Page 1

BAS HEIJNE

vrijheid gelijkheid broeder schap VU UNIVERSITY PRESS


Vrijheid, gelijkheid, broederschap


bas heijne

Vrijheid, gelijkheid, broederschap

VU University Press Amsterdam  2018


Geproduceerd onder auspiciën van de VU Faculteit der Geesteswetenschappen & de VUvereniging.

© 2018  Bas Heijne All rights reserved. No part of this book may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form or by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording, or otherwise, without the prior written consent of the publisher. VU University Press De Boelelaan 1105, 1081 hv Amsterdam www.vuuniversitypress.com info @  vu-uitgeverij.nl Boekverzorging René van der Vooren, Amsterdam isbn 978 90 8659 784 0  |  nur 323


Is het een verdienste als je liefhebt wie jou liefheeft? Doen de tollenaars niet net zo ? En als jullie alleen je broeders en zusters vriendelijk bejegenen, wat voor uitzonderlijks doe je dan ? mattheus 5:46-47 ( n bv )


Onbehagen

1 Onlangs zag ik mijn moeder terug. Ik werkte aan de ­televisiedocumentaire Onbehagen, gebaseerd op het gelijknamige essay dat ik in 2016 publiceerde. Op een middag zaten we op de redactie in Hilversum te brainstormen met de regisseur en de researcher. De regisseur wilde de reeks, waarin ik op zoek ga naar de aard van het hedendaagse onbehagen en de mogelijke antwoorden daarop, een persoonlijk uitgangspunt geven. Het zou mijn verhaal moeten worden, mijn persoonlijke interpretatie van wat er in de wereld gaande is. Daarom moest mijn achtergrond er ook in, vond men. We zochten naar beelden van mijn jeugd. Ik vond dat lastig. Niet alleen omdat ik schroomde persoonlijke ervaringen op televisie te delen (ik was niet voor niks schrijver geworden), maar vooral omdat ik het gevoel had dat er niet zoveel te vertellen viel. Ik groeide op in het polderdorp Zwanenburg, in de Haarlemmermeerpolder, tussen Amsterdam en Haarlem in. Tot mijn achttiende woonde ik in een vier-onder-een-kap-huis in de Essenlaan. Mijn vader was forens, hij werkte in Amsterdam, eerst bij de


8

onbehagen v­ ak­afdeling van fotohandel Capi Lux, later als directeur van een bedrijf. Er was niets opvallends aan mijn jeugd. Of aan mijn omgeving. Het meeste gebeurde in mijn hoofd. Er waren bij de vpro al beelden gevonden van het zwembad waar ik op 6-jarige leeftijd leerde zwemmen en waar ik later als lid van zwemclub De Swaenen voor wedstrijden trainde. Een blauwe maandag was ik zelfs keeper in het waterpoloteam. Het zwembad van Zwanenburg had een geschiedenis. Het was een initiatief van de dorpsbewoners zelf geweest. Het geld was bijeengebracht door collectes en acties. Daardoor was het de trots van het dorp geworden. Zwanenburg, dat het tijdens mijn jonge jaren zwaar te verduren had onder de Bulderbaan van Schiphol, had verder niet veel om trots op te zijn. In de jaren negentig, toen ik al lang was vertrokken, werd het zwembad gesloten, omdat het niet langer rendabel was. Tot op de dag van vandaag spreken bewoners van het zwembadtrauma. Door de geluidsoverlast van vliegtuigen is uitbreiding met nieuwe huizen onmogelijk; de detailhandel is de afgelopen decennia weggekwijnd. Schiphol koopt de malaise af door projecten als een sporthal te financieren. Met geld van de Europese Unie werd op de plek van het verdwenen zwembad een park aangelegd. Maar het zwembad kwam niet meer terug. Toen we tijdens de vergadering over de serie On­ behagen beelden van vroeger bekeken — die er tot mijn schrik toch echt als beelden uit een historisch archief


onbehagen uitzagen — herinnerde ik me dat er televisiebeelden van mijn moeder moesten bestaan. Begin jaren zeventig waren er verscheidene acties tegen de geluidsoverlast van Schiphol geweest. Er ­waren manifestaties, wegversperringen, er werden ­ballonnen met zilverpapier opgelaten om de communicatieapparatuur van de vliegtuigen te storen. Er was ook een actiegroep opgericht, De Lastige Zwanenburger geheten. Voor zover ik me herinnerde, was mijn moeder daar geen actief lid van, maar ze steunde de doel­ einden wel actief. Ze was nadat wij naar de lagere school gingen weer gaan werken als wijkverpleegster, en zag met eigen ogen hoe het lawaai van constant overvliegende vliegtuigen de levens van mensen, vooral ouderen, ontregelde. Als dat al nodig was, want wij in de Essenlaan konden er zelf over meepraten. In mijn zolderkamer schrok ik vrijwel iedere nacht wakker van een laag overvliegende charter. In de zomer, wanneer we in onze achtertuin zaten, stokte onze conversatie om de zoveel minuten — wanneer het geraas voorbij was, maakten we onze zinnen af. Een van de acties waar mijn moeder aan had deel­ genomen, was het lastigvallen van politici. Er waren nummers verspreid en wanneer er een vliegtuig absurd laag kwam overvliegen en het geraas echt oorverdovend was, moest je een politicus bellen om je beklag te doen. Onze rust verstoord, hun rust verstoord. Mijn moeder had Willem Aantjes opgebeld, toen lid van de gereformeerde arp (dat later opging in het cda). Op de een of andere manier was de vpro daarachter gekomen.

9


10

onbehagen Ik herinnerde me hoe ik als elfjarig jongetje samen met mijn zusje achter de bank in onze huiskamer ­verscholen zat — om niet per ongeluk in beeld te ­komen — terwijl mijn moeder op de stoep voor ons huis geïnterviewd werd. Mijn moeder op televisie! Het was voor een kort actualiteitenprogramma geweest en ik ging ervan uit dat de beelden onvindbaar zouden zijn — als ze nog bestonden. Maar binnen een week doken ze op. In kleur nog wel. Daar was mijn moeder weer: veel jonger dan ik me haar kon herinneren, haar stem hoger (sprak ze toen echt zo, of was het vervorming?) Godzijdank — ik ­herinnerde me het ineens weer — had ze geweigerd haar verpleegstersuniform aan te trekken, uit angst door de brutale vpro-jongens als een typetje te worden neergezet. Ze zag er knap en fris uit. Ze sprak op een fijne, ­besliste toon, met een licht Gelders accent (ze was in Nijmegen opgegroeid) en een vleugje ironisch venijn. Er bleek een opstandige burger in haar te schuilen. ‘Ze proberen ons wijs te maken dat met die nieuwe, vijfde baan de geluidsoverlast minder wordt’, schamperde ze, ‘maar dat is natuurlijk onzin. Het is Schiphol alleen om capaciteitsvergroting te doen. En daar zullen we tegen vechten.’ Niet alleen zag ik mijn moeder terug, ze bleek ook nog eens over een vooruitziende blik te beschikken. De capaciteitsvergroting van Schiphol is nog altijd een heet hangijzer. En vliegtuigen zijn er alleen nog maar meer gekomen.


onbehagen ‘Daar zullen we tegen vechten…’ De strijdlust van mijn moeder is tevergeefs gebleken. Toen ik een paar weken later terugging naar Zwanenburg, vond ik een dorp waar het leven was gestagneerd. Om de paar ­minuten vloog er een vliegtuig over. Het was niet uit te houden. Ook hier legde de kleine wereld het af tegen de grote. De afgelopen jaren was voor mij als schrijver het ­onbehagen steeds meer mijn onderwerp geworden. En hier vond ik het ineens, in het dorp waar ik vandaan kwam, in de woorden van mijn moeder. 2 ‘We leven in een vormeloze wereld’, had de 84-jarige schrijver John Le Carré me in de zomer van 2017 gezegd. In de Koude Oorlog, het decor van zijn beroemde ­spionageromans, was het duidelijk waar het gevaar vandaan kwam, langs welke scheidslijnen de wereld was ingedeeld. Nu was alles onhelder geworden. Er waren het islamitische terrorisme en is, een fanatieke beweging die onvoorstelbare wreedheden had begaan, waarbij nieuwe media werden ingezet om de haat tegen de ‘ongelovigen’ aan te jagen. In Rusland en Turkije en China bloeide de cultus van de sterke man, die trots de wereldorde uitdaagde. In de Verenigde Staten werd Donald Trump tot president gekozen, wat tot een virtuele burgeroorlog leidde. In Groot-­ Brittannië veroorzaakte de Brexit, die van het land weer een trotse en onafhankelijke natie moest maken, een diepe identiteitscrisis.

11


12

onbehagen Overal bloeide de identiteitspolitiek. Overal leken de scheids- en breuklijnen tussen verschillende groepen groter en dieper te worden. De nieuwe wereldorde die na de val van de Muur zo zelfverzekerd werd aangekondigd, leek verdacht veel op een nieuw wanorde. Wat was er gebeurd, in de wereld om mij heen? Wat was er precies verschoven, onder al die verwarrende gebeurtenissen die het nieuws beheersten? Waarom werden die veranderingen zo slecht gezien en voorspeld? Was er misschien iets fundamenteels aan het veranderen, iets in het beeld van onszelf, ons beeld van wat het betekende om mens te zijn ? En wat was er met mijzelf gebeurd ? Om dat laatste te begrijpen, moest ik terug naar waar ik vandaan kwam. Ik groeide op in de jaren zestig en zeventig. Mijn ouders waren kinderen van hun tijd, van bescheiden afkomst, die zich gaandeweg losmaakten van hun achtergrond en het steeds een beetje beter kregen. Zowel mijn zus als ik kon naar de universiteit. Het was midden in de Koude Oorlog, maar daar merkten wij in Zwanenburg niet veel van. Ik groeide op in een tijd van vertrouwen en ver­ wachtingen — verwachtingen over groei en gelijkheid, een almaar rationelere ordening van de wereld, ge­ inspireerd door de ideeën van de Verlichting, zoals die na de gruwelijke ervaringen van de Tweede Wereldoorlog tot ons waren gekomen. De mens, zo luidde de belofte, zou zich langzaam maar zeker losmaken van zijn eigen benauwde groepsgeest en zich verenigen met anderen op basis van hun gedeelde menselijkheid. Mannen en vrouwen zouden


onbehagen meer en meer gelijk worden. Minderheden zouden ook steeds meer als gelijken worden gezien. Nationalisme en alle andere vormen van groepsgeest zouden hopeloos gedateerd raken. Net als religieus fanatisme. Wat dat laatste betreft: de verwachting was dat religie steeds verder naar de marge van de cultuur zou ­opschuiven en op een gegeven moment helemaal zou verdwijnen. ‘De kerken lopen leeg’ was de mantra van die jaren. Geloof was steeds meer iets voor eigen gebruik, een troostend ritueel, zonder veel maatschappelijke impact. Er waren grote problemen, zeker. Er waren rellen, conflicten, oorlogen. Er waren doemscenario’s, zoals het rapport van de Club van Rome. Er liepen genoeg mensen rond die zich dat vooruitstrevende, optimis­ tische wereldbeeld niet eigen hadden gemaakt. Op mijn middelbare school verdedigden leerlingen het apartheidsregime in Zuid-Afrika met de populaire dooddoener: je moet er geweest zijn om erover te kunnen oordelen. Maar er was nog meer vertrouwen. Honger, ziekte en armoede zouden langzaam maar zeker, met vallen en opstaan, met behulp van wetenschap en nieuwe technologie, de wereld uit geholpen kunnen worden. Niet dat ik daar in Zwanenburg veel over nadacht. Al deze dingen spraken min of meer vanzelf. Ons gezin volgde gestaag de opwaartse lijn van de groeiende ­welvaart, gesteund door de geloofsartikelen van de ­sociaaldemocratie. Meer vrijheid, meer gelijkheid en meer broederschap.

13


14

onbehagen Toen ik zeventien jaar oud was, vertelde ik mijn ­ uders dat ik homo was. Dat was meer een verrassing o dan een schok voor hen. Mijn onthulling viel samen met een grote protestdemonstratie in het Concert­ gebouw tegen de Amerikaanse zangeres, anti-homo­ activiste en ‘sinaasappelkoningin’ Anita Bryant, ­gepresenteerd door Mies Bouwman en opgeluisterd door de Zangeres zonder Naam met haar zelfgeschreven protestlied ‘Luister, Anita’. Het was een doorbraakmoment. Voor Nederland, maar ook voor mijzelf. De geest van vrijheid en on­ geremd hedonisme kreeg mij in zijn greep, gesymbo­ liseerd door de discocultuur, waar ik me gretig in ­onderdompelde. Dat die vrijheid een paar jaar later alweer in een tragisch licht zou komen te staan door de aidsepidemie wist toen niemand. Mijn eerste vriendje was overtuigd lid van de cpn en via hem zag ik hoe de klassenstrijd langzaam maar zeker vervangen werd door de emancipatiestrijd — de arbeider verdween, vaak morrend, naar de ­achtergrond, terwijl de sociale en seksuele emanci­ patie steeds meer voorop kwam te staan. De beloofde omwenteling van de maatschappij door links maakte plaats voor het ‘doorbreken van rolpatronen’. Ik her­ inner me beelden van partijcongressen van de psp met breiende mannen op de eerste rij. Samen met mijn ouders liep ik begin jaren tachtig mee in de demonstratie tegen kruisraketten. Dat mijn beste vriend op school het afdeed als sentimentele en gevaarlijke onzin, kon ik niet begrijpen — hier werd


onbehagen geschiedenis geschreven. Ik had nog nooit zoveel ­mensen bij elkaar gezien. Ik studeerde inmiddels in Amsterdam en ongemerkt was er een andere revolutie begonnen. De ­verwachtingen waarmee ik was opgegroeid verloren hun radicale impuls en werden onderdeel van overheidsbeleid — en raakten daardoor gebureaucratiseerd. De maatschappijkritiek trok zich steeds meer terug binnen de muren van de universiteit. Het ­enthousiasme en later de vergoelijking van het communisme en de verheerlijking van regimes als in Cuba, Rusland en China door de generatie vóór mij werd nu exotisch, excentriek en vooral uiterst kwalijk ge­ vonden. Twee geloofsartikelen die nog springlevend waren toen ik in Amsterdam kwam, dat ieder mens vooral creatief moest zijn en dat geld willen verdienen de slechtste van alle ambities was, werden verdrongen door een pragmatischer en materialistischer wereldbeeld. Dat wereldbeeld triomfeerde aan het eind van de jaren tachtig. De Koude Oorlog eindigde, niet als het resultaat van een gewapend conflict, maar doordat de rauwe, sociale en economische werkelijkheid het won van de cynische leugens waarmee de homo sovieticus doordrenkt was. Hij moest plaats maken voor een nieuw menstype: de homo economicus.

15


16

onbehagen

3 In de jaren tachtig voegde de tijdgeest zich naar de even verguisde als aanbeden Ronald Reagan en Margaret Thatcher. Zij waren uitgesproken sociaalconservatief en geloofden tegelijk heilig in de zege­ ningen van de vrije markt. Beiden beloofden hun ­kiezers herwonnen zelfbeschikking, trots en zelf­ bewustzijn. Afhankelijkheid van de staat werd gezien als zwakte. Nationalisme was geen vloek meer. Een oorlogje op zijn tijd was goed voor het gevoel van ­nationale saamhorigheid — zoals de oorlog om de Falklandeilanden. Tijdens de top in Reykjavik tussen Reagan en ­Gorbatsjov in 1986 kondigde zich het einde van een oude wereldorde aan. Het fata morgana van mijn jeugd, het einde van de Koude Oorlog, bleek ineens geen luchtspiegeling meer te zijn. Hoe de nieuwe orde eruit zou gaan zien, werd door maar weinig mensen goed voorspeld. Toen enkele ­jaren later de Muur viel en de Sovjet-Unie implodeerde, gold dat als een overwinning van de liberale demo­ cratie en het kapitalisme. Het was een overtuiging die al snel messianistische trekjes kreeg. Voortaan zou de wereld unipolair zijn. De Verenigde Staten waren de enige overgebleven ­supermacht. Persoonlijke vrijheid en het geloof in de vrije markt werden synoniem. Iedereen droomde van de liberale democratie en een vrijemarkteconomie — behalve degenen die het nog niet beseften.


onbehagen Die overtuiging domineerde in de jaren negentig. De verwachtingen en idealen waarmee ik groot was geworden, verflauwden tot een handvol geriefelijke frases. De samenleving ont-ideologiseerde gestaag. In Nederland schudde de PvdA beschaamd haar ‘ideologische veren’ af. Talloos waren de avondjes die ik bijwoonde waarop een terugkeer van het engagement werd bepleit, in de maatschappij en in de kunst. Al die oproepen ­bleven steken in wensdenken. We moesten ons ­engageren, maar waarmee? Tevergeefs probeerde de overheid bij de burgers belangstelling te wekken voor Europa. Wie zich wel engageerde, keerde zich vooral tegen de leegte. De leegte … In zijn schandaal verwekkende roman American Psycho uit 1990 beschreef de Amerikaan Bret Easton Ellis een kille wereld van enkel glanzende oppervlaktes, een samenleving die geobsedeerd is door geld en aanzien. Daaronder schuilde een hang naar uitzinnig geweld, dat betekenisloos was. Dat was de tijd van de supermodels, iconen die over de hele ­wereld beroemd zijn, en niets anders dan uiterlijk en stilering zijn: Claudia Schiffer, Naomi Campbell. Luxe werd gedemocratiseerd. Karl Lagerfeld bracht de haute couture naar de massa. De burger werd steeds meer consument. Er kwam een merkencultuur op, met verleidelijke logo’s die nu over heel de wereld herkend werden. Er ontstond een door en door commerciële wereldcultuur, geschikt voor wereldburgers en wereldmuziek. Niet alleen had iedereen recht op ­bezit, zoals een eigen huis, iedereen had ook het

17


18

onbehagen recht om rijk te worden. Zelfs op de camping werd druk belegd. Er waren heus signalen dat het rommelde onder dat glanzende oppervlak, zoals het Ahold-schandaal. Maar dat leken toen niet meer dan jammerlijke ontsporingen. 4 De eerste grote barst in mijn wereldbeeld ontstond vlak voor mijn voeten, in Joegoslavië begin jaren ­negentig. In de afzichtelijke, wrede burgeroorlog daar speelden emoties en grieven waarvan de meeste ­mensen dachten dat die ver achter ons lagen. Geloof, nationalisme, traditie, eeuwenoude geschillen verscheurden plotseling volkeren, dorpen en zelfs families. De rest van de wereld keek er met ontzetting naar en het duurde lang voordat men in actie kwam. Interventie deed een nieuw geloof ontstaan, de overtuiging dat vrede en verzoening en democratie kunnen worden afgedwongen door de loop van een geweer. Als andere landen en volkeren zich niet spontaan ­bekeerden tot de liberale democratie en de vrijemarkteconomie, moesten ze maar gedwongen worden, goedschiks of kwaadschiks. Ook Rusland onderging een economische schoktherapie. In zowel oost als west nam het geloof in de vrije markt een hoge vlucht boven de hoofden van gewone mensen. Het was de tijd van de Derde Weg, een politieke stroming die ervan uitging dat geloof in de vrije markt en de verzorgingsstaat samen konden gaan.


onbehagen De achterblijvers, zij die geen deel hadden aan de groei en de globalisering, de zogenaamde Modernisierungs­ verlierer, raakten steeds verder uit zicht. Steeds meer mensen voelden zich in de kleine wereld waarin zij leefden miskend door de grote wereld. Eind jaren negentig begon het te rommelen. De leegte vulde zich opnieuw. In Nederland ontstond de zogenaamde Leefbaar-beweging, lokale partijen die opkwamen voor de kleine wereld die door globalisering en immigratie onherkenbaar dreigde te worden. Woorden en begrippen waarover na de Tweede ­Wereldoorlog een soort moratorium was afgekondigd, werden weer onderdeel van het debat — nationale trots en de eigen cultuur, identiteit. In Oostenrijk won de fpö van Jorg Haider 26 procent van de stemmen. Voor het eerst na de Tweede Wereldoorlog nam een extreemrechtse partij deel aan de regering. In Nederland begon de voormalig universitair docent en publicist Pim Fortuyn zich los te maken uit de marge. 5 De aanslagen in de Verenigde Staten op 11 september 2001 maakten in één klap een einde aan de stille overtuiging — ook de mijne — dat heel de wereld zich in de dezelfde richting beweegt. Er was meteen sprake van een clash of cultures, het vrije Westen tegenover de onverlichte islam. De waarden en idealen uit mijn jeugd, die tot dan toe als universeel werden uitgedragen, werden nu voorgesteld als een onmiskenbare uiting van de westerse cultuur.

19


20

onbehagen De geloofsartikelen van de Verlichting worden sindsdien van alle kanten bevraagd en bestreden. Voor sommige critici, zoals de Indiase schrijver Pankaj Mishra, zijn ze vanaf het begin af aan hypocriet geweest en een excuus voor het uitsluiten van hele groepen en rassen. Voor anderen, op de rechterflank, hebben ze met hun nadruk op de vrijheid van het individu het idee van ­cultuur en gemeenschap op een fatale manier ondermijnd. Dat is de traditie van de Contra-Verlichting. De kleine wereld is opgestaan tegen de grote, geglobaliseerde wereld. Steeds feller wordt nu het recht op ongelijkheid opgeëist. Het geloof in een gedeelde menselijkheid dat mensen in staat zou stellen verschillen te overbruggen, zoals in de twintigste eeuw uitgedragen door de grote vrijheidsstrijders Gandhi, King en Mandela, lijkt nu ­vervangen door de groeiende overtuiging dat de scheidslijnen tussen mensen — groepen en rassen — onoverkomelijk is. Het is een tijd van marsen en vlagvertoon. In de politiek bloeit het populisme, dat een uni­ versalistisch mensbeeld verwerpt en assertief en vaak agressief de nadruk legt op een door vijandige krachten bedreigde eigenheid, op afkomst, cultuur, geschiedenis. Het is de kleine wereld tegenover de grote boze wereld, de eigen groep tegenover de rest. Vrijheid, gelijkheid en broederschap zijn niet langer de stippen aan de stralende horizon van mijn bestaan, zoals vroeger. De begrippen bevinden zich ineens ­midden in een strijdperk waarin men elkaar naar het leven staat.


onbehagen

6 Wanneer je over het hedendaagse onbehagen spreekt, waar heb je het dan over? Over de schok van de glo­ balisering? Over een samenleving die alleen in naam dat nog is, omdat er niet langer sprake is van ­gedeelde waarden, alleen nog van eigen geloof en ­identiteit? Is de mensheid vervangen door de groep? Is de waarheid vervangen door geloof? En heeft het humanisme dat tolerantie en empathie predikt plaats­ gemaakt voor de onverzoenlijke eigen overtuiging, een blinde, tribale saamhorigheid jegens een gemeenschappelijke vijand? Wat me duidelijk is geworden, is dat dit geen voorbijgaande oprispingen zijn. Er is niet alleen iets verschoven in ons wereldbeeld, maar ook in ons mensbeeld. De wetenschap, in het bijzonder de biologie, mag de mens steeds verder vooruithelpen, ze doordringt ons er ook — en dat is de paradox — steeds ­dieper van dat de mens zichzelf niet snel zal over­ stijgen. Nieuwe technologie belooft ons grotere vrijheid, maar zorgt er ook voor dat we steeds beter zijn aan te sturen en te manipuleren. En tegelijk confronteert de biologie ons ook steeds meer met de grenzen van onze vrijheid. De mens, als product van evolutie, blijkt slecht uitgerust voor dat door mij zo gekoesterde ­verlichte mensbeeld. Vooruitgang in de wetenschap

21


22

onbehagen gaat onmiskenbaar hand in hand met de reductie van de mens als zelfstandig individu. Dus wat is er nog over van onze vrijheid? Ons streven naar gelijkheid? Ons verlangen naar broederschap? Is het mogelijk iets van de idealen waardoor ik gevormd werd en die mij een betere wereld beloofden overeind te houden in een wereld waarin ze van alle kanten — door de politiek, door de wetenschap en door de biologie — ondermijnd en ontkend worden? Anders gezegd: is er een antwoord op het onbehagen? Wat is vrijheid nu? Wat is gelijkheid? Broederschap?


Vrijheid

1 De laatste tijd merk ik dat mijn horloge steeds brutaler wordt. Dagelijks word ik op een persoonlijke manier aangesproken die me een ongemakkelijk gevoel geeft. ‘Hou vol, Bas! Je kunt het! Gaan we er deze week ­tegenaan?’ Mocht ik tot voor kort zelf bijhouden hoeveel stappen ik per dag wilde zetten, hoeveel beweging goed voor me was, tegenwoordig beleert mijn horloge me over het feit dat ik de gestelde doelen niet gehaald ­ heb, moedigt me aan mijn schouders eronder te zetten, omdat hij ervan overtuigd is dat ik beter kan. Juist dat gemaakte ’Hou vol, Bas’ zet me aan het denken. Wie zegt dat? Vinden de meeste mensen het prettig zo toegesproken te worden? Waarom heb ik dat ding eigenlijk gekocht? Zoals de meeste mensen heb ik mezelf de afgelopen twintig jaar zonder vragen te stellen overgeleverd aan een nieuwe technologische orde, waarbij steeds meer contact met mijn omgeving via allerlei schermen plaatsvindt. Ik heb een desktop, een laptop, een iPad, een smartphone en een smartwatch. En een e-reader. Ik


24

vrijheid heb me laten verleiden, met de belofte van meer gemak, meer efficiency en meer persoonlijke vrijheid. En die belofte lijkt te worden waargemaakt, meer dan ik ooit had durven dromen. Ik kan eten bestellen waar en wanneer ik wil. Ik kan razendsnel communiceren met vrienden en vreemden. Ik kan alle boeken overal ter wereld vandaan halen. Als ik daar behoefte aan heb kan ik meteen een auto, een kamer, een hotel ­boeken, een tafel in een restaurant reserveren. Ik kan onbeperkt porno kijken, waar en wanneer ik maar wil. Via Tinder of Grindr en talloze andere apps kan ik, als ik dat wil, seks op maat regelen, overal ter wereld. Ik ben een individu, maar ik ben ook connected als nooit tevoren. Via het scherm, lijkt het, heb ik zowat heel de wereld tot mijn beschikking. De digitale revo­ lutie lijkt als doel te hebben al mijn verlangens en ­behoeftes steeds sneller te bevredigen, en alle obstakels die inspanning vragen zoveel mogelijk uit de weg te ruimen. En dat gebeurt allemaal via apparaten en apps die er expliciet maar vooral impliciet op uit zijn mij te ­verleiden. Ik mag kiezen, ik word ogenschijnlijk aan­ gesproken als een zelfstandig individu, iemand die autonoom beslissingen neemt over wat hij wil. Nieuwe technologie vergroot mijn persoonlijke vrijheid. Dat was de belofte. De val van de Muur en de ineenstorting van de tota­ litaire regimes aan het eind van de jaren tachtig liepen synchroon met een nieuw, euforisch optimisme over de kracht van de technologie. Niet alleen de liberale orde zou voortaan de wereld beheersen, ook het indi-


vrijheid vidu zou zich voorgoed vrijmaken van alle onderdrukking en dwingende autoriteit. Toen in 1991 coupplegers in Rusland, die Gorbatsjov wilden afzetten, controle over de media wilden krijgen, leidde dat tot een vroege vorm van digitaal verzet. De nationale televisiezenders zonden alleen opera en ­ballet uit, al het nieuws werd gefilterd door de mili­ tairen. Maar het verzet organiseerde zich via Usenet en het Russische Relcom, beide voorlopers van het ­internet. Het leek een blauwdruk voor de toekomst. Het voedde een oude illusie dat technologische vooruitgang ook de mens beter zou maken. Digitale technologie beloofde vrijheid en verbroedering. Niet alleen zou de consument steeds beter op zijn wenken bediend kunnen worden, maar een steeds gemakkelijker communicatie tussen mensen zou oude machtsstructuren ­afbreken en de onderdrukking van het individu vrijwel onmogelijk maken. Kijk naar Rusland, kijk naar de Arabische Lente. Dat zich ook in dit paradijs een slang bevond, werd maar heel langzaam duidelijk. In plaats van algemene verbroedering kregen we de trollen en de filterbubble. In plaats van empathie en begrip kregen we groeps­ polarisatie, waarbij mensen sterk gekleurde informatie met elkaar deelden, wat helemaal niet tot empathie en verbroedering leidde, maar tot een verheviging van emoties en verharding van standpunten. Er vond geen verbroedering plaats, maar versplintering. De belofte dat iedereen voortaan als vrij individu zijn ­eigen wereld mocht inrichten, bleek een donkere kant

25


26

vrijheid te hebben. Juist die nieuwe ongefilterde vrijheid ontsloot de donkerste krochten van de menselijke geest, er kwam een darknet, er kwamen online-bedreigingen, massale digitale stenigingen. Er waren beelden van schoolshooters en terroristen, die in vlogs verklaringen aflegden. Zeker, de digitale wereld bracht ons veel goeds — Amber Alerts, crowdfunding. Maar de mens, zo bleek al snel, bleef uiteindelijk toch heel erg men­ selijk. En die droom van vrijheid? Techgiganten als Facebook en Google hebben jarenlang het evangelie van een oneindig uit te breiden persoonlijke vrijheid ­gepredikt. Intussen is steeds meer duidelijk dat ze ons als een object zien, dat gemonitord en gemanipuleerd kan worden. Het persoonlijke dataspoor dat ik op  al die gratis accounts achterlaat, blijkt handelswaar voor bedrijven die ons iets willen verkopen. Terwijl ik dacht heel de wereld aan mijn voeten te hebben, blijk ik tal van onbekenden toegang tot mijn brein gegeven te hebben. 2 Dat roept pijnlijke vragen op. Is mijn hoofd nog van mij, zijn mijn gedachten nog van mij? Wat eruitziet als een voortdurende bevestiging van mijn persoonlijke vrijheid, een oneindige keuzevrijheid, blijkt in wezen een steeds verdere inperking. Iedere dag, ieder uur word ik nu aangesproken door fictieve personages die me op dezelfde energieke toon aansporen iets te lezen,


vrijheid iets te kopen, meer te bewegen, mijn mening te geven, te liken, te raten. De quasi-persoonlijke manier waarop dat gebeurt, moet verhullen dat het juist een door en door onpersoonlijk proces is waar ik tegenwoordig onderdeel van ben. Voor de machine ben ik net zomin een persoonlijkheid als hij dat zelf is. Ik ben niets anders dan een ­verzameling data, die beïnvloed en aangestuurd kan worden, genudged en gemanipuleerd. De data die ik achterlaat, op sites en in sociale ­media als Facebook, worden niet alleen commercieel gebruikt, maar ook aangewend om in mijn brein te komen en mijn gedachten en opinies te beïnvloeden. Ik ben helemaal geen subject, ik ben een object, een prooi. 3 We doen alsof we deel uitmaken van een democratische samenleving als zelfstandige individuen, die vrij en autonoom zijn in hun beslissingen, die meer en meer zelf mogen uitmaken wat goed voor hen is. Maar de werkelijkheid is anders. In werkelijkheid hebben we al lang geleden afscheid genomen van dat zelfstandige individu. We weten te goed dat een mens zichzelf niet maakt, maar dat hij door zijn omgeving wordt gemaakt. En met die kennis richten we onze samenleving steeds meer in. Terwijl we voor onszelf nog altijd de schijn ophouden. Dat is de leugen. Het geeft de cultuur van constante verleiding waar we in leven, de belofte dat mijn wensen en verlangens

27


28

vrijheid direct kunnen worden bevredigd, een verdachte bijsmaak. Omdat het door nieuwe technologie steeds ­gemakkelijker wordt erachter te komen wat ik vind, wat ik wil en waar ik naar verlang, kan daar door bedrijven, organisaties en politici ook steeds gemakkelijker op worden ingespeeld. En omdat aandacht een schaars goed is, wordt erom gevochten. Men probeert zo subtiel en precies mogelijk mijn aandacht te trekken en zo snel mogelijk op mijn wensen in te spelen. Dat leidt tot een cultuur van bevestiging. Ik krijg wat ik wil, steeds vaker zonder dat ik erom heb gevraagd. 4 In zijn beroemde cultuurkritische essay Das Unbehagen in der Kultur uit 1930 onderscheidde Sigmund Freud drie principes die de mens in zijn greep hielden — het lustprincipe, het realiteitsprincipe en de doodsdrift. Een mens, dacht Freud, wil het goed voor zichzelf ­hebben, zoekt bevrediging van zijn verlangens en aandriften. Maar zodra hij opgroeit, merkt hij dat er in zijn omgeving allerlei barrières zijn waardoor instant bevrediging onmogelijk is. Ik kan geen Maserati kopen omdat ik er geen geld voor heb — of omdat ik dan mijn kinderen niet fatsoenlijk gekleed naar school kan laten gaan. Als het om mijn verlangens gaat, moet ik dus voortdurend onderhandelen, uitstellen of er zelfs helemaal vanaf zien. Dat noemde Freud het rea­ liteitsprincipe — onze verwachtingen worden getemperd door onze mogelijkheden. Dat levert frustratie en woede op, en daar had Freud de psychoanalyse voor


vrijheid uitgevonden. Die staat vandaag de dag niet in hoog aanzien. Maar als metafoor voor onze cultuur is zijn onderscheid nog altijd heel goed bruikbaar. Je kunt zeggen dat onze cultuur er steeds meer op gericht is om ons te verleiden door het lustprincipe tegemoet te komen en tegelijkertijd doet alsof het realiteitsprincipe niet langer een rol speelt. Alsof al onze verlangens moeiteloos kunnen worden ingewilligd. 5 Individualisering van onze samenleving heeft ons ­minder ondergeschikt gemaakt aan autoriteit en ­publieke moraal. Dat betekent dat autoriteit niet meer vanzelf spreekt, dat we verleid moeten worden — door de commercie, maar ook door de overheid, door instituties, door het onderwijs, door de politiek. Tegelijkertijd maakt nieuwe technologie het steeds gemakke­ lijker onze verlangens op te sporen, vaak beter dan dat we die zelf onder woorden kunnen brengen. Dat schept een illusie van zelfbeschikking. Er wordt ons vrijheid aangepraat terwijl die vrijheid in werkelijkheid steeds beperkter blijkt te zijn. Want we beseffen dat een mens geen rationeel ­wezen is. En dat het veel gemakkelijker is hem sub­ liminaal te sturen dan hem met zogenaamde rationele argumenten te overtuigen. Niet toevallig was het een neef van Freud, Edward Bernays, die de inzichten in de menselijke geest van zijn oom in de eerste helft van de twintigste eeuw naar

29


30

vrijheid de reclame bracht. Twee jaar voordat Freud zijn essay over het onbehagen in de cultuur publiceerde, in 1928, schreef Bernays het boek Propaganda, waarin hij uit de doeken deed hoe je de massa psychologisch kon kneden en hoe je symbolische acties en propaganda kon inzetten voor politieke, sociale of commerciële doeleinden. Of alle drie tegelijk. Beroemd is zijn actie met vrouwen die het waagden midden op Fifth Avenue een sigaret op te steken. Dat kwam in het nieuws als een ludieke feministische actie, maar bleek ingestoken door sigarettenmerk Philip Morris, die in activisme de beste reclame zag. De invloed van Freud op de twintigste eeuw is on­metelijk. Maar de invloed van zijn neef op onze tijd is misschien nog wel groter. Bernays was een van de eersten die de biologische kennis over hoe de mens in elkaar steekt, gebruikte om die mens te  beïnvloeden en te sturen. Zonder dat die dat zelf in  de gaten heeft. Zijn erfgenamen hebben, zo lijkt het, onze wereld overgenomen. Juist omdat we vrije individuen zijn ­geworden, zelf onze wereld mogen inrichten, zijn we ook kwetsbaar voor invloeden van buitenaf geworden. Van alle kanten staan we aan verleiding bloot, maar wanneer wordt verleiding manipulatie? We weten steeds beter hoe de menselijke geest in elkaar zit. En dus weten we ook steeds beter hoe we die kunnen beïnvloeden. De nieuwe techgiganten, zoals Facebook en Google, spiegelen ons een transparante, oneindig diverse ­wereld voor. In die wereld zijn we allemaal unieke


vrijheid ­ ezens, autonome individuen, die via nieuwe media w in staat worden gesteld zichzelf optimaal te verwezenlijken. Jij beslist, jij volgt je hoofd en je hart, jij vult je leven in zoals jij dat wilt. En, dat hoort bij het geloof dat wordt uitgedragen, jij kunt jezelf blijvend verbe­ teren door middel van nieuwe technologie. Die overtuiging heeft bij sommige techgoeroes de kracht van een geloof gekregen. Het gaat veel verder dan keuzevrijheid. Technologie zal de mens blijvend verbeteren, voorgoed van zijn beperkingen verlossen. Het is de ideologie van Silicon Valley. Maar tegelijkertijd zien juist die techbedrijven ­nauwelijks individuen meer. De gegevens die ze over ons verzamelen, worden op een hoop gegooid. Die hoop heet big data. Big data maakt patronen zichtbaar, laat een werkelijkheid zien die ons vanuit ons beperkte blikveld ontgaat. Big data laat zien wat we het liefst eten, waar we graag naar kijken, wat we graag lezen, wat we van de dingen denken — en het aanbod wordt daarop aangepast. Het stelt bedrijven en politici ook beter in staat ons te verleiden — omdat ze onze verborgen verlangens kennen, vaak beter dan wijzelf. Onze vrijheid heeft ons kwetsbaar gemaakt. Politici weten steeds beter hoe onze geest werkt, hoe prikkels hun werk doen. Ze weten ook steeds beter het realiteitsprincipe weg te moffelen. Duizend euro voor iedere hardwerkende Nederlander, een muur die het probleem van de illegale immigratie zal oplossen, een kop­ voddentaks als wraak op moslims.

31


32

vrijheid

6 Een cultuur die zich louter fixeert op verleiding en het lustprincipe schept zowel tevredenheid als onvrede. Dat is de paradox die zich nu overal doet gelden. Het verklaart enerzijds het gigantische optimisme van de technologische revolutie waar we middenin zitten. Maar het verklaart,deels, ook de almaar groeiende woede en het ressentiment. Want het realiteitsprincipe laat zich wel verhullen, maar niet ongedaan maken. De belofte dat ik de wereld mag maken naar mijn eigen inzichten, is domweg niet waar. Ten eerste weet ik vaak zelf helemaal niet wat ik wil. Ik reageer meestal op wat ik aangeboden krijg. En ik word omringd door krachten die dat tot hun uitgangspunt hebben gemaakt, die er alles aan gelegen is om mij in de illusie van zelfbeschikking te laten leven. Zelf zien ze een heel andere mens. Een mens die bij uitstek beïnvloedbaar is. Een mens die geneigd is te geloven wat hij wil geloven. Een mens die gemakkelijk te prikkelen is, boos te maken, of verlekkerd of geil. 7 Dat de werkelijkheid telkens anders is dan wordt ­voorgehouden, doet het onbehagen groeien. Het bewustzijn dat we ons willoos en zelfs met enthousiasme hebben uitgeleverd aan bedrijven en instanties die ons een ­autonomie aanpraten die ze zelf van alle kanten


vrijheid negeren of ondermijnen, veroorzaakt steeds meer ­protest. In 2017 stonden Facebook, Google en Twitter voor het eerst in de beklaagdenbank. Het ging om de pogingen om de Amerikaanse verkiezingen te beïnvloeden door Russische instanties die door de overheid werden aangestuurd. Maar tegelijk legde het de kern van het onbehagen met de dreigende monopoliepositie van de grote techbedrijven bloot. Wat zijn we voor hen, subject of object? Individu of slechts een verzameling data? Zelfstandige burgers of gewillige prooi? Facebook-oprichter en ceo Mark Zuckerberg, die kennelijk ambities heeft de volgende president van de Verenigde Staten te worden, beloofde beterschap na het schandaal van het Russische nepnieuws en de advertenties. Een paar maanden later was het alweer raak: de gegevens van honderdduizenden Facebookaccounts waren in handen gevallen van Cambridge Analytica, het bedrijf van de ultrarechtse tycoon Robert Mercer, dat data die wij achterlaten op het internet in opdracht van politici gebruikt om ons stemgedrag te beïnvloeden. Tegelijk kondigt Zuckerberg de ene utopische vooruitgang na de andere aan — doordat Facebook ons zo goed in de gaten houdt, kunnen zijn algoritmes steeds beter zien wanneer we depressief zijn. Zo kunnen zelfmoorden voorkomen worden. In de nabije toekomst worden ook pesten en intimidatie gemonitord en gemeld. Het is allemaal voor een betere wereld, maar de ­tegelijk dringt het bedrijf van Zuckerberg — en het is

33


34

vrijheid een bedrijf — diep door tot mijn persoonlijke leven. Waar ligt de grens? De hang om onze levens volkomen transparant te maken, ons in alle opzichten meet- en monitorbaar te maken, krijgt totalitaire trekjes. Steeds meer mensen beschouwen de techgiganten als een bedreiging van onze vrijheid. En ikzelf? Ben ik burger of consument? Of zijn die twee niet meer van elkaar te onderscheiden? Hoe ­verhoudt zich in mijzelf het lustprincipe tot het rea­li­ teitsprincipe? Omringd door mijn glanzende schermen, met keuzemenu’s en like-knoppen, lijk ik het middelpunt van de wereld. Maar in werkelijkheid maak ik nog altijd deel uit van een complex geheel, vol tegenstrijdigheden en andere opvattingen over wat plezierig en goed is. Ben ik nog wel uitgerust om met de teleurstellingen van die wereld om te gaan — wanneer Freuds realiteitsprincipe zich laat gelden, wanneer sommige dingen domweg onmogelijk zijn, wensen niet vervuld kunnen worden, het leven me harde klappen uitdeelt? Kan er nog wel zoiets als een publieke zaak bestaan in een cultuur waar zoveel op individuele behoefte­ bevrediging is gericht? Is het idee van een democratie bestaande uit autonome individuen niet een handige fictie geworden, met de mond beleden door bestuurders en politici, terwijl onze cultuur die notie al lang heeft losgelaten? Dat is de vraag die we onder ogen moeten zien.


vrijheid

8 Er is, denk ik, een fundamentele verschuiving aan de gang van hoe wij tegen de mens aankijken. De filosofen van de Verlichting beloofden ons dat de mens zich kon bevrijden van wat zijn autonomie in de weg zat. Godsdienst, dictators, groepsdwang, benauwende gemeenschapsbanden, gaandeweg zouden we in staat worden gesteld ons eigen leven te leiden, naar eigen inzicht. De toekomst was aan het individu. Onze vrij­ heid zou groter worden. Er zou meer gelijkheid komen. En dan was wereldwijde broederschap nog maar een kwestie van tijd. Maar we beseffen nu steeds beter dat die autonomie een illusie is. Een mens maakt de wereld helemaal niet, een mens wordt nog altijd grotendeels gemaakt door de wereld. Sapere aude ! ‘Durf te weten’, riep de grootste verlichtingsfilosoof van allemaal, Immanuel Kant. Maar wat als de machine ons beter kent dan wijzelf? Technologie dringt steeds dieper onze geest binnen, waardoor anderen ons steeds beter kunnen sturen. Steeds beter weten we ook dat we helemaal niet zo redelijk zijn. We zijn toch vooral een speelbal van impulsen, geneigd te vinden wat ons het beste uitkomt, onwelgevallige kennis te negeren. Onze biologie zit onze rationaliteit in de weg. Daar kunnen we weinig aan doen — zo zitten we nu eenmaal in elkaar.

35


36

vrijheid Dat is de grote verschuiving. Stilletjes hebben we ons geloof in de autonome mens opgegeven. Dat heeft grote gevolgen voor hoe wij tegen onszelf en de wereld aankijken. We hebben individualiteit met lustbevrediging verward, waarbij we van alle kanten worden aangemoedigd en gestuurd. We kunnen met iedereen communiceren, maar zijn steeds minder direct in contact met elkaar. De ander wordt — zeker online — steeds meer een trefwoord, een sjabloon, een vertegenwoordiger van iets waar we voor zijn, maar meestal heel erg tegen. Het heeft ons een scheve blik op de werkelijkheid opgeleverd — de illusie dat de werkelijkheid zich ­moeiteloos aan onze verlangens zal aanpassen. Wanneer dat niet gebeurt, ontstaat woede en frustratie. Onze vrijheid blijkt geen echte vrijheid te zijn, onze gelijkheid blijkt fictie en broederschap blijkt een ­immense opgave wanneer er geen sprake meer is van een besef van gedeelde publieke ruimte. Met mijn schermen en toetsen sta ik in verbinding met heel de wereld, omringd door duizenden vrienden, verbonden door links en likes, maar ik ben nog nooit zo alleen geweest. En als een mens grotendeel gemaakt wordt door zijn omgeving, is het dan wel mogelijk dat hij zichzelf als autonoom beschouwt? En als het mogelijk is, is dat wel verstandig? Misschien hebben we met ons idee van autonomie ook het idee van een gedeelde menselijkheid bij het grofvuil gezet. Steeds vaker wordt ontkend dat alle


vrijheid mensen gelijk en gelijkwaardig zijn, steeds feller wordt het recht op ongelijkheid opgeëist. Hoe herstellen we ons geloof in het individu als ­autonoom wezen? En hoe herstellen we het idee van een gemeenschap — of is dat voorgoed onmogelijk geworden? Wat als er geen weg terug is? Dat besef knaagt. Het doet steeds meer mensen ­verlangen naar een hechte samenhang, waarin het ­individu zich opnieuw deel weet van een collectief, van gedeelde eigenheid, van een gedroomde gemeenschap. Het is het verlangen naar identiteit.

37


Gelijkheid

1 We hadden een droom… Ik groeide op in een sociaal en politiek roerige tijd, die tegelijk een tijd van grote verwachtingen was. Mensen waren gelijkwaardig, ­leerden we, of zouden dat moeten zijn. Emancipatie was het woord dat ons voortstuwde — emancipatie van vrouwen, etnische en seksuele minderheden. Voor iedere twee stappen vooruit moest er wellicht een worden teruggezet, maar de richting was duidelijk. Ook de ‘Nooit weer!’ gedachte, waarmee na de ­Tweede Wereldoorlog de Europese samenwerking werd ingezet, bleek nog uiterst vitaal. Wij, ook wij in Zwanenburg, zouden langzaam maar zeker onze beperkte groepsgeest achter ons laten. Gaandeweg zouden we onderdeel worden van een nieuw soort ­gemeenschap, gebaseerd op gedeelde menselijkheid. Hoe die gemeenschap er precies uit zou zien en hoe het zou voelen om daar deel van uit te maken, dat bleef altijd een beetje vaag. Onze overtuiging was er niet minder om. Het was, voor ons en veel andere kinderen van de sociaaldemocratie, zeker geen activistisch idealisme.


40

gelijkheid Alles bewoog gewoon dezelfde kant op, met ons erbij. Er was geen duidelijke stip aan de horizon. Daarom hadden we zo laat door dat de droom van gelijkheid langzaam maar zeker verflauwde. Gaandeweg verloor de ‘Nooit weer !’-gedachte aan kracht, evenals de geest van de wederopbouw. Op een gegeven moment leek het alsof alle doelen vanzelf bereikt zouden worden. Nederland is af, klonk het steeds vaker om mij heen. 2 Wat in de jaren daarna langzaam zichtbaar werd, was een paradox die maar weinig mensen hadden voorspeld. Het proces van globalisering, die de mensheid ook als een geheel ziet, had de mensen weliswaar met elkaar in contact gebracht, maar tegelijk ontheemd gemaakt. Globalisering had oude, traditioneel ge­ ordende gemeenschappen van hun ankers geslagen. Dat heeft zich tegen het ideaal van een gedeelde menselijkheid gekeerd. Van die droom is niet veel meer over, lijkt het. Een vitaal activisme voedt zich met het ideaal van herwonnen zelfbeschikking, het verlangen weer ‘eigen baas’ te zijn. Een groeiend fundamentalisme dat zich op verschillende manieren openbaart, verlangt naar morele zuiverheid. En steeds vaker worden individuele verlangens en belangen vereenzelvigd met die van het collectief, het belang van de groep. De gemeenschap, het geloof, de natie. Identiteit.


gelijkheid

3 De gedachte die mijn jeugd domineerde, dat heel de wereld zo’n beetje dezelfde kant op beweegt, is onhoudbaar geworden. Men staat steeds vaker tegenover elkaar in naam van tegengestelde waarden of iden­ titeiten. In Amerika, in Europa, in het Midden-Oosten, in Rusland en in Afrika, overal staan groepen elkaar naar het leven. Een nieuwe identiteitspolitiek benadrukt de on­ overbrugbare verschillen tussen mensen. Kritiek op schending van mensenrechten wordt als een onverdraaglijke inmenging gezien, een aanslag op trots en eigenwaarde van de natie voorgesteld. In plaats van gelijkheid wordt onvervreemdbare uniekheid benadrukt. 4 Wat is er gebeurd? Waar komt die algemene desillusie met het ideaal van gelijkheid vandaan? Richt die zich tegen de hypocrisie van de bestuurlijke elites, die de droom verraden hebben? Of gaat het dieper en is het een frontale aanval op het ideaal van de gelijkheid zelf? In de tweede helft van de vorige eeuw kwam de nadruk meer en meer te liggen op individuele ontplooiing. Vrijheid betekende de vrijheid om zoveel mogelijk je eigen leven te maken. Denk aan de slogan van de vvd met Ed Nijpels in de jaren tachtig: gewoon jezelf kunnen

41


42

gelijkheid zijn ! Zet daar recente slogans tegenover en je ziet ­meteen wat er de afgelopen decennia verschoven is : Nederland moet Nederland blijven en Onze waarden moeten beschermd worden. Mijn jeugd stond in het teken van het losmaken uit de groep, de vrijheid om je eigen leven te maken. Wanneer gelijkheid een feit was, betekende dat ook dat een individu zijn wereld mocht inrichten zoals hij wilde, zolang hij maar binnen de grenzen van de wet bleef. Het idee van wat een samenleving zou moeten zijn, raakte daarbij uit zicht. Mocht iemand zijn vrijheid gebruiken om waarden uit te dragen die haaks op dat ideaal van persoonlijke vrijheid staan? Oude structuren brokkelden af. Bijvoorbeeld: wie vroeger zoon van een boer was, werd zelf automatisch boer, ongeacht IQ. Nu sprak dat niet langer vanzelf. Ieder mens moest steeds meer op eigen kracht een plek veroveren, in concurrentie met steeds meer ­mensen, over de grenzen van de traditionele gemeenschap heen. In de (linkse) politiek verdween het gemeenschapsdenken van de oude sociaaldemocratie naar de achtergrond. De strijd voor gelijkheid viel nu samen met de emancipatiestrijd — van vrouwen en minderheden. Klassenstrijd werd vervangen door het emancipatiestreven. Gemeenschap maakte plaats voor de per­ soonlijke identiteit. De toekomst was aan het vrije ­individu. Daar kwam bij dat in de jaren tachtig en negentig de emancipatie van minderheden tot overheidsbeleid werd gemaakt. De progressieve idealen van mijn jeugd


gelijkheid raakten gebureaucratiseerd. Progressief en establishment vloeiden in elkaar over. Allerlei idealen die voorheen door de grassroots-beweging werden vertolkt, werden langzaam maar zeker overgenomen door instituties en vooral door experts. In de jaren negentig raakte de samenleving zelf ­verder geontideologiseerd. In de maatschappij bewoog heel weinig meer. ­Vooral in Nederland leek zo’n beetje alles geregeld. Nederland, zo heette het in die jaren, was af. Het ­verhaal achter de idealen, als samenbindende kracht, raakte sleets. Maar onder dat rimpelloze oppervlak rommelde het. Globalisering en immigratie en de druk die deze op de samenleving zetten, werd vanuit links en rechts steeds heftigre bekritiseerd. Op links zag men dat het gelijkheidsdenken weliswaar met de mond werd beleden en als geloofsartikel door de bestuurlijke elite werd uitgedragen, maar intussen grote groepen daarvan uitsloot. Het ideaal van gelijkheid had alleen in naam en voor de wet een einde gemaakt aan discriminatie en achterstelling. Heel veel mensen zagen een gapende discrepantie tussen de mooie woorden en de harde realiteit. In economische zin, maar ook in termen van respect en waardering. In theorie waren veel van de idealen uit mijn jeugd verwezenlijkt, maar de praktijk bleef achter. Oude ideeën sleten langzaam. Meer en meer mensen voelden zich niet gezien. In plaats dat er werkelijk sprake was van een nieuw soort gemeenschap, leek het alsof grote groepen steeds meer langs elkaar heen leefden.

43


44

gelijkheid Ook op de rechterflank groeide het onbehagen met de idealen waar ik door gevormd was. Daar verzette men zich steeds explicieter tegen de hypocrisie van de politieke correctheid. Die reële problemen met ­immigratie en integratie van nieuwkomers stelsel­ matig genegeerd zou hebben. 5 Maar daarachter ging een dieper onbehagen schuil: de angst voor verlies van samenhang. Het liberale ­wereldbeeld zag de mens vooral als individu, maar dat bracht het gevaar met zich mee dat de samenleving als los zand aan elkaar zou gaan hangen. De druk van globalisering en immigratie deed de angst ontwaken dat de burger verweesd zou raken, geen diepere samenhang in zijn omgeving meer zou vinden die als bedding in zijn leven fungeerde. Steeds meer kwam het accent op cultuur te liggen. En op religie — of een mengeling van beide. De Nederlandse identiteit, die in het ver­ leden slechts stof was voor bezadigde causerieën, werd nu een heet hangijzer. Na de aanslagen van 11 sep­ tember 2001, en drie jaar later de moord op Theo van Gogh, werd de groeiende aanwezigheid van de islam steeds meer een brandpunt van kritiek, maar ook een aanleiding tot hetzes. Ook binnen de islam bloeiden conservatieve en ­radicale stromingen, die een terugkeer naar zuiverheid en heelheid nastreefden. Die radicale bewegingen, ­nationalistisch of religieus, zetten zich fel af tegen het in hun ogen westerse gelijkheidsdenken — omdat


gelijkheid het geen echte gelijkheid zou nastreven, maar ook ­omdat gelijkheid een ontkenning van religieuze en culturele waarden zou inhouden. 6 Tegenover de miskenning van het verweesde individu, de ontheemding van de verweesde burger, staat nu de belofte van verlossing, religieus of anderszins — van samensmelten met een groter geheel. Gelijkheid wordt nog steeds in naam opgeëist, maar vaak om die aanspraak bij anderen af te wijzen. Terwijl het radicale denken zich steeds explicieter tegen het verlichtingsdenken keert, wordt universalisme, de grondtoon van het twintigste-eeuwse idealisme, vooral uitgedragen in de bezadigde taal van beroeps­ politici en beleidsmakers. Het ziet er bleek en on­ romantisch uit. De energie en het elan bruisen bij de tegenkrachten, die de gelijkheidsgedachte afwezen als hypocriet — of zelfs als funest. De Contra-Verlichting, die de Verlichting als een schaduw door de ­geschiedenis is gevolgd, maar na de Tweede Wereldoorlog voorgoed ongeldig leek verklaard, bloeit als nooit tevoren. Niet langer ligt de nadruk op een gedeelde men­ selijkheid als leidraad voor een rechtvaardige samen­ leving.

45


46

gelijkheid

7 Wat veel critici tegen de Verlichting inbrengen, af­ gezien van dat het een vorm van westers imperialisme is, is dat de mens die de Verlichting voorstaat, de vrije, autonoom denkende mens, die met behulp van zijn verstand besluit hoe hij wil leven, helemaal niet bestaat. ‘Dé mens heb ik nooit ontmoet’, schamperde de ultraconservatieve Franse denker Joseph de Maistre al aan het begin van de negentiende eeuw. ‘Wel ontmoette ik Fransen, Italianen en Russen.’ Is de verlichte mens, de zelfstandige, autonome mens die zich verbonden voelt met zijn gelijkwaardige medemensen, niet gewoon een illusie? In hoeverre wordt dit mensbeeld ondersteund door onze nieuwe kennis, door de wetenschap? Kunnen we ons wel ­verbonden voelen met mensen die we niet kennen en die we nooit zullen ontmoeten? Is het hemd niet altijd nader dan de rok ? Als nieuwe kennis over de biologische aard van de mens ons aanmoedigt ons met een groep te verbinden in plaats van de mensheid, dan wordt dat versterkt door het postmoderne denken dat ons de vrijheid ­verschaft naast onze eigen wereld ook onze eigen waarheid erop na te houden. De nadruk op identiteit, niet alleen als houvast in een complexe wereld, maar als uitdrukking van essentiële menselijkheid, maakt het vrijwel onmogelijk de ander nog als een gelijke te zien. Bovendien is men


gelijkheid voortdurend bang dat men zijn eigenheid verliest, dat de ander je iets afpakt. Omdat het een aanslag is op je gevoel van eigenwaarde, op je essentie. 8 In plaats van gelijkheid wordt nu uniekheid opgeëist. Protesten tegen achterstelling en discriminatie gaan zelden meer gepaard met een nieuw verhaal van samenhang, van een nieuwe maatschappelijke ordening van gelijken. Steeds vaker gaat het over groepen die gelijk willen worden behandeld, maar die zichzelf niet in de eerste plaats als mens te midden van andere mensen willen zien. De nieuwe, verbindende mythes die opkomen, gaan vrijwel nooit over mensen die zichzelf overstijgen om zich met de ander te verbinden — zoals de grote emancipatiebewegingen in de twintigste eeuw bepleitten — maar over verbondenheid tegenover een bedreigende, ondermijnende kracht. De samenleving wordt voor­ gesteld als gebroken, niet langer een eenheid — het gaat om het herwinnen van zeggenschap. Meestal gaat dat gepaard met diepere impulsen, een romantisch verlangen naar trots en macht, leven volgens een strenge erecode. Wat het herstel van de oude, traditionele orde in de weg staat, moet worden uitgebannen. Goedschiks of kwaadschiks. Het gaat niet langer om het corrigeren van het verlichtings­ ideaal, maar om een radicale verwerping ervan.

47


48

gelijkheid

9 Dat wordt de strijd van de komende tijd. Zowel op ­politiek als op cultureel gebied, die twee zijn niet meer van elkaar te onderscheiden. Het is Verlichting tegen Contra-Verlichting, universalisme tegen essentialisme, de mensheid tegenover de groep en het volk, diversiteit tegenover het verlangen naar zuiverheid. Het is een strijd waarvan de contouren zich langzaam maar zeker scherper aftekenen. Het wegvallen van het geloof in gelijkheid zet dat andere ideaal van de Verlichting onder druk: broederschap.


Broederschap

1 Uit mijn kinderjaren herinner ik me eigenlijk maar een echt onuitwisbare verschrikking: de stapels uit­ gemergelde lichamen die de Amerikaanse troepen aantroffen in de Duitse concentratiekampen. Dit was het hart der duisternis. Dieper kon de mensheid niet zinken. Het was een werkelijkheid die buiten iedere orde stond, een voortdurende aansporing van het ‘Nooit weer!’ De geschiedenis zou voortaan ver van die gruwelen vandaan moeten blijven, alles op alles moeten ­zetten om zulke barbarij onmogelijk te maken. Maar de afgelopen jaren zijn die beelden verdrongen door ontelbare andere, dit keer in kleur, en elkaar zo snel afwisselend dat ik er murw van word. De wervelstorm van beelden die de digitale cultuur op ons afstuurt, heeft ook de menselijke wreedheid een nieuw gezicht gegeven. Maar dit keer zijn ze niet bedoeld als waarschuwing. Ze zijn zuiver bedoeld om te zwelgen in wreedheid, om angst aan te jagen, en als provocatie. is heeft ons geconfronteerd met een wellustige wreedheid. Beelden van afgehakte hoofden in de tijd-


50

broederschap lijn van onze twitterfeed maken nauwelijks meer emoties los, evenmin als het doorsnijden van kelen in de zorgvuldig geregisseerde clips waarmee jonge jihadi’s zichzelf oppeppen voor de strijd. Officiële media ­mogen het resultaat van menselijke wreedheden nog altijd keurig van hun publiek weghouden, in de digitale cultuur kan iedereen dagelijks, ieder uur zien waartoe mensen in staat zijn. Het is een pornografie van de bloeddorst. 2 Hoe wreed is de mens van nature? Dat hij tot bruut ­geweld in staat is, weet iedereen. Ik ken natuurlijk het beroemde Yale-experiment van Stanley Milgram, waarbij brave proefpersonen gezagsgetrouw zogenaamde enorme stroomstoten uitdeelden aan onschuldige slachtoffers. Aan het eind van mijn tiener­ jaren werd het menselijke kwaad zichtbaar als het reusachtige, zwetende, kale hoofd van Marlon Brando als Colonel Kurtz in Apocalypse Now, het meesterwerk van Francis Ford Coppola. De Amerikaanse filmmaker gebruikte Joseph Conrads beroemde novelle Heart of Darkness uit 1899 (door mij in het Nederlands vertaald) om de Amerikaanse teloorgang in Vietnam te verbeelden. Kurtz, zowel voor Conrad als voor Coppola, was het symbool van de ontspoorde rede — de mens die denkt rationeel en beschaafd te zijn en zijn intense machtswellust en wreedheid aankleedt met mooie, verheven woorden.


broederschap Die schaduwkant van de Verlichting kon na de Tweede Wereldoorlog niet langer ontkend worden. Men was vastbesloten die gruwelen voorgoed achter zich te laten, het verleden zou zich nooit meer her­ halen. 3 Maar altijd knaagde er iets. In zijn essay Het onbehagen in de cultuur had Sigmund Freud, dit keer in zijn rol als cultuurcriticus, ons al gewaarschuwd voor de misvatting dat de mens een goedaardig wezen is dat alleen uit zelfbehoud gewelddadig wordt. Het tegendeel is waar, schrijft Freud: ‘In zijn driftleven is hij juist be­ giftigd met een enorme dosis agressie. Bijgevolg is zijn naaste voor hem niet alleen een potentiele helper en seksueel object, maar ook iemand die hem ertoe verleidt zijn agressie op hem uit te leven, zonder vergoeding te profiteren van zijn werkkracht, hem zonder zijn instemming seksueel te gebruiken, zich van zijn bezittingen meester te maken, hem te vernederen, pijn te doen, te martelen en te doden.’ Was het overmoed te denken dat we onze ‘natuur’ voorgoed achter ons konden laten — of hem tenminste tot in de oneindigheid in toom konden houden? Voor Freud was het de beschaving die de agressieve mens in toom hield. Wanneer de beschaving zou ­wegvallen, zoals aan het einde van zijn leven opnieuw gebeurde, bleef er een vals beest over. Die overtuiging brengt een permanent wantrouwen met zich mee :

51


52

broederschap een mens kan zichzelf nooit helemaal vertrouwen — of zou zichzelf niet moeten vertrouwen. Klopt dat beeld? Veel hedendaags onderzoek nuanceert het. In de documentaireserie Onbehagen zegt ­bioloog en neurowetenschapper Robert Sapolsky dat een mens in bepaalde omstandigheden tot grote ­onzelfzuchtige daden in staat is, en in andere tot de meest egoïstische en haatdragende. Een mens is geen beest of engel, hij is van nature een beetje van allebei. Het is maar wat hem prikkelt, wat hem boos maakt of hulpvaardig, het hangt er maar vanaf welke knoppen er bij hem worden ingedrukt. Maar het wantrouwen van Freud blijkt ook gerechtvaardigd. De mens is voortdurend geneigd zichzelf ­beter voor te stellen dan hij is, zichzelf als de kroon op de schepping te zien. Ook wanneer een mens zich beschaafd weet en zich voorhoudt een rationeel, autonoom wezen te zijn, blijkt hij speelbal van processen in hemzelf die hij niet kan beheersen. Wat doe ik met die kennis? Verandert het mijn leven, mijn blik op mijzelf? Steeds beter besef ik hoe een mens in elkaar steekt. Het doet me anders naar geweld kijken zoals dat verbeeld wordt in series als Game of Thrones en Suburra — en de enkele keer dat ik moderne horror zie. Er heerst steeds minder gêne over geweld — ook zoals het verbeeld wordt in de populaire cultuur. De gruwelen van Islamitische Staat zijn vermaak wanneer ze, veilig op afstand, dramatisch verbeeld worden in Game of Thrones. Wat is precies de relatie tussen die twee?


broederschap Voorheen was ik meer geneigd geweld te zien als een terugval, een tekortschieten van beschaving. Nieuwe kennis over ons brein, over onze biologie, maakt ons niet vrijer, maar reduceert ons juist. Het wij-zij-denken, stelt bijvoorbeeld Sapolsky, ligt evo­ lutionair diep in ons verankerd. Daar komen we niet zomaar, met een beetje goede wil, vanaf — we zullen er voortdurend alert op moeten zijn. De rede, waar de filosofen zo groot op inzetten als bevrijdende kracht, blijkt in ons handelen een ondergeschikte rol te spelen — als hij al een rol speelt. En wanneer geweld bij een mens hoort, is het dan niet naïef te veronderstellen dat we geweld ooit achter ons zullen laten? Moeten we onze natuurlijke instincten maar niet gewoon omarmen? Of moeten we, zoals de Vlaamse filosoof Ignaas Devisch stelt in zijn essay Het empathisch teveel (2017), ons maar beter niet teveel verliezen in de vraag wat de ware aard van de mens is, omdat het een discussie zonder einde is? Hij schrijft: ‘De vraag naar wie of wat de mens écht is, helpt ons in de discussie over het belang van empathie niet vooruit, omdat dit een oeroude vraag is waarop we geen exact antwoord ­kunnen geven. Of beter, dit is een vraag waarop we vele exacte antwoorden kunnen geven maar het ­definitieve antwoord ontberen. Voor elk onderzoek dat aantoont hoe egoïstisch we zijn, is wel een tegenonderzoek te vinden.’ Verstandige woorden. Het gaat erom, hoe we in onze samenleving vorm geven aan ons idee van

53


54

broederschap ­ edeelde menselijkheid. Maar juist dat idee ligt in g ­toenemende mate onder vuur. 4 Reactionaire denkers beroepen zich tegenwoordig steeds vaker op de mens zoals hij nu eenmaal is — en hoe hij dus eigenlijk zou moeten zijn. Een reden te meer voor hen om de idealen van de Verlichting als een jammerlijke dwaling te beschouwen, omdat ze tegen onze natuur ingaan. Men moet, volgens hen, weer een agressief mensbeeld uitdragen, wanneer het gaat over de relatie tussen mannen en vrouwen, over de noodzaak van geweld en oorlog, over de noodzaak van het groepsgevoel en een gemeenschappelijke vijand. Dat is niet langer iets om je voor te schamen, dat is iets om trots op te zijn. Jarenlang heette het dat de menselijke verbeelding een uitlaatklep was. In een windstille tijd kon een mens zijn hang naar drama en geweld uitleven in zijn fantasie — of in het voetbalstadion — zodat hij daarna in zijn dagelijkse leven gewoon weer een oppassende burger kon zijn. Dat lijkt niet langer het geval. De verbeelding lijkt steeds meer een motor voor menselijk gedrag. En het onderscheid tussen verbeelding en werkelijkheid is behoorlijk vaag aan het worden. De schaamte over het massale geweld en de gruwelen van de genocide in de twintigste eeuw lijkt afgelegd. Op de flanken, vooral van rechts, wordt steeds meer een taal van strijd gesproken, van opstand, oorlog en


broederschap eindstrijd. Terug is ook de onbeschaamde verheer­ lijking van een figuur waar in een democratische, ­verlichte wereld geen plaats meer voor zou zijn: de ­sterke man. De mannelijkheidscultus die in onze ­cultuur naar de uithoeken van de actiefilm leek verdrongen, eist weer een centrale plaats op. Het gaat steevast om een zelfverwezenlijking door kracht, het ongedaan maken van ambivalentie, twijfel, schuld­ besef en vermeende onzuiverheid — en samenvallen met een gedeelde identiteit. 5 Opnieuw gaat het om een heftige reactie tegen het ­verlichtingsdenken. Broederschap is het derde, laatste geloofsartikel van de Verlichting. Het is meteen ook het lastigste. En het vaagste. Wat bedoelen we met broederschap? Volgens de verwachtingen van mijn jeugd ging het om een langzame, maar onmiskenbare uitbreiding van empathie, niet alleen met mensen die ik kende, maar ook met mensen aan het andere eind van de wereld — met de koffieboer die in Colombia mijn koffie verbouwde en de jongen van veertien die in Azië mijn schoenen maakte. Ongeacht ras, afkomst en levenshouding was er iets wat me met hen verbond. En ook iets wat me voor hen verantwoordelijk maakte. Dat was ook wat er van mij als nieuwe Europeaan werd verwacht. Je liet oude vormen van groepsdenken achter je om een nieuwe gemeenschap te kunnen ­bouwen. Dat was de kant die we op moesten, dat was

55


56

broederschap wat ons een goed gevoel bezorgde. Dat de contouren van die gemeenschap vaag en weinig opwindend ­waren, nam ik dan maar op de koop toe. 6 Maar hoe verhoudt dat idee van solidariteit en broederschap zich met die andere vorm van broederschap, het tribale instinct dat me een gevoel van verbondenheid geeft met mensen die op mij lijken? Mensen waarin mezelf herken? Is dat geen natuurlijker vorm van ­broederschap? Een instinctieve affiniteit met de groep waar je deel van uitmaakt? Die zich niets gelegen hoeft te laten liggen aan andere groepen, andere volkeren. Broederschap houdt niet meteen verbroedering in, of juist helemaal niet. De huidige mediacultuur laat ons vooral voelen voor wie ons nabij is, of wie we als zodanig beschouwen. Ons vermogen tot empathie valt steeds meer samen met emotionele vereenzelviging. De met de smartphone gefilmde incidenten op straat, de heftige drama’s die zich vlak bij ons afspelen. Alles wordt steeds meer persoonlijk gemaakt. Het leed dat mensen zomaar overkomt, en dus ook ons zomaar kan overkomen, trekken we ons persoonlijk aan. Het onrecht dat mensen overkomt waar we ons in kunnen herkennen eveneens. Daardoor wordt het steeds lastiger empathie op te brengen voor mensen die we niet ‘herkennen’, waarmee we ons niet kunnen vereenzelvigen. Dat is een van de redenen dat de filosoof Devisch pleit voor beheer-


broederschap sing van empathie; als we ons vermogen tot broederschap enkel laten bepalen door de mate waarin we ons in de ander kunnen inleven, lopen we het gevaar dat we selectief worden in ons begrip en onze solidariteit. Wat dichtbij en herkenbaar is, roept empathie op — wat abstract en veraf is steeds minder. Het wordt dan steeds moeilijker ons verbonden te voelen met mensen op wie we niet lijken, die zich buiten onze kring bevinden. Broederschap wordt dan al snel een leeg begrip. 7 Zo gezien is het niet vreemd dat de Europese Unie, dat symbool van het naoorlogse verlichtingsdenken, steeds meer verzwakt en verdeeld raakt. Veel lidstaten lijken het idee van broederschap dat eraan te grondslag ligt (er gaat nauwelijks een grote Europese gebeurtenis voorbij zonder dat Beethovens slotkoor van zijn Negende, de Ode an die Freude, wordt uitgevoerd) te verwerpen en zetten daar een traditionele en meer ­tribale vorm van broederschap tegenover. Eigen volk eerst! De eu wordt door steeds meer ingezetenen niet langer gezien als een uitgebreide vorm van gemeenschap, maar eerder als een enorme bedreiging van de eigen, kleine gemeenschap. Die laatste emotie, zo liet de stem voor Brexit in 2016 zien, is gemakkelijk te exploiteren door politici omdat ze diep in ons geworteld is.

57


58

broederschap

8 Wil de echte mens opstaan? Het lijkt erop dat die idealen van de Verlichting, met hun appel op ons vermogen tot inleving en empathie, op een gemeenschappelijke menselijkheid, minder vanzelf spreken zoals ze in mijn jeugd zo vaak werden voorgesteld. De idealen zijn verflauwd en gebureaucratiseerd. De hoogmoed van het geloof in de rede als leidend principe was dat de mens zichzelf blijvend zou kunnen verbeteren. Niet dat die hoogmoed is verdwenen. Hij gedijt ­tegenwoordig goed in het techoptimisme van Silicon Valley, Californië. De techgiganten die mijn persoonlijke leven steeds meer in de greep houden, zijn in de ban van een nieuw idee van maakbaarheid van de mens. Technologie zal de mens helpen zichzelf voorgoed te overstijgen. Net zo denken de zogenaamde transhumanisten de mens met behulp van de bio­ medische wetenschap voorgoed van zijn negatieve ­eigenschappen te kunnen bevrijden. De valse wolf die Freud ons voorschotelde, zal met ingrepen in onze genen tot een zindelijk schoothondje worden ­getransformeerd. Maar die nieuwe mens, daar begint de hoogmoed, wordt ook weer door de mens gemaakt — totdat de kunstmatige intelligentie het overneemt. Voorlopig zal de mens toch wel heel erg menselijk blijven.


broederschap

9 Maar Freuds noodzakelijke kanttekening bij een al te rooskleurig mensbeeld bracht een nieuw gevaar met zich mee: een al te zwartgallig mensbeeld, van de mens die de mens een wolf is, altijd belust op geweld en machtsvertoon, tenzij in toom gehouden door een laagje beschaving. Zoals gezegd, het wordt steeds vaker gebruikt als excuus, als een vrijbrief voor het verheer­ lijken van onze biologische aard, van de mens, en dan vooral de man, zoals hij nu eenmaal is. Nieuwe kennis over hoe we in elkaar zitten, dwingt ons het verlichte mensbeeld opnieuw tegen het licht te houden. We beseffen dat het geloof in de ratio slechts een wankel houvast biedt. We beseffen dat we ondanks al onze beschaving biologische wezens zijn, met aanvechtingen en impulsen die zich slecht laten beheersen. We beseffen vooral dat we niet in de wieg gelegd zijn voor empathie met alles en iedereen, dat het een valse voorstelling van zaken is een natuurlijk gevoel van wereldwijde solidariteit te veronderstellen, die makkelijk bereikt kan worden. Het zal altijd hard werken blijven. Maar dat betekent niet dat het als streven ongeldig verklaard moet worden. Integendeel.

59


60

broederschap

10 Juist nu de idealen van de Verlichting overal onder vuur liggen, steeds openlijker in twijfel worden getrokken en worden gehoond, is het tijd hun betekenis opnieuw te ontdekken. De strijd om een open of gesloten samenleving zal gevoerd worden, of we daar zin in ­hebben of niet. Nu we beseffen dat globalisering en nieuwe technologie ons steeds meer van elkaar vervreemden en ons steeds meer tot object van sturing en manipulatie maken, moeten we op zoek naar nieuwe vormen van activisme, gedragen door dezelfde idealen van de Verlichting. Overal zijn daar nu tekenen van te zien, nieuwe bewegingen die gelijkheid opeisen, felle protesten tegen ongelijkheid, economische en sociale ongelijkheid. Juist omdat de idealen zo fel worden ­aangevallen, beseffen steeds meer mensen dat ze het waard zijn om voor te vechten, in het Amerika van Trump, het Rusland van Poetin, het Turkije van Erdogan en op tal van andere plaatsen op de wereld. Maar we kennen onszelf nu beter dan in mijn jeugd, toen het geloof in die idealen nog zo sterk was. We ­kennen onze hersenen beter, onze biologie — en hoe die ons gedrag bepalen. We beseffen nu hoe gemakkelijk we te manipuleren zijn, door commercie en politiek, hoe gemakkelijk we de ander als de vijandige ­Ander kunnen leren zien, hoe gemakkelijk we andere mensen als vertegenwoordiger van het kwaad kunnen leren zien.


broederschap We weten ook dat de Verlichting te vaak selectief is geweest, haar idealen door de geschiedenis heen heeft onthouden aan grote groepen mensen. Ook weten we dat we, willen we ons verbonden kunnen voelen met mensen die we niet kennen, een verhaal nodig hebben, een mythe, zoals Yuval Noah Harari in zijn bestseller over de geschiedenis van de mensheid schrijft. Een abstract idee is niet genoeg. We hebben een verhaal nodig om ons verbonden te voelen. We weten ook beter dat die idealen van de Verlichting precies dat zijn, idealen, ideeën die een streven uitdrukken en nooit helemaal verwezenlijkt kunnen worden, omdat wij mensen zijn. Een mens is een gespleten wezen, hij zoekt vrijheid en gebondenheid, hij wil individu zijn en hij heeft een bedding nodig. Een abstract gevoel van broederschap met de hele mensheid is hoogmoedig en roept automatisch tegenkrachten op. Reik vanuit het kleine naar het grote. Kennis over onze biologie kan ons leren hoe we het beste uit onszelf kunnen halen en het slechtste vermijden. Solidariteit voelen met mensen met wie je je niet direct verwant voelt, is een enorme opgave — en kan beter worden vastgelegd in gedeelde principes en ­instituties, dan dat ze puur van onze emotionele vereenzelviging afhankelijk is. Het gaat er juist om ons geloof in die principes en de dragers ervan, democratie en rechtstaat, van nieuw elan te voorzien, ze weer tot zaken van het hart te maken, niet alleen van het hoofd. Juist wat boven het persoonlijke uitstijgt, heeft onze hartstocht nodig.

61


62

broederschap Empathie is mooi, maar kan niet worden afgedwongen. Zoals de Schotse schrijfster Pat Barker in een van haar romans schrijft: ‘Je bewust blijven van de pijn van anderen is het moeilijkste wat er is.’ Wie dat beseft, wie weet hoe moeilijk dat is, begrijpt ook hoe hij zich tegen zijn eigen onverschilligheid kan wapenen. Hij begrijpt hoe hij een beter mens kan worden.


Verantwoording De tekst van Vrijheid, gelijkheid, broederschap is ge­ baseerd op aantekeningen die ik maakte tijdens het werken aan de documentaireserie Onbehagen (vpro/ Human), in vier delen uitgezonden op npo2 in het voorjaar van 2018. Ook zijn passages uit mijn ‘Bergrede’ opgenomen, uitgesproken op 4 april 2018 in de Bergkerk te Amersfoort. Veel dank ben ik verschuldigd aan Geert Rozinga, Gijs Meyer Swantee, Arnout Arens, Barbara Kist, Joël Hielckert, Tim Van der Maden, Bircan Unlu, Bert Janssens, Stan van Engelen en Hans Simonse. Tegelijk is Vrijheid, gelijkheid, broederschap de ­weerslag van mijn jaar als Vrije Schrijver aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Ik dank Jacob Bouwman, Joël Friso, Jacqueline Bel en Jan Oegema voor de ­uit­stekende samenwerking (en hun geduld) — en ­natuurlijk alle studenten waarmee ik als Vrije Schrijver stimulerende en uitdagende gesprekken heb mogen voeren.


Bas Heijne is van mei 2017 tot en met april 2018 Vrije Schrijver van de Vrije Universiteit Amsterdam. In die hoedanigheid schreef hij voor de VU, de VU Faculteit der Geesteswetenschappen en de VUvereniging dit essay.

Vóór Vrijheid, gelijkheid, broederschap verschenen als VU-geschenk: Abdelkader Benali, De soefi (2007, verhaal) Marcel Möring, Een lange weg (2008, essay) Christine Otten, Een echt verhaal (2009, verhaal) Renate Dorrestein, Pas goed op jezelf   (2010, verhaal) Ronald Giphart, De wake (2011, verhaal) Kristien Hemmerechts, Uitgespuwd (2013, verhaal) P.  F. Thomése, De werkelijkheidsverbeteraar (2014, lezingen) Joost de Vries, Geometrie (2015, verhaal) Niña Weijers, Hoe het licht binnenvalt (2016, essay en drie columns) Ernest van der Kwast,  Jouw toekomst is mijn toekomst (2017, vier portretten van vluchtelingstudenten)

Amsterdam, april 2018


Nieuwe technologie belooft ons grotere vrijheid, maar zorgt er ook voor dat we steeds beter zijn aan te sturen en te manipuleren. En tegelijk confronteert de biologie ons steeds meer met de grenzen van onze vrijheid. De mens, als product van evolutie, blijkt slecht uitgerust voor dat door mij zo gekoesterde verlichte mensbeeld. Vooruitgang in de wetenschap gaat onmiskenbaar hand in hand met de reductie van de mens als zelfstandig individu. Dus wat is er nog over van onze vrijheid? Ons streven naar gelijkheid? Ons verlangen naar broederschap? Is het mogelijk iets van de idealen waardoor ik gevormd werd en die mij een betere wereld beloofden overeind te houden in een wereld waarin ze van alle kanten — door de politiek, door de wetenschap en door de biologie — ondermijnd en ontkend worden? Anders gezegd: is er een antwoord op het onbehagen? Aldus Bas Heijne in zijn Abraham Kuyper Lezing 2018, waarvan dit boekje de uitgebreide versie bevat. Heijne, winnaar van de P.C. Hooftprijs 2017, verdiept in zijn lezing de thematiek van zijn veelbesproken essay Onbehagen (2016) met een reflectie op de drie grote idealen van de Europese Verlichting.

www.vuuniversitypress.com

Vrijheid Gelijkheid Broederschap - Bas Heijne  

VU Boekgeschenk van Vrije Schrijver Bas Heijne

Vrijheid Gelijkheid Broederschap - Bas Heijne  

VU Boekgeschenk van Vrije Schrijver Bas Heijne