Page 1


Deze uitgave is een bewerking van de lezing die Kees Schuyt op 19 januari 2014 heeft gehouden tijdens de Beschermersdag voor de Stichting Beschermers van Nationaal Monument Kamp Vught.

Stichting Beschermers Antwoordnummer 10014 5260 VB Vught www.beschermers.nl


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

1

1. Inleiding “Als er oorlog is moet je vóór alles voor twee dingen zorgen: in de eerste plaats voor schoenen en in de tweede plaats voor eten, en niet andersom; omdat wie schoenen heeft op zoek kan gaan naar eten, terwijl het omgekeerde niet geldt.” Deze overlevingsregel leerde Primo Levi van een Griekse kampgenoot. Hij schreef daarover in Het respijt, het tweede deel van zijn verslag van zijn verblijf in en zijn terugkeer uit de hel van Auschwitz.1 Zouden er misschien voor onze tijd, een tijd van vrede en welvaart, soortgelijke eenvoudige leefregels te vinden zijn? Dat wil ik gaan onderzoeken, in deze bijdrage, die de titel draagt “Moedige mensen en de actualiteit van morele vorming”. Ik zal mijn best doen op het einde van mijn inleiding een eenvoudige, maar naar mijn mening cruciale, stelregel te formuleren. De belevenissen en verhalen van Primo Levi hebben een vooraanstaande plaats gekregen in de verwerking van de Tweede Wereldoorlog, maar ook uit andere boeken over hoe gewone mensen de verschrikkingen ervan hebben beleefd, valt veel te leren. In een vrij onbekend boek over survival-literatuur, jaren geleden gepubliceerd, noemde Terrence des Pres, een Amerikaanse criticus, dit soort boeken het bewijs dat menselijke heroïek mogelijk is. Hij noemde deze getuigenissen “het wonder van de overleving”; het wonder bestaat er uit, dat gewone mensen, niet zo verschillend van ons zelf, door een verschrikkelijke pijn konden gaan en toch hun morele identiteit, hun moreel gevoel, moral sense, en hun herinneringen intact konden houden. En daarenboven de moed vertoonden om het allemaal op te schrijven, om het te durven herbeleven, met een vaste wil om getuigenis af te leggen van die helse vernederingen.2 Uit Kamp Vught kennen we ook enkele van deze getuigenissen: de bekendste zijn van David Koker, professor Rudolph Cleveringa en Klaartje de Zwarte-Walvisch3. Ik laat hier buiten beschouwing de direct na de oorlog verschenen beschreven belevenissen van P. Galis, De Hel van Brabant (1946), van Boud


2

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

van Doorn, Kees van Dordt, F.M. Gescher, P.R. Harkema, A. Santegoeds, L.W. Schmidt en P.J. Stavast, alle uit 1945.4 Ik ga allereerst in op het indrukwekkende Dagboek geschreven in Vught van David Koker, dat onlangs in Engelse vertaling in Amerika is verschenen, met een excellente inleiding van de bewerker Robert Jan van Pelt.5 “Aan de rand van de afgrond” heet het in vertaling en dat is niet te veel gezegd. David Koker wist wat hem te wachten stond, als hij naar het Oosten zou worden getransporteerd. Vught was in het voorjaar van ’43 van werkkamp immers doorgangskamp geworden. Maar de vraag blijft bestaan of en wat hij werkelijk wist, wat daar gebeurde. Anders dan bij Primo Levi zijn Kokers observaties niet achteraf gestileerd, maar ter plekke stiekem opgeschreven en, als het kon, gesmokkeld en verstuurd. Bij de oprichting van Kamp Vught, 15 januari 1943, werd bepaald dat de gevangenen één brief per week mochten versturen. David zorgde er steeds voor dat hij die gelegenheid nooit oversloeg. Hij bleef schrijven, brieven en dagboekaantekeningen, bestemd voor zijn vriend Karel van het Reve (de algemene observaties over het leven in het kamp) en voor zijn vriendin Netty Davids (persoonlijke ontboezemingen). Hij maakte gedichten zoals hij dat al deed voor de oorlog en op de middelbare school. Het waren soms bittere, dan weer lyrische gedichten en naarmate de gevangen tijd langer vergleed cynische (6 januari 1944) of wanhopige, zoals deze strofe (19 juni 1943): mijn zin is dun en ijl als het geluid van vlagen wind en van de regen En mijn gedicht? God weet wat het beduidt: De diepste dingen worden toch verzwegen.6 Zijn getuigenis is uniek, vergeleken met andere optekeningen, in die zin dat hij alle mensen om hem heen, zijn kamp- en lotgenoten, realistisch en respectvol beschreef, hen een zekere menselijke ‘waardigheid’ mee gaf in zijn beschrijvingen.7 Dat gold zelfs voor zijn vijanden, kampbewakers en Duitse of-


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

3

ficieren, die hij zag als mensen, niet als monsters. Zijn overlevingsregel vond ik in zijn aantekening van 3 juni 1943: het delen van je ervaring met lotgenoten, is de sleutel tot overleven. Overleven is alles, zo citeert hij een regel van de dichter Rilke op die dag. Hoewel hij er ook niet voor terugschrok om in Sinterklaasrijmvorm zijn kampgenoten praktische wenken te geven: “Spreek vooral niet op het appèl/ Kunt U ’t niet laten, dan leert U het wel” of “Trek in de slaapzaal Uw schoenen niet uit/ Zorg voor een ritmisch klotsgeluid.”8 Schoenen betekenden, zoals we eerder al zagen, kennelijk heel wat voor kampbewoners. Op 12 januari 1944, een maand voor zijn fatale vertrek, schreef hij: “Het wordt hier leeg. Wel heeft men van de week een paar Leidse proffen binnengebracht.” Dat waren de rechtsgeleerde R.P. Cleveringa, die al eerder in Scheveningen gevangen gezet was na zijn openlijke protest op 26 november 1940 tegen de schorsing van Joodse hoogleraren en medewerkers, en zijn collega’s de histoloog-anatoom S.T. Bok, later bekend geworden met zijn Cybernetica, de econoom C. Westrate en de medicus P.C. Flu. Wat een merkwaardig toeval, dat die twee mensen, Cleveringa en Koker, die beiden het kamp en het kampleven van Vught beschreven hebben, elkaar, zij het kortstondig, hebben ontmoet. David Koker meldt een week later dat hij al een college van een van hen bijwoonde. Ze beschreven echter het kamp op zo’ n geheel verschillende wijze, dat een vergelijking tussen hen misplaatst zou zijn. Liever wil ik hier wijzen op de uitroep van de dichteres Wislawa Szymborska: “mijn voorstellingsvermogen (…) wordt nog altijd geroerd door het individuele”9, dat wil zeggen door singulariteit, door voorbeeldige enkelingen. De memoires van Cleveringa, na zijn vrijlating op 22 juli 1944 opgeschreven, missen de literaire levendigheid en jeugdige flavor van David Koker, maar bieden wel een heel sober-systematische, eerlijke en punctuele beschrijving van het kamp, zijn organisatie en vele van zijn bewoners, inclusief door hem zelf getekende plattegronden van het kamp (p. 92) en zijn “werk”kamer (p. 125). Ook bij Cleveringa speelde schoeisel een voorname rol, zoals blijkt uit het volgende in zijn kenmerkende, archaïsche taal geschreven citaat: “Maar overigens was de vraag der voetbekleeding in het kamp steeds een nijpende. Velen heb ik met bloote voeten in de hun van wege het kamp verstrekte klompen of klompschoenen zien loopen;


4

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

en dat bij felle kou, als het sneeuwde, terwijl hun voeten open wonden hadden door het schuren. Toen ik eens zulk een man tegenkwam en zelf juist een paar sokken er bij veroverd had (zij het ook met gaten), kon ik niet nalaten ze hem terstond over te doen; ik schaamde mij bijna tegenover hem twee paar te bezitten. Hij was er innig verheugd mee (…). De grens tusschen armoede en weelde ligt zeer laag in een concentratiekamp.”10 Naar aanleiding van deze twee voorbeelden van moedige mensen in oorlogstijd zal ik nu het hoofdthema van mijn inleiding “moedige mensen en morele vorming” verder uitwerken. David Koker en Rudolph Cleveringa, zo verschillend naar leeftijd en aard, naar maatschappelijke achtergrond en religie, waren beiden op geheel eigen wijze toonbeelden van dappere menselijkheid. Waar haalden ze die moed vandaan? Is er iets te zeggen over de moed, die niet alleen zij, maar nog verschrikkelijk veel andere mensen in die tijd van oorlog en onrecht, van bezetting en duivelse bezetenheid, hebben getoond? Valt er nog iets van mee te nemen voor deze huidige tijd, waarin die oorlog zo ver achter ons raakt, dat de herinneringen en belevenissen van de toenmalige medeburgers ons nauwelijks meer schijnen te raken? 2. Drie vormen van moed in oorlogs- en vredestijd “Als de voorbeeldige houding van Cleveringa in en na de oorlog ons iets leert, dan is het dat het in het uur der waarheid maar op één ding aankomt: niet op wat je zegt dat je gaat doen, niet op wat je achteraf zult zeggen dat je hebt overwogen, maar uitsluitend op wat je daadwerkelijk doet op het moment dat het gedaan moet worden. Die daadkracht op het juiste moment, dat is wat met een mooie Duitse term Zivilcourage heet, een woord dat in het Nederlands niet bestaat”.11 Maarten Asscher, van wie dit citaat afkomstig is, slaat de spijker op zijn kop: daadkracht op het juiste moment, dat is een kenmerk van moedige burgers, zowel in extreme situaties zoals oorlog en onderdrukking als in doodgewone,


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

5

dagelijkse situaties in tijden van welvaart en vrede. Moedige mensen doen vaak dingen die ze zelf niet helemaal begrijpen. Pas achteraf realiseren ze zich dat wat ze gedaan hebben heel erg riskant was. Ze zijn blij en dankbaar dat het zo goed is afgelopen. “God zij dank”, zeggen ze dan, bijvoorbeeld als iemand, met gevaar voor eigen leven, een ander uit een brandend huis gered heeft, of een kind nog net voor een aanstormende trein heeft weggehaald. Een sterk voorbeeld hiervan vond ik in het jaaroverzicht in de krant van 28 december jl. onder het kopje “Ik spring zo weer die rivier in”. De 42-jarige Coen Cornelissen redde de afgelopen zomer twee tieners uit de woest kolkende Donau in Hongarije. Op de vraag of hij zijn eigen leven in de waagschaal had gesteld antwoordde hij: “Toen ik zag dat die twee door de stroming naar beneden werden getrokken, ben ik gewoon gesprongen. Later kwam het besef dat ik dood had kunnen gaan. Ik heb thuis zitten piekeren. Wat als ik verdronken was, voor het oog van mijn eigen vrouw en dochters. Toch zou ik het zo weer doen. Ik ben militair”.12 Let op die laatste woorden “ik ben militair”. Moedige mensen zijn goed uitgerust, naar lichaam en geest. Twee totaal verschillende situaties, maar als we goed kijken toch met belangrijke overeenkomst: daadkracht op het juiste moment, gevaar voor eigen leven, met een bewust of onbewust vertrouwen dat dit het juiste was om te doen en dankbaar om de uiteindelijke goede afloop. Dit is een aanloop tot een kleine fenomenologie van de moed. Kamp Vught heeft het beleidsplan 2011- 2015 het leidende motto meegegeven van “moedige mensen”. Ik ben daar blij mee, want het kan een verbinding leggen tussen vroeger en nu, tussen heldendaden uit het verleden en alledaagse uitdagingen in de huidige samenleving, die nogal eens verbrokkelde, onoverzichtelijke situaties en onverwachte gebeurtenissen laat zien, waarvan we niet goed weten wat we er mee aan moeten. Het lijkt er vaak op dat deze samenleving een moreel kompas, een humaan richtinggevoel aan het verliezen is. Wat is trouwens het verschil tussen heldendom en heldenverering in de hedendaagse celebrity-culture en moed en mondigheid?


6

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

De literatuur over vertoonde moed en heldhaftigheid in de Tweede Wereldoorlog is langzaamaan overstelpend geworden; veel egodocumenten, nieuwe biografieën van slachtoffers en overlevenden, brievenboeken en wetenschappelijke studies zijn verschenen of weer uit de aandacht verdwenen. Te veel om op te noemen. Dat probeer ik dus maar niet. Valt er niettemin uit al deze geschriften een algemeen beeld te destilleren om de kleine fenomenologie van de moed op te stellen? Om enige orde te scheppen in deze veelheid maak ik, vrijelijk afgaand op mijn eigen voorkeur en kennis, die altijd onvolledig blijft, een driedeling van moedige mensen in oorlogstijd, die tot mijn verrassing ook goed toepasbaar blijkt voor gewone tijden zoals waarin wij nu leven. Ik geef eerst de drie categorieën met de daarbij behorende iconische voorbeelden om daarna te zoeken naar enkele algemene karakteristieken waaraan moedige mensen zijn te herkennen. Als eerste categorie moedige burgers noem ik de openlijk protesterenden: diegenen, die vóór en in de Tweede Wereldoorlog hun stem verhieven, de durf hadden om te protesteren en zich te verzetten tegen onrecht en onderdrukking. De mensen met Zivilcourage, burgermoed. Met als ons aansprekende voorbeelden: Dominee Niemöller in 1934 in Duitsland, August Landmesser (foto pagina 18-19) , die op 13 juni 1936 in Hamburg weigerde de Hitlergroet te brengen, als eenling temidden van een grote enthousiaste menigte13. Een groetplicht is nooit onschuldig als er massale druk op iemand wordt uitgeoefend. Franz Jägerstätter in 1938 in Oostenrijk, de katholieke boer die openlijk weigerde in dienst te treden in Hitlers leger en na vijf jaar gevangenis ter dood werd gebracht14; en in Nederland – onbetwist – in 1940 professor Cleveringa, die als een van de eersten publiekelijk zijn afkeuring en afkeer uitsprak over de maatregelen die de bezettende macht, in strijd met internationale verdragen, hier te lande uitvaardigde. Dit polemische verzet, zoals het genoemd is, werd gevolgd door defensieve en later offensieve verzetsdaden, die ook veel moed en heldendaden vergden, maar toch door de heimelijkheid ervan van geheel andere aard waren.15 De moed van verzetshelden vereist een aparte analyse.16 Ook in Duitsland zelf is, tijdens de oorlog, een mooi voorbeeld te vinden: Hans en Sophie Scholl herin-


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

7

nerden in juni 1942 hun medestudenten aan de Universiteit van München aan de christelijke waarden die zij in hun opvoeding hadden meegekregen en hen opriepen hun medewerking aan het onmenselijke regime te staken en in verzet te komen. Zij betaalden daarvoor een hoge prijs, hun leven, dat op 22 februari 1943 bruut werd beëindigd.17 De Duits-Amerikaanse psychoanalyticus Heinz Kohut heeft later in een beschouwing over Zivilcourage geprobeerd aan de hand van de levensgeschiedenissen van Hans en Sophie Scholl en van Frans Jägerstätter de karakterstructuur van deze vorm van morele moed te achterhalen.18 Hij constateerde dat dit jonge mensen waren met een stabiele psychologische evenwichtigheid, die hen in staat stelden tegen de stroom van hun omgeving in vast te houden aan de eigen gekozen waarden, die de kern van hun identiteit uitmaakten. “Zonder die waarden, ben ik niet meer die ik wil zijn” zo vatte hij die kern samen en uit die kern valt hun onvoorstelbare morele moed te begrijpen. Hij noemde bovendien drie eigenschappen die hem bij al deze gewone mensen in ongewone omstandigheden opgevallen waren: een bepaald soort fijne humor, het vermogen om op medemensen te reageren met subtiele empathie en op het moment van uiterste beslissing een opvallende innerlijke vrede en sereniteit, wijsheid zelfs. Zo boden zij weerstand aan de eisen van hun omgeving, de verleiding van de weg van de minste weerstand.19 Ik denk inderdaad dat dergelijke eigenschappen in ruime mate, verhoudingsgewijs frequenter, aanwezig zijn bij de andere categorieën moedige mensen, die de juiste daadkracht vertonen op het juiste moment. Ik noem ze nog eens: vastberadenheid om vast te houden aan zelf gekozen kernwaarden en hoofddoel in het leven, evenwichtige en rustige, haast serene kalmte en een gevoel voor humorvolle zelfrelativering, opofferingsgezindheid, die niet gelijk te stellen is met ontkenning van de eigen identiteit. Langs deze lijn kunnen we de fenomenologie van de moed vervolgen. De tweede categorie moedige mensen noem ik de stille helpers met als uitgesproken voorbeeld Etty Hillesum, de jonge vrouw die uit solidariteit haar lotgenoten steunde en troostte in Westerbork en later op haar laatste reis naar Auschwitz.20 Zij toonde daarbij onzelfzuchtige moed. In zijn beste dagen was


8

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

David Koker ook een van die stille helpers voor mensen in zijn naaste omgeving, hoewel hij ook slechte dagen had en voor zichzelf begrijpelijkerwijs de beste baantjes zocht. De derde en laatste categorie noem ik de redders, degenen die hun medemensen in nijpende of levensbedreigende omstandigheden daadwerkelijk een uitweg boden, onderdak gaven of voor een onderduikadres zorgden. Miep Gies is hiervan de icoon bij uitstek, de trouwe medewerkster van de firma Frank en metgezel van de familie, die na afloop van de dag de onderduikers van voedsel voorzag, met het gevaar gesnapt of verraden te worden. Op 8 mei 1944 schreef Anne Frank in haar dagboek: “Het blijkt dat Miep haar onderduikers geen minuut uit haar gedachten kan zetten” en dat was een rake observatie. Een reddende engel denkt aan alles. Zij staat model voor al diegenen, die anderen in hun huis opnamen of met eigen risico naar veiliger oorden brachten en over de grens smokkelden, naar Zwitserland21 of Spanje. Omgekeerd schreef Miep Gies haar herinneringen aan Anne en haar familie op en ging ze in op haar eigen vroege jeugd, waarin zij zelf door anderen van honger en sociale ellende was gered.22 Is er een relatie tussen goedheid ondervonden hebben en goed doen aan anderen? Voordat ik nader in ga op de eigenschappen die deze protesterenden, stille helpers en redders vaak kenmerken, valt het mij op dat ik voor de vredestijd van de naoorlogse samenleving eigenlijk geen nieuwe categorieën moedige mensen nodig heb. In noem ze alleen in omgekeerde volgorde: de redders, mensen zoals Coen Cornelissen die letterlijk anderen bijsprongen in levensgevaarlijke situaties. Of al die mensen die anderen hielpen vluchten uit voormalige totalitaire landen, van Oost naar West. Een recent voorbeeld van moed gaf de Duitse toerist die met zijn bootje de levens van jongeren redde bij de bloedige aanslag van Breivik op het eilandje Utoya nabij Oslo. De stille helpers zijn er nu ook, geëngageerde burgers die – met minder gevaar – onderdak organiseren voor asielzoekers, eten voor voedselbankbezoekers. Uit onderzoek is gebleken dat personen, die op de juiste momenten moedig gedrag ten toon spreiden, eerder in hun leven tot het corps vrijwilligers waren toegetreden.23


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

9

Tenslotte hebben zich in de naoorlogse samenlevingen ook grote publieke en politieke protesteerders gemanifesteerd. Op verschillende manieren werd gestreden tegen nog steeds bestaande vormen van onrecht en discriminatie, tegen blijvende armoede en afhankelijkheid, vóór democratie en menselijke waardigheid. Deze personen zijn dé iconen geworden van de moderne tijd, morele heroes , aan wie velen zich optrokken en nog steeds optrekken, maar wier voorbeeld van ongewone moed en geduld voor gewone mensen vaak moeilijk na te volgen valt: Mohandas Gandhi, Martin Luther King, Vaclav Havel en Nelson Mandela. Drie van deze vier gingen rechtstreeks vanuit de gevangenis naar de onderhandelingstafel. Gandhi werd in totaal negen keer gearresteerd en had een strafblad van in totaal negen jaar en drie maanden, Havel zat in totaal vierenhalf jaar gevangenisstraf uit, Martin Luther King wisselend enkele dagen tot ruim een maand in Birmingham Jail. Bij zijn vrijlating werd Mandela meteen koploper en recordhouder in dit vreemde klassement. Met elkaar vormen deze vier morele reuzen bovendien de symbolisering van naoorlogse emancipatie en bevrijding, die zo kenmerkend zijn geworden voor de tweede helft van de twintigste eeuw. Eerst de geweldloze verovering van de onafhankelijkheid van koloniale overheersing (Gandhi in 1948), daarna van 1955 – 1968 de strijd om rassengelijkheid in de te kort schietende democratie van de Zuidelijke staten van de Verenigde Staten, vervolgens via de Fluwelen Revolutie het einde van de totalitaire communistische staten in Oost-Europa in 1989 en uiteindelijk, na een heel lange strijd, die in 1952 door Luthuli geweldloos begonnen was, de afschaffing van het apartheidsregiem en de vestiging van democratie in Zuid- Afrika in april 1994. Die vier reuzen gaven het voorbeeld aan talloze andere moedige mensen en ze kregen een uitstraling naar andere brandhaarden over de hele wereld. Hun moed kreeg in en door de gevangenis gestalte, die daarom wel eens ‘de universiteit van het leven’ wordt genoemd. Natuurlijk, die gevangenissen waren minder wreed dan de nazi-Duitse vernietigingskampen, onvergelijkbaar met de eerdere afschrikwekkende genocide en extreme willekeur. Maar net als David Koker mochten ook de naoorlogse politieke gevangenen maar één brief per week schrijven om in contact te


10

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

komen met de buitenwereld en werden zij door stille helpers met brieven, zoals die van de Amnesty International, gesteund in hun strijd om vrijheid en mensenrechten. Naoorlogse redders hielpen de bedreigden, met groot risico, te ontsnappen over de landsgrenzen. Ik noemde het strafblad-klassement vreemd, omdat deze strijders, toen ze aan hun strijd voor rechtvaardigheid en menselijke waardigheid begonnen, van alle kanten door maatschappelijke krachten en politieke machthebbers werden tegengewerkt. Er was veel moed en uithoudingsvermogen voor nodig om al die bergen van onwil en bedreiging te verzetten. Maar na jaren van daadkracht slaagden zij er toch in om hun idealen en waarden – niet veel verschillend van die waarden die Kohut kenmerkend vond voor gewone moedige mensen – te realiseren. Ze werden er overigens door velen pas na hun dood om geëerd. Deze daadkracht is de kortste omschrijving van burgermoed, Zivilcourage24 en de vraag is hoe we in deze tijd, onder geheel nieuwe omstandigheden, een nieuwe, eigentijdse poging kunnen wagen om, zoals Havel dat vanuit de gevangenis schreef, “in waarheid te leven”25 en openlijk en publiekelijk de waarheid te durven zeggen in het gezicht van machthebbers. Speaking truth to power. Havel bond de strijd aan tegen de groteske vervreemding van de post-totalitaire samenleving na 1989, waar zich de mogelijkheid manifesteerde van absolute manipulatie. Die mogelijkheid is sindsdien naar mijn mening alleen maar groter geworden en daar dienen we ons terdege van bewust te zijn om ons er op tijd tegen te verzetten. Wat is er heden ten dage nodig om de drie thans onderscheiden vormen van moed, van de protesteerders, van de stille helpers en van de reddende engelen, op het juiste moment, op de juiste plaats en in de juiste verhouding in praktijk te brengen? Zivilcourage houdt oog op proportionaliteit: tegen extreem onrecht dient vastberaden gestreden te worden, de dagelijkse persoonlijke ergernissen en ander klein zeer dienen met enige relativerende humor verdragen te worden.


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

11

3. De actualiteit van morele vorming Valt morele moed te leren? Dat is een belangrijke en actuele vraag. Sinds de toenmalige minister-president Balkenende rond het jaar 2000 politieke aandacht vroeg voor het vraagstuk van “normen en waarden” in de Nederlandse samenleving26 is het belang van morele vorming wel onderkend, maar het onderwerp heeft geen vaste institutionele grond onder de voeten gekregen. Het thema is zelfs weggeëbd, maar de vele publieke uitingen van ergernis over het gedrag van anderen zijn gebleven. Wat de inhoud van morele vorming is of zou kunnen zijn en hoe bepaalde waarden kunnen worden overgedragen of aangeleerd, wordt niet echt bediscussieerd of onderzocht. Hoe zou dat komen? Allereerst loop je het gevaar met dit onderwerp snel moralistisch te worden. Ten tweede wordt het onderwerp gemakzuchtig behandeld, zoals veel tekortkomingen in de grote mensenwereld. Het standaard antwoord hierop is dat er wat aan gedaan moet worden door op scholen nieuwe lessen in te voeren. Als een derde van de huwelijken strandt, dan moet ineens omgangskunde in het basisonderwijs op het lesrooster worden ingevoerd, om de jonge kinderen alvast voor te bereiden op later. Als volwassenen te hard rijden, zou verkeerskunde op scholen daartegen kunnen helpen. Als gevestigde hoogleraren en wetenschapsbeoefenaren op groteske wijze onderzoeksfraude plegen, moeten alle aio’s ineens aparte lessen in integriteit gedoceerd krijgen. Het blijft op deze manier vaak bij het van buiten leren van een lesje in moraal, buiten de reële werkelijkheid van spelende kinderen en lerende jongeren, zoals we vroeger de catechismus van buiten leerden. Maar dat werkt niet, waarden worden zo niet verinnerlijkt en tot een vanzelfsprekend onderdeel van ons gedrag omgevormd. Daarom spreek ik liever van morele vorming, moral education27. Het Amerikaanse begrip education heeft geen goed equivalent in het Nederlands: education is méér dan scholing en opleiding, valt niet samen met ons begrip ‘opvoeding’. Het Duitse Bildung is weer te zwaar. Het begrip education komt nog het dichtst bij ‘vormingsjaren’, de formative years, die vaak beslissend zijn voor iemands levensinstelling en moreel bewustzijn. Men kan moral education ook zien als een


12

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

onderdeel van civic competence, van actief burgerschap28, zij het dat morele waarden en deugden een ruimere strekking hebben dan burgerschapsdeugden en democratische waarden. Er blijft natuurlijk een belangrijke overlap.29 Morele vorming blijft altijd actueel, maar tegelijkertijd is het een niet erg populair of gewild onderwerp. Wellicht komt de huidige aversie tegen zoiets als moraal of morele vorming wel voort uit de grote fragmentatie in moraliteit en morele stelsels, die de hedendaagse samenleving kenmerkt. We willen iedereen zoveel mogelijk vrij laten in het kiezen van een levenswijze en vooral niet paternalistisch interveniĂŤren. Vrijheid, blijheid. Waarden en normen botsen vrolijk op elkaar en wat de een graag zou willen mag de ander juist niet doen. Het ene moment vinden we zus, het andere moment doen we zo, en de inconsistenties daartussen vallen niet eens meer op. Politiek en wetgeving doen er zelf flink aan mee door van de burgers enerzijds eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid te eisen, anderzijds zoveel mogelijk gedragingen in voorgeschreven protocollen en formulieren vast te leggen: niet roken, niet drinken, geen vet eten, niet dik worden, niet ziek worden, je haar knippen als je een bijstandsuitkering wil hebben, geen burka dragen, et cetera, et cetera. We mogen op de snelwegen ineens 130 kilometer rijden en tegelijk moet de snelwegverlichting vanwege de bezuinigingen gedoofd worden, hetgeen uit het oogpunt van verkeersveiligheid tegenstrijdige gedragsreacties oproept. Daar komt bij dat in het dagelijkse leven door de komst van digitale communicatie en sociale media het aantal boodschappen en morele signalen dat per dag wordt geconsumeerd exponentieel gegroeid is. Het internet is beerput en bron van snelle en adequate informatie, is riool van abjecte persoonlijke verwensingen en scheldpartijen ĂŠn is nieuw leermiddel waardoor meer mensen toegang krijgen tot voortreffelijk onderwijs. Kortom, een nogal chaotische situatie, die zonder nadere duiding vaak ook verwarring wekt, keuzestress veroorzaakt en morele vertwijfeling. Wat moet ik nu eigenlijk wel en niet doen, wel en niet laten? Bij wie hoor ik? Welke richting wil ik met mijn leven uit? Uit de veelheid van mogelijkheden, keuzen, verlei-


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

13

dingen, verlokkingen without constraints, vrijheden en vrijblijvendheden, en een veelheid van boven en buiten opgelegde voorschriften, moeten we zonder moreel kompas onze weg vinden. Wat betekent morele vorming nog in zo’n richtingloze moderne samenleving, waarin extreme overvloed en armoede moeiteloos naast elkaar bestaan; waarin extravagante uitspattingen van beroemde mensen, die we graag een heldenstatus toedelen, de aandacht voor ploeterende mensen die slecht betaald werk en zorg voor kinderen proberen te combineren volledig verdringen? Je zou deze moderne mondiale culturele conditie kunnen vergelijken met de chaos in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog, een periode waarin Camus en Sartre ieder op eigen wijze de oorlog met zijn destructieve wreedheid en absolute willekeur wilden verwerken. De schrijver/filosoof Albert Camus, vorig jaar honderd jaar geleden geboren, was eveneens op zoek naar de betekenis van zijn leven te midden van een wereld vol absurditeiten. Hij vond die betekenis in een eenvoudige moraal van solidariteit, van maat houden, vertrouwen geven aan dichtbij staande gewone mensen van vlees en bloed, aan naasten en beminden, en bovenal in opstand komen tegen onrecht en geweld. Deze sobere waarden maakten voor hem het leven de moeite waard.30 In een artikel in het Franse verzetsblad Combat in september 1945 schreef Camus over pessimisme en moed, dat hier de moeite van het vermelden waard is. Morele chaos en absurditeit hoeven niet te leiden tot een ontmoedigende levensvisie of pessimistische moraal, die niet gelooft dat deze wereld goed is. Integendeel, de ervaring van een absurde wereld om ons heen kan leiden tot een positieve moraal van vrijheid en moed. Niet een moed der wanhoop, maar de moed om onze eigen waarden te creëren, die recht doen aan een humaan hart. Onze Europese beschaving, schrijft hij, in 1945, is gebouwd op de confrontatie van ideeën, op geestkracht, op lijden en op moed,31 de moed om mens te zijn.32 De morele intuïties van Camus in die korte periode na de oorlog, vonden weerklank zowel in alle inspanningen die nadien verricht zijn om de fundamentele rechten van de mens de juiste plaats te geven,


14

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

die zij in een beschaafde samenleving dienen te hebben, als in de richting waarin het vraagstuk van morele vorming zich zou kunnen begeven. In een interessant boek over morele vorming Dimensions of Moral Education besteedt de auteur Robert Carter opvallend veel aandacht aan Camus’ uitweg uit de morele impasses en moderne verlamming om keuzen te maken. De ervaring van de absurditeit van het bestaan, zo duidelijk geworden door de vele slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, vindt zijn tegenpool in een verlangen naar eenheid. In deze existentiële spanning tussen absurditeit en nostalgische eenheid moeten mensen hun eigen weg vinden, want een te groot verlangen naar eenheid, naar een utopische samenleving, kan op zijn beurt weer leiden tot nieuw onrecht en onderdrukking, zoals totalitaire regiems lieten en keer op keer weer laten zien. Het gaat er uiteindelijk om dat de ervaren absurditeit leidt tot gezonde scepsis en dat de totalitaire verleiding wordt weerstaan door in het gewone, dagelijks bestaan, aandacht te geven aan solidariteit en concrete rechtvaardigheid.33 De levensopvatting van Camus blijkt, ook zestig jaar later, nog steeds een goede leidraad voor politieke en morele keuzen te zijn. Morele vorming in diens voetspoor wordt door Carter vooral uitgewerkt in de richtinggevende plaats die de rechten van de mens in de moderne samenleving kunnen en moeten innemen. Hij verwijst daarbij naar de bekend geworden theorie van Kohlberg over de ontwikkeling van moreel oordeelsvermogen bij kinderen en jongeren tot de leeftijd van ongeveer 16–18 jaar. Kohlberg ziet, op basis van heel veel empirisch onderzoek, een ontwikkelingsgang van kinderen van een pre-conventionele, tamelijk primitieve, egoïstische fase, waarin alleen de eigen behoeften en hedonistische behoeftebevrediging centraal staan (van ongeveer 6–10 jaar), via een conventionele, sociale fase waarin de noodzaak van regels voor de eigen groep (huisregels, schoolregels, afspraken in de peergroup) erkend worden en domineren in het morele oordeel (10–16 jaar), tot een laatste fase van erkenning van de noodzaak van een sociaal contract en daaropvolgend van universele rechten van alle mensen, ongeacht of ze tot de eigen groep behoren (16–18 jaar en ouder). Deze derde fase noemt Kohlberg de post-conventionele fase, waarmee hij wil aangeven dat de morele ontwikkeling gaat van de gebonden-


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

15

heid aan het eigen individu, vervolgens de eigen groep en uiteindelijk de abstracte belangen van alle mensen in volle gelijkheid tot elkaar.34 Morele vorming in de gedachtegang van Kohlberg is dus geslaagd indien de kinderen, na een langzame leerperiode, waar ze door verschillende stadia van morele ontwikkeling gaan, tot morele rijpheid komen en overtuigd raken van de universaliteit van regels en rechten voor iedere medemens, en los kunnen komen van uitsluitende de beoordeling en bevoordeling van zichzelf en de eigen groep. Er is echter wel de nodige kritiek gekomen op deze theorie en op het onderzoek van Kohlberg, hoe interessant en stimulerend deze lange tijd zijn geweest. Allereerst is het zeer de vraag of alle jongeren – eenmaal volwassen geworden – het moreel hoge stadium van post-conventionele normen en waarden bereiken of handhaven. De praktijk laat vaak precies het tegenovergestelde zien, waarbij grote nadruk gelegd wordt op de eigen groep en de eigen groepsnormen; op law and order, wat vaak neerkomt op het weren en uitsluiten van afwijkende gedragingen en afwijkende opvattingen. Zo universeel worden de universele rechten van de mens nu ook niet gesteund. Andere kritiek, onder andere van de feministisch psycholoog Gilligan, vond Kohlbergs theorieën veel te cognitief, veel te juridisch georiënteerd en bovenal zonder enige aandacht voor andere morele eigenschappen zoals het zorgen voor de medemens.35 Dit werd een hevig debat tussen de voorstanders van de zogenoemde “rechten-ethiek” en die van de zogenoemde “zorg-ethiek”. De uitsluitende aandacht voor universele rechten zou vooral voor en door mannen worden bevorderd en daarbij belangrijke aspecten van morele vorming en ontwikkeling, die vooral door vrouwen wordt gepraktiseerd, verwaarlozen. Deze belangrijke correctie op Kohlberg moet op zich weer niet te absoluut genomen worden, want zorg en recht staan in een fatsoenlijke samenleving toch niet lijnrecht tegenover elkaar. Meer aandacht voor het zorgkarakter in onze moraal, hoeft toch niet het rechtskarakter van een universele moraal te negeren. Juist na de Tweede Wereldoorlog is het belang van gelijke rechten op de vervulling van de


16

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

meest fundamentele noden van mensen erkend en geïnstitutionaliseerd. De interessantste kritiek op Kohlberg vind ik zelf de studie van de psycholoog John Gibbs, die veel gewerkt heeft met criminele en antisociale jongeren.36 Hij vindt de theorie van Kohlberg veel te cognitief en daarmee onrealistisch: morele ontwikkeling en gewetensvorming vinden plaats in de dagelijkse leefwereld van deze jongeren, niet op abstract-cognitieve wijze. Om die reden moeten juist de voorwaarden waaronder jongeren aanleren om zich op een pro-sociale of juist op een antisociale manier te gedragen, tegenover elkaar, hun ouders en de wijdere wereld, in de eerste plaats bestudeerd worden. Als je dat doet, krijg je veel realistischer vormingsprogramma’s, waarbij vooral nadruk wordt gelegd op praktische vaardigheden (skills), op doen en niet alleen op denken, en op de ingewikkelde dagelijkse praktijk van behoeftebevrediging op korte of op lange termijn. Het “eerst tot tien tellen”- EQUIP-programma voor antisociale en zogenaamd onhandelbare jongeren is hiervan afgeleid en geeft goede resultaten, waar het accent op morele abstracties juist averechts werkt.37 Maar het belangrijkste vind ik in de kritiek van Gibbs op Kohlberg het punt van de leeftijd. Waarom, zo vraagt hij, zou de morele ontwikkeling ophouden op de leeftijd van de volwassenwording, zo tussen 16 en 22 jaar? Worden mensen niet ouder en hopelijk ook wijzer, milder, verstandiger, en moreel verbeterbaar? Gibbs stelt dat morele vorming gedurende de gehele levenscyclus van mensen voortgaat en juist interessante verandering ondergaat gedurende andere levensfasen.38 Ik vind deze kritiek een belangrijke aanvulling, die leidt tot een duidelijke levensregel: je bent nooit te oud om te leren en men kan nooit vroeg genoeg beginnen met het vormen van eigen morele standpunten en het ontwikkelen van eigen zelfgekozen waarden, die samen het geweten vormen. Ik vind het een troostrijke gedachte dat je je moet blijven ontwikkelen, dat moraal of een morele oriëntatie niet een afgesloten iets is dat je ooit geleerd hebt, zoals je hebt leren fietsen, zwemmen of schaatsen; maar dat morele vorming juist een dynamische en open houding vergt, die afhankelijk van plaats en tijd, tot telkens nieuwe beslissingen,


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

17

nieuwe daadkracht leidt. Er is moed voor nodig om dit inzicht te omarmen en moed om, waar nodig, je eigen morele oordelen en vooroordelen te durven herzien. 4. Morele vaardigheid Morele vorming mondt uit in morele vaardigheid. Nu ik het belang en de actualiteit van morele vorming, voor jong en oud heb aangestipt, komt onvermijdelijk de vraag naar voren: “Wat is de inhoud van die vorming en hoe kan die worden aangeleerd en overgedragen?” Morele vorming bestaat uit het ontwikkelen van een zelfstandig oordeelsvermogen over vraagstukken van goed en kwaad. Morele moed is nodig om die oordelen op het juiste moment om te zetten in daadkracht, maar zonder de nodige voorbereiding (preparedness) kan die dadendrang blind worden, wordt moed tot overmoed. Vraagstukken van Goed en Kwaad (met hoofdletters geschreven) zijn van alle tijden. In onze tijd zijn ze onderdeel geworden van moraalfilosofie en ethiek. Daarbij is het gebruikelijk om morele oordelen te onderscheiden van andere oordelen en evaluaties, waarbij soortgelijke begrippen als goed en slecht, of goed en fout gebezigd worden. De uitspraak: “ik heb een goede fiets, maar een slecht zadel” geeft een functionele waardering aan een bepaald object of instrument. De fiets wordt niet beoordeeld op morele, maar op functionele kwaliteit, hoewel bij bepaalde instrumenten, denk aan atoombommen, biologische of chemische wapens, of medische interventies, wel degelijk het morele gehalte ervan ter discussie staat. De ontwikkeling van wetenschap en techniek biedt steeds nieuwe vragen over de verhouding tussen functionaliteit en moraliteit, waarbij de pure technische functionaliteit gemakkelijk de morele kwaliteit van de toepassingen kan verdringen. Verschillende dimensies van kwaliteit dienen eerst goed te worden onderscheiden en daarna, zo veel mogelijk, weer met elkaar in verband worden gebracht. Dat maakt een totaal en integraal oordeel pas mogelijk, maar dat is – ik geef het toe – in de praktijk vaak zeer moeilijk.


20

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

“Goed en fout” werd gedurende de Duitse bezetting en na de bevrijding frequent gebruikt om een moreel oordeel aan te geven, maar het is van belang om ook hier scherp te blijven opletten. Tijdens de bezetting was het voor velen van levensbelang om te weten wie wel en wie niet volledig te vertrouwen was. Dat gold zowel voor slachtoffers van het barbaarse regiem, voor hulpverleners en onderduikgevers, als voor verzetsmensen. Leven of dood hing er van af, en dus ging het om een kwestie van goed en kwaad. Maar ná de oorlog was die situatie veranderd. Henk van Randwijk, de oprichter van Vrij Nederland en een van de leiders van het verzet, schreef over deze kwestie van “goed en fout” een verhelderende bijdrage, in 1948, in de eerste grote herdenkingsbundel van de oorlog Onderdrukking en Verzet, Nederland in Oorlogstijd. Van Randwijk zegt daarin het volgende: “Goed was een ieder, die men vertrouwen kon, ieder, die men deelgenoot kon maken van de geheimen van het onder- en bovengrondse verzet, met wie men over de BBC en over Radio Oranje vrijuit kon spreken en van wie bekend was dat hij de Duitsers haatte en verafschuwde. Fout was iedereen van wie men zulks niet met 100% zekerheid kon zeggen. Deze grove onderscheiding was een middel tot zelfbescherming van het Nederlandse volk. De grenzen moesten scherp getrokken worden, omdat elke vertrouwelijkheid, de geringste kennis, die in handen van foute lieden kwam, de ergste gevolgen kon hebben, tot de dood toe. Er zijn mensen geweest, die na de oorlog deze onderscheiding op dezelfde grove wijze wilden hanteren als tijdens de bezetting. Het zou dan niet moeilijk geweest zijn de schapen van de bokken te scheiden, maar het is duidelijk dat dit dan tevens tot groot onrecht zou hebben geleid. Immers toen het gevaar geweken was, kwam er ruimte voor subtielere onderscheidingen. Het was van toen af niet meer een zaak van zelfbescherming, maar van rechtsbesef.”39 (mijn cursivering) Ik vind dit een even opmerkelijk als leerzaam citaat. Van Randwijk zegt eigenlijk: Laten we voorzichtig zijn met grove generalisaties, als we die klakkeloos van de ene situatie overbrengen naar een andere


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

21

situatie. Dat gebeurt, helaas, nogal vaak. Wat in een totalitaire situatie noodzaak was, werd anders in de eenmaal bevrijde situatie van een hervatte democratie en rechtsstaat. Het morele oordeel dient zich aan die gewijzigde omstandigheden aan te passen en zal derhalve per situatie dienen te verschillen. Ja, laten we voorzichtig zijn met hele bevolkingsgroepen een grof etiket op te plakken van ‘goede’ of ‘foute’ Nederlanders. Het belangrijke en subtiele onderscheid dat Van Randwijk reeds zo vroeg na de oorlog aanbracht, is zelf een prachtig voorbeeld van een verstandig én moedig moreel oordeel, moedig omdat het toentertijd tegen de maatschappelijke stroom van wraak in ging. Aan de hand van deze discussie over goed en fout en met verwijzing naar die prachtige zin van Van Randwijk, namelijk “immers toen het gevaar geweken was kwam er ruimte voor subtielere onderscheidingen” ben ik nu op het spoor gekomen van de voornaamste inhoudelijke kenmerken van morele vaardigheid en van een evenwichtig moreel oordeelsvermogen. Ik noem er drie om daarna tot conclusies te komen. Het eerste kenmerk van morele vaardigheid is een fijn onderscheidingsvermogen, de vaardigheid om niet alle verschijnselen op één grote hoop te gooien, mensen niet over één kam te scheren, en verschillen te blijven zien, die er echt toe doen: the difference that makes a difference. Deze vaardigheid betekent ook dat men spontaan of beredeneerd grenzen kan aangeven: “dit doe je niet”, “dit gaat te ver”, “dit mag een mens niet worden aangedaan” en dergelijke. In het toneelstuk Les justes (De rechtvaardigen) van Camus, laat hij de hoofdpersoon, een van de revolutionaire opstandelingen, die een aanslag willen plegen op de Tsaar, zeggen “même dans la destruction, il y a un ordre, il y a des limites” (“ook aan de vernietiging zijn grenzen”).40 Toen er twee onschuldige kinderen in de koets van de Tsaar meereden, werd de aanslag afgelast. De heiligheid van het leven moest worden ontzien. Tegenwoordig zou die opstandeling terrorist heten en de terroristen van vandaag trekken zich niets meer van deze morele grenzen aan.


22

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

Het tweede kenmerk van morele vaardigheid is het vermogen om een meta-standpunt in te nemen bij de beoordeling van verschijnselen, gedragingen en situaties; een situatie te kunnen beoordelen vanuit een groter geheel of overkoepelend iets: bijvoorbeeld niet uitsluitend te oordelen dat een wetsvoorstel goed of slecht is, maar tevens te zien hoe en waarom dit ene wetsvoorstel past in het systeem van wetgeving en de manier waarop in onze samenleving wetten via het parlement tot stand komen. Of een afkeurenswaardige situatie niet uitsluitend beoordelen vanuit de eigen godsdienst of moraal, maar tevens vanuit het besef dat in de moderne samenlevingen juist verschillende godsdienstige opvattingen, levensvisies en morele stelsels naast elkaar bestaan en het met elkaar moeten uithouden en het samen leven fatsoenlijk houden. Kortom, een meta-standpunt houdt in delen en gehelen in hun onderlinge samenhang te kunnen zien. Het is het verschil kunnen zien tussen de blik waarmee een voetbalcoach een voetbalteam en het wedstrijdverloop bekijkt en de gezichtspunten van de individuele, vaak egocentrische spelers. Het derde kenmerk is waardig en respectvol handelen en optreden, niet alleen jegens vrienden, maar ook jegens onbekenden, vreemdelingen, tegenstanders of vijanden. Menselijke waardigheid voor eenieder is de grondslag geworden voor de naoorlogse rechten van de mens; het eerbiedigen van deze fundamentele rechten is een kwestie van recht en rechtspraak geworden, maar de manier waarop de medemensen worden behandeld en tegemoet getreden kan zelf variëren van onverschillig, autoritair-vernederend, hooghartig en bevooroordeeld tot neutraal, vriendelijk, correct of waardig. Het gaat hier dus niet alleen om respect voor deze fundamentele rechten (respect for human rights), maar evenzeer om met respect behandeld te worden (right to respect).41 Dit respect geldt eenieder, zelfs de ruwste vijanden. Dit gedragskenmerk van waardig handelen lijkt op de kalmte en sereniteit, die we al eerder bij Franz Jägerstätter en Sophie Scholl tegenkwamen. Zij wisten met waardigheid te sterven voor een goede zaak. Morele vaardigheid uit zich in beheerst en waardig handelen: niet vloeken in de kerk, niet schelden in het parlement, geen onbekookte woede-uitbarstingen op straat of op internet.


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

23

Met deze drie kenmerken, het fijn onderscheidingsvermogen, een meta-standpunt kunnen innemen en waardig handelen, kan ook de vraag hoe morele vorming kan worden aangeleerd en overgedragen, worden beantwoord. Immers het ontwikkelen van een fijn onderscheidingsvermogen is altijd een kenmerk van goede ambachtelijkheid geweest. Boswachters, houthakkers, wielenmakers moesten hun omgeving zeer nauwkeurig leren kennen om hun werk te kunnen verrichten en hun ambachtelijke producten te kunnen maken: welke bomen zijn geschikt voor welk product? Hoe herken je de verschillende houtsoorten op hun sterkte voor het bouwen van mijnschachten of zeilboten. De vaardigheid om snel en goed te onderscheiden welk materiaal voor welk product geschikt is, leert men via een lange leerschool, die vaak van persoon tot persoon werd overgedragen. Hetzelfde geldt voor het oude boerenbedrijf, waar de ervaren boer in staat was om elke koe van zijn veestapel afzonderlijk te kennen of van de vele afzonderlijke stukken land precies te weten welke nukken en grillen het had, welke goede en minder goede eigenschappen bijdroegen aan de jaarlijkse oogst. Hij was vertrouwd met zijn land en zijn dieren. Met het verdwijnen van deze ambachtelijkheid, onder andere door de komst van technische apparaten en computers, die op uniformiteit en niet op verschil zijn gericht, verdwijnt ook de handvaardigheid en het fijne onderscheidingsvermogen dat daarbij hoorde.42 Hetzelfde ontwikkeld onderscheidingsvermogen vindt men bij professionals, artsen die op grond van een lange beroepservaring snel en adequaat een correcte diagnose stellen of bij wetenschapsbeoefenaren die een bepaald probleem haarfijn kunnen ontleden, een professionele schaker die sneller en juister dan amateurs vaststelt welke zetten in een ingewikkelde stelling de moeite van het analyseren waard zijn. In dit fijne onderscheidingsvermogen onderscheiden zich de expert en de leek. Of zoals Dreyfus en Kelly nauwgezet observeerden: “Learning a skill is learning to see the world differently�.43 In deze waarneming ligt de sleutel voor de beantwoording van de hoe-vraag. Morele vorming mondt uit in morele vaardigheid, die als elke vaardigheid geleerd en aangeleerd kan worden door eindeloze oefeningen, veel zelfdiscipline en training. Om die reden heb ik een voorkeur om te blijven spreken


24

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

van “morele vaardigheid” die net als “rechtvaardigheid” als een skill beoefend kan worden, verbeterd, aangepast aan nieuwe omstandigheden. Morele vorming houdt dus niet op bij het bereiken van de volwassenheid, maar dient onderhouden te worden en de vaardigheid moet bijgehouden worden. Vaardigheden zijn praktisch en niet uitsluitend cognitief van aard. De beste manier om morele vaardigheid aan te leren is veel praktische oefeningen te verrichten in het bediscussiëren en uiteindelijk vellen van morele oordelen, zowel in het echte, reële leven als in het bespreken van theoretische, morele dilemma’s. Ik durf hierbij nog een iets verder gaande stelling te poneren: de beste manier om deze morele vaardigheid door vorming over te dragen aan nieuwe generaties is via kunstzinnige vorming, via sportieve, lichamelijke en mentale training, toneelspelen opvoeren of samen muziek maken. Hoewel deze activiteiten ogenschijnlijk weinig met morele vorming te maken hebben – en ze dus hooguit als metafoor voor morele vorming kunnen worden gebruikt – kan men bij nauwkeurige analyse van de kunstzinnige en sportieve vorming de morele dimensies van al deze activiteiten gemakkelijk waarnemen: men moet met elkaar leren omgaan, samen iets doen en men wordt daarin onvermijdelijk geconfronteerd met verschillen in karakter en temperament, in opvoeding en opvatting, in huidskleur en maatschappelijke achtergrond. Het zijn dus oefenveldjes, letterlijk en figuurlijk, voor morele vorming. Het onder de knie krijgen van heel goede balbehandeling vraagt veel oefening in behendigheid, training en zelfdiscipline. Het onder de knie krijgen van een moreel goede behandeling van medemensen vraagt eenzelfde langdurige training en oefening. Het EQUIP-programma voor onhandelbare, criminele jongeren is juist gebaseerd op dit beginsel van oefening en zelfdiscipline: “eerst tot tien tellen, voordat je losbarst”. Vergelijkbaar met de oude wijsheid “bezint, eer gij begint, want eerst gedaan… enzovoort”. Morele vorming moet niet losgezien worden van andere activiteiten van hart, hand en geest, maar daar een natuurlijk onderdeel van worden. In zekere zin is dat de belangrijke boodschap geweest van


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

25

de Verlichtingsfilosoof Friedrich Schiller, toen hij in 1795 een serie brieven schreef Über die ästhetische Erziehung des Menschen.44 Het ging hem natuurlijk niet alleen om de kunstzinnige vorming. Dit begrip krijgt bij Schiller juist een uitgebreidere betekenis, waarbij fysieke kracht en geestkracht (lichaam en geest), zintuiglijkheid en moraal, spel en ernst harmonisch in elkaar over gaan. Het belang van de verbeeldingskracht (imaginatio) geldt niet alleen voor kunst en cultuur, maar ook voor de politiek, de economie en de moraal, voor het gewone, alledaagse sociale leven én voor de ongewone spiritualiteit, geestkracht en geestigheid ineen, die ook de andere menselijke activiteiten beheersen. Kunstzinnige vorming is dus de kunst van het goed samenleven en deze kunst valt te leren. Het is echter tekenend voor het huidige politiek-economische klimaat in Nederland en een slecht voorbeeld dat tegelijk met het inzicht in het belang van goede opvoeding en onderwijs, de muziekscholen, de openbare bibliotheken, het schoolzwemmen en de gymnastiek al bijna allemaal zijn afgeschaft of slechts een marginaal bestaan toebedeeld krijgen. Zo wordt morele vorming ongezien en ondoordacht ondermijnd. Er bestaat, naar mijn mening, een grote behoefte om in het huidige kaalgeslagen landschap van moraal en politiek een inspirerende richting te vinden, die geen breuk betekent met de wortels van onze eigen cultuur (de Europese Verlichting) maar toch mondiaal in een veelheid van culturen en in een globaliserende wereld betekenis en relevantie kan krijgen. Het levendig houden van de geschiedenis en bestudering van de donkere kanten van deze geschiedenis, zoals dit geschiedt in Nationaal Monument Kamp Vught, blijft daarbij geboden. Het zou mij niets verbazen dat die serie brieven van Schiller – die zelf een uitstekend historicus was en schreef over de Nederlandse opstand tegen Spanje - ons daarbij goed zouden kunnen helpen.45


26

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

5. Tot slot Ik ben deze lezing begonnen met het noemen van de overlevingsregel, die Primo Levi in het kamp geleerd had: eerst schoenen zoeken, daarna eten bemachtigen en niet andersom. Schoenen en eten vormden in kamp Vught ook een opvallende rol, zoals ze dat in deze samenleving bij vluchtelingenkampen en voedselbanken nog steeds doen. Ik beloofde U te zoeken naar een simpele overlevingsregel voor deze huidige situatie, die weliswaar minder extreem te noemen valt, in vergelijking met de vernietigende wereldoorlogen, maar die niet minder om een richtinggevende moraal en morele vorming vraagt. Het is natuurlijk niet gemakkelijk om zo’n eenvoudige overlevingsregel te vinden, omdat het overleven sec, het puur fysieke bestaan, immers niet echt zwaar bedreigd wordt. De morele kwaliteit van het bestaan wordt bedreigd, en dat vraagt om een andere regel. Welnu: in Kamp Vught mocht men vanaf het begin niet meer dan één brief per week schrijven, de enige communicatie met de buitenwereld. In de tentoonstellingsruimte van dit Nationaal Monument Kamp Vught vindt men één grote wand vol met briefjes en tekeningen van de vele schoolkinderen en andere bezoekers, die hun indrukken en emoties na het zien van en luisteren naar het verleden hier achterlieten. Het is een prachtig onderdeel van de morele vorming die het herinneringscentrum aan de verschillende en vooral jongere generaties onnadrukkelijk wil geven. Omdat morele vorming gericht op het verwerven van morele vaardigheid niet ophoudt op 18-jarige leeftijd, maar doorgaat gedurende de gehele lifespan en in vele lastige en moeilijke situaties gedurende die levensloop moet worden aangewend, is een blijvende training in die morele vaardigheid een goede zaak. Als eenvoudige overlevingsregel voor deze tijd stel ik daarom voor, dat ieder, die zijn morele, fysieke en mentale vaardigheid op peil wil houden, één keer per week een brief schrijft aan een ander, een medemens die zo’n brief om welke reden dan ook heel goed kan gebruiken, bijvoorbeeld om er troost,


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

27

inspiratie of saamhorigheid uit te putten. EĂŠn brief per week slechts, met aandacht en het liefst met de hand geschreven, als wekelijkse oefening ter onderhoud van onze eigen morele vorming. EĂŠn simpele regel om moreel te overleven in de harder en grauwer wordende 21e eeuw. Ik ga zelf proberen om die regel vol te houden, en daarbij steeds te blijven denken aan al die gevangenen in Kamp Vught die hoop bleven putten uit die ene brief per week.


28

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

1) Primo Levi, Het respijt, p. 258, in: Is dit een mens & Het Respijt, Meulenhoff, Amsterdam, 1992 (oorspronkelijk in het Italiaans, La Tregua, Turijn, 1963. 2) Terrence des Pres, The Survivor; An Anatomy of Life in the Death Camps, Oxford University Press, New York, 1976, p. 49-50. 3) Klaartje Walvisch, Alles ging aan flarden, het oorlogsdagboek van K. de Zwarte-Walvisch, tekst bezorgd door Ariane Zwiers met een inleiding van Ad van Liempt, Balans, Amsterdam 2009; daarnaast M. Cahen, Ik heb dit alles opgeschreven. Vught – Auschwitz – Vught, Wolfaert Uitgevers, ‘s- Hertogenbosch 2010. 4) Zie hiervoor: Gedenkschriften Prof. mr. R.P. Cleveringa, bezorgd door L.E. van Holk en I. Schöffer, E.J. Brill, Universitaire Pers Leiden, Leiden, 1983, p. 159; over ego-documenten zie: B. Siertsema, Uit de diepten, Skandalon, Uitgevrij, Vught, 2007. 5) David Koker, Dagboek geschreven in Vught, G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1977; David Koker, At the Edge of the Abyss; A Concentration Camp Diary, 1943- 1944, edited by R.J. van Pelt, Northwestern University Press, Evanston, 2012. 6) David Koker, op. cit. p. 135 7) Vergelijk R. J. van Pelt, ‘Introduction: David Koker and his Diary’ in: D. Koker, At the Edge of the Abyss, op. cit. p. 14. 8) Idem, p. 194 en 195. 9) Wislawa Szymborska, ‘Een groot aantal’ in: Gedichten, vertaling en nawoord van Pim van Sambeek, Uitgeverij De Lantaarn, Leiden, 1996, p. 23; in een andere vertaling heet hetzelfde gedicht ‘Grote getallen’ en luidt deze versregel: “ mijn verbeelding (….) wordt nog steeds ontroerd door het afzonderlijke” zie Wislawa Szymborska, Uitzicht met zandkorrel, vertaald door Gerard Rasch, Meulenhoff, Amsterdam 1997, p. 75. 10) Gedenkschriften, op. cit., p. 95. 11) Maarten Asscher, ‘De schaal van Cleveringa, twee manieren om jurist te zijn’ in: M. Asscher, Appels en peren; lof van de vergelijking, Uitgeverij Augustus, Amsterdam, 2013, p. 44. 12) ‘Ik spring zo weer die rivier in’, in: Algemeen Dagblad, zaterdag 28 december 2013, p. 20.


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

29

13) http://en.wikipedia.org/wiki/August_Landmesser 14) G.C. Zahn, In Solitary Witness, Holt, Reinhart & Winston, New York, 1964. 15) Voor het onderscheid in symbolisch, polemisch, defensief, offensief en gekluisterd verzet zie: Werner Rings, Leven met de vijand, aanpassing en verzet in Hitlers Europa, 1939 – 1945, H.J.W. Becht, Amsterdam, 1981, p. 203-314 (oorspronkelijk in het Duits 1979). 16) Zie bijvoorbeeld Kees Schuyt, Het spoor terug; J.B. Charles/ W.H. Nagel 1910 – 1983, Balans, Amsterdam, 2010; en vele andere biografieën van verzetsstrijders. 17) Inge Scholl, De witte roos, De Bezige Bij, Amsterdam 1964 (oorspronkelijk in het Duits 1953); hernieuwde uitgave Ambo, Amsterdam 2005. Zie ook: Hermann Vinke, Das kurze Leben der Sophie Scholl, Ravensburger Buchverlag 1986 (eerste druk 1980); A.S. Kidder, Ultimate Price; Testimonies of Christians who Resisted the Third Reich, Orbis Books, New York, 2012, waarin opgenomen oorspronkelijk brieven van D. Bonhoeffer, F. Jägerstätter, Delp S.J., Sophie Scholl, J. Klepper en B. Lichtenberg. 18) H. Kohut, ‘On Courage’ in: H. Kohut, Self Psychology and the Humanities, edited and with an introduction by Charles B. Strozier, Norton & Company, New York, 1985, p. 5-50. 19) H. Kohut, op. cit. p. 15. 20) Etty Hillesum, Het verstoorde leven; dagboek 1941 – 1943, ingeleid door J.G. Gaarlandt, De Haan, Haarlem, 1981; Etty Hillesum, Het denkende hart van de barak; brieven, ingeleid door J.G. Gaarlandt, De Haan, Haarlem, 1982. Etty Hillesum, Etty : de nagelaten geschriften van Etty Hillesum 1941-1943 (het werk), onder red. van K.A.D. Smelik. Balans, Amsterdam 1986. 21) Bijvoorbeeld Henk E. Pelser, Vluchtweg Zwitserland, verhalen uit een ondergronds verleden, Bert Bakker, Amsterdam 1996. 22) Miep Gies, Herinneringen aan Anne Frank, Bert Bakker, Amsterdam, 1987. 23) E. Svoboda, What Makes a Hero? The Surprising Science of Selflessness, Current, New York, 2013, p. 185-186. 24) Zie nogmaals M. Asscher, op. cit., p. 44.


30

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

25) V. Havel, Brieven aan Olga, overdenkingen uit de gevangenis, De Prom, Baarn, 1986; V. Havel, Poging om in waarheid te leven, essay over Charta ’77, Van Gennep, Amsterdam 1986. 26) Zie bijvoorbeeld de door het kabinet Balkenende gevraagde studie van de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid ( WRR) Waarden, Normen en de Last van het Gedrag, Rapporten aan de regering, nr. 68, Den Haag, Amsterdam University Press, Amsterdam 2003; Wat Gij niet wilt dat U geschiedt…, verkorte weergave van het WRR-rapport, Amsterdam University Press Salomé, Amsterdam, 2004, 101 pp. 27) Robert E. Carter, Dimensions of Moral Education, University of Toronto Press, Toronto 1987. 28) Zie bijvoorbeeld J. Kennedy, Burgerschap in roerige tijden, Bechermerslezing Nationaal Monument Kamp Vught, Vught, 2011. 29) Kees Schuyt, Democratische Deugden, Cleveringa-oratie, 26 november 2006, Universiteit Leiden, Leiden University Press, 2006; ook opgenomen in: K. Schuyt, Over het recht om ‘wij’ te zeggen, groepstegenstellingen en de democratische gemeenschap, Amsterdam University Press, 2010, p. 37 – 82. 30) Zie bijvoorbeeld Robert Zaretsky, A Life worth Living, Albert Camus and the Quest for Meaning, Harvard University Press, Cambridge, Mass., 2013; Wijsgerig Perspectief, speciaalnummer over Camus, jrg. 53, nr. 4, 2013. 31) A. Camus, ‘Le pessimism et le courage’ in: Albert Camus, Bibliothèque de la Pleiade, Vol. II, Essais, Gallimard, Paris, p. 311-313; in het Engels gepubliceerd in: A. Camus, Resistance, Rebellion and Death, translated and with an introduction by Justin O’Brien, The Modern Library, New York, 1963, p. 43-46. Zie ook: Camus at Combat, Writing 1944 – 1947, edited by Jacqueline Lévi- Valensi, Princeton University Press, Princeton 2006, (oorspronkelijk in het Frans, Gallimard, Paris, 2002). 32) Zo noemde Hans Achterhuis zijn boek over Camus: H. Achterhuis, De moed om mens te zijn, Ambo, Utrecht, 1969. 33) Robert E. Carter, Dimensions of Moral Education, University of Toronto Press, Toronto 1987, p. 121-136. 34) L. Kohlberg, ‘The Child as a Moral Philosopher’, in: Psychology Today, jrg. 2, nr. 4, p. 24-31, 1968; L. Kohlberg, ‘Moral Development’ in: International Encyclopedia of the Social Sciences, MacMillan, New York, 1968; L. Kohlberg, The Philosophy of Moral Development, Harper and Row, San Francisco, 1981; J.L. Tapp and L. Kohlberg, ‘Developing Senses of Law and Legal Justice’ in: The Journal of Social Issues, jrg. 27, nr. 2, p. 65-92, 1971. 35) C. Gilligan, In a Different Voice; Psychological Theory and Women’s Development, Cambridge University Press, Cambridge, 1982.


MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

31

36) J.C. Gibbs, Moral Development and Reality; Beyond the Theories of Kohlberg and Hoffman, Sage Publications, Thousand Oaks, 2003. 37) Gibbs, op. cit. p. 158-192. 38) Gibbs, op. cit., p. 73-78 en p. 193-227. 39) H.M. van Randwijk, ‘ Fout en goed’ in: Onderdrukking en Verzet, Nederland in Oorlogstijd, 4 delen, onder redactie van J.J. van Bolhuis, C.D.J. Brandt, H.M. van Randwijk en B.C. Slotemaker, Van Loghum Slaterus, Arnhem en J.M. Meulenhoff, Amsterdam, 1948; deel 1, p. 381-384. 40) A. Camus, Les justes, Gallimard, Paris, 1950, Acte deuxième, p. 62; A. Camus, Caligula, Het misverstand, De rechtvaardigen, De Bezige Bij, Amsterdam 1965, p. 168; zie ook C.J.M. Schuyt, Recht, orde en burgerlijke ongehoorzaamheid, Universitaire Pers Rotterdam, Rotterdam, 1972, p. 392 (vierde druk, Amsterdam University Press, Amsterdam, 2008). 41) Zie hiervoor Michael Rosen, Dignity, its History and Meaning, Harvard University Press, Cambridge, Mass., 2012, p. 54-62. 42) Zie hiervoor A. Borgmann, Technology and the Character of Contemporary Life, University of Chicago Press, Chicago, 1984; H. Dreyfus and S.D. Kelly, All Things Shining, Free Press, New York, 2011, in het bijzonder p. 207-219. 43) Dreyfus and Kelly, op. cit., p. 207. 44) F. Schiller, Briefe über die ästhetische Erziehung des Menschen, herausgegeben von Pr. Dr. A. Reble, Julius Klinkhardt Verlag, Bad Heilbrunn, 1960 (oorspronkelijk 1795; moderne uitgave Stuttgart 2009). In het Nederlands vertaald, ingeleid en geannoteerd door A.J. Leemhuis, F. Schiller, Brieven over de esthetische opvoeding van de mens, Kok, Agora,Kampen 1994. Duits-Engelse uitgave met uitvoerig commentaar: E.M. Wilkinson and L.A. Willoughby, On the Aesthetic Education of Man; In a Series of Letters, Clarendon Press, Oxford, 1982 (reprint 2005). 45) Zie bijvoorbeeld ook de provocerende studie van de Indiase filosofe Gayatri Chakravorty Spivak, An Aesthetic Education in the Era of Globalization, Harvard University Press, Cambridge, Mass. 2012.


32

MOEDIGE MENSEN EN DE ACTUALITEIT VAN MORELE VORMING door prof.dr. Kees Schuyt

Colofon Beschermerslezingen sinds 2007: 9 december 2007 18 januari 2009 31 januari 2010 16 januari 2011 15 januari 2012 20 januari 2013

Katrin Himmler, politicologe Frits Bolkestein, oud-politicus VVD Frans Timmermans, staatssecretaris voor Europese Zaken James Kennedy, hoogleraar Nederlandse Geschiedenis Jaap de Hoop Scheffer, oud-secretaris-generaal van de NAVO Friso Wielenga, directeur Zentrum f端r Niederlande-Studien (M端nster)

Gespreksleiding sinds 2009: mevr. Joep Baartmans-van den Boogaart, vice-voorzitter Raad van Toezicht Nationaal Monument Kamp Vught Foto pag. 18-19: August Landmesser in 1936 (foto: S端ddeutsche Zeitung Photo / Scherl)


2014 lezing Kees Schuyt  

Deze uitgave is een bewerking van de lezing die Kees Schuyt op 19 januari 2014 heeft gehouden tijdens de Beschermersdag voor de Stichting Be...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you