Page 1

Een onthutsende roman die in sobere maar doeltreffende taal het dramatische leven van een negentiende-eeuwse griendwerker invoelbaar maakt.

Cees Pols (1953) schreef eerder Bewaarder gevangen en Witter dan sneeuw. In 2010 schreef hij het actieboek voor de Week van het Christelijke Boek, De tijd dat je zweeft.

Cees Pols En het werd stil

Aan het rauwe leven in de Biesbosch rond 1900 ontkomt ook Janus niet. Er valt niets te kiezen: griendwerker zal hij worden. De hele week van huis, slapen in de schrankkeet op de plaat, kloven in zijn handen, zo zal zijn leven eruitzien. Zijn griendwerkerskist is het enige wat hij echt voor zichzelf heeft. De Biesbosch wordt zijn thuis, de stilte zijn muziek. Aanvankelijk is Janus vol goede moed. Hij wil een goede griendwerker zijn. Hij zal laten zien dat ze op hem kunnen vertrouwen. Maar al gauw begint de wereld om hem heen te wankelen. Zonder dat hij er iets aan kan veranderen komt Janus langzaam maar zeker in een isolement terecht.

‘Fraai geschreven roman vol dramatische momenten.’ Nederlandse Bibliotheekdienst

Midprice € 10,-

foto Jannie Mul

‘Fraai geschreven roman vol dramatische momenten.’ –Nederlandse Bibliotheekdienst

Cees Pols En het werd stil mozaïek | roman

ISBN 978 239 9344 5 | NUR 301

uitgeverijmozaiek.nl 9 789023 993445

M


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

Voor Jannie

12:13

Pagina 2


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 3

En het werd stil Cees Pols

Tweede druk

UITGEVERIJ MOZAÏEK – ZOETERMEER


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 4

Tweede druk 2010 Omslagontwerp Geert de Koning Omslagillustratie Akseli Gallen-Kallela: Jongen met kraai (1884), Ateneum Art Museum, Helsinki, Finland Layout binnenwerk Gerard de Groot ISBN NUR

978 90 239 9344 5 301

© 2007 Uitgeverij Mozaïek, Zoetermeer Meer informatie over deze roman en andere uitgaven van Mozaïek vindt u op www.uitgeverijmozaiek.nl Alle rechten voorbehouden


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Denkend aan Holland Denkend aan Holland zie ik brede rivieren traag door oneindig laagland gaan, (…) de lucht hangt er laag en de zon wordt er langzaam in grijze veelkleurige dampen gesmoord, en in alle gewesten wordt de stem van het water met zijn eeuwige rampen gevreesd en gehoord. ‘Herinnering aan Holland’ H. Marsman (1899-1940)

Pagina 5


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 6

Uit de negenenzestigste psalm Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij. Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God. David Koning en dichter van IsraĂŤl


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 7

I

Oneindig laagland


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 8


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 9

1

Zaterdag 13 oktober 1917, in het kooihuis Met een wilgenteen houd ik een van de ratten op afstand. Piepend buitelt het dier terug op de vloer van het kooihuis*. Hakker maakt het karwei af; de kooihond gromt boven het geluid van de wind uit. Straks zal er weer een rat komen. Ook ratten willen overleven in plaats van verzuipen. Zeker nu de ratten klem zitten en door het noodweer maar één kant op kunnen, willen ze weg van het water, weg van de dood. Hakker – hij mag vannacht binnen blijven – blaft en bijt in de wegschietende rattenmassa; de kooihond is ermee opgegroeid. Het prentje van moeders bijbelprentenboek komt me zomaar voor de geest. Ik doe m’n oog even dicht en zie hoe het krioelt van de mensen op de takken van een boom. Ik zie wanhopige mensen die ratten en slangen van zich af slaan. Allemaal willen ze overleven. Zal het hier buiten net zo erg zijn als in de tijd van Noach? Nee, dat zal nooit meer gebeuren, zou moe zeggen. Ik weet het nog zo net niet. Tijdens de Sint-Elisabethsvloed in 1421 zijn er tientallen dorpen verdronken. Tot op de dag van vandaag weet niemand hoeveel precies. Twintig of zeventig? Was het een onachtzame sluiswachter of kwam het door het darkindelven waarbij er te kort onder de dijken werd gegraven? Zelf denk ik dat het de delvers waren die de ramp hebben veroorzaakt. Niet de delvers *

Achter in het boek is een woordenlijst opgenomen.

9


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 10

zelf natuurlijk, misschien wel mijn voorouders, hun bazen. Net als onze bazen nu, wilden zij zich verrijken, omdat ze zich niks van de dijkgraaf aantrokken. En het werkvolk dat voor een appel en een ei moest modderen, verdronk bij bosjes, samen met de ratten. Een gapend gat met brak water bleef over. Gek genoeg, toen kort daarna ook de dijken bij Werkendam braken, zorgde het water van de Merwede ervoor dat er iets rijks ontstond. Eerst een grote waterplas met heel veel vis en daaruit ontstond de Biesbosch. Pa tekende dat wel eens uit als we bij laag tij op de plaat stonden, vlak voor we naar de wal voeren. Hij zei dat dat allemaal te lezen was in de Tielse Kronieken. Hij had het van horen zeggen, want zelf hadden we de kronieken niet. Duizenden steuren, zalmen en elften werden er in die tijd per dag gevangen. Nu, vijfhonderd jaar later, nog maar zo’n vierhonderd steuren per jaar. Vandaag lijkt het erop dat de Biesbosch volledig onderloopt en de storm een spoor van dood en verderf achter zich zal laten. Ik kan nu niet meer weg. Het tij dat me normaal gesproken naar de overkant brengt, zou me meetrekken naar de bodem. Ik zit vast. Al zou ik nog zo graag weg willen van deze plek, het kan niet. Ik zit vast in dit kooihuis op een plaat in de Biesbosch en daar bof ik nog bij in vergelijking met mijn maats die aan de andere kant van de plaat proberen te overleven. Buiten gaat het steeds harder tekeer, terwijl de nacht valt en de vloed misschien wel een springvloed is. Omdat het steeds harder ging stormen, kon ik gisteren al niet meer het water op naar de veilige wal. Zelfs te voet kon ik 10


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 11

de plaat niet oversteken om naar mijn maats te gaan. Opgesloten in hun schrankkeet – als die er nog staat – proberen zij hun hachje te redden. Het zou me niet verbazen als ze, verdreven door het water, in een wilg zijn geklommen. Doorweekt en koud zullen ze zijn, hun spieren verkrampen met het uur. De grienduilen moeten in de buitenlucht zien te overleven. Ik heb tenminste nog een dak boven mijn hoofd. De deur beweegt en het scharnier knerpt. Het water komt hoger en hoger, zwiept met kracht uit de lucht tegen de deur. Ik moet maatregelen nemen en grond tegen de onderkant van de deur schoffelen! Een domme, nutteloze gedachte natuurlijk: als het water komt, stroomt het gewoon naar binnen. Er is nu meer aan de hand dan een zware storm. Dit heb ik nog nooit meegemaakt. Ik moet met het ergste rekening houden, want ik ben gekomen in de diepten der wateren en de vloed overstroomt mij. De woorden die pa voorlas, klinken als vanzelfsprekend in mijn hoofd. Ik kon me er toen ik klein was niet veel bij voorstellen, maar als ik nu om me heen kijk en hoor wat er buiten gebeurt, is het me wel duidelijk. Ik zal hier nog verdrinken en mijn leven zal straks precies zijn zoals die tekst zegt. Hoe jong ik ook nog ben, ik zal misschien omkomen hier. Nooit zal ik m’n vrouw en kinderen meer zien. Ik zal verdwijnen onder de slik dat zich door m’n keel naar binnen zal persen. Nooit zal ik worden gevonden. Alles wat hier in de Biesbosch bij een storm verdwijnt, verandert op den duur in een nieuwe plaat. Misschien wordt mijn graf straks wel de Janusplaat genoemd. Ik wil niet dood! Ik moet nú maatregelen nemen! Ik voel iets onder de pijp van mijn boks en maak een 11


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 12

trappende beweging, zodat de rat loslaat. Vreet andermans vlees, niet het mijne. Het dak kraakt en duizend stemmen fluisteren hard in mijn oren, daarachter weer duizenden andere. IJl is het geschreeuw dat ik hoor in de verte. Ik kan niet horen of het een mens is – een kind misschien – een dier of gewoon de wind. Een ogenblik is het stil, maar het is slechts de opmaat voor nieuwe windvlagen, weet ik. Opnieuw is er een geluid dat ik niet kan thuisbrengen. Ineens weet ik het: de boutkelder loopt vol! Net op tijd kan ik een paar eendenbouten pakken. Mijn gezicht schrijnt en het gat waar mijn oog zat ook. Ik voel de pijnlijke holte en wrijf voorzichtig in de weke massa van mijn oogkas. Misschien moet ik er wat zalf op smeren om te verzachten en m’n ooglap er overheen doen. Maar ik heb hier geen zalf. Een bliksemschicht en donderslag! Zou God juist nu in mijn eendenkooi zijn, en bezoekt Hij me nu zijn stem spreekt in het luchtruim? Het zou zomaar kunnen. Of komt Hij alleen in het suizen van de zachte stiltes? Hakker jankt. ‘Kom Hakker, braaf.’ Het stomme beest kan er ook niks aan doen dat God mij bezoekt. Straks zal de hond me toespreken, me gaan verwijten dat ik het anders had moeten doen, dat ik mijn boekje ver te buiten ben gegaan en er geen weg meer terug is. Nee, dat kan niet. Niemand weet het. Ook dat beest niet en daar komt bij dat beesten niet kunnen praten.

12


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 13

2

Voorjaar 1895 Bijna ben ik nu een man, maar als Wil me voor het slapen gaan welterusten komt zeggen, vind ik dat stiekem nog steeds heerlijk. Als ik straks in de grienden werk, zal dat voorbij zijn, maar zolang ik thuis ben, geniet ik ervan. ‘Welterusten, tot morgen,’ zegt ze. ‘Welterusten,Wil; tot morgen.’ Nu het bijna zover is, denk ik vaak aan de tijd dat ik klein was en opgroeide in dit gezin. Mijn gedachten gaan terug naar de tijd dat ik een jaar of vijf was. Mijn oudste zus Wil, de anderen, de maandagochtenden als pa met Toon naar de grienden trok en als hij terugkwam op vrijdag of zaterdag. En de tijd op school natuurlijk en wat ik onderweg meemaakte met een paar jongens uit het dorp. Een jaar of vijf ben ik als mijn doezelende gedachten teruggaan. Mijn oudste zus werkt vijf dagen per week bij een landbouwer die ook een café heeft. Het is op de plek waar ook de visafslag is. Slim van die boer, op de visafslag is altijd volk en soms moet Wil op de boerderij en soms in het café werken. Op maandag werkt ze bij een kooiker, op dezelfde plaat als waarop pa werkt, maar dan helemaal aan de andere kant. Hij woont daar met zijn moeder. Wil noemt haar tante Jaantje, de oude vrouw is zo goed als blind. Daarom ook moest haar zoon Driekes een meid hebben voor een dag per week. Wil verdiende daar niet veel, want die mensen hebben niet veel, maar alles wat binnenkomt is meegenomen, zei pa. Jaantje 13


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 14

heeft geen man. Haar zoon onderhoudt haar. Tenminste, als hij wat boutjes vangt op zijn kooi. Die kooi en de plaat zijn van dezelfde eigenaar. Wil heeft hem wel eens gezien toen hij de kooi bezocht, en weet dat het dezelfde man is die regelmatig in de grienden komt kijken. Hij komt dan in een bazenbootje, meert aan en loopt het erf op. Zijn schoenen glimmen onder zijn lichte pak met een vestje en een buikhorloge. Onder zijn hoed rookt altijd een sigaar. Als hij met Driekes praat gaat het alleen over briefjes en geld. Nooit vraagt hij naar Jaantje, zegt Wil. Eigenlijk hebben tante Jaantje en Driekes helemaal niks van zichzelf, het is allemaal van die heer, zoals we de eigenaar noemen. Jaantje heeft zulke ouwe kleren aan dat de gaten erin vallen. Er is gewoon geen geld om iets te kopen, zegt ze tegen Wil.Twee slechte winters met weinig eenden op de kooi en haar spaarcentjes waren op, weet Wil. Dan is ze blij als er wat aardappels en groente op haar tuintje groeien. Dat geldt ook voor ons, een eigen stukje grond kan je de winter doorhelpen. Zonder zou het niet gaan. Ik heb Wil ook wel eens horen zeggen dat Jaantje stinkt. Ze wast zich bijna nooit. Ze kan het gewoon niet meer. Driekes mag haar niet helpen en Wil probeert wel eens wat maar komt niet verder dan haar gezicht, nek, schouders, armen en voeten. Nu ze helemaal blind is, is er helemaal geen houden meer aan; ze vervuilt. Kooikers zijn een heel ander slag volk dan griendwerkers, zegt pa. ‘Kom nooit in de buurt van de kooi, als de eenden van je schrikken en wegvliegen, grijpt de kooiker ernaast. Dat kan hem zomaar honderden guldens verlies opleveren; een boutje kost ongeveer een gulden.’ Eerst 14


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 15

weet ik niet wat een kooiker voor iemand is. In mijn fantasie zie ik een man in een kooi, die altijd op de plaat is. Een soort vogelverschrikker. Driekes de kooiker moet niks hebben van volk op zijn kooi. Als hij je betrapt, ben je slecht af. Pa kent hem omdat Driekes soms helpt in de grienden, als hij tijd heeft en krap in zijn geld zit na een slecht vangseizoen. Wil weet precies waar ze moet aanmeren en hoe ze over het looppad naar het kooihuis moet. Dat is het enige pad waar Wil op mocht lopen. Meer niet, heeft Driekes haar gezegd. Wil heeft het me toen ze daar ging werken verteld. Ik was nog een kind toen ze me voor het eerst uitlegde hoe een kooi werkt. ‘Het is een soort fuik die over het water is gespannen en voor de helft boven het water uitsteekt,’ vertelde ze me. ‘De eenden zwemmen er vanzelf in. En dat komt weer omdat de tamme eenden van de kooiker de wilde meelokken, zo van de plas, zo de fuik in.’ Aanvankelijk kan ik niet begrijpen dat de eenden er uit zichzelf in zwemmen, de dood tegemoet. Dat vatte ik niet, totdat ik begreep dat de tamme eenden van de kooiker eigenlijk alles bij elkaar liegen en zo hun wilde broertjes en zusjes de fuik in lokken. Als ze doorhebben dat ze bedrogen zijn, kunnen ze niet meer terug. Ik moet leren tellen. Dat doe ik met m’n vingers; Wil leert het me. Als ik één hand vingers ben, zijn moe en pa wel negen handen en drie vingers. Wil is vier handen en twee vingers. Zij zorgt voor me als ze ’s avonds terugkomt van haar werk. Jan is één vinger minder dan Wil, Sjaantje drie, Lies zes en Toon is wel negen vingers minder. Allemaal zijn ze meer dan ik. Pa is een echte griendwerker. Elke klap met zijn rijs15


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 16

haak haalt een tak van de wilg, elke klap is raak. Op een keer slaat hij mij. Ik ben alleen de dijk af gegaan en blijf lang weg. Moe is bang dat ik ben verdronken. Als pa me vindt laat hij me weten dat ik te ver ben gegaan. Ik jank niet. Als pa buiten is krijg ik van moe een natte kouwe lap. Ze zegt niks. Bij de gedachte aan die klap doe ik m’n ogen open. Pa, moe, Wil en Toon staan maandags vroeg op. Ik ben erbij, altijd op maandag ben ik erbij. Dat is de dag dat ze de Biesbosch ingaan, pa en Toon naar de plaat en Wil naar de kooi. Vrijdagsavonds of zaterdag komen pa en Toon pas terug. Die maandagen zijn voor een griendwerkersgezin aparte momenten. Voor dag en dauw gaan pa en Toon al opbulten. Hun hele hebben en houwen, op het brood na, staat klaar. Toon gaat eerst naar de bakker en haalt voor elk tien pond vers tarwebrood. De man mag eigenlijk geen warm brood verkopen om vier uur, maar onze veldwachter ziet wel eens wat door de vingers, of hij ligt op dat vroege tijdstip nog op één oor. Als je dat verse brood ruikt en je weet dat er in elke kist een stuk rookspek van een pond ligt, dan wil je zo mee naar de grienden! Wel vijf kop aardappelen, drie ons kaas de man zit er in die kist. Dat is nog niet alles, want ze nemen ook rode kool mee, flink wat uien, een potje stroop, en suiker voor de koffie natuurlijk, of voor op het brood. Ik weet precies wat er in de griendwerkerskist hoort op maandagmorgen, ik kan het wel dromen. Ik kijk altijd of alles erin zit, want dat is belangrijk. Stel je voor dat pa z’n tabak vergeet, of het flesje azijn! En zijn kenezalf moet er echt bij zijn, want anders worden zijn kloven steeds dieper. Misschien wel zo diep dat zijn vinger of duim eraf zal vallen. 16


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 17

De nieuwe kist voor Toon kost wel vier guldens en vijfentwintig centen, bijna net zoveel als pa in een week verdient.Toon moet er hard voor werken om hem te kunnen betalen. Het is wel een hele mooie, vind ik. Aan de zijkant zit een apart vakje om een verschoning in mee te nemen. Dat is belangrijk voor als je uitglijdt bij het modderen of het ka-lappen. Of als je laarzen overlopen. Pa heeft in zijn zijvakje altijd een paar rolletjes verband.Voor als het mis zou gaan. Maar pa hakt nooit mis. Ook heeft pa een boekje en een potlood in het zijvak, en zwavelstokken natuurlijk. De lepels en de messen zitten aan de binnenkant van het deksel. Ik moet altijd tellen of ze er allemaal zijn. Want op zaterdag heeft ma de borden, die altijd rammelen als je de kist neerzet, en de lepels een goeie beurt gegeven. Zo schoon, tot het blinkt. Toon heeft ontdekt dat de Zuidwalmannen altijd meer spek bij zich hebben dan de Noordwalmannen. Pa is een Noordwalman, maar in de ploeg is ook een Zuidwalman, die gek genoeg wel op de Noordwal woont. Aike heet hij. Soms heeft hij, zoals de echte Zuidwalmannen, wel eens jenever of bier bij zich. Dat kunnen ze wel betalen want ze koken veel minder dan een Noordwaller. Eigenlijk zitten de Zuidwallers er altijd een beetje armoeiig bij, zegt ma, maar ze zijn meestal wel vrolijker dan wij. De Zuidwallers moeten vaak een beetje lachen om ons. ‘Wit oe wat et is?’ zeggen ze dan. ‘Jullie leven om te werken en wij werken om te leven. En dan maken ze het kruikje open, dat spreekt voor zich. De griendwerkerskist staat nog open en als ik er mijn neus boven houd, loopt het water me in de mond. Voor pa vertrekt, krijg ik een stukje spek. Hij pakt z’n 17


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 18

mes en snijdt er een reepje af. Maar eerst gaat hij lezen. Als ik stil heb gezeten krijg ik een reepje spek, dus ga ik recht op mijn stoel zitten. Doodstil. Als de rieten zitting van de stoel toch nog kraakt, komt dat omdat een stoelpoot niet helemaal gelijk is aan de andere drie. Pa slaat de Bijbel open en zoekt een ‘toepasselijk stuksie’, zoals hij dat altijd noemt. Bijna altijd gaat het over water en modder. Als ik helemaal recht op m’n stoel zit, gaat pa beginnen. ‘Ruk mij uit het slijk,’ leest pa, ‘en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters en uit de diepten der wateren. Laat de watervloed mij niet overstromen en laat de diepte mij niet verslinden; en laat den put zijn mond over mij niet toesluiten.’ Pa wacht even, snuit zijn neus en gaat weer verder. Ik moet steeds slikken en wachten op het spek. Als hij klaar is met lezen zegt hij: ‘Ja jongen, die psalm is precies geschreven voor ons, griendwerkers, denk je ook niet? Niet vergeten.’ Zou pa, vraag ik me tijdens het lezen af, bang zijn dat hij verdrinkt in de slik? Of dat de hoge heren van de grienden hem zullen verslinden? Zoiets zegt hij soms: ‘Ze geven ons zo weinig dat we net niet worden verslonden.’ Als dat zou gebeuren, zou ik ook nooit meer een reepje spek krijgen... Na het lezen doet pa zijn pet af, slaat hem voor zijn ogen en dankt. Ik heb m’n ene been al aan de zijkant van de stoel, die net onder het bidden zo nodig weer moet kraken. Als pa amen zegt blijf ik nog even zitten. Dat staat netter. Als hij opstaat, ben ik hem net voor en open het deksel. Eerst leg ik de boel in pa’s kist nog een beetje recht en 18


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 19

dan wacht ik tot hij zegt: ‘Janussie, snotjong nog es aan toe, heb jij stiekem van mijn spek gegeten?’ ‘Nee pa, kijk maar.’ Ik pak het spek uit de kist en zeg: ‘Is dat niet veel te veel voor u?’ Pa pakt zijn mes en zegt: ‘Als jij niet doorgroeit zal je altijd zo’n snotjong blijven. Hier, eten maar; ik eet wel wilgenteen.’ Een hele reep spek geeft hij me. Die klem ik tussen mijn tanden, neem de grote homp uit zijn handen en leg die terug in de kist. Ondertussen loopt het water uit m’n mond, zomaar in pa’s kist. Dat komt omdat ik mijn mond niet goed dicht kan doen met die vette reep tussen mijn tanden. Pa bergt zijn mes op, geeft moe een zoen en zegt: ‘Dag meissie, tot vrijdagavond. Denk om het grut.’ De laarzen hangen al om z’n nek als hij zijn grote eeltige hand op m’n hoofd legt. Altijd zitten er kloven in pa’s vingers. Dat komt van het harde werken. Toon zegt op een keer dat het voor hem in het begin janken was geblazen. Bloed aan de steel, tranen op je pilo en de kenezalf in de keet. Ik weet niet hoe dat voelt, kenezalf, want ik heb nog nooit kloven gehad. Toon legt uit dat je dat op je handen smeert om de kloven te laten genezen. Hoe het komt dat er toch altijd kloven zijn die niet genezen, begrijp ik niet. ‘Daar kom je wel achter,’ zegt Toon, ‘als je er zelf gaat werken. Als er een geneest, komt er weer een andere voor terug en soms wel twee.’ ‘Dag Janussie, tot vrijdag.’ Wil zoent me altijd voor ze opstapt. Als ze zijn vertrokken, ga ik nog even in mijn holletje. 19


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 20

In m’n zakdoek zit de reep spek, waar ik op ga kauwen. Ik wil ook kloven en eelt. En ik zal niet janken. Tenminste, niet waar de anderen bij staan. Soms bijt ik op m’n lip om een beetje te voelen hoe dat is, een kloof. Jan en Sjaantje vertrekken altijd rond zes uur. Sjaantje staat in de bakkerswinkel en verkoopt de lekkerste beschuitbollen. Soms krijgt ze er een paar mee. Voor niks. Dat komt omdat ze wel eens een bosje dun takhout meekrijgt van pa, om de oven op te stoken. Ook voor niks, want de bakker is goed voor ons. Soms brengt pa zoveel takhout voor hem dat hij, als hij tegen een baas zou oplopen, meteen kon thuisblijven, zei iemand eens tegen me. Maar die baas was er nooit en pa ging zijn gang. Op een keer heb ik een bol van Sjaantje gekregen. Ik heb ook nog een reepje spek. Dat is pas echt smullen! Wil moet erom lachen, omdat ik in een hoekje zit te smikkelen. Soms gebeurt het dat ik ’s avonds, als Wil me naar de bedstee brengt, nog een klein stukje uitgekauwd spek achter m’n kiezen heb, waar ’s nachts de bedstee vlekkerig van wordt. Dat vindt ze niet goed, dus moet ik slim zijn, of proberen niet te kwijlen. Jan werkt bij de smid. Ik ga er soms kijken, eerst samen met moe en later met Lies. In het begin kan Jan er niks van. Volgens pa maakt hij vierkante hoefijzers, waar een paard met geen been op kan staan. Als Jan z’n eerste rijshaak heeft gemaakt, een leerwerkstuk, wil pa het stuk gereedschap wel eens proberen. Na veel vijven en zessen wordt het ding door hem goedgekeurd. Jan is trots als pa zegt dat hij het ding echt gaat gebruiken. Vanaf dat moment vindt Jan zichzelf een meester. Lies werkt niet, ook al is ze al drie handen en drie vin20


opmk.'Enhetwerdstil'

08-01-2010

12:13

Pagina 21

gers. Ze brengt me naar school omdat ik nog te klein ben om alleen te gaan. Lies is niet zo vlug, ze heeft wat tijd nodig voor de dingen. Dat komt omdat haar ogen iets te ver uit elkaar staan. Ze is een beetje sloom, maar als ze moeder helpt, merk je er niks van. Als ze boodschappen doet in het dorp mag ik mee. Als eerste gaan we langs Sjaantje. Ook als we niks van de bakker moeten hebben, lopen we even binnen. Niet te lang, dat vindt de bakker niks. Ik mag van Lies de winkeldeur altijd opendoen en dus het belletje laten klingelen. Meestal zie ik Sjaantje al staan. Ze doet of ik een echte klant ben. Het ruikt in de winkel naar vers knapperig brood, net als bij ons in huis op maandagmorgen. Als we iets besteld hebben, haalt Sjaantje zelf het geld uit Lies’ beurs en geeft ze ons soms een zakje koekkruimels mee. Daarna gaan we meestal door naar Jan, wiens hamerslagen je al hoort voor je bij de smederij bent. M’n hart gaat ook een beetje mee bonken, zo spannend vind ik het. Als hij op zo’n gloeiend stuk ijzer slaat, vliegen de vonken eraf en moet ik uitkijken voor mijn ogen en kleren. Toch wil ik kijken. Jan glimt helemaal van het zweet en als hij het vuur opstookt, worden de vlammen hoger, wordt het ijzer nog heter. Het mooist vind ik het als hij met de mouw van zijn kiel het zweet van zijn gezicht veegt en er een grote zwarte streep schuin over zijn neus komt. Meestal ziet hij ons al aankomen, lacht en veegt het zweet van zijn gezicht. ‘Wat ben je aan het maken, Jan?’ vraag ik. Lies blijft liever in de deuropening staan. Ze is bang van de vonkenregen als Jan aan het smeden is. ‘Dit is een botje,’ zegt Jan. ‘Straks moet ik er nog een steel aan maken en dan is 21

En het werd stil  

Een fragment

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you