Issuu on Google+

De stem en het schrift

Blanchot.indb 1

02-12-11 14:22:44


Blanchot.indb 2

02-12-11 14:22:45


Maurice Blanchot

De stem en het schrift Drie opstellen over de esthetische distantie in de vertelling, het humanisme en de toekomst van de boekcultuur

Onder redactie van Arthur Cools

Klement / Pelckmans

Blanchot.indb 3

02-12-11 14:22:45


Oorspronkelijke titel: L’Entretien infini (capita selecta) door Maurice Blanchot: – ‘L’athéisme et l’écriture. L’humanisme et le cri’ (p. 367-393) – ‘La voix narrative (le «il», le neutre)’ (p. 556-567) – ‘L’absence de livre’ (p. 620-636) © Éditions Gallimard, Parijs, 1969 Vertaald door resp. Laurens ten Kate, Annelies Schulte Nordholt en Aukje van Rooden © Nederlandse uitgave: Uitgeverij Klement, Zoetermeer, 2012 Alle rechten voorbehouden. Omslagontwerp Rob Lucas Afbeelding op omslag: Robert Rauschenberg, Erased De Kooning Drawing, 1953; een door Rauschenberg uitgegumde tekening van Willem de Kooning, 64,14 x 55,25 cm, collectie San Francisco Museum of Modern Art, © Untitled Press Inc. c/o Pictoright Amsterdam 2011. isbn 978 90 8687 075 2 (Nederland) isbn 978 90 289 6268 2 (België) d/2012/0055/126

Blanchot.indb 4

02-12-11 14:22:45


Inhoud

Inleiding Arthur Cools

Maurice Blanchot De narratieve stem (‘hij/het’ ofwel het neutrum) Atheïsme en schriftuur. Humanisme als schreeuw De afwezigheid van het boek

De narratieve stem en het discours van de moderniteit Annelies Schulte Nordholt De schreeuw van het humanisme. Om-schrijvingen van mens en God bij Blanchot, onder verwijzing naar Foucault Laurens ten Kate De list van de beschaving. Over het boek als cultuurdrager Aukje van Rooden

  







Verscheurdheid, dood en spel: het heilige in Blanchots opvatting van de moderne poëzie en literatuur Arthur Cools



Personalia



Blanchot.indb 5

02-12-11 14:22:45


Blanchot.indb 6

02-12-11 14:22:45


Inleiding

L’Entretien infini (1969) kan ongetwijfeld het magnum opus van Maurice Blanchot (1907-2003) worden genoemd. Het lijvige boek bevat het overgrote deel van de essays die hij geschreven heeft in de jaren zestig van de vorige eeuw. Blanchot behandelt hierin een aantal thema’s die sinds de publicatie van dit werk onlosmakelijk met zijn oeuvre worden verbonden: de schriftuur, de derde soort betrekking, de grenservaring, de narratieve stem, het neutrum, het fragmentarische. De ervaring van de literatuur, zoals hij die in zijn eerdere romans, korte verhalen en literaire kritieken onder woorden heeft gebracht is hier niet ver weg, maar het is vooral met de filosofische traditie zelf, en in het bijzonder met de filosofie zoals hij die leert kennen vanuit zijn tijdgenoten, dat Blanchot in discussie treedt. Onder meer Heidegger en de fenomenologie, Levinas en de ethiek van de ander, Camus en de ervaring van het absurde, Nietzsche en de gedachte van de eeuwige wederkeer, Bataille en de (on)mogelijkheid van de grenservaring – om er maar enkele te noemen – worden in een ‘eindeloze tweespraak’ betrokken waarin ook Heraclitus en Parmenides, Descartes en Pascal, Kant en Hegel worden ondervraagd. Tegelijkertijd experimenteert Blanchot hier reeds met de vorm van het essay: sommige bijdragen houden zich strikt aan de discursieve vereisten van het essay; andere zijn geschreven in dialoogvorm; nog andere zijn eerder fragmenten te noemen en hebben het karakter van gedachtenotities. Op die manier neemt L’Entretien infini een cruciale plaats in tussen het eerdere werk dat, behalve de fictionele verhalen, voornamelijk literaire kritieken en essays over literatuur bevat (gebundeld in L’Espace littéraire (1953) en Le Livre à venir (1959))

Blanchot.indb 7

02-12-11 14:22:45


en het latere fragmentarische schrijven (Le Pas au-delà (1973) en L’Écriture du désastre (1980)). In deze bundel willen wij een aantal centrale thema’s en teksten uit L’Entretien infini belichten. In het Nederlands is Blanchot vooral bekend vanwege zijn beschouwingen over literatuur. In de monografie, Het wakende woord (1997), zijn vertalingen uit verschillende van zijn werken opgenomen.1 Tot deze bekendheid droeg ook de bundel Literatuur en het recht op de dood (2000) bij, die een drietal teksten over literatuur uit de jaren veertig bevat, in het bijzonder Blanchots meest bekende essay ‘Literatuur en het recht op de dood’.2 De drie opstellen uit L’Entretien infini die hier in vertaling zijn opgenomen, zijn meer cultuurfilosofisch van aard: zij laten een onderzoekend en bevreemdend licht schijnen over een aantal fundamentele noties in de hedendaagse westerse cultuur. Het gaat om ‘De narratieve stem (“hij/het” ofwel het neutrum)’, ‘Atheïsme en schriftuur. Humanisme als schreeuw’ en ‘De afwezigheid van het boek’.3 Na deze opstellen volgen vier studies van de vertalers en van de redacteur van dit boek. Deze bijdragen nemen de thematiek van de vertaalde teksten als uitgangspunt. Zij beogen Blanchots reflectie over een aantal ontwikkelingen in de westerse cultuur te analyseren. De inhoudstafel van L’Entretien infini vermeldt veertig hoofdstukken, ingedeeld in drie grote delen. De titel van het derde deel herneemt de titel van het laatste hoofdstuk van het boek: ‘L’absence de livre’, met toevoeging van ‘(le neutre le fragmentaire)’. ‘La Voix 1

2 3

Blanchot.indb 8

Zie Annelies Schulte Nordholt, Laurens ten Kate en Frank Vande Veire (red.), Het wakende woord. Literatuur, ethiek en politiek bij Maurice Blanchot, Nijmegen: SUN, reeks ‘Filosofische diagnosen’, 1997. Deze bundel bevat ook een tekst uit L’Entretien infini in vertaling, namelijk ‘De derde soort betrekking (een mens zonder horizon)’. Zie M. Blanchot, Literatuur en het recht op de dood, ingeleid door Arthur Cools en vertaald door Joost Beerten en Paul Bosse, Kampen: Agora, 2000. Zie M. Blanchot, L’Entretien infini, Parijs: Gallimard, 1969, resp. p. 556-567, 367393, 620-636. Deze teksten, hier in chronologische volgorde gepresenteerd, werden oorspronkelijk gepubliceerd in 1964 (‘La voix narrative’, in La Nouvelle Revue Française nr. 142, p. 674-685), 1967 (‘L’athéisme et l’écriture. L’humanisme et le cri’, in La Nouvelle Revue Française nr. 178, p. 586-604, en nr. 179 p. 812-821) en 1969 (‘L’absence de livre’, in L’Éphémère nr. 10, p. 201-218).

arthur cools

02-12-11 14:22:45


narrative (le «il», le neutre)’ is hoofdstuk 14 van dit derde deel. ‘L’athéïsme et l’écriture. L’humanisme et le cri’, ten slotte verschijnt als hoofdstuk 12 aan het einde van het tweede deel van het boek, getiteld: ‘L’expérience-limite’. Hieruit blijkt reeds de relevantie van de drie geselecteerde teksten voor de aangereikte thematiek van het boek: het neutrum, de schriftuur en de afwezigheid. Deze termen worden door Blanchot ingebracht in een aantal centrale discussies in het discours van de moderniteit: die over het ik (de stem van de vertelinstantie), God (de dood van God), de mens (de mens als humanistisch ideaal en de dood van de mens) en de wereld zoals die door de cultuur van het boek betekenis heeft gekregen. Daarmee laat hij zien hoe deze drie sleuteltermen niet zomaar een aanvulling zijn op het vocabulaire van dat discours, maar een plaats aanduiden van waaruit de moderne cultuur als geheel gedwongen wordt de vragen en probleemstellingen die haar eigen zijn te herformuleren. In ‘De narratieve stem (“hij/het” ofwel het neutrum)’ brengt Blanchot de term neutrum ter sprake om aan te geven waarom en op welke manier vertellen problematisch is geworden in de ontwikkeling van de romanvorm. De tekst biedt een beknopte schets van de romanvorm van zijn epische basisstructuur tot en met de romans van Kafka. Flaubert staat model voor de onpersoonlijkheid van de verteller die de esthetische distantie in de roman installeert. Deze wordt mogelijk doordat de verteller afstand bewaart, niet intervenieert in de vertelde gebeurtenissen en in zekere zin afwezig blijft in de presentatie van de vertelling. Met de romans van Thomas Mann komt hierin verandering: de afwezigheid van de verteller verliest haar vanzelfsprekendheid zonder dat de verteller opnieuw, zoals dat in de realistische roman het geval is, een aanwijsbare en eenduidige presentie krijgt (bijvoorbeeld als morele of oordelende instantie): hij wordt nu zelf ter discussie gesteld en het vertellen wordt op die manier geproblematiseerd. De romans van Kafka breken definitief met de esthetische distantie van de roman, niet omdat de distantie verdwijnt, maar veeleer omgekeerd omdat die distantie de kern gaat uitmaken van de vertelling. De stem van de verteller komt zo in een verhouding van niet-identificatie met zichzelf te staan, een neutrale en neutrainleiding

Blanchot.indb 9

02-12-11 14:22:45


liserende verhouding waarbij diegene die spreekt altijd al vanuit een onoverkomelijke afstand en afwezigheid spreekt. Hierdoor ontstaat een vervreemding die de lezer niet meer toestaat zich te identificeren met het personage en zich de wereld van de roman op een belangeloze afstand te aanschouwen. Hoewel minder expliciet, vormt de betrekking die Blanchot onder woorden brengt met de term neutrum ook de kern van de tweede tekst. In ‘Atheïsme en schriftuur. Humanisme als schreeuw’ keert de reflectie over de stem terug als ‘schreeuw’ en wordt het neutrum in verband gebracht met de bredere kwestie van het theologische discours. Atheïsme en humanisme zijn de erfgenamen van dit discours. Uitgangspunt is de bekende boutade van Foucault aan het einde van De woorden en de dingen dat de mens een uitvinding van recente datum is die ook weer snel zal verdwijnen.4 Deze opmerking is het begin van een discussie over de manier waarop de termen humanisme en atheïsme in de hedendaagse cultuur een vanzelfsprekende betekenis hebben verworven. Blanchot plaatst bij die vanzelfsprekendheid een aantal kanttekeningen, niet door een externe positie in te nemen ten aanzien van de claims van atheïsme en humanisme, maar door te laten zien dat de vragen die ze stellen ontwikkelingen met zich meebrengen die de geldigheid van hun discours destabiliseren. In dat discours wordt namelijk het schrijven als voorwaarde voor dat discours ontdekt, maar met het schrijven verschijnt ook een andere (neutrale en neutraliserende) betrekking tot de wereld waarin de zelfbewuste affirmatie van de mens en van de dood van God wordt opgeschort. Het schrijven stelt een onoverkomelijke afstand in ten aanzien van de subjectieve instantie van het gesproken woord en maakt op die manier een stem hoorbaar die niet zonder meer terug te brengen is tot de stem van deze of gene mens. Afwezigheid is de centrale term in het derde essay, ‘De afwezigheid van het boek’. Deze term krijgt hier een specifieke focus: afwezigheid betreft het boek, maar ze maakt het boek niet ongedaan, en 4 Zie M. Foucault, De woorden en de dingen. Een archeologie van de menswetenschappen, Amsterdam: Boom, 2006, p. 453 (oorspr. uitg.: Les mots et les choses. Une archéologie des sciences humaines, Parijs: Gallimard, coll. ‘tel’, 1966, p. 398).



Blanchot.indb 10

arthur cools

02-12-11 14:22:45


evenmin kondigt ze het einde van de cultuur van het boek aan. Het gaat om wat in het boek afwezig blijft en waarin het niettemin zijn voorwaarde heeft: ‘het onzinnige spel van het schrijven’. Met deze woorden, ontleend aan de Franse dichter Stéphane Mallarmé (18421898), opent Blanchot zijn essay. De uitwendigheid van het schrijven is hier de aanzet tot een verregaande bezinning op een aantal uitgangspunten en evidenties van de cultuur van het boek. Deze cultuur vindt haar oorsprong in het monotheïsme: de Bijbel, door Blanchot ‘het hoogste model van het boek’ genoemd, inaugureert en bepaalt de bestemming van de cultuur van het boek. Maar terwijl de Bijbelse traditie van het boek gekenmerkt wordt door een spreken waarin de spreker zich verbindt met de aangesprokene, wijst het schrijven op een afwezigheid die een dergelijk spreken problematiseert. Toch laat Blanchot ook zien op welke manier de Bijbelse traditie schatplichtig blijft ten aanzien van wat het boek te buiten gaat. Deze drie essays behelzen een brede cultuurtheoretische reflectie: een eigenzinnige benadering van de problematiek van het neutrum vormt er de rode draad van. Het gaat hier niet om een onverschillige of onpartijdige houding ten aanzien van historische en maatschappelijke veranderingen. Ten onrechte wordt vaak beweerd dat Blanchot zich na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog definitief uit de politieke journalistiek zou hebben teruggetrokken.5 De neutrale en neutraliserende verhouding waarover Blanchot het heeft, komt niet voort uit een al dan niet zelfbewust gekozen engagement, maar betreft ontwikkelingen die zich in de cultuur zelf voordoen en betrekking hebben op een aantal evidenties van diezelfde cultuur: het ik, het discours, de mens, de dood van God, het boek. Die evidenties zijn niet zomaar verdwenen – wel integendeel – maar de nadruk die ze krijgen en/of de overvloed waarmee ze zich opsmukken wijzen veeleer op een deficit, een tekort, op een ‘werkeloosheid’ (désœuvrement), om hier een 5

Er bestaan tientallen politieke pamfletten en interventies van Blanchot van na de Tweede Wereldoorlog over onder meer het communisme, De Gaulle, de Algerijnse oorlog, Sartre, Berlijn, mei ’68, Israël e.a., zoals blijkt uit de publicatie Maurice Blanchot, Écrits politiques 1953-1993, Textes choisis, établis et annotés par Éric Hoppenot, Parijs: Gallimard, 2008, 266p.

inleiding

Blanchot.indb 11



02-12-11 14:22:45


andere term van Blanchot te gebruiken. Dit tekort onderwerpt Blanchot aan een onderzoek en het brengt hem tot de vaststelling van een buiten dat die evidenties van binnenuit (binnen de grenzen van een subjectsdenken) aantast. Dat buiten – uitgedrukt in termen van het neutrum, de afstand die niet te overbruggen is, een ontoegankelijke, onpersoonlijke en onverschillige aanwezigheid – komt hij op het spoor en wijst hij aan in respectievelijk de romanvorm zoals die zich ontwikkeld heeft in de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw, in het discours van het humanisme en atheïsme in een cultuur die gekenmerkt wordt door de dood van God, en in de cultuur van het boek die zich ontwikkeld heeft vanuit de erfenis van de Bijbelse traditie. Maar in het gebruik van termen als het buiten, het neutrum en de afstand ligt tevens de moeilijkheid om Blanchot te volgen: het lidwoord suggereert hier ten onrechte dat het om een substantief of een entiteit gaat. Deze termen zijn geen concepten, zij bakenen niet een verzameling van objecten af. Zij geven geen beschrijving van een empirisch aanwijsbare stand van zaken en zijn ook niet het correlaat van een specifieke ervaring. En evenmin gaat het om metaforen. Wat doen ze dan wel? Ze drukken een bevreemding of vervreemding uit die tot op zekere hoogte naar analogie met de hegeliaanse term van Entfremdung kan verduidelijkt worden. Ook deze laatste manifesteert zich in de cultuur en vereist een kritische reflectie over diezelfde cultuur en haar ontwikkeling, haar actualiteit en haar uitgangspunten. Maar anders dan Hegel, die in de Phänomenologie des Geistes de vervreemding beschrijft als een historisch moment in de zelfwording van de geest,6 wijst Blanchot 6 Zie G.W.F. Hegel, ‘VI.B. Der sich entfremdete Geist. Die Bildung’, in idem, Werke in zwanzig Bänden. Band 3: Phänomenologie des Geistes, Frankfurt am Main: Suhrkamp, coll. ‘Theorie Werkausgabe’, 1970. In zijn analyse van de van zichzelf vervreemde geest beschrijft Hegel in feite het ontstaan en de ontwikkeling van de christelijke cultuur, met name de cultuur die zich definieert vanuit het geloof en waarin de wereld uiteenvalt in twee aan elkaar tegengestelde ‘rijken’: de ware, maar niet werkelijke wereld van het geloof en de reële wereld van de maatschappelijke (machts)verhoudingen. Een dergelijke tegenstelling blijft ook in een posthegeliaans discours doorslaggevend om de aard van de vervreemding in de cultuur te thematiseren en onder kritiek te brengen (de vele varianten van de ideologiekritiek en de kritiek van de instrumentele rede).



Blanchot.indb 12

arthur cools

02-12-11 14:22:45


met termen als het buiten en het neutrum op een vreemdheid die wezenlijk is voor de cultuur, dat wil zeggen: een bevreemding die door de cultuur wordt ingesteld en waardoor deze eerst in een geschiedenis komt te staan. Op die manier ontwricht Blanchot elke logica, waarvoor de hegeliaanse model staat, die de vervreemding begrijpt in functie van het einddoel van de zelfbepaling. Het is niet zo dat Blanchot met deze radicale bezinning op de uitgangspunten van de westerse moderniteit een kritische reflectie op de ontwikkelingen in de hedendaagse cultuur onmogelijk zou maken. Deze essays bewijzen, denk ik, het tegendeel. Weliswaar formuleert hij deze kritiek niet meer vanuit het onderscheid tussen bovenbouw en onderbouw, vanuit een of ander vermogen van het subject, vanuit een aan de taal inherente rationaliteit, of vanuit de statistische verwerking van administratief verzameld feitenmateriaal. Met termen als het buiten, de schriftuur en het neutrum spoort Blanchot de logica op van waaruit de hedendaagse cultuur zichzelf begrijpt en breekt hij deze open door een stem te geven aan wat daarin als onbelangrijk wordt weggesneden, maar zich toch niet zonder meer in die logica laat integreren. Maar wat is dan de relevantie ervan voor een hedendaagse cultuurtheoretische reflectie? Op die vraag willen de vier essays die aan de vertalingen zijn toegevoegd een antwoord formuleren, overigens niet zonder een paar kanttekeningen te plaatsen bij Blanchots denkbeweging. In ‘De narratieve stem en het discours van de moderniteit’ laat Annelies Schulte Nordholt zien dat Blanchot in ‘De narratieve stem’ impliciet beroep doet op een teleologische opvatting van de literatuurgeschiedenis die de ontwikkeling van de roman begrijpt in functie van de realisering van een absolute autonomie. Op die manier heeft hij een echte canon opgesteld van de modernistische literatuur. Maar tegelijk wijst ze op een ambivalentie ten aanzien van diezelfde moderniteit in Blanchots paradoxale formuleringen van het neutrum en argumenteert ze dat het daarom ook mogelijk is zijn werk te plaatsen in de erfenis van de antimodernisten, zoals de hedendaagse Franse literatuurtheoreticus Antoine Compagnon doet. inleiding

Blanchot.indb 13



02-12-11 14:22:45


De discussie over het humanisme in een geseculariseerde cultuur staat centraal in het tweede essay, ‘De schreeuw van het humanisme. Om-schrijvingen van mens en God bij Blanchot, onder verwijzing naar Foucault’. Laurens ten Kate gaat hierin op zoek naar welk humanisme Blanchot voor ogen staat. Eerst vraagt hij waarom volgens Blanchot het atheïsme waarmee het humanisme zich verbindt niet zonder meer mogelijk is. Vervolgens staat hij stil bij dat ‘zonder’ en wijst hij op wat hij het bevreemdende ‘zonderdenken’ noemt dat met Blanchots termen van schriftuur en afwezigheid wordt mogelijk gemaakt. In de cultuur van de dood van God lijkt ook het humanisme zich te moeten definiëren zonder de mens, maar in de logica die de auteur bij Blanchot aanwijst blijkt dit ‘zonder’ aanwezig te blijven in de afwezigheid die erdoor wordt opgeroepen. Aukje van Rooden stelt in haar essay, ‘De list van de beschaving. Over het boek als cultuurdrager’, de vraag naar de gemeenschap vanuit een reflectie over Blanchots opvatting van de cultuur van het boek. De notie van schriftuur die verder reikt dan het boek en het boek te buiten gaat motiveert haar interpretatie van het boek als (instrumentele) list van de cultuur – een list die de cultuur beschermt tegen de buitensporige dimensie van het schrijven en haar in staat stelt een vastomlijnde betekenis toe te wijzen aan het schrift. Maar hoe zit het dan met de gemeenschap wanneer deze list ontmaskerd is en de gemeenschap zich dus niet langer vanuit de evidentie van het boek kan definiëren? In het antwoord op die vraag onderzoekt Van Rooden in het spoor van Jean-Luc Nancy de mogelijkheid om Blanchots term van werkeloosheid (désœuvrement) over te dragen op die van de gemeenschap. In de laatste bijdrage, ‘Verscheurdheid, dood en spel. Het heilige in Blanchots opvatting van de moderne poëzie en literatuur’, stel ikzelf de vraag naar het heilige (le sacré) in Blanchots teksten. Ik onderzoek of het mogelijk is wat Blanchot het neutrum noemt te interpreteren als een uitdrukking van het heilige. Ik denk niet dat dat mogelijk is. De ervaring van het heilige, voor zover die een expliciet thema is in Blanchots teksten, blijft verbonden aan Hölderlins poëtische existentie, terwijl zijn beschouwingen over het neutrum hun oorsprong hebben in zijn interpretatie van



Blanchot.indb 14

arthur cools

02-12-11 14:22:45


Mallarmé. De betekenis van Mallarmés ervaring van het schrijven is echter een heel andere dan die van Hölderlins ervaring van het poëtische woord. Maar ook hier wil ik wijzen op een ambiguiteit die mijns inziens te maken heeft met de problematiek van de dood, in het bijzonder de zelfmoord, in een cultuur na de dood van God. Deze problematiek verbindt Blanchot rechtstreeks met het schrijven, maar ze wordt er tegelijkertijd door geneutraliseerd. Deze bijdragen werpen elk een ander licht op de thema’s en de reflecties in de hier vertaalde teksten en in andere essays van L’Entretien infini. Uiteraard hebben ze niet de pretentie de vele dimensies van deze teksten (en al helemaal niet van dit magnum opus in zijn geheel) als zodanig te ontsluiten, maar ze bieden elk wel op een eigen manier een inleiding op de specifiek blanchotiaanse termen die er de kern van uitmaken. We hebben reeds gewezen op de moeilijkheid om deze termen te interpreteren. Voor de vertaling ervan moeten er onvermijdelijk keuzes worden gemaakt. Een aantal algemene vertaalkeuzes wil ik hier tot slot toelichten; voor meer specifieke keuzes verwijs ik naar de door de vertalers toegevoegde eindnoten bij de vertaalde teksten. Het substantief le neutre wordt in het Frans gebruikt om de grammaticale categorie van het onzijdige aan te duiden (lidwoord, voornaamwoord, zelfstandig naamwoord). In het Frans bestaat hiervoor geen afzonderlijke benaming zoals in het Engels (it) of het Nederlands (het) – het lidwoord in het Frans is mannelijk (le) of vrouwelijk (la) en het onpersoonlijke voornaamwoord (il), zoals in de uitspraak ‘il pleut’ (het regent) of ‘il y a’ (er is), is identiek met het mannelijk persoonlijk voornaamwoord enkelvoud. In het Frans wordt dan ook eerder het adjectief neutre courant gebruikt en dat betekent ‘onzijdig’, ‘onpartijdig’, ‘neutraal’, ‘objectief ’. Gesubstantiveerd komt het voor in uitspraken over bijvoorbeeld staten: ‘les neutres’ zijn de staten of landen die onpartijdig blijven in een conflict. Blanchot gebruikt deze gesubstantiveerde vorm echter zonder naar een bepaalde categorie of entiteit te verwijzen. Soms roept hij de etymologische betekenis in herinnering (ne-uter: noch het een, noch het ander), om te wijzen op datgene wat aan inleiding

Blanchot.indb 15



02-12-11 14:22:45


elke categorisering ontsnapt. Ondanks het gebruik van het bepaald lidwoord heeft le neutre in zijn teksten dus geen bepalende verwijzing. Tegelijk verwerft die notie in haar gesubstantiveerde vorm een ‘fundamentele’ betekenis en daarmee wil ik zeggen dat Blanchot die notie gebruikt om in discussie te treden met de ontologische uitgangspunten van de westerse filosofie. Met andere woorden, hij brengt die notie in verband met termen als het zijn, het denken, het zien, de subjectiviteit, de presentie, het schrijven enz. Hij beperkt er zich dus niet toe om met die notie te wijzen op de afwezigheid van een geslachtsspecifiek kenmerk (het onzijdige), of van een persoonlijk kenmerk (het onpersoonlijke) of van om het even welke differentie (het onbepaalde). Blanchot formuleert met deze term ook een soort van betrekking die een neutraliserende werking heeft. In de vertaling van deze term werd getracht deze verschillende aspecten (het onzijdige, het onpersoonlijke, het onbepaalde, de verbale betekenis van neutraliseren, de betrekking) zo goed mogelijk te behouden, zonder het Nederlandse taalgevoel al te zeer geweld aan te doen. Om die reden hebben we in het algemeen geopteerd voor de eenvoudige, onzijdige en onbepaalde uitdrukking ‘het neutrum’ en in sommige gevallen voor de gesubstantiveerde, maar in het Nederlands minder gebruikelijke vorm ‘het neutrale’. Een andere notie die de vertaler voor een opdracht plaatst is de term désœuvrement. De term in het Frans is op zichzelf geen probleem: hij wordt in elk woordenboek vermeld in samenhang met het adjectief ‘désœuvré’ (ledig, zonder bezigheid, werkeloos) en vertaald door het nietsdoen, de ledigheid, de werkeloosheid. De betekenis van deze notie, zoals Blanchot die verstaat, houdt echter ook verband met Mallarmés opvatting van het Œuvre in relatie tot de hegeliaanse (moderne) opvatting van de werkelijkheid in termen van effectiviteit: werkelijk is wat werkt, wat standhoudt en zich bevestigt en in deze zelfbevestiging werking heeft. Blanchot wijst erop dat Mallarmés notie van het Œuvre deze hegeliaanse opvatting ondermijnt, niet zozeer in de zin dat de werking ongedaan wordt gemaakt of wordt weggenomen en/of dat er helemaal geen werking meer is – ook het niet gerealiseerde en onrealiseerbare Œuvre blijft uitdrukking van het absolute –, maar



Blanchot.indb 16

arthur cools

02-12-11 14:22:45


veeleer werkt de werking zelf niet meer, komt niet tot een positief resultaat: wat effectief is en zich doorzet, is leeg, blijft afwezig – zoals je van iets dat zich juist met veel vertoon affirmeert kunt spreken van ‘een lege doos’. In de discussie over de vertaling van deze term werd er zowel gewezen op het belang van het werk – de effectiviteit ervan in zijn afwezigheid – als op het belang van de ledigheid van deze effectiviteit. Beide aspecten blijven behouden in de eenvoudige, haast alledaagse term werkeloosheid waarvoor in de vertaling werd geopteerd, tenminste wanneer de hegeliaanse context erbij wordt gedacht. Over de term écriture valt heel wat te zeggen. De betekenisdichtheid van deze notie is groot en de relevantie ervan in de deconstructiefilosofie is enorm. Hier beperk ik me tot de volgende opmerking. Kenmerkend voor Blanchot is dat deze notie een zelfstandigheid verwerft vanuit de voor zijn werk centrale thematiek van de ervaring van het schrijven (l’expérience de l’écriture). Deze ervaring is immers bepalend voor Blanchots benadering van de eigentijdse literatuur en de notie van écriture wordt dan ook in samenhang gebracht met de verschillende aspecten die Blanchot vermeldt om uit te leggen hoe literatuur mogelijk is. Een en ander heeft tot gevolg dat de notie écriture compleet verschillende betekenisconnotaties toelaat. Zo bijvoorbeeld kan ze zowel gebruikt worden om te wijzen op de singuliere kenmerken van de individuele schrijver (de signatuur van een tekst) als om te verwijzen naar de abstracte hoedanigheid van het schrift als mogelijkheidsvoorwaarde; ze kan zowel de activiteit van het schrijven uitdrukken als het resultaat ervan (het geschrift); en in Blanchots radicale denkbeweging kan ze talig zijn (het geschreven woord in tegenstelling tot het gesproken woord) of aan de taal vooraf gaan (de getrokken lijn, de inkerving als spoor). Deze opsomming is geenszins exhaustief. Om die reden hebben we ervoor gekozen om deze notie met verschillende termen te vertalen voor zover ze tenminste de verwijzing behouden naar het geschrevene, namelijk de schriftuur, het schrijven, het (ge)schrift. Tot slot vermeld ik nog twee noties die we onvertaald uit het Frans hebben overgenomen terwijl dat niet gebruikelijk is in het Nederlands. De ene is discours. De gebruikelijke vertaling door inleiding

Blanchot.indb 17



02-12-11 14:22:45


vertoog (een synoniem van betoog), dekt echter niet de brede betekenis van deze notie waarmee elk geordende of systematische samenhang van spreken en denken bedoeld wordt. De andere is désastre. In Blanchots schriftuur krijgt dit woord een heel specifieke betekenisklank, zoals blijkt uit de titel van een van zijn latere werken: L’Écriture du désastre. Maar zij is van meet af aan bepalend voor de signatuur van zijn oeuvre. Opnieuw verbindt Blanchot in deze notie verschillende betekenislijnen die alle te maken hebben met een verandering, die een destructie (de dood) impliceert en een talige, narratieve, maatschappelijke en zelfs kosmische dimensie heeft. Bovendien legt Blanchot een expliciet verband tussen deze notie en de andere centrale termen in zijn werk, zoals le neutre, l’écriture, le dehors en le fragmentaire. De vertaling door de term rampspoed of catastrofe is daarom te eenzijdig en verliest bovendien de betekenisconnotaties en de gebruiksmogelijkheden die met het woord désastre gegeven zijn. In het Engels kunnen die gemakkelijk worden behouden met de vertaling van disaster. In het Nederlands wordt het adjectief desastreus door Van Dale vermeld. In de spreektaal wordt soms wel een keer desaster gebezigd. In deze vertaling hebben we consequent voor desaster geopteerd. Laat ik deze inleiding afsluiten met enige redactionele informatie voor de lezer. In de vertaling is tussen rechte haakjes de paginering opgenomen van de uitgave van de drie teksten in L’Entretien infini. Dezelfde paginering wordt ook gebruikt tussen gewone haakjes voor de citaten uit deze vertalingen in de vier bijdragen. Zo kan de lezer de citaten zowel in de hier gerealiseerde vertaling als in de Franse uitgave gemakkelijk terugvinden. Voorts is er een onderscheid tussen voetnoten (aangeduid met *) en eindnoten (die genummerd zijn) in de vertaalde teksten. Eindnoten zijn door de vertalers aan de vertaling toegevoegd, zij geven bijkomende informatie voor de interpretatie van een tekstfragment; voetnoten behoren tot de oorspronkelijke tekst: waar nodig werd er een ‘[Noot van de vertaler]’ aan toegevoegd om de volledige verwijzing te geven van de literatuur waaruit Blanchot vaak uit het hoofd citeert.



Blanchot.indb 18

arthur cools

02-12-11 14:22:45


Mijn dank gaat uit naar de vertalers en medewerkers aan deze bundel. De kwaliteit van de verschillende bijdragen is in de eerste plaats hun verdienste. Deze publicatie werd mede mogelijk gemaakt door een bof-krediet dat me werd toegekend door de onderzoeksraad van de Universiteit Antwerpen. Ook daarvoor mijn dank. Arthur Cools

inleiding

Blanchot.indb 19

ď™„ď™Œ

02-12-11 14:22:45


De stem en het schrift