Issuu on Google+


Voor Vera Thomas, ter nagedachtenis aan Bill Thomas


Uitgeverij Moza誰ek, Zoetermeer


Van Paul Maier verschenen eerder bij Uitgeverij Mozaïek: Het Rama-document De brand van Rome Pontius Pilatus Operatie Wederkomst

ISBN 978 90 239 9410 7 NUR 342 Vertaling Daniëlle Langerak Ontwerp omslag Wil Immink Lay-out/dtp binnenwerk Gerard de Groot Oorspronkelijk verschenen bij Tyndale House Publishers, Inc., Carol House, Illinois, USA, onder de titel The Constantine Codex. Engelstalige uitgave 2011 © Paul L. Maier Nederlandstalige uitgave 2012 © Uitgeverij Mozaïek, Zoetermeer Alle rechten voorbehouden www.uitgeverijmozaiek.nl


Woord vooraf

H

oewel deze roman aansluit op Het Rama-document en Operatie Wederkomst, kunnen de drie boeken in willekeurige volgorde worden gelezen omdat de verhaallijnen totaal verschillen. De meeste personen in dit boek heb ik zelf bedacht, maar om de geloofwaardigheid te waarborgen komen er ook echt bestaande mensen in voor. Ik heb hun toestemming niet gevraagd omdat ik niet de indruk wilde wekken dat zij de inhoud van deze boeken onderschrijven. Hun namen zijn bekend genoeg en ik ben ervan overtuigd dat ze de manier waarop zij in dit boek figureren correct en herkenbaar zullen vinden. De lezer moet echter wel weten dat de gesprekken die ik hen laat voeren aan mijn eigen fantasie zijn ontsproten. Toen Het Rama-document in 1994 werd uitgegeven, tijdens het pontificaat van Johannes Paulus II, heb ik een opvolger bedacht en die Benedictus xvi genoemd. Hij komt voor in Operatie Wederkomst en ook in dit boek. In april 2005 werd kardinaal Joseph Ratzinger paus, en koos hij precies die naam – dat was toeval, en geen profetie van mij! De lezer moet dus onderscheid maken tussen de twee Benedictussen: de fictieve en de echte. Ik wil graag de volgende mensen bedanken voor hun bijdrage aan de totstandkoming van dit boek: Marion S. Ellis, Maria Perez-Stable, Brian C. Bradford, Dr. Stan Gundry, Wayne

5


Little, MD, Ds. Evangelos S. Pepps, en in het bijzonder Dr. Timothy R. Furnish. Paul L. Maier Western Michigan University mei 2011

6


Proloog

S

hannon Jennings Weber genoot van haar lunch in de schaduw van een bremstruik, net als de profeet Elia vroeger. Ze werkte aan een opgraving in Pella aan de oostelijke oever van de Jordaan, ongeveer dertig kilometer ten zuiden van het Meer van Galilea. Dit was het nieuwe territorium van de archeoloog die in Israël met haar troffel het ene na het andere succes had behaald. Ze had deze opgraving georganiseerd in de hoop iets te vinden wat licht kon werpen op een van de belangrijkste gaten in de geschiedenis van de kerk: de tweede helft van de eerste eeuw, toen de christenen wisten te ontsnappen aan de vreselijke Romeinse bezetting van Jeruzalem in het jaar 70 door naar Pella te vluchten voordat de oorlog begon. Hier, dacht ze, op de plek waar de eerste kerk gestaan moest hebben, moesten wel aanwijzingen in de grond verborgen liggen; voorwerpen die verhalen vertelden over de tijd dat het christendom zich begon te verspreiden in het Middellandse Zeegebied. Haar man Jon kon zijn geluk niet op, want ook hij was ervan overtuigd dat Pella een veelbelovende plek was voor een opgraving. Hij gaf les aan Harvard en stuurde Shannon vaak e-mails met vragen als: ‘Heb je al iets gevonden wat erop wijst dat Jezus daar is geweest?’ of: ‘Heb je de vermiste brief van Paulus aan de Korintiërs al gevonden?’ Zelfs als hij schreef hoeveel hij van haar hield en hoezeer hij haar miste, voegde

7


hij er altijd een grapje aan toe, zoals: ‘Heb je al een van Lucas’ schilderijen van de apostelen gevonden?’ of: ‘Als je de bisschopszetel van Jakobus vindt, moet je voorzichtig te werk gaan.’ Er was echter nog niets opzienbarends uit de grond gekomen en de volgende dag zou het team vertrekken. Voordat Shannon hier kwam, hadden teams van de universiteit van Sidney en het Jordaanse ministerie van Antiquiteiten verschillende Kanaänitische tempels uit de bronstijd en de ijzertijd opgegraven; overal staken witte marmeren zuilen uit het hellenistische tijdperk uit de grond. In tegenstelling tot de Australiërs en de Jordaniërs had Shannons team zich geconcentreerd op de vierde-eeuwse kerk van Sint Jakobus. Nadat ze de vloer hadden blootgelegd en interessante mozaïeken, verwonderlijk keramiek en wat munten uit de tweede en derde eeuw hadden opgegraven, vonden ze het mooi geweest. Er waren maar weinig opgravingen die spectaculaire vondsten opleverden, en Pella hoorde daar niet bij. Shannon was tevreden met de resultaten, maar ze kon niet zeggen dat ze dolblij was. Leverden alle opgravingen maar schatten op! Ze schudde haar hoofd toen ze dacht aan de vondst van een paar jaar geleden, die te mooi leek om waar te zijn. Dat had bewezen dat het waar was als men zei: ‘Als het te mooi lijkt om waar te zijn, is het dat meestal ook.’ Terwijl ze een hap van haar peer nam, viel haar blik op iets wat leek op een moderne versie van de oude kerk die ze aan het opgraven waren: de Grieks-orthodoxe kerk van Sint Jakobus de Rechtvaardige. Het oude lichtgrijze gebouw met een blauwe koepel die wel uit een Egeïsche haven leek te komen, stond op een heuveltje net ten oosten van de opgraving. Shannon was er elke dag onderweg naar de opgraving langsgelopen en had bedacht hoe prettig het zou zijn als die kerk al die eeuwen dossiers had bijgehouden en bewaard. Zo veel geluk

8


zou ze echter vast niet hebben, dacht ze. Aan de andere kant: welke twee documenten zou men proberen te redden als de kerk in brand stond? De bijbel en het kerkregister. Dat laatste zou ze graag inzien voordat ze vertrok. De volgende dag liep ze naar de kerk en ze stelde zich voor aan de priester die verrassend goed Engels sprak. Het was een kleine man van middelbare leeftijd, met een lange blonde baard alsof hij het feit dat hij verder kaal was wilde compenseren. De man leek moeite te hebben Shannon aan te kijken, en ze begreep waarom toen hij zei: ‘U bent de knapste vrouw die ons de afgelopen jaren heeft bezocht, mevrouw Weber. Heeft u misschien Grieks bloed? U heeft tenslotte donker haar, en – ’ ‘Ik wou dat het zo was, vader Athanasius,’ antwoordde ze, ‘maar nee, ik ben slechts een Iers-Engelse halfbloed die naar Amerika is verhuisd, en ik ben dol op oude kerken als deze. Hoe lang staat deze hier al?’ De man tikte nadenkend tegen zijn kin. ‘Dit gebouw is in de achttiende eeuw neergezet, maar het is gebouwd op de fundering van de vorige kerk.’ ‘En wanneer is die eerste kerk gebouwd?’ De priester glimlachte, schudde zijn hoofd en zei: ‘Eeuwen geleden. Eeuwen en eeuwen geleden.’ Shannon glimlachte terug. Het liefst zou ze de geestelijke verbazen met het nieuws dat ze waarschijnlijk de grootmoeder van deze kerk aan het opgraven was, maar dat zou voorbarig zijn. Eerst moest het officiële verslag van de opgraving gepubliceerd worden. ‘Is er een kerkregister van deze kerk? Of een bibliotheek?’ vroeg ze. ‘Ja, natuurlijk.’ ‘Ik ben gek op oude boeken. Zou u zo vriendelijk willen zijn me uw verzameling te laten zien?’ ‘Uiteraard. Loopt u maar mee.’

9


Ze liepen door een zonovergoten tuin met wijnstokken aan beide kanten en betraden de bibliotheek. De priester liet Shannon de rijen boekenkasten zien tot ze in een pad kwamen waar de planken doorbogen onder het gewicht van de enorme oude boeken, waarvan sommige waren gebonden in grijs-wit perkament. Daar bleef Athanasius staan om Shannon te vertellen waarom deze kerk was vernoemd naar Jakobus de Rechtvaardige. Hij pakte een van de oude boeken en zei: ‘Dit is Historia Ekklesiastica van Eusebius. Kent u Eusebius?’ ‘Natuurlijk! Hij is de vader van de kerkgeschiedenis.’ Athanasius glimlachte en knikte waarderend. Hij legde het boek op een tafel en sloeg het open bij een gemerkte pagina. Toen vertaalde hij de Griekse woorden die vertelden over het martelaarschap van Jakobus de Rechtvaardige uit Jeruzalem, de halfbroer van Jezus – volgens sommigen zijn neef – en de eerste bisschop van de christelijke kerk. ‘Eusebius heeft geschreven dat hij zijn informatie heeft gekregen van Hegesippus,’ vervolgde de priester. ‘Weet u wie Hegesippus is?’ ‘Ja, zeker. Mijn echtgenoot wordt helemaal lyrisch als hij het over hem heeft. Hij vertelt zijn leerlingen altijd dat we, als we de verloren gegane eerste vijf boeken van die eerste-eeuwse joods-christelijke geschiedkundige hadden, nu veel meer wisten over de eerste kerk.’ Vader Athanasius keek haar stralend aan. ‘Ja, daar heeft u helemaal gelijk in.’ Terwijl hij Shannon de tekst liet zien, viel haar blik op de boekenlegger. Het waren verschillende bruinige vellen van een soort perkament. Aan de donkerdere kleur was te zien dat ze ouder waren dan het boek van Eusebius. Veel ouder. De letters waren zo verbleekt dat ze nauwelijks leesbaar waren. ‘Heeft u dit weleens gelezen, vader Athanasius?’ vroeg ze, wijzend naar de donkere bladen. ‘Kunt u het lezen?’

10


Hij schudde zijn hoofd. ‘Ik ken maar een paar woorden oud-Grieks. Het moet wel oud zijn. Heel oud.’ ‘Ja, zeker.’ Het was duidelijk dat de bladen uit een groter werk kwamen – waarschijnlijk uit een codex, de oudste boekvorm ter wereld – en Shannon kon alleen maar raden of die codex ergens op de planken om hen heen stond. ‘Heeft u een idee waar deze bladen vandaan komen?’ vroeg ze. ‘Heeft u er nog meer?’ Vader Athanasius haalde zijn schouders op. ‘Dat weet ik niet. De priester voor mij heeft me het boek van Eusebius laten zien en me verteld hoe ik het kon gebruiken om mensen uit te leggen waarom deze kerk is vernoemd naar de heilige Jakobus. Ik heb hem nooit gevraagd naar die bladen.’ ‘In Amerika hebben we apparatuur waarmee we de tekst gemakkelijk weer zichtbaar kunnen maken. Iets wat zo oud is, kan weleens belangrijk zijn. Heel belangrijk.’ Ze zweeg, wetend dat ze niet zo direct had moeten zijn, maar de woorden waren over haar lippen gerold voordat ze ze kon tegenhouden. ‘Zou het mogelijk zijn dat ik ze voor een tijdje meeneem naar Amerika? Ik zou ze snel terugsturen, samen met een duidelijke versie van de herstelde Griekse tekst.’ Vader Athanasius staarde met een gekwetste blik naar de boekenplanken voor hem en zweeg. ‘Ik zou ze met mijn leven beschermen, Vader. De tekst kan belangrijk zijn, en als dat zo is, kunnen we meer te weten komen over de eerste jaren van de kerk.’ Hij schudde langzaam zijn hoofd en zei: ‘Is het niet aan de Grieken om een Griekse tekst te vertalen, mevrouw Weber? Ik zal deze bladen meenemen naar Athene als ik de aartsbisschop bezoek. Ik weet zeker dat hij en zijn personeel het kunnen ontcijferen.’ De moed zonk Shannon in de schoenen. Tegen deze logica kon ze niets inbrengen. Ze probeerde het nog een laatste keer.

11


‘Misschien kunnen ze de tekst ontcijferen, vader Athanasius, maar misschien ook niet. De letters zijn hier en daar verdwenen, en de rest is nauwelijks leesbaar. Ik ben bang dat alleen ultraviolet licht en andere apparatuur die mijn man op de universiteit Harvard heeft, de tekst tevoorschijn kunnen laten komen.’ ‘Geeft uw man les aan Harvard?’ Athanasius streelde zijn baard. ‘Wat is zijn naam? Zijn voornaam bedoel ik.’ ‘Jon, of eigenlijk Jonathan.’ De priester sperde zijn ogen wijd open. ‘Jonathan Weber? Toch niet dé Jonathan Weber? De man die O Jèsous apo tèn Nazaret heeft geschreven?’ Shannon glimlachte. ‘Inderdaad.’ Voordat ze met Jon trouwde, had hij al verschillende internationale bestsellers geschreven. Zijn boek Jezus van Nazaret was al in meer dan dertig talen verschenen. Blijkbaar was vader Athanasius ook fan van hem. ‘En u bent met hem getrouwd?’ Toen ze bescheiden knikte, glimlachte Athanasius van oor tot oor. ‘In dat geval, mevrouw Weber, mag u de bladen wel van me lenen. Het boek van uw man over het leven van Christus is het beste dat ik ooit heb gelezen!’ Hij wachtte even en Shannon zag pretlichtjes in zijn ogen verschijnen toen hij zich leek te bedenken. ‘Maar nee, u kunt ze niet meenemen… tenzij u mijn O Jèsous signeert!’ Shannon wilde protesteren dat ze geen boek kon signeren dat ze niet zelf had geschreven, maar waarom zou ze dit moment vergallen? Daarom knikte ze. Voorzichtig haalde Athanasius de tabakkleurige vellen uit het boek en hij snelde naar zijn kantoor, waar hij de Griekse versie van Jons boek van een plank achter zijn bureau pakte. ‘Ik heb het wel drie keer gelezen,’ zei de priester trots. Shannon zette haar handtekening in het boek, keek de man

12


aan en zei: ‘Ik wil nog een laatste gunst van u vragen, vader Athanasius. Als u de tijd ervoor heeft, wilt u dan alstublieft kijken of er nog meer oude bladzijden in de bibliotheek zijn? Het maakt niet uit of ze ingebonden zijn of niet, ze kunnen belangrijk zijn.’ Hij knikte. ‘Dat zal ik zeker doen, mevrouw Weber.’ Shannon nam de vijf bruine bladen van het manuscript dankbaar aan. Hopelijk zouden ze licht werpen op de geschiedenis van de vroegste kerk. Ze kon toen nog niet weten welke enorme veranderingen in gang waren gezet door de vondst van een paar oude, bruine vellen.

13


1

J

onathan Weber was een beroemd man geworden. Vanwege zijn bestsellers en zijn archeologische detectivewerk in Israël, waardoor hij volgens zijn fans het christendom had gered, was hij uitgenodigd in het Vaticaan, het Witte Huis en zelfs in Buckingham Palace. Ondanks zijn bijzondere avonturen vond Jon de terugkeer van zijn vrouw van haar opgraving in Pella een van de hoogtepunten van zijn leven. Het was niet alleen de vreugde omdat hij Shannon weer zag – dat opgewekte Ierse elfje dat hem met haar saffierblauwe ogen had betoverd – maar ook omdat ze een aandenken voor hem had meegenomen uit Jordanië. De dag nadat ze was teruggekomen, namen Jon en Shannon de bladen uit het manuscript mee naar zijn kantoor in Harvard. In een kamertje naast zijn kantoor was een klein maar geavanceerd laboratorium ingericht om oude manuscripten te herstellen. Midden in de ruimte stond een ultravioletscanner. Daar had hij veel aan gehad tijdens het onderzoek van palimpsesten, perkamenten die waren hergebruikt nadat de oorspronkelijke tekst was verwijderd. De doordringende paarse stralen van het instrument lieten de oorspronkelijke tekst meestal duidelijk zien. Shannon deed de jaloezieën dicht terwijl Jon het apparaat aanzette. Jon was zo opgewonden dat hij zijn hartslag bijna boven het gezoem van de scanner uit kon horen.

15


Codex Constantijn