Page 1

kind, gezin & identiteit


jos dirkx & nelleke nicolai [ Redactie ]

Kind, gezin & identiteit

sjibbolet  µ  amsterdam  µ  mmxiv


Deze uitgave kwam mede tot stand dankzij een subsidie van de Stichting Psychoanalytische Symposia Utrecht.

©  2014  Redactie en auteurs, p  / a Uitgeverij Sjibbolet, Amsterdam

Niets in deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced without the written permission of the publisher.

Boekverzorging René van der Vooren, Amsterdam isbn 978 94 9111 019 1 nur 770


inhoud

1 marijke lenstra, jos dirkx & nelleke nicolai Kind, gezin & identiteit 7 2 eva prinsen ‘Ik word later geen prinses meer’ — Over de (identiteits)ontwikkeling in de latentieleeftijd 19 3 frans stortelder Adolescentie en de reorganisatie van de ontwikkeling tussen nul en vijf jaar : een neuropsychoanalytisch model 39 4 leontine brameijer ‘Ik voel me zo leeg’ — Eetstoornissen en het interne gezin: het moderne kleiniaanse perspectief 73


6

inhoud

5 frits boer Als een broer of zus ernstige lichamelijke of psychische problemen heeft: risico’s en kansen 85 6 irene mettrop-wßrster Adoptiekinderen en identiteit 105 7 jolien zevalkink Gehechtheid in transcultureel perspectief 123

Over de auteurs 143


1 Kind, gezin & identiteit marijke lenstra, jos dirkx & nelleke nicolai

Inleiding: identiteit en omgeving ‘ Hoe moet jij een mens worden?’ vraagt een vos aan een jongen die door een God geschapen is, maar geen ouders heeft, niets te eten en geen kleren om aan te trekken. Geen meisje zou hem willen trouwen, wordt ook vermeld. De jongen antwoordt de vos: ‘Hoe ik een mens moet worden? Dat weet ik zelf niet.’ Dit is een Tartaars sprookje, zo staat vermeld op het titelblad van een essay van Hella Haasse (1959), Boekenweekgeschenk in 1959, met als titel Dat weet ik zelf niet. Jonge mensen in boek en verhaal. ‘Nooit is de jeugd zozeer een probleem geweest als in onze tijd’, vangt ze haar essay aan, meteen daarna erkennend dat dit weliswaar een uitspraak is van alle tijden. Maar ze schetst vervolgens op overtuigende wijze dat er toch een structurele verandering is. Volwassen zijn was in vroeger tijden veel minder ingewikkeld. De wereld was voor de meeste mensen ‘klein’, er viel niets te kiezen, kinderen volgden al heel jong de sociale voetsporen van hun ouders. En leefden in een wereld die voorlopig nog zo zou blijven. Maar met het in aanraking komen met een grotere wereld, andere mogelijke levenswijzen, komt er langzamerhand meer aandacht voor de kinderontwikkeling, en enig uitstel van volwassenwording. Eind jaren vijftig begin jaren zestig wordt


8

lenstra, dirkx & nicolai deze verschuiving explicieter. Er komen ‘nozems’, de Beatles zijn in aantocht. En Erik Erikson (1968) gaat zijn ontwikkelingsfasen beschrijven. Waarbij de fase van Identiteit versus Rolverwarring valt in de periode tussen veertien en twintig, puberteit en adolescentie. Daarna begint de fase van de Vroege Volwassenheid, later dan bij de generaties tot dan toe, waarin vrouwen vaak al op jonge leeftijd kinderen kregen. In diezelfde jaren vijftig werd ook al empirisch onderzoek gedaan naar sekseverschillen ‘in de liefhebberijen van enkele groepen scholieren’ (Houwink, 1953). Het betrof een groep van ruim vierhonderd adolescenten in de leeftijd van vijftien tot eenentwintig jaar, van wie verreweg de meesten tussen zestien en achttien en uit de hogere klassen van het middelbaar onderwijs. Het gaat hier om spontaan vermelde liefhebberijen waarbij er een duidelijk onderscheid is tussen jongens en meisjes. Reeds in de vaak slechts één of twee keer genoemde onderwerpen treft men typische sekseverschillen aan. Bij jongens wordt genoemd: ‘archeologie’, ‘weersgesteldheid’, ‘elektriciteit’, en ‘gesteente’ en bij meisjes: ‘praten’, ‘fantaseren’, ‘kleren’, ‘winkelen’ en ‘ehbo’ (Houwink, 1953, p.    42). Opvallend is verder dat door meisjes meer ‘liefhebberijen’ worden genoemd dan door jongens. Significante verschillen werden gevonden voor: lezen (54  % meisjes en 9  % jongens); zwemmen (38 % meisjes en 13 % jongens), verzorging van kinderen, dieren en planten (12 % meisjes en 0 % jongens), muziek (26 % meisjes en 15 % jongens), reizen (7 % meisjes en 0 % jongens), voetbal (0 % meisjes en 16 % jongens), denksport (bridge, schaken, dammen) (0,5 % meisjes en 10 % jongens) en gymnastiek (7 % meisjes en 0,5 % jongens). De uitkomsten van dit onderzoek sluiten volgens de auteur aan bij de opvattingen van Buytendijk (1951) dat het vrouwelijk bestaan gezien kan worden als ‘een zorgend verwijlen in een wereld van waarden’ terwijl het mannelijk bestaan op te vatten is als ‘een arbeidend transcenderen van een weerstandige wereld’. Hoewel deze verklaring wordt gevoed door een pre-emancipatoir en masculien wereldbeeld


kind, gezin & identiteit uit de jaren vijftig, blijft de vraag of de liefhebberijen van jongens en meisjes in de afgelopen zestig jaar wezenlijk veranderd zijn. Met andere woorden: wordt de invloed van de omgeving op seksespecifieke voorkeuren niet overschat? Of is onze samenleving minder veranderd dan we geneigd zijn te denken? In 1971 vraagt de Bijenkorf (1971), het warenhuis dus, ook al in het kader van de Boekenweek, aan lagere schoolkinderen (zes tot twaalf jaar) om een opstel te schrijven over Later  … als ik groot ben. Uit ruim vijftigduizend handgeschreven opstellen, vaak met tekening, kiest een jury er vijftig om af te drukken in een boekje dat er als een ouderwets groen schoolschrift uitziet. Nu, ruim veertig jaar later, is dit een vaak verwonderlijk ontroerende schatkamer van kindergedachten. Een tijdsbeeld, ook al omdat de kinderen onderaan het opstel keurig hun naam, adres en telefoonnummer vermelden. Ondenkbaar in deze tijd. Een keur aan beroepen passeert: tuinman, schipper, houtvester, timmerman, dominee, talenonderzoeker, boef of boevenvanger. Het gaat over kinderen krijgen, ‘zes of zo’, en over gestorven familieleden, en over schieten en vechten. Een jongen van elf schrijft uitgebreid over jongens en meisjes, vrijen, verloving en trouwen. Bij het krijgen van kinderen aangekomen, volgt er plompverloren achteraan :   ‘Liever zou ik een kleine baby willen zijn.’ Een meisje van zeven schrijft achter elkaar: ‘Als ik groot ben lieve moeder zal ik alles aan u geven als ik vijfentwintig jaar ben en dan ga ik voor jou werken, en dan was ik af, en dan schud ik de bedden op, en dan hoeft u bijna niets meer te doen.’ Een jongen van tien jaar is vast goed terechtgekomen. Zijn opstel werd op het schutblad afgedrukt, hij wil directeur van de Bijenkorf worden en bedenkt wat daar allemaal voor nodig is. De laatste bladzij van het schriftje is vrijwel leeg, op één zin na: ‘Ik weet niet wat ik worden wil.’ Het thema van dit boek is ‘Kind, gezin en identiteit’. ‘Identiteit’ is eigenlijk niet zo’n psychoanalytisch woord. Bijvoor-

9


10

lenstra, dirkx & nicolai beeld in het Handboek psychodynamiek (Dirkx e.  a., 2011) staan hiernaar in het trefwoordenregister maar een paar verwijzingen, en dan veelal in samenstellingen als ‘identiteitsdiffusie’ en ‘identiteitsproblemen’. De identiteit is op te vatten als de ontwikkeling van de beleving van zichzelf als één persoon, met een gevoel van samenhang, continuïteit en consistentie. En hoe dit gevoel gevormd wordt in de wisselwerking met moeder, met vader, en vervolgens met de steeds ruimer wordende wereld. De jongen in het Tartaarse sprookje had geen vader en geen moeder, was zonder kleren en zonder beschutting. In ons vak kennen we ook zo’n jongen. Aan de hand van het uitzonderlijke verhaal van Oedipus is een wereld aan ideeën gevormd over hoe we ons ontwikkelen tot wie we zijn. In de bundel Vader was niet thuis, moeder was niet thuis  (Stufkens, 1987) wordt van verschillende kanten bekeken wat het voor kinderen betekent als de ouders er niet zijn, met name in emotionele zin. Maar externe realiteit en innerlijke betekenis lopen nogal eens door elkaar, en er is verschil tussen verbeelding en werkelijkheid. Veel mensen denken bij het woord ‘identiteit’ aan migranten en asielzoekers, waarbij verondersteld wordt dat die het moeilijk hebben met de vraag wie ze willen zijn, en wie ze moeten zijn. ‘De Nederlandse identiteit bestaat niet’, zei Maxima. En zij kon het weten, want niemand is intensiever en langduriger ‘ingeburgerd’ dan zij. Veel mensen werden boos, voelden zich wel degelijk Nederlander. Maar we kunnen er niet omheen dat we inderdaad lang niet alleen meer (bijvoorbeeld) Nederlander zijn, maar daarnaast een complex geheel ontwikkelen van allerlei identiteitsgevoelens, gevormd in een reeks van identificaties, maar ook van separaties, van ons onderscheiden van anderen. Daarbij doen zich in de reële wereld reële omstandigheden voor, die de vorming van het identiteitsgevoel meebepalen. Het kind dat in werkelijkheid geen vader of geen moeder heeft, of werkelijk een ziek broertje of zusje, heeft een an-


kind, gezin & identiteit dere ontwikkelingsopgave dan een kind dat ‘speelt’ met die gedachte. Het kind waarvoor de ouders in werkelijkheid niet goed kunnen zorgen, ontwikkelt zich anders dan het kind dat graag naar sprookjes luistert over kinderen die in een groot bos, alleen, worden achtergelaten. De fantasie prinses te worden, is iets heel anders dan echt prinses te zijn. In dit boek zal het steeds gaan om de problematiek die ontstaat op het grensvlak van externe realiteit en psychische realiteit, en de betekenis daarvan voor de vorming van een min of meer consistent zelfgevoel. Het gaat over reële traumatisering doordat ouders wegvallen, er een scheiding plaatsvindt, ziekte en dood zich onverwacht aandienen, maar ook over belastende gezinsomstandigheden zoals een ziekte van een broertje of zusje. En over minder in het oog springende, maar daarom niet minder traumatiserende, psychische tekorten die ouders verhinderen om voldoende consistent en coherent moeder en vader te zijn. Hella Haasse dacht dat het overal op de wereld op dezelfde wijze begint, met een kind dat nog helemaal geen mens is maar mens wordt door op te groeien, bij ouders, bij anderen, in verschillende omstandigheden. Voor een deel gaat deze ontwikkeling in alle tijden en overal ter wereld hetzelfde. Maar wat voor mensen we worden, en hoe stevig ons identiteitsgevoel zich ontwikkelt, daarbij zijn die omstandigheden toch wel erg belangrijk. De toekomst van kinderen, de kwaliteit van leven, wordt immers voor een belangrijk deel bepaald door sociale omstandigheden, de plek waar iemand ter wereld komt, en de sociaal-maatschappelijke laag waartoe de ouders behoren. De kloof die er bestaat tussen in dat opzicht kansarme kinderen en de kinderen met veel mogelijkheden wordt steeds groter (Bauman, 2013). Toch zijn er ook factoren voor welzijn en geluk die wat makkelijker te beïnvloeden zijn.

11


12

lenstra, dirkx & nicolai

Identiteit, omgeving en zelfbeheersing Het hebben van een identiteit impliceert onderdeel uitmaken van een groep, met name een biologische afstamming hebben, en tegelijk een uniek individu zijn met een naam, een gezicht, een adres en een burgerservicenummer. Om een identiteit te ontwikkelen van wie of wat we zijn is er ook een zelfbewustzijn nodig, een reflectief zelf waarmee we een onderscheid kunnen maken tussen onszelf en anderen, tussen binnen en buiten. Ons zelf en zelfgevoel worden omgekeerd gevoed door anderen en de omgeving, die daarmee mede onze identiteit vormen. ‘Een zelf zijn’ is bovendien verbonden met het bestaan in een morele ruimte, die te maken heeft met identiteit en met hoe we behoren te zijn. ‘Het betekent dat we in staat zijn in deze ruimte een standpunt te vinden, daarin een bepaald perspectief in te nemen, dat perspectief te zijn’ (Taylor, 1989, p.  172). Zelfbeheersing is volgens de morele leer van Plato een belangrijke voorwaarde om een goed mens te kunnen zijn. De mens heeft een goed en een slecht deel in zichzelf, in zijn ziel, en wanneer het van nature goede deel het slechte bedwingt dan spreken we van ‘meester over jezelf zijn’, de rede is sterker dan de begeerte. Maar wanneer door een verkeerde opvoeding of verkeerde contacten het goede deel wordt overheerst door het slechte dan is dat afkeurenswaardig en wordt iemand ‘slaaf van zichzelf’, en ontbeert discipline (Plato; vertaling 2006). Ook Freud legt veel nadruk op beheersing van het driftleven, immers: ‘Wo Es war soll Ich werden.’ Het Ik representeert wat men verstand en bezonnenheid kan noemen, terwijl het Es de hartstochten omvat. De psychoanalyse is volgens Freud een instrument dat het Ik in staat moet stellen het Es steeds verder te veroveren (Freud, 1923, p.   391 en p.   418). Het belang van zelfbeheersing als onderpand voor een gelukkige toekomst en deel van onze identiteit is onlangs ook in empirisch onderzoek duidelijk geworden.


kind, gezin & identiteit In een langlopende cohortstudie van Caspi en Moffitt, waarbij gedurende meer dan dertig jaar ruim duizend mensen uit Dunedin (Nieuw-Zeeland) gevolgd werden, kwam naar voren dat de peuters die op driejarige leeftijd weinig zelfbeheersing kenden, dertig jaar later slechter af zijn dan hun leeftijdsgenoten: ze hebben een slechtere gezondheid, vaker overgewicht, financiële problemen, en vertonen meer verslaving en crimineel gedrag (Moffitt e.  a., 2011). De mate van zelfbeheersing op jonge leeftijd is bepalend voor welzijn, gezondheid en geluk op latere leeftijd. Zelfbeheersing wordt beïnvloed door genetische en omgevingsfactoren. De term wordt breed gedefinieerd, als ‘de mate waarin we kunnen plannen en organiseren, onze emoties reguleren, frustraties tolereren, discipline opbrengen en doorzetten, concentreren en keuzes maken’. Naast het iq en de sociaaleconomische status, beide zeer moeilijk te beïnvloeden, is zelfbeheersing (self-control) de derde bepalende factor voor welzijn, gezondheid en geluk op volwassen leeftijd. Zelfbeheersing daarentegen is wel aan te leren en dus ook te verbeteren. Mensen die onbeheerst zijn door gewoonte zijn makkelijker te genezen dan mensen die van nature onbeheerst zijn, zegt Aristoteles al (vertaling 1999, p. 229). Van belang is daar vroeg mee te beginnen, want zelfbeheersing ontwikkelt zich al vanaf twee- tot driejarige leeftijd. In een interview zegt Moffitt: ‘ Zelfbeheersing zou voor deze eeuw wel eens net zo doorslaggevend kunnen zijn als de alfabetisering rond de vorige eeuwwisseling. Ooit konden alleen de hoogste klassen iets bereiken in het leven maar dat is door de leerplicht en beter onderwijs veranderd. Slimme mensen kunnen nu, ongeacht hun afkomst, hogerop komen. Nu vangt een nieuwe periode aan, waarin psychologische eigenschappen in de samenleving het verschil gaan maken. Niet hoe rijk je ouders zijn doet ertoe, niet zozeer hoe slim je bent, maar vooral hoeveel discipline je hebt’ (De Visser, 2012, p.  9).

13


14

lenstra, dirkx & nicolai Overigens betekent de nadruk op zelfbeheersing niet dat we een soort controlebehoeftige, louter rationeel functionerende robots moeten worden, want dat maakt evenmin gelukkig. Anderzijds is het ook een misvatting te denken dat mensen met een beperkte zelfbeheersing creatiever, spontaner en gelukkiger zijn; zelfs, of misschien wel juist de grootste creatieve geesten leggen een behoorlijke zelfdiscipline en zelfbeheersing aan de dag (De Visser, 2012). In nog recenter onderzoek (Shalev e. a., 2013), waaraan zowel Moffitt als Caspi meewerkten blijkt dat stress en met name mishandeling op kinderleeftijd van grote invloed zijn op het fysiek en geestelijk welbevinden op latere leeftijd. Er is dan sprake van een snellere veroudering en een slechtere gezondheid. Zelfs het getuige zijn van huiselijk geweld, zowel verbaal als fysiek, heeft gevolgen op cellulair niveau, en geeft een toename van erosie van de telomeren, de uiteinden van de chromosomen die een beschermende werking hebben op het dna. Eenzelfde effect wordt waargenomen bij herhaalde ontstekingsreacties en / of een verzwakt immuunsysteem. De invloed van traumatische gebeurtenissen op jonge leeftijd is al veel eerder bekend uit onderzoek naar gehechtheidspatronen tussen ouders en kinderen.

Identiteit, omgeving en gehechtheid Het geschetste onderscheid in identiteit als deel uitmaken van een groep en identiteit als zelfbewustzijn wordt door de Franse filosoof Ricoeur (1992) benoemd als ‘idem’ en ‘ipse’. ‘ Ipse’ staat voor het subjectieve gevoel wie je bent, ‘idem’  — gelijk aan of hetzelfde als — benadert de identiteit veel meer als wat je bent. Je zou het ook kunnen onderscheiden als de subjectieve identiteit (ipse), bestaand uit het Ik-besef en het zelfgevoel, en de meer ‘objectieve’ identiteit: of je Nederlander bent of Frans, man of vrouw, jong of oud en


kind, gezin & identiteit van welke culturele achtergrond. Zo op het oog twee duidelijk aparte terreinen. Toch blijken beide meer met elkaar te ­maken hebben als we het ontwikkelingsaspect mee in beschouwing nemen en vooral uit het perspectief van de gehechtheid. In verschillende hoofdstukken in dit boek wordt deze theorie dan ook gebruikt. Een veilige gehechtheid bevordert het vermogen te reflecteren op de eigen emoties. Gehechtheid is het belangrijkste affectregulatiesysteem dat we hebben. De gehechtheidstheorie is ook in de psychoanalyse toenemend populair, maar wordt vaak verkeerd begrepen. Het gaat er niet om of iemand zich subjectief veilig of onveilig voelt. ‘Onveilig-vermijdend gehechte’ kinderen bijvoorbeeld, voelen zich in het geheel niet onveilig. Ze beheersen zich te sterk, met een vals gevoel van veiligheid, wat ten koste gaat van hun emoties, geheugen en fantasie. Hun identiteit sluit de ander uit. ‘Ambivalent-gepreoccupeerde’ kinderen zijn gericht op de ander, die tegelijkertijd niet te vertrouwen is, en dat gaat ten koste van hun aandacht en identiteitsontwikkeling. Een ‘veilige gehechtheid’ betekent in essentie dat iemand in staat is zowel vanuit het eerstepersoonsperspectief als het tweedepersoonsperspectief naar zichzelf te kijken, zonder het een te bevoordelen boven het ander. Het bestaat ook uit het vermogen zelf en ander(en) te onderscheiden, en de ander in zijn anders-zijn te zien. ‘Ipse’ is stevig genoeg om zich af te vragen wat ‘idem’ betekent. Veilig gehechte volwassenen zijn in staat representaties van de ander te maken, waardoor hun kinderen zichzelf terug kunnen vinden in de psyche, de mind van hun ouders. Het gaat dus niet om het gedrag van ouders, maar of hun kind zich gekend kan weten in de gedachten en fantasieën van de ouder. Uit recent onderzoek blijkt dat dit ook geldt voor mishandelde en ‘gedesorganiseerd gehechte’ adoptiekinderen. Als die terechtkomen bij ouders die veilig zijn gehecht en kunnen mentaliseren — nadenken en invoelen — over hun nieu-

15


16

lenstra, dirkx & nicolai we gezinsuitbreiding, zijn ze binnen afzienbare tijd beter in staat te spelen en geven ze minder problemen (Steele e. a., 2007). Myriam Steele geeft een voorbeeld van een jongetje dat twee poppetjes herhaaldelijk tegen een muur aan laat botsen: ze bloeden. Het moederpoppetje wordt vervolgens ook tegen de muur geplet: ook zij bloedt, want ze is stout geweest. De agressieve inhoud en het feit dat de moeder gerepresenteerd wordt als kind (‘turning passive into active’) is tekenend voor een gedesorganiseerde gehechtheid. Na de adoptie veranderde dat. Het spel werd anders: coherent fantasiespel. De gehechtheidsrepresentatie wordt veilig. Meer dan alle genetische bagage of de wederwaardigheden in de vroege ontwikkeling blijkt de aanwezigheid van ouders die voor en met kinderen kunnen denken, bepalend voor de identiteitsontwikkeling. Andersom blijven kinderen die bij ouders terechtkomen met zelf een onverwerkt verlies of trauma, of bij onveilig gehechte ouders, in dezelfde gehechtheidsrepresentaties steken. Uit dit baanbrekende onderzoek van Steele en haar medewerkers blijkt dat de ontwikkeling een doorgaande lijn is, die in een goede omgeving weer op gang gebracht kan worden en zelfs eerdere ontwikkelingstrauma’s kan herstellen. Dat kan dus ook in een goede psychotherapie gebeuren, waarin de psychotherapeut of psychoanalyticus zich openstelt om de verwarde of beangstigende psychische realiteit woorden te geven.

Literatuur aristoteles (1999, Nederlandse vertaling). Ethica. Groningen: Historische Uitgeverij. bauman, z. (2013). Does the richness of the few benefit us all? Cambridge: Polity Press. de bijenkorf (1971). Later  … Als ik groot ben. Amsterdam: Van Lindonk.

buytendijk f.j.j. (1951) De vrouw: haar natuur, verschijning en bestaan. Utrecht, Brussel: Het Spectrum. dirkx, j., hebbrecht, m., mooij, a. & vermote, r. (red.) (2011). Handboek psychodynamiek. Een verdiepende kijk op psychiatrie en psychotherapie. Utrecht: De Tijdstroom.

Kind, gezin & identiteit  

Een inkijk exemplaar

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you