Page 1

De Sirenen zwegen


etty mulder

De Sirenen zwegen Psychoanalyse, mythe & kunst

sjibbolet µ amsterdam µ mmxi


Deze uitgave kwam mede tot stand dankzij subsidie van de Stichting Psychoanalytische Fondsen.

© 2011  E. Mulder, p / a Uitgeverij Sjibbolet, Amsterdam Niets in deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be produced without the written permission of the publisher.

Boekverzorging René van der Vooren, Amsterdam isbn 978 94 9111 001 6  |  nur 612


5

Inhoud

i

de vervoering  7

1 2 3 4 5

Het gouden tijdperk  7 De Sirenen  11 Freud en Orpheus  18 Inferno  25 Freud en Mozes  31

ii het offer  39 1 2 3 4 5

Arnold Schönberg, Moses und Aron  39 Het beeldverbod  42 Le Sacre du Printemps, Igor Stravinsky  50 Iconoclasme, hervinden van beeld  58 Afstand tot het beeld — Andrej Tarkovsky, Offret  66

iii coda: het grandioze  77

Bronnen & Literatuur  79


Wie zal, en wanneer, de taal terugvinden. Het zal iemand zijn wiens schedel door pijn gespleten wordt. christa wolf, Kassandra


7

I DE VERVOERING 1  Het gouden tijdperk ‘Het is niet het letterlijke verleden dat ons beheerst, het zijn de beelden van het verleden’.* Zonder een algemeen of individueel historisch besef gaat de betekenis van die beelden verloren. De ­reden waarom wij ons aan het verleden hechten en de herinnering willen behouden is dat de geschiedenis sporen van het paradijs lijkt te dragen. Achter onze actuele ervaringen van verwarring, ­morele afstomping en terugval in gewelddadigheid, schuilt de aanwezigheid van een verleden. Hoe men het ook precies wil op­ vatten, het laat zich uitdrukken als een tijdperk dat de standaard bepaalt — een gouden tijdperk, een tijdperk vóór de ramp: een ­periode die als ijkpunt fungeert en nog binnen het bereik van de herinnering lijkt te liggen, binnen het bereik van verwoordbare beelden. Het gaat om beelden die boven tijd en plaats verheven zijn, waarvan de betekenis door de eeuwen heen steeds opnieuw is ontvouwd en begrepen in even zoveel variaties als er visies op de zogenoemde werkelijkheid zijn (geweest), en op de historische ontwikkeling daarvan. Zo vormt het literaire meesterwerk Kassandra (1983) van ­Christa Wolf, geschreven vanuit het perspectief van de Trojaanse oorlog, een tijdloos mythisch voorbeeld van wat oorlog in mensen aanricht. In de gedaante van de Trojaanse koningsdochter en ­zieneres Kassandra voert Christa Wolf de vertolking van haar ­persoonlijke onttakeling door de Tweede Wereldoorlog terug tot in de Oudheid. Mythe en kunst onttrekken zich in essentie aan het discursieve denken en aan de alfabetische taal. Hoe talrijk ook de vormen waarin zij zich voordoen en de gedaanten waarin ze zich onop­ houdelijk van elkaar afleiden, er is geen oerversie waarop wij ons kunnen beroepen. Zij zijn betekenisbronnen in zichzelf. Dit geldt

*  De eerste zin van dit essay is in dank en bewondering ontleend aan de eerste regel van George Steiners In Bluebeards Castle.


8

1  de vervoering in extreme mate voor muziek : de partituren uit onze geschiedenis staan even ver af van reeds lang verklonken muziek als de talloze verdichtsels afstaan van hun mythische bron, die net als muziek geen woord is maar klank — de verhalende stem, het instrument. De hermeneutische ontraadseling van deze betekenisbronnen heeft in tegenstelling tot het interpreteren van taal niet zozeer te maken met begrijpen als wel met uitvoeren, vieren, met verbeel­ dingskracht. De psychoanalyse ontstaat in de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw en is tegen deze achtergrond een in zekere zin organische en logische ontwikkeling. Alle invalshoeken op het verleden, alle methoden van geschiedbeoefening en hermeneutiek zullen, als zij eenmaal als denksysteem zijn gevestigd, door de psychoanalyse worden gedomineerd of worden beïnvloed. De ont­ dekking van het onbewuste houdt in, zo is intussen vast komen te staan, dat de psychoanalyse als methode van individuele behande­ ling, gericht op het persoonlijk verleden, zich kan uit­breiden tot de benadering van de humaniora en van de algemene geschiede­ nis. ‘Historioanalyse’ is de term waaronder geschied­beoefening en psychoanalyse al in de jaren tachtig van de vorige eeuw in de Franse psychoanalytische school werden samen­gevoegd. *  *  * Het mythische beeld van Oedipus Rex, koning Oidipous, vorm­ gegeven in de tragedie van Sophocles (427 v. Chr.), is exemplarisch in dit proces van geleidelijk voortschrijdende historioanalyse. ­Voltaires Edipe travesti (1719), dat twee maal in het Nederlands werd vertaald, is het eerste werk dat als treurspel de geschiedenis van de tragedie en de eraan ten grondslag liggende mythe als ge­ heel weer opneemt. Freud introduceert zijn van de mythe afgeleid theoretisch complex in Die Traumdeutung (1900) in directe samen­ hang met de ‘ontdekking’ van het onbewuste en de relationele driehoek van ouders en kind. Tientallen jaren zal de theorie van het oedipuscomplex de medische benadering van neurosen binnen de geijkte en versleten structuren van familie en gezin in de bur­ gerlijke maatschappij beheersen. Ook de dominante patriarchale beelden van de christelijke religie zullen zowel theologisch als kunsthistorisch eeuwenlang tekens en beelden dragen van de klas­ sieke oedipale focus op moeder en zoon: de zuigeling en de gekrui­ sigde op dezelfde moederschoot. Een geschiedenis met een enor­ me beeldenrijkdom, traceerbaar in alle stijlperioden van de wes­


1  het gouden tijdperk terse kunst : het centrale narratief van de fallocratische westerse cultuur­geschiedenis. Een nieuwe lezing, revisie, van deze getheoretiseerde mythe ontstaat binnen de ontwikkeling van de psychoanalyse als denk­ systeem in het werk van Jacques Lacan (1901–1981). Vanuit een combinatie van structuralistische en linguïstische invalshoeken beklemtoont hij de onmogelijkheid dat het kind, de zoon, quali­ tate qua in staat zou zijn de positie van de vader in te nemen. De reden die hij hiervoor geeft is voornamelijk filosofisch en sluit niet direct aan bij psychoanalyse als therapie: hij ontkracht Freuds ­impliciete jegens het burgerlijk bewustzijn onthullende suggestie dat seksuele verleiding denkbaar is binnen de oedipale driehoek : het is onmogelijk dat de zoon de plaats van de vader zou innemen omdat dit gegeven de betrekkingen met de moeder seksualiseert. Deze theorie van het oedipuscomplex, in Lacans herlezing, ver­ werpt de onverbiddelijke vanzelfsprekendheid waarop zij aanvan­ kelijk werd gebaseerd. Er vindt een accentverschuiving plaats van vadermoord en incest naar abstrahering en naar het concept van de symbo­lische orde : de wet van de vader, de taal. In deze revisie van de theorie valt de oedipale verleiding terug in de wereld van duisternis en verblinding, waartoe zij zich echter in de klinische freudse praktijk niet meer zal kunnen laten redresseren. De betref­ fende controverse over Oedipus als ‘koning van een complex’ heeft hoe dan ook interessant discussiemateriaal opgeleverd. Een feit is dat de mythe een beweeglijkheid bezit die in principe variaties mogelijk maakt, ook zonder dat dit voor de toepassing in de realiteit van direct nut hoeft te zijn. Koning Edipus, zoals hij in 1660 door Vondel ten tonele werd gevoerd en al eerder als per­ soonlijkheidscomponent te vinden was in Shakespeares King Lear en ook in Hamlet, blijft de theaterpodia in velerlei karakterologi­ sche varianten obsederen. Tot in de laatste decennia van de twin­ tigste eeuw is hij aanwezig, in Stravinsky’s oratorium Oedipus Rex, op tekst van Cocteau tot in het cinematografische meester­ werk  Edipo Re van de Italiaanse cineast Pier Paolo Pasolini. Als hermeneutisch object doet zijn dochter Antigone niet voor haar vader onder. Zij is bekend uit een eerdere tragedie van Sopho­ cles (442 v. Chr. ). Ook Antigone personifieert een onuitwisbaar beeld van ethos van de westerse beschaving. Haar volstrekte auto­ nomie zet psychoanalytici aan het denken. Lacan interpreteert ­Antigone in zijn ethiek van de psychoanalyse op grond van haar absolute individualiteit. Freud, die zich intens identificeerde met

9


10

1  de vervoering de Tragedies, gaat ruim een halve eeuw eerder een gesublimeerde familierelatie met haar aan. Immers , in een brief aan zijn collega Wilhelm Fliess noemt hij begin oktober 1897 zijn dochter Anna ‘meine Antigone Tochter’. Anna Freud (1895–1982), zelf ook beroemd psychoanalytica, ­begeleidde Sigmund Freud in zijn Londense ballingschap zoals Antigone in de mythe de blinde Oedipus begeleidt. In zekere zin was ook Anna Freud in die fase ‘een waarnemer’ voor haar vader die niet meer op eigen kracht voort kon. De bedenker van de theorie van het oedipuscomplex ziet zich­ zelf in de voetsporen van Koning Oedipus. Diens beeltenis staat in zijn werkkamer en ongetwijfeld spiegelt hij zich eraan. Hij wordt Oedipus, vader van Antigone. Hij doet het mythische vaderdochterbeeld herleven in zijn eigen werkelijkheid. Ook in de geschiedenis van Antigone blijkt hoe het narratief in verschillende lagen gelezen kan worden zonder dat het schema van de mythe zelf verandert. De tragedie wordt herboren in podium­versies van Friedrich Hölderlin (1804) en Bertold Brecht (1948) en ook in twintigste-eeuwse Antigone-opera’s van Arthur Honneger (1927), Carl Orff (1949) en van de Nederlander Ton de Leeuw (1993). George Steiner koos in 1986 dit mythische personage als prototype van de meervoudige interpretatie van Griekse trage­ dies. Hij stelt deze tragedie boven al het andere dat de menselijke geest heeft voortgebracht. De titel van zijn studie over de mythe in het wes­terse denken, literatuur en kunst, leidt, overeenkomstig de gelaagdheid, tot een meervoudsvorm: Antigones. Ter opening van deze omvangrijke studie citeert Steiner de Franse filosoof ­Michel de Montaigne (1533–1592) die een van de kleinste dialogen ( Ion ) van Plato citeert waar de rapsode, de vertolker van de home­ rische tekst, met Socrates in gesprek is. Hij zegt: niets anders zijn wij dan vertolkers van eerdere vertolkingen. Het verscheurende innerlijke conflict van Antigone, die de wet­ ten van de goden trotseerde, tegen het gezag van de staat Thebe haar broer Polyneikles begroef en daarmee de doodstraf over zich afriep, fascineerde denkers en dichters. Haar meest imposante ‘weergave’ in recent verleden is zonder twijfel het drama van Jean Anouihl (1944) die vanzelfsprekend haar hubris beklemtoont, haar koppige autonomie tegenover het gezag van goden en men­ sen: moi je ne veux pas comprendre. Maar ook verschuift Anouihl het perspectief van Antigone naar Kreon, heerser over Thebe,


1  het gouden tijdperk oom van Antigone, en naar diens tweestrijd en existentiële ambi­ valentie ten aanzien van het doodvonnis dat hij moet voltrekken over zijn schoondochter, des te ondraaglijker nog omdat zij hem dierbaar is. De vitaliteit van de mythische beelden wordt gekenmerkt door de mate waarin zij de dynamiek van onze actuele situatie kunnen weergeven. Volgens Zen and the art of motorcycle maintenance van Robert Pirsig (1974) bestaat er een dynamiek tussen verleden en toekomst in de volgende zin: Wat zich in toenemende helderheid voor onze ogen uitspreidt, zich voor onze ogen voltrekt, verscherpt en duidelijker waar­ neembaar wordt is het verleden. De toekomst overrompelt ons achter onze rug. Deze stelling behoudt haar waarde zolang beelden van het verle­ den het heden, de dag van vandaag en morgen nog kunnen inspi­ reren, door een levensgevoel dat in onze herinneringen en dromen ­herkenbaar is gebleven. Het zijn deze beelden die de grondslag vormen van onze interpretatiekaders zolang de westerse civilisatie groei en voortgang kent, met behoud van waarden, een ethos, in directe relatie tot een steeds verstaanbare esthetische beleving: aisthèsis.

2 De Sirenen In de Dialektiek van de Verlichting (1947) thematiseren Adorno ­ en Horkheimer, exponenten van de Frankfurter Schule, de relatie tussen actualiteit, verleden en toekomst in absolute zin. Dat wil zeggen , als dimensies van het bestaan die ten opzichte van elkaar voorwaardelijk en daarmee ook fataal kunnen zijn. Zonder narra­ tief van een verleden dat aansluit bij de ordening van persoonlijke herinnering, is de toekomst in letterlijke zin onvoorstelbaar. ­Herinnering — vandaag overheersen in academische geschriften de sleetse termen ‘memory’ en (vooral) ‘cultural memory’ — is voorwaarde voor de civilisatie. De mogelijkheid tot herinnering betekent in zekere zin redding. Zij voorkomt door orde en controle de zelfdestructieve reflex van terugval in het voorbije. Het voor­

11


12

1  de vervoering komen van deze regressie is een primaire noodzaak om het ver­ leden te behouden zonder de toekomst op het spel te zetten. Hier ligt in de meest letterlijke zin de uitdaging die de grondslag vormt van de culturele ontwikkeling van het westen. Adorno ver­ bindt aan dit existentiële compromis de betekenis van de oorsprong van het muzische in onze geschiedenis ; de zang der Sirenen. Een zang die, zo wordt gesteld, een numineuze hoedanigheid bezit: zij is nog niet tot machteloze kunst afgezwakt. Zij draagt een bete­ kenis waaraan men kan bezwijken. De twaalfde zang van de Odyssee vermeldt de doortocht langs het eiland der Sirenen. Wat zij als verlokking te bieden hebben is de mogelijkheid zich te verliezen in wat voorbij is. ‘Zij weten al wat telkens geschiedt op de velen bevoederende aarde.’ Bij de Sirenen berust alle kennis over de Trojaanse oorlog. Ze beloven een hoogte van begrip, van vrede, van harmonieën die de taal te boven gaat. Zij bieden de herinnering een aantrekkelijke vorm want, zo stelt Adorno, de drang om het voorbije te redden als iets wat levend is, in plaats van het als stof voor de vooruitgang te benutten, kan ­alleen in de kunst gestild worden. Als de Sirenen weet hebben van wat gebeurd is — en dat is hun functie — dan eisen ze de toe­ komst als prijs daarvoor op. Niemand die hun lied hoort kan zich aan de macht ervan onttrekken. In deze meest verbreide interpretatie van de mythe wordt de kunst in het volle gewicht van de filosofische en hermeneutische redenering mee betrokken als behoud van de herinnering. Als ­‘opbrengst’ van het verleden blijft kunst voortbestaan zonder zich aan beginselen van utiliteit te onderwerpen : zij zal voortbestaan zonder als straf voor de vooruitgang benut te worden. Deze rede­ nering doet de kunst ontkomen aan utilitaire beginselen van de consumptieve samenleving waarin zij zoals wij inmiddels weten tot speelbal van dezelfde consumptieve mechanismen zal degra­ deren die deze samenleving gaande houden. De passages uit de Dialektiek waarin deze gedachtegang over de plaats van de kunst in de geschiedenis is vervat, geven een onover­ trefbaar antwoord op de hedendaagse roep om legitimering van het nut en de materiële waarde van cultuur binnen een samenle­ ving in verval. Het is kenmerkend voor de mythische vrouwvogels voor wie de tovenares Circe Odysseus op zijn weg naar Ithaka waar­ schuwt. Evenzeer kenmerkend voor de hermeneutische ontraadse­ ling van deze passage uit de Odyssee is dat zij gesecondeerd wordt

De Sirenen zwegen  

Een inkijkexemplaar

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you