Issuu on Google+

Taaljournaal 2 | Oefenblad voor thuis | groep 6 |

Mijn Malmberg

TJ
Spelling
groep
6, week
5,
6
en
7

Naam: __________________

Woorden om thuis te oefenen Net‐als‐woord:
gitaar

Net‐als‐woorden:
ei,
ijs

Hoor
je
/ie/
voor
een klankgroep
met
een
duffe
/u/, dan
schrijf
je
meestal
i
e. Anders
schrijf
je
een
i.

Ken
je
de
woorden
uit
het
ei‐ verhaal?
Die
schrijf
je
met
e
i allemaal.
De
andere
schrijf
je met
ij.

00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00

00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00

de dirigent de figuur de giro de gitaar het idee juni de kilo het klimaat de kritiek de liter de minuut de piano de piloot de piraat het pistool prima de rivier de sigaar de taxi de titel

Weetweg Ik heb dit woord uit mijn hoofd geleerd. Daarom schrijf ik het niet verkeerd!

HET DICTEE De toets van deze woorden is op: ____________

© Malmberg, ’s-Hertogenbosch

het afscheid allebei eigenwijs het gewei de meisjes het paleis de scheiding steil het terrein veilig de bladzijde het ijzer nijdig het tapijt de vijand de wedstrijd de woestijn bijten rijden slijpen

Weetweg Ik heb dit woord uit mijn hoofd geleerd. Daarom schrijf ik het niet verkeerd!

Net‐als‐woorden:
slang,
bank Staat
er
een
ng
of
nk
aan
het eind
van
het
woord?
Maak
het woord
dan
langer,
zodat
je
/ng/ of
/nk/
hoort.

00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00

de honger de honing de houding de mening de omvang de paling de ringslang de spanning de zanger de zitting het anker blank Frankrijk de frisdrank het geschenk mank stinkdier de tuinbank de stronk de vonk

Luisterweg Ik luister goed naar het woord, dan schrijf ik het zoals het hoort.

Zo
ga
je
oefenen: Dit
doe
je
zelf: 1.
Lees
de
woorden
een
keer
goed
door. 2.
Lees
het
net‐als‐woord
en
welke
weg
je
moet
volgen. 3.
Lees
een
woord,
bekijk
het
goed,
dek
het
af
en
schrijf
het
uit
je
hoofd
op. 4.
Kijk
je
werk
na.
Is
een
woord
goed?
Kleur
dan
het
eerste
bolletje
voor
dat woord.
Is
het
woord
fout,
schrijf
het
dan
opnieuw. Dit
doe
je
samen: 1.
Vraag
een
dictee
van
5
à
10
woorden.
Kijk
het
samen
na. 2.
Kleur
het
tweede
bolletje
voor
de
woorden
die
je
goed
schreef. 3.
Zet
de
woorden
die
je
fout
schreef
op
losse
kaartjes.
Oefen
deze
woorden extra
goed.

blz. 1 van 1


groep 6 wk5-7