Issuu on Google+

HANDLEIDING E VO L U T I E 1

naam handleidinghouder


Welkom terug zeilertje! Eerst en vooral een dikke proficiat, want je zit al in evolutie 1! Dat wil zeggen dat je al je stempeltjes hebt verdiend in de basis en het zeilen al aardig onder de knie hebt. Dat je nu terug bent om nog meer stempeltjes te behalen wil zeggen dat je zeilen leuk vindt! Natuurlijk gaan we jou niet direct terug het water opsturen, want het zal misschien al een tijdje geleden zijn dat je nog in een bootje gezeten hebt. Daarom zal jouw monitor beginnen met een korte herhaling om alles terug wat op te frissen. Als je denkt dat je sommige dingen vergeten bent, zoals “overstag gaan” dan kan je dit steeds opzoeken in het boekje van basis. In evolutie 1 zullen we je veel nieuwe dingen leren, zoals zeilen met joy-stick, hangen in de hangbanden, gijpen op een rechte lijn, … en nog veel andere leuke technieken. En voor de ‘echte’ zeilers die een stapje verder durven gaan, hebben we ook nog iets in petto. Klaar om er een leuke week van te maken!

Veel zeilplezier en hopelijk veel wind!

5


4.2. Kilgrens bij aan de wind

Bij aan de wind ga je anders te werk: • Je vaart aan de wind, maar je zeil kilt (vooraan in je zeil). • Je zeil staat in de hoek van de spiegel, dus je kan je zeil niet meer aanhalen. • Je zeilt op de rand van de dode hoek, want in de dode hoek kan je niet varen. • Nu moet je de grens tussen killen en niet killen zoeken met je roer (in plaats van met je zeil). • Ons zeil blijft aangehaald tot in de hoek van de spiegel • Kilt ons zeil: Trekken aan het roer • Kilt ons zeil niet meer: Duwen op het roer Maak enkel kleine bewegingen met je roer!! Bij “aan d e de kilg wind” zoek je Kilt je ze rens met je roer.dus juist o il niet, dan va iets duw f moet je misschar je en ie sneller b op je roer om ton ij het ijsj e te zijn. ch

ist Ik vaar ju en zal et ijsje snel bij h zijn

Do

Dod e

ek ho e d

e In de dod nen hoek kun n are we niet v

18

ho ek Traag! t nog Zo zal he n! even dure


4.3.

Tell- tales of windverklikkers

Als beide tell- tales niet meer killen staat je zeil goed!!

Is je zeil gezet naar de koers die je vaart, dan kan je via tell- tales steeds controleren of je inderdaad de juiste koers vaart. • Bij een juiste zeilstand zijn de tell- tales evenwijdig en wijzen aan loef- en lijzijde naar achter. • Tell- tales aan loef (binnenkant) kilt: - Bij aan de wind: afvallen - Bij andere koersen: afvallen of zeil aanhalen • Tell- tales aan lij (buitenkant) kilt: - Bij aan de wind: oploeven - Bij andere koersen: oploeven of zeil vieren

SB

SB

BB

BB

B

SB

SB

B

BB

BB

19


5. Gijpen 5.1. Gijpen op een rechte lijn

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

22

Je vaart voor de wind, je zeil is gevierd Zwaard is omhoog (Niet te hoog, je zeil moet nog overkomen!) Kijk onder je zeil door of er ruimte is om te gijpen. Trek een heel klein beetje aan je roer Neem met één hand de schotentros vast Trek het zeil zelf over Op het moment dat het zeil overkomt, ga dan aan de andere kant zitten Je gaat “tegenroer” geven: klein beetje trekken aan je roer, zodat je op een rechte lijn blijft. Je vaart terug voor de wind!


23


7.2. Achteruitvaren: Net zoals bij het deinzen, vertrek je in de wind . Als je goed in de wind ligt, duw dan de giek met één arm naar de boeg van je boot uit. Ga met je poep op de zwaardkast zitten en kijk richting de spiegel van je boot. Neem je joystick vast en stuur naar een punt aan lagerwal. Let goed op je roer, want de wind zal je boot onmiddellijk achteruit blazen. Wil je stoppen met achteruitvaren, laat dan de giek los, duw het roer uit naar één kant en haal opnieuw het zeil aan. Je bent weer vertrokken! Als je achteruit vaart heb je een omgekeerde roerwerking! Het roerblad duidt de richting aan. Het vormt een richtingaanwijzer.

Mik naar een punt dat aan lagerwal ligt.

28


ang?

oorr v r e t

eef

Wie h

a j

i

b h k c

f

e

Oplossing 1. k 2. g 3. j 4. d 5. b 6. a 7. f 8. h 9. i 10. c 11. e

d

g

8. Voorrangsregels n 1. Aanvaringen vermijde altijd voorrang 2. Een drenkeling heeft rrang op alle 3. Beroepsvaart heeft voo rs orte ersp wat slepen is heeft 4. Motorboot die aan het orters ersp wat voorrang op alle g op stuurboord 5. Bakboord heeft voorran 6. Loef wijkt voor lij 7. Vrij voor vrij achter voor zeilbootjes, 8. Kajak gaat uit de weg g op motorboten rran maar heeft wel voo d uitwijken voor 9. Motorboten moeten altij lingen nke dre of rs orte ersp wat ft voorrang op Natuurkracht (wind) hee mankracht heeft mankracht (spieren) en (motor) voorrang op motorkracht

29


0805_optimist_evolutie