Issuu on Google+

omslag bijbel literair-Ned.-pocket

08-03-2005

14:16

Pagina 1

De Bijbel is het heilige boek bij uitstek voor zowel joden als christenen. Van geslacht op geslacht hebben zij zich erdoor laten inspireren in hun speurtocht naar zin en ethiek. In onze tijd wordt de Bijbel opnieuw ontdekt als een hoogtepunt binnen de wereldliteratuur. Het ‘boek der boeken’ trekt vandaag de dag mensen aan die van lezen houden, die de bijzondere rijkdom aan literaire vormen weten te waarderen en daarin een sleutel vinden om nieuwe betekenissen aan de tekst te ontlokken.

Dr. J.P. Fokkelman (1940) doceerde van 1963 tot 2001 Hebreeuws en Aramees aan de Universiteit Leiden. Van zijn hand verscheen eerder bij Meinema: Dichtkunst in de bijbel. Een handleiding bij literair lezen (2000). In 2002 verscheen van hem het Engelstalige standaardwerk over de Psalmen, The Psalms in Form. Dr. W.J.C. Weren (1946) is hoogleraar Exegese Nieuwe Testament aan de Theologische Faculteit Tilburg. Tot zijn publicaties over nieuwe wegen in de exegese behoren: Intertextualiteit en Bijbel (1993) en Vensters op Jezus. Methoden in de uitleg van de evangeliën (1999, 2e druk).

De Bijbel literair is een gids die inleidt in het literair lezen van de Bijbel. Alle boeken uit de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament komen erin aan de orde, ook de zogenaamde deuterocanonieke geschriften. De benadering van de teksten sluit aan bij ontwikkelingen in de taalkunde en de algemene literatuurwetenschap waarmee de bijbelstudies steeds meer hun voordeel doen. Er is een keur aan nieuwe leesmodellen ontworpen die nieuw licht laten vallen op de compositie van de bijbelse geschriften en op hun gedachtegang. Ook de relaties tussen de afzonderlijke teksten staan in het brandpunt van de belangstelling. En soms zijn er ook opvallende parallellen met andere literatuur uit het oude Oosten of uit de GrieksRomeinse wereld.

Jan Fokkelman Wim Weren (red.)

de bijbel literair

Aan De Bijbel literair hebben veertig auteurs uit Nederland en België meegewerkt. Samen hebben zij een geheel nieuwe gids geschreven die wetenschappelijk verantwoord en up-to-date is. Kennis van de grondtalen van de Bijbel wordt niet verondersteld. Het handboek is toegankelijk voor een brede kring van lezers en lezeressen die de Bijbel als collectie van levende literatuur willen leren kennen, of hun zicht erop herijken. Het boek kan uitstekende diensten bewijzen in het theologische en literaire onderwijs, in godsdienstonderricht en preekpraktijk.

Onder redactie van

Jan Fokkelman en Wim Weren

de bijbel literair

Opbouw en gedachtegang van de bijbelse geschriften en hun onderlinge relaties

NUR 702

ISBN 90-211-4055-1

Meinema/Pelckmans

9 789021 140551

Meinema/Pelckmans

Meinema/Pelckmans


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 1

DE BIJBEL LITERAIR


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 3

de bijbel literair Opbouw en gedachtegang van de bijbelse geschriften en hun onderlinge relaties

Onder redactie van Jan Fokkelman en Wim Weren

Uitgeverij Meinema, Zoetermeer Uitgeverij Pelckmans, Kapellen


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 4

Vormgeving: Studio Anton Sinke, Nieuwerkerk a/d IJssel gebonden ISBN 90 211 3908 1 (Nederland) ISBN 90 289 3298 4 (België) D/2003/0055/107 paperback ISBN 90 211 4055 1 (Nederland) ISBN 90 289 3709 9 (België) D/2005/0055/94 NUR 702 © 2003 Uitgeverij Meinema, Zoetermeer Uitgeverij Pelckmans, Kapellen 2e druk (gebonden) 2005 1e druk (paperback) 2005 Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 5

Inhoudsopgave Ten geleide, Wim Weren ..................................................................................7

INLEIDINGEN Oog in oog met de tekst zelf, Jan Fokkelman ...........................................11 Inleiding tot de bijbelse poëzie, Jan Fokkelman ......................................35 Inleiding in de nieuwtestamentische brieven, Joop Smit .........................................................................................................49

THORA Genesis en Exodus 1-18, Ron Pirson ............................................................61 Exodus 19-40, Leviticus en Numeri, Erik Eynikel ....................................89 Deuteronomium, Hans Ausloos ................................................................117

VROEGE PROFETEN Jozua, Piet van Midden .................................................................................133 Richteren, Piet van Midden .........................................................................145 I en II Samuël en I Koningen 1 en 2, Marie-José Wijntjes ......................159 I en II Koningen, Jaap van Dorp .................................................................183

LATE PROFETEN Jesaja, Ulrich Berges ......................................................................................203 Jeremia, Jacques van Ruiten .........................................................................223 Ezechiël, Wido van Peursen ..........................................................................249 Hosea en Amos, Richtsje Abma ..................................................................263 Jona, Jopie Siebert-Hommes .........................................................................279 Micha, Jan Holman ......................................................................................287 Joël, Obadja, Nahum, Habakuk, Sefanja, Haggaï, Zacharia, Maleachi, Klaas Spronk .........................................................295

GESCHRIFTEN Psalmen, Jan Fokkelman .............................................................................311 Job, Pieter van der Lugt .................................................................................333 Spreuken, Eibert Tigchelaar ........................................................................357 Ruth, Jopie Siebert-Hommes ........................................................................371 Hooglied, Jan Fokkelman ............................................................................377 Prediker, Aart Schippers ...............................................................................389 Klaagliederen, Harm van Grol ...................................................................401 Ester, Jopie Siebert-Hommes ........................................................................407

5


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 6

Daniël, Jan-Wim Wesselius ..........................................................................413 Ezra en Nehemia, Jan-Wim Wesselius ......................................................425 I en II Kronieken, Panc Beentjes .................................................................435

DEUTEROCANONIEKE BOEKEN Tobit, Sabine Vanden Eynde ........................................................................447 Judit, Sabine Vanden Eynde .........................................................................455 Wijsheid van Salomo, Erik Eynikel ...........................................................463 Wijsheid van Jezus Sirach, Wido van Peursen ..........................................475 I en II Makkabeeën, Doron Mendels ..........................................................487

EVANGELIËN EN HANDELINGEN VAN DE APOSTELEN Het evangelie volgens Matteüs, Peter Schmidt ......................................499 Het evangelie volgens Marcus, Geert Van Oyen .....................................513 Het evangelie volgens Lucas en de Handelingen van de Apostelen, Wim Weren ...............................................................................529 Het evangelie volgens Johannes, Door Brouns-Wewerinke ...................555

BRIEVEN De brief aan de Romeinen, Bert Jan Lietaert Peerbolte ...........................569 De brieven aan de Korintiërs, Reimund Bieringer ..................................587 De brief aan de Galaten, Luc de Saeger .....................................................607 De brief aan de Filippenzen, Bert Jan Lietaert Peerbolte ........................619 De brief aan de Kolossenzen en de brief aan de Efeziërs, Geurt Henk van Kooten ................................................................................627 De brieven aan de Tessalonicenzen, Huub van de Sandt ......................639 De brieven aan Timoteüs en Titus, Maarten den Dulk .........................651 De brief aan Filemon, Caroline Vander Stichele .......................................677 De brief aan de Hebreeën, Jannes Reiling ................................................683 De brief van Jakobus, Jean Bastiaens ........................................................697 De brieven van Petrus, Magda Misset-van de Weg .................................709 De brieven van Johannes, Sjef van Tilborg ..............................................727 De brief van Judas, Vincent de Haas ..........................................................739

APOKALYPS De openbaring van Johannes, Jan Willem van Henten ..........................745 Woordenlijst.................................................................................................761 Overzicht van auteurs ................................................................................765

6


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 7

Ten geleide Wim Weren

In onze tijd is de Bijbel opnieuw ontdekt als een hoogtepunt binnen de wereldliteratuur. Het ‘boek der boeken’ trekt heden ten dage mensen aan die van lezen houden, die de bijzondere rijkdom aan literaire vormen hogelijk weten te waarderen en daarin een sleutel vinden om nieuwe betekenissen te ontsluiten. Literair lezen betekent oog hebben voor de poëtische functie van de taal. Niet alleen wat er gezegd wordt is van belang, maar ook het hoe van het gesprokene of van het geschrevene legt gewicht in de schaal. Of om het met Roman Jakobson te zeggen: het gaat om the message for its own sake. Of nog weer anders: de boodschap heeft een bepaalde vorm, en de beste manier om toegang te krijgen tot de inhoud of zeggingskracht van een tekst is volop aandacht schenken aan de vorm ervan. Binnen de literaire aanpak speelt de lezer een grote rol, maar toch leidt dat niet tot subjectieve willekeur, want een goede lezer laat zich in het proces van betekenisverlening leiden door sturende factoren die in de tekst zelf verwerkt zijn. Het inzicht dat de Bijbel hoogstaande literatuur is, heeft ook zijn weerslag op de bijbelwetenschappen. Literaire benaderingen zijn het veld in de afgelopen decennia steeds meer gaan beheersen. Exegeten zoeken aansluiting bij de literatuurwetenschap en bij ontwikkelingen in de taalkunde. Zo zijn er tal van nieuwe benaderingen in ontwikkeling, die een fris en nieuw licht laten vallen op de opbouw van bijbelse geschriften, hun gedachtegang en hun onderlinge relaties. De nieuwe benaderingen onderscheiden zich duidelijk van de historische methoden die sinds de Verlichting binnen de westerse exegese een dominante positie hebben ingenomen. Al met al kunnen we gerust spreken van een paradigmawisseling. De vragen die in het historisch onderzoek naar de Bijbel centraal stonden, hadden een drievoudige oriëntatie: - Is alles wat er in de Bijbel staat wel echt gebeurd? - Welke ontwikkeling hebben de bijbelse geschriften doorgemaakt voordat zij hun huidige, eindredactionele vorm kregen? - Wat was de betekenis van de bijbelteksten voor hun oorspronkelijke lezers, wat heeft de auteur ermee bedoeld? Deze vragen zijn legitiem, maar ze verduisteren vaak het zicht op de teksten zelf zoals die nu voor ons liggen, en op hun bijzondere literaire kwaliteiten. Ook laten ze weinig ruimte voor de interactie tussen tekst en lezer. De Bijbel literair is een – in één band uitgevoerde – gids die inleidt in het literair lezen

7


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 8

van de bijbelse geschriften. Dit handboek opent met drie bijdragen die betrekking hebben op uiteenlopende tekstsoorten. De eerste twee zijn van de hand van Jan Fokkelman en gaan over het bijzondere van verhalende prozateksten en over nieuwe ontdekkingen in het onderzoek naar poëtische teksten. De derde inleiding, geschreven door Joop Smit, bespreekt de nieuwtestamentische brieven in het licht van retorische conventies die in de Oudheid gangbaar waren. Voor verdere theoretische verdieping zij verwezen naar de boeken die aan het slot van deze bijdragen vermeld worden. Vervolgens komen in De Bijbel literair alle boeken uit de Hebreeuwse Bijbel en het Nieuwe Testament aan de orde; en verder ook de zogenaamde deutero-canonieke geschriften. In dit handboek worden de geschriften uit het zogenaamde Oude Testament niet gepresenteerd in de volgorde waarin zij te vinden zijn in christelijke bijbeluitgaven. In plaats daarvan is gekozen voor de driedeling van de Hebreeuwse Bijbel, die een heel eigen zicht geeft op de Schrift. Het eerste deel, de Thora, bevat de eerste vijf boeken van de Bijbel. Het tweede deel, de Profeten, valt uiteen in de ‘vroege profeten’ (Jozua, Richteren, I en II Samuël, I en II Koningen) en de ‘late profeten’ (Jesaja, Jeremia, Ezechiël en de twaalf kleine profeten). Het derde deel wordt aangeduid als de ‘Geschriften’ en daartoe behoren Psalmen, Job, Spreuken, vervolgens ook de ‘feestrollen’ (Ruth, Hooglied, Prediker, Klaagliederen, Ester) en ten slotte Daniël, Ezra, Nehemia en I en II Kronieken. De deutero-canonieke geschriften zijn geplaatst tussen de boeken uit de Hebreeuwse Bijbel en de geschriften van het Nieuwe Testament. Wat het Nieuwe Testament betreft volgt dit handboek de gebruikelijke volgorde, maar hiervan is op grond van literaire overwegingen tweemaal afgeweken: Lucas en Handelingen worden hier gepresenteerd als een doorlopend verhaal; de brieven aan de Kolossenzen en aan de Efeziërs worden in één bijdrage besproken vanuit het nieuwe inzicht dat Efeziërs een later commentaar is op Kolossenzen. Een belangrijk doel van De Bijbel literair is te laten zien dat de bijbelse literatuur gekenmerkt wordt door een rijke verscheidenheid. De afzonderlijke boeken stammen uit verschillende eeuwen, ze hebben elk hun eigen stof, zijn ongelijk van lengte, verschillen van elkaar qua genre, en hebben elk hun eigen achtergrond en toon. Toch hebben de veertig bijbelgeleerden die aan dit nieuwe handboek hebben meegewerkt, het hun toebedeelde bijbelse geschrift zoveel mogelijk vanuit dezelfde vensters bekeken. In de regel starten zij met een voorstel voor de structuur van het bijbelboek in kwestie. De opbouw wordt visueel verduidelijkt aan de hand van handzame overzichten, die in dit handboek telkens een eigen pagina krijgen. Het structuurvoorstel vormt het vertrekpunt voor een beschrijving van de gedachtegang van het behandelde bijbelboek, met in dat kader ook aandacht voor de taal en stijl. Een vast onderwerp is verder het verschijnsel van de intertekstualiteit. Hiermee zijn aantoonbare relaties tussen teksten uit verschillende bijbelboeken bedoeld. Het eenvoudigste voorbeeld daarvan zijn citaten en allusies. Het begrip intertekstualiteit is echter veel breder. Het duidt erop dat in een tekst patronen en betekenislijnen zijn verwerkt uit andere teksten. Voor de uitleg van boeken uit het Nieuwe Testament is intertekstualiteit volstrekt onmisbaar. Vele nieuwtestamentische teksten maken immers gebruik van stof uit Thora, Profeten en Geschriften. Het bijzondere van De Bijbel literair is dat dit handboek ook uitdrukkelijk een plaats inruimt voor intertekstuele verbanden binnen de Hebreeuwse Bijbel of het Oude Testament. Ook daar zien we hoe latere boeken inhaken op beweringen uit eerdere boeken. Dit inhaken hoeft

8


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 9

niet per se de vorm aan te nemen van herhaling. Het spannende is dat in dit eeuwenlange gesprek stemmen hoorbaar worden die de inhoud van vroegere teksten inperken, verruimen, toespitsen of zelfs op de hak nemen. Kortom, in De Bijbel literair staat de volgende trias in het brandpunt van de belangstelling: de tekst, zijn literaire context en zijn intertekstuele context. Voorzover de betekenis van een bijbelboek in zijn eindredactionele vorm daardoor verhelderd wordt, wordt soms ook ingegaan op de historische of situationele context waarbinnen de tekst ontstaan is of gefunctioneerd heeft.

9


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 11

Algemene inleiding Oog in oog met de tekst zelf

Jan Fokkelman

De Bijbel is een bibliotheekje van geschriften die over een periode van meer dan duizend jaar zijn ontstaan. Veel aan de Bijbel is enorm. De verscheidenheid van stof, toon en genre die de diverse boeken kenmerkt is enorm. Enorm is ook de aandacht voor deze collectie; de lange, tweeduizend jaar oude keten van lezerservaringen en interpretaties is het geheel dat men tegenwoordig de receptiegeschiedenis noemt. De Bijbel is het meest gelezen boek op aarde, maar ook het boek dat het meest verkeerd wordt gelezen. De geschiedenis van het Bijbel uitleggen heeft haar hoogtepunten, zeker. Maar de enormiteiten die zijn ontstaan doordat men eeuw in eeuw uit zijn idealen en theologische concepties, zijn spirituele verlangens en verwachtingen heeft geprojecteerd op de tekst zijn niet te overzien. Deze bundel, die de bijdragen van een veertigtal deskundige vertolkers bevat, tracht de misverstanden terug te dringen en streeft ernaar het goede lezen krachtig te bevorderen door per bijbelboek en ook over het geheel de vraag te stellen en te herijken: wat wordt hier precies gezegd? In de omgang met teksten staat die vraag centraal, maar het stellen ervan betekent in het geval van de bijbelwetenschap tegelijk een stap vooruit en een stap achteruit, merkwaardig genoeg. Meer dan twee eeuwen heeft de bijbelwetenschap zich op een dwaalspoor laten brengen door de zogenaamde ‘hogere bijbelkritiek’. Deze benadering, die in werkelijkheid een lagere vorm van kritiek is, stelde de vraag centraal ‘waar komt de tekst vandaan?’ en dat had meestal een ondertoon van wantrouwen. Men was er heilig van overtuigd dat je pas tot interpreteren van een tekst in staat bent als je eerst een zo volledig mogelijke reconstructie van zijn wordingsgang hebt gemaakt. En dat had tot gevolg dat men meer dan twee eeuwen fanatiek gespeculeerd heeft over vragen als: hoeveel handen hebben aan deze tekst gewerkt, welke bronnen had de schrijver (eerder een redacteur) tot zijn beschikking, en onder welke invloeden stond hij? Het wordt thans steeds duidelijker dat de berg een muis heeft gebaard: de antwoorden liepen steeds verder uiteen, en een consensus over de ontstaansgeschiedenis van de meeste teksten is verder weg dan ooit. De resultaten van dit onderzoek blijven louter hypothetisch, en ze vullen dikke en vooral dorre commentaren die vele gebruikers hebben ontmoedigd, tot vandaag de dag toe. Het onderzoek naar de voorgeschiedenis heeft een zekere legitimiteit — vragen staat immers vrij — maar het werd misleidend omdat men in wezen niet meer aan de centrale vraag van het Bijbel uitleggen toe kwam. Het dwaalspoor kan ten eerste zo verklaard worden, dat men wel lippendienst bewees aan de literaire kwaliteit en de zorgvuldige vormgeving van de geschriften, maar niet wist

11


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 12

hoe men dat moest operationaliseren — een lelijk woord dat ik graag terstond vervang door het te vertalen als het onderzoek naar taal, stijl en structuur van alle lagen van de tekst. Ten tweede waren veel geleerden er diep in hun hart op uit snel door te stoten naar ‘de historische werkelijkheid’ achter of onder de tekst. Ze meenden dan ook dat de tekst maar één vorm van referentialiteit kende: hij zou direct verwijzen naar de buitentalige werkelijkheid. Van die naïviteit heeft de twintigste eeuw ons voorgoed genezen. Een derde verklaring voor de onvruchtbare omwegen van de historisch-kritische wetenschap is dat de beoefenaars ervan ruimschoots onvoldoende scholing hadden gekregen in de spelregels en conventies die verhaal en gedicht, spreuk en wetsvoorschrift beheersen. Als gevolg daarvan waren ze niet in staat de teksten te lezen in het licht van die literaire conventies of te zien als de belichaming ervan. Tot voor kort was de bijbelwetenschap in handen van theologen en kerkgangers, en dat was een eenzijdige situatie. Er zijn thans meer en meer geoefende lezers buiten kerk en theologie, en de bijbelwetenschap heeft veel te winnen van hun onbevangen en verfrissende bijdragen. Bovendien begint het onderzoek de vruchten te plukken van de stormachtige ontwikkelingen die taal- en literatuurwetenschap in de twintigste eeuw zelf hebben doorgemaakt en vervolgens hebben doorgegeven aan een waaier van andere wetenschappen zoals de wijsbegeerte, de psychologie of de theorie van het geschiedschrijven. Dankzij hun nieuwe inzichten en sterk veranderde werkwijzen kunnen we een beslissende stap vooruit doen door de vraag ‘wat staat er?’ centraal te stellen. Gedeeltelijk is dat ook een stap achteruit omdat deze vraag, die zo oud is als het bestaan van teksten, de centrale positie terugkrijgt die hij verdient. Deze bundel begeleidt de lezer naar een positie oog in oog met de tekst door de vraag naar het wàt te beantwoorden via een schijnbare omweg, en dat is de vraag ‘hóé wordt hier gesproken?’ We zullen zien dat dat de aangewezen weg is om competent te lezen en gefundeerde uitleg te geven. De titel van dit boek bevat het woord literair. Maar, vraagt de lezer misschien, is de Bijbel niet in de eerste plaats een moreel en spiritueel monument? Dat onderschrijf ik graag, maar alleen in samenhang met het inzicht dat de boeken van de Bijbel een product van verbeeldingskracht zijn en slechts tot hun recht komen als de lezers antwoord geven met hun verbeeldingskracht. Het wordt tijd voor een verantwoording van de term literair, en ik geef er een definitie van in drie stapjes: alle bijbelboeken zijn zorgvuldig geschreven, de meeste ervan verraden een creatief gebruik van taal, en een niet gering aantal is daar zelfs virtuoos in. De vraag van de lezer kan ook beantwoord worden met de gevaarlijke termen vorm en inhoud. De vorm van een bijbeltekst is geen jasje dat moet worden afgenomen voordat we de inhoud vinden. Alle vorm heeft iets inhoudelijks, en meestal zelfs veel inhoudelijks. Dat geldt bij uitstek voor het werk van de bijbelschrijvers, want zij bedrijven nooit l’art pour l’art en zij hebben niet één vers over voor onbenulligheden. Over de inhoud van de bijbelteksten wil ik nog radicaler spreken. De inhoud kan hooggestemd en inspirerend zijn, de inhoud kan soms abject zijn en vaak spiritueel, maar hij komt altijd en uitsluitend tot stand op de wijze van de taal. Willen wij op onze beurt vervolgens de inhoud serieus nemen, dan zal ook dat voornamelijk gebeuren op de wijze van de taal: door te antwoorden en zaken bespreekbaar te maken, en zodoende onze visie te ver-antwoorden. De tekst spreekt pas als er een luisteraar is en de tekst komt goed over of wordt correct uitgelegd naar de mate waarin de luisteraar goed heeft leren luisteren. Er komt dus veel,

12


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 13

zo niet alles aan op onze competentie in het lezen, en daaraan wil dit boek bijdragen. De bijbelschrijvers hebben zich grote moeite getroost om een goede compositie tot stand te brengen. Wie hen in de grondtaal leest, ziet in de meeste gevallen dat zij het systeem van hun moedertaal tot in alle hoeken en gaten hebben verkend en uitgebuit. Wie zijn wij als we dat voorbeeld niet volgen? Het is de taak van de loyale lezer met hen te wedijveren in aandacht voor taal, stijl en structuur. Als wij ons aan de taal en de vormgeving ervan overgeven in een houding van vertrouwen, krijgt de tekst de mogelijkheid zich te openen voor ons. Dit avontuur kan slagen als we beseffen dat er een andere vorm van referentialiteit aan het werk is die belangrijker is dan de al genoemde, die van het verwijzen naar buitentalige zaken. Ik licht dat toe met de taal van alledag als contrast. In ons alledaagse bewegen verwijst de taal naar de dingen, naar onze werkelijkheid of leefwereld. Daarbij gaan de taaltekens geheel op in zulk verwijzen, een andere functie hebben ze niet. De taal van het kattebelletje, de email, het telefoongesprek en de krant is zeer vervangbaar, er is sprake van verbruik van taal. Maar er is ook gebruik van taal — gebruik in de beste zin van het woord nu — en dat treffen we aan in de literaire tekst. Daar krijgt de taal meerwaarde: hij verwijst naar zichzelf dankzij een tweede vorm van referentialiteit. Verhaal en gedicht roepen een wereld op die weliswaar door dunne lijntjes is verbonden met de tijd van ontstaan en de leefwereld van de schrijver en zijn publiek, maar in de eerste plaats zijn eigen organisatie of structuur kent, en zijn eigen waarden en normen. De dunne lijntjes gaan verloren door de voortgang in de tijd: Jesaja of Marcus is nog steeds de moeite waard, maar de leefwereld van profeet en evangelist is allang verloren gegaan, en de vraag hoe zijn tekst inwerkte op het eerste = eigentijdse gehoor is een voorwerp van een soort archeologische zoektocht geworden. Zo schuift de tweede referentialiteit — de eigen wereld die verhaal en gedicht oproepen — op naar de eerste plaats. Die wereld is talig: het is een wereld in woorden die in zichzelf de moeite waard is en waarvan de taaltekens niet opgaan in het verwijzen naar de dingen. Deze taal vestigt voortdurend de aandacht op zichzelf en blijkt onuitputtelijk te zijn in het genereren van nieuwe betekenissen. Het wordt tijd om de innerlijke samenhang van de tekst aan de orde te stellen en het belang van structuur onder woorden te brengen.

HET BELANG VAN DE STRUCTUUR De betekenis van de woorden en de zinnen wordt niet in de eerste plaats door het woordenboek bepaald – zo werkt een creatieve schrijver al evenmin – maar door hun onderlinge verband; het is een netwerk van samenhangen, waarvoor de oude regel geldt: het geheel is meer dan de som der delen. Die regel is voor de Bijbel pas echt operationeel geworden sinds het midden van de twintigste eeuw. De tekst is een hiërarchische orde van betekenisdragende lagen. Klanken en lettergrepen vormen woorden, woorden vormen zinnen. Dat is al te bekend — het zijn de ordeningen waarover de gebruikelijke grammatica gaat: vormleer en zinsbouw. Maar er is zoveel meer. Het zijn de hogere niveaus van de tekst, die men sinds kort heeft geleerd ook systematisch te bestuderen: in het proza vormen de zinnen sequenties (alinea’s) en worden de individuele verhalen aaneengeschakeld tot bedrijven, verhalenkransen en hele boeken, en in de poëzie vormen de verzen strofen en groeperen deze strofische eenheden zich tot nog grotere teksteenheden (stanza’s). Zo leren we de zin of het vers te begrijpen als bouwsteen

13


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 14

van de naasthogere eenheid, de strofe als onderdeel dat aan de stanza bijdraagt enz. Elke laag van de tekst heeft zijn eigen taak in het scheppen van betekenis en structuur, en dat vraagt om studie. Wat is dat nu, structuur? Structuur is de wijze waarop alles in een tekst samenhangt. Dat samenhangen is van een complexiteit die niet kan worden gevangen in een woordenboek. Ook het unieke van verhaal of gedicht, van spreuk of voorschrift kan zo niet worden vastgelegd. Het kan slechts tot zijn recht komen via een geduldige lectuur die open is voor het anders-zijn: de tekst is anders dan we meenden te weten, anders dan we verwachten, anders dan ons geleerd wordt. En daarin verschilt hij niets van dat andere sprekende geheel: de medemens. Literaire of structurele studie sluit het spirituele of morele niet uit, maar in. Het geestelijke gehalte van de Bijbel komt immers alleen tot stand door de taal. De literaire benadering veronderstelt het besef dat er geen vorm op zich is, en dat vormgeving wezenlijk is. Ik licht de cruciale betekenis van structuur toe met twee kleine voorbeelden uit het boek Genesis en met een halve bladzijde uit Leviticus. Schepping In Genesis zoek ik de eerste dichtregels op. Er is er al meteen één ter ere van het eerste schepsel, het licht, en God is het onderwerp van de twee lijnstukken: Hij noemde het licht dag

/ en de duisternis noemde hij nacht.

Het vers (Gen. 1:5a) geeft een representatief kijkje in de poetica van de Hebreeuwse dichtkunst. De halfverzen lopen evenwijdig, hun betekenis is complementair door het hele eerste etmaal te dekken. In de grondtaal zijn er 3 + 3 woorden, waarvan de ordening als abc/b’a’c’ kan worden beschreven. Hun klemtonen kan men lezen als metrische accenten, zodat we hier een heffingsvers hebben met een balans van 3 + 3 heffingen. Dag en nacht worden omringd door andere paren: hemel en aarde voorop, de aarde en de zee, de chaoswateren boven en onder. De schepping bestaat uit polariteiten die voortvloeien uit de scheidingen die de ordenende God aanbrengt. In het paradijs (Gen. 2-3) volgen goed en kwaad, vloek en zegen. De eerste dag heeft de kortste sequentie (alinea) gekregen. De zesde, tevens de laatste werkdag, krijgt de langste (Gen. 1:24-31) omdat hij de climax van de eerste werkweek is: het is de dag waarop de mens wordt geschapen en een eerste aanwijzing omtrent zijn bestemming krijgt, rentmeester van de aarde zijn. De schrijver onderstreept en viert dat wederom met poëzie, ditmaal een drieledig vers (het tricolon Gen. 1:27): En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. Deze dichtregel is een drastisch voorbeeld van wat ik de dialectiek van overeenkomst en verschil noem. Hij is een arena waarin het gelijke en het ongelijke een wedstrijd aangaan. Het eerste wat opvalt is immers dat de lijnstukken (cola) alle hetzelfde onderwerp plus gezegde hebben, ‘God schiep’. Dat creëert terstond een monotonie die alleen kan worden

14


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 15

gekeerd door de zorgvuldige variaties die drie maal om de zinskern heen dansen. Tegen de achtergrond van het identieke steken nu de verschillen scherp af, en al concurrerend reiken ze een nieuw en verbazingwekkend thema aan. De mens draagt het beeld van God — die mededeling is één van de stoutmoedigste en verst strekkende moties die we in de Bijbel aantreffen over ons wezen of bestaan. Een chiasme zorgt ervoor dat we niet om deze bepaling heen kunnen: ‘God ... zijn beeld’ wordt ‘het beeld van God’. We hebben behoefte aan nadere toelichting en die krijgen we terstond dankzij de variaties die de vaste kern begeleiden. De mens schijnt een enkelvoud te zijn (v. 27a), een ‘hem’ (27b), maar verandert dan (27c) in ‘hen’, een meervoud. Het is eigenlijk een tweevoud, want het derde lijnstuk licht het toe met de woorden ‘mannelijk en vrouwelijk’. Mens zijn is dus niet enkelvoudig, het is wezenlijk partner in een dialoog zijn, en dat heeft blijkbaar een goddelijk aspect. De clou van het herhaalde parallellisme is echter dat ons bestaan-als-tweevoud nu fungeert als uitleg van ‘het beeld van God’ en omgekeerd door deze vèrstrekkende motie wordt geheiligd. En zo geeft het vers ons in een flits een diepe kijk in de Schepper: is zijn wezen ook een voortgaande dialoog, met vrouwelijke en mannelijke aspecten? Dit stilistische hoogtepunt van het eerste prozastuk markeert de thematische spits ervan. Geen wonder dat er een vervolg op komt in het tweede hoofdstuk en dat ook daar de intensivering van stijl wordt toegepast die de versvorm is. Genesis 2 heeft onder andere tot taak het summiere bericht van de schepping van de mens nader toe te lichten en uit te werken door middel van inzoomen. Dat levert ons het beeld op van God als pottenbakker, hij vormt de klei eigenhandig. Zodra de vrouw is geschapen en als gevolg daarvan ‘de mens’ (adam in het Hebreeuws) zijn plaats als ‘man’ kan innemen, reageert hij in 2:23 met woorden van wezensherkenning. Ik geef een werkvertaling waarvan het Nederlands niet fraai is, omdat ik de woordvolgorde van de grondtaal zoveel mogelijk aanhoud ten einde de balans in vers 23b goed in beeld te krijgen: Deze is ditmaal been van mijn gebeente / en vlees van mijn vlees. Deze worde genoemd iesja (vrouw) / want uit de iesj (man) is genomen deze. Dat is een volledige strofe, en weer zien we hoe de halfverzen (cola, lijnstukken) twee aan twee werken door elkaar te ondersteunen en uit te leggen. Het woordspel iesj/iesja bewijst (niet ‘wetenschappelijk’ natuurlijk, maar literair) met zijn klanken hoezeer de twee zijnswijzen van het mens-zijn op elkaar afgestemd zijn. De structuur maakt dat nog klemmender door rondom het scharnier ‘want’ de woorden te ordenen en de zinnen bijeen te houden volgens het patroon abc // c’b’a’. De betrokkenheid van de man op de vrouw is een wenk dat hij volledig mens wordt als hij zijn vrouwelijke kant — de anima noemde Jung die — erkent en integreert. En omgekeerd ook: de betrokkenheid van de vrouw op de man is een wenk dat zij een waarachtig en volwassen persoon wordt als zij haar mannelijke aspect (animus, zei Jung) niet verwaarloost. Mens-zijn betekent dat we van binnen en van buiten in een permanente dialoog staan. De duale vorm van de poëzie — twee verzen in de strofe, twee cola per dichtregel — en de symmetrie abc-c’b’a’ in 2:23b weerspiegelen de dialogische natuur van het mens-zijn, en de dialoog is op zijn beurt een deel van de uitleg van wat ‘beeld van God zijn’ mag betekenen: er is in God voortdurend een interne dialoog gaande, en de man-vrouw-relatie dient daarvoor als metafoor.

15


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 16

Moord Het volgende voorbeeld van structuur en zijn invloed komt uit Genesis 9:6b, waar de eerste rechtsregel van de Bijbel staat. Anders dan de teksten van ons rechtsbestel is die regel wederom poëzie; de versvorm onderstreept het gewicht van wat hier gezegd wordt. Mijn werkvertaling handhaaft de woordvolgorde van het origineel dat opnieuw uit 3 + 3 woorden en evenveel metrische accenten bestaat. Voor de eerste en meteen laatste keer noteer ik het Hebreeuws, in transcriptie: sjofeek dam ha’adam / ba’adam damo jissjafeek Wie het bloed van een mens vergiet / door de mens zal zijn bloed vergoten worden. God beschermt het menselijk leven met deze maatregel en draagt zodoende bij aan een nieuw begin van de geschiedenis, na de zondvloed, de geweldige catastrofe die Hijzelf had ontketend. De lezer herkent opnieuw een sluitende symmetrie van het type abc-c’b’a’. Deze regel is nooit anders vertaald. Maar is de weergave wel juist? Als ik scherp toekijk moet ik de weergave ‘door de mens’ afvallen, om drie redenen. Ten eerste zijn rechtsregels van nature heel precies en steunen ze graag op nauwkeurige definities. Maar dit element ‘de mens’ uit het tweede halfvers is onaangenaam vaag: duidt het nu een collectief aan of een individu? De grondtaal sluit geen van beide uit, en zou ons dus laten zitten met een ongewenste dubbelzinnigheid. Bij het collectief denke men aan de gemeenschap, die de rechtsorde bewaakt door de moordenaar ter dood te brengen, terwijl het individu concreet de beul zou kunnen zijn: de persoon die de executie uitvoert. Ten tweede maakt het Hebreeuws geregeld gebruik van de lijdende vorm, maar vermijdt die juist hardnekkig als in de tekst de uitvoerder van de handeling beschikbaar is. In plaats van ‘de stad werd door Joab veroverd’ zal de grondtaal altijd kiezen: ‘Joab veroverde de stad.’ Dat is wel zo eenvoudig, en de grotere directheid is winst. Ten derde worden in de traditionele weergave de twee personages van het eerste halfvers — de moordenaar en zijn slachtoffer dus — gevolgd door een nieuw, derde personage in het tweede halfvers. Dat is waarschijnlijk te veel van het goede, en deze derde partij is ook wat te anoniem. Er is nòg iets vreemds aan de hand met de woordgroep ‘door de mens’, en dat komt aan het licht als ik de vraag stel: wie anders zal de moordenaar terechtstellen? Een mier of een olifant soms? Nee, natuurlijk. De vraag maakt in één slag zichtbaar dat het element ‘door de mens’ een stoplap is, een element dat geschrapt kan worden zonder dat de boodschap verloren gaat. En dat zou geen pluspunt zijn voor de dichter en zijn niveau. Gelukkig is er een alternatief. Het voorzetseltje waarmee het tweede halfvers begint kan van allerlei betekenen, zoals ‘om, met, wegens, in’, en kent een specifieke toepassing als er sprake is van een ruil of een prijs. Die mogelijkheid volg ik door het weer te geven met ‘om’ in de zin van ‘ter compensatie van’ of ‘vanwege, voor’. Het lidwoord in ‘de mens’ is nu aanwijzend: Wie het bloed van een mens vergiet / om die mens zal zijn bloed vergoten worden.

16


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 17

De verrassingen die deze verbeterde weergave biedt zijn even zovele pluspunten. Het vage en overbodige derde personage is nu geheel afwezig. Het tweede ‘mens’ valt opeens en volledig samen met het eerste omdat het opnieuw naar het slachtoffer verwijst. Er is in II Samuël 14 een zinsdeel dat het precieze equivalent is van ‘om die mens’: in een passage die eveneens een geval van doodslag behandelt staat het lange vers 7 dat om de doodstraf vraagt ‘om het leven van zijn broer’. Met de verbetering in Genesis 9:6b ontstaat een heel ander en diep inzicht in het wezen van het strafrecht. De juistheid van dit alles wordt onderstreept en schitterend bewezen door de structuur van het vers, het abc-c’b’a’. De concentrische symmetrie is er de perfecte uitdrukking van dat de straf exact is afgestemd op het misdrijf door het te weerspiegelen, en dat het ene leven gegeven wordt ter vervanging van het andere, want alleen zo kan het verstoorde evenwicht in de rechtsorde hersteld worden. De prijs die de moordenaar moet betalen voor het wegnemen van andermans leven is de inlevering van zijn eigen leven. Vorm is hier inhoud. Dat betekent voor de dichtregel: de symmetrie van het abc-c’b’a’ is zo’n dwingende vorm dat de innerlijke logica van de straf tevoorschijn springt. De werkelijke inhoud van de rechtsregel is een geval van vervanging; dat wordt gegarandeerd en afgedwongen door de gesloten vorm. De rechtsregel straalt door zijn symmetrie ook dit uit: mijn innerlijke samenhang is onverbrekelijk en daarom is deze maatregel onherroepelijk. Kortom: structuur leidt onze lectuur, dat wil zeggen het werk van betekenis verlenen dat wij lezers doen. Wraak of recht? Het strafrecht in het oude Israël heeft een sterk aspect van vergelding; talio zegt de Latijnse term. De symmetrie van misdaad en straf die we in Genesis 9 aantroffen brengt ons bij de meest bondige formulering ervan in het ius talionis (de wet van gelijkwaardige vergelding): het is de bekende formule ‘oog om oog, tand om tand’. Als we de krant opslaan en voor de zoveelste keer kennis nemen van niet aflatend geweld in het Midden-Oosten, is de kans niet gering dat onze journalist schrijft dat die regio van de wereld ‘nog steeds door het oog om oog, tand om tand van het Oude Testament wordt beheerst’. Zo wordt ons gesuggereerd dat achterlijkheid en barbarij er de baas spelen. Laat dat nu een kolossaal misverstand zijn! In werkelijkheid schrijft de formule ‘oog om oog, tand om tand’ juist voor dat geweld en tegengeweld níét hun fatale spiraal omlaag mogen doorlopen. Ik sla de voornaamste passage op, een literaire eenheid uit Leviticus. Dat boek is weerbarstig en wordt weinig gelezen. Het schijnt achterhaald, want er is geen tempel met priesters meer, en aan offerwetten hebben we toch geen boodschap? Maar bij goed toekijken is er nog steeds veel in te beleven. Leviticus 24:10-23 is een ringcompositie van niet minder dan elf leden. Het is een bericht over een ernstig incident onderweg naar het beloofde land, een misdrijf dat dwingt tot het formuleren van nieuw recht. Een man van gemengde afkomst misbruikt de heilige naam van God en wordt gevangen gezet door Mozes totdat hij van God heeft vernomen wat de passende straf voor vloeken is. Dat wordt — wij moeten even slikken; andere tijden andere zeden — de doodstraf, een maatregel die zowel voor de Israëliet als voor de vreemdeling geldt, aldus de verzen 16 en 22. Het vertellende deel blijkt slechts een smal raam te zijn; het is een enveloppe rondom de hoofdzaak, en die bestaat uit een reeks rechtsregels. Aldus

17


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 18

ingebed in het narratieve, is de kern van de tekst een rede van God tot Mozes waarvan de inhoud boven het toevallige moment uitgaat: regels van talio die algemeen geldig zijn. De buitenste ring, A-A’, brengt de aanloop in de verzen 10-15 en de executie in vers 23. Daarbinnen staan deze woorden, die niet voor een zwakke maag bestemd zijn: B

x) Wie de naam van Jahwe lastert, zal zeker ter dood gebracht worden: de hele gemeenschap zal hem stenigen. y) Zowel een vreemdeling als een geboren Israëliet moet, als hij de naam lastert, ter dood gebracht worden. C Ieder die een mens doodslaat moet ter dood gebracht worden, D en wie een stuk vee doodt moet dat vergoeden: een leven voor een leven. E Wie een volksgenoot letsel toebrengt moet zelf ondergaan wat hij de ander aandeed: X breuk voor breuk, oog voor oog, tand voor tand. E’ Het letsel dat hij de ander heeft toegebracht moet hij zelf ondergaan. D’ Wie een dier doodslaat moet het vergoeden, C’ en wie een mens doodslaat moet ter dood gebracht worden. B’ y’) Enerlei recht zullen jullie hebben, de vreemdeling net zoals de geboren Israëliet. x’) Ik ben Jahwe, jullie God.

v. 16a 16b 17 18 19 20a 20b 21 22

Het is nu duidelijk dat deze reeks een strakke concentrische structuur heeft gekregen. De beroemde formule, hier een trits, staat in het midden als as van het geheel. Geen wonder, want deze behendige samenballing van het onderwerp tot slagzin is de frappe, en het belang ervan gaat de aanleiding verre te boven. De formule bezet dan ook de positie X: het enige lid dat geen pendant heeft. Het wordt desondanks versterkt door de flankerende leden CDE en E’D’C’ die het principe van de talio op hun manier variëren en herhalen. In de leden B-B’ blijft de schrijver het spel van spiegelen doorzetten. In de helften van de verzen 16 en 22 herkennen we een kruisconstructie, een chiasme dus dat ik met de signalen x en y al heb aangeduid in het schema; ‘de naam van Jahwe’ en het woord Jahwe omringen de herhaalde boodschap dat Israëliet en vreemdeling voor deze wet gelijk zijn. De formule ‘oog om oog, tand om tand’ mikt op de inperking van geweld in plaats van de vrije teugel te geven aan wraakzucht. Zij is een rechtsregel en is alleen van toepassing op situaties van misdaad en straf. Omdat de straf opnieuw nauwkeurig afgestemd moet worden op het misdrijf en geen millimeter verder mag gaan, staat onze formule diametraal tegenover het cliché van onze media dat barbarij insinueert. Zij is juist een uiting van beschaving en een schutspatroon van weloverwogen rechtspraak. Dat wordt ten overvloede duidelijk uit een parallel lopende passage die staat in het oudste corpus van juridische teksten, het zogenaamde Verbondsboek, Exodus 20:22-23:13. Na het ‘oog om oog, tand om tand’ dat daar staat (en in 21:24-25 tot een zévental uitgroeit!) lezen we: ‘Wanneer iemand het oog van zijn slaaf of het oog van zijn slavin raakt en het

18


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 19

vernielt, moet hij hem of haar vrijlaten als schadeloosstelling voor dat oog. En als iemand zijn slaaf of slavin een tand uitslaat, moet hij hem of haar vrijlaten als schadeloosstelling voor die tand.’ Deze toevoeging is het bewijs dat het om alleszins humaan recht gaat, want zij is zelfs een verzachting van de symmetrie ‘oog om oog, tand om tand’.

DE KRACHT VAN LITERAIRE TAAL Het fundament van de Bijbel wordt op velerlei wijze gelegd door het eerste boek, Genesis, en dat is te danken aan de meerwaarde van creatief taalgebruik. We merken dat zodra we aandacht besteden aan twee stijlmiddelen die we reeds in het begin van het Boek van het Begin aantreffen. Het gaat om het beslissende sleutelwoord en om de strategische plaatsing en betekenis van twee vragen. De stam j-l-d heeft in het Hebreeuws een waaier van vervoegingen en dekt daardoor het hele bereik van verwekken – baren – geboren worden plus de naamwoorden die erbij horen: verwekking – kinderen – vroedvrouwen (denk aan de twee heroïsche vrouwen die de Farao trotseren en in het eerste hoofdstuk van het boek Exodus aan de wieg van de natie staan!). Als werkwoord komt deze stam 167 maal voor en in zijn naamwoordelijke gedaanten nog eens 47 maal. De boodschap is niet te missen bij zo’n frequentie. Voeg daaraan toe dat het oude Israël geen hiernamaals kende, zodat de enige manier om de macht van de dood een beetje te relativeren bestond in overleven via het krijgen van mannelijk nageslacht, en we hebben het hoofdthema van Genesis te pakken: overleving en continuïteit. Tot voor kort zat de oudtestamenticus met zijn handen in het haar: wat hinderlijk, die monotone stambomen boordevol niet te onthouden namen die lukraak tussen de verhalen van het begin en de aartsvaders gestrooid zijn! Wat een gebrek aan eenheid, vond onze geleerde, en hij verloor zich in ingenieuze speculaties over verschillende bronnen en handen. Hij trakteerde ons op een eindredacteur die de heterogene teksten zo goed en zo kwaad als het ging aan elkaar had geflanst, maar hij zei niet wat hij dacht: eigenlijk een sukkel. Door gebrek aan zelfreflectie had onze man niet in de gaten dat het in stukken en stukjes knippen van de tekst zijn eigen gedrag van divide et impera was: verdeel en heers. In werkelijkheid zorgt het sleutelwoord j-l-d in zijn eentje al voor integratie van het totale materiaal. In de vorm van toledot (‘verwekkingen’) is het systematisch gespreid, zodat het vijf maal de titel van een verhalenkrans is geworden (Gen. 2:4a, 6:9, 11:27, 25:19 en 37:2) en vijf maal de kop van een genealogische lijst (in 5:1, 10:1, 11:10, 25:12 en 36:1). Bovendien keren inzet en oogmerk van de stambomen terug in de narratieve blokken. Abraham moet de beproeving doorstaan van een mensenleven lang geduld oefenen voordat hij bij Sara zelf een zoon krijgt. De aartsmoeders Sara, Rebekka en Rachel zijn onvruchtbaar en ze krijgen uiteindelijk pas kinderen doordat ‘God hun schoot opent’, aldus de verteller. Zo wordt het de stervelingen ingepeperd dat overleven allerminst vanzelf gaat. Een verhaal in strikte zin wordt gedragen door een plot die ontspringt aan een manco dat moet worden gevuld, of aan een probleem dat vraagt om een oplossing. Zo ontstaat een traject dat wordt afgelopen door de held die de klus wil klaren. De eerste literaire eenheid (Gen. 1:1-2:4a) wijkt hiervan af en is meer een lofprijzing in proza, bestaande uit een opsomming van scheppingsdaden die over zes dagen worden gespreid, dan een spannend verhaal. De kroon op het scheppingswerk van God is de zevende dag, als Hij zijn scheppen

19


01-voorwerk+inleiding

10-03-2005

11:26

Pagina 20

viert door te rusten en de dag te heiligen als sabbat. Het is zonneklaar dat de sequentie die ons dit meedeelt, Genesis 2:1-3, de slotalinea van het eerste ‘verhaal’ is. Hier moet ik de lezer even waarschuwen: de hoofdstukindeling van de Bijbel is pas door een Engelse bisschop in de Middeleeuwen gemaakt en verdient weinig geloof: de goede man tastte al meteen verschrikkelijk mis toen hij het paradijsverhaal van het eigenlijke scheppingsverhaal scheidde en de alinea van Gods sabbat in hoofdstuk 2 plaatste. De witregel hoort te staan in het midden van 2:4, en dat is in de Willibrord-vertaling (tweede en derde druk) en de Groot Nieuws Bijbel al goed gekomen. De eerste helft van vers 4 is een naschrift dat het allereerste bijbelvers spiegelt, Genesis 1:1 is een opschrift of titel. Samen vormen ze een krachtige inclusio die het scheppingsverhaal zijn grenzen geeft. Vers 4b duidt God anders aan, door de eigennaam in te voeren, keert het koppel ‘hemel en aarde’ om en begint dan met inzoomen. De tweede literaire eenheid is het paradijsverhaal Genesis 2:4b-3:24. Een verhaal van broedermoord volgt, waarna het eerste bedrijf wordt afgesloten met de stamboom van Adam in hoofdstuk 5. Het tweede bedrijf, van Noach tot Terach, wordt dubbel afgesloten met twee stambomen (in Gen. 10 van Noachs zonen, in 11:10-32 die van Sem). Waar ben je? De goede samenhang van Genesis wordt op nog meer manieren aangebracht: dankzij een systematiek die reeds in het begin tot stand komt dankzij de strategische plaatsing van twee belangrijke vragen en via het tweede hoofdthema dat zich van daaruit ontplooit. We kijken nu naar de inzet van Genesis 2-4 en de knik na hoofdstuk 11. Het eerste echte verhaal, dat speelt in de Hof van Eden, behandelt twee fundamentele verhoudingen, die van God en mens, en die van man en vrouw. Deze tekst klinkt bedrieglijk simpel met zijn naïef aandoende details als een sprekende slang, het eten van een appel en rokjes die naaktheid bedekken. De rechtzinnige Jood gelooft bovendien dat hier een episode van bijna achtenvijftighonderd jaar geleden wordt bericht. Maar dat is alles schijn. In werkelijkheid presteert de schrijver het de hoofdkenmerken van het menselijk bestaan in verhaalvorm te presenteren: de hachelijke, problematische en dubbelzinnige aspecten van schuld en schaamte, bestemming en ongehoorzaamheid; kennisdrang en het kwaad als oorsprong van ethiek; sex, naaktheid (lees: kwetsbaarheid) en de pijn van zwangerschap. De dichtheid van motieven en probleemvelden in dit verhaal van onuitputtelijke complexiteit is niet te overschatten. God heeft als project: de mens (adam) te bepalen bij de akker (de adama), maar zijn schepsel heeft een vrije wil en dat leidt al snel tot grote conflicten. Vier hoofdstukken verder heeft God er al genoeg van en brengt de zondvloed. In het paradijs klinkt de eerste vraag van strategisch belang. Het is een retorische vraag van God en hij lijkt een bosje toe te spreken. Zo wordt de illusie van Adam doorgeprikt die zich dacht te kunnen verschuilen, nadat hij een verboden vrucht heeft geproefd. De vraag (in het Hebreeuws maar één woord) heeft net als in vertaling slechts drie lettergreepjes: waar ben je? De aandachtige lezer zet de letterlijke betekenis ervan snel aan de kant als onbenullig en gaat beseffen dat de morele draagwijdte van de vraag enorm is. Hij is immers gericht tot ‘Adam’ (lees: de mens) en de kracht ervan is domweg niet tegen te houden: het is een sleutelvraag die permanent en overal geldig is. Waar ben ik? Wat is mijn positie ten opzichte van ... mijn kind, mijn partner, de baas, het werk, de politiek, de dood, enzovoorts: de opsomming is oneindig. De actieradius van de vraag is niet in te perken.

20


De Bijbel literair