Issuu on Google+

Wie is als Gij? Plano:Layout 1

09-10-2007

10:22

Pagina 1

De Bijbel is voor miljoenen mensen wereldwijd de bron van hun geloof. Toch stelt de Bijbel haar lezers soms voor Wie is Hij? Is de God die het Oude Testament ons verkondigt wel dezelfde als de God en Vader die wij in het Nieuwe Testament leren kennen?

Dr. H.G.L. Peels is hoogleraar oudtestamentische vakken aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn. www.uitgeverijboekencentrum.nl

Wie is als Gij?

In recente tijd neemt de verlegenheid met het Oude Testament toe, sinds de wereld te maken kreeg met een explosie van geweld. Hoe zijn oudtestamentische teksten over Gods toorn en wraak te rijmen met de nieuwtestamentische boodschap van Gods liefde in Jezus Christus? Hoe komt het dat we in het Nieuwe Testament in tegenstelling tot het Oude Testament nauwelijks meer lezen over Gods jaloezie of berouw? Het Psalmboek bevat huiveringwekkende vloekbeden tot de God van Israël – maar is oproepen tot haat niet strafbaar? Ook getuigt het Oude Testament van Gods verborgenheid – kunnen we op deze God aan? Stuk voor stuk vragen die ons niet alleen voor theologische problemen stellen, maar ook aan de kern van de christelijke geloofsbeleving raken. In dit boek behandelt de auteur voor zowel theologen als niet-theologen de ‘schaduwkanten’ aan het Godsbeeld van het Oude Testament. Hij laat zien dat bij een onbevangen luisteren naar de boodschap van het Oude Testament op deze schaduwzijden steeds weer verrassend licht valt.

Dr. H.G.L. Peels

grote vragen. De meest dringende vraag is die naar God.

Dr. H.G.L. Peels Wie is als Gij? Schaduwkanten van het oudtestamentische Godsbeeld

Boekencentrum


Dr. H.G.L. Peels

Wie is als Gij?

Schaduwkanten van het oudtestamentische Godsbeeld

Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer


www.uitgeverijboekencentrum.nl

Tweede, herziene druk Ontwerp omslag: Mulder van Meurs, Amsterdam ISBN 978 90 239 1881 3 NUR 703 Š 2007 Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieÍn, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Inhoud

Woord vooraf

9

1. De openbaring van God in het Oude Testament 1. Inleiding 2. Dwaalwegen I: gekortwiekte canon 3. Dwaalwegen II: ontmantelde canon 4. Het nieuwtestamentische getuigenis 5. Openbaringsgeschiedenis 6. Heilsgeschiedenis 7. Blijvende waarde van de oudtestamentische Godsopenbaring Vragen en literatuur

13 13 15 17 18 20 23

2. De verborgenheid van God in het Oude Testament 1. Openbaring en verborgenheid 2. De ervaring van Gods verborgenheid 3. Het Oude Testament over Gods verborgenheid 4. Enkele voorbeelden 5. De reden van Gods verborgenheid in het Oude Testament 6. Het Oude Testament en de moderne mens 7. Doorbreking van Gods verborgenheid Vragen en literatuur

30 30 32 34 36

26 28

38 40 41 43

3. De naijver van God in het Oude Testament 45 1. Problematisch spreken 45 2. Kort taalkundig onderzoek 47 3. Menselijke qin’âh 48 4. God is wezenlijk ‘de Naijverige’ 50 5. De werking van Gods qin’âh 52 6. Conclusies 55 Vragen en literatuur 57 


4. Het berouw van God in het Oude Testament 59 1. Een probleem voor het geloof en voor de exegese 59 2. Gods berouw ‘ten kwade’ 62 3. Gods berouw ‘ten goede’ 65 4. Gods berouw in Israëls belijdenis 68 5. Gods berouw en het Nieuwe Testament 69 6. Conclusies 70 Vragen en literatuur 72 5. De wraak van God in het Oude Testament 1. Inleiding: ergernis en aanstoot 2. De menselijke wraak in het Oude Testament 3. Kernteksten (1): de verbondsvloek in Leviticus 26:25 4. Kernteksten (2): Mozes’ lied in Deuteronomium 32 5. Kernteksten (3): Nahums troost in Nahum 1:2 6. Kernteksten (4): de bloeiende woestijn in Jesaja 35 7. Het kader van Gods wraak in het Oude Testament 8. De God der wrake in het Nieuwe Testament Vragen en literatuur

74 74 76 78 79 81 82 84 85 87

6. De roep om Gods wraak in het Oude Testament 89 1. Het wraakgebed: een struikelblok 89 2. Geen randverschijnsel 91 3. De achtergrond van het wraakgebed 92 4. Het kader van het wraakgebed 94 5. De intentie van het wraakgebed 96 6. Het wraakgebed door het Nieuwe Testament achterhaald? 99 7. Het wraakgebed in het Nieuwe Testament toegespitst 100 Vragen en literatuur 102 7. De toorn van God in het Oude Testament 1. Toorn bij mensen en goden 2. Termen en beelden in het Oude Testament 3. De toorn van de God van YHWH 4. Aspecten van Gods toorn 5. De ervaring van Gods toorn 6. Gods toorn in het Oude en Nieuwe Testament Vragen en literatuur



105 105 107 109 111 113 115 117


8. De heiligheid van God in het Oude Testament 1. Het begrip heiligheid 2. God de Geheel Andere 3. De heiligheid van God als bron van schrik 4. De heiligheid van God als bron van vreugde 5. De heiligheid van God in IsraĂŤls eredienst 6. Gods heiligheid en de heiliging van Gods volk 7. Heiligheid en heiliging in het Oude en Nieuwe Testament Vragen en literatuur

119 119 121 122 124 126 128 128 130

9. De vergeving van God in het Oude Testament 1. Wie is als Gij? 2. Vergeven kenmerkend voor IsraĂŤls God 3. De beweegredenen van Gods vergeving 4. Vergeving en vergelding 5. Het overwicht van de liefde Vragen en literatuur

132 132 134 136 140 142 144

Beknopt tekstregister

146




Woord vooraf

(bij de eerste druk) De titel van dit boek is ontleend aan het lied van Mozes in Exodus 15, waar Israël bij de Schelfzee vol ontzag zingt: ‘Wie is als Gij, onder de goden, Here, wie is als Gij, heerlijk in heiligheid, vreselijk in roemrijke daden, wonderbaar in uw doen?’ (vs. 11). In het Oude Testament zal de vraag ‘Wie is als Gij?’ nog vaak klinken. Het is een vraag die bij mensen steeds weer bovenkomt, als zij diep onder de indruk raken van Gods macht en majesteit. Het lied bij de Schelfzee wordt gezongen na de ondergang van het Egyptische leger dat Israël wilde uitroeien. Met kracht had God ingegrepen en zijn volk bevrijd. Ondertussen getuigt de tekstomgeving van de vraag ‘Wie is als Gij?’ van Gods vernietigende vergelding, die ontzetting en schrik, huivering en beving teweegbrengt. De wijze waarop het Oude Testament over God spreekt, kan bij een bijbellezer soms bevreemdend en zelfs angstaanjagend overkomen. God die zich in toorn verbergt, vol naijver gericht oefent, berouw heeft en de wraak voltrekt, voor wiens heiligheid men als dood op de grond valt – wie is Hij? Menigeen zal niet goed weten wat hij met deze ‘schaduwzijden’ van de oudtestamentische Godsopenbaring aan moet. Ze kunnen zelfs een obstakel voor het geloof gaan vormen. Is déze God ook de God die ons heil is, de Here, ons licht en leven? Dit boek is in de eerste plaats geschreven voor allen die over deze vragen struikelen. Om hen te helpen de Schrift meer van binnenuit te leren lezen, nog beter te luisteren naar de boodschap aangaande de levende God. Niet alleen voor zelfstudie, ook voor bijbel- en gesprekskringen kan het boek geschikt zijn; aan elk hoofdstuk is ter stimulering van de bezinning een vijftal vragen toegevoegd. Daarnaast zullen studenten en predikanten het een en ander kunnen 


vinden dat uitnodigt tot nadere bestudering; met het oog daarop besluit elk hoofdstuk met een beknopte literatuurlijst. Mijn dank gaat uit naar mijn vrouw en naar Niels den Hertog, die het manuscript kritisch hebben doorgenomen. Met vreugde heb ik aan dit boek gewerkt, hoe opmerkelijk dat ook moge klinken bij een studie over een zo ernstig en ingrijpend onderwerp. Van harte wens ik de lezer toe om bij het schatgraven in de Schrift, die kostbaarder is dan goud, ja dan veel fijn goud (Ps. 19:11), met mij te mogen ontdekken hoe bij een eerlijk luisterend lezen verrassend licht valt op de zogenaamde schaduwzijden van de Godsopenbaring in het Oude Testament. Wat is de Schrift rijk en wat maakt de Schrift rijk! Ik schreef dit boek in de weken na de begrafenis van mijn geĂŤerde leermeester en voorganger prof.dr. B.J. Oosterhoff (overleden 13 januari 1996), met wie ik over sommige zaken die in deze studie aan de orde komen meermalen van gedachten heb gewisseld. Aan zijn nagedachtenis zij dit boek opgedragen. Apeldoorn, maart 1996

10

H.G.L. Peels


(bij de tweede druk) Elf jaar geleden verscheen de eerste druk van Wie is als Gij? ‘Schaduwzijden’ aan de Godsopenbaring in het Oude Testament. Een Engelse vertaling hiervan werd in 2003 bij Paternoster Press (Carlisle, Engeland) gepubliceerd onder de titel Shadow Sides. God in the Old Testament. Tijdens het afgelopen decennium werd de wereld overvallen door een lawine van agressie en terrorisme. Het geweldthema kreeg in de media een permanente plaats. Het is niet verwonderlijk dat de oude vragen naar de ‘schaduwzijden’ van het beeld van God in de Bijbel met nieuwe kracht terugkeren. Geregeld gaat een beschuldigende vinger in de richting van het Oude Testament, met al zijn uitspraken over een God die toornt, wraak neemt en geweld toepast. Kan dít boek nog steeds de bron en norm van het christelijk geloof zijn? Ik hoop dat de bijbelstudies in Wie is als Gij? ook vandaag behulpzaam zullen zijn om op deze vraag een overtuigd en overtuigend antwoord te geven. De tekst van het boek is licht bewerkt, waar nodig gecorrigeerd en voorzien van aanvullingen. Ook de vragen en de literatuurlijsten kregen een ‘update’. Ter wille van de verstaanbaarheid werd de ondertitel gewijzigd in Schaduwkanten van het oudtestamentische Godsbeeld. De gebruikte vertaling bleef de NBG-1951, met incidenteel een verwijzing naar de Statenvertaling-1637 en de NBV-2004. Apeldoorn, mei 2007

H.G.L. Peels

11


1. De openbaring van God in het Oude Testament

1.1 Inleiding Het belang van ons onderwerp In dit boek houden we ons bezig met een vraag die voor het belijden van de kerk en het beleven van het persoonlijke geloof van het grootste belang is: wie is God? Van de beantwoording van deze vraag hangt veel af. Met wie hebben wij nu eigenlijk van doen, als we de ogen sluiten en bidden, met wie krijgen we nu eigenlijk te maken als we de ogen voorgoed sluiten en sterven? Wie is Hij die ons geschapen heeft, die ons leven in zijn handen houdt, die in de Bijbel tot ons spreekt? Wie is de Wetgever achter de wet, ons dagelijks richtsnoer, en wie schenkt ons het evangelie, ons dagelijks houvast? Het behoeft nauwelijks uitleg dat het thema ‘schaduwkanten van het oudtestamentische Godsbeeld’ ons niet alleen voor exegetische en bijbels-theologische problemen zal stellen, maar meteen ook raakt aan de kern van het christelijk geloof. Het ware geloof, zo leert de Heidelberger Catechismus (vraag en antwoord 21), bestaat uit kennis en vertrouwen. Wanneer de kennis van wat God ons in zijn Woord over zichzelf geopenbaard heeft, om wat voor reden dan ook, gebrekkig is of bedenkelijk, zal ook het vertrouwen op Hem en zijn beloften geschaad worden. Onbekend maakt onbemind. Probleemstelling Iedere bijbellezer stuit van tijd tot tijd op het probleem dat in het Oude Testament over God soms zo heel anders wordt gesproken dan in het Nieuwe Testament. Er zijn in het Oude Testament bijbelgedeelten waarvan we schrikken en die ons zo bevreemdend voorkomen, dat het verschil met het Nieuwe Testament voor ons gevoel haast onoverbrugbaar wordt. Enkele voorbeelden maken dit al snel duidelijk. Tweeënveertig spotzieke en scheldende jongetjes worden door twee berinnen ver13


scheurd, omdat God de vloekbede van Elisa verhoort (2 Kon. 2:24). Maar de Zoon van diezelfde God, Jezus Christus, schold niet terug, toen Hij gescholden en bespot werd, en dreigde niet, toen Hij leed (1 Petr. 2:23). Op Gods bevel moeten ten tijde van Jozua en de richters complete volken in Kanaän worden uitgeroeid. Maar Jezus zegt: ‘Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten. Maar Ik zeg u: Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen’ (Matt. 5:43-45) en: ‘Worden niet twee mussen te koop aangeboden voor een duit? En niet één daarvan zal ter aarde vallen zonder uw Vader. En de haren van uw hoofd zijn ook alle geteld’ (Matt. 10:29vv). ‘O God der wrake!’, roept de dichter van Psalm 94 omhoog (vs. 1). ‘God is liefde’, belijdt de apostel Johannes (1 Joh. 4:8, 16). Menig bijbellezer kan het gevoel wel eens bekruipen dat het beeld van God in het Oude Testament soms trekken heeft die eerder menselijk dan geestelijk, eerder onredelijk dan begrijpelijk overkomen. God is in de avondkoelte aan het wandelen in de hof van Eden (Gen. 3:8). Rook stijgt op uit Gods neus, verterend vuur komt voort uit zijn mond waardoor kolen in brand raken (Ps. 18:9). Als Uzza de ark voor een val wil behoeden, is door de toorn Gods de dood het onmiddellijke gevolg (2 Sam. 6:7). God straft niet alleen de direct schuldigen, maar ook hun gezinnen en families (bij Korach, Dathan en Abiram in Num. 16), ja het hele volk (Israël bij Ai in Joz. 7). Gods kleding is bezoedeld, rood van het bloed van Edom waar Hij in de wijnpers volken vertrapte (Jes. 63:1-6). De God van Lot zegt niets, als deze om zijn gasten te redden zijn dochters wel aan het straatvolk van Sodom wil geven (Gen. 19:8), of als Lot later in zijn dronkenschap incest pleegt met deze meisjes (Gen. 19:30-38). En ook de God van Jefta zwijgt, als deze na een dwaze gelofte zijn enige kind slachtoffert (Richt. 11:30-40). Weerzinwekkend is de geschiedenis over de schanddaad te Gibea (Richt. 19). Hoe anders lijkt de boodschap van het Nieuwe Testament dan te zijn. God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis, zegt de apostel Johannes (1 Joh. 1:5). En hoor Paulus eens zingen over de goedertierenheid en mensenliefde van God (Tit. 3:4)! Het leven van de eerste christelijke gemeente (Hand. 2:41-47) verschilt nogal wat van dat van het oudtestamentische Israël in de richteren- of koningentijd. Hoe moeten we dit alles rijmen? Als er zoveel ‘scha14


duwkanten’ aan de oudtestamentische Godsopenbaring zijn, kan een mens dan ooit wel helemaal zeker van God zijn? Zal het gevolg hiervan zijn dat ook het geloof in God altijd ergens een marge, een schaduwkant van twijfel of zelfs angst blijft houden? Kunnen wij van de Here op aan? Is Hij, die zich in de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament aan ons openbaart, één en dezelfde, rechtvaardig en goedertieren? Doelstelling Op dit soort vragen willen wij ons in deze studie gaan bezinnen. Daarbij is onze doelstelling bescheiden. Het gaat slechts om een beknopte verkenning waarin wij ons bezighouden met een klein deel van een zoveel groter vraagstuk: dat van de relatie tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Vanuit de Bijbel zelf hopen wij meer zicht te ontvangen op het specifieke karakter van de oudtestamentische openbaring aangaande God. De Here, die zich openbaart, maar zich ook verbergt. Hij die naijverig-jaloers kan zijn, soms berouw heeft en zich in toorn en grimmigheid wreekt, de heilige God tot wie dichters en profeten vurig bidden om een vernietigend ingrijpen over de vijand. Nader licht over deze schaduwkanten aan de oudtestamentische Godsopenbaring – daar gaat het ons om. De vragen die we daarbij tegenkomen, zullen ons voeren tot in het hart van wat de verkondiging van de Bijbel aangaande God inhoudt. Vooraf zal echter duidelijk moeten zijn hoe wij het Oude Testament lezen, welke leesbril we nodig hebben. Dat zal van beslissend belang blijken te zijn. Niemand kan immers als een onbeschreven blad de Schrift lezen, ieder heeft zijn al dan niet uitgesproken vooronderstellingen, zijn intuïtieve voor- en afkeur. Daarom geven we in dit eerste hoofdstuk rekenschap van de wijze waarop we naar de Bijbel luisteren. Het is nodig om eerst naar enkele meningen te luisteren die mijns inziens op dwaalwegen leiden. Vervolgens proberen we te verstaan langs welke lijnen het Oude Testament gelezen wil worden. Het schriftgetuigenis zelf is daarbij voor ons doorslag­ gevend. 1.2 Dwaalwegen i: gekortwiekte canon Onoverbrugbare kloof Al vroeg in de kerkgeschiedenis had men oog voor de vragen en problemen die we zojuist onder woorden brachten. In het midden van 15


de tweede eeuw van onze jaartelling verklaarde de befaamde Marcion dat hij onmogelijk nog langer de normativiteit van het Oude Testament kon erkennen. De God van het Oude Testament is een strenge Schepper-God, zo stelde hij, een God van wet, recht, wraak en oorlog. Jezus is gekomen om de mensen te verlossen van het regiem van deze God. De Vader van Jezus, de God van het Nieuwe Testament, is een heel andere, ‘vreemde’ God, een God van liefde en barmhartigheid. Een onoverbrugbare kloof scheidt Oude Testament en Nieuwe Testament. Marcion schafte het Oude Testament als boek van de kerk af en ging bovendien ertoe over om alles wat in het Nieuwe Testament te veel aan het Oude Testament herinnerde, te verwijderen. Hij dunde het evangelie naar Lucas uit en zuiverde de brieven van Paulus – die voor hem de apostel bij uitstek was – van ‘wettische’ elementen. Een gekortwiekte canon, dat was Marcions oplossing om het bijbelse Godsbeeld te vrijwaren voor schaduwkanten. Tot op heden gaan allerlei mensen in zijn spoor, onder wie bijvoorbeeld een oudere generatie Duitse geleerden als F.D.E. Schleiermacher, A. Ritschl, A. von Harnack, Friedr. Delitzsch en I. Hirsch. In recente tijd voerden Nederlandse geleerden het pleidooi om kritisch schiftend met het Oude Testament om te gaan. A.W.J. Houtepen roept ertoe op om het oudtestamentische Godsbeeld te ‘ontmilitariseren’, van zijn gewelddadige trekken te ontdoen. Nieuwtestamenticus S. Janse stelt dat Jezus’ Woord een tégenstem ten opzichte van veel gewelddadige teksten in het Oude Testament vormt en dat we daarom in het Oude Testament onderscheid moeten maken tussen het Woord van God zelf en allerlei kleinmenselijke projecties van denkbeelden op God. De praktijk van ons bijbellezen In de traditie van de kerk der eeuwen heeft de ‘oplossing’ van Mar­ cions gekortwiekte canon nooit een legitieme plaats gekregen. Toch is het niet denkbeeldig dat dit soort denkbeelden ook onder bijbellezers vandaag de dag voorkomen, zij het meer latent. Het Oude Testament is een mooi oud boek – zo hoor je wel eens –, interessant voor het onderzoek van de geschiedenis en de cultuur enzovoorts, maar wat doe je er nog mee in de praktijk van het kerkelijk leven en de persoonlijke geloofsbeleving? Hoe velen lezen het Nieuwe Testament niet veel liever dan het Oude Testament? En als men het Oude Testament leest, dan bij voorkeur de bekende gedeelten uit Genesis en Exodus, Samuël en Koningen, Jesaja en de Psalmen. Een en ander 16


betekent dat in de dagelijkse praktijk feitelijk een canon in de canon wordt gehanteerd, ofschoon iemand dit uiteraard niet snel openlijk zegt. Het moet niet onderschat worden hoe dit gedachtegoed bij veel mensen doorwerkt, onzekerheid teweegbrengt en een blokkade gaat vormen voor het zich van harte toevertrouwen aan God. 1.3 Dwaalwegen ii: ontmantelde canon Moderne visies Een tweede dwaalweg is die van de ontmantelde canon, zoals wij de denkwijze van sommige moderne theologen zouden willen typeren. Terwijl Marcion zei dat een (groot) deel van de Bijbel geen goddelijke openbaring bevat, stellen deze theologen dat de Bijbel in het geheel geen goddelijke openbaring bevat, maar slechts de neerslag is van menselijke ervaringen en inzichten. Als dat het geval is, dan is het ook niet verwonderlijk meer wanneer de Bijbel botsende Godsbeelden zou bevatten. Dat zou dan ook niet zo erg meer zijn, aangezien langs deze lijn van denken de Bijbel toch niet het laatste woord heeft voor ons denken over God. De Bijbel is hier inspirerend, niet normerend. We noemen namen van twee Nederlandse theologen die in de kerk en theologie van de vorige eeuw diepe sporen hebben getrokken, beiden inmiddels geëmeriteerd. De Groninger oudtestamenticus C.J. Labuschagne ziet in de Bijbel ‘een in de geschiedenis verankerde documentatiemap van de geloofsgetuigenissen en de geloofsinzichten van de mensen van de bijbelse tijd, en als zodanig een menselijk produkt’ (Wat zegt de Bijbel in Gods naam?, ’s-Gravenhage 1977, 68). ‘Wie de bijbel ter hand neemt, gaat met mensen in zee die, wat hun geloofsvoorstellingen en inzichten betreft, tijdgebonden en feilbaar zijn.’ De ‘fundamentalistische’ visie op de Bijbel als het Woord van God heeft hij in zijn omgang met de Bijbel achter zich gelaten, zoals een volwassene Sinterklaasfeest viert zonder de ballast van het naïef-kinderlijke geloof in een Goedheiligman (Zin en onzin rond de Bijbel. Bijbelgeloof, bijbelwetenschap en bijbelgebruik, Zoetermeer 2000, 227 resp. 225). Hetzelfde subjectivisme kenmerkt de visie van de Amsterdamse VU-theoloog H.M. Kuitert, voor wie de Bijbel ‘de klassieke verwoording van het christelijk ontwerp van God’ is (Het algemeen betwijfeld christelijk geloof, Baarn 1992, 289). Hij heeft weinig op met de leer van de inspiratie: ‘Weg ermee!’ (292). En het begrip ‘openbaring’ dan? Dat wordt door Kuitert herijkt als ‘christelijke waarheden 17


over God (…). Maar die zijn niet uit de hemel komen vallen, het zijn van mensen afkomstige en in menselijke taal geformuleerde, op de ervaring van generaties en generaties vóór ons berustende karakteristieken van God en zijn heil. Ze zijn op geen enkele manier gegarandeerd, dragen geen goddelijk stempel of zegel waardoor je weet: dit zit goed’ (30). Kuitert pleit voor het gebruik van de Schrift als een soort brevier: ‘De bijbel is er om te overdenken, niet om voor te schrijven wat we denken moeten’ (297). Hiermee wordt de heilige Schrift als gezaghebbende canon naar mijn mening in feite ontmanteld. Het ‘probleem van de schaduwkanten’ is hier dan ook eigenlijk geen probleem meer. De vrijblijvendheid heeft elke spanning opgelost. De orthodoxe visie op de Bijbel Voor een orthodoxe (evangelicale of gereformeerde) schriftuitleg is echter onopgeefbaar de wetenschap dat de Bijbel meer is dan mensenwoord. De grote reformatorische herontdekking van het kloppend hart van de Schrift, namelijk dat dit het Woord Gods is waarin de Here zelf spreekt, heeft niets aan actualiteit ingeboet. Stellig komen in de Bijbel ook allerlei menselijke ervaringen en inzichten aan bod, maar dan ingekaderd in en opgenomen door Gods openbaring. Het is de sprekende God die door het getuigenis van de Heilige Geest ons een diepe indruk geeft van het machtige, alomvattende heil in Jezus Christus, zodat wij van binnenuit overtuigd raken van het gezag van het Woord. Het zelfgetuigenis van de Schrift is zodanig, dat wij de gehele Schrift zoals wij die in deze vorm ontvangen hebben, zonder te willen schiften, erkennen als Gods Woord dat vraagt om een eerbiedige en oprechte luisterhouding. De wijze waarop zowel Jezus Christus zelf, als ook de evangelisten en de apostelen met het Oude Testament omgaan wijst ons hierbij de richting. 1.4 Het nieuwtestamentische getuigenis Het Nieuwe Testament over het Oude Testament Dat de Bijbel, de door mensen geschreven Schrift, wezenlijk en primair als goddelijk Woord verstaan wil zijn, ligt opgesloten in de eerbiedige wijze waarop de auteurs van het Nieuwe Testament met het Oude Testament omgaan. Woorden uit het Oude Testament worden aangehaald als woorden van God zelf (Hand. 13:35vv; Heb. 18


1:5vv) of van de Heilige Geest (Hand. 1:16; Heb. 3:7). Het was God die door de profeten sprak (Heb. 1:1); het was de Geest van Christus die in hun woorden getuigenis gaf van al wat over Christus komen zou (1 Petr. 1:11). Deze Schriften getuigen van Christus (Joh. 5:39), die gekomen is om hen tot volle ontplooiing te brengen (Matt. 5:17vv). De Schrift kan niet gebroken worden (Joh. 10:35). De redevoeringen van de apostelen staan dan ook vol met citaten uit en zinspelingen op het Oude Testament. Het Oude Testament, door Paulus aangeduid met de uitdrukking ‘de woorden Gods’ (Rom. 3:2), is het fundament en de bron van het Nieuwe Testament en wordt volkomen als Woord Gods geaccepteerd. Het Nieuwe Testament over de God van het Oude Testament Nergens blijkt dat de nieuwtestamentische auteurs enig probleem hebben gehad met de oudtestamentische openbaring aangaande God. Integendeel, voor hen is de Vader van Jezus Christus geen andere dan de God van het verbond bij de Sinaï. We vragen ons af: zagen de schrijvers van het Nieuwe Testament de schaduwkanten van de oudtestamentische Godsopenbaring dan helemaal niet? Schrokken zij niet van al dat bloed, die gewelddaden en die soms mensonterende wantoestanden in het Oude Testament? Hoe kan het, dat zij blijkbaar geen discrepantie voelden tussen hun God en Heiland, die liefde is, en de God der wrake in het Oude Testament? Hoe kunnen zij rustig vloekpsalmen als Psalm 69 citeren? Waren zij nu zo naïef, of moeten wíj kritisch gaan kijken naar onze huidige wijze van bijbellezen en de wellicht beslagen bril die we daarbij geregeld opzetten? A-historisch lezen Wat kan een beslagen of gekleurde bril het lezen bemoeilijken. Wat liggen er aan onze kant voor blokkades, nog vóór we de Bijbel opendoen? Wat voor denkbeelden en ethisch-religieuze waarden zijn wij geneigd binnen de kortste keren in te lezen in de bijbeltekst? Het is zeker niet ondenkbaar dat allerlei problemen die hedendaagse bijbellezers met het Oude Testament en in het bijzonder met de oudtestamentische Godsopenbaring hebben, samenhangen met een gebrekkige kennis en een oppervlakkig lezen van de Schrift en in het bijzonder met een foutieve visie op de relatie tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Grondprobleem is daarbij het a-historisch lezen van de Godsopenbaring van de Bijbel. Maar de Bijbel is 19


geen christelijke Koran, geen kant-en-klaar hemels boek. Als God zichzelf aan ons openbaart, doet Hij dat niet door mededeling van een reeks waarheden omtrent zichzelf in een tijdloos dogmatisch systeem. Als dat het geval was, zou de Bijbel inderdaad botsende voorstellingen hebben. De Schrift wil echter gelezen worden als een historisch boek. God is met zijn spreken en handelen in de geschiedenis ingegaan. De notie van de geschiedenis is fundamenteel voor een adequaat verstaan van de bijbelse Godsopenbaring. Twee begrippen dienen hierbij onderscheiden te worden: openbaringsgeschiedenis en heilsgeschiedenis. 1.5 Openbaringsgeschiedenis Voortgang in de openbaring God heeft zich in de loop van de geschiedenis steeds meer laten kennen. Hij heeft niet alles in één keer gezegd. Er is een voortgang in en een geschiedenis van de openbaring. Een belangrijke tekst hierbij is Hebreeën 1:1: ‘Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft hij tot ons gesproken door zijn Zoon’ (NBV). Denk ook aan de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters in Matteüs 21. In het Oude Testament zelf wordt de voortgang in de openbaring al aangegeven, zoals in Exodus 6:2: ‘Ik ben aan Abraham, Isaäk en Jakob verschenen als God de Almachtige, maar met mijn naam Here ben Ik hun niet bekend geweest’. De gereformeerde confessie verwoordt de openbaringsgeschiedenis op fraaie wijze in Heidelberger Catechismus vraag en antwoord 19 (vgl. de Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 25). We citeren twee theologen die met pakkende formuleringen de notie van de openbaringsgeschiedenis verduidelijken, met gebruikmaking van het beeld van respectievelijk het toenemende licht en een beeldhouwwerk. J. Calvijn schrijft: ‘(…) In de beginne, toen de eerste belofte der zaligheid aan Adam gegeven was, zijn er als het ware slechts kleine vonkjes zichtbaar geweest; daarna zijn die toegenomen en begon zich een grotere luister van licht te vertonen, dat vervolgens meer en meer tevoorschijn is gekomen en zijn glans al breder heeft uitgebreid, totdat eindelijk, nadat alle wolken verdreven waren, Christus, de Zon der gerechtigheid, de ganse wereld ten volle verlicht heeft’ (Institutie II, X, 20). En de oudtestamenticus Th.C. Vriezen: ‘Zoals de kunstenaar met vaste hand 20


het weerbarstige materiaal met zijn beitel bewerkt en langzamerhand het beeld van zijn voorstelling uit de ongevormde steenmassa tevoorschijn tovert, zo heeft God “het beeld Gods” in de mensheid gewerkt. In het OT treedt het, zoals in sommige beeldhouwwerken van Rodin, naar buiten als een kunstwerk, nog verbonden met de stof waaruit het werd geschapen. In het NT is de schepping voltooid en treedt het beeld, dat God van en voor de mens heeft, in de mens Gods, Jezus Christus, vrij naar voren’ (Hoofdlijnen der Theologie van het Oude Testament, Wageningen 1974, 27). Het belang van het zicht op de openbaringsgeschiedenis Waarom is het zicht op deze openbaringsgeschiedenis nu zo belangrijk voor het verstaan van de oudtestamentische prediking over de Here God? Omdat we als bijbellezer hierdoor gaan beseffen dat we niet maar lukraak allerlei teksten uit het Oude en Nieuwe Testament op één en hetzelfde niveau kunnen zetten. Wij mogen in een eerdere fase van de geschiedenis niet altijd die duidelijkheid verwachten, die wij vanuit nieuwtestamentisch zicht wél hebben. God kan zich in zijn openbaring voorlopig aansluiten bij heersende meningen en inzichten (Calvijn spreekt hier van ‘accommodatie’) – overigens niet zonder deze voorstellingen zonodig om te vormen, te ‘dopen’ – en geeft pas later meer of helderder (in)zicht. Met drie voorbeelden lichten we dit toe, ten aanzien van de vragen rondom het thema a. God en de goden; b. God en het kwade; c. God en het lijden. a. God en de goden. Wij weten uit het geheel van het bijbelse getuigenis, dat er maar één God is. Het polytheïsme is een menselijke uitvinding. Toch treft men in het Oude Testament allerlei uitspraken aan, die suggereren dat het bestaan van andere goden een realiteit is. Zo zegt Jefta tegen de koning van Ammon: ‘Zoudt gij niet in bezit nemen wat uw god Kemos u in bezit gaf?’ (Richt. 11:24) en Naomi tegen Ruth: ‘Zie, uw schoonzuster is teruggekeerd naar haar volk en haar goden; keer terug, uw schoonzuster achterna’ (Ruth 1:15). In 1 Samuël 26:19 gewaagt David van mensen die hem liever kwijt dan rijk zijn en tot hem zeggen: ‘Ga heen, dien andere goden’. Asaf zingt over God, die in de vergadering der goden staat en daar gericht houdt (Ps. 82). Pas in een latere fase van de geschiedenis komt hier meer helderheid in en gaan profeten andere goden bespotten (als 21


Wie is als Gij?