Issuu on Google+

Barnard David (werkt. MEIN)

11-07-2005

09:29

Pagina 1

Menige dichter heeft de psalmen willen herdichten. Ze werden dan geactualiseerd, eigentijds onder woorden gebracht, ontdaan van hun archaïsche inkleding. Het resultaat was wisselend, maar altijd minder dan het origineel dat sinds een paar millennia in de bijbel staat. Hertalen wordt al gauw herhalen op een lager niveau. Ik voel geen neiging daartoe. Wat er nog het dichtste bij kwam was mijn aandeel in de berijming van die oude semietische gedichten, een hachelijke onderneming met soms goed zingbaar gevolg. Wat mij de laatste tijd bezighield was de vraag: hoe lees ik het werk van die prominente collega’s van toen. Daarbij ging het niet om een bloemlezing van geliefde en bekende psalmen, maar om een reeks, bekend of minder bekend c.q. bemind. De langste aaneengesloten reeks op naam van David is te vinden in het eerste boek van de vijf waarin het psalter is verdeeld. Dat eerste boek ben ik gaan lezen, zo onbevangen mogelijk. Ik heb er verslag van gedaan in een dagboekachtige stapel aantekeningen.

nur 707

Meinema / Pelckmans ISBN 90-211-3945-6 ISBN 90-211-3945-6

9 789021 139456 9 789021 139456

Meinema / Pelckmans

Willem Barnard is dichter en essayist; als dichter publiceert hij onder de naam Van der Graft, als essayist schrijft hij voornamelijk over bijbel en liturgie. In de serie Gepeins bij psalmen verschenen ook: Een stille duif in de verte, Psalmgetier en Lofzang is geen luxe. Met deze vier boeken beschikt de lezer over een uniek leesverslag van het gehele psalter.

Willem Barnard Tegen David aan praten

Willem Barnard over dit boek:

Willem Barnard Tegen David aan praten Gepeins bij psalmen


Woord vooraf

Uit een Hebreeuwse traditie van enkele tientallen eeuwen is ons een hoeveelheid literatuur overgeleverd die wij gemakshalve samenvattend ‘bijbel’ noemen, een verbastering van biblia, Grieks voor ‘boeken’. Omtrent die ‘boeken’ doen allerlei meningen de ronde, meestal berustend op onkunde. Het is ook geen sinecure, met deze literatuur vertrouwd te raken. Het Hebreeuws ‘denkt anders’ dan Europees taaleigen. En de taal is gans een volk, – de taal is ook gans een religie. Wie zich met de bijbel inlaat, heeft de neiging – dat is overvloedig gebleken – om die ons van huis uit vreemde manier van denken aan te passen, over te zetten, zich maar al te ‘eigen’ te maken. Daaruit is een stelsel van misverstanden ontstaan, waar veel christenmensen zich rabiaat aan vastklampen, waar anderen al even rabiaat zich aan ontworstelen en waar sommigen eclectisch mee omgaan. Maar begrip voor, verstandhouding met de ongerepte tekst vereist een grotere onbevangenheid dan mogelijk is als men bij de heersende opvattingen blijft stilstaan. Nieuwsgierigheid naar wat er nu eigenlijk staat (niet: bedoeld zou kunnen zijn, maar: feitelijk staat, in zijn literaire gestalte) is nodig. Twijfel aan overgeleverd denkdressaat is nuttig. Enige kennis van het Hebreeuws is gewenst. In die bijbel is een bundel gedichten opgenomen, de zgn. psalmen. Ook die ‘kent’ men meestal in de zoveelste bewerking, als ‘psalmversje’ berijmd of anderszins als kerklied geparafraseerd. Dat ergerde mij dusdanig, dat ik met die psalmen

7


8

aan de gang (boze lezers zullen zeggen: op de loop) ben gegaan. Niet dat ik uitmunt in kennis van het Hebreeuws; misschien wel in wat ik dan maar noem ‘Schriftgierigheid’.1 De echte Hebraïsten, in het algemeen de kundige theologen, belemmeren de lectuur vaak uit louter goede intenties, de tekst plaveiend met een laag wetenswaardigheden waardoor men niet meer met zijn blote voeten de grond voelt. Of, met een andere beeldspraak: het is dan soms alsof men een geliefde moet kussen door een sluier heen. Nu had ik het voordeel dat ik ook gedichten schrijf, zodat ik met collega’s verkeerde, – eerbiedwaardige collega’s, allang klassiek verklaard, maar toch. Hoe lees ik als dichter van nu die collega’s van toen? Hoe lees ik, dat vooral, het werk van die prominente collega op wiens naam de meeste (iets meer dan de helft) van die psalmen staan. David dus. Daarbij ging het niet om een bloemlezing van geliefde en bekende psalmen, maar om een (wellicht samenhangende) reeks, bekend of minder bekend c.q. onbekend. De langste aaneengesloten reeks op de naam van David is te vinden in het eerste boek van de vijf waarin het psalter is verdeeld. Dat eerste boek ben ik gaan lezen, zo onbevangen mogelijk. Ik doe er verslag van in een dagboekachtige stapel aantekeningen. Er zijn twee dingen die in dit boek herhaaldelijk ter sprake komen: ten eerste het verschil tussen ‘God’ in het gangbare spraakgebruik en JHWH in de Schrift en ten tweede de vraag hoe men gedichten moet lezen en dus hoe men de psalmen moet lezen (die immers gedichten zijn). Dat deze dingen herhaaldelijk ter sprake gebracht worden en niet eens voor al afgehandeld 1

Uiteraard naar analogie van nieuwsgierigheid.


in een afzonderlijk hoofdstuk, heeft te maken met mijn werkwijze en met uw leeswijze. Ik vermoed dat u dit boek niet methodisch van begin tot eind doorleest. Wanneer een van de psalmen uit dit eerste deel van het psalter (1 t/m 41) uw aandacht heeft getrokken, wilt u wellicht wel eens weten wat er in dit boek over te lezen staat. Maar zo heb ik ook geschreven: telkens als het ware opnieuw beginnend bij de psalm die ‘aan de beurt’ was. Wat eerstgenoemde kwestie betreft, ik verwijs naar het slothoofdstuk, de aan dit boek toegevoegde notities uit correspondentie en dagboek. Maar over die andere vraag een kleine notitie waar ik voorlopig mee wil volstaan: omdat de psalmen nu eenmaal gedichten zijn, moet je ze dan ook lezen zoals je gedichten leest, niet als tractaten, vertogen of codicillen. Niet als preken of getuigenissen. Dat het antieke gedichten zijn maakt niet uit. Wat de dichter er mee voorhad evenmin (stel dat we dat al zouden weten te achterhalen). Een gedicht is volwassen, het spreekt voor zichzelf. Het is niet ‘iets’ van iemand, maar het is zelf ‘iemand’. Iemand die je tegemoet komt of die je ontwijkt. Iemand met wie je te maken krijgt. Die je ‘wat zegt’... of niet. Je mag trouwens ook tegenspreken, je kunt ‘tegen zo iemand aan praten’. Dus ook tegen ‘David’, want onder die eigennaam wordt heel het psalter begrepen. En over de discrepantie tussen de David van anno destijds en de ‘David’ die deze bundel gedichten ‘is’, gaat voor een groot deel het gepeins van dit boek.

Tegen David aan praten Wie David was, ik weet het niet en wil het ook niet weten. Een archeoloog zal niet rusten voor de onderste steen boven is, een cliometrisch aange-

9


10

legd historicus wil feiten vlooien uit de vacht van de geschiedenis. Ze zijn uit op het onherroepelijke. Ze hebben iets triomfantelijks wanneer weer eens blijkt dat de verhalen niet kloppen met de feiten die zij aan het licht brengen (welk licht trouwens, – dat van de alledaagse dag). David zal wel verschrompelen tot een rebel zoals er tallozen waren, zijn en zullen komen, een opstandeling die het bracht tot machthebber in een minuscuul rijkje ver voor onze jaartelling. Niks vader des vaderlands, niks herdersromantiek, niks stichter van een messiaanse dynastie. En niks psalmen. Want dat hij, die archeologische David, bij alles wat hem nog meer wordt toegeschreven ook nog een dichter was, bard en liturg in één, stemvoerder van Gods eigen voorhoede, dat is natuurlijk ook niet waar (wat is ‘waar’ eigenlijk?). Kortom, dat David David was, dat valt niet te bewijzen. Dat hij (wie hij?) het niet was trouwens ook niet. Denk ik. Maar het gaat me eigenlijk niet aan. Ik ben allang, o al heel lang, geen eerstejaars meer die parmantig plezier heeft in het doorprikken van ballonnen. Wie David was? Geen idee. Maar wie David is, dát gaat mij aan. De (on)historische David is een skelet, maar met al wat hem wordt toegeschreven is hij een levend wezen. De gedroomde koning van een beloofd land, de ‘zondaar en niettemin rechtvaardige’ van Luther, de kroonfiguur op kathedrale orgels. de eeuwige adolescent die zich verzet tegen een sombere macht, de verloochende vader die zonder wraak zich handhaaft, imago van messianiteit, persona van de geloofsgemeente, harpspeler, herder en held met een slinger en een steentje. Weg met alle Goliaths en leve de levende David! Er zijn om de figuur van David heen koningsdrama’s te dichten, theologieën te ontwerpen, psychologische


thesen op te stellen (als men zou willen, – maar waarom zou men dat willen want:) Wij hebben zijn psalmen. We weten niet of ze van hem zijn, maar ze heten naar hem, ze zijn een lyrische gedaante die sinds jaar en dag kortweg ‘David’ heet. De lyra davidica. De stem van de synagoge, de stem van de ecclesia, die zich met die psalmen bewust wordt wie zij is. Die psalmen zijn merendeels aan David toegeschreven en heel het ‘boek der psalmen’ heet dan ook naar hem. Ook hier geldt dat ‘wat aan hem toegeschreven is’ hemzelf geworden is, de verhalen zijn vlees en de psalmen zijn bloed. En wij zijn bloedverwanten. Ik kan het niet laten, hier nog aan toe te voegen: iedere dichter weet dat wat hij schrijft eigenlijk aan hem toegeschreven wordt. En voor wie dit een flauwe grap vindt (mij nochtans ernst) kan nog de bijzonderheid te hulp schieten, dat ‘auteursrecht’ een begrip is waar men indertijd geen boodschap aan had. Wij lezen dus, althans wij proberen dat, David. Wij proberen het omdat Hebreeuws haast onvertaalbaar is. Met tien, twaalf proeven van vertaling om mij heen, aantekeningen van oude rabbijnen en moderne geleerden, een batterijtje woordenboeken en een behulpzaam gebrek aan eerbied voor zoveel wetenschap, heb ik nieuwsgierig en sceptisch, verwonderd en herkennend zitten lezen, herlezen, wat mij al een leven lang vreemd en eigen is, de ‘psalmen Davids’. Het hele psalmboek bestaat uit vijf boeken. Daarvan het eerste, psalm 1 t/m 41, behelst de meeste psalmen van zijn hand, althans (dus) onder zijn naam. Dat begint bij psalm 3, want de eerste twee zijn blijkbaar als introïtus voorop gezet, of als men het wereldser wil: als ouverture tot de opera. De daaropvolgende 39 liederen zijn er eigenlijk 38,

11


12

want psalm 9 en psalm 10 vormen een geheel (waar Septuaginta en Vulgaat rekening mee houden, de Masoretische tekst niet). Dat zou niet van belang zijn, als getallen onmondig waren. Maar in de Schriften vertellen getallen hun eigen verhaal: tellen en vertellen zijn daar nog naaste familie. En het getal 38 wordt welsprekend als men let op (en met elkaar vergelijkt) Deuteronomium 2 vs 14 en Johannes 5 vs 5. De toonaard waarin dat eerste van de vijf psalmboeken is gesteld, wordt aan die beide Schriftcitaten in hun wederzijdse herkenning duidelijk. Het is de toonaard van strijd, volharding, onvervuld verlangen, niet aflatende hoop. En het thema in die toonaard, dat blijkt al uit psalm 1, is dat van de tsaddiq. De rechtvaardige, maar dat klinkt preuts en parmantig. De oprechte? Het heeft iets naïefs. Degene die zich generlei illusies maakt over het mensdom, maar tegen beter weten in houdt hij vast aan de leefregel die de ‘geroepenen’ is opgelegd, die hun koers bepaalt, hun ‘schreden richt’ tot ze er bij neervallen. De tora dus, waar ‘het wereldgebeuren’ geen acht op slaat.2 Het wereldgebeuren weet dan ook niet van de ‘Zoon’ (waar David een voorontwerp van was, in de visie der zingenden) en niet van de Autoriteit die geschetst wordt als Vader, Herder, Koning... en bij wien al dat gebral van op hun potentie pochende potentaten alleen maar belachelijk is, het staat in psalm 2 vs 4. Maar psalm 2 is een overstemde tegenstem in welke cultuur dan ook, zoals echte oprechten, ware rechtvaardigen, ook nooit het heft in handen krijgen. Die eerste twee psalmen, – hoe meer ik ze lees, hoe meer ik besef: daar draait het om, daar gaat het over, dát is waar ‘David’ voor staat. 2

Met tora is gemakshalve aangeduid het corpus van ‘boeken van Mozes’, de pentateuch. Maar het woord betekent lering, dus het heeft een wijdere strekking.


Ik ken geen boek, geen schrijversoeuvre, dat in rijkdom van schakering, variëteit van stijl en thematiek, wedijveren kan met wat we dan maar noemen ‘het Oude Testament’. Maar in dat corpus vormen de psalmen het hart. Ik lees ze, ik sputter tegen, ik herlees ze en raak in hun ban. Ik ben in gesprek met David, maar nee, dat klinkt te bedaard. David zegt wat hij te zeggen heeft en wat ik doe is niets anders dan tegen David aan praten.3

13

3

Dit boek heeft dan ook geen enkele academische pretentie, noch letterkundig, noch theologisch.


Psalm 23 Dit is de populairste aller psalmen. Er zijn zonder twijfel miljoenen beschouwingen aan gewijd en voor velen is de aanhef de Heer is mijn herder tot een lijfspreuk geworden, zo niet verworden tot een slogan. Wat denkt men erbij? Dat iemand in overluchtse streken, in hemelcontreien, voor ons zorgt. En dat staat er nu net niet. Het begint heel nadrukkelijk met die naam, die onuitsprekelijke. De vier letters die het geheim aller geheimen inkaderen. JHWH. Die is mijn herder. Die. Een ander niet. Polemisch wordt het gesteld. JHWH is mijn herder. Want zonder nadenken leggen wij vanouds de nadruk op dat praedicaat: mijn herder, als om aan te geven wat die JHWH dan wel voor ons betekent. Maar moet ik niet veeleer dat korte krachtige kreetachtige begin lezen als antwoord op de vraag: wie is je herder? Waarbij te bedenken valt dat een herder in de wereld van het aloude Testament een voorganger is, een gezagvoerder, een commandant. Koningen golden als herders, althans idealiter. De profeten schelden op machthebbers die hun volk uitbuiten. Het zou toch hun taak zijn, ze voor te gaan op weg naar een rechtvaardige wereld? En dat is nu juist waar het in deze psalm om gaat. Een herder voedert, vertroetelt, de schapen niet. Hij gaat ze voor, hij wijst ze de weg, hij is een gids die aanwijst waar de schapen terecht kunnen. Daar moeten ze dan hun eigen gang gaan naar aanwijzingen van de herder, maar niet door hem betutteld. Als vanzelf komt weer het beeld voor ogen van de tocht door wildernis en steppe heen naar het land van belofte, het goede land. Dat land is voor altijd het reisdoel gebleven omdat het nooit bereikt is. Wel een stuk ‘midden-oosten’,

95


96

een streek tussen Arabië en de zee, een strook bergachtig gebied, maar niet waar het om ging bij die tocht: een nieuwe aarde, een rechtvaardige wereld.1 Daarheen wil dat ingekaderde geheim ons hebben, daartoe dienen de aanwijzingen, leefregels, symbolische handelingen die samen tora zijn. De drang die op ons uitgeoefend wordt om met minder genoegen te nemen, of zelfs met het tegendeel, moeten wij weerstaan. De verplichtingen die de geldende wereldorde ons oplegt met haar economie, haar industrie, haar vanzelfsprekendheden, haar verslaving, spreek ik tegen. JHWH mijn herder! Niet dat alles, maar deze Ene. En dan volgt... ja, wát volgt er dan? Mij zal niets ontbreken? Of zelfs die valse uiting van gerustheid ‘k Heb al wat mij lust? Dat is toch, hoop ik, niet wat als vervolg, als gevolg van die aanhef, in de psalm staat? Naar mijn vaste overtuiging moet het luiden, ik kom niet te kort. Zoals in de boeken van Mozes staat: er was manna. Er was teerkost onderweg.2 Als wij de directieven van de tora zouden volgen was er genoeg voor ons allen. Maar dat is natuurlijk net waar het aan schort. ‘We’ volgen die directieven niet. Het is een kleine minderheid die daartoe bereid is. De meerderheid volgt andere herders, andere richtlijnen, een averechtse koers. En dat nog veelal onder de leus: mij zal niets ontbreken, of de zelfgenoegzame zucht van de bourgeois satisfait: ’k Heb al wat mij lust! Als ik het goed beluister is bij wijze van ironische boventoon of tegenstem dat minderheidsbesef in de tekst opgenomen. Want als ik lees ik kom 1

Te bedenken valt dat het Hebreeuws een en hetzelfde woord heeft (aretz) voor land en aarde, zoals terra in het Latijn. 2 Zie Exodus 16 vss 13-36.


niet te kort, wat in bondigheid overeenkomt met het compacte Hebreeuws, dan hoor ik daar ook een woordspeling in (wat niet verwonderlijk is, want de Schrift staat vol van zulke sous-entendu’s). Ik hoor daar nl. ook in: op het appèl-nominaal zal ik niet ontbreken. Als de presentielijst wordt afgelezen ben ik er bij (en ook dát is ongewild weer een woordspeling!). Ik kom niet te kort dus in de zin van: ik word niet vermist, ik ontbreek niet zoals er in de pleitrede van Abraham gesproken wordt van ‘ontbrekende rechtvaardigen’ (Genesis 18). Het is een echt Hebreeuwse gedachte dat een enkeling die niet ontbreekt, die niet ‘te kort komt’ onberekenbare invloed heeft op het heil van de wereld. De vraag die onvermijdelijk lijkt komt op: heeft David dat echt allemaal bedoeld? Het antwoord daarop luidt ten eerste: het gedicht neemt een loopje met de dichter. Weet hij veel wat er allemaal staat in de woorden die door hem heen tot uiting kwamen. En ten tweede: als daar staat le-david betekent dat geen literair-historische vaststelling. Het betekent dat dit nu gezegd en gezongen is in de ware Davidstraditie, de traditie van de ware David, de herdersknaap van huis uit, de slingeraar met een steentje, een slungel voor wie het pantser te wijd was,3 de koning die in de gedachtenis voortleeft als een die vervolgd is maar, zij het struikelend, JHWH naliep, de roeping volgend.

3

Ik refereer aan een lied van Tom Naastepad, Een klein lied tegen de reuzen.

97


Tegen David aan praten