Issuu on Google+

Mijn broer, mijn broer


Michael Alexander Eisner

Mijn broer, mijn broer roman | Mozaïek

Uitgeverij Mozaïek, Zoetermeer


Michael Alexander Eisner studeerde aan de juridische faculteit van Yale University en is gespecialiseerd in Internationaal Recht.

Ontwerp omslag: Wil Immink Vertaling: Dior Zwarthoed-van Nieuwenhuizen Oorspronkelijk verschenen bij Anchor Books, Random House Inc. USA, onder de titel The Crusader isbn 978 90 239 9401 5 nur 342 © Engelstalige versie 2001 Michael Alexander Eisner © Nederlandse vertaling 2004 Uitgeverij Mozaïek, Zoetermeer © Midprice-editie 2011 Uitgeverij Mozaïek, Zoetermeer Meer informatie over deze roman of andere uitgaven van Mozaïek vindt u op www.uitgeverijmozaiek.nl Alle rechten voorbehouden.


Voor mijn vader en moeder


Frankrijk

Venetië

León

Corsica

Portug

al

Aragón Castile

Rome

Barcelona Tortose

Sardinië

Calatrava

Balearen Sicilië

Granada

Malta

Klooster Kasteel Bisdom Aartsbisdom

Tripoli

Catalonië Cardona Lérida Poblet Tarracón Tortose

Manresa Santes Creus

Montserrat Montcada Barcelona

Gerona


H et M iddellandse Z eegebied Ca. 1270 AD

Hongarije

Vroeg-Bulgaarse Rijk

De Zwarte Zee

Constantinopel

Armenië

Aleppo Antiochië

Kreta

Krak des Chevaliers Botron Syrië Sidon Beiroet Damascus Tyrus Toron Acre

De Middellandse Zee

Jeruzalem

Egypte


De volgende bladzijden bevatten de bekentenissen van Francisco de Montcada, ridder in het leger van Christus; ze zijn voorzien van commentaar door Gods nederige dienstknecht broeder Lucas uit Santes Creus, biechtvader van Francisco en schrijver van zijn woorden. Anno Domini 1275


I Een man van smarten

 De tiende dag van juli in het jaar onzes Heren 1275 Het regende niet meer. Ik boog me voorover en keek door het venster van het rijtuig. De roze stenen van de kloostermuren lichtten op in de nacht. Een grijze mist hing boven de bevroren grond. Het was al na middernacht. Ik wachtte al enkele uren op het moment dat we weer herenigd zouden worden. Eigenlijk wachtte ik al enkele jaren – zes, om precies te zijn – maar ik had me de omstandigheden anders voorgesteld. De bode kwam naar buiten en liep het rijtuig tegemoet. Hij was nog maar kort geleden tot priester gewijd; zijn pasgeschoren kruin glom in het maanlicht. ‘Welkom in Poblet’, zei hij. Ik vroeg: ‘Hoe heet je, broeder?’ ‘Silva’, antwoordde hij, ‘Silva uit Cerdagne.’ Ik stelde mijzelf voor en zei hem me naar de cel van Francisco de Montcada te brengen. Hij sloeg zijn ogen neer en zei niets. Het was een lange reis geweest en ik voelde me geïrriteerd en ongeduldig. ‘Versta je me, broeder Silva?’ ‘Ja, broeder Lucas’, gaf hij ten antwoord, ‘maar vader Adelmo heeft gezegd dat geen enkele bezoeker de cel van de kruisvaarder mag binnengaan.’ 9


‘Ik heb een brief met het zegel van aartsbisschop Sancho van Taracón’, zei ik. ‘De brief volmachtigt mij Francisco onder mijn hoede te nemen en belast mij met het uitdrijven van de demonen die bezit van hem hebben genomen.’ ‘Misschien is het beter dat ik vader Adelmo erbij roep’, zei Silva, ‘dan kunt u de zaak met hem bespreken.’ ‘Nee, broeder Silva, ik wil Francisco nú zien’, antwoordde ik streng. Schoorvoetend ging Silva me voor, de kerk in. Ik rook de vertrouwde wierookgeur van de metten, het eerste gebed van de morgen. Ik haalde diep adem; de scherpe geur prikkelde mijn zintuigen. Voor mij was dit de geur van God, de geur van thuis, het enige thuis dat ik ooit gekend had. De monniken waren al aanwezig en wachtten met de aanhef van hun gezang tot de abt er was. Ik zag enkele mannen geeuwen en een aantal jongere jongens wreven in hun ogen. Terwijl ik over het middenpad liep, staarden alle aanwezigen me na. Een oudere monnik probeerde de aandacht van de anderen te trekken door met de liturgie te beginnen, maar hij werd genegeerd. Toen ik het stenen kruis aan de voet van het podium bereikte, knielde ik neer. In stilte bad ik: ‘Heilige Maria, zegen me en bewaar me voor het kwade. Geef me alstublieft de kracht mijn opdracht uit te voeren.’ Ik sloeg een kruis, stond op en volgde Silva naar een deur die de kerk en het klooster met elkaar verbond. Toen we over de binnenplaats liepen, zag ik meerdere schrijftafels tussen de pilaren staan. De monniken hadden hun manuscripten op een stenen bank onder de promenade gelegd om het perkament te beschermen tegen de regen. Het viel me op hoe scherp de gekalligrafeerde letters zich aftekenden tegen de lichte achtergrond; de lussen waren trefzeker getrokken. In de hoek van de binnenplaats gingen we de toren binnen. Broeder Silva stak een fakkel aan en begon de wenteltrap te beklimmen. Ik volgde hem en probeerde hem bij te houden, maar de jongen verdween uit mijn zicht en het felle licht nam snel af zodat ik in volkomen duisternis achterbleef. 10


Voorzichtig, op de tast, ging ik naar boven. Mijn sandalen gleden uit op de koude stenen en ik probeerde mijn evenwicht te bewaren door de smalle trapleuning stevig vast te houden. Ik nam een trede en toen nog een, net zolang tot ik in een vast ritme kon doorlopen en het gebons in mijn borst afnam. Toen ik de bovenste trede bereikte, stond Silva me op te wachten. Ik had me voorgenomen de jongen te straffen voor zijn haast, maar mijn aandacht werd afgeleid door een deur, slechts een meter bij me vandaan. ‘Bent u klaar, broeder Lucas?’ vroeg hij. De vlam verlichtte één kant van zijn gladgeschoren gezicht – het was gespannen en onzeker. Ik aarzelde even voordat ik knikte. De kamer was nagenoeg leeg; er hing alleen een houten kruis aan het andere eind van de ruimte. Het licht van de sterren viel door een klein raam naar binnen, waardoor de cel een mysterieuze, bijna griezelige aanblik kreeg. Een stuk oud brood vol kakkerlakken verstoorde het lichtspel op de stenen vloer. In de schaduwen bewoog iets. Een man zat ineengedoken op wat stro. Ik liep naar binnen; de walgelijke geur van ontlasting en zweet viel als een deken over me heen. Ik pakte een stuk doek uit mijn pij en hield het voor mijn neus en mond. Toen liep ik naar de man toe om hem beter te kunnen zien. Hij was met een ketting rond zijn pols aan een ijzeren ring in de muur geketend en droeg een gescheurde mantel die zijn uitgemergelde lichaam nauwelijks bedekte. Zijn bruine haar was lang en zat vol klitten. Zijn baard was in tijden niet meer verzorgd. Zijn blauwe ogen keken wazig voor zich uit. Hij was qua uiterlijk zeer veranderd, maar toch herkende ik hem. ‘Hij heeft nog helemaal niets gezegd’, zei broeder Silva. ‘Soms mompelt hij een paar woorden in zijn slaap, maar die zijn onverstaanbaar. Veel van de monniken geloven dat hij een geheim, duivels dialect spreekt. Ze zijn bang dat hij een banvloek over hen uitspreekt.’ Ik was zelf ook bang, bang voor de demonen die Francisco in hun macht hadden, bang voor de ontzagwekkende macht van de 11


duivel die een man als Francisco zo compleet kon vernederen. Mijn eerste reactie was dan ook: vluchten! Ik greep het kruis om mijn hals stevig vast en probeerde de angst die uit mijn buik opkwam te onderdrukken. Onthoud wie je bent. Onthoud waarvoor je hier gekomen bent. Denk aan je ambt. Ik deed twee stappen naar voren en stak mijn hand uit naar de spookgedaante in de schaduwen. Ik legde mijn hand op zijn slaap en bewoog die langzaam over zijn wang naar zijn kin. Toen ik mijn hand wegnam, waren mijn vingers bedekt met slijm en vuil. Een koude windvlaag waaide door het kleine raam en beet in mijn gezicht. Ik deed een stap achteruit en voelde Silva’s hand op mijn schouder. ‘Het is een hopeloze zaak’, zei broeder Silva. ‘Vader Adelmo heeft wekenlang geprobeerd de demonen uit te drijven. Hij heeft hem adergelaten, gebrand, geprikt, zelfs opnieuw gedoopt. Maar niets heeft geholpen.’ Ik stak mijn hand uit naar de ketting waarmee Francisco was vastgemaakt. Ik bekeek de schakels van de muur tot aan zijn pols waar ik een dikke laag opgedroogd bloed zag. Mijn stilzwijgen maakte dat broeder Silva zich ongemakkelijk voelde, maar de omstandigheden waarin Francisco gevangen werd gehouden droegen daar waarschijnlijk ook toe bij. ‘Hij moet van vader Adelmo aan de muur geketend worden. Het is voor zijn eigen veiligheid, broeder Lucas.’ Ik zei niets. Beelden van ons beider leven in Santes Creus tolden door mijn hoofd: het roestige, ijzeren hek van het klooster, de paarse bloemen rond de regenbak, de eikenhouten tafel waaraan we in volledige stilte onze maaltijden aten. Ik liet de ketting los en veegde Francisco’s haar opzij zodat ik zijn gezicht beter kon zien. Hij leek veel ouder dan zevenentwintig jaar. Zijn blauwe ogen waren nu flets en leeg. Vanuit zijn ooghoeken doorgroefden donkere lijnen zijn gelaat tot aan zijn slapen. Zijn lippen, grauw en smal, stonden een beetje uit elkaar alsof hij een verschrikkelijk geheim wilde vertellen. Zijn wangen 12


waren ingevallen en de huid boven zijn baard was bleek. Zijn bakkebaarden groeiden wild en reikten tot aan zijn harde kaken die uit zijn baard staken als een gladgepolijste steen. ‘Francisco, ik ben het. Lucas.’ Ik herhaalde zijn naam diverse keren, maar hij reageerde niet. ‘Broeder Lucas’, zei Silva, ‘er is niets aan de stank te doen. Van vader Adelmo mag niemand hier naar binnen zonder zijn toestemming. We hebben ons best gedaan om…’ Ik hief mijn hand op en broeder Silva hield meteen zijn mond. Ik was hier niet naartoe gekomen om over hem of de andere monniken te oordelen. Zijn geklets verstoorde mijn concentratie terwijl ik het gezicht van Francisco nauwkeurig bekeek. Ik zocht een teken van leven, iets dat me aan vroeger zou doen denken. Ik vond niets. Broeder Silva niesde en ik bood hem mijn doek aan. Toen ik Francisco daarna weer aankeek, zag ik dat hij naar me opkeek. Onze blikken kruisten elkaar enkele seconden voordat hij zijn hoofd afwendde. ‘Kende u hem goed, broeder Lucas?’ vroeg de jonge monnik. ‘Hij was mijn vriend’, antwoordde ik. Ik haalde een paar keer diep adem, maar de bedompte, ongezonde lucht in de cel bracht geen verlichting. Integendeel; ik stikte bijna. Mijn benen werden slap. Ik draaide me om en liep de gang in. Silva volgde me en deed de deur achter ons dicht. ‘Gaat het, broeder Lucas?’ vroeg hij. Ik boog voorover, legde mijn handen op mijn dijen en antwoordde: ‘De wereld staat op zijn kop, broeder Silva.’

13


II Santes Creus

 Ik ontmoette Francisco tien jaar geleden. Hij was tegen het einde van de zomer van het jaar onzes Heren 1265 in het klooster aangekomen. Hij was zestien jaar oud, één jaar ouder dan ik. Abt Pedro had ons verteld dat hij zou komen, de zoon van een machtige baron, een heuse Montcada. De adel stuurt zijn eerstgeboren zonen soms naar een klooster – meestal voor drie jaar – om een opleiding te krijgen voordat ze de rol van hoofd van de familie op zich nemen. Cisterciënzer kloosters vermijden over het algemeen de aanwezigheid van zulke tijdelijke bezoekers die oblaten worden genoemd. De weg naar volmaaktheid – de weg van onze Heiland – vereist een volledige toewijding, een onbegrensde devotie. Abten kunnen echter uitzonderingen maken en Francisco was zo’n uitzondering. Met bebloede vingers en een vast geloof houwden de eerste cisterciënzer broeders meer dan honderd jaar geleden een heiligdom uit in de wildernis in Santes Creus. Maar geloof is zelden voldoende. De constructie en het onderhoud van tempels die zijn bedoeld ter bevordering en weerspiegeling van de geestelijke glorie van het koninkrijk van Christus vereisen een wereldser vorm van financiering. De familie Montcada had vanaf het begin in die financiering voorzien. Door dit offer hadden vele leden van de familie hun plek in het paradijs veiliggesteld, alsmede een eeuwige rustplaats in het klooster. 14


Om onze weldoeners niet te vergeten, lopen de monniken zeven keer per dag langs de grafkelder van de Montcada’s die is uitgehouwen in de stenen muur naast de deur naar de kerk. Daar liggen de lichamen van Garsenda de Provence en Guillem de Montcada, overgrootouders van Francisco. Tijdens zijn leven was Guillem de machtigste onderdaan van de Kroon geweest. Hij leidde de strijdmacht die het eiland Majorca veroverde op de heidenen in het jaar onzes Heren 1229. De bijzonderheden van Guillems martelaarschap zijn bekend onder de bevolking van het koninkrijk Aragón. De familie had namelijk een lied laten componeren om zijn roemrijke daden te gedenken. Ik leerde het tijdens mijn eerste jaar als novice en ik kan de verzen nog opzeggen. Een van de Saracenen, zo ging het verhaal, stak een spies in zijn zij, maar ondanks dat zijn ingewanden uit zijn buik hingen, leidde Guillem de christelijke strijdkrachten vanaf zijn rijdier. Hij viel pas dood neer vlak voor de poorten van de stad Lapalme. Guillem moet de geest van de witte ridder Sint Joris gezien hebben en de komende overwinning hebben aangevoeld voor hij zijn ziel toestond naar de hemel te gaan. De witte ridder joeg de heidenen angst aan en leidde hen af door te paard over hun vestingwerken te galopperen. Door de verwarring die ontstond konden onze soldaten een bres slaan in de stadsmuren. Eenmaal binnen hadden de soldaten van Christus Gods vergelding over de inwoners gebracht. Ze zeggen dat bijna alle Saracenen – mannen, vrouwen en kinderen – nog geen twee uur daarna dood waren. Het bloedbad was gruwelijk! Als niet iedereen van de goddelijke herkomst van het plan had afgeweten, hadden sommigen de nobele bedoelingen ervan kunnen verwarren met het werk van de duivel. Het behoeft geen betoog dat abt Pedro en de andere monniken enthousiast naar de komst van de Montcadaerfgenaam uitkeken. De abt liet schilders uit het Barcelonagilde komen om de gevel van de kerk en verschillende delen van de hoofdkloostergang opnieuw te decoreren. Ook kreeg de grafkelder met het familiewapen, een rood schild met zeven bezanten – gouden munten uit Byzantium – een nieuw laagje verf. 15


Mijn broer, mijn broer