Page 1

burgerschap in roerige tijden

door prof. dr. James Kennedy hoogleraar Nederlandse geschiedenis


Deze uitgave is een transcript van de lezing die James Kennedy op 16 januari 2011 heeft gehouden tijdens de Beschermersdag voor de Stichting Beschermers van Nationaal Monument Kamp Vught.

Stichting Beschermers Antwoordnummer 10014 5260 VB Vught www.beschermers.nl


Burgerschap in roerige tijden prof. dr. James Kennedy

1

transcript

Het is een eer om hier te zijn; het is een eer om goed na te denken over de betekenis van wat hier gebeurd is. Natuurlijk ook wat voor gevolgen dat heeft gehad en heeft voor de Nederlandse geschiedenis sinds de Tweede Wereldoorlog en de jaren daarna. Het is een plek bij uitstek, waar we tot bezinning over kunnen gaan. Ik wil ook mijn dank betuigen aan de Beschermers van Nationaal Monument Kamp Vught. Als lid van de raad van toezicht van een Amsterdams museum weet ik dat het belangrijk is dat er mensen zijn zoals Beschermers, zeker in deze tijden. Ik zou ook als historicus willen zeggen dat het werk van mensen die bereid zijn om tijd en geld in te steken in nationale en lokale gedenkwaardige plaatsen van grote betekenis is. Ik wilde dat wij als beroepshistorici daar meer aandacht en meer waardering voor zouden hebben. Dat hebben we overigens wel, maar vaak nemen we gewoon aan dat die verbindingen er zijn en we besteden er zelf niet zoveel aandacht aan. Ik denk dat we dat wĂŠl zouden moeten doen.


2

burgerschap in roerige tijden

Ik wil beginnen met te verwijzen naar een stukje nieuws uit juni 2010. Dan heb ik het niet over de verkiezingen van die maand; ik heb het over een bericht dat in meerdere kranten heeft gestaan over een rapport, dat overigens online goed te lezen is, van de International Civics and Citizenship Education Study. Het was een studie onder middelbare scholieren, 14- tot 15-jarigen. In 40 landen werd onderzocht wat ze over een aantal dingen dachten, met name het brede thema burgerschapscompetenties. Er was, als het de Nederlandse scholieren betreft wel goed nieuws; Nederlandse scholieren hebben een groot vertrouwen in hun overheid, in de nationale instellingen. Van een groot wantrouwen was er geen sprake. De Nederlandse scholieren stegen juist aanzienlijk boven het Europese gemiddelde uit in het vertrouwen in hun nationale instanties. Ze hadden vooral vertrouwen in de grootste instanties in de samenleving, met uitzondering van de media. De media scoorden eigenlijk opvallend laag in vergelijking met andere landen. Maar goed, misschien is dat onderdeel van de scepsis die je wel vaker hoort over de media in Nederland. Maar waar het minder goed ging, in ieder geval wat betreft de Nederlandse scholieren, waren zaken op twee geheel verschillende terreinen. In de eerste plaats ging het over de kennis van hun eigen politieke systeem. Daar scoorden ze in verhouding met andere landen bijzonder laag; 24 procent van de Nederlandse scholieren had een goed begrip van het Nederlandse politieke stelsel. In Finland was dat 55 procent en in Denemarken 60 procent - om een ander uiterste even te noemen. Als het dus gaat over pure kennis van het politieke stelsel wisten Nederlandse scholieren betrekkelijk weinig. Ik dacht hierbij aan mijn eigen 14-jarige dochter, die mij weer moest vragen wat de Staten-Generaal waren. Dat was deze week - dus toch wel belangrijk dat ik daar even aandacht aan besteed. Ten tweede ging het over de tolerantie van minderheden. Daar scoorden Nederlandse en Vlaamse


prof. dr. James Kennedy

3

kinderen het slechtst in heel Europa; zij waren het het minst eens met deze stelling: “De kinderen van immigranten zouden dezelfde mogelijkheden moeten hebben om onderwijs te volgen als andere kinderen in het land”. Daar was een heel groot deel, geen meerderheid maar toch wel een zeer groot deel van de Nederlandse scholieren, het niet mee eens. Ook met de volgende stelling waren ze het het minst eens: “Immigranten die al enkele jaren in een land wonen, zouden de mogelijkheden moeten hebben om te stemmen bij verkiezingen”. Dat vond ik wel opvallend; historisch gezien hebben Nederlanders veel meer ruimte gegeven voor nieuwkomers om lokaal te stemmen dan in mijn eigen land, de Verenigde Staten. Je zou kunnen zeggen: zo’n enquête van 140.000 studenten door heel Europa en hoe het uitpakt voor Nederlandse scholieren stemt natuurlijk tot bezinning. Het geeft in ieder geval aan dat Nederland, als het gaat om een zekere ethos van internationale solidariteit - solidariteit met nieuwkomers - dat het beslist geen gidsland meer is. Indien het dat ooit is geweest - en dat is natuurlijk iets dat historisch ook wel meeweegt. Als je kijkt naar enquêtes uit de jaren negentig, scoorden Nederlanders buitengewoon hoog op tolerantie tegenover mensen met een andere levensstijl. Vooral over seksuele vraagstukken waren Nederlanders wel heel ruimdenkend, zij scoorden veel hoger dan welk land dan ook. Het enige waar ze slechts gemiddeld scoorden, was een zekere openheid tegenover etnische minderheden. Daarin waren ze een soort middenmoot en scoorden ze niet hoger of lager dan de Amerikanen. De openheid tegenover de nieuwkomer die in de jaren negentig aanwezig was, is verdwenen. We verkeren in een ander vaarwater dan vijftien jaar geleden. De vragen die daaruit voortkomen zijn veelvuldig. Heeft het Nederlands onderwijs iets verkeerd gedaan? Hoe moeten wij eigenlijk een verklaring geven voor deze betrekkelijk lage scores over de zaken


4

burgerschap in roerige tijden

die ik genoemd heb is er 端berhaupt een verband? Wat zou dat verband dan zijn: tussen een gebrek aan kennis over nationale instanties enerzijds en het niet gunnen van rechten aan immigranten anderzijds? Zijn dat twee heel verschillende zaken of hebben ze wel betrekking op elkaar en biedt dat vertrouwen in de Nederlandse samenleving? Is dat een goede zaak. Is dat iets waar we alleen maar blij mee zouden moeten zijn zoals ik het in het algemeen heb gepresenteerd, of heeft dat juist betrekking op die andere, wat minder positieve zaken die ik heb genoemd. Het zijn allemaal vragen die ik ook vandaag niet kan beantwoorden, maar ik denk dat het belangrijk is dat we daar met elkaar over in discussie gaan als samenleving. Zeker als we kijken naar het algemene politieke en culturele klimaat in Nederland. Een klimaat dat sinds tien tot vijftien jaar geleden gekarakteriseerd wordt door een gearticuleerde boosheid en makkelijk verwijten aan elkaars adres maken, vooral als het anoniem kan worden gedaan op internet bijvoorbeeld. Ik denk dat het vaak een feitelijke weigering is om verantwoordelijkheid te nemen voor je eigen aandeel in het publieke leven. Misschien is het allemaal gevoed door betrekkelijke gemakzuchtige noties van vrijheid. Ik kom uit een land waar men het voortdurend ook over vrijheid heeft, maar waar het een soort leeg begrip is geworden door een oppervlakkige notie van vrijheid. Een beeld waarin vrijheid voornamelijk wordt gedefinieerd als het optimaliseren van eigen keuzes en niet in het begrenzen van eigen misstappen door een zekere disciplinering. Een van de vragen die ik met u wil bespreken is, of vorming in burgerschap of burgerschapsvorming zou kunnen helpen, en of instanties zoals Nationaal Monument Kamp Vught daarin een rol kunnen hebben. Ik denk dat de problemen die ik net heb besproken, niet louter Nederlands zijn. Ik heb al aangegeven dat ik denk dat in veel opzichten dezelfde dynamiek geldt: in de Verenigde


prof. dr. James Kennedy

5

Staten, maar het zou ook in België, Frankrijk en elders in Europa plaatsvinden. In het bespreken van dit vraagstuk wil ik mijzelf richten op de Nederlandse situatie. Wat zijn de bijzonderheden van Nederland en hoe kan Nationaal Monument Kamp Vught juist in de Nederlandse context van betekenis zijn? Vooraf wil ik even beklemtonen, dat als het gaat over burgerschap en actief burgerschap in Nederland er ook heel veel goeds gebeurt. Dat zeg ik om twee redenen vooraf. Ik zeg dat in de eerste plaats omdat ik als Amerikaan zeker niet de les wil lezen aan Nederlanders; dat in Amerika burgerschap beter is en dat wij het op een uitstekende manier doen. Ik zal u laten zien dat wij juist veel van Nederland zouden kunnen leren. Ten tweede denk ik dat veel weldenkende mensen in deze tijd de moed hebben verloren over Nederland. Dat Nederland eigenlijk zo verward is en zo de verkeerde kant op gaat, dat er eigenlijk weinig positiefs over Nederland te zeggen zou zijn. Zeker ook als het gaat over de internationale enquêtes waarin Nederland altijd buitengewoon hoog scoort in zijn democratisch gehalte en ook in de mate van betrokkenheid van de samenleving. De World Audit Organisation heeft Nederland, en dat is eigenlijk min of meer zijn vaste plaats, in zijn meest recente enquête als zesde geplaatst op zijn evaluatie van de staat van de democratie. Dus van 150 landen komt Nederland op de zesde plaats. Wat waren de landen die Nederland voor waren? Dat zijn de usual suspects. Het zijn de vier Scandinavische landen plus NieuwZeeland. Zwitserland scoort op hetzelfde niveau als Nederland met een gedeelde zesde plaats. De Verenigde Staten kwamen dan op de 15e plaats in de enquête. U zou kunnen zeggen: Europa als geheel scoort heel erg goed in deze evaluatie van de democratie. In dat opzicht is het een heel sterk continent, maar we moeten wel bedenken dat het ook achteruit gaat in Europa. Er zijn landen - groep 1 - waar democratie functioneert min of meer zoals het hoort.


6

burgerschap in roerige tijden

Maar er zijn ook landen, zelfs in West-Europa, waar dat niet het geval is. Griekenland wordt genoemd en een land dat eigenlijk duikelde in de tweede rangorde is Italië. Dit heeft eigenlijk vooral te maken met het toenemende medium-monopolie van Berlusconi, dat een belemmering is voor de vrijheid van de pers in Italië. De kwaliteit van de democratie is in Nederland eigenlijk uitstekend. Wat het ook voedt - en dat is iets waar andere internationale enquêtes ook naar verwijzen - is dat Nederland, echt een land van individualisten is, net zoals de Scandinavische landen. Ze zijn niet geneigd om in groepsverband meegesleurd te worden in extremistische ideologische ideeën. Mensen maken hun eigen keuzes, mensen blijven zeker sceptisch tegenover de grote claims van groepsverbanden. In dat opzicht zijn ze niet ontvankelijk voor patronen van extremisme en het mobiliseren van extremisme zoals je dat in andere landen treft. Daarnaast, ondanks het feit dat ze individualisten zijn, is Nederland bij uitstek een samenleving van wat internationale wetenschappers, de civil society noemen, de burgersamenleving. Nederlanders scoren in internationaal verband buitengewoon hoog als het gaat over formele participatie in de samenleving. Welk percentage van de Nederlandse bevolking is lid van een vereniging, bijvoorbeeld? Twee op de drie volwassenen zijn dat en dat is in vergelijking met Hongarije, waar het percentage op vijftien ligt, betrekkelijk hoog. Als het gaat over participatie in de samenleving, gaat het heel erg goed in Nederland. Je kan je afvragen wat het betekent om lid zijn van een vereniging. Vaak zijn die organisaties niet meer face-to-face organisaties zoals in het verleden veelal het geval was. In Nederland ben je lid van Amnesty, wat betekent dat dan? Dat is een van de vragen. En natuurlijk is ook wel de vraag, wat voor vereniging. Dit onderzoek gaat echt over alles, de sport-


prof. dr. James Kennedy

7

verenigingen zitten er ook bij; dat is echt explosief gegroeid het laatste halve jaar. Daarom noem ik het even, maar wat heeft dit nu voor betekenis voor de Nederlandse civil society? Wel gelooft iedereen dat er een zeker verband is tussen de gezondheid van de samenleving en het democratische gehalte van de samenleving als er veel civil society is. Naar de maatstaven waaraan we dit kunnen meten gaat het, wat dit betreft, in Nederland nog steeds heel erg goed. Waar staat Nederland als het gaat om alle soorten kenmerken van de civil society? Nederland staat mondiaal op de eerste plaats. Dat is echt een heel goede score. Het heeft er ook wel mee te maken dat Nederlanders veel meer dan andere continentale Europeanen vrijwillig geld geven aan goede doelen. Niet eens ĂŠĂŠn procent van hun totale inkomen, maar in vergelijking met andere landen is het wel aanzienlijk hoog. Daarnaast kunnen we allerlei andere kleine dingen noemen. Nederland blijft verhoudingsgewijs een land van lezers. Er worden hier veel boeken gepubliceerd in vergelijking met andere landen, dus vermoedelijk ook wel verkocht en vermoedelijk ook wel gelezen - hoewel ik natuurlijk begrijp dat je een boek koopt en het niet leest; bij mij is dat heel vaak het geval. Nederland heeft ook een betrekkelijk hoge krantdichtheid; ze blijven goed geĂŻnformeerd. Als er in toenemende mate informatie wordt verkregen via internet, hoeft dat niet positief te zijn, maar het brengt wel een grotere reikwijdte in de kwaliteit van informatievoorziening dan vermoedelijk eerder het geval is geweest. In veel opzichten gaat het dus goed in de Nederlandse samenleving. Ik wil nog beklemtonen dat ik het belangrijk vind om dat te noemen, omdat het belangrijk is dat we niet het gevoel moeten hebben dat we nu in onzekere tijden helemaal opnieuw moeten beginnen met de oprichting van onze samenleving. Er is dus veel dat goed gaat in de samenleving en het feit dat u hier ook allemaal bent, wil ik ook weer beklemtonen, is misschien een teken dat het goed gaat met Nederland.


8

burgerschap in roerige tijden

We hebben natuurlijk wel te maken met het probleem dat ik eerder heb aangekaart; dat wat onze scholieren betreft, de solidariteit met immigranten in ieder geval een van de laagste in Europa is. Hoe moeten we dit duiden, wat zegt dit over de Nederlandse samenleving? Er zijn natuurlijk verschillende theorieën over. Historici wijzen erop dat Nederland in tegenstelling tot het verleden geen land van minderheden meer is en dat dit ook een effect heeft op de zienswijze. Vijftig jaar geleden was Nederland wél een land van minderheden. Wat ik daarmee bedoel is: je was lid van een bepaald gezindte, had een bepaalde levensbeschouwing. Het maakte niet uit wat je levensbeschouwing was. Je was een minderheid; je moest dan wel met de nodige zorg omgaan met andersdenkenden. Niet met heel veel liefde misschien, niet met heel veel belangstelling, maar je moest er wel mee om zien te gaan. Door de ontkerkelijking, maar ook door de ont-ideologisering van bewegingen zoals de sociaal-democratie, is dat allemaal weggevallen. We zijn nu een land van meerderheden. We kunnen wel denken in termen van een meerderheid tegenover een minderheid. Denk aan dat klassieke Nederlandse onderscheid autochtoonallochtoon. We hebben hier te maken met de primaire instelling, dat waar één de kleine groep is, zich moet aanpassen aan de grote groep. Dat is dan misschien een van de ontwikkelingen. We hebben te maken met een nieuwe dynamiek. Daardoor krijg je ook afnemende waardering, afnemende achting in ieder geval voor verschil in vergelijking met het verleden. De tweede mogelijkheid is dat Nederland nog steeds in een fase is van reageren, afgeven op een braaf verleden. Als het tien tot twintig jaar geleden ging over het publieke ethos, als het ging over het discours van de tolerantie, was Nederland eigenlijk Europa voor. Het was een land dat er trots op was dat Nederland een heel open en tolerante samenleving was. Dat hier veel minder


prof. dr. James Kennedy

9

werd geduld, als het ging over gevoelens van wantrouwen of argwaan of vijandigheid tegenover nieuwkomers; dat mocht je in het publieke domein niet uiten. Je kreeg in Nederland daar minder ruimte voor dan in veel andere landen. Vanaf 2001 is dat gaandeweg omgeslagen in een bijna cathartische, zuiverende beweging van “nu kan ik eindelijk zeggen wat ik wilde zeggen over nieuwkomers, over moslims over anderen”. We hebben hier te maken met - en dat wordt ook wel door buitenlanders genoemd - ongemene eerlijkheid om nu maar een zacht woord te gebruiken: eerlijkheid in het uiten van gevoelens. Hoe Nederland zijn integratiedebat voert, heeft een zekere felheid maar ook een zekere eerlijkheid. Je ziet dan ook wel een soort catch up. Men compenseert de braafheid uit het verleden, men wil eigenlijk van die taboes af en men wil nu gewoon hardop spreken en zeggen wat men denkt en dat is zeker op internet te bespeuren. Ik denk dat er ook langdurige factoren zijn. Een van de dingen die ik interessant vind, als je kijkt naar de eerder genoemde studie over de Nederlandse scholieren, is dat ze eigenlijk geen notie hebben om het politieke bestel te verbinden met hun eigen politieke verantwoordelijkheden als burgers. Ze zien niet dat ze zelf een politieke verantwoordelijkheid hebben als burgers om iets te doen aan misstanden of discriminatie in eigen land. Natuurlijk leeft dat besef wel onder een deel van de scholieren, maar kennelijk toch wat minder of minder vergaand dan in andere landen. Wat zijn de redenen daarvoor? Een aantal van u zal beseffen dat van oudsher Nederland niet echt een politieke gemeenschap is geweest. Het is niet gevormd door een revolutionair idee. Het is zoals mijn collega Piet de Rooy heeft gezegd: “Nederland is geen idee”. Er is geen politieke normativiteit of visie die vaststelt wat Nederland is en wat de Nederlandse gemeenschap zou moeten zijn. Er is eigenlijk geen


10

burgerschap in roerige tijden

nationaal narratief van wording, zoals je dat in de Verenigde Staten wel hebt. We zijn begonnen als een idee in 1776 en we zijn daarin gegroeid. Het kan zijn dat juist een gebrek aan zo’n nationaal verhaal nu een probleem is geworden in Nederland. Er is een gebrek aan een nationaal verhaal van een land dat zich ontwikkelt in een bepaalde richting, en ik denk dat Nederland dat nationaal verhaal niet heeft, en dat dat een probleem kan zijn. Ik kan dat ook zien aan de manier waarop de oorlog in Nederland is besproken. Jacques van Doorn en anderen hebben opgemerkt dat ergens vanaf de jaren zeventig, wat er in de Tweede Wereldoorlog gebeurde, eigenlijk de morele maatstaf is geworden voor de Nederlandse natie. Wij hebben onze waarden daaraan ontleend. Wat wij zouden moeten zijn als samenleving is gaandeweg steeds meer gedefinieerd aan wat er in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. In de jaren vijftig en zestig had dat wel iets te maken met verzet. Maar langzamerhand lag de nadruk meer op de slachtoffers. Hoe dan ook, er waren een aantal elementen van het Nederlandse verhaal dat toch wel steevast overal in het publieke ethos en in de publieke kant van de samenleving terug te vinden was. Dat nooit meer; wij moeten trachten te voorkomen dat het weer gebeurt. Dat een zekere weerbaarheid nodig was, dat wij eigenlijk moesten zorgen dat er geen enkele sprake zou moeten zijn van discriminatie in de Nederlandse samenleving. Ik denk ook aan de herziene grondwet van 1983 en natuurlijk het open staan voor voor nieuwkomers en laten zien dat iedereen hier welkom is: wij moeten laten zien dat we in dat opzicht een verdraagzame open samenleving zijn die op de bres staat voor eenieder. Het had wel iets van eenduidigheid, iets gedeelds; het was een nationaal narratief geworden: de Tweede Wereldoorlog als maatstaf voor handelen. Maar dat is minder het geval geworden, denk ik, in de laatste jaren. Niet zozeer dat het verhaal


prof. dr. James Kennedy

11

is verdwenen, niet zozeer dat we niets meer aan het verhaal hebben, maar dat het eigenlijk geen eenduidig verhaal meer is. Het is niet iets dat ons deelt en waar wij allemaal dezelfde consequenties aan kunnen verbinden. In het eerste geval hebben we te maken met minderheden in Nederland die dan moeten inzien dat dit ook hun verhaal is; het verhaal moet ook voor hen worden verbreed. Er moet ook wel hun eigen inbreng in zitten. We zien dat het soms tot spanningen leidt, als je dan denkt aan de spanning die men ziet in educatie rondom de shoah in Amsterdam. Hoe breng je dat aan mensen die vanuit Azië of Afrika het land binnen zijn gekomen? Hoe pas je het verhaal daar aan? Belangrijker nog dan dat, zijn de toenemende twijfels van andere Nederlanders over wat het verhaal betekent voor hun eigen standpunt betreffende nieuwkomers. Denkend aan de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog: is het duidelijk dat een zekere onkritische openheid tegenover nieuwkomers de juiste houding is? Twintig jaar geleden zou dat antwoord duidelijk ‘ja’ zijn geweest. Veel Nederlanders zijn daar minder zeker van geworden. Je zou kunnen zeggen dat Geert Wilders daar een heel ander verhaal aan zou weten te verbinden dan de traditionele mainstream politiek dat zou doen. In de politieke arena zie je nu botsende interpretaties over wat de erfenis van de Tweede Wereldoorlog betekent in verhouding tot nieuwe groepen in de Nederlandse samenleving. Het verhaal is minder eenduidig geworden. De morele politieke betekenis daarvan is, dat het Nederland parten speelt en dat is een van de redenen waarom er veel discussie is over nationale identiteit: vraagstukken van “wie zijn wij?” Omdat nu even te vergelijken met de Verenigde Staten: dat is, zoals ik heb gezegd, een soort wordingsgeschiedenis. De Amerikanen geloven in een geschiedenis waarin zij steeds meer beseffen wat het betekent om een ever more perfect union te bereiken, dus dan kan het verhaal van


12

burgerschap in roerige tijden

de slavernij worden gezien als een historische tragedie maar toch wel iets dat ons tot bezinning heeft gebracht om verder te komen en vrijheid voor allen echt wezenlijk te bewerkstelligen. Denk ook aan de Tweede Wereldoorlog en de discriminatie die daar plaatsvond tegenover Japanners, die met 120.000 man in kampen werden gezet in de Verenigde Staten omdat ze gewantrouwd werden en ook uit racistische motieven. Steeds meer Amerikanen hebben gezien dat het een fout was, maar daar hebben we van geleerd en wij gaan nu weer verder. Het hele verhaal van toenemende impulsiviteit is een onderdeel van een nationaal verhaal. Ik denk dat dat in Nederland veel minder het geval is omdat het nationale verhaal dat allesomvattend is, hier in Nederland ontbreekt. Dit leidt tot de betere vraagstukken: hoe moeten we eigenlijk onze eigen geschiedenis duiden? Met welk sjabloon en in welk kader kunnen wij dat doen? Ik denk dat de Nederlanders op dit moment erg zoekende daarin zijn en daardoor veel meer dan de Verenigde Staten te maken hebben met deze vraag: wat is onze nationale identiteit. Een factor die hiermee verbonden is, is dat we in Nederland ook te maken hebben met een situatie, waarin het politieke burgerschap historisch gezien onderontwikkeld is in de Nederlandse samenleving. Ik zeg dit met de nodige voorzichtigheid, want natuurlijk is het hier ook wel aanwezig geweest. Maar dat heeft te maken met een soort notie van wat burgerschap is en wat je verantwoordelijkheden in politieke zin zijn. Ooit waren Nederlanders vol notie van politieke burgerschap. Ze wilden daar naarstig invulling aan geven en dan denk ik aan de patriottentijd van 1785: de Bataafse Revolutie was een en al politieke burgerschap. Toen kwam het Franse bewind, dat ging in Nederland niet zo heel erg goed. In 1813 waren de meeste Nederlanders blij van de hele notie van politieke burgerschap af te zijn en een koning over hen te laten heersen. Ik weet dat het in het zuidelijke deel van Nederland allerlei andere vormen van weerstand opriep, maar de notie


prof. dr. James Kennedy

13

van politiek actief burgerschap zoals je in België tussen 1815 en 1830 had, was er in Nederland veel minder. Het politieke burgerschap en participatie is alleen maar heel geleidelijk aan en langs goede banen geleid aan het einde van de negentiende eeuw. Steeds meer mensen konden stemmen, maar de politieke partijen en de politieke leiders wilden ook zorgen dat dat vooral verantwoord ging en dat je dus eigenlijk niet al te veel ruimte zou moet geven aan een soort uitbundige politieke burgerschap. Je ziet dat ook terug in enquêtes van Nederlanders in de jaren vijftig. Nederlanders werd gevraagd: “democratie is: puntje puntje puntje”. De Amerikanen, de Fransen en de Britten hebben gezegd: “...rechten krijgen en rechten gebruiken”, iets activistisch. Wat hebben de Nederlanders geantwoord? Ze hebben geantwoord zoals de West-Duitsers dat beantwoordden; de zin werd afgemaakt met “...een parlement hebben”. U ziet het verschil! Er is een notie van een zeker ontzag voor het parlement; dat is waar het burgerschap gebeurt. Een handleiding voor lokaal burgerschap uit 1967 heeft gezegd: er zijn drie politieke rechten van burgers, drie dingen die ze moeten doen om hun politieke verantwoordelijkheden goed uit te kunnen voeren, om daaraan te voldoen. Het eerste was stemmen voor de gemeenteraad, het tweede was verslagen van de gemeenteraad lezen in de krant en de derde verantwoordelijkheid was daarover praten met je buren. Dit is allemaal in de jaren zestig en zeventig opgerekt en we hebben eigenlijk in de ontzuiling, in de morele energie die kwam uit die jaren toch wel een behoorlijke politieke burgerschap gezien in Nederland. Denk ook wel aan de Nederlandse participatie in de nieuwe sociale bewegingen zoals Amnesty maar ook de vredesbeweging. Er was geen land dat meer participanten daarin had dan Nederland, er was tot tien jaar geleden echt een buitengewoon actief politiek burgerschap.


14

burgerschap in roerige tijden

Daarna ebde het vrij snel weg, ook in verhouding tot andere landen. Het is niet zozeer dat Nederlanders de belangstelling voor de politiek hebben verloren, maar dat hun actieve inzet daarvoor, ook in vergelijking met elders minder is geworden. Ze zijn weer terug naar: “politiek is belangrijk, maar ik hoef daar zelf niet heel duidelijk een actieve rol in te spelen. ”We zien dit natuurlijk ook terug in de participatie in politieke partijen en lidmaatschappen van politieke partijen. In 1960 was een op de zeven Nederlanders die kiesrecht had, lid van een politieke partij. De grootste partij was de KVP en ook al was je KVP-lid deed je vaak daarnaast niet zoveel, maar goed. Inmiddels is het niet een op de zeven kiezers maar een op de veertig kiezers die lid is van een politieke partij in Nederland. Misschien wel tekenend; ik geef maar één voorbeeld: een tendentieus en misschien wel een extreem voorbeeld, maar misschien ook tekenend. Ook het besef van politiek burgerschap is niet zo belangrijk. Participeren in de samenleving voor verenigingen: oké, prima, zelfs goed, moet je doen - maar politiek burgerschap op je nemen is iets dat hier minder sterk ontwikkeld is. Om dat even af te sluiten: er is net een boek uitgekomen van een studie over de thema’s lastig burgerschap, dwars burgerschap in Nederland. Hierin zie je dat in vergelijking met sommige andere landen de notie van dwars burgerschap waar burgers ook zelf het initiatief nemen: zelf in de bres springen, verantwoordelijkheid nemen in Nederland veelal - zeker niet door de overheid - op prijs wordt gesteld. Wat moeten we eigenlijk met die burgers doen? In principe is het prima om een klantverhouding met ze te hebben, maar om lastige burgers te hebben, om burgers die zelf met alle moed die het opeist om in de bres te springen voor goede zaken, dat wordt niet echt in Nederland aangemoedigd. Het past ook niet, denk ik, in de standaard verwachting hoe actief burgerschap hoort te zijn. U heeft misschien hier te pakken, waar Nederlanders wél harder aan kunnen werken, dat we ook wel denken: wat is eigenlijk de ideale burger - ook in politieke zin.


prof. dr. James Kennedy

15

Hoe draagt zo’n burger zijn verantwoordelijkheden uit in de samenleving? Ook als hij of zij daar alleen voor zou moeten staan? Ik denk aan het belangrijkste educatieve programma voor tieners in de Verenigde Staten over burgerschap. Daar is ook heel veel accent gelegd op de individuele verantwoordelijkheid van de burger. Daar komt het hele programma eigenlijk op twee gedachten neer. Ten eerste: goed en actief burgerschap is opkomen voor je eigen rechten en ten tweede: opkomen voor de rechten van anderen. Misschien komen we er niet helemaal met alleen maar op rechten gebaseerde noties van burgerschap, maar ik vind vooral die combinatie toch wel veel dekkend. Dus niet alleen voor je eigen rechten opkomen, dat is ook wel belangrijk, maar ook voor de rechten van anderen - dat je dat belangrijk vindt en dat je dat ook echt doet. Dat je betrokkenheid voelt bij degenen met wie je geen solidariteit in je hart voelt: voor mensen die dan geheel anders zijn dan jijzelf. We hebben hier in feite te maken met het Duitse woord Zivilcourage, burgermoed, uitgevonden door Otto von Bismarck. Hij verweet een leider van een parlementaire fractie in het Pruisische parlement dat hij onvoldoende moedig zou zijn. Hij zei hierover in 1864: “Mut auf dem Schlachtfelde ist bei uns ein Gemeingut, aber Sie werden nicht selten finden, dass es ganz achtbaren Leuten an Zivilcourage fehlt.“ (Moed op het slagveld is bij ons gemeengoed, maar u zult zien hoe vaak het achtenswaardige lieden mankeert aan Zivilcourage - red.). Dan had hij het dus over parlementsleden. Inmiddels heeft zijn uitspraak over Zivilcourage een heel andere wending en betekenis gekregen. Wat het eigenlijk vooral nu betekent, zeker in Duitse kringen, is als iemand als eenling in het openbaar in de bres springt om het op te nemen in naam van een humanitaire of een democratisch ideaal. Je hebt hier dan te maken met Zivilcourage van vooral de eenling,


16

burgerschap in roerige tijden

maar het kan ook een kleine groep zijn: de eenling die in het publieke domein optreedt om het op te nemen voor een humanitair of democratisch ideaal, en dan ook altijd ten dienste van andere mensen. Zivilcourage heeft ook niets gewelddadigs. Sommige mensen denken iets recht te zetten door geweld - dat betekent Zivilcourage juist niet. Het betekent dat je het doet op een niet gewelddadige, geweldloze manier. Zivilcourage - als een soort doelstelling van educatieve programma’s - is misschien iets waarvan ik denk dat we er meer belangstelling aan zouden moeten geven. Maar hoe doen we dat? De kwaliteit van zo’n moed hebben ontbreekt overal. We hebben hier niet te maken met iets dat heel makkelijk aan te moedigen is. Het is ook eigenlijk niet iets dat geheel bij de mens behoort. Eigenlijk mogen we er geen al te hoge verwachtingen van hebben. En we weten ook natuurlijk uit de ervaring van de Tweede Wereldoorlog dat het hebben van moed ook wel iets is van een mysterie. Wij weten zelf niet hoe wij in zo’n situatie zouden hebben gehandeld. Wij weten ook als we lezen over wat mensen in de Tweede Wereldoorlog hebben gedaan dat vaak waar mensen overgaan tot buitengewone daden van moed, er sprake is van een combinatie van omstandigheden en van persoonlijkheid of van karakter. Maar de resultaten komen vaak als verrassend over en de mensen die moedig zijn, zijn niet altijd degenen van wie we het hadden verwacht en ook omgekeerd. Maar ik denk dat het belangrijk is, dat we beseffen dat we dit niet hoeven te mystificeren. Er zijn wel patronen die wij kunnen leggen. Ik denk dat wij ook kunnen zeggen dat mensen aan zelfvorming doen – maar ook de vorming die ze krijgen van anderen doet er wel degelijk toe. Dat training er toe doet hoe mensen zullen handelen, is iets dat wij ook veel meer erkennen dan tien, twintig jaar terug. Daarom zijn deugden ook veel belangrijker geworden in het onderwijs dan twintig jaar geleden het geval was. We geven meer aandacht aan deugden; dat mensen ook


prof. dr. James Kennedy

17

moeten leren door herhalend handelen, wat het is om het goede te doen. Dat gewoon het goede te leren in abstracto, als een serie beginselen, niet voldoende is; dat mensen onderwezen moeten worden in handelen en dat eigenlijk mensen pas door repeterend handelen deugdzame burgers kunnen worden. Geen recept dat dan succes garandeert, maar wel iets dat veel meer belofte in zich heeft dan alleen maar het vertellen aan mensen, dat ze het goede zouden moeten doen. Ik denk dat de nadruk op deugden, de nadruk op je politieke verantwoordelijkheid om moed te tonen ook als iedereen tegen je is, dat het in de Nederlandse situatie nu op dit moment van grote betekenis is. Ik zeg dat omdat dit een land is, al is het een clichĂŠ, waar je je hoofd niet hoger dan het maaiveld zou willen steken. Ik denk dat het er ook wel toe doet in een land waar een betrekkelijk subtiele leiderschapsstijl is. Dat maakt het moeilijker dan in landen zoals Frankrijk en Duitsland om echt politieke verantwoordelijkheid voor iets te nemen. Eigenlijk neem je gezamenlijke beslissingen en dan is het veel moeilijker denk ik om in Nederland te zeggen: daar sta ik voor, daar ben ik voor verantwoordelijk en zo wil ik dan ook in het publieke domein staan. Ik denk dat het ook een land is waar het vaak moeilijk is om keuzes te maken, hele harde keuzes: ja of nee, links of rechts. Vaak leggen we plannen naast elkaar. Ik merk dit ook, zeker op de universiteit. We krijgen allerlei verschillende vormen van onderwijsvernieuwing en wat ik merk is niet zozeer dat oude plannen, oude manieren verdwijnen maar dat ze gewoon naast nieuwe plannen gaan functioneren. Dus we hebben gewoon meerdere plannen die naast elkaar staan. Maar het punt is dat we soms harde keuzes moeten maken. Soms zullen die keuzes ons ook wel veel kosten. Ik denk dat het belangrijk is dat we ook werken aan een samenleving waar dat erkend wordt. Maar dat wordt erkend; dat harde keuzes maken ook wel van ons vereist wordt.


18

burgerschap in roerige tijden

Ik denk dat het ook wel betrekking heeft op de programmering die Nationaal Monument Kamp Vught zou kunnen ontwikkelen. Ik zeg ‘zou kunnen ontwikkelen’, en ik heb de indruk dat het hier al voor een deel gaande is. Ik denk dat er twee manieren zijn om Zivilcourage aan te moedigen om gestalte te geven aan de educatieve programma’s die hier aangeboden zouden kunnen worden. De eerste is denk ik gewoon om te laten zien, natuurlijk met alle nodige subtiliteit en met alle nuance want deze dingen zijn ingewikkeld, om te laten zien hoe de achtergrond van mensen hebben bijgedragen aan de momenten waar zij moed hebben getoond in het verleden. Dat we zien, dat die keuze om moedig op te treden niet iets willekeurig is van het moment, maar eigenlijk geworteld is in de geschiedenis van deze mens. Ik denk natuurlijk in eerste instantie aan misschien een van de meest bekende figuren uit Kamp Vught, die hier op 11 augustus 1944 is gefusilleerd en dat is Joop Westerweel. Ik denk dan ook aan zijn levensverhaal; dat hij op jonge leeftijd al een overtuigd pacifist was, dat hij ook een dienstweigeraar was in Indië, dat hij daarvoor in de gevangenis heeft gezeten en dat hij uit Indië werd uitgewezen, dat hij met Pools-joodse vluchtelingen vóor de oorlog werkte en dat hij vervolgens actief werd in het verzet. We hebben hier te maken met een leven dat gedisciplineerd was door zijn eigen beginselen, dat een zekere moed toonde vanaf een vroege tijd. Ik denk dat er ook wel andere figuren zijn te nemen uit binnen en buitenland, Nederlandse voorbeelden en niet Nederlandse voorbeelden die ook hier wel aan kunnen bijdragen. Dat we kijken naar de biografie van mensen en laten zien dat Zivilcourage geen willekeurig moment is, maar dat het heeft te maken met wie mensen in hun essentie zijn - dus oog hebben voor die biografieën. Ten tweede denk ik, dat het belangrijk is om te laten zien dat Zivilcourage ook allerlei verschillende contexten heeft. Het is niet iets dat alleen gebeurt in tijden van grote crises, maar het ge-


prof. dr. James Kennedy

19

beurt in allerlei settings. Natuurlijk in het Chili van Pinochet of bij de monniken van Birma, of bij de Chinese dissidenten, om maar een paar voorbeelden te noemen uit autoritaire regimes. Maar ook wel, hoe moed eigenlijk nodig is daar waar de democratie volop heerst en wat voor kosten en offers dat met zich meebrengt. Ik denk in dat opzicht aan de visie op die internationale ontwikkeling, hoe het deze moedige mensen in andere landen verging tijdens de Tweede Wereldoorlog en hoe dat een belangrijke aanvulling zou kunnen zijn op hoe men hier educatief zou kunnen optreden. Maar ook wel hoe dat sinds de Tweede Wereldoorlog gestalte heeft gekregen in democratische en niet-democratische regimes. Wat betekent het om moed te hebben: wat bezielde die mensen om het te doen en hoe hebben ze daar vorm aangegeven? En misschien ook wel, nooit te vergeten: wat heeft hen dat gekost om zich zo te uiten? Natuurlijk, en hier wil ik mee afsluiten, hebben we te maken met de opdracht van Nationaal Monument Kamp Vught om het hele verhaal te vertellen van het kamp. Natuurlijk gaat het dan over de basale kennis van de oorlog, die ook bij jonge kinderen steeds meer wegglipt. Dat is geen automatische kennis; in toenemende mate is het belangrijk dat Nationaal Monument Kamp Vught ook gewoon de basale kennis geeft over de Tweede Wereldoorlog en diens nasleep de jaren daarna. Maar ik denk ook dat het belangrijk is, dat je de gehele reikwijdte laat zien van wat hier plaats vond: de enorme omvang van de tragedie en dat eigenlijk alle figuren, zeker ook alle slachtoffers hier de nodige aandacht krijgen. Ook dient in brede zin aandacht gegeven te worden aan de onrechtvaardigheid elders, zoals in de huidige expositie over Rwanda of over de Goelag Archipel. En natuurlijk moeten we het niet allemaal brengen met een hele idealistische notie van wat mensen kunnen bereiken; we moeten altijd een zekere realisme hebben.


20

burgerschap in roerige tijden

We moeten altijd ook een zeker gevoel hebben voor een veranderende context; dat Zivilcourage niet hetzelfde betekent in Nederland in 1940 zoals het Nederland in 2011. Om zo onze kinderen een dringend besef meegeven dat de keuzes die zij maken, belangrijk zijn en dat waar zij voor staan van zeer grote betekenis is, ook voor anderen. Ik denk dat dit alles belangrijk is, zeker ook in het Nederland van de eenentwintigste eeuw, waar onze kinderen een groot vertrouwen hebben in hun eigen instanties - maar deze instanties zullen niet altijd garant kunnen staan voor de rechten van anderen. Soms moeten zij daar zelf voor in de bres springen. Mede door wat Nationaal Monument Kamp Vught te bieden heeft in haar educatieve programma met het verhaal dat hier staat, kunnen ze veel leren. Zo kunnen ze dan ook versterkt worden in het besef, in hun notie van wat burgerschap betekent in roerige tijden.


prof. dr. James Kennedy

Colofon Met dank aan Henny Claasen-Visker voor de uitwerking van de tekst. Beschermerslezingen sinds 2007: 9 december 2007 Katrin Himmler, politicologe 18 januari 2009 Frits Bolkestein, oud-politicus VVD 31 januari 2010 Frans Timmermans, staatssecretaris voor Europese Zaken 16 januari 2011 James Kennedy, hoogleraar Nederlandse geschiedenis


2011 lezing jameskennedy def issuu  

Deze uitgave is een transcript van de lezing die James Kennedy op 16 januari 2011 heeft gehouden tijdens de Beschermersdag voor de Stichting...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you