Issuu on Google+


Essayistische theologie De uitgaven die bij Uitgeverij Boekencentrum als ‘Essay’ verschijnen, hebben gemeenschappelijk dat hun auteur ten aanzien van een thema uit de theologische wetenschap voor een breder geïnteresseerd publiek onder een positieve en creatieve benadering van de traditie een persoonlijk standpunt inneemt en verdedigt. Zie voor eerder verschenen werk de laatste pagina van dit essay.


Hendrik Vreekamp

Zwijgen bij volle maan Veluwse verkenning van Edda, Evangelie en Tora

Essay

Derde druk

Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer


Ontwerp omslag: iGlow Media, Henk van der Velden Illustratie omslag: beeld ‘Anastasius Veluanus’ te Garderen door Gerard Overeem; foto Brand Overeem ISBN 90 239 1346 9 NUR 708 Meer informatie over dit boek of over andere boeken van Uitgeverij Boekencentrum vindt u op www.boekencentrum.nl © 2003 Uitgeverij Boekencentrum, Zoetermeer Tweede druk 2004 Derde druk 2005 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


Aan de gedachtenis van mijn vader Rikkert Vreekamp 1922-1999


Inhoud

Dit boek DEEL I 1.

9

AARDE

Het landschap

DEEL II

WATER

13 15 33

2. Veluwenaar in Voorthuizen 3. Voorganger in Garderen 4. Vreemdelinge in Nijkerk

35 48 68

DEEL III

LUCHT

85

5. Edda De hamer van Thor Uddel De ogen van Odin Uddelermeer De armen van Gerda Springdel De boom van Urth Heidensgat

87

6. Evangelie De Heiland der heidenen Putten, Ermelo, Harderwijk Midden in de winternacht Noordeinde, Oosterwolde, Hattem

89 92 111 115 121 129 139 7


Witte pauwen Staverden, Elspeet, Hoog Soeren De middaghoogte Kootwijk, Barneveld, Hoevelaken 7. Tora De ene dag Arnhem De ene Naam Harderwijk De ene geschiedenis Elburg De ene schepping Apeldoorn

152 158 164 165 173 182 187

INTERMEZZO Kennismaking Kootwijkerzand

195 197

DEEL IV

227

VUUR

8. Winter Epe 9. Lente Terwolde 10. Zomer Nijbroek DEEL V

QUINTESSENS

229 246 258 275

Verwachting Utrecht

277

BRONNEN

305

8


Dit boek

I

n het najaar van 1939 verschijnt bij uitgeverij Callenbach in Nijkerk op de Veluwe het boek Edda en Thora, geschreven door dominee K.H. Miskotte uit Amsterdam. Het gaat niet over de belevenissen van twee domineesdochters zoals sommigen denken. Miskotte schrijft over de oude goden- en heldenliederen van Noord-Europa, zoals die zijn verzameld in de Edda, en over het heilig onderricht van Israël in de Tora, de Hebreeuwse bijbel. De ondertitel van het boek luidt: Een vergelijking van Germaanse en Israëlitise religie. Miskotte schreef Edda en Thora in vijf maanden, ‘in de snikhete zomer van 1939 in een pensionnetje in Putten, omdat ik dacht: ze kómen … En ze waren er al vóór het uit was. De Germanen onder ons’. Aldus de schrijver dertig jaar later in een interview met Henk Biersteker bij het verschijnen van de tweede druk van zijn boek. In een Naschrift kijkt Miskotte dan terug op de jaren na 1939: ‘In het schrikbewind van het nazisme was de uitroeiing van Israël tot op de kinderen begrepen. Wij hebben allemaal direct of indirect aanschouwelijk onderwijs gehad in de onmenselijkheid der mythe; de uitroeiing van miljoenen joden werd het zegel op het einde van het Rijk’. Intussen zijn we opnieuw dertig jaar verder. In het nummer van 10 juli 1999 schetst het weekblad Hervormd Nederland portretten van heidenen, Joden en christenen in Nederland. Onder het opschrift ‘Hedendaagse heidenen en hun bloed-enbodemgoden’ volgt een artikel over de herleving van het Germaanse heidendom. Enkele bladzijden daarvoor staat onder de titel ‘Uitgejouwd’ een interview met rabbijn Binyomin Jacobs uit Amersfoort. ‘Noem het vandalisme, noem het baldadigheid, maar het maakt me bezorgd dat ik tegenwoordig word nageroepen’, zegt hij. Tussen beide artikelen in worden we geïnformeerd over een spoedcursus christendom. Dominee 9


Wim Dekker heeft de Alpha-cursus onder zijn hoede. Hij vindt de leergang ‘een heel goed middel in het zoeken van een persoonlijke relatie met Jezus Christus’, maar vraagt zich wel af waar Israël en het Oude Testament zijn. Jezus is toch niet uit de lucht komen vallen? Heidenen komen terug, Joden worden uitgejouwd en christenen beleggen spoedcursussen om te overleven. Dat is nog niet alles. In hetzelfde nummer van Hervormd Nederland wordt melding gemaakt van het afscheid van dominee René Süss uit Amsterdam. Hij keerde terug naar de synagoge. Later zou hij zich nader verantwoorden in zijn boek De messias moet nog komen. Op de voorkant van het weekblad staat met grote letters Verdwenen vlinders. Vlinders zijn goede graadmeters. Verdwijnen ze, dan is er met de natuur iets mis. De boodschap is dat de vlinderpopulatie in Nederland achteruit gaat. Jodendom en christendom lijken in Nederland verdwijnende populaties. Intussen is het heidendom alvast aan zijn terugkeer begonnen. Want er ‘is geen volk en geen periode in de geschiedenis waarin en waarop de heiden niet op de loer ligt om zijn vroegere vrijheid te herwinnen’, schrijft Abel Herzberg in 1934. Over heidendom, christendom en jodendom anno 2003 gaat dit boek. Rode draad is de herontdekking van het Evangelie tussen Edda en Tora, van de christen tussen Jood en heiden, van de kerk tussen Israël en de volken. Het speelt zich af op de Veluwe. Met Ida Gerhardt in haar gedicht ‘Holland’ zoek ik als basis een klein bestek, want ‘hoe kleiner veld hoe scherper lens’. Het Veluwse land is pars pro toto, staat als deel voor het geheel. Het boek heeft iets van een collage, omdat ik probeer het geheel van de heidense, Joodse en christelijke culturen in het oog te houden. Vooral de locatie waar geloof en cultuur zich afspelen, krijgt aandacht. Ik beperk me tot het verhaal van heidenen, christenen en Joden in hun onderlinge relaties. Hoe moslims, humanisten, vrijmetselaars, agnosten en andere Veluwenaren hun verhouding tot heidendom en jodendom tekenen, valt te lezen in een ander boek.

10


Het boek telt vier delen, verwant aan de vier elementen aarde, water, lucht en vuur, onderbroken door een intermezzo en besloten met de quintessens, het vijfde element dat de genoemde vier bezielt. Deel I brengt het landschap van de Veluwe als deel van NoordEuropa in kaart. Zo wordt de basis gelegd voor de mens die in de tijd ‘dwars door het landschap’ gaat. Edda, Evangelie en Tora zijn bronnen van respectievelijk heidendom, christendom en jodendom. Deel II portretteert vertegenwoordigers van de drie stromingen. De heiden ontmoeten we in de persoon van Evert Rik Bouw uit Voorthuizen. Hij is heiden in de oorspronkelijke zin: mens van de heide, het platteland, levend op het ritme van de seizoenen en vergroeid met de natuur. Voor de tekening van de christen blijkt afstand in de tijd noodzakelijk. Het huidige christendom op de Veluwe is zo veelkleurig en ook zo verdeeld, dat een herkenbare representant niet te vinden is. We gaan terug in de tijd. Hoofdpersoon is Joan Gerritszoon Versteghe uit Stroe, (hulp)pastoor in Garderen van 1544 tot 1550. Hij geldt als de reformator van de Veluwe en schreef het oudste reformatorische geschrift in ons land: Der Leken Wechwyser. Het portret van de Veluwse Jood is dat van Roza Hamburger. Zij werd geboren in 1922 in Nijkerk, overleefde negen kampen en woont sinds 1947 in Israël. Daar draagt zij haar naam Rachel. Voor meer inzicht in het leven van heiden, christen en Jood volgen we hen in deel III op wandelingen over het Veluwse land. Adelheid, oermoeder van Evert, Maria, dochter van Joan Gerritszoon en Samuël, grootvader van Rachel, leiden ons rond in hun geschiedenis, lezen op locatie voor uit de heilige boeken en vertellen over hun traditie. Nog bestaan op de Veluwe heidense plekken die doen spreken van de oude sagen en mythen. We krijgen het gedicht te horen waarmee de Edda opent, Völuspá, de voorspelling van de wijze zieneres. Leidraad bij de wandelingen naar christelijke locaties is het evangelie zoals dat in de loop van de negende eeuw voor de Saksen werd herdicht in de Heliand. Voor de Joodse Veluwe wandelen we langs de synagogen, die als een muur rondom het land liggen. De Tora ligt opengeslagen bij het laatste hoofdstuk van de profetie van Zacharja.

11


Na de wandelingen, die al met al drie jaar in beslag nemen, is het tijd voor een Intermezzo. We arriveren in het Kootwijkerzand, de grootste zandverstuiving van West-Europa. Dit is de plek voor nadere kennismaking. De heiden, christen en Jood hebben elk zich laten meevoeren over onbekende paden. Nu is het ogenblik aangebroken om elkaar diep in de ogen te zien en indringende vragen te stellen. Door de vragen van de heiden en de Jood raakt de christen in een crisis. We volgen, in deel IV, Maria in haar kerkbezoek met Kerst, Pasen en Pinksteren. Wat is de quintessens van deze verkenning van Edda, Evangelie en Tora? Het antwoord klinkt in deel V. De locatie is het Domplein in Utrecht. We hebben afscheid moeten nemen van de Veluwe, om de plaats van het Evangelie tussen Edda en Tora scherp in het vizier te kunnen krijgen. Epe, Pinksteren 2003

12


DEEL I

AARDE


1. Het landschap Namen op de borden duiden aan hoe de tijd dwars door het landschap loopt. Willem van Toorn

I

n den beginne schiep God de hemel en de aarde. De aarde nu was woest en ledig. Leeg en woest was ook de Veluwe. Ooit ging dit land schuil onder ijs. Vanuit het hoge noorden schoof bevroren water – tientallen meters dik – langzaam maar zeker in zuidelijke richting. De Veluwe werd grensgebied tussen noord en zuid, ingesloten tussen zuidelijk vuur en noordelijk ijs. Een ontoegankelijk en ondoorgrondelijk land. In het jaar 1432 beschrijft hertog Arnoud van Gelre de Veluwe als een ‘wilt en bijster’, een woest en leeg land, waar veel misdrijven plaatsvinden. En nog in 1654 tekent de Nijkerkse Arend van Slichtenhorst in zijn ‘Geldersche Geschiedenissen’ de Veluwe als ‘een wilt en bijster lant, dat weghen haere zandduynen, heuvelen, rouwe heyd, bergen, met naemen in haer middelrift, half gelijkt op een wildernis’. Tegen het einde van de negentiende eeuw wordt in de buurt van Beekbergen het laatste moerasoerwoud van Europa geveld. Het Beekbergerwoud – dan zo’n vierduizend jaar oud – was volgens de omwonenden ‘grondeloos diep’. Over deze unieke plek schreef in 1886 Frederik van Eeden: ‘Dit bosch had als monument van de voormalige natuur in ons land niet minder waarde dan de oude gebouwen voor de geschiedenis van de vaderlandsche kunst, en het redden van zulke plekjes uit sloopershanden moest worden opgedragen aan de Koninklijke Academie voor Wetenschappen’.

15


Vale Ouwe De weg naar het noorden is vanouds moeilijk te vinden. En eenmaal ontdekt, blijkt het pad niet gemakkelijk begaanbaar. De weg is geplaveid met grenzeloze gevaren. In de verbeelding van schrijvers uit de antieke oudheid is Noorwegen een sprookjesland, Ultima Thule. Zij stellen het zich voor als een gebied dat bevolkt is door wilde barbaren en bezet door fantastische wezens. Herodotus, de ‘vader van de geschiedschrijving’, – hij leefde in de vijfde eeuw voor Christus – klaagt dat het ten enenmale onmogelijk is iets van deze noordelijke streken te beschrijven omdat men eenvoudig geen hand voor ogen kan zien. Dat komt door witte veren die een mens voortdurend in het gezicht vliegen. De lucht is vol van die veren en ook liggen ze als een dik tapijt op de aardbodem. We krijgen te horen hoe een zuiderling een noordelijke sneeuwstorm probeert te schilderen. Het Veluwse land werd dus geformeerd in de lange loop van een ijstijd. De oerkracht van schuivend ijs schiep een land van stuwwallen, smeltwatervlakten, moeras, oerwoud, zandwoestijn en heidevelden. Toen op den duur het ijs was gesmolten, bleek in het oosten de IJssel en in het zuiden de Rijn te stromen, lag in het westen een vallei van grauwe venen en grensde aan de noordkant de heerszuchtige zee. Veluwe aan zee, zo was het ooit. Geografisch gezien was er sprake van een eiland. En een eiland is dit oord nog, voor velen symbool van eigenzinnig isolement. Onder de Europese zon strekt zich de Veluwe uit als zuidelijk grensgebied van de noordelijke wereld. Hier moet het zuiden tenslotte plaats maken voor het noorden. Het Veluwse oord is een Midgard, een gaarde in het midden, Midden-Nederland, maar zonder enige twijfel verwant met de noordelijke gewesten. Van de naam Veluwe zijn oude varianten bewaard gebleven, zoals Falwa, Felua, Felaouwe en Vale Ouwe. Uit het jaar 838 is de Karolingische gouwnaam Pagus Felua bekend. Van de betekenis van de naam Veluwe blijft nog altijd te raden over. Sommigen nemen aan dat de naam is afgeleid van de kleur van de grond. Vale Ouwe zou dan betekenen ‘vaal’ land, in contrast met Bate Ouwe, de Betuwe, het ‘batige’ land tussen de rivieren.

16


Genesis Volgens het bijbelboek Genesis verschijnen wij mensen niet eerder ten tonele dan op de zesde dag van de week. Tot aan de vrijdag zijn wij er dus niet bij. Ons wordt verteld wat voorafgaand aan onze komst plaatsvond. Willem Zuidema heeft het begin van Genesis naverteld door het te vergelijken met wat wij mensen soms meemaken: een natuurramp, een overstroming. Zo gezien vertelt Genesis over de natuur die zich herstelt na een immense catastrofe. Het Hebreeuwse tohoe-wa-bohoe, meestal vertaald met ‘woest en leeg’, is een onomatopee, een klanknabootsing, in dit geval van het loeien van een orkaan. Na de storm, die gepaard gaat met inktzwarte duisternis, begint het op te klaren. We kunnen weer een beetje zien. Het verschil tussen licht en donker wordt weer merkbaar, het onderscheid tussen dag en nacht. Eerste dag Het verhaal van de schepping wordt ons verteld als een aftellen langs de dagen van de week. Zo is het ritme, de orde, de vertellijn, de structuur die wordt aangebracht. Aan de hand van zon en maan kunnen we zelf het ritme van de dag, de maand en het jaar ontdekken, maar niet dat van de week. Zeven dagen omspannen samen heel de geschiedenis. Meer dan zeven kunnen wij mensen ook niet in één keer overzien. In de schepping is dus op geschiedenis gerekend, op het zevendaagse ritme, op de zevensprong van dagen. Want er is op de mens gerekend. De schepping mondt uit in de mens die voor een tijd een plaats van God zal zijn, zoals Gerrit Achterberg verwoordt. God schept de hemel en de aarde. De ‘hemel’ is de voor ons zichtbare onderkant van de onzichtbare hemel: het hemelgewelf. Wat daarachter en daarboven is, daarvan horen we in de tekst niet. Wat er buiten de wanden van het heelal is? Geen idee. We horen des te meer van de áárde. Hoe zag de aarde er uit in den beginne? Woest en leeg. Onbewoonbaar, een woestijn gelijk, een gapende leegte. Woest en wild als het Kootwijkerzand. Duisternis was op het gelaat van de afgrond. De afgrond, de diepte zonder rand en wand, de gapende kloof, de oervloed heeft

17


een gezicht. Maar je kunt het niet zien. Het is donker. Duister ligt als een zwarte deken over de vloed. Geen land is ook maar ergens in zicht, geen vaste grond te vinden onder de voeten. Water en land zompen dooreen als een miezerige modderpartij, één pot nat. Plotseling beginnen we iets te horen. Een ademhaling. De Geest van God zweeft over de wateren. De adem van God trilt boven het duister gezicht van de oerwateren. God houdt de adem in. Er staat iets te gebeuren. Wij houden op onze beurt de adem in. Zal Hij het doen of zal Hij het niet doen? Als een adelaar zweeft de Geest boven het nest met jongen, met fladderende vleugels. Een spanning, haast ondraaglijk. En God zei: ‘Er zij licht’. Het hoge woord is er uit. Een weg terug is er niet. Er is licht. God roept uit de duisternis het licht om voor de dag te komen. Dat is scheppen. Iets wat er niet is, tevoorschijn roepen. Alleen God kan dat, scheppen. Nooit wordt in het Hebreeuws van de mens gezegd dat hij schept. God schept door te spreken. Er was een Joodse leerling die bij het horen van de woorden ‘en God sprak’ zo geraakt werd, dat hij het leslokaal moest verlaten om medeleerlingen niet verder te storen. God ziet het licht. Hij kijkt, lang en aandachtig. Een glimlach breekt door op Zijn gelaat. Moet je Zijn ogen zien. Dan horen we Hem zeggen, zacht en beslist: tov, goed. God straalt. Zo is het goed. Licht, wat ben je goed, wat ben je mooi. Dan maakt God scheiding tussen het licht dat Hij heeft geroepen en de duisternis die er al was. Abel Herzberg vertelt over Labi, een schoolmeester uit Bengazi. In het kamp BergenBelsen, waarheen Labi was afgevoerd, dreef in de soep bij tijd en wijle een stukje paardenvlees. Het eten van paardenvlees is de Joden verboden. ‘Labi, waarom eet je geen soep?’ Dan fluistert Labi, met een oneindige melancholie en ernst, als een bekentenis tot zichzelf: ‘Omdat er verschil is tussen rein en onrein!’ Het gaat – zegt Herzberg – niet om soep of paardenvlees als laatste symbool, het gaat om de eerste zin uit de menselijke beschaving, om de erkenning dat er iets is dat mag en iets dat niet mag. Ik weet niet wat er met Labi is gebeurd, schrijft Herzberg. Wie in een kamp de soep niet eens eet, heeft geen schijn van kans. Maar als Labi is gehaald,

18


dan is er toch iets van hem overgebleven: een zin. De eerste zin uit de menselijke beschaving. Er is verschil tussen rein en onrein. Wanneer God heeft gezien hoe goed het licht is, haalt Hij snel het licht en de duisternis uit elkaar voordat ze zich zouden kunnen vermengen tot een grijze schemering. Er is verschil tussen licht en duister. Het duister heeft de neiging in zich het licht te overmeesteren, om als een zwart gat het licht op te slurpen. Er moet verschil zijn en blijven tussen licht en donker. Dit is de eerste zin uit de menselijke beschaving. God zegt die zin ons voor. God doet het ons voor door de twee uit elkaar te halen. Maar Hij zet ze met het gezicht naar elkaar toe, face to face. Er is oogcontact tussen licht en donker. Dat is het grootse, het verrassende. God roept het licht: komen. En het licht komt. Hij geeft het een naam. Hij noemt het: dag. Het duister ook: komen. Dat noemt Hij: nacht. Zo krijgen beide een roeping, een mandaat. Het licht is geroepen om dag en het duister om nacht te zijn. Met het oog op dat mandaat krijgen ze hun naam. Wanneer je een naam hebt gekregen, kun je geroepen worden. In de naamgeving roept God de chaotische duisternis tot de orde van de dag. De duisternis mag niet anoniem blijven. We horen dat God een voorkeur heeft voor het licht. Het licht is goed in Gods ogen. Zolang God kijkt naar het licht, is het goed. Hij moet wel blijven kijken. Als Hij Zijn blik maar een ogenblik zou afwenden, zou de duisternis onmiddellijk de kans grijpen om de goede schepping op te slokken. Elke avond bekruipt ons de vrees dat het donker zal winnen, vooral tijdens de opdringende nacht van herfst en winter. Maar elke morgen weer krijgen onze ogen het licht te zien, geroepen uit de duisternis, zodat wij met onze Schepper kunnen meezeggen: goed. Toen was het avond en het was morgen. Zon en maan zijn nog niet verschenen, maar op hen als lichtdragers is nu al gerekend. De nieuwe dag begint met de avond. Juist wanneer het schemerig wordt voor onze ogen, krijgen we te horen dat God het licht uit de duisternis roept. In dit licht houdt IsraĂŤl de lofprijzing gaande, elke morgen nieuw.

19


‘De eerste dag’, zo vertalen we meestal. Maar dat staat er niet. Er is nog geen tweede dag. Je moet niet te snel vooruit willen. Sta even stil bij het eerste werk van God. De dag waarvan er maar één is: dát staat er. Het volk Israël zegt elke avond en iedere ochtend: De Eeuwige één. Zoals deze God is er maar één. In de vroege zondagochtend vaar ik met het pontje over naar de kerk van De Kaag. Het is Zondag Quinquagesima, de vijftigste voor Pasen: zie, wij trekken op naar Jeruzalem. De preek legt de vraag van Jezus in het midden: Wie zeggen de mensen dat Ik ben? Het antwoord hangt samen met tijd en plaats. Op een landweg in Galilea klinkt het anders dan in de straten van Jeruzalem, in De Kaag anders dan in Epe en in Nijkerk weer anders dan in Ellecom. Naar gelang van plaats en tijd klinkt het antwoord ‘Gij zijt de Christus’ telkens anders, telkens nieuw. Tweede dag Na de catastrofe houdt het op met regenen maar nog staat de aarde blank. Boven die verdronken aarde wordt de hemel weer zichtbaar. Op de maandagochtend na De Kaag worden de muren van de studeerkamer onverwacht tot tralies van een kooi. Ik moet naar buiten. En ik wandel, urenlang, tussen Uddel en Echoput. Het is een oerwandeling, alsof ik nog moet leren lopen. Een uitweg zoek ik, ruimte onder de open hemel. Is het firmament wel stevig genoeg om het leven op aarde te overkoepelen? Thuisgekomen moet ik me een uitweg schrijven. De pen zoekt paden op papier. De tweede dag vertelt over de ruimte van leven op aarde onder de wijde hemel. De vastheid van de hemel, het firmament, de stevige hemelkoepel welft zich over de aarde. De tweede dag biedt de gave van de ruimte, door God voor ons mensen afgebakend. De schepping heeft nu een dak boven het hoofd. Onder dit dak ligt het veld waarop God met de mens wil wandelen.

20


Derde dag Het water van de overstromingen trekt zich geleidelijk terug maar laat een dikke laag leem op de bodem achter. Het verschil tussen land en zee begint gaandeweg weer zichtbaar te worden. Deze middag loop ik door de Elspeter struiken. Het regent. Een kudde wilde zwijnen neust over het pad. In de verte verscheurt een landbouwtrekker de stilte. Mensen kruisen mijn weg. Onverwacht overvalt me een ervaring van chaos. Ik zoek een uitweg, ik probeer naar buiten te kruipen, terug de geschiedenis in. Maar ik heb geen kracht voor dat leven, geen moed om op te staan, geen wil om verder te wandelen. God leeft. Geen twijfel mogelijk. Maar als Hij even niet kijken zou, niet zou opletten op Zijn aarde – een enkele dag maar – dan gaan duizend jaren verloren. Die gedachte is een duizeling in zich. God maakt scheiding tussen water en land. De aarde moet zich laten zien. In de doodse verlatenheid van de met modder bedekte wereld beginnen zich tekenen van leven te vertonen. Groen breekt zich baan dwars door de laag leem, planten en kruiden in vele soorten. En op de middag van de derde dag staat daar fier de boom, geplant aan het water. Als wandelaar passeer je geregeld bomen. Soms sta je stil. Want er is herkenning. De mens is als een wandelende boom. Rechtop staat de boom, net als jij, de wandelaar. De kruin is hemelwaarts gericht en de wortels staan stevig in de grond. De verticale lijn, de verbinding tussen hemel en aarde, staat in de boom levensgroot voor je. Dan ga jij verder. De boom blijft staan. Op de Veluwe zijn levende bomen ontdekt die duizenden jaren oud zijn. Sommige eiken en beuken stammen uit de tijd van Karel de Grote of eerder. Bomendeskundige Bert Maes heeft dat in december 2001 in het radioprogramma ‘Vroege Vogels’ bekend gemaakt. Maes heeft met vijf andere bomenkenners twee jaar lang de Veluwe minitieus onderzocht op de aanwezigheid van oude bospercelen en oude bomen. De vondsten zijn ook voor deskundigen een openbaring. Het gaat vooral om wintereik, zomereik en beuk. Daarnaast is ook oorspronkelijk

21


Zwijgen bij volle maan