Issuu on Google+


De

grote, zwarte, dode ogen van het wezen

staarde hem recht in zijn ziel. Door de krakende vrieskou leek de adem van het uitgeputte monster direct te veranderen in de dikke mist die onder hem hing. Maar noch de uitputting, noch de kou leek zijn doorzettingskracht te deren. Rumulus was verstijfd. Niet van de kou, maar van de angst. De bleke, schubbige huid was bijna net zo groen als het mos op de dikke stenen muur waarop hij stond. Het was zo dun en zat zo strak om de botten, dat hij de ribben tellen kon. De grote, bolle rug en de duidelijk zichtbare wervels onder het lederachtige vel deden hem denken aan de grote vuurspuwende beesten waar zijn voorouders over spraken. Het zwaard in zijn handen voelde zwaar, loodzwaar.

1


2


1     Het eindeloze getrompetter kreeg een metalige klank door de galm die de hoge stenen muren van de burcht deden ontstaan. Vermoeid staarde Octaaf uit het openstaande raam. Hij had zich overgegeven aan het idee dat hij zich nu toch niet meer zou kunnen concentreren op het verhaal dat hij probeerde te lezen. Hij liet zich achterover vallen op zijn bed en gooide zijn boek richting het voeteneinde. Uit een glazen kooi klonk geritsel. Een hagedisachtig gedaante schoot tussen een paar

3


takken door. Duidelijk geschrokken van het door de luchtvliegende papieren object. Octaaf kreunde. Hij haatte de Spelen. Hij verachtte waar het voor stond. Mannen die zichzelf over en over wilden bewijzen. Misdadigers die hun ‘verdiende’ loon kregen door openbaar vernederd te worden, soms zelfs gemarteld. Mannen die andere mannen pijnigden om te laten zien dat zij beter waren. Maar erger nog mensen die er van genoten om er naar te kijken. Octaaf kon er niet van genieten, hij kon er niet eens naar kijken. Hij werd er alleen maar misselijker van. Zijn oudere broers daarentegen vonden het geweldig. Zij konden het hele jaar toeleven naar de spelen. Ze deden zelfs mee aan het koningsnummer van de Spelen; het toernooi. Het toernooi was een reeks aan één-op-één gevechten waarbij uiteindelijk één man de winnaar zou zijn. De gevechten werden gehouden in de grote arena op het plein voor het Koninklijke paleis in het midden van de vesting, voor het grote publiek. Dat was waar het leeuwendeel van het volk zich de hele dag zou vertoeven. Maar ook voor Octaafs verblijf. Octaaf sliep op de laagste verdieping van het paleis en had dus een uitstekend uitzicht over het toernooi. Hij zou zo vanuit zijn bed naar de finale 4


kunnen kijken. Een geweldige en goed bekeken finale, waarin uiteindelijk altijd zijn twee oudste broers eindigden. Zij vonden die aandacht maar wat heerlijk. Dat was voor Octaaf niet weggelegd. Hij stond niet graag in het middelpunt van de aandacht. Hij vond onder de mensen zijn leuk, zolang hij maar niet het onderwerp van de aandacht was. Maar dat is nogal moeilijk te vermijden, wanneer je een jonge prins bent.

5


2   De Spelen waren onderdeel van een belangrijke traditie van de Vlaklanders, zoals Octaafs volk werd genoemd. Jaren geleden kregen ze van het Wintervolk uit het Noorden de naam Vlaklandia, naar het vlakke landschap van hun koninkrijk. Maar ze hebben door de eeuwen heen meerdere namen gedragen. De oorspronkelijke titel was het Herfstvolk. Door het vlakke landschap was het uitzicht op al de verkleurende loofbomen schitterend. Een simpelere uitleg is dat in het noorden het Wintervolk woont en in het zuiden het Zomervolk. Dan is het Herfstvolk een logisch gevolg, al had Octaaf liever het Lentevolk geheten. Een andere naam was het Vlotenvolk. De Koninklijke familie heeft het rijk verbreid en weten te beschermen door hun geweldige slagen op het water. Ze stonden bekend om hun gigantische vloten. Vandaar ook deze traditie; De Grote Vloten Spelen. Ooit bedacht door zijn grootvader, Bernhart. De huidige koning van de Vlaklanders. Hij was gek op de Spelen en de festiviteiten er omheen, maar was door zijn fysieke gesteldheid niet meer in staat aanwezig te zijn. Dat was ook wel te herkennen in de Spelen. Nu ze tegen wil en dank georganiseerd worden door prins Edhart, Octaafs vader. De Spelen zijn een stuk 6


minder gewelddadig. Octaaf was blij met de veranderingen, maar vreesde dat wanneer zijn oudere broers de Spelen zouden gaan organiseren er een groot deel van het verloren geweld terug zou keren. Hij zag weer beelden voor zich van de eerste keer dat hij de Spelen meemaakte. En gruwelijk beeld wat hij nooit zou vergeten. Een veroordeelde misdadiger, een arme dief niet veel ouder dan hijzelf, werd in een hoek gedreven door zijn tegenstander, een strijder uit de Koninklijke lijfwacht. Deze getrainde ‘killer’ was minstens twee keer zo groot als de doodsbange kruimeldief. Hij ziet hem nog op kijken in zijn ogen en smeken om genade, maar het zwaard van de lijfwachter suist naar beneden en scheidt zijn hoofd van zijn lichaam. Het bloed spuit met slagen omhoog. Slagen op het ritme van het kloppen van het hart. Octaaf verzonk in gedachten. De slagen van het hart veranderde langzaam in het gonzen van de pijn in zijn hoofd. Octaaf voelt de spetters weer op zijn gezicht. Het geluid van een laveloos lichaam dat de grond raakt. De smaak van het stoffige zand dat de klap deed rond dwarrelen lag op zijn tong. De gonzende slagen in zijn hoofd werden steeds harder. Als bonzen, maar het klonk niet meer als het kloppen van een hart. Het klonk als bonzen van ijzer op hout. Plots schrok Octaaf wakker.

7


3   Het gebons op de grote massieve houten deur wekte Octaafs van zijn nare dagdroom. Even was hij opgelucht, maar toen realiseerde hij zich wie zijn wekker zou zijn. Met een gedempte en brommende stem gaf hij hem toestemming om de kamer binnen te gaan. Met een kraak ging de deur langzaam open en daar stond zijn wapenknecht en merkte op: “We moesten maar eens gaan, Oc.” Danny Arbeidersjong mocht dan zijn knecht zijn, Octaaf beschouwde hem als zijn beste vriend. Waar had hij überhaupt een wapenknecht voor nodig. Hij vocht niet eens. Danny zei dat ze zich maar moesten gaan voorbereiden. Het evenement waar Octaaf aan deel nam kon elk moment gaan beginnen. Eigenlijk zou Octaaf het Hamergooien openen, maar dat liet hij liever over aan iemand anders. Gelukkig waren er genoeg jonkers die wel graag in het middelpunt stonden. Het hamergooien was een onschuldig onderdeel van de Spelen. Er gingen geen gevechten of bloed mee gemoeid. Het werd gehouden op een achtergelegen veldje en er was nauwelijks publiek. Bovendien was Octaaf er wel goed in. Hij mocht dan verlegen zijn en niet zo atletisch als zijn oudere broers. Hij was wel groot en sterk. Hij stond niet graag tegenover een tegenstander, maar een grote hamer of eigenlijk 8


een moker weggooien vond hij nog wel iets hebben. Danny hielp hem met de voorbereiding. Hij had het prinselijk harnas al klaargelegd. Het was een sportharnas. Niet van metaal maar van leer. Het was sterk en kon zeker de eerste klap van een zwaard aan, maar was toch heel buigzaam. Zo kon de drager zich soepel bewegen. Dat was wel handig met het Hamergooien. Octaaf was al niet zo soepel van zichzelf.

4   Een luid gejuich onderbrak de werper uit zijn concentratie. Iedereen keek om naar de grote menigte op de tribunes rond het plein en besefte zich dat het toernooi van start ging. Vol tegenzin leunde Octaaf op zijn grote hamer. Danny keek hem smekend aan. Ondanks dat Octaaf niet begreep waarom hij ook een van de mensen was die van de gevechten genoot respecteerde hij de mening van Danny wel. Hij liet zijn moker op de grond vallen, zuchtte even terwijl hij naar de ophef voor het paleis keek en vertrok richting het hoofdonderdeel van de Spelen. Tot groot genoegen van zijn wapenknecht. Stiekem vond hij het zelf wel prima. Hij stond op het punt om te werpen in de finale en had geen zin in alle aandacht wanneer hij ook deze tegenstander weer met meters zou verslaan. 9


Het was een enorme mensenmassa voor de Koninklijke tribune en een doorgang naar de trappen leek onmogelijk, maar bij het aanschouwen van de jongste prins schoten de mensen onmiddellijk uiteen. Er klonk een bescheiden applausje onder de omstanders en de mensen spraken hem aan met titels die Octaaf nauwelijks nog hoorde. Met een rood hoofd stapte hij snel door de menselijke haag en versnelde zijn pas toen hij iemand mietje hoorde schreeuwen. Hij keek naar de treden onder zijn voeten en voelde de adrenaline alweer opborrelen. Het openingsgevecht was al begonnen toen Octaaf eindelijk bij zijn plaats aankwam. Zijn vader was gespannen naar het duel aan het kijken. Zijn moeder was blij hem te zien, maar keek hem niet met een te overdreven lach aan. Ze wist dat hij hier met tegenzin plaatsnam. Octaaf was ook blij dat zij naast hem zat. Aan de andere zijde van zijn moeder zat zijn vader, kroonprins Edhart. Op de laag onder hem zat prinses Ao誰fe, de liefde van prins Johannes. Naast haar zat prinses Sekuriske niet in staat haar ogen van de arena te houden. Te gespannen voor het tafereel dat gaande was voor haar ogen. Haar volle aandacht ging uit naar haar gemaal. Zijn broers zaten niet op de tribune. Zij waren zich aan het voorbereiden op het gevecht dat 10


aanstaande was. Al gold dat niet voor Constantijn. Die stond al woest te zwaaien met het zwaard op het zanderige strijdveld van de arena. “Is het openingsgevecht al voorbij?” vroeg Octaaf zijn vader. “Nee hoor, Constantijn opent de spelen dit jaar.” Antwoordde zijn moeder, omdat zijn vader niet reageerde. Edhart was te druk bezig met het er bijna afbijten van zijn onderlip. Net als zijn jongste zoon kon hij totaal niet omgaan met de spanning van een tweegevecht. Eigenlijk was een felle scheldpartij vaak al te veel. “Constantijn?” vroeg Octaaf verbaast: “Is er iets gebeurd met Johannes?” “Nee hoor, je broers hebben besloten dat Constantijn dit jaar mocht openen.” Veronica lachte terwijl ze antwoordde, maar die lach verdween toen ze even naar de lege stoelen voor zich staarde en vervolgens weer naar het duel keek. Octaaf vroeg zich af hoe vriendschappelijk het besluit van zijn broers tot stand zou zijn gekomen. Het was gebruikelijk dat Johannes als oudste zoon en stamhouder van de Koninklijke familie het Toernooi opende. Zoals over zoveel dingen hadden Johannes en Constantijn daar meer dan eens ruzie over. Maar binnen enkele tellen hadden de twee broers weer de grootste lol samen. Het zou net zo goed geweest kunnen zijn dat ze in de euforie van het moment besloten hebben dat de een na oudste het toernooi mocht

11


inleiden. Een ding wist Octaaf zeker, zijn broer Odo zou het een zorg zijn wie er opende.

5   Het openingsgevecht was in het geheel niet zonder gevaar. In tegenstelling tot de verdere duels werd er gevochten met metalen wapens. Sinds Edhart de Spelen organiseerde vochten de deelnemers met houten wapens. Er mochten dan meer dan eens strijden buiten bewustzijn raken, spieren kneuzen en zelfs botten breken, het was niets vergeleken met het openingsduel dat met de dood van een van de twee strijders zou eindigen. De tegenstander van de prins in het openingsduel was altijd een misdadiger die op deze manier berecht werd. In tegenstelling tot de tijd dat Bernhart de Spelen organiseerde had de veroordeelde een serieuze misdaad op zijn geweten. Maar om het welzijn van de prins veilig te stellen werd er een niet te grote en sterke misdadiger uit gekozen. Octaaf schrok van de snerpende klap van metaal op metaal toen Constantijn met zijn zwaard in hakte op het schild van zijn tegenstander. De tegenstander kon niet meer dan hinkelen, nadat hij flink was geraakt aan zijn been. Het scherpe blinkende zwaard van de prins had een flinke jaap achtergelaten in het dijbeen. Angstig keek de gewonde man van zijn aanvaller naar het bloed 12


dat uit zijn been gutste. Hij wist dat hij geen kans meer maakte tegen de jonge prins. Octaaf wist het ook en zag vol afgrijzen zijn broer een schijnbeweging maken met zijn schouders. De gewonde strijder tilde zijn schild op om zijn bovenlichaam te beschermen. Te laat besefte hij dat het zwaard naar zijn middel zwaaide. Octaaf werd misselijk. Het leek alsof de wereld om hem heen vertraagde. Hij kon zijn blik niet afwenden. Maar hij keek niet naar het blad van het zwaard dat door de huid en ingewanden sneed. Hij keek niet naar atletische en machtige slag van zijn broer. Hij keek naar angst in de ogen van de veroordeelde man. De ogen die net als bij elk openingsgevecht, elk jaar op hem leken te zijn gericht. Alles stond stil. Gewichtloos hing de man in de lucht met een opengereten lichaam. Het zwaard bewoog niet meer, sneed niet verder door de buikwand. Alles was geruisloos. Octaaf kon zich niet meer bewegen. Hij wilde weg, weg van dit moment, weg van deze herinnering. Maar hij mocht het niet vergeten. De barbaarse schreeuw van zijn broer rukte hem uit de waan. Zijn tegenstander lag bewegingsloos voor hem op de grond. De arena ontplofte. Iedereen sprong op en begon te juichen. Naast zich zag Octaaf zijn vader in zijn handen klappen, maar die vertoonde geen enkele emotie op zijn gezicht.

13


6   Octaaf veegde het zweet van zijn voorhoofd. Of het van de concentratie of angstzweet was wist hij niet. Het kon ook van de zon zijn die vol op de tribune scheen. Het was voorjaar, het begon weer warmer te worden, de bomen werden groen en de vogels zongen de mooiste melodieÍn. Het was een grote troost dat het weer warmer werd. Als er iets was dat Octaaf meer haatte dan de Spelen, dan was het wel kou. Maar het bracht een eng vooruitzicht met zich mee. Octaaf verjaarde in het voorjaar. Dit jaar was het wel een hele speciale verjaring. Octaaf werd in de gebruiken van de Vlaklanders namelijk volwassen. Vlaklanders is onder de mensenrassen het langstlevende volk. Daarom is het ook dat de volwassenheidsgrens later ligt. De verwachting van zijn vader, zijn broers en met name het volk is dat hij vanaf zijn volwassen zijn mee zal doen aan het Toernooi. Dat is voor Octaaf een verschrikkelijk vooruitzicht. Iets waar hij niet aan zou willen denken, maar dat hoefde ook niet. Het volgende duel begon alweer. Johannes was aan de beurt. Weliswaar met een houten zwaard, maar erg vriendelijk zou het er niet aan toe gaan.

14


7   Zijn mond was droog en hij had flinke hoofdpijn. De festiviteiten die volgde op de Spelen hadden zijn tol geÍist. Octaaf had totaal geen zin om al op te staan, maar hij moest zijn weer vertrekkende broers gedag zeggen. Ze hadden net drie dagen op een rij feest gevierd en blijkbaar genoeg energie over om bij het ontwaken van de dag op te staan en vervolgens een lange reis uit te voeren. Dit deed Octaaf maar weer eens bedenken hoe weinig jaloezie hij jegens hen voelde. Al was dat een beetje de waan van het moment, want er waren ook geregeld momenten waarbij hij weldegelijk jaloers was op zijn broers. Die zo makkelijk zichzelf konden zijn in het bijzijn van grote aantallen mensen.

15


8   Toen hij buiten kwam stonden de manschappen van prins Constantijn al in opperste gereedheid voor vertrek. Constantijn en zijn prinses Sekuriske hadden een niet al te lange reis voor de boeg. Zij woonden op een groot landgoed in het Dal Der Rozen. Het landgoed lag op een halve dag reizen van de vesting van zijn vader. In het centrum van het dal lagen een aantal prachtige tuinen met in de grootste tuin hun chateau. Een chateau groot genoeg om zichzelf, hun twintig koppen tellende staf en hun hond De Beaufort te kunnen huizen. In de omliggende woningen verbleven de manschappen van de jonge prins. Hij was krijgsheer over zo’n driehonderd man, zijn persoonlijke leger. Naast het leger en hulp in huishoudelijke staf, woonden en werkten er meerdere tuiniers, landbouwers, veehouders en een smid op het landgoed. Hierdoor gaf het Dal Der Rozen het gevoel van een groot dorp. Constantijn zou, wanneer zijn broer Johannes als koning gekroond zou worden, als tweede prins in rij benoemt worden tot hoofd van de Veiligheidsraad van het koninkrijk. Als het aan Constantijn lag deelde hij deze taak, niet geheel volgens de gebruiken van het Koninkrijk, met zijn jaar oudere vrouw. Al bijna een eeuw lang was het een vrouw 16


toegestaan een baan uit te oefenen. De Vlaklanders zijn hiermee een uitzondering onder de mensenrassen. Zo bekleedde Constantijns vrouw Sekuriske een zeer hoge rang binnen de wetsdienaren van de veiligheidsdienst van het Koninkrijk. Zeker voor een vrouw. Zij zou ook meer dan geschikt zijn voor het delen van de taak van haar man. Constantijn zou die taak met meer dan trots uitvoeren. Al kan hij de jaloezie niet ontkennen die hij voelt jegens de taak die zijn oudere broer zal moeten uit voeren. Het dragen van de kroon.

9   Ook Johannes’ mannen bereidden zich voor op hun vertrek. Net als Constantijn woonde Johannes en zijn geliefde Aoïfe niet ver van de vaderlijke vesting, maar zij vetrokken naar het verre Noorden. De twee waren graag geziene gasten bij het Wintervolk. In tegenstelling tot Octaaf waren zij gek op het winterlandschap. Zij leken geen last te hebben van de kou en namen zelfs deel aan verscheidene onderdelen van de Winterspelen die het volk uit het noorden hield. Kroonprins Edhart was zeer tevreden met de vriendschap tussen Johannes en het Wintervolk. Er was een goed gefundeerde alliantie ontstaan tussen de twee volken en een sterke bondgenoot als het Wintervolk

17


was nooit weg. Daarbij zat Edhart zelf ook niet te wachten op een trip naar het koude noorden. De reis naar het verre noorden zou Johannes en Aoïfe zeker een maand gaan kosten, maar zij zouden eerst een stop maken bij de Koning op slot I’Horst. Noordelijk gelegen van de vesting van Edhart was het een logische stop om te maken. Het stel had een goede band met de Koning. Ondanks dat de Koning een gerespecteerd en geliefd man was, bleek hij de laatste jaren niet makkelijk in de omgang. Veel leden van de Koninklijke familie begonnen er moeite mee te krijgen langs te gaan. Johannes leek er daarentegen niets van te merken of wilde het gewoon niet zien. Hij zou er een week verblijven, waarna hij samen met Aoïfe en een klein deel van zijn leger de reis naar het noorden zou vervolgen. De rest van zijn leger zou achter blijven op het landgoed rond het slot van de koning. Het reisgezelschap zou bestaan uit ongeveer veertig man en natuurlijk niet te vergeten de grote trots van het Koninklijk paar; Hertog een witte sneeuwpanter met in zijn grote, platte kop twee felle groene ogen en Oilily een mooie volslanke en krachtige leeuwin. Hertog was een cadeau van de koning van het Wintervolk. Oilily was een cadeau van prins Edhart na één van zijn vele reizen naar Rumulus, de stad van het oude volk.

18


0   Een paar dagen zou het duren eer Edhart weer naar zijn geliefde stad zou afreizen, want ook hij zou na de Grote Vloten Spelen vertrekken. Rumulus is een gigantische stad ter grote van een klein land. Millennia geleden gebouwd de Rumuleinen, nu bekend als het Oude Volk. Waar Johannes zorgde voor een alliantie met het Wintervolk, onderhield Edhart vriendschap met de hertog van de stad in het land van het Zomervolk, Heer Sirop. Heer Sirop woonde op een landhuis binnen de stadsmuren van Rumulus met een gigantisch landgoed, waar alles werd gekweekt wat je maar kon bedenken. Edhart voelde zich hier thuis. Hij was altijd geïnteresseerd in de geschiedenis van het mensenras en de eerste bekende mensen verhalen zijn die van de Rumuleinen. Vandaar dat zij de naam van het Oude Volk droegen. Alles in de stad ademde geschiedenis. Elk gebouw vertelde een verhaal. In een groot deel van die verhalen herkende Edhart de cultuur van de Vlaklanders. Hij was er trots op. Hij wilde zo veel mogelijk van deze oude beschaving leren, om op een zelfde manier te kunnen regeren wanneer hij de troon zou bestijgen. Al voelde het alsof hij dat al deed, nu de mentale gesteldheid van Bernhart niet goed genoeg meer was om grote beslissingen te nemen. 19


01   De Spelen en het begin van de voorjaar luidde altijd het vertrek van de familieleden in. Behalve Octaaf, die het niet de moeite waard vond een lange reis af te leggen om zijn vertier elders te zoeken. Maar dit jaar was het anders. Prinses Veronica zou haar zus opzoeken die op het Eiland der Welvaart woonde. Een eiland dat in de Westzee lag. Het was geen ontzettend lange reis, omdat een reis per boot een stuk sneller ging dan per paard. Met zijn verjaren en volwassen worden dit voorjaar was het eigenlijk wel lekker om even te ontsnappen. Als enige achterblijver werd hem ook de verantwoordelijkheid gegeven in naam van Edhart te regeren die op zijn beurt weer regeert in naam van de Bernhart. Elk jaar moet hij weer een excuus bedenken waarom die taak door zou moeten worden geschoven naar een ander. Dit jaar zou het een gegronde reden zijn. Hij zou gewoonweg niet aanwezig zijn.

20


02   Danny twijfelde. Hij was nog nooit op een lange reis geweest en had geen idee wat hij mee zou moeten nemen. Zijn heer om raad vragen had weinig zin, waar Octaaf ook nooit verder kwam dan de bossen rondom de vestingmuren. Toch kon het geen kwaad even bij zijn vriend te gaan spieken. Hier was Octaaf blij mee, want net als Danny zat hij met verscheidene dilemma’s. De grootste was zijn leguaan. Het drie jaar oude schubbige huisdier was erg belangrijk voor Octaaf,

21


die altijd veel met dieren bezig was. Hagedissen en reptielen hadden zijn voorkeur. Hij kon dagen door brengen in de vestingtuinen jagend op de kleine monsters. Zijn broers vonden het maar raar en grapten er over. Zijn zagen niet dat het voor Octaaf soms een ontsnapping was van hun harde en felle manier van omgang met elkaar. De broers waren heel competitief en zaten elkaar nauw op de huid. Op elke misstap werd gelet en direct gereageerd. Octaaf met zijn andere interesses was een makkelijk doelwit. De drie broers leken veel op elkaar. Ze waren sportief, ze waren leergierig en hadden de zelfde lichaamsbouw. Ze waren niet groot, maar gespierd en atletisch gebouwd. Octaaf daarentegen was wel groot, maar niet erg atletisch. Hij was van jongs af aan al heel stevig gebouwd. Hij was wat te lomp voor de meeste tactische spelen. Zijn twee broers Constantijn en Odo leken overal goed in te zijn. Johannes draaide in de meeste spelen zeer goed mee, maar leek toch niet de aanleg te hebben van zijn twee broers. Hij moest het voornamelijk van zijn snelheid hebben.

03   Octaaf nam al vanaf zijn achtste levensjaar niet meer deel aan de Spelen, maar in de afgelopen 22


jaren was zijn lichaam gegroeid. Hij had misschien geen sportieve aanleg of atletische bouw, hij was groot en sterk. Misschien zelfs wel sterker dan zijn broers. Al hadden zij meer ervaring in het gevecht. Naar de maatstaven van het volk van de Vlakke Landen was Octaaf heel groot. Volgens de bewoners van de vesting was hij de grootste van het hele Koninkrijk. Johannes vergeleek hem altijd grappend met het Bergvolk, de bewoners van het noordelijkste deel van het land van het Wintervolk. Zij waren het grootste volk onder de mensenrassen. Veel Vlaklanders waren van mening dat het Bergvolk niet meer was dan een stel barbaren. Ze hadden lang en vaak onverzorgd haar. Net als Octaaf droegen ze het in een staart, maar dan gevlochten. Ze schoren zich niet en de oudere mannen hadden een grote baard, die ze dan ook vaak weer vlochten. Ze kregen weinig zonlicht en waren erg bleek. Octaaf, die zich veel terug trok op zijn kamer in het paleis, was ook wat bleker dan het volk om hem heen. Het grote fysieke verschil waaraan te herkennen was dat Octaaf geen Berglander was zijn weinige lichaamsbeharing. En natuurlijk zijn irissen. Het bergvolk had geen kleur in de irissen. Wat ze een angstaanjagende aanblik gaf. Al vonden de Vlaklanders het een barbaarse bevolking, geen van hen zou het aandurven een Berglander het recht in het gezicht te zeggen.

23


04   De reis naar het Grote Water in het westen en de kust waar de boot naar het Eiland der Welvaart lag te wachten kon op twee manieren gevoerd worden, vertelde zijn moeder Octaaf. De noordelijke route zou hen langs de Koning brengen, waar ze samen met de al vertrokken Johannes een paar dagen zouden kunnen verblijven op de I’Horst. Hierna zouden ze doorreizen naar kasteel de Eekhof van Octaafs tante van vaderskant. Al gauw zag Octaaf af van deze route, omdat hij net als andere leden van de familie moeite had met het bezoeken van de koning.

24


05   Bernhart was altijd een groot en gerespecteerd leider geweest. Hij had veel vertrouwen van zijn volk gewonnen door streng maar rechtvaardig te regeren. Zijn vader had als koning veel land gewonnen door het te veroveren met oorlog en strijd. Bernhart koos er voor het rijk te verdedigen zoals het was. Zijn volk niet op oorlogspad te sturen, maar te laten genieten van het land dat er was. Niet dat hij niet strijdvaardig was, dat bewees hij meerdere malen door de aanvallen af te slaan van het verloren volk uit het oosten. Zijn vader had hem niet voor niets Bernhart genoemd, wat dappere man of man met het hart van een beer betekende. 25


Bernhart werd al op jonge leeftijd koning. Het was het jaar voor hij in de volwassenheid zou treden. Het grootste deel van zijn vaders leger was op oorlogspad in de bossen in het oosten van wat nu de Vlakke landen was. Zijn vader had zoveel slagen gewonnen dat hij vergat hoe je kon verliezen. Hij had niet rekening gehouden met een aanval op eigen land. Hij rekende alleen nog maar op de verdediging van tegenstanders. Hij had niet genoeg manschappen meer om zichzelf te verdedigen. Bij de aanval op het Koninklijk slot in Waegening kwamen veel onderdanen van het herfstvolk om het leven en zo ook de moeder van Bernhart. Voor zijn ogen stortte de toren van het slot waarin zij verbleef in. Een rotsblok geschoten uit een gigantische houten slingerarm raakte de toren op zijn middelpunt en deed hem instorten. Zijn vader verloor beide benen. Bernhart heeft zelf zijn vader in veiligheid weten te brengen. Na zijn benen afgebonden te hebben, heeft hij twee dagen lang met zijn vader op een houten kruiwagen gelopen op zoek naar een veilige vesting waar hij verzorgd kon worden. De begrafenis van zijn moeder kon hij niet bijwonen. De aanvallers bleken meedogenloos en hadden niets heel gelaten van het slot. Bernharts vader overleefde het, maar was niet in staat het rijk te regeren. Bernhart besteeg de troon en besloot niet verder meer de levens van zijn onderdanen op het spel te zetten. 26


Ook de veroverde volkeren waren snel tevreden met hun nieuwe koning. Zeker toen hij zijn vrouw huwde. Zij kwam van een volk uit een voormalig ander rijk uit het oosten dat nu onderdeel was van het koninkrijk. Hiermee liet hij zien dat iedereen voor hem gelijk was. Toch waren er littekens van het trauma van Waegening te zien in zijn manier van regeren. Hij was streng en soms emotieloos. Toen zijn vrouw op jonge leeftijd stierf brak er iets in hem. Veel mensen hadden ontzag voor hem, sommige lichte angst, maar allen respect. Bernhart hertrouwde nog en hij fleurde op, maar na een beroerte kwamen de littekens weer aan het licht. Zijn vrouw vertrok en hij bleef alleen achter op het nieuwe Koninklijke slot dat hij liet bouwen, de I’Horst.

27


06   Al lachend knoopte Odo de laatste knapzak aan het zadel van zijn paard. Zijn makkers zaten al een tijdje klaar en maakten graag gebruik van de gelegenheid om de jonge prins al grappend van zijn achterstand op de hoogte te brengen. Odo vertrok samen met een groep jonkers terug naar de burcht in Thil, waar zij gezamenlijk de rondomliggende bossen en akkerlanden beheerden. Thil was ÊÊn van de zuidelijkst gelegen steden van het koninkrijk. Het lag dicht tegen het land van het 28


Zomervolk aan. Het was er dan ook een stuk warmer. Al was het zijn taak, toch leek de titel bosbeheerder of landbeheerder niet aan Odo besteedt. Hij trok liever met de jonkers de bossen in om te jagen. Hij leefde het goede leven daar in het zuiden. Ze maakten zich niet druk om te toekomst, maar maakten plezier. Ze hadden alles wat ze nodig achtten. Octaaf zag wel wat in de levensstijl van zijn twee jaar oudere broer. Helemaal nu Odo de laatste jaren zijn jacht van de bossen naar de taveernes had verlegd. Het jagen op wilde beesten veranderde in het jagen op gewillige vrouwen. Toch lag er niet de minste taak voor Odo in het verschiet. Wanneer zijn oudste broer de kroon zou dragen, zou hij kanselier van de schatkist worden. Hij zou de Koninklijke financiĂŤn gaan beheren. Daar stopte dan ook de interesse van Octaaf voor het leven van Odo. Hij moest er niet aan denken om een dergelijke verantwoording te moeten dragen. Wat zijn taak zou zijn was hem nog niet duidelijk. Hoewel prinses Veronica al talloze opties had geopperd die Octaaf leuk zou moeten vinden, durfde zij hem nog niet te vertellen wat zijn Koninklijke ambt zou gaan worden. Bij het woord verantwoordelijkheid begonnen zijn handen al te trillen. 29


Octaaf kon nooit echt hoogte krijgen van de jonkers uit het zuiden. De vorm van humor die zij er op na hielden sloot helemaal niet aan bij wat hij grappig vond. Ze waren erg luidruchtig en lomp en omdat Thil zo dicht tegen de grens van het Land van het Zomervolk aan lag, hadden zij een vreemd accent. Desondanks was de zuidelijke route die zij met zijn broer af zouden gaan leggen zonder twijfel de beste optie. In tegenstelling tot de noordelijke route van Johannes en Aoife was de temperatuur in het zuiden heerlijk. Kroonprins Edhart ging weliswaar zuidwaarts, maar kwam niet in de buurt van de kust. Constantijn reisde wel naar het westen, maar bereikte na een halve dag zijn bestemming en zou dan afhaken. Daarom besloten Octaaf en Veronica mee te reizen met Odo en de jonkers. Een reis van twee weken. Ondanks het kleine leger dat met Octaaf en zijn moeder mee zou reizen, was het voor kroonprins Edhart en prins Johannes een veilig gevoel dat zij begeleid werden door Odo. Waarmee de zijn vader en oudste broer maar weer eens aantoonden Octaaf nog niet als een volwassen man te beschouwen. Zelfs met de relatief veilige reis naar het zuidwesten. Want het koninkrijk van Vlaklandia was zeer veilig. Maar de vesting van kroonprins Edhart lag ver in het Oosten van het koninkrijk. Alle leden van de Koninklijke 30


familie reisden naar het noorden, westen of zuiden. Niemand zou het in zijn hoofd halen nog verder naar het oosten te reizen en daar was alle reden voor.

31


07   Door de manier van regeren van Koning Bernhart, en sinds een aantal jaren zijn zoon Edhart, was het koninkrijk een veilige plek. De Vlaklanders waren een gelukkig volk. Ze hielden van hun leven en het land. Het koninkrijk was sinds Bernharts vader regeerde enorm. Het was een stuk groter dan het land van het Wintervolk. Het was wel tien keer groter dan de stad van het Oude volk, Rumulus en ook veel groter dan het dorre land er omheen. Tegen de grootte van het land van het Zomervolk kon het daarentegen niet op. Dat land was zo groot dat Vlaklandia er wel zeker twee keer in paste. Al was een groot deel van het land onvruchtbaar. Onder het land van het Zomervolk, dat Kutu’Ketcha werd genoemd, lag m’Lach m’Wisho, de eindeloze woestijn. In dit gebied was het klimaat en land onleefbaar. De Kutu’s hadden de zuidelijke grens van hun land zover mogelijk uitgebreid tot er niet meer te leven viel. Zo werden ze weliswaar een ontzettend groot land, maar ervan leven was nagenoeg onmogelijk. In vergelijking met Kutu’Keta was Vlaklandia dus klein, maar het land was te groot om te worden geregeerd vanuit één plek. Daarom werden de verschillende provincies van het koninkrijk beheert door leden van de Koninklijke familie. Slot 32


Angerenstein, de vesting van Kroonprins Edhart, lag qua hoogte erg centraal in het land, maar ver naar het oosten. De kroonprins regeerde weliswaar in naam van de koning over heel het koninkrijk, maar had daarnaast direct gezag over de oostelijke provincies van Vlaklandia. Waar sommige bossen beheert werden door Constantijn en Johannes. Kasteel de I’Horst van Koning Bernhart lag richting het noordwesten, maar de Noordelijke provincies lagen onder het gezag van de zus en zwager van Edhart. Zij woonden in het hof van Aek ver in het Noorden van het land. De westelijke provincies werden geregeerd vanuit de Domburcht en daar beheerde Odo, zoals eerder werd verteld, vanuit Thil de bossen. De hele grens van het westen van het land was van nature ontstaan. Langs de gehele westgrens lag het Grote Water. Mooie eindeloze stranden in het zuidelijke deel maakte van de westkust een graag bezochte plek. De Koninklijke familie en hun vrienden kwamen er veel. De prachtige baaien vormden een perfect gebied voor de haven. Alle schepen die het Vlaklandia bezochten kwamen hier aan land. Verder naar het noorden werden de kliffen van de kust hoger en hoger. Het was een onbegaanbaar gebied. Althans dat leek zo. Tijdenlang hebben er honderden mensen in de grotten hoog in de kliffen gewoond. Het waren 33


vluchtelingen die niet wilden leven volgens de wetten van Vlaklandia. Een jonker uit de buurt van de kust had een hekel aan meeuwen. Hij stuurde een deel van zijn staf naar de kust om jacht te maken op de lawaaierige en roofzuchtige vogels. Daar ontdekten ze de bewoners van de grotten. Direct stuurde de jonker tien ruiters om de Grottenmensen te arresteren. EĂŠn van de ruiters keerde terug. De Grottenmensen bleken met honderden te zijn. De jonker vroeg om hulp bij de Koninklijke familie. Het werd de grootste slag sinds Bernhart aan de macht was. Er werd maar een klein deel van de Grottenmensen gevangen genomen. Het grootste deel kwam om in de strijd of wierp zich in de wilde golven van het Grote Water. Ze wilden nooit leven onder het gezag van de Vlaklanders. Maar de kliffen van de noordelijke delen van de westkust zijn zo ontzettend lang, dat niemand wist of echt alle Grottenmensen gevangen of gedood waren. Het grootste deel van het noorden werd nog begrensd door water, maar wanneer men verder naar het oosten reisde, veranderde dat water in ijs en nog verder lag er wel land over de grens. Door de kou groeide er weinig planten, maar vooral naaldbomen en mos. Het landschap was er bergachtig en leidde via een lange bergpas naar het land van het Wintervolk. Het was een barre reis 34


en niet veel mensen maakte graag een tocht door de bergpas. Het was er steenkoud, er hing altijd een dikke mist en er was weinig eten te vinden. De dieren waren schuchter en altijd op de hoede. Dieren die niet op hun hoede waren, wilde men liever niet tegenkomen. Wolven, luipaarden en gigantische zwijnen waren niet bang voor mensen en als de beesten echt hongerig waren, maakten ze overal jacht op. In het zuiden lag, zoals eerder werd verteld, de grens met Kutu’Keta. Het was er warm, heet zelfs. Wat aangaf hoe groot Vlaklandia echt was, van de donkere dennenbomen in het noorden, tot aan de tropische palmbomen in het zuiden, met het Wintervolk als noorderburen en het Zomervolk als zuiderburen. Het Zomervolk was heel anders dan de trouwe en toegewijde Vlaklanders. Het was een koppig en impulsief volk. De band tussen Kutu’Keta en Vlaklandia was niet vijandig, maar ze hadden ontzag voor elkaar en er was wederzijdse angst. Waar het klimaat en landschap in het westelijk deel van de zuidgrens zomers, zonnig en droog was, was het in het oosten tropisch, drassig en moerassig. Hier grensde Vlaklandia aan het Land der Zielen. Het werd zo genoemd, omdat er geen leven te vinden was. Het was één groot kerkhof. Eeuwen lang vochten mensen daar oorlog uit met de wezens van Lorbi, dat achter het Land der Zielen lag. Lorbi 35


was een gigantisch moeraslandschap. Het land was zo dichtbegroeid en de bomen waren er zo hoog, dat er nauwelijks licht scheen. Er leefden veel soorten amfibieën en reptielen, een aantal soorten vissen en maar één enkel soort zoogdier, de Lorbi. Het was al meer dan een eeuw geleden sinds de laatste grote oorlog had gewoed tussen de mensen en de Lorbi. Mensen die het konden navertellen waren er niet meer. Er waren alleen de verhalen die van vader op zoon gingen en van zoon op kleinzoon. In die sagen vertelde men over de Lorbi. Tijdens de stichting van de oude stad Rumulus waren er twee broers, Rumulus en Lorbi. Ze waren de zonen van een rijke koopman en grootlandeigenaar. De twee hielden er een totaal andere levensstijl op na. Rumulus hield van orde, hiërarchie en regelmaat. Zijn broer Lorbi wilde niet gebonden zijn aan regels, verantwoordelijkheden en arbeid. Hij had genoeg aan wat de natuur te bieden had en wilde niet werken. Toch had hij altijd een minderwaardigheidsgevoel tegenover zijn strenge broer. Zijn broer ergerde zich op zijn beurt aan de laksheid van zijn broer. Ze waren voorbestemd om grote leiders te worden, maar met de instelling van Lorbi zou dat volgens Rumulus nooit gebeuren. Bij het overlijden van hun vader bedacht hij een list. Hij ging een weddenschap aan met zijn broer. Hij daagde hem uit dat hij zonder de 36


regels en orde van een stad niet zou kunnen leven. Gedreven door zijn minderwaardigheidsgevoel ging Lorbi de uitdaging aan. Met een staf groter dan achthonderd bedienden en vrienden trok hij naar het oosten, naar de jungle, om zijn broer te laten zien dat zij alleen aan de natuur genoeg hadden. Dat zij de orde en regelmaat, waar de obsessie van zijn broer naar uitging, niet nodig haddan. Maar het leven viel hen er zwaar en het gemis van het zonlicht zorgde voor een zware depressie onder zijn staf. Hij besloot zijn verlies te nemen en terug te gaan om zijn broer in het gelijk te stellen, maar hij kon niet terug. Rumulus had een muur laten bouwen rond de landen van zijn vader en liet de honderden diepongelukkige mensen niet meer zijn stad in. Lorbi zwoor wraak te nemen voor het verraad van zijn broer. Hij trok zich terug de jungle in. Jarenlang hoorde het volk van de welvarende stad van Rumulus niets van Lorbi en zijn volgers. Tot er plots na decennia een aanval werd ingeleid en de vestingmuren werden beklommen. Maar het waren geen mensen die zich langs de hoge stenen muren een weg omhoog wisten te banen. De wezens die de Rumuleinen voor zich zagen waren bleek van het gemis van zonlicht, knekelig van het gebrek aan eten en voedingswaarden en van top tot teen kaal, omdat haar zonder vitaminen niet groeien kan. Eeuwenlang vochten de mensen uit Rumulus met 37


de monsters uit Lorbi, ook na de dood van de twee broers bleef de haat bestaan. Sinds honderd jaar was de haat verdwenen. Mensen hadden zich verspreid en richtten meerdere steden op, ver van het land rondom Rumulus. De Lorba’s lieten zich niet meer zien, misschien waren zij vergeten waar hun haat vandaan kwam of misschien waren ze niet meer in staat om er over na te denken. Het land dat tussen de stad en het moeras lag liet daarentegen wel de littekens zien van een eeuwenlange oorlog tussen twee sterke rassen. Het was één groot kerkhof, een land vol zielen. Maar dit was maar een verhaal van vader op zoon en van zoon op kleinzoon. Er ging ook een verhaal rond dat er ver voorbij de moerassen van Lorbi, voorbij het Land van het Kleine Volk en over grote aardgeul die het land scheidde van de oneindige zwartheid, een rijk lag. Het rijk der verlorenen. Men zei dat er enkele tientallen bedienden en vrienden van Lorbi niet wilden leven in het moerassige landschap van de jungle. Zij trokken door met alle risico’s van dien. Zij reisden door het grote moeras. Zij trokken door de donkere bossen. Zij kwamen aan in het Land van het Kleine Volk, maar de kleine wezens wilden niets weten van de mensen en stuurden ze met veel agressie weg. Tot er niets anders op zat dan de grote aardgeul over te 38


steken en te hopen dat er meer was dan een oneindige zwartheid. Wat er van de mensen is bekomen wist niemand, maar ze konden niets anders zijn dan verlorenen.

39


08   Het reisgezelschap kwam aan bij Thil. Odo en de jonkers bleven achter en Octaaf trok samen met Danny en Veronica verder westwaarts, naar een mooie kuststad gebouwd rondom de grote dom. Hier beheerden zijn oom en tante een prachtig slot genaamd de Domburcht. Het was de meest zuidwestelijks gelegen stad van het koninkrijk en vanuit het slot had men een prachtig uitzicht over

40


het Grote Water. Een ideale plek voor Octaaf en zijn moeder om aan boord van het schip te gaan.

41


42


Octaaf Edhartszoon