Page 1

Inhoud

Inleiding9 Jan Hendrik van den Berg – verteller Jacques De Visscher Memoires19 Jan Hendrik van den berg Vier uiteenzettingen Jan Hendrik van den berg

179

Mentaliteitsverandering en dodenbezorging (1986)

181

Oorsprong en verval van het medische model in de psychiatrie 197 Een fenomenologische uitleg (1987) Enscenering van de dood Een metabletische beschouwing (1996)

222

Architectuur, millennium en centennium Een metabletische beschouwing (1999)

235

Nawoord251 Hub Zwart

7


Jan Hendrik van den Berg – verteller Jacques De Visscher

‘Het liefste werk dat ik in mijn lange leven deed was: schrijven. Zo verscheen boek na boek.’ Dat lezen we op het einde van Jan Hendrik van den Bergs Memoires, die hier hun postume publicatie krijgen. Meer dan eens vertelde de psychiater en auteur van talrijke metabletische studies (zie het nawoord van Hub Zwart) aan wie het horen wilde dat hij in zijn leven, inderdaad, haast niets liever deed dan lezen, studeren en schrijven in een afgezonderd studeervertrek. ‘Dat is halfweg de hemel,’ vertrouwde hij me ooit toe. Hij heeft dat inderdaad, tot zijn grote dankbaarheid, met succes kunnen doen. Vele hedendaagse onderzoekers benijden hem daarin, want vandaag de dag wordt dat de academici niet meer gegund. Is er geen reden om aan het gewicht van deze bekentenis – schrijven als het liefste werk – te twijfelen, toch geloof ik niet aan de absoluutheid van deze bewering. Van den Bergs schrijfstijl roept immers enige argwaan op. Een voorbeeld: Welk mysterie aanschouwde men te Eleusis, in de vroege ochtend na de laatste nacht? De graankorrel werd getoond. In stilte werd nieuw leven getoond. Aanschouw dan, lezer, die tarwekorrel. Hij is hier afgebeeld op een bladzijde ontleend aan een boek over de Graminae, de grassen, waartoe ook de voedingsgrassen, de gerst, de haver, de rogge, de tarwe, behoren. De hele plant is weergegeven. De graanstengel, het blad, de aar, de groeiwijze, de korrel. De tarwekorrel staat bij de letters CH en CE. Die tarwekorrel, of gerstkorrel (want dat maakt geen verschil) zag de geïnitieerde. Wat hij aanschouwde op de laatste ochtend was, men ziet het, de vulva. 9


Tarwe, halm en korrel

10


Horen/zien we hier geen leraar in het auditorium college geven aan de hand van geprojecteerde plaatjes waarnaar de lesgever met de aanwijsstok wijst? Wie ooit Van den Berg in de collegezaal aan het werk hoorde/zag, besefte dat hij een college van een ‘geboren’ leraar bijwoonde. Ja, Van den Berg genoot ervan uiteenzettingen te geven en te vertellen. Het bovenstaande citaat komt uit Metabletica van God (p.126), een van zijn laatste boeken. Het citaat kon echter evenzeer een transcriptie zijn van een opgenomen voordracht. Boeken gaven aanleiding tot publieke uiteenzettingen; voordrachten waren niet zelden eerste versies van hoofdstukken van een boek in voorbereiding. Het citaat is natuurlijk in de stilte van de studeerkamer geschreven en bij dat schrijven zal de auteur zich wel halfweg de hemel hebben gevoeld. Er is echter een tweede helft: uiteenzetten en voordragen, uitleggen en vertellen, voor een gehoor antwoorden geven op vragen. Het behoort allemaal tot de eeuwenoude didactische praktijk van de onderwijzer die, om Jacques Claes te citeren, op het wonder wil wijzen. Dat doet Van den Berg in deze tekst. Jawel, geschreven, maar om uiteindelijk te worden voorgedragen om over te dragen. Het schrijven is een noodzakelijke voorwaarde, maar uiteindelijk gaat het om het zeggen. De leraar Van den Berg weet iets, heeft veel gelezen, gezocht, gereisd en rondom zich gekeken. Op die manier komt hij tot ontdekkingen. Bij het maken van notities is er geen sprake van schrijven om alleen maar te schrijven, ter wille van een genotvolle schrijfdrift, om een verzelfstandigde plaisir de l’écriture te beleven. Is Van den Berg ontegensprekelijk een auteur, vooral wil hij anderen met zijn geschriften aanspreken. Hij houdt het gevondene niet voor zichzelf. Hij vermoedt dat hij iets heeft gevonden dat anderen nog niet weten, maar vermoedt tegelijk dat die anderen geïnteresseerd en nieuwsgierig zijn en bijgevolg ontvankelijk voor hetgeen de leraar heeft bestudeerd en gevonden. Hij nodigt zijn gehoor daarom ook uit om mee te kijken, niet het minst omdat de dingen iets onthullen of vertellen: ‘Aanschouw dan!’ Met de aanwijsstok tikt hij de graanstengel, het blad, de aar, de bloeiwijze, de verschillende korrels aan, in het bijzonder de tarwekorrel, aangeduid met CH en CE. Uiteindelijk gaat het hierbij niet om botanie, maar om de korrel als enigmatisch zinnebeeld in een initiatieritueel, waarvan hij het raadsel onthult – nogmaals, niet alleen voor zichzelf, maar voor de belangstellenden. Gevonden inzichten meedelen behoort tot de ethiek van de weten11


schapper die Van den Berg ongetwijfeld wilde zijn. Dit meedelen vraagt echter om een kunst, een vaardigheid: de verworven kennis beeldend presenteren en goed overdragen opdat de hoorder, de lezer, deelachtig wordt aan de wetenschap. Daarom moet de wetenschapperleraar een goede verteller zijn, liefst een voordrachtkunstenaar, zou Van den Berg zeggen, niet iemand die wat afleest. In de technische zin van het woord lezingen geven, deed hij zelf hoogstens als hij, op latere leeftijd, een uiteenzetting moest houden in een taal (Engels, Duits, Frans) waarvan hij het vlotte gebruik wat had verleerd. Dan wilde hij zeker zijn. Liever sprak hij voor de vuist weg, ook al had hij de uiteenzetting volledig uitgeschreven. De tekst waarvan zijn voordracht nauwelijks of niet afweek bleef gewoon in de tas. De improvisaties waren goed voorbereid. Soms had hij slechts een schema op een steekkaart op zak en vond het een beetje falen als hij in het midden van zijn voordracht het spiekbriefje toch te voorschijn moest halen. ‘Beschamend hoor, als je dat moet meemaken,’ zo vertrouwde hij me ooit toe na zo’n ‘incident’ in Gent. De hier gepubliceerde memoires en voordrachten zijn voorbeelden van Van den Bergs kunst om aan te tonen dat anekdotes en dingen – en dan vooral de architectuur – ons iets te vertellen hebben. Het aanschouwend, aansprekend en verhalend uitgangspunt mag niet verbazen. Ondanks de vrijmoedigheid van de rebel die Van den Berg ook was, is er een zin voor bedachtzaamheid en behoedzaamheid. We kunnen eigenlijk stellen dat hij vaak rebelleerde omdat er in zijn academische en intellectuele omgeving onvoldoende aandacht was voor de eigenheid van de verschijnselen. Fenomenen vragen om ze in omzichtigheid en onbevangenheid niet te beroeren, om ze te laten zijn. Zoals de memoires getuigen, heeft Van den Berg zich als kind door de praktijk en kunst van de botanie en entomologie laten initiëren. Zijn opleiding tot onderwijzer en, later, zijn vorming als arts, hebben deze inwijding en kunst intellectueel en wetenschappelijk onderbouwd. Op de artsenstudie volgde de psychiatrie en de psychotherapie, twee disciplines waarin hij naar de verhalen van patiënten moest kijken en luisteren, waarin hij expressies, gestes en uitspraken in een levensloop vol ervaringen diende te begrijpen. Ja, het levensverhaal is het uitgangspunt voor de psychiater-psychotherapeut – dat leerde elke student geneeskunde en elke aspirant psychiater aan de hand van goed geïntroduceerde demonstraties van patiënten in het auditorium 12


en in de kliniek aan het bed. In zijn memoires vertelt Van den Berg hoe beslissend zo’n demonstratie (onder leiding van zijn leermeester Rümke) was in zijn studietijd: Hij (Rümke) begroette de patiënt, gaf hem of haar een hand, en begon het gesprek, wat vrijwel dadelijk betekende dat hij allereerst de patiënt het woord verleende. Het ‘auditorium’ luisterde ingetogen. Een menselijk drama werd opgevoerd. Dat was meer dan de ‘demonstratie van een patiënt’. Ik voelde me gevloerd. Wat daar gebeurde: dát wilde ik ook. Ik wist het! Van belang is hier het voorbeeldige karakter en de werkzaamheid van het verhaal te zien. De goede anamnese, niet te herleiden tot een lijstje van ziektes die een patiënt in zijn leven heeft gehad, blijft de oriënterende voorwaarde voor de diagnose en voor de verdere therapeutische begeleiding. Cruciaal is de vertelling van het levensdrama met zijn talrijke betekenisvolle grote en kleine gebeurtenissen. Maar niet iedereen slaagt erin dit verhaal goed te vertellen. De patiënt uit zich soms bijzonder moeizaam of weet veel te verhullen in een breedsprakig discours. Van belang is hier uiteindelijk dat het getuigenis van de patiënt, dat door de arts of de therapeut geïnterpreteerd wordt, een plaats in een ruimere gedachtegang krijgt. De kunst van het interpreteren van al dan niet moeizame uitingen zal hiertoe de voorwaarde zijn. Er is echter meer. Is de arts die het anamnetische gesprek voert ook docent, dan zal hij de didactiek moeten beheersen om het getuigenis van de patiënt aan zijn gehoor over te dragen. Op die manier krijgt het getuigende verhaal zijn vruchtbare plaats in de didactiek van de uiteenzetting, dat wil zeggen in de uitleg en in de vertelling voor een ontvankelijk en begrijpend gehoor van wat er aan de hand is. Een dubbele analogie mag ons hier niet ontgaan. Vooreerst verlangen patiënt en uitleggende docent niets anders dan dat de bestemmeling van het verhaal de gelegenheid krijgt het perspectief van de boodschap te begrijpen. Zij zitten allebei in de situatie waarin een ander voor hun verhaal ontvankelijk moet zijn, waarin een ander hen wil begrijpen. Er is niettemin een asymmetrie. De arts laat niet alleen de patiënt aan het woord, maar stelt ook vragen om lacunes in het verhaal aan te vullen, om een ‘boodschap’ die verborgen was 13


gebleven aan de oppervlakte te brengen. De vragen van de arts zijn bovendien niet zonder oriëntatie, ze maken ook de weg vrij voor begrip waardoor het verhaal het verborgene onthult en de vertelling van de boodschap perspectief en zin krijgt. Als de docent nu de boodschap voor zijn gehoor uitlegt en deze overbrengt van de sfeer van het getuigenis naar de sfeer van het diagnostisch-therapeutisch discours, bevindt hij zich, analoog aan de patiënt, in de positie dat hij begrepen wil worden. Dit is dan de tweede analogie. Ten aanzien van zijn gehoor heeft hij eveneens een boodschap, met name het verhaal waarin hij het levensdrama van de patiënt vertolkt en de vertolking tegelijk oriënteert. In zijn geleerdheid overschrijdt hij echter de ‘gedachteloosheid’ van de patiënt, want aan het verhaal van het getuigenis geeft hij de meerwaarde van de uitleg. De tweede analogie bevat eveneens een asymmetrie. Vertolker van het levensdrama kan hij slechts zijn als hij een leraar is die tegemoet kan komen aan de behoefte van zijn gehoor dat het verhaal door de mond van de ingewijde wil horen. Bestaat dat gehoor nu uit ontvankelijke studenten die bereid zijn de confrontatie aan te gaan met het (vertolkte) levensdrama van de patiënt, dan weekt de docent verborgen sferen los, dan trekt hij het gordijn van de onwetendheid op en onthult hij iets van de condition humaine die in elk getuigenis vervat zit. De studenten, zoals iedereen verwant met de ‘gedachteloze patiënt’, zien zichzelf in een nieuw perspectief. Dat wil hier zeggen: ze leren een realiteit beseffen die hen niet vreemd meer is, of die ze niet langer argeloos en passief ondergaan. Door de initiërende overdracht van de docent houden ze op de naïeve drager te zijn van een werkelijkheid die hen voordien in het ongewisse of in onwetendheid liet. In dat opzicht zijn leerlingen in het klaslokaal, studenten in het auditorium of zelfs toehoorders in een conferentiezaal als patiënten die de uitleg van de betekenis van de dingen nodig hebben – de dingen die door de uitleg veelzeggend worden. De uitleg werkt hier dan als een behandeling, de verheldering als therapie. Na de uiteenzetting, als zij werkelijk overdrachtkunst is, kunnen de leerlingen, studenten of toehoorders, zoals de patiënten, verlicht en bevrijd van een last naar huis terug. Ook de teksten die aan deze memoires zijn toegevoegd zijn ver14


halen, illustraties van wat Van den Berg bezighield.* Hij wil ons niet zozeer vertellen dat iets is, maar hoe iets zich laat zien. In een tweede instantie vertelt hij ons waarom zich iets voordoet zoals het voor ons verschijnt, zij het niet op de gebruikelijke, causale wijze. Er is immers geen toeval. Er zijn de metabletische verbanden, de gelijktijdigheden, de historische ontwikkelingen. De toespraak ‘Mentaliteitsverandering en dodenbezorging’ vertelt eerst hoe de begrafenis in kleine kring van zijn leermeester Buytendijk in 1974 te Kekerdom (waar Van den Berg zelf bijna veertig jaar later zou worden begraven) op een gewelddadige manier werd verstoord: Het bekende geluid van een naderende straaljager zwol aan, en plotseling scheerden twee jagers met donderend geweld laag over de kerk. Het helse geluid verscheurde de duurzaamheid die de uitvaart leek te beheersen. Wat hier op het kerkhof gebeurt, dacht ik, is uit de tijd. Dat wist ik natuurlijk allang. Wij leven niet meer in een tijd van een langzaam, duurzaam gebeuren. De crematie, daarentegen, in instellingen die op een industriële werkhal lijken, past in de tijd van de straaljagers, in een tijd waar de mensen haast hebben met het opruimen van hun doden en dit in het tempo van het industriële ‘machinisme’. Wie nu kiest voor crematie affirmeert in feite de moderniteit, de gelijktijdigheid van industrialisatie en ontkerstening of secularisatie waarin we het onderscheid veron* Het gaat om vier voordrachten: ‘Mentaliteitsverandering en dodenbezorging’ (op 24 oktober 1986 te Amersfoort voor de Nederlandse Vereniging van Hoofden van Gemeentelijke Beplantingen en voor de Crematoriumvereniging Nederland, gepubliceerd in een gemeenschappelijke uitgave, p.11-19); ‘Oorsprong en verval van het medische model in de psychiatrie. Een fenomenologische uitleg’ (op 14 november 1987 te Utrecht voor de Vereniging voor Filosofie en Geneeskunde en gepubliceerd in: Scripta Medico-Philosophica 6, 1989, p.6-30); ‘Enscenering van de dood. Een metabletische beschouwing’ (op 10 november 1995 te Leuven en gepubliceerd in: A. Opdebeeck (ed.), De dood in de marge van het leven. Een drieluik omtrent wetenschap, religie, mensen en de dood, K.U.Leuven: Onderzoekscentrum Mens, Maatschappij en Marginaliteit, 1996, en later in Kunst en wetenschap IX-4, winter 2000-2001, p.13-16) en ‘Architectuur, Millennium en Centennium – een metabletische beschouwing’ (op 20 maart 1999 voor de Stichting Jan Tanghe te Brugge en gepubliceerd in het Jaarboek van de gelijknamige Stichting).

15


achtzamen tussen mens en machine en mens en dier (darwinisme). Van den Berg gelooft niet dat onze beschaving die weg zal blijven bewandelen. Hij ziet tekenen in de zorg voor het erfgoed, voor de monumenten. Ook kerkhoven zijn monumenten. Vervolgens roept hij ons, zijn toehoorders, op: Laat ons ook deze (graf)monumenten beschermen. Niet alleen omdat ze een nostalgische les geven. Ook niet allereerst omdat nog velen hun doden daarheen willen brengen en daar ook zelf eens willen liggen. Maar bovenal om het nageslacht een geschenk te geven wanneer de gedachte weer oppermachtig wordt dat begraven zo dwaas niet is. Even verbeeldend leest en ondervraagt Van den Berg gebouwen en ontdekt hoe het met de psychiatrie is gesteld. Dat moet niet verbazen, want de manier waarop de mens gestalte geeft aan zijn belangrijke gebouwen getuigt van de wijze waarop hij zichzelf in de wereld, in de maatschappij en in zijn omgeving met anderen ziet. Opnieuw vraagt Van den Berg goed toe te kijken naar het Centre Pompidou in Parijs dat zo expressief is dat het naar buiten brengt, wat normaal binnen en verborgen blijft. De dingen, niet het minst de architectonische dingen, zo schreven we al, hebben ons iets te vertellen. Ze onthullen betekenissen, zoals wat met het verdwijnen van de horizontale lijn in de constructie van de gevel samenhangt. Wijzend op het nieuwe museum in Groningen betoogt Van den Berg tijdens een voordracht in Brugge (overigens zijn laatste uitvoerige publieke uiteenzetting) in maart 1999: U zult het met mij eens zijn dat het gebouw korte metten maakt met de bovenste horizontaal. De horizontaal is verdwenen‌ De horizontaal is in stukken gebroken, zozeer en zo hardvochtig dat het wel lijkt of het gebouw, dat er stond, getroffen werd door een modern projectiel dat binnenin het gebouw tot ontploffing kwam. Wat betekent dit? De lezer kan dit nagaan in de hier opgenomen voordracht: het horizontalisme is zinnebeeldig voor een maatschappijbeeld waarin gelijkschakeling overheerst of waarin verschillen een 16


politieke correctie krijgen in een horizontaal decorum. Voor deze gelijkschakeling, waarin niemand mag ‘excelleren’, heeft Van den Berg geen sympathie. Als de nieuwe architectuur alternatieve vormen aanbrengt, ziet de metableticus daarin een hoopvol teken dat iets aan het veranderen is, dat zich gelijktijdig een nieuwe mentaliteit aanbiedt, een sfeer waarin het dwingende horizontalisme wordt doorbroken en waarin openheid ontstaat voor het andere, voor het nieuwe, ja, zelfs voor het wondere. Dit in verhalen onthullen en overdragen is de rode draad in Van den Bergs oeuvre.

17

Op het scherp van de snede  

Een inkijkexemplaar

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you