Page 1

K ENNIS O N L I N E JAARGANG 9

- FEBRUARI 2012

Wageningen UR-onderzoek voor EL&I

www.kennisonline.wur.nl

Decentraal en regionaal Overheid soms nodig bij innovatie Hoe onderscheid je een eenzame zeurpiet van een echte zegsman? ‘Je bent er niet met het overdragen van bevoegdheden’


Green Deal: Olifantsgras bij Schiphol

Vliegtuigmotor na een botsing met ganzen. Olifantsgras kan ganzenoverlast rond de luchthaven beperken.

Drie agrarische ondernemers uit de Haarlemmermeer beginnen dit voorjaar met de teelt van olifantsgras op percelen in de omgeving van Schiphol. Ze tekenden daarvoor half december een green deal met Wageningen UR (University & Research centre) en de ministeries van EL&I en I&M. Met de overeenkomst mikken de partijen op meerdere doelen, vertelt Vincent Kuypers van Alterra, onderdeel van Wageningen UR. ‘Ten eerste hopen we dat dit het ganzenprobleem voor de luchthaven vermindert. Al twintig jaar wordt geprobeerd de ganzen te verjagen met mitigerende maatregelen, maar nog steeds zijn ze een probleem voor de vliegveiligheid. Nu gaan we het landschap zo aanpassen dat ganzen en andere lastige vogels andere locaties gaan kiezen.’ Olifantgras wordt hoger dan maïs en is droger, en de stengels

worden pas in het voorjaar geoogst. Ganzen vinden er dan ’s winters geen open landschap meer of iets lekkers te grazen. Een tweede doel is bijdragen aan de biobased economy. Het gras heeft een hoog drogestofgehalte en is te gebruiken als strooisel voor de paardenstal, voor verbranding in een energieinstallatie, voor raffinage tot biobrandstof, als vezel voor bouwmaterialen en voor bioplastics. Het restproduct is zwavel-, fosfaat- en stikstofarm. Kuypers: ‘We werken nog aan een industriële productieketen waarin het olifants-

gras wordt verwerkt.’ Er is al wel een fabriek in Nederland gevonden waar olifantsgras tot cellulosepulp voor de bioplasticsindustrie verwerkt kan worden en er is een techniek voorhanden om biokerosine te produceren. De eerste wortelstokken van het olifantsgras worden dit voorjaar aangeplant op 12 tot 15 hectare vlakbij de luchthaventerminal en maximaal 40 hectare in de wijdere omgeving. Dat betekent meer dan een verdubbeling van het teeltoppervlak van dit gewas in Nederland. De partijen hopen dat de green deal een discussie op gang brengt over de introductie van nieuwe gewassen in het Nederlandse cultuurlandschap en gewasteelt voor biobased toepassingen. ‘Ook geeft dit ons ruimte voor grootschaliger praktijktesten met teelt en verwerking. Verder gaan we bijvoorbeeld het effect op de biodiversiteit van deze teelt bekijken’, zegt Kuypers. Na het sluiten van de overeenkomst meldden zich nog meer eigenaren van agrarische grond in de buurt van Schiphol voor de proef. ‘Olifantsgras heeft namelijk ook nauwelijks aandacht nodig en kan twintig jaar produceren. Na de derde oogst heb je de investering er uit.’ Onder meer de Rabobank en Schiphol gaan mede-investeren in het project. De Dienst Landelijk Gebied levert expertise in samenwerking met Wageningen UR.

Informatie: www.thegrounds.nl Contact:

vincent.kuypers@wur.nl 0317 - 48 64 17

C O L OFON Kennis Online is een uitgave van Wageningen UR. De nieuwsbrief is voor EL&I - medewerkers en anderen die belangstelling hebben voor het beleidsrelevante onderzoek van Wageningen UR. Naast het maandelijkse magazine verschijnt er iedere twee weken een elektronische nieuwsbrief.

KIES VOOR

K E NNI S O N L I N E

Voor alle informatie over onderzoek van Wageningen UR voor het ministerie van EL&I

Uitgever Wageningen UR, Postbus 9101, 6700 HB Wageningen Tekst en realisatie Bureau Bint, Wageningen. www.bureaubint.nl Fotografie Theo Tangelder, Bart de Gouw, Joël van Dieren en Wageningen UR

Internet

Magazine

E-news

Vormgeving Wageningen UR, Communication Services

• Nieuws & agenda • Projectinformatie • Onderzoeksresultaten • Archief • Helpdesk EL&I-kennisvragen

Maandelijkse uitgave met achtergronden over de thema’s: • Landelijk gebied en natuur • Duurzame productie • Ketens, voedsel & diergezondheid

Iedere twee weken het actuele nieuws in uw mailbox.

Redactiecommissie Frank Bakema, Froukje Boonstra, Ingrid Coninx, Jelle Maas, Madeleine van Mansfeld en Henk Slijkhuis

Abonneren op het magazine en e-news is kosteloos! Kijk op www.kennisonline.wur.nl

2

Redactieadres Wageningen UR, Communication Services T.a.v. Kennis Online, Postbus 409, 6700 AK Wageningen www.kennisonline.wur.nl E-mail: kennisonline@wur.nl Telefoon: 0317 - 48 54 74


Overheid soms nodig bij innovatie De overheid speelt samen met ondernemers en kennisinstellingen een belangrijke rol bij het ontstaan en uitvoeren van vernieuwende ideeën, stellen Wageningse onderzoekers. Zo was het rondeelei er zonder steun van de overheid nooit gekomen. Het rondeel is het resultaat van een succesvolle innovatie. Op dierenwelzijn en milieu scoort deze kippenstal beter dan andere gangbare en biologische stalsystemen. De ronde stal is als een taart verdeeld in parten nacht- en dagverblijf. Het dagverblijf is met glas overdekt, waardoor kippen in het daglicht rondscharrelen. De verdere uitloop naar buiten kan indien nodig worden afgesloten. De eerste rondeelstal werd in 2010 opgeleverd, inmiddels wordt de vierde gebouwd. Ook in het buitenland bestaat interesse. Maar zonder overheidsbemoeienis was het rondeel nooit uitgevonden, vertelt Noor Dessing, onderzoeker bij Alterra, onderdeel van Wageningen UR. Zij leidde een onderzoek naar de rol van de overheid bij innovaties, aan de hand van vijf cases in de ‘gouden driehoek’ van bedrijfsleven, overheid en kennisinstellingen. ‘Innovaties vragen veel energie. De slagkracht van individuele boeren is beperkt. Daarom is steun van netwerkorganisaties, overheden, kennisinstellingen en het bedrijfsleven onmisbaar’, stelt Dessing. Zo was het na de ernstige uitbraak van vogelgriep in 2003 de minister van landbouw die geld uittrok voor onderzoek naar betere huisvestingssystemen voor legkippen. Nadat Wageningse onderzoekers het concept had-

den ontwikkeld, in samenspraak met kippenhouders en een stallenbouwer, gingen ze de stal realiseren met een kippenhouder in Barneveld via het innovatieprogramma TransForum. Dat het toenmalige ministerie van LNV garant stond voor de lening die nodig was voor de bouw van de stal gaf de doorslag. ‘Vervolgens kwam de lokale overheid in beeld’, vertelt Dessing. ‘Aanvankelijk paste de stal door zijn volume niet in het bestemmingsplan, maar de gemeente werkte mee en toen verliep het project toch vlot.’ Vergunningen Beperkt de rol van kleine gemeenten zich meestal tot het verlenen van vergunningen, grotere gemeenten kunnen problemen op gebied van milieu en verkeer helpen oplossen. Verder besluiten lokale overheden over ruimtelijke ordeningskwesties. Dat kunnen lastige keuzes zijn, bijvoorbeeld bij ontsierende mestvergistingsinstallaties. Of megastallen die milieuvriendelijk zijn, maar vooral negatieve emoties oproepen bij omwonenden. ‘Het is wel weer aan de centrale overheid om het maatschappelijke debat over dit soort kwesties vorm te geven’, meent Dessing. In een andere case, het kustversterkingsproject Building with Nature, waren de

Een sleephopperzuiger van Boskalis werkt aan de zandmotor voor de kust bij Kijkduin.

3

provincies overduidelijk vertegenwoordigd. Bij deze innovatie spoelt en waait zand van een voor de kust opgespoten zandeiland naar het land, om zo de kust te versterken. Twee baggerbedrijven namen hiertoe het initiatief, verschillende bedrijven en kennisinstellingen waaronder Deltares, de Bouwdienst van Rijkswaterstaat en IMARES, onderdeel van Wageningen UR, haakten erop aan. Dessing: ‘Het project is opgezet vanuit de technische kant en geadopteerd door gemeenten en kustprovincies. Er loopt nu een pilot bij de Workumerwaard aan de Friese IJsselmeerkust.’ Soms is de deelname van provincies in projecten ook van doorslaggevende betekenis in het verwerven van Europese subsidies. Innovaties komen ook lastig van de grond zonder financiële steun van de centrale overheid. ‘Momenteel wordt in het beleid echter te weinig ingezet op de eerste innovatiefase van creativiteit en uitvindingen, door bijvoorbeeld thema’s te bedenken en uit te zetten in onderzoek, zoals met het rondeel’, zegt Desssing. In de pilotfase kan het belangrijk zijn dat de overheid risicokapitaal beschikbaar stelt voor het realiseren van pilots door het midden- en kleinbedrijf. Daarnaast is het belangrijk dat de overheid netwerkorganisaties ondersteunt, verklaart Dessing. ‘Want netwerken spelen een grote rol in de verspreiding van innovaties.’ Contact:

noor.dessing@wur.nl 0317 - 48 61 07


Intensieve varkenshouderij bij Venray.

4


‘Hier zitten wereldkampioenen’ Venray wil zich gaan profileren als centrum van de intensieve veehouderij. Onder de naam Eiwitrijk wil de gemeente laten zien dat de intensieve veehouderij een innovatieve economische sector is, die van grote waarde is voor de regionale economie. De gemeente Venray werkt samen met veevoerfabriek Vitelia, de Rabobank, innovatiemakelaar KnowHouse bv, de organisatie van agrarische ondernemers in Venray (LLTB) en Wageningen UR (University & Research centre) aan Eiwitrijk. Volgens de betrokken Wageningse onderzoeker, Peter Smeets van Alterra, onderdeel van Wageningen UR, is er alle reden om trots te zijn op de veehouderij in de regio. ‘Nederlandse boeren zijn de beste eiwitproducenten in de wereld en binnen Nederland zitten de succesvolste ondernemers in de Peel. Je hoort mensen wel eens voorspellen dat de landbouw gaat verdwijnen. Als dat al zo zou zijn, dan zeker niet rond Venray, daar zitten wereldkampioenen.’ Wereldkampioenen die door Indiërs en Chinezen misschien serieuzer genomen worden dan in eigen land, denkt Smeets. Dierlijke eiwitten worden de komende decennia een gezocht product. ‘We krijgen er drie miljard mensen bij. Mensen die vooral in steden gaan wonen, die rijker zullen zijn en meer dierlijke eiwitten zullen kopen.’ De meeste buren zien echter geen wereldkampioenen maar ruiken ammoniak, en ook zien ze liever geen steeds grotere stallen die het landschap bederven. Smeets: ‘Natuurlijk moet je ook oog hebben voor de problemen, maar zelfs in het verwerken van mest en het beperken van andere impact op de omgeving zijn we top. Juist als het gaat om duurzame ontwikkeling komt de wereld hierheen om de kunst af te kijken.’ Economische kracht Wethouder Jan Loonen van Venray is iets minder lyrisch dan Smeets, maar ziet wel dat de veehouderij een grote economische kracht is in zijn regio. ‘We zitten nog in de conceptiefase van het plan. Wat wij vooral willen is dat de sector in onze gemeente op een andere manier wordt benaderd. Er is al heel veel; we hebben grote innovatieve bedrijven. In Wanssum, vlakbij de Maashaven, werkt Vitelia aan een onderzoekscentrum voor veevoer. De kunst is om het in verband te zien en dan te kijken wat er nodig is om ons op de kaart

Veevoerbedrijf Vitelia werkt aan een onderzoekscentrum bij de haven van Wanssum.

te zetten als Eiwitrijk. Dat willen we in ieder geval doen door te laten zien wat er mogelijk is op een vernieuwende duurzame manier.’ Venray wil onder andere vier veehouderijen vestigen in het landbouwontwikkelingsgebied Wüsterveld. ‘Dat mogen geen gewone bedrijven worden, maar innovatieve bedrijven die inspireren. Het moet een soort etalage van de toekomst worden.’ Onderzoeker Smeets ondersteunt deze zoektocht naar slimmere ruimtelijke ordening van de veehouderij in de gemeente van harte. ‘Op dat gebied is in heel Nederland sprake van achterstallig onderhoud. Ruimtelijk hebben we de eiwitproductie niet efficiënt georganiseerd.’ Volgens Smeets is vooral de verspreide ligging van de bedrijven niet economisch. ‘Bij de ruilverkaveling was het doel om de kavel rond huis zo groot mogelijk te maken. Bedrijven die vroeger in het dorp lagen, liggen nu verspreid door het land. Dat was goed te beargumenteren toen het nog om grondgebonden landbouw ging. Het scheelde de boer veel tijd omdat hij niet heen en weer hoefde te rijden tussen alle snippers land. Maar als je het nu zou ontwerpen, zou je het anders doen.’ Een varkensbedrijf heeft geen huiskavel meer nodig, zegt Smeets. Vroeger werd daar het voer verbouwd, tegenwoordig komt dat met de vrachtwagen binnen en worden dieren en mest met andere vrachtwagens afgevoerd. Het zou handiger zijn de productie zoveel mogelijk te concentreren. Dan kun je voer efficiënt aanvoeren, de mest om de hoek te

5

verwerken en dieren leed besparen. ‘De Partij voor de Dieren maakt zich erg druk over het slachten. Dat gaat met veel minder stress gepaard als je ze minder hoeft te vervoeren door de slachterij dichtbij de bedrijven te bouwen.’ Tijd Concentratie van productie is lastig omdat buren niet zitten te wachten op grote bedrijven. Uitbreiding van bestaande bedrijven is in veel gebieden al lastig genoeg, laat staan dat je grote concentraties bedrijven op een klein oppervlak voor elkaar krijgt. ‘Het kost tijd maar ik ben wel optimistisch. Het verleden heeft laten zien dat het kan. Ruimte voor de Rivier is ook een enorme operatie geweest, en in de jaren zeventig en tachtig zijn we er ook in geslaagd om overlast gevende bedrijven uit de steden te verhuizen naar de bedrijvencentra aan de randen van de stad. Ook de glastuinbouw vindt steeds meer in ruimtelijke clusters plaats.’ Wethouder Loonen van Venray wacht nog even met het vaststellen van concrete plannen. ‘Het is goed om over dit onderwerp na te denken, maar een plan ligt er niet van vandaag op morgen.’ Wel wil hij de komende maanden de contouren van Eiwitrijk helder krijgen. Tijdens de Floriade, later dit jaar, wil hij het plan lanceren. Contact:

peter.smeets@wur.nl 0317 - 48 16 75


‘Wageningen UR moet flexibeler worden’

Kees Slingerland: ‘Mensen moeten kunnen zeggen: daar staat iets moois en dat hebben we aan Wageningen te danken.’

Kees Slingerland, algemeen directeur van de Environmental Sciences Group van Wageningen UR, leidt het regioteam van Wageningen UR. Doel van het team is om zeven hotspots uit te bouwen. Van de Delta en het Groene Hart tot Greenport Venlo en de Dairy Campus. ‘Dat is niet makkelijk. We rekenen op een investering van jaren voordat we geworteld zijn.’ Vanwaar die interesse voor regionale projecten. Is Wageningen UR op zoek naar meer omzet? ‘Dat is een deel van het verhaal. Het klinkt wat plat, maar voor ons is het een noodzaak om nieuwe opdrachtgevers te zoeken. De budgetten van de rijksoverheid lopen terug. Als we onze mensen aan de slag willen houden moeten we andere plekken vinden waar we aan de bak kunnen. Die zoeken we onder andere in de regio. Gelukkig komen we er steeds meer achter dat het werken in de regio mooie kansen biedt om

de kennis die wij hebben opgebouwd op een andere manier maatschappelijk relevant te maken. Eigenlijk is het merkwaardig dat we de kennis die we met behulp van belastinggeld hebben opgedaan nog maar weinig nuttig hebben proberen te maken buiten het Haagse circuit. Een laatste reden is dat de rijksoverheid bevoegdheden verschuift naar provincies en regio’s. Er gebeurt dus ook meer in regio’s dan vroeger. Ook al omdat de samenleving verandert. Mensen worden mondiger en wachten niet meer op de overheid om initiatieven

6

te nemen. Dat doen ze zelf. Alle reden dus om te gaan zoeken naar aanknopingspunten voor ons.’ U bent twee jaar bezig. Komt het van de grond? ‘Dat is wisselend. We zijn twee jaar geleden begonnen en hebben eerst geprobeerd om één uniforme strategie op papier te zetten. Na een poosje hebben we gezien dat dat onzin is. Er is niet één strategie te bedenken waarmee we de oorlog winnen. Ieder regio is anders, en onze startpositie is niet overal hetzelfde. Het is meer een guerrilla dan een geregelde oorlogsvoering. Daarom hebben we een aantal hotspots aangewezen waar we van geval tot geval kijken wat we voor elkaar kunnen betekenen. Als regioteam is onze doelstelling om te kijken of we per hotspot


een omzet kunnen genereren van twee miljoen euro. Als we dat hebben, is het gewoon business geworden. Dan hoeven we er als regioteam niet meer tussen te zitten. De ene hotspot komt makkelijk op gang, bij andere hebben we meer moeite.’ Waar is het moeilijk? ‘Lastig is dat regio’s anders in elkaar zitten dan de opdrachtgevers die we gewend zijn. Regio’s hebben geen adres. Onze traditionele opdrachtgevers kennen we door en door. We weten wie we moeten bellen bij het ministerie. Maar bij regionale projecten is dat heel anders. De grote vraag is vaak: waar moeten we zijn? Dat is een andere manier van werken, die we langzaam in de vingers krijgen. We denken dat het doorgaans vier à vijf jaar duurt voordat je iets hebt opgebouwd van nul naar een aantal projecten met vlees op de botten. Maar soms gaat het veel sneller. In Zeeland zijn we er bijvoorbeeld al dichtbij. Daar liepen al allerlei initiatieven voordat we met het team begonnen. We hebben daar de zeeboerderij van Willem Brandenburg die experimenteert met zeewierteelt, een proeflocatie voor de kweek van Zeeuwse tong, contacten met andere onderwijsinstellingen, we denken mee over krimp met de provincie en we hebben een prachtige vestiging in Yerseke. Ook rond Greenport Venlo en rond de Dairy campus in Friesland maken we snel voortgang. Je zou kunnen zeggen dat dat ook makkelijk scoren zou moeten zijn. Het zit in het hart van onze expertise, er zijn duidelijke verantwoordelijken en doelen en er is geld. Als we daar niet bij zouden zijn, zouden we zitten te pitten. Moeilijker hebben we het bijvoorbeeld in de Randstad en in het Groene Hart, twee andere hotspots. In het veenweidegebied spelen veel zaken waar wij in Wageningen verstand van hebben: een moeilijke bodem, veehouderij, afwatering, cultuurhistorie. Maar er is niet één sterke economische macht waar je aan kan kloppen als je daarmee aan de slag wilt. Wij zijn blij dat we een kenniscentrum veenweidegebied hebben. Wij denken ook dat we de Randstad veel te bieden hebben. Daar is de economische kracht geen probleem. Het gaat daar om bekendheid met onze expertise. De gemeente Amsterdam denkt niet meteen ‘laten we Wageningen eens bellen’ als ze ergens mee zitten. Schiphol keek ook vreemd op toen we aanboden mee te denken over hun duurzaam-

heidsdoelstellingen. We proberen nu in de Randstad de contacten te leggen via ROC’s, via de gemeente Rotterdam die klimaatproof wil worden en via Schiphol, om iets op te bouwen.’ Wanneer is het team geslaagd? ‘We moeten over een paar jaar wel een paar concrete successen hebben. En dan meet ik succes niet af aan onze omzet, maar aan resultaten voor mensen in de regio. Zij moe-

ten kunnen zeggen: daar staat iets moois en dat hebben we aan Wageningen te danken. In Wageningen zijn we geslaagd als we als organisatie leren om flexibeler te bewegen. In Wageningen waren sommige onderdelen dat al wel gewend, denk aan de onderzoekers van Food, die zijn gewend om voor veel verschillende opdrachtgevers te werken. Voor bijvoorbeeld het LEI en Alterra liggen er nog interessante uitdagingen.’

2 7

4d

5a 6

1

4a 5b

4c

3

4b Legenda 1. Food Valley 2. Noord Nederland: water, energie en technologie (Energy Valley) 3. Zuidwestelijke delta 4. Greenport nl a. Greenport West: Bollenstreek, Westland, Aalsmeer, Boskoop b. Greenport Venlo c. Greenport Betuwse bloem d. Agriboard - Noord-Holland 5. Randstad a. Noordvleugel: food, design en stadslandbouw b. Zuidvleugel: climate initiative, agrologistiek, groene metropolen 6. Westelijk veenweidegebied - mogelijke koppeling met Randstad zuidvleugel 7. Dairy Campus De regionale hotspots van Wageningen UR.

7


Hoe onderscheid je een eenzame zeurpiet van een echte zegsman? Een verwaarloosde buurtspeeltuin, een park dat dreigt te worden volgebouwd of een weg die steeds gevaarlijker wordt. Burgers trekken over allerlei zaken gezamenlijk bij gemeenten aan de bel. Hoeveel ruimte ze hebben voor eigen initiatief en eigen oplossingen verschilt per gemeente, blijkt uit een verkennend onderzoek van Alterra, onderdeel van Wageningen UR. Onderzoekers Ingrid Coninx en Jeroen Kruit van Alterra bekeken hoe gemeenten omgaan met burgers die ergens het initiatief toe nemen of participeren in besluitvormingsprocessen. De Coninx en Kruit voerden daarvoor gesprekken met ambtenaren en bestuurders in enkele gemeenten, variërend in grootte en verspreid door het land. Gemeenten pakken het onderwerp verschillend op: als manier om bezuinigingen te realiseren of om meer draagvlak voor plannen te krijgen en zo te laten zien dat de gemeente goed voor haar inwoners zorgt. ‘Gemeenten zijn zich bewust dat ze meer rekening moeten gaan houden met burgerinitiatieven’, zegt Coninx. Wel zien gemeenten zich voor dilemma’s geplaatst als burgers met plannen komen, maakt ze duidelijk: ‘In de uitvoering streven gemeenten naar draagvlak en tevreden burgers. Maar ze zitten in een spanningsveld tussen hoe krijg je burgers actief en hoe houd je actieve burgers in toom. Zo weten ze niet goed hoe ze burgerinitiatieven moeten beoordelen. Wordt hun betoog breed gedragen of gaat het om een geïsoleerde groep? Het wordt

op gemeentelijk niveau ook steeds lastiger dat te beoordelen, omdat gemeenten door herindelingen steeds groter worden, met een grotere afstand tussen bestuurders en burgers tot gevolg. Gemeenten die bestaan uit verschillende dorpen, lossen dat soms op door een burgerinitiatief eerst in de dorpsraad te laten beoordelen.’ Een ander dilemma voor gemeenten, vertelt Coninx, is dat wetten en regels niet altijd de ruimte bieden aan initiatiefrijke burgers. Verder lopen ze aan tegen het gelijkheidsbeginsel. Want hoe meer je van burgers verlangt zichzelf te organiseren, hoe meer ongelijkheid dat kan opleveren. ‘Want wat doe je met groep die zich niet roert? Hebben zij dan pech gehad, of moet je er toch nog iets mee?’, schetst Kruit. Een laatste punt is dat de overheid en inwoners niet per definitie dezelfde mening hebben over waar de verantwoordelijkheid van de één ophoudt en die van de ander begint. ‘Maar wat moet de overheid doen als onduidelijk is wie waarvoor verantwoordelijk is?’, zegt Kruit. ‘Moet de overheid dat dan gaan uitzoeken, moeten ze burgers gaan stimuleren of die

Dit Arnhemse plein werd mede ontworpen door buurtbewoners.

8

taken toch zelf op zich nemen? En wie trekt zich terug bij een clash, als beide zich verantwoordelijk achten?’ In de manier waarop gemeenten met burgerinitiatieven omgaan, onderscheiden de onderzoekers uiteindelijk drie discoursen. Ten eerste één waarin burgers als gelijkwaardige partij gezien worden waar je afspraken mee kunt maken – de zelfredzame samenleving, waarbij de huidige wetgeving soms knelt. Een tweede is burgers veel ruimte bieden in vastgestelde kaders, maar uiteindelijk als gemeente wel zelf beslissen – in het onderzoek de geïnstitutionaliseerde burger genoemd. En een derde discours waarbij burgers wel zaken kunnen inbrengen, maar waar het mandaat duidelijk bij de democratisch gekozen gemeenteraad ligt – ‘verantwoordelijkheid is bevoegdheid’. Overigens vermoeden veel gemeenten dat burgers niet automatisch in de gaten gaan springen die vallen door de huidige crisis en daaruit voortkomende bezuiniging. ‘Zij denken dat door de crisis de creativiteit van burgers juist afneemt, wat kan leiden tot minder burgerinitiatieven.’ Deze gemeenten zoeken naar manieren om hiermee om te gaan.

Contact:

ingrid.coninx@wur.nl 0317 - 48 83 60


Wet beschermt landschap onvoldoende Landschapswaarden worden juridisch nog niet goed beschermd. Dat concludeert Fred Kistenkas van Alterra, onderdeel van Wageningen UR. Kistenkas bestudeerde twee jaar jurisprudentie over bescherming van het landschap. De landschappen ontberen rechtsbescherming, concludeert de jurist daaruit. ‘Nationale Landschappen en hun kernkwaliteiten zijn benoemd in de Nota Ruimte. Dat is geen wet. Ook de nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte niet. Bij de beoordeling van plannen kijkt de wetgever naar wetgeving en verdragen. Er was geen EHS-wet of Wet nationaal landschap, dus bescherming was niet afdwingbaar. Overheden en dan vooral bouwlustige gemeenten konden dus gewoon hun gang gaan. Bezwaarmakers hebben geen poot om op te staan. Een gevolg daarvan is dat er in Nationale Landschappen gewoon wordt gebouwd, zoals in het Groene Hart.’ Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), dat sinds eind december vorig jaar regelt waaraan bestemmingsplannen moet voldoen, is wel wetgeving. In het huidige Barro staan nu alleen nog

Nationaal Landschap het Groene Hart.

bestemmingsplaneisen voor grote rivieren, kustfundament, de Wadden en het Waddengebied, de mainportontwikkeling Rotterdam en defensieterreinen. De komende tijd wordt nog meer in het Barro ondergebracht. ‘Als de EHS daar dan ook in wordt opgenomen, dan wordt de EHS wel rechtens beschermd.’ Voor Nationale Landschappen, die door decentralisatie een verantwoordelijkheid zijn van provincies, ziet Kistenkas een andere oplossing. Bescherming kan via de provinciale

ruimtelijke verordening (PRV). Met een ‘ja, mits’ regime, waarbij je ruimtelijke plannen toetst op hun effect op kernkwaliteiten van het landschap, zoals openheid. ‘Als je dat in de PRV opneemt is die toetsing van effecten van plannen op de kwaliteit van het landschap wel afdwingbaar.’ Het opnemen van de bescherming van Nationale Landschappen in iedere PRV, kan de rijksoverheid afdwingen in het Barro, zegt Kistenkas. ‘Zo krijgen provincies ook een juridisch instrument in handen om gemeenten in het gareel te krijgen. Met verordeningen en inpassingsplannen kunnen ze het landschap overeind houden. Ik zou zeggen: maak daar dan ook gebruik van.’ Dat de provincies een stevige vinger in de ruimtelijke ordeningspap hebben en houden is volgens Kistenkas wel belangrijk. ‘Het gedrag van gemeenten, zoals het maken van bestemmingsplannen in de EHS en het negeren van de Boswet, laat zien dat je ze aan regels moet binden.’ Contact:

fred.kistenkas@wur.nl 0317 - 48 53 84

‘Je bent er niet met het overdragen van bevoegdheden’ De overdracht van bestuurlijke verantwoordelijkheden is geen wondermiddel om de herinrichting van gebieden sneller en soepeler te laten verlopen. Dat blijkt uit een proef in Enschede. Met de komst van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) zijn verantwoordelijkheden en geld voor de inrichting van het landelijk gebied overgeheveld van rijk naar provincies. Het huidige regeerakkoord gaat uit van verdere decentralisatie van het ILG en natuurbeleid naar provincies. In Enschede, dat twee grote herinrichtingsprojecten heeft net buiten de stad, is geprobeerd of het beleid voor het landelijk gebied niet nog verder gedecentraliseerd kon worden van provincie naar gemeente. De gedachte was dat zo meer samenhang in projecten en meer draagvlak onder bewoners en gebruikers zou ontstaan, en het proces sneller zou verlopen. De gemeente wilde ook graag meer zeggenschap over wat er in haar buitengebied gebeurt.

In de pilot nam Enschede anderhalf jaar verantwoordelijkheden over van de provincie Overijssel voor de inrichting van haar buitengebied. Onderzoekers van Alterra, onderdeel van Wageningen UR, evalueerden dit experiment, waar ook waterschap Regge en Dinkel en Dienst Landelijk Gebied (DLG) bij betrokken waren. De provincie droeg niet alle bevoegdheden over in de pilot. Het was een combinatie van decentralisatie en anders samenwerken. De provincie wilde belangrijke touwtjes in handen houden en zal dat ook willen blijven houden, verwacht Froukje Boonstra, onderzoeker bij Alterra. Positief gevolg van het experiment is dat de gemeente en DLG beter zijn gaan samenwerken in de herinrichtingsgebieden, en dat meer gemeenteambtenaren weten wat er in hun buitengebied speelt. De gemeente heeft wel ontdekt dat regie vooral wat toevoegt in de beginfase, niet bij de uitvoering en afronding. ‘Voor Enschede was de relatie van het buitengebied met de stad belangrijk. Maar

9

in de uitvoeringsfase ligt al veel vast. Was de gemeente in het begin een sterkere partij geweest, dan had de herinrichting er anders uitgezien’, denkt Boonstra. Van meer draagvlak en versnelling is het niet gekomen. Boonstra: ‘Herinrichtingen duren lang omdat ze complex zijn.’ Er zijn bijvoorbeeld veel grondeigenaren bij betrokken met allemaal eigen ideeën. In Enschede waren dat naast boeren ook stedelingen met paardenweitjes en de gemeente zelf die grond had gekocht voor stadsuitbreiding. Voor meer samenhang, draagvlak en snelheid zijn dus naast veranderingen in bevoegdheden ook veranderingen nodig in wetten, regelingen, afspraken, gewoonten en overtuigingen – wat al gauw jaren kost.

Informatie: Contact:

Alterra-rapport 2125 froukje.boonstra@wur.nl 0317 - 48 51 31


Tapijtschelpen voor Zeeuwse pasta

Spaghetti met vongole. Zeeuwse schelpdierbedrijven werken samen aan binnendijkse teelt van de tapijtschelp.

Het proefbedrijf van Stichting Zeeuwse Tong heeft in december een nieuw product geleverd: tapijtschelpen. Tien restaurants testen de schelpdieren nu in hun gerechten. De tapijtschelpen zijn de eerste schelpdieren die binnendijks zijn geteeld. Ze worden onder andere gebruikt als vongole in pastagerechten. Het proefbedrijf aan de voet van de Zeelandbrug zoekt naar mogelijkheden om nieuwe teeltsystemen voor tong, schelpdieren, algen en zagers te combineren. Het leverde eerder in 2011 ook al de eerste lading binnendijks geteelde tong op. Doelstelling voor het proefbedrijf is het vinden van commercieel haalbare nieuwe teelten. Daarbij proberen onderzoekers en deelnemende bedrijven zoveel mogelijk kringlopen te sluiten. De basis voor het bedrijf is de teelt van zagers – zeeduizendpoten die gegeten worden door tong. Om het water in de bassins schoon te houden, experimenteert onderzoeker en locatiemanager van het proefbedrijf

Sander Ruizeveld de Winter met verschillende schelpdieren, waaronder tapijtschelpen. Binnendijks Ook schelp- en schaaldierenbedrijf Prins & Dingemanse doet proeven met de binnendijkse teelt van deze schelpen. Volgens Ronald de Vos, directeur aquacultuur van het bedrijf, is de teelt interessant omdat de schelpen relatief duur zijn, en in de Nederlandse zee alleen in lage dichtheden voorkomen. ‘Wij denken dat het mogelijk is om op land schelpdieren te telen met een hogere efficiency dan in open water. Je kunt ze in hoge dichtheden inzaaien en je hebt geen last van predatoren zoals krabben en zeesterren.’ Binnendijkse teelt van schelpdieren zou volgens De Vos ook voor andere dure schelpdieren interessant kunnen zijn. De Vos werkt in zijn onderzoek samen met Stichting Zeeuwse Tong, het samenwerkingsverband tussen negen bedrijven, agrarische ondernemersorganisatie ZLTO, Wageningen UR (University & Research centre) en Hogeschool Zeeland. Ook heeft Prins & Dingemanse

10

samen met Roem van Yerseke, een ander groot Zeeuws schelpdierenbedrijf dat in Zeeuwse Tong deelneemt, een proefstation. Dat heeft acht vijvers met schelpen en zestien met algen waarin ze experimenteren met de teelt. Dit proefstation maakt ook deel uit van het project Zeeuwse Tong. De proeven leveren volgens De Vos ook inzichten op die gebruikt kunnen worden in de traditionele activiteiten van het bedrijf. ‘Omdat we beter weten welke factoren bepalend zijn voor de groei van schelpdieren, weten we ook beter welke waterkwaliteit we moeten hebben bij het verwateren van mosselen in de Oosterschelde.’ Bang om de concurrent te helpen is De Vos niet. ‘Onze afdelingen marketing en verkoop zijn concurrenten, maar in het onderzoek zijn we collega’s. Wij hebben belang bij de aanwezigheid van een stevige sector in de regio. Die bouw je niet op één bedrijf.’ Informatie:

www.zeeuwsetong.nl

Contact: sander.ruizevelddewinter@wur.nl

0317 - 48 17 37


Ambassades brengen partijen bij elkaar Ambassades in de landen waar Nederland een ontwikkelingsrelatie mee heeft, gaan werken aan een betere voedselzekerheid ter plaatse. Het Centre for Development Innovation (CDI) van Wageningen UR ondersteunt de ambassades daarbij.

‘Wij hebben er met veel mensen gesproken over waar de kansen liggen, om te kijken waar Nederland op korte en op langere termijn het verschil kan maken.’ Dat maatwerk is nodig, zegt delegatielid Herman Brouwer van het CDI: ‘Je mag niet verwachten dat wat in Ethiopië werkt, ook in Kenia werkt.’ Wel geldt voor alle landen dat de ontwikkeling van meer Het kabinet vindt voedselzekerheid een ondernemerschap in de landbouw belangrijk belangrijk thema in ontwikkelingssamenwerwordt gevonden voor de rurale en nationale king; Nederlandse bedrijven, onderzoekers en economische ontwikkeling. maatschappelijke organisaties hebben op dit De missies waren ook bedoeld om initiatieven terrein veel kennis en ervaring te bieden. Voor te identificeren waar met middelen van DGIS de Nederlandse ambassades in de vijftien partnerlanden is voedselzekerheid vaak echter snel resultaat is te bereiken op het gebied van nog een nieuwe thema. Ter ondersteuning van meer voedselzekerheid met betrokkenheid van de private sector. In Kenia werden bijde ambassades bij de ontwikkeling van hun voorbeeld grote kansen in pootgoed gezien. strategisch meerjarenplan voor 2012-2015, krijgen de landen bezoek van interdisciplinaire Producenten en verwerkers bleken behoefte te hebben aan betere pootaardappels, die teams van experts onder leiding van het CDI. minder vatbaar zijn voor virussen. Na maïs Inmiddels zijn negen Afrikaanse landen en de is aardappel het belangrijkste landbouwPalestijnse gebieden bezocht. product in Kenia. Er waren echter veel beperDe teams brachten per land in kaart wat er kingen aan de import van nieuw pootgoed uit op het gebied van voedselzekerheid speelt.

Nederland. Dankzij snelle investeringen van DGIS kon de ambassade kort daarna al op die terreinen gaan werken aan het slechten van die barrières. Daarnaast gaan ze ngo’s en producenten die al met pootgoed aan het experimenteren zijn, samenbrengen om de innovaties te versnellen. Naar verwachting kunnen nieuwe rassen de huidige opbrengst tot acht maal vergroten. Wageningse onderzoekers gaan de komende tijd bijdragen aan die combinatie van technische input en het faciliteren van de sector. In Ethiopië is al meer ervaring met deze manier van werken, vertelt Brouwer. Daardoor kan daar ook worden geïnvesteerd in het uitbouwen van initiatieven, onder meer op het gebied van zaden, kleinschalige groenteteelt en de zuivelketen.

Informatie: Contact:

www.cdi.wur.nl herman.brouwer@wur.nl 0317 - 48 13 91

Turkse boer gaat grote trap beschermen Als kandidaat-lid van de Europese Unie moet Turkije al gaan voldoen aan Europese richtlijnen als de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Vogel- en Habitarichtlijn (VHR). Het ministerie van EL&I ondersteunt Turkije bij implementatie van Europees beleid. Samen met Spanje en Estland ondersteunde Nederland afgelopen jaar Turkije bij de invoering van beloningen voor boeren voor maatschappelijke diensten. Dit Agri-environment programme is onderdeel van het Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Esther Koopmanschap van het Centre for Development Innovation van Wageningen UR, was actief in dit project. Eerder werkte ze in Turkije aan de implementatie van Natura 2000 en een opleidingstraject voor ambtenaren voor invoering van de KRW. ‘Voor de beloning van maatschappelijke diensten hebben we voor drie pilotgebieden rond Ankara pakketten van maatregelen opgesteld. Boeren die de maatregelen invoeren, krijgen daar van de overheid een vergoeding voor.’ In één pilot worden boeren gestimuleerd om gewasresten op het veld te laten staan. ‘Meestal branden boeren dat af, wat de bodembiodiversiteit schaadt.’ In een tweede pilot zijn voor boeren teeltplannen ontwikkeld die minder water vragen; water is in veel streken in Turkije een aandachtspunt. In het derde project

werkte Koopmanschap aan bescherming van de leefomgeving van de grote trap. Dat is een bedreigde steppevogel die zo groot als een ree kan worden; het is één van de zwaarste vliegende vogels ter wereld. Hij komt in Turkije met name voor op velden met extensieve graanteelt. Het was voor de grote trap pilot op zich niet moeilijk om betrokkenen rond de tafel te krijgen, vertelt Koopmanschap. ‘Turkse boeren zijn trots op hun land en cultuur, en tegelijk geïnteresseerd in Europa. Ze zien misschien niet direct de voordelen van het beschermen van de grote trap zoals bij de maatregelen voor waterbesparing en bodembescherming. Maar toen ze hoorden dat boeren in andere lidstaten ook compensatie kunnen krijgen voor vogelbescherming, wilden zij het ook wel proberen.’ De vogel kan ook aanknopingspunten voor ecotoerisme bieden, zoals het ooievaarsdorp Cigoc in Kroatië toeristen trekt. Koopmanschap werkte verder aan de training van ambtenaren op nationaal niveau. Zij gaan straks lokale ambtenaren leren hoe je boeren

11

De grote trap is zo groot als een ree.

bewuster maakt van de invloed van landbouw op de omgeving, hoe je analyses maakt van verschillende belangengroepen en hoe je omgaat met participatie. Contact:

esther.koopmanschap@wur.nl 0317 - 48 68 68


‘Wees niet bang voor politiek’ Reflectie Decentralisatie en regionaal werken draaien vaak om het bij elkaar brengen van partijen. Daar is veel ervaring mee opgedaan in de ontwikkelingssamenwerking. Hier zijn lessen uit te leren zijn voor de Nederlandse situatie. Wees niet bang voor politiek, bijvoorbeeld. Jim Woodhill, directeur van het Centre for Development Innovation (CDI), een interdisciplinaire en internationaal georiënteerde unit binnen Wageningen UR: ‘In de internationale samenwerking is ruim veertig jaar ervaring met participatie, het samenbrengen en betrekken van verschillende belanghebbenden in projecten. Denk aan de ontwikkeling van de zaaizaadsector in Ethiopië of de rondetafelbesprekingen over duurzame palmolie. Het CDI (voorheen IAC) organiseert al meer dan tien jaar internationale cursussen over multistakeholderprocessen. Uit die internationale ervaringen zijn lessen te trekken voor de Nederlandse praktijk. Dat bleek bijvoorbeeld toen professionals uit de Nigerdelta een cursus deden bij CDI. Een casestudie ging over de mogelijkheid om weilanden in Ameland te laten overstromen bij hoogtij om zo natuur te ontwikkelen. De cursisten van CDI kwamen in Ameland dezelfde problemen en mogelijkheden tegen als in eigen land bij het organiseren van de samenwerking tussen verschillende partijen. Zo is een belangrijke les dat onderzoekers of beleidsmakers die de rol krijgen om mensen te verbinden, zich moeten realiseren dat dit andere vaardigheden van ze vraagt dan van een klassieke onderzoeker. De benodigde capaciteiten, zoals netwerkvaardigheden, worden vaak als vanzelfsprekend gezien. Maar heeft een facilitator geen netwerkvaardigheden, dan slaagt het project niet. Ook moeten onderzoekers in dit soort processen niet bang zijn voor politiek en in staat zijn om politiek te denken, dus in termen van belangen van partijen. Daar ligt bij kennisinstellingen en onderzoekers nog wel eens een zwakte; onderzoekers zijn toch geneigd te denken dat ze politiek moeten overlaten aan anderen. Maar bij multistakeholderprocessen, het samenbrengen van partijen, is het wezenlijk om rekening te houden met de belangen van alle partijen, ook die van de facilitator of onderzoeker zelf. Dat geldt in het bijzonder als het gaat om decentralisering. Bij regionale samenwerking is de vraag bij

Jim Woodhill: ‘Een wezenlijke vraag bij regionale samenwerking is bij wie het leiderschap komt te liggen.’

welke partij het leiderschap komt te liggen een wezenlijke vraag. Ook dat is een politieke kwestie die de facilitator niet uit de weg moet gaan. Een facilitator kan zelf een proces leiden en knopen doorhakken, maar dat kan ook een bedrijf of een lokale overheid zijn. Het kan makkelijk lijken om taken over te hevelen van de rijksoverheid naar de provincies, maar dat werkt alleen als regionale partijen dat aankunnen. Andere aandachtspunten zijn de afstemming van de verschillende rollen van partijen in een proces, en de vraag of vertegenwoordigers van belangen, bijvoorbeeld bewoners of bedrijven, inderdaad de belangen vertegenwoordigen die ze zeggen te vertegenwoordigen. Processen waarbij partijen met verschillende belangen moeten samenwerken zijn ingewikkeld en verlopen nooit gladjes. Mensen moeten ook bereid zijn te blijven leren van elkaar.

12

Maar problemen en conflicten horen erbij, en er is geen blauwdruk voor de samenwerking mogelijk. Bij publiek-private samenwerking (PPS) zou over de rol van het bedrijfsleven vaak beter nagedacht moeten worden. Die rol kan heel groot zijn; uiteindelijk maakt het bedrijfsleven het verschil. Maar zaken van publiek belang, zoals duurzaamheid, kun je niet blindelings overhevelen naar het particuliere bedrijfsleven. Dat kan alleen als een bedrijf daar geld mee kan verdienen. Is er geen geld te verdienen, dan heeft het bedrijfsleven en andere prikkel nodig om dat publieke belang te gaan dienen. Voordat je een PPS opzet moet je er dus goed over nadenken wat er op het spel staat en wie wat gaat doen. En bedenk dat PPS’en zaken ingewikkelder maken en niet eenvoudiger. Al was het maar omdat mensen in het bedrijfsleven een andere taal spreken dan mensen bij de overheid.’

02-2012 Decentraal en Regionaal KennisOnline  

Magazine KennisOnline van Wageningen UR, rondom het thema Decentraal en Regionaal.

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you