-golf, de wave, die het gehele stadion rond moest gaan en daarbij allang niet meer ter aanmoediging of als kritisch commentaar op het getoonde spel bedoeld was. Het was veeleer de zelforganisatie van de toeschouwers tot een eigen systeemsfeer, waarin ieder individu nu precies slechts onderdeel van een zichzelf organiserende totaalbeweging, namelijk de wave, moest zijn. En het La-Ola-element, dat door deze golfbeweging werd meegedragen, geeft alleen al door deze naam te kennen dat het op zichzelf veel meer met carnaval te maken had dan moet voetbal. Zulke waves kunnen namelijk bij alle mogelijke evenementen worden ingezet en beogen in wezen slechts een vorm van zelfamusement, dat geheel onafhankelijk kan zijn van de kwaliteit van wat zich op het veld afspeelt. En wie destijds bij het WK in Zuid-Afrika het uithield om het geluid op het originele volume in te stellen, kon ook navoelen hoe dat systemisch-



Filosofie van het voetbal.indd 22

01-05-12 19:31:12


grensoverschrijdende aspect van het gebeuren via de optische vormen van een zichzelf constituerende golfbeweging een nieuw akoestisch hoogtepunt had bereikt. Typerend voor het ‘concert’ van de Vuvuzela’s was immers dat het in zijn volmaakte anarchie en structuurloosheid op geen enkele wijze meer als commentaar op het spelverloop functioneerde. Tegelijk maakte het door zijn immense geluidsvolume duidelijk dat het zich nu zelfs van de systeemsturing van het op handen zijnde spel door de fluitsignalen van de scheidsrechter helemaal niets meer aantrok, ja deze bijkans onmogelijk maakte – terwijl toch die wedstrijd oorspronkelijk en paradoxaal genoeg wel de aanleiding was geweest om op dit tijdstip en op deze plaats samen te komen. De optische (La-Ola-) golfbewegingen in het stadion evenals de (Vuvuzela-) geluidsgolven verschijnen zo als een verbreding van een autopoiese naar de spelomgeving, een die vervolgens wellicht alleen nog door een autopoiese van autocorso’s rondom het stadion gedurende de wedstrijd kan worden overtroffen. Aangezien we ons nu toch al zo vanzelfsprekend met termen als systeemtheorie en autopoiese bezighouden, moeten we ook maar meteen de naam noemen die met deze nieuwe koers in de filosofie resp. sociologie verbonden is: Niklas Luhmann. Qua nationaliteit voegt hij zich niet zo gewillig in het rijtje van John Stuart Mill en Martin Heidegger, om de eenvoudige reden dat hij geen Nederlander is (hij werd in 1927 in Lüneburg geboren en stierf in 1998 in Oerlinghausen), en ook andere grondleggers van de systeemtheorie komen nauwelijks in de buurt van de plaatsbepaling die we hier zouden wensen (te denken valt bijv. aan Humberto Maturana, die in Chili werd geboren). Maar zoals reeds in het concept vervat ligt en door de internationale activiteit en reputatie van Nederlandse trainers wordt bevestigd, is het nu juist ook wezenlijk voor de systeemtheorie dat ze zich aan nationale verschillen weinig gelegen laat liggen. Zo volstaat een zonder succes verlopen spelcontact met een systeemtheoretisch handelend elftal om meteen de dringende wens te doen opkomen dat er een Nederlandse coach, of een die bij hem in opleiding is geweest, wordt aangesteld. Ik wijs hier slechts op de nederlaag van FC Bayern in de kwartfinale van de Champions League tegen FC Barcelona uit



Filosofie van het voetbal.indd 23

01-05-12 19:31:12


2009, en wat als vèrstrekkend gevolg daarvan mag gelden: de aanstelling bij Bayern van Aloysius Paulus Maria van Gaal.

Naspel In het korte essay, dat ik een jaar geleden ter nadere bediscussiëring van deze kwestie had voorgelegd, heb ik het me bij de beantwoording van de vraag, hoe we over dit thema zouden moeten denken, relatief gemakkelijk gemaakt. Ik stelde toen dat de nieuwe wending in het spelconcept van het voetbal iets met de terugkeer van een soort van ‘magisch voetbal’ te maken moest hebben, zodat dus het hele, in zijn systeemtheoretisch te vatten moderniteit alweer zielloos en voorspelbaar geworden spel nieuw leven ingeblazen krijgt. De evidentie van zo’n fenomeen meende ik met een verwijzing naar de speelwijze van FC Barcelona in het seizoen 2009 voldoende te hebben gestaafd. Want enerzijds was hier duidelijk de invloed voelbaar van de Nederlandse speelwijze, ten laatste sinds het optreden van Johan Cruijff, die in 1973 onder Rinus Michels al speelde bij de Catalanen, eind van de jaren tachtig hun trainer werd en er in 2010 benoemd werd tot erevoorzitter, omdat hij ook vandaag nog geldt als de ‘geestelijke vader’ van het huidige team. Anderzijds kon er bij de hedendaagse stervoetballers van het slag van een Messi evenzo gemakkelijk een Zuid-Amerikaanse spelopvatting worden aangetoond, in zoverre deze uitging van een balverliefdheid die zich, althans volgens het gangbare cliché, nooit om effectiviteit en scoringskansen hoefde te bekommeren, maar uiteindelijk als een esthetisch doel op zichzelf verschijnt. Zouden beide nu bij elkaar komen, dus een, vrij naar Kant, ‘belangeloos welgevallen’ aan de individuele balbehandeling èn een resultaatgericht tempovoetbal, dan zou dat betekenen dat we hier te maken hebben met die fameuze kwadratuur van de cirkel waarnaar we op zoek moeten. Want het voetbal zou op die manier weer bezield raken, de speelwijze van de club zou weer van stijl en klasse getuigen en zou zo ook herkenbaar zijn volgens een ideële plaatsbepaling die (logisch) halverwege tussen Argentinië en Nederland tot de vesti-



Filosofie van het voetbal.indd 24

01-05-12 19:31:12


ging van het nieuwste voetbalgebeuren in Barcelona zou hebben geleid. Het eerste begin van het voetbal, tevens de aanzet tot een vorm van geniale zelfbevestiging en gewaagde zelfenscenering, zou zo weer verbonden zijn geweest met de modernste variant, die zich uitput in het calculerend reflecteren op een veilige weg naar succes. Overigens moet op dit punt, waarop er geen plaatsargumenten meer zijn die een verkorting van de argumentatie zouden kunnen rechtvaardigen, ook meteen worden erkend dat die aanzet, hoewel volstrekt juist in het licht van de te ontwikkelen synthesegedachte, in de uitvoering echter nog wel een aanvulling behoeft, willen we de zaak in zowel historisch als systematisch opzicht recht doen. Want de inspiratie die de spelers bezieling, het spel glans en bij dat alles ook nog acceptabele resultaten in het vooruitzicht stelt, komt in de eerste versie van de nieuwe gedachte ook wederom alleen maar uit sferen die men tot in het religieuze of magische, en daarmee tot in geheel en al premoderne bronnen kan traceren. Ze komt dus uit sferen, waarvan de mogelijke verbinding met onze hedendaagse, doorgerationaliseerde werk- en spelvormen slechts van uitwendige aard kan zijn en om die reden ook gemakkelijk voor een vorm van folklore kan worden gehouden. Men zou zelfs kunnen geloven dat de fantastische balbehandeling van de nieuwe stervoetballers per slot van rekening louter een esthetische toevoeging is, een artistiek ornament bij het nog altijd even onbezielde spel van cybernetisch calculerende tactici. We hebben dan ook, veeleer dan een bezweringsformule tegenover de nieuwe voetbalmagie, een verklaring nodig die inzichtelijk maakt hoe het voetbal, niet door een inspiratie vanuit dubieuze bronnen (metaforisch gesproken van boven), maar door een bezieling vanuit een dieper begrip van het spelconcept (en zo gezien dus van de basis uitgaande, of van beneden) weer betoverend kan worden. Alleen wanneer we er uiteindelijk in slagen het postmodern doorgereflecteerde spelsysteem zelf weer op een voor de spelpraktijk bruikbare wijze te funderen – een onderbouwing die de artisticiteit en persoonlijke inspiratie van de individuele spelers



Filosofie van het voetbal.indd 25

01-05-12 19:31:12


te boven gaat – laat de vereiste kwadratuur van de cirkel zich methodisch zuiver uittekenen. Zo’n onderbouwing zal ik aan het slot van het boek proberen te geven, en wel in tweeërlei opzicht. Enerzijds gaat het erom de magie van het huidige voetbal te verklaren uit een verbinding die het spel op een nieuwe en actuele wijze met ons leven kan aangaan. Voetbal is dan niet meer, zoals zijn historici het tot dusver deden voorkomen, alleen maar een spel dat ons uit de alledaagse sleur haalt en een romantisch gekleurde mogelijkheid biedt om voor een korte tijdsspanne in de betere wereld van het spel op verhaal te komen. Voetbal is veeleer een evenement dat het ons mogelijk maakt om in ons alledaagse leven zelf een vorm van zin te vinden. Voetbal is een soort van trial action of ‘proefhandelen’ waar wij ook als toeschouwers in delen en waaraan wij kunnen aflezen hoe ons moderne bestaan in open samenlevingen en in een zich versnellende geschiedenis uiteindelijk toch als zinvol te begrijpen is. Omdat wij dus in het voetbal in een soort van zuivere vorm gedemonstreerd krijgen hoe ook ons maatschappelijk leven optimaal gestalte kan aannemen, lijkt het spel, zodra het aan deze ambities werkelijk recht doet, een nieuwe glans te verkrijgen – een glans die dan slechts de sublimering is van iets wat wij ook in ons alledaagse bestaan kennelijk niet meer principieel hoeven uit te sluiten. Naast deze hermeneutische benadering die het voetbal tot een methodisch gezien prominent deel van onze alledaagse leven maakt, is het anderzijds van belang om in te zien dat het esthetische spel op het veld daarmee tegelijkertijd ook een diepere zin verleent aan ons bestaan in een voortdurend moderniserende samenleving. Uitgaand van de antieke vormen van een lof van de sport, waarvan de rituele betekenis nog vormend kon zijn voor het menselijk zelfbegrip in het algemeen, is het dan uiteraard de vraag hoe we zo’n specifiek moderne terugslag van het voetbalspel op ons collectieve zelfbegrip moeten duiden. Blijkbaar verkeren we niet meer, zoals in de Oudheid, in de situatie dat een als goddelijk geafficheerd spel eenvoudigweg als op menselijke verhou-



Filosofie van het voetbal.indd 26

01-05-12 19:31:12


dingen overgedragen kan worden gedacht, zoals overigens ook de Olympus slechts het hogere presidium en (soms hoogst dubieuze) model voor menselijke gemeenschappen kon zijn. Wat daartegenover echter wèl mogelijk is, is dat we ons temidden van de voortdurende wisseling der verschijnselen, in het bijzonder waar het de versnelde veranderingen op het gebied van de leefwereld betreft, ter oriëntatie spiegelen aan de manier waarop men er in het voetbal in slaagt om bij alle momentane winst of verlies een even sportieve als fiere houding te bewaren. Het draait hier dan niet meer om individuele spelers en hun acrobatische kunsten, niet meer om afzonderlijke spelmakers en hun genialiteit, en al evenmin om een spelsysteem en zijn autopoiese. Want de eigenlijke ster is hier per slot van rekening dat historisch reflecterende spelbegrip, dat zich verheugt in de blijvende successen van teams, die ondanks veelvuldige wisselingen van spelers en incidentele wisselingen van trainers uiteindelijk trouw kunnen blijven aan hun fundamentele spelconcept en de doelmatig-inzichtelijke verdere ontwikkeling daarvan. En wanneer, wat vanuit filosofisch oogpunt te wensen ware, in dit spelbegrip door alle tijden heen ook nog de principiële openheid voor de voortdurende verdere ontwikkeling van het voetbal besloten zou liggen, dan heeft het voetbal uiteindelijk weliswaar zijn aureool van ‘ontijdig spel’ en daarmee ook iets van de romantiek die altijd al met dit spel verbonden was, verloren, maar tegelijkertijd wint het daarmee een actualiteit waarin de geschiedenis van het voetbal zowel sportief als filosofisch gebracht kan worden onder de noemer van een spel dat intellectueel gezien met een goed geweten de toekomst mag toebehoren.



Filosofie van het voetbal.indd 27

01-05-12 19:31:12

Filosofie van het voetbal  

Een inkijk exemplaar

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you