Page 1

De ziel opnieuw


renée van riessen

De ziel opnieuw Over innerlijkheid, inspiratie & onderwijs

sjibbolet µ amsterdam µ mmxiii


Deze uitgave kwam tot stand mede dankzij een subsidie van de Stichting Dr Abraham Kuyperfonds.

© 2013  R.D.N. van Riessen p  / a Uitgeverij Sjibbolet, Amsterdam Niets in deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced without the written permission of the publisher

Vijfde deel in de reeks Oratio, onder redactie van Elsbeth Greven

Afbeeldingen uit het video-kunstwerk Insight? van Stansfield/Hooykaas zijn in deze uitgave in zwart-wit overgenomen met toestemming van de kunstenaar Madelon Hooykaas en de eigenaar AMC Kunst Collectie. De oorspronkelijke versie (in kleur) is te zien op http://www.stansfield-hooykaas.net

Boekverzorging René van der Vooren, Amsterdam

isbn 978 94 9111 013 9  |  nur 730


5

Inhoud

Woord vooraf 7

1 2 3 4 5 6 7 8

Spreekt de ziel vanzelf?  9 Het gewicht van de ziel  15 Verloren ziel: verlies van innerlijkheid  26 Wat Plato hoopte  32 Kierkegaard over innerlijk en ogenblik  41 Onderwijs en innerlijkheid  53 Is de ziel ter ziele ?  61 Levinas en de leraar  68

Bibliografie 85


Woord vooraf

Wie vandaag over ziel en innerlijk wil spreken komt in een merkwaardig krachtenveld terecht. Aan de ene kant lijkt het erop dat de wereld waarin we leven ons wil afhouden van het opbouwen van een innerlijke wereld. We worden aan één stuk door aangezet ons te manifesteren, zo niet te excelleren en naar buiten te treden. Daarbij is ons leven meer dan ooit door media, en dus door externe ogen en externe beoordelaars, bepaald. Tegelijkertijd is het op­ vallend hoeveel mensen op zoek zijn naar een vorm van contact met hun innerlijk — of dat nu is door het beoefenen van meditatie, door psychotherapie en vormen van coaching, of door zich te verdiepen in spiritualiteit en filosofie. Is het mogelijk de twee werelden met elkaar te verbinden? De Amerikaanse schrijfster Marilynne Robinson verbaast zich in haar essaybundel Absence of Mind over de heftigheid waarmee ­alles wat naar innerlijk en geleefde ervaring zweemt momenteel uit de menswetenschap verbannen wordt, de psychologie voorop. Ze laat ook zien hoe deze uitdrijving van de innerlijkheid gepaard gaat met minachting voor religie en voor de manier waarop in ­religieuze tradities het innerlijk wordt geëxploreerd.1 In dit essay zoek ik naar een nieuwe benadering van de innerlijkheid, in de lijn van Kierkegaard en Levinas. Bijzonder aan deze twee denkers is dat zij het filosofische gedachtegoed in verband brengen met hun eigen religieuze bronnen: de Bijbel en de uitleg daarvan door de eeuwen heen. Voor Levinas speelt daarnaast de Talmoed een belangrijke rol. Het vermogen tot zichzelf in te keren maakt een belangrijk ­onderdeel uit van religiositeit in het algemeen. Denk aan bidden, mediteren, biechten, of het besef schuldig te zijn voor mensen en voor God, zoals dat naar voren komt in het bekendste christelijke gebed, het Onze Vader. Innerlijkheid kan in deze vorm van spiri­ tuele filosofie niet worden gemist maar toch blijkt zij niet de enige bron van waarheid te zijn. Juist het vermogen in te keren tot zichzelf blijkt iets anders te veronderstellen dan de innerlijkheid ­alleen: de aanwezigheid van een Ander die deze inkeer mogelijk

1  In de essaybundel met de mooie titel Absence of Mind, Robinson, 2010, p. 13-16.


8

woord vooraf maakt en vergemakkelijkt. In religieuze en filosofische tradities wordt treedt deze ‘ander’ dikwijls op in de gestalte van een leraar. De ziel, het innerlijk, kan niet zonder een leraar die ten opzichte van het innerlijk een buitenpositie inneemt. Vanuit een interesse voor de betekenis van deze concrete figuur (de leraar) die tegelijk aanleiding geeft tot het beschrijven van een denk-figuur (innerlijkheid in noodzakelijke relatie met iets buiten het innerlijk) wordt Kierkegaards vergelijking tussen Socrates en Christus als leraren van de ziel opnieuw actueel. Terwijl Socrates het eminente belang van innerlijkheid predikt maar ook vasthoudt aan de gedachte dat de waarheid uiteindelijk in het zelf, in de diepten van de eigen innerlijkheid, moet worden ontdekt, gebeurt er in de confrontatie met Christus iets anders. De inkeer die Christus ­teweegbrengt levert niet alleen een besef van waarheid op, maar ook de ervaring van schuld en daarmee de noodzaak van ver­ zoening en verlossing. Blijft dit bij Kierkegaard nog tot de enkeling beperkt, Levinas’ denken over onderwijs geeft een wending te zien in de richting van het sociale leven. Ook hij benadrukt de noodzaak van een ­impuls van buiten die het innerlijk tot zichzelf brengt, maar hij voegt daar een messiaans perspectief aan toe: in het onderwijs gaat het behalve om de enkeling en diens innerlijk ook om het ­nastreven van vrede en gerechtigheid voor allen. Het denken van Kierkegaard en Levinas over onderwijs geeft aanleiding tot een nieuw denken over de ziel, vanuit joodse en christelijke inspiratie. Daarom kreeg dit boekessay de titel De ziel opnieuw. In de ondertitel komen de woorden terug die dit betoog verbinden met de oratie die er de kiem van was: innerlijkheid, ­inspiratie en onderwijs.2 Ik dank Elsbeth Greven en Rosa Vaalburg voor hun suggesties tot verbetering van de tekst en de Stichting Dr Abraham Kuyperfonds voor de ruimhartige financiële ondersteuning van deze uitgave. renée van riessen Voorjaar 2013

2  Dit essay is een uitwerking van de oratie die ik heb gehouden bij de aanvaarding van de bijzondere leerstoel Christelijke Filosofie aan de

Universiteit Leiden: Verder gaan dan Socrates ? Over onderwijs, innerlijkheid en inspiratie bij Kierkegaard en Levinas (Van Riessen, 2012).


i Spreekt de ziel vanzelf?

Ooit was de ziel vanzelfsprekend, in de filosofie, de poëzie, de ­religie en in de dagelijkse ervaring. Dat niet alleen, ze voerde ook het woord. Ze sprak met zichzelf — op fluisterende toon. Ze ontdekte zichzelf in tweegesprekken, met een andere ziel, of met God. Bij de joodse filosoof Franz Rosenzweig is het middelste ­gedeelte van zijn boek De Ster van de Verlossing gewijd aan een dialoog tussen God en de ziel; tussen die twee ontspint zich een gesprek dat handelt over de ervaringen van het geven en ont­ vangen van liefde. Spreken over de ziel: het lijkt taal uit een voorgoed voorbije tijd te zijn. De tijd dat de landheer Tsjitsjikov, de hoofdfiguur uit Gogols roman Dode Zielen, bij andere landheren kon langsgaan om hun zogenaamde ‘dode zielen’ op te kopen en er windhandel mee te bedrijven. Met deze zielen werden de lijfeigenen bedoeld, die ook na hun dood op de zogenaamde revisielijsten bleven staan. Spreken over dode zielen werd in die tijd als een tegen­ strijdigheid ervaren. Een echte ziel was een levende ziel. Sinds Aristoteles was het gebruikelijk de ziel te beschouwen als het principe van leven zelf in de zichtbare werkelijkheid. Volgens de christelijke leer zou deze ziel niet alleen bestaan en leven maar na de dood ook voortleven; misschien wel in een ruimer ­perspectief dan dit stoffelijke leven waaraan zij nu nog als met lijm zat vastgekleefd. Losgemaakt van aardse vergankelijkheid en wellicht na een ­periode in het vagevuur, zou de ziel dan een plaats vinden waar ze tot rust zou komen. Soms kregen boerderijen al die naam, als een voorsmaak van de eeuwige rust. ‘My plaas se naam is Rusmysiel’ — het is een regel uit het gedicht Aftelrympje van de Zuid-Afrikaanse dichter Peter Blum, waarin hij op een ironische manier telkens een andere naam van een andere boerderij op de korrel neemt.3

3  “Mijn boerderij heet Rustmijnziel”. Het gedicht verscheen in 1955 in de bundel Steenbok tot Poolsee, hier

geciteerd uit Dorsman & Van Dis, 1998, p. 85.


10

1  spreekt de ziel vanzelf ? Het zijn hoopvolle namen: naast Rusmysiel worden de boerderijen ‘Skoongesig’ (Schoongezicht) en ‘Vredendal’ vermeld. De neergang zet in als de boer van Vijandsvlei zijn grimmige onmaatschappelijkheid laat zien : ‘My plaas se naam is Vyandsvlei    /    buurman se rook, bly ver van my ’; en als de baas van ‘Skoongesig’ aankondigt dat hij ’s avonds de rolluiken het liefst stevig dicht doet. Aftelrijmpje heeft de vaak religieus geladen namen van ZuidAfrikaanse boerderijen als onderwerp, maar het gedicht zou ook heel goed over de ziel kunnen gaan. ‘Rusmysiel’ (Rustmijnziel) is in het gedicht van Peter Blum niet meer dan een vrome wens, die nooit in vervulling zal gaan. De voormalige plaatsen van rust stevenen af op hun ondergang. Uiteindelijk is alles verloren en met die naam eindigt het gedicht: ‘Allesverloren is my plaas   / Leë murasies noem my baas’. Er zijn alleen nog een paar lege ­ruïnes (murasies) over. De naam ‘Rusmysiel’ bevat een motief dat afkomstig is uit de joodse literatuur over de ziel. In Psalmen — het gedichtenboek van de Bijbel — gaat het dikwijls over ziel, met name over haar onvermogen om tot rust te komen, zoals in Psalm 42: Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij. Vestig je hoop op God, eens zal ik hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt Eeuwen later schreef Augustinus zijn Belijdenissen, het eerste ­echte autobiografische werk uit de westerse literatuur. Daar komt het motief van de onrustige ziel terug, als een hart dat geen rust vindt: Want zo hebt u ons geschapen, gericht op u, en ons hart kent geen rust tot het rust vindt in u. 4 Hart en ziel duiden bij Augustinus op hetzelfde: het is datgene in ons dat zichzelf niet kent en om die reden een bron van onrust kan zijn. De onrust of ongerustheid van Augustinus heeft betrekking op de diepten in hemzelf en op de onopgeloste vragen die hij bij zichzelf aantreft, zonder er een antwoord op te weten. Soms

4 Augustinus, Belijdenissen, 1.2; vertaling naar Augustinus/Sleddens, 2009.


1  spreekt de ziel vanzelf ? beschrijft hij zichzelf als één grote open vraag waarop hij het ­antwoord niet vinden en niet formuleren kan. ‘Ik was mijzelf tot vraag geworden’, het is een refrein dat telkens terugkeert in de Belijdenissen.5   Wie ben ik? Kan ik mijzelf wel kennen? Als dat niet mogelijk is, wat is dan het gevolg voor mijn bestaan? Deze vraag van Augustinus is zo belangrijk en indringend dat hedendaagse denkers als Martin Heidegger en Hannah Arendt hem opnieuw hebben gesteld en als uitgangspunt van hun existentiële interpretatie van Augustinus hebben genomen.6 De vraag naar de onrust en naar de plaats van rust voor de ziel treedt in ­Belijdenissen dusdanig op de voorgrond dat het boek niet als een argumentatief betoog gelezen kan worden. Eerder is het een onophoudelijk gesprek dat met onregelmatige golven beweegt. De ziel spreekt hier niet met zichzelf, in tegenstelling tot de antieke literatuur, bijvoorbeeld in het veel rustiger getoonzette werk ­Zelfgesprekken, een geschrift dat Marcus Aurelius twee eeuwen eerder schreef. Bij Augustinus is de ziel voortdurend in sprekend contact met anderen: met God of met verwante zielen. Daarom is het niet verrassend dat hij zijn meest ingrijpende moment van openbaring niet alleen beleeft, maar samen met iemand anders: zijn moeder Monica. In Boek 9 van Belijdenissen vindt men de weergave van het gesprek dat Augustinus met zijn moeder heeft, niet lang voordat ze zou sterven. Hij spreekt over een moment waarop ze samen zó dicht bij de bron van wijsheid en waarheid kwamen, dat het leek alsof die tastbaar voor hen werd. De onrust van hun lichaam en ziel viel toen stil. Moeder en zoon waren in staat ‘rustig bij zichzelf stil te zijn’. Zij beseften dat ze daarmee aan de grens van het menselijke kennen waren aangekomen. Wat zich toen aan hen voordeed hoort naar hun idee bij een andere toestand, namelijk die van de opstanding en de vreugde die bij het nieuwe leven van de opstanding hoort. Augustinus’ moeder maakt duidelijk dat ze hier al naar uitziet en enkele dagen later zal ze overlijden. * * * Rust mijn ziel, een onrustige ziel, een ziel die kleeft aan het stof en die gesprekken voert met God — welke werkelijkheid roept dat filosofisch gezien op? Is het poëtische taal die we beter achter ons

5 Augustinus, Belijdenissen, 4.9 en 10.50 ; vertaling naar Augustinus / Sleddens, 2009, p. 91 en p. 245.

6  Zie de artikelen van Vedder en Hage in Van Riessen, 2009.

11


12

1  spreekt de ziel vanzelf ? kunnen laten? Bekend is het gedicht van Guido Gezelle over het luisterend vermogen van de ziel: ‘Als de ziele luistert  /   spreekt het al een taal dat leeft.’ Het klinkt mooi, maar is het misschien filosofisch gezien een beetje onzin, omdat de ziel waarover het gaat niet eens bestaat? De Nederlandse dichter Boutens schreef een aantal minder ­bekende gedichten over de ziel. Soms laat hij de ziel zelf aan het woord, zoals in De ziel spreekt. Boutens is, net als Augustinus, ­gefascineerd door het sprekend vermogen van de ziel. Wat zegt ze? Opmerkelijk is dat ze vooral vragen stelt. Eén van die vragen is tot de ogen gericht, die — heel klassiek — ‘vensteren’ genoemd worden. Boutens’ ziel vraagt aan de vensteren van de ogen dat ze zich openen om het licht toe te laten: Laat door venstren van uw ogen Open steeds in lach of leed Tot mij binnen dit bewogen Licht van God, dat leven heet.7 In een ander gedicht (Sterrenhemel   ) spreekt de dichter zelf de ziel geruststellend toe: Nu kunt gij veilig slapen gaan Nu al de heemlen open staan: Ziel, wier verlangen elken donkren wand In ster aan ster doorzichtig brandt, En in de schoonheid van dit tijdlijk land Al minnen moet uw eeuwig lot, Daar uw verrukking uitziet tot De troon van God. 8 Ziel, verlangen, God, schoonheid. Het zijn woorden uit een voorbije tijd. Grote woorden, maar verloren woorden. Ze spreken niet meer vanzelf en tegelijkertijd begeleiden ze ons nog altijd. Eerst leken zij op sterven na dood te zijn, als meubelstukken die we geërfd hebben, maar die het niet uithouden in de nieuwe inrichting. Is God niet vooral een obstakel voor de menselijke vrijheid? Moet schoonheid niet ontmaskerd worden als een verhullende schijngestalte die alleen waarachtig kan worden als ze zich met kwaad

7  Boutens, 1910 / 1990, p. 9.

8  Boutens , idem, p. 51.

De ziel opnieuw  

Een inkijkexemplaar

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you