Issuu on Google+

Taaljournaal 2 | Oefenblad voor thuis | groep 6 |

Mijn Malmberg

TJ
Spelling
groep
6, week
25,
26
en
27

Naam: __________________

Woorden om thuis te oefenen Net‐als‐woord:
zebra’s

Net‐als‐woord:
vrijheid

Net‐als‐woorden:
ezel,
kikker

Luister
goed
bij
een
meervoud op
s!
Hoor
je
voor
die
s
een /aa/,
/ie/,
/oo,
of
/uu/,
dan schrijf
je
’s.

Als
je
/hijt/
hoort
aan
het
eind van
een
woord,
dan
schrijf
je heid
met
e
i
en
een
d.

Ken
je
het
rijmpje
nog? Als
ik
aan
het
eind
van
een klankgroep
een
…
hoor,
dan
…

00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00

00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00

00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00 00

de auto’s de diploma’s de Eskimo’s de foto’s de iglo’s de kano’s de kilo’s de komma’s de menu’s de oma’s de opa’s de pagina’s de paraplu’s de piano’s de pinda’s de programma’s de salto’s de ski’s de taxi’s de zebra’s

Regelweg Bij dit woord heb ik een regel geleerd. Daarom schrijf
ik
het
niet
verkeerd!

HET DICTEE De toets van deze woorden is op: ____________

© Malmberg, ’s-Hertogenbosch

de bezigheid de boosheid de duidelijkheid de eenzaamheid de gelegenheid de gezelligheid de gezondheid de hoeveelheid de moeilijkheid de mogelijkheid de narigheid de schoonheid de snelheid de veiligheid de viezigheid de vrijheid de waarheid de werkelijkheid de wijsheid de zekerheid

Luisterweg Ik luister goed naar het woord, dan schrijf ik het zoals het hoort.

de bezem de boterham bovenop de deken de glazen helemaal de lepels de vazen de wagen wonen de emmer de flessen de jassen de klokken de matrassen de messen de pannen de vissen de zakken vallen

Regelweg

Gebruik de wegwijzer.

Zo
ga
je
oefenen: Dit
doe
je
zelf: 1.
Lees
de
woorden
een
keer
goed
door. 2.
Lees
het
net‐als‐woord
en
welke
weg
je
moet
volgen. 3.
Lees
een
woord,
bekijk
het
goed,
dek
het
af
en
schrijf
het
uit
je
hoofd
op. 4.
Kijk
je
werk
na.
Is
een
woord
goed?
Kleur
dan
het
eerste
bolletje
voor
dat woord.
Is
het
woord
fout,
schrijf
het
dan
opnieuw. Dit
doe
je
samen: 1.
Vraag
een
dictee
van
5
à
10
woorden.
Kijk
het
samen
na. 2.
Kleur
het
tweede
bolletje
voor
de
woorden
die
je
goed
schreef. 3.
Zet
de
woorden
die
je
fout
schreef
op
losse
kaartjes.
Oefen
deze
woorden extra
goed.

blz. 1 van 1


groep 6 wk25-27