Issuu on Google+

Gaandeweg wordt het beeld voor de lezer scherper. Agnes, een mooie maar ongrijpbare vrouw, raakt steeds meer in de ban van de Boerenpartij die zich inzet voor een blanke Volksstaat. Ondertussen gaat de fotograaf met zijn camera de townships in, en is daar getuige van schokkende gewelddadigheden. Steeds sneller veranderen de verhoudingen in Zuid-Afrika, en steeds groter groeit de afstand tussen de twee geliefden. In deze stormachtige liefdesverhouding tussen twee zeer verschillende mensen wordt pijnlijk duidelijk hoe ingrijpend de gevolgen van apartheid zijn.

louis krüger agnes

Zelf nog met bloed besmeurd, moet een fotograaf het lijk van zijn vrouw identificeren. Terwijl hij in het mortuarium zit probeert hij zijn relatie met haar in kaart te brengen. In flarden komen zijn herinneringen boven – vanaf het moment dat hij Agnes voor zijn lens kreeg tijdens de oprichting van de Boerenpartij in Pretoria, tot het moment dat zij onder bizarre omstandigheden stierf.

Louis Krüger studeerde theologie en Afrikaans-Nederlands aan de universiteit van Stellenbosch. Hij heeft acht Afrikaanse romans op zijn naam staan, waarvan Wederkomst in vertaling verscheen bij uitgeverij Mozaïek.

louis krüger

‘Krüger is een van de beste romanschrijvers in het Afrikaans.’ – Hans Ester in het Algemeen Dagblad ‘Een indrukwekkend verhaal. […] Krüger kan prachtig observerend schrijven, sober en helder…’ – Nederlands Dagblad

agnes

isbn 978 90 239 9239 4 | nur 301

www.uitgeverijmozaiek.nl

Kruger.indd 1

9 789023 992394

M

mozaïek | roman

25-09-2008 09:31:12


VOOR QUELENE – met liefde en waardering


Louis Kr端ger

Agnes Roman

Uitgeverij Moza誰ek, Zoetermeer


Van Louis Krüger verscheen eerder bij uitgeverij Mozaïek: Wederkomst

ISBN 978 90 239 9239 4 NUR 301 Ontwerp omslag Geert de Koning Foto omslag Corbis © 2008 Uitgeverij Mozaïek, Zoetermeer Deze roman is een licht bewerkte heruitgave van Herinnering aan Agnes, dat in 1996 verscheen bij De Prom. Meer informatie over deze roman en andere uitgaven van Mozaïek vindt u op www.uitgeverijmozaiek.nl Alle rechten voorbehouden


‘We had yet to come to terms with Africa, and doing so was not going to be easy. I mean, how do you come to terms with something you don’t really understand?’ Rian Malan My Traitor’s Heart

‘Smash all these mirrors that I may not see the blackness of the past from which I came reflected in them.’ Okot p’Bitek Song of Ocol

‘What proud poem can we write for the vanquished?’ Okot p’Bitek Song of Ocol


1

Haar gezicht uitdrukkingsloos. Geen enkel letsel, alleen een droog korstje bloed aan haar mondhoek. Verder geen aanwijzing van wat er gebeurd is. Toch ruik ik de dood. De koude reuk van zaagsel uit een slagerij. Misschien het bloed aan mijn overhemd. Ze ligt op haar rug. Op een langwerpige tafel, een soort brancard. Een groen laken over haar heen. Of een dun zeil, het lijkt ruw. Alleen haar hoofd zichtbaar. Alles weggewassen. Gereinigd. Ze is leeggebloed, zoals wanneer ze dagenlang gevloeid had. Gisteravond was er overal bloed – op de stoep, tegen de muur, overal. Haar gezicht bleek. Een potloodtekening: kleurloze, schaduwloze vlakken en lijnen. Het haar en de wenkbrauwen donker, bijna zwart. Het is of ze jonger geworden is. De bleekheid van haar huid verscherpt de gelaatstrekken: een rechte, fijne neus, duidelijk omlijnde lippen, boogvormige wenkbrauwen, een ovale kin. De jukbeenderen duidelijk zichtbaar onder de huid. Zo zag ze eruit toen ik haar leerde kennen: jong en onschuldig. Het is of ze slaapt. Ik heb vaak foto’s van dode mensen gemaakt, maar nooit van iemand die slaapt. Slapen is voor mij een griezelige voorafschaduwing van de dood. Een slapende is een levende dode. Vaak heb ik zo naar haar gekeken terwijl ze sliep, maar ook als ze wakker was. Ze wist niet dat ik naar 7


haar keek. In al die jaren was ze in zichzelf gekeerd. Het was een poging om haar te peilen – ik wilde weten wat ze in haar dromen en gedachten ervoer. Kijken of er iets van haar innerlijk op haar gezicht af te lezen was. Altijd weer op zoek naar die onpeilbare uitdrukking van de eerste foto die ik van haar gemaakt had. Bevestiging van Avedons stelling dat de mens op een foto een grotere realiteit bezit dan in de werkelijkheid. Op die ene foto heb ik haar beter leren kennen dan in al de jaren erna. De eerste waarneming is altijd het zuiverst. Nooit meer zie je zoals de eerste keer. Iedere foto is uniek, daarin ligt de essentie. Het wezenlijke van het zichtbare is onzichtbaar. Daarom was mijn poging om Agnes te leren kennen tevergeefs. Als ik haar na de vergadering nooit weer had gezien, had ik haar op de foto en in mijn gedachten onaangetast en zuiver kunnen bewaren. Nog één keer zie ik haar gezicht opnieuw, zoals in dat ene korte moment toen ze onverwacht voor mijn lens verscheen, maar nu gefixeerd, als foto. Opnieuw word ik kind en kijk betoverd toe terwijl er uit het grijze niets een beeld verschijnt: eerst de omtrek, en bijna gelijktijdig de ogen. In het onzekere, rode licht van de doka, omspoeld door de kleurloze chemicaliën die haar gelaatstrekken moeten oproepen, nemen haar ogen vorm aan en kijkt ze me aan, met dezelfde onpeilbare uitdrukking als door de lens. Maar nu in een andere dimensie – is een foto op zichzelf niet al een afschaduwing van de dood? En nu: haar gezicht uitdrukkingsloos, onthecht van de tijd. Agnes. Zelfs haar naam brengt niet de bekendheid van vroeger terug.

8


Achter me, bij de ingang, de twee politiemannen. Ze wachten, ik denk dat ze haast hebben. Ik voel hun aanwezigheid. Links van me hun vage weerkaatsing in de glazen wand die me van Agnes scheidt. Ik weet niet of de derde man er ook is, misschien is hij weer naar buiten gegaan. Ik had verwacht dat ze me naar het politiebureau zouden meenemen voor ondervraging over gisteravond. Maar ze brachten me hier. Ze willen dat ik haar identificeer. Ik moet zeggen: Het is Agnes, zo helpe me God. Maar ze ziet er anders uit. Vreemd. Hoe kan ik zweren, als ze een vreemde voor me is? Waarom moet ik zweren dat het Agnes is en dat ik haar ken? Ze is geen deel meer van mijn leven. Ik kan evengoed tegen hen zeggen: Het is Agnes niet, ik ken deze vrouw niet. Zelfs al ga ik dicht bij haar staan, haar gezicht zal steeds vreemd zijn. Het is moeilijk om te zweren op een zaak waarover je geen duidelijkheid hebt. Daarom ben ik niet naar de politie gegaan, ik was te verward. Alles is te ingewikkeld. Toch had ik haar even goed kunnen identificeren zonder dat ik haar zie. Als ze in de afgelopen maanden op een dag bij mijn flat waren gekomen en me hadden gevraagd om mee te gaan voor een identificatie, had ik onmiddellijk gezegd: Het is Agnes, ik weet het. Zo helpe mij God. Ik vertrouw hen niet. Ik denk dat ze een verbintenis hebben met Boshoff en de anderen – de Partij heeft vele contacten bij de politie. Ze zien me als verdachte, niet als slachtoffer. Toch was hun komst in zekere zin mijn redding. Anders zat ik nog steeds bij de tafel. Tegen deze tijd volslagen gek. Ik kon niet meer denken, alles duizelde in mijn hoofd. Maar toen ze kwamen, was het me op9


eens weer duidelijk. Ik weet nu hoe het gegaan is. Ik kwam terug uit Kaapstad, ik ging alleen maar kijken of Agnes bij Boshoff en de anderen was. Alleen een laatste keer kijken. Ik had geen andere plannen, ik zweer het hun. Ik wilde alleen weten of ze er was, daarna zou het finaal afgelopen zijn. Maar ze hebben me betrapt. In het licht. Ik heb tegen hen gepraat, toen liep ik weg. Ik denk dat Agnes een eind met me mee is gelopen. Ik hoorde de schoten, ik zag het bloed tegen de muur en op de stoep. En vanmorgen kwamen ze me ophalen. Het werkt tegen me dat ik niet zelf naar de politie ben gegaan. Maar zelfs al verdenken ze me, het maakt me niets uit. Ik zal met hen meewerken. Ze moeten me alleen de tijd geven om na te denken, ik zal hun alles uitleggen. Of misschien willen ze alleen dat ik haar identificeer, verder niets. De donkere politieman heeft een melancholische uitdrukking, heb ik gezien. Alsof hij nadenkt over iets wat hem dwarszit maar dat hij niet kan veranderen. De blonde is ontspannen, maar doelgericht; hij heeft de leiding. Hij was het die me vroeg mee te komen. En hij reed. Ik zal hun alles vertellen, ik heb niets te verbergen. Maar ik wil bij het begin beginnen: bij de eerste keer dat ik Agnes zag. Door de lens van mijn fototoestel, die keer op de oprichtingsvergadering van de Partij. Vijf jaar geleden. Bij het Voortrekkersmonument. Zo is het begonnen. Ik had geen zin in de opdracht. Het scheelde weinig of ik had haar niet aanvaard. Toch deed ik het, omdat het niet zoveel voorstelde – op zijn hoogst een uur of twee had ik nodig om de Fransen een visuele indruk te geven van de stichting van de Boerennatiepartij. 10


Die zaterdagmorgen zat ik al vroeg op de weg. De vorige dag drie boerderijen aan de noordelijke grens bezocht voor een serie die ik voor Sipa maakte over de boeren langs de Limpopo. Ik wilde niet terug naar Pretoria. Ik had meer dan een week lang in het veld gewerkt; het leven in de wildernis had me aangegrepen – een rustige, eenvoudige vorm van bestaan die ik in jaren niet meer had meegemaakt. Ik had geen zin om terug te gaan, toch genoot ik van de rit door het binnenland. De vorige nacht waren er zware onweersbuien; witte mistdampen hingen over de asfaltweg. Voorbij Bandelierkop, kort nadat ik de Steenbokskeerkring had overgestoken, brak de zon door de donkerpaarse wolken heen. Ik rook de grond en het natte gras; het veld was groen, de maïs stond schouderhoog en de grazende runderen langs de weg waren vet. Het geliefde land waar de strijd woedt, dacht ik telkens bij mezelf, maar opeens kon het me weinig schelen. Ik maakte er geen deel meer van uit, zo voelde ik het; ik was losgeraakt van dat alles, ik was deel geworden van de immense ruimte om me heen, verbonden met de rijke aarde en de zwangere wolken, met de koesterende zon en de bedwelmende geuren van boom en gras en grond. Rond tien uur arriveerde ik in Pretoria. Bij het Voortrekkersmonument was ik net op tijd om de laatste etappe van de optocht van ossenwagens, begeleid door een commando Stormjaers, mee te maken. Het eerste gedeelte van de vergadering vond onder de bomen plaats, niet ver van het Monument. De zon stond al hoog. Er waaide een lichte, verfrissende bries, en in de schaduw was het zelfs koel. We werden om11


ringd door ossenwagens, en leden van het Stormjaerscommando liepen met geweren en walkietalkies rond om voor onze veiligheid te zorgen. Een jonge, bebaarde dominee in een zwart pak ging voor in schriftlezing en gebed, daarna werd het Transvaalse volkslied gezongen, gevolgd door toespraken van een aantal stichtingsleden. Allemaal rituelen om het hoogtepunt van de dag voor te bereiden: het afleggen van een gelofte aan God dat ze een tweede stenen kerk voor Hem zullen bouwen en de Geloftedag trouw zullen handhaven als Hij hun de Boerenstaat schenken zal. Tegen de middag werd de vergadering verdaagd voor een pauze. In een grote legertent met opgerolde zijflappen werden koffie, pannenkoeken en taart verkocht. Ik had al genoeg beeldmateriaal, toch bleef ik tussen de mensen rondslenteren, luisterde naar de gesprekken, bestudeerde de gezichten. Voortdurend maakte ik foto’s. Telkens een nieuw rolletje in mijn fototoestel. Ik ben verslaafd aan gezichten. Al zolang ik me kan herinneren dwaalde ik op straat, in winkels en bij massabijeenkomsten rond en keek naar gezichten, met een gevoel alsof ik op zoek was naar iets of iemand. Maar die dag had ik moeite de goede beelden te vinden. De mensen waren zich bewust van het zwarte oog. Telkens als ik mijn fototoestel richtte, keken ze in mijn richting; de vrouwen streken zelfbewust door hun haar en de mannen paradeerden in hun uniformen, verschoven een bandelier of lieten de hand rusten op de kolf van een revolver die onder een dik middel uitstak. Ik deed een 300mm-lens op het fototoestel en stelde de diafragmaopening in op vier – voor gezichten wil ik een haarscherp beeld met een minimum aan 12


diepte, de achtergrond wazig. On and under the skin noemde Van Morris dat vroeger. In mijn eerste jaren bij de krant mocht ik vaak met hem samenwerken; het grootste en belangrijkste gedeelte van het vak heb ik van hem geleerd. Voor Morris telden zweetporiën als de voornaamste toegangswegen tot de menselijke ziel. Ik keek door de lensopening en testte de sluitertijd. De laatste wolken waren verdwenen en de zon was verblindend scherp. In dat felle licht een sluitertijd van duizend. Toen opeens stond ze voor de lens – een jonge vrouw met donker, roodbruin haar. Ik schrok. De ogen waren intiem dichtbij, recht op me gericht. Maar ze keek me niet echt aan. Het was of ze door me heen keek, naar een punt in het duister achter de sluiter, een grenzeloze ruimte in, naar iets dat haar boeide en haar tegelijk met angst of woede vervulde. Zonder het te beseffen drukte ik op het knopje – ik hoorde de sluiter. Langzaam liet ik het fototoestel zakken. Ze stond ongeveer acht meter van me af, met haar armen geleund op een paal op schouderhoogte. Ze had niet in de gaten dat ik de foto maakte. Het gedrang was te groot; mensen liepen ons voorbij. Toeval: precies in de seconde of twee waarin mijn fototoestel op haar gericht was, was de ruimte tussen ons open. Het was later op de foto te zien: rechts in beeld is er een wazige vlek, waarschijnlijk een arm of schouder van iemand die zich een moment daarna tussen ons in zou bewegen. Ook de compositie is boeiend: ze is zelf perfect in beeld, met op de achtergrond drie vage figuren: twee mannen en een vrouw, archetypen. 13


Soms denk ik: we hebben elkaar in de kleine, zwarte ruimte binnen in mijn fototoestel ontmoet. Ik had haar niet eerder gezien die dag, ik weet het zeker. Het beeld ontbreekt in mijn gedachten. Als ik haar eerder op de dag terloops had opgemerkt, had ik haar waarschijnlijk voor een tiener aangezien. Maar door de lens was haar gezicht duidelijk gedefinieerd, er was een zekere rijpheid in haar uiterlijk. Wat me het meeste opviel, waren haar egale wenkbrauwen, haar helderblauwe, doordringende ogen en de nadrukkelijke lijn van haar lippen. Haar ogen boeiden me, meer dan iets anders. Van het begin af aan. Vooral de blik waarmee ze in mijn richting keek. De enige soortgelijke uitdrukking die ik ooit had gezien, was bij een wat oudere vrouw die seconden later van de elfde verdieping van een flatgebouw was gesprongen. Ze keek agressief naar ons, een groepje hongerige fotografen, toen de diepte in. Een paar fototoestellen flitsten. Met een ruk van haar hoofd keek ze opnieuw op: in haar ogen was nog de uitdrukking waarmee ze haar dood voor ogen had: zwart en verwilderd. Er zijn keren dat ik op de foto onzekerheid in Agnes’ ogen lees, een moment van weifeling voor ze een besluit neemt. Het is alsof ze vragend kijkt. Dan weer merk ik de onrust. Maar ook woede en onbegrip. De woede is het duidelijkst van haar mond af te lezen. Of is het een interpretatie van later? En in contrast hiermee, het gehele beeld: haar jeugd, het haar dat aan de zijkant met spelden vastzit en achter loshangt, een haarlok op haar voorhoofd, zonder duidelijke stijl, in een nonchalante natuurlijkheid. 14


Voor de sentimentele kijker is ze het beeld van onschuld. Soms kijk ik sentimenteel. De uitdrukking die ik op die eerste foto heb vastgelegd, kan ik op honderd manieren beschrijven, maar telkens kom ik weer op één woord uit: onpeilbaar. Ook de waarheid kan een cliché zijn.

15


Agnes